|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 368
Wijziging van de Ziekenfondswet
in verband met wijzigingen met betrekking tot de financiering van
ziekenfondsen (maximering reserves
ziekenfondsen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Voorgeschiedenis:
invoering budgettering ziekenfondsen |
| 2 |
Noodzaak van
reservevorming |
| 3 |
Redenen om reserves te
maximeren |
| 4 |
Ziekenfondsverzekering
als financieel gesloten systeem |
| 5 |
Parlementaire debatten
over toezicht en reservevorming |
| 6 |
Rapportage
Ziekenfondsraad |
| 7 |
Hoofdkenmerken
wetsvoorstel |
| 8 |
Financiële aspecten |
| 9 |
Millenniumtoets |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
Voorgeschiedenis:
invoering budgettering ziekenfondsen
Bij de Wet van
15 december 1988, in de regel aangeduid als Wet stelselwijziging
ziektekostenverzekering eerste fase, en bij de daarbij behorende
wijziging van 20 december 1988 van het Besluit financiering
ziekenfondsen Ziekenfondswet is in de
Ziekenfondswet (Zfw) de mogelijkheid geopend van budgettering
van de ziekenfondsen voor de kosten van verstrekkingen en
vergoedingen ingevolge de wettelijke verzekering. Sinds 1991 lopen de
ziekenfondsen in het kader van de budgettering ook daadwerkelijk een
financieel risico. Dit risico was aanvankelijk zeer beperkt van omvang,
tengevolge van de toepassing van een hoge mate van zogenaamde
nacalculatie vanuit de door de Ziekenfondsraad beheerde Algemene Kas van
de ziekenfondsverzekering voor de verschillen die optraden
tussen de aan de individuele ziekenfondsen toegekende budgetten en
de achteraf gebleken werkelijke kosten.
Vanaf 1992 werd het
financiële risico van de ziekenfondsen behalve door - een inmiddels verlaagde
- nacalculatie ook beperkt door het invoeren van een gedeeltelijke
onderlinge verevening tussen de ziekenfondsen van de verschillen tussen
budgetten en werkelijke kosten. In de daaropvolgende jaren is de mate van
nacalculatie en verevening in een aantal stappen verlaagd. Het financiële
risico dat de ziekenfondsen in het kader van de budgettering lopen, is
daardoor inmiddels aanzienlijk toegenomen. Dit proces zal de komende
jaren naar verwachting verder doorgaan, gegeven de beoogde eindsituatie
waarin de ziekenfondsen maximaal risicodragend zullen zijn voor alle
kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge de wettelijke verzekering
waarop zij geacht worden invloed te kunnen uitoefenen.
Noodzaak van
reservevorming
In samenhang met de
invoering van de risicodragende budgettering is per 1 januari 1992 in artikel
43b van de Zfw de verplichting voor de ziekenfondsen opgenomen om te voldoen
aan een solvabiliteitseis teneinde zeker te stellen dat aan
verplichtingen kan worden voldaan. Gelet op de aanvankelijk hoge mate
van nacalculatie was de vereiste solvabiliteitsmarge rblz.|2|
aanvankelijk laag.
Met de geleidelijke afname van de mate van nacalculatie is de
vereiste solvabiliteitsmarge inmiddels gestegen. Deze stijging zal verder
doorgaan totdat de bovenbedoelde situatie van maximale
risicodragendheid van de ziekenfondsen zal zijn bereikt.
Toen de budgettering van
de ziekenfondsen werd ingevoerd, bestond het perspectief van het
ontstaan van concurrentie tussen ziekenfondsen en particuliere
ziektekostenverzekeraars bij het tot stand brengen van een basisverzekering voor
alle ingezetenen van Nederland. Gelet op het feit dat de particuliere
verzekeraars in die uitgangssituatie reeds konden beschikken over
financiële reserves en de ziekenfondsen niet, bestond destijds de vrees voor
ongelijke uitgangsposities bij de start van de in te voeren basisverzekering.
Mede met het oog daarop zijn de ziekenfondsen destijds in staat gesteld
een begin te maken met de vorming van een financiële reserve door
middel van een - gespreid over twee jaar uitgekeerde - eenmalige
dotatie vanuit de Algemene Kas van in totaal ƒ350 miljoen.
Sedertdien, en gelet op het inmiddels wegvallen van het perspectief van
totstandkoming van een basisverzekering, hebben geen dotaties in verband met
de reservevorming bij ziekenfondsen meer plaatsgevonden. De
verantwoordelijkheid om te voldoen aan de vereiste solvabiliteitsmarge
(oplopend van ƒ263 miljoen
in 1992 tot ƒ930 miljoen
in 1997)
berustte verder geheel bij de ziekenfondsen zelf. Zij konden aan die
verantwoordelijkheid onder meer vormgeven door gebruik te maken van hun
bevoegdheid om de hoogte van de nominale ziekenfondspremie zelf
vast te stellen.
De
noodzaak van vorming
van financiële reserves bij de ziekenfondsen houdt niet uitsluitend
verband met de wettelijke verplichting te voldoen aan de gestelde
minimumsolvabiliteitseis. De belangrijkste functie van reservevorming bij de
ziekenfondsen is het waarborgen van continuïteit in de bedrijfsvoering.
Stabilisering van de te heffen nominale premies is daarbij een kernelement.
Om vanuit een oogpunt van continuïteit in de bedrijfsvoering
ongewenste fluctuaties in de hoogte van de nominale premie te kunnen
vermijden, heeft een ziekenfonds een financiële buffer nodig in de vorm van een
reserve. Het gedeelte van de reserve dat een ziekenfonds aanhoudt ter
voldoening aan de minimaal vereiste solvabiliteitsmarge kan
hiervoor niet worden ingezet. Dit gedeelte moet immers onder alle
omstandigheden aanwezig zijn in verband met de verplichtingen die voor
een ziekenfonds voortvloeien uit de uitvoering van de Zfw. Naast het
gedeelte van de reserve ter grootte van de minimaal vereiste
solvabiliteitsmarge is daarom behoefte aan een ander gedeelte, dat kan worden ingezet
ten behoeve van de bedrijfsvoering van het ziekenfonds. Dit laatste
gedeelte van de reserve van een ziekenfonds is op andere plaatsen ook wel
aangeduid als additionele reserve, bovenop de solvabiliteitsmarge.
Redenen om reserves te
maximeren
Omtrent de omvang van de
totale reserves (vereiste solvabiliteitsmarge + additionele buffer) is
aanvankelijk uitgegaan van de gedachte dat de onderlinge concurrentie
tussen de ziekenfondsen zou leiden tot een voldoende mate van
beperking. Aangezien in de praktijk echter is gebleken dat zowel voor
de invoering van maximale risicodragendheid van de ziekenfondsen als
voor het toegroeien naar een goede vorm van concurrentie tussen de
ziekenfondsen aanzienlijk meer tijd benodigd is dan aanvankelijk was
verondersteld, is de laatste jaren de gedachte gerijpt dat het wenselijk zou
kunnen zijn om ten aanzien van de reserves van de individuele ziekenfondsen
naast het reeds bestaande minimum ook een maximum te stellen.
Daarbij speelt een belangrijke rol dat de middelen waaruit de ziekenfondsen
hun reserves vormen afkomstig zijn uit rblz.|3|
verplichte heffingen en
dat de transparantie van de ziekenfondsmarkt, de mobiliteit van de
verzekerden en de verschillen in nominale premies tussen de ziekenfondsen
vooralsnog niet zodanig zijn ontwikkeld dat daaruit als het ware
automatisch een beheersende werking zou ontstaan op de omvang van de
totale reserves per ziekenfonds. Tevens speelt een rol dat een behoorlijk
aantal ziekenfondsen er inmiddels in slaagt om uit de combinatie van
nominale premiestelling en de verhouding tussen budget en werkelijke kosten een redelijke additionele buffer bovenop de
reserve ter voldoening
aan de vereiste solvabiliteitsmarge op te bouwen. Nu dit zo is, is het
moment aangebroken om op basis van de wet een maximum te stellen aan de
reserves die een individueel ziekenfonds mag vormen en aanhouden.
Binnen een sociale verzekering, zoals de ziekenfondsverzekering,
waarin wordt gewerkt met een zekere toepassing van marktprikkels, is het
enerzijds gewenst dat voldoende reservevorming plaatsvindt om de
stabiliteit en flexibiliteit van de uitvoeringsorganen te waarborgen, maar
anderzijds ongewenst dat onnodig hoge reserves worden gevormd ten laste
van vooral collectieve en semi-collectieve heffingen.
Ziekenfondsverzekering
als financieel gesloten systeem
De middelen waarover een
ziekenfonds kan beschikken voor de uitvoering van de wettelijke
verzekering worden voornamelijk verkregen uit de budgetten voor
verstrekkingen en vergoedingen en voor beheerskosten alsmede uit de
rechtstreeks bij de verzekerden te innen nominale premie. Het is daarnaast
ook
mogelijk dat een ziekenfonds inkomsten heeft uit bijvoorbeeld beleggingen.
De basis voor de budgettering wordt gevormd door artikel 19 van de
Zfw, uitgewerkt in het Besluit financiering ziekenfondsen Ziekenfondswet. De
toedeling van de verstrekkingenbudgetten hangt af van de
samenstelling van het verzekerdenbestand van een individueel ziekenfonds,
herleid tot de objectieve achtergrondkenmerken leeftijd, geslacht,
verzekeringsgrond en regio. Bij deze toedeling wordt rekening gehouden met een
nominale rekenpremie, een bepaald bedrag per verzekerde. De
ziekenfondsen bepalen zelf echter de werkelijke hoogte van de te innen nominale
premie, waardoor zij - zoals gezegd - invloed hebben op het totaal van
hun inkomsten.
Alle bovengenoemde
middelen moeten worden besteed ter dekking van de voor de uitvoering van
de verzekering noodzakelijke uitgaven. Indien voor een ziekenfonds het
totaal van deze middelen in enig jaar hoger is dan het totaal van de
kosten, dient het overschot te worden gereserveerd. Onttrekking aan de reserve kan uitsluitend plaatsvinden ter dekking van
de kosten van de
wettelijke verzekering en is dan ook alleen aan de orde indien in enig jaar te
weinig middelen ter beschikking staan ter dekking van de verantwoorde
kosten. Hiermee is de uitvoering van de ziekenfondsverzekering te
beschouwen als een financieel gesloten systeem.
De financiële
geslotenheid van de ziekenfondsverzekering speelt een bijzonder belangrijke rol
bij het toezicht dat wordt uitgeoefend op de uitvoering van de
verzekering door de ziekenfondsen. Niet in de laatste plaats tengevolge van de
concernvorming waarin de meeste ziekenfondsen de afgelopen jaren
betrokken zijn geraakt, is de belangstelling gegroeid voor de vraag of
voldoende waterdicht is geregeld dat publieke middelen niet kunnen
worden aangewend voor private doeleinden en dat ziekenfondsen niet kunnen
beschikken over zogenaamde vrije reserves, die eventueel ook zouden
kunnen worden aangewend voor andere doeleinden dan door de
wet beoogd. Over deze en enkele daarmee verwante andere vragen
hebben in 1996 en 1997 enkele parlementaire debatten plaatsgevonden.
rblz.|4|
Parlementaire debatten
over toezicht en reservevorming
Tijdens het notaoverleg
over het Financieel Overzicht Zorg 1996 op 13 november 1995 werd
door de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de
Tweede Kamer gevraagd naar de sturings- en beheersinstrumenten
gericht op zorgverzekeraars. Naar aanleiding van mijn brief hierover van
21 mei 1996 heeft vervolgens op 28 augustus 1996 een algemeen overleg
plaatsgevonden met de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport van de Tweede Kamer. Tijdens dit overleg kwamen de in de
voorgaande paragraaf reeds aangeduide vraagstukken rond het
financieel gesloten karakter van de ziekenfondsverzekering, de scheiding van publieke
en private middelen, de concernvorming en de vorming en
aanwending van reserves aan de orde.
In de tussentijd was de
reservevorming nog meer in het voetlicht komen te staan naar aanleiding
van de verhoging van de nominale premies door ziekenfondsen per 1
januari 1996 en de te verwachten aanpassingen per 1 januari 1997. De
vaststelling van de nominale premie houdt immers nauw verband met de
invloed die ziekenfondsen hebben op de omvang van hun reserves.
Eén en ander vormde de
aanleiding tot nader onderzoek naar de reservevorming bij
ziekenfondsen. Daarbij kwam reeds openlijk de vraag aan de orde of het
mogelijk dan wel wenselijk zou zijn om deze reserves aan een maximum te
binden.
De
Ziekenfondsraad heeft
in 1996 onderzoek gedaan naar de bij de ziekenfondsen aanwezige
reserves per ultimo 1995 en de destijds verwachte reserves per
ultimo 1996, alsmede naar de wettelijk verplichte reserves tussen 1995 en
de toekomstige situatie waarin de ziekenfondsen maximaal risicodragend
zullen zijn bij de uitvoering van de ziekenfondsverzekering. In twee brieven
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 173, nrs. 1 en 2) heb ik de Tweede Kamer
eind 1996 laten weten dat de uitkomsten van het onderzoek van de
Ziekenfondsraad geen aanleiding gaven tot bijzondere zorg over het te ver
oplopen van de reserves die de ziekenfondsen tot dusver gevormd hadden
mede met gebruikmaking van het instrument van de nominale premie.
Weliswaar bleek bij een groot aantal ziekenfondsen sprake te zijn van een
aanzienlijke additionele reserve, gelet op de destijds geldende
hoogte van de vereiste solvabiliteitsmarge, maar deze verhouding zou door
de toekomstige ontwikkeling van de vereiste solvabiliteitsmarge
worden rechtgetrokken. Te verwachten viel wel dat de ziekenfondsen, bij het
verder aanscherpen van de verstrekkingenbudgettering in de komende jaren,
via
de nominalepremieheffing tot verdere toevoeging aan de
reserves zouden komen. Gelet op deze verwachting heb ik
besloten te onderzoeken wat als redelijke marge mag worden beschouwd voor een
additionele reserve per ziekenfonds bovenop de vereiste
solvabiliteitsmarge.
Bij brief van 17 april
1997 heb ik daartoe aan de Ziekenfondsraad gevraagd hoe naar zijn
mening vormgegeven kan worden aan de maximering van de omvang
van de additionele reserve. Daarbij is aangegeven dat het de
voorkeur heeft, gelet op de gewenste eenvoud van de wet- en regelgeving en
van het toezicht op de naleving daarvan, de maximale omvang van de
additionele reserve op enigerlei wijze te relateren aan de vereiste
solvabiliteitsmarge. Duidelijk werd gesteld dat het niet gaat om de
noodzaak van de aanwezigheid van een additionele reserve bovenop de
verplichte solvabiliteitsmarge - die is immers evident - maar om de
omvang
van deze additionele buffer, in relatie tot de risico’s die ziekenfondsen in het
kader van de budgettering lopen.
Op 21 april 1997 heeft
vervolgens een uitvoerig algemeen overleg plaatsgevonden met de Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
rblz.|5|
en Sport van de Tweede
Kamer over toezicht en reservevorming. Tijdens dit belangrijke en
diepgaande overleg is de wenselijkheid van zowel een striktere regeling van
het gesloten karakter van het financiële systeem van de ziekenfondsverzekering
als het stellen van een maximum aan de reserves van de
individuele ziekenfondsen verder benadrukt.
Rapportage
Ziekenfondsraad
De Ziekenfondsraad
heeft
het door mij op 17 april 1997 gevraagde rapport uitgebracht op 28
augustus 1997 (Uitvoeringstoets maximering reserves verplichte verzekering
Zfw). De Raad geeft daarin informatie over de stand van de reserves van de
ziekenfondsen op verschillende meetmomenten, afgezet tegen de op die momenten geldende solvabiliteitseisen en tegen
de in de toekomst te
verwachten solvabiliteitseisen, indien maximale risicodragendheid van de
ziekenfondsen in het kader van de budgettering zal zijn bereikt. De Raad
geeft voorts een algemene verkenning en een beschouwing over de
consequenties van enkele als voorbeeld gehanteerde uitwerkingen van een
eventueel te hanteren maximum aan de reserves en constateert
dat er aanmerkelijke verschillen zijn in de financiële positie van
de ziekenfondsen. De Raad doet geen concrete aanbeveling voor een
maximum van de reserves bij ziekenfondsen. Als reden hiervoor wordt aangegeven dat de beoogde eindsituatie van de
financiering van het
zorgstelsel door middel van de ziekenfondsbudgettering en andere inkomsten
(nominale premie) nog niet is te overzien. Wel doet de
Raad de aanbeveling te komen tot het definiëren van een zogenaamde
wettelijke reserve Ziekenfondswet en over een aantal posten die
daaronder wel of niet zouden behoren te vallen. Verder stelt de Raad
onder andere voor, in reactie op de door mij aangegeven andere
aandachtspunten, dat het beleggingsbeleid van de ziekenfondsen - voor
zover betrekking hebbend op de reserve Ziekenfondswet - moet
voldoen aan de volgende eisen: het voldoende beschikbaar houden van de
gereserveerde middelen en het hanteren van een risicomijdende
werkwijze.
Ten slotte doet de Raad
technische aanbevelingen voor wijziging van de wet- en regelgeving.
De rapportage van de
Ziekenfondsraad heb ik op 25 september 1997 aangeboden aan de Tweede
Kamer. Ik heb de Kamer daarbij laten weten de aanbevelingen van de Ziekenfondsraad
over te nemen en voornemens te zijn te komen tot een
wetswijziging. De voorbereiding van deze wetswijziging is
tezelfdertijd ter hand genomen, uiteindelijk resulterend in het voorliggende
wetsvoorstel.
Hoofdkenmerken
wetsvoorstel
Met deze wetswijziging
wordt beoogd thans op wetsniveau een grondslag te geven aan de
budgettering van de ziekenfondsen en aan het financieel gesloten karakter van de
ziekenfondsverzekering. Hiertoe worden de bepalingen, zoals die tot
nu toe zijn opgenomen in het Besluit financiering ziekenfondsen
Ziekenfondswet, in verbeterde vorm neergelegd in een gewijzigd artikel
19,
respectievelijk een nieuw artikel 21 van de
Zfw. Het Besluit financiering
ziekenfondsen Ziekenfondswet komt van rechtswege te vervallen. Door een
wijziging van artikel 43b van de Zfw
wordt de instelling geregeld van
een reserve Ziekenfondswet, overeenkomstig het advies van de
Ziekenfondsraad, en wordt de basis gegeven voor maximering van deze
reserve bij ministeriële regeling, evenals thans reeds het geval is met
betrekking tot de in hetzelfde artikel geregelde minimaal vereiste
solvabiliteitsmarge.
In een nieuw artikel
43c van de Zfw wordt de mogelijkheid geopend om bij ministeriële
regeling regels te stellen met betrekking tot de belegging rblz.|6|
van gelden waarover
ziekenfondsen beschikken, eveneens overeenkomstig het advies van de
Ziekenfondsraad.
Met deze wet komt artikel
33 van de Zfw te vervallen. Ingevolge dit artikel was een ziekenfonds
bevoegd voor de bij dat ziekenfonds ingeschreven verzekerden de zogenaamde
aanvullende ziekenfondsverzekering onder te brengen bij de
rechtspersoon die is toegelaten als ziekenfonds in de zin van de Zfw. Deze
aanvullende verzekering heeft echter het karakter van een particuliere
verzekering en valt als zodanig buiten het toezichtsinstrumentarium van de
Zfw. De meeste
ziekenfondsen voeren deze aanvullende verzekering
uit binnen een andere rechtspersoon, waarop het toezichtsinstrumentarium
van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 van toepassing is. De
band met het ziekenfonds bestaat er hoogstens uit dat het ziekenfonds
"werkzaamheden voor derden" verricht.
Onder die omstandigheden
is de vraag gerechtvaardigd naar de meerwaarde van de
mogelijkheid van het bieden van een aanvullende verzekering binnen
dezelfde rechtspersoon als die van het ziekenfonds, mede gelet op het streven
naar een zo groot mogelijke zuiverheid van de uitvoering van de ziekenfondsverzekering en een zo helder mogelijk
toezicht op de
activiteiten van ziekenfondsen. Ik heb dan ook ter zake advies gevraagd aan de
Ziekenfondsraad in juni 1994. In zijn rapport van 24 november 1994 gaf de
Raad te kennen te kunnen instemmen met het vervallen van artikel 33
Zfw.
In het kader van dit
wetsvoorstel is deze wijziging noodzakelijk voor het sluitend regelen van het
financieel gesloten karakter van de ziekenfondsverzekering. Met de wijziging wordt
buiten iedere twijfel gesteld dat reserves die in het kader
van de aanvullende verzekering worden gevormd ook bij die
verzekering dienen te worden verantwoord, terwijl reserves die in het kader
van de verplichte verzekering zijn of worden gevormd niet kunnen
worden aangewend ten gunste van de aanvullende verzekering.
Het vervallen van de
mogelijkheid om binnen de rechtspersoon van het ziekenfonds een
aanvullende verzekering uit te voeren, betekent dat het enige ziekenfonds dat de
uitvoering van de aanvullende verzekering nog niet heeft ondergebracht
in een afzonderlijke rechtspersoon, te weten het Algemeen Ziekenfonds voor
Zeelieden (AZVZ), daartoe bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
alsnog zal moeten overgaan. Conform het advies van de
Ziekenfondsraad zoals vervat in het bovengenoemde rapport, wordt met het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wetswijziging het AZVZ voldoende tijd
geboden zich hierop voor te bereiden.
Ten slotte wordt op deze
plaats aandacht besteed aan de bijzondere situatie waarin de Ziekenfondsraad
bepaalde uitgaven van een ziekenfonds niet-verantwoord
verklaart. De door de Ziekenfondsraad niet-verantwoord geachte
uitgaven blijven in beginsel voor rekening van het ziekenfonds. Het
ziekenfonds zal in een dergelijke situatie deze uitgaven niet ten laste
mogen brengen van de wettelijke middelen en elders dekking moeten
vinden.
Het eerste lid van het
voorgestelde artikel 21 bepaalt dan ook dat een ziekenfonds de middelen
waarover het ten behoeve van de wettelijke verzekering de
beschikking heeft gekregen niet aan andere zaken mag uitgeven dan ter dekking
van zijn voor de uitvoering van de verzekering noodzakelijke kosten. Het
derde lid van hetzelfde artikel bepaalt dat de Ziekenfondsraad bevoegd
is om - achteraf - vast te stellen dat bepaalde uitgaven van een
ziekenfonds niet-verantwoord waren, omdat ze niet als noodzakelijke kosten
kunnen worden aangemerkt. Deze bevoegdheid geeft de Ziekenfondsraad
in zijn rol van toezichthouder de mogelijkheid om, indien dat
toepasselijk wordt geacht, op te treden tegen een ziekenfonds dat het
eerste lid van artikel 21 heeft overtreden. Hiervoor staat de toezichthouder
een variëteit aan sanctie-instrumenten ter beschikking, afgezien van
het feit dat in de regel niet-verantwoorde rblz.|7|
uitgaven niet ten laste
van de wettelijke middelen mogen komen. Zo kan de toezichthouder een
opmerking maken, maar ook overgaan tot onderbewindstelling en
intrekking van de toelating. Vanzelfsprekend zal het te hanteren
instrument afhangen van het oordeel van de toezichthouder over de ernst van de
overtreding en van de eventuele mate van herhaling ten opzichte
van eerdere gebeurtenissen bij het betreffende ziekenfonds.
Redelijkerwijs mag worden verondersteld dat het instrumentarium dat de toezichthouder in
dit opzicht ten dienste staat, bij een voldoende scherp gebruik
daarvan, adequaat is om te waarborgen dat overtreding van de regels
ten aanzien van verantwoorde uitgaven een marginaal verschijnsel
zal blijven.
De niet-verantwoorde
uitgaven van een ziekenfonds dienen buiten beschouwing te worden
gelaten bij de bepaling van het saldo van baten en lasten over een
boekjaar. Artikel 43b, vierde lid, tweede volzin, brengt dit tot uitdrukking, maar
schept tegelijk de mogelijkheid tot afwijking van deze regel. Indien
daarvoor aanleiding wordt gevonden, kan de Ziekenfondsraad
namelijk oordelen dat
bepaalde uitgaven weliswaar niet noodzakelijk waren en
deze niet-verantwoord verklaren, maar desalniettemin bepalen dat deze niet-verantwoorde uitgaven in uitzonderingsgevallen
wel ten laste mogen
worden gebracht van de wettelijke middelen. In dit geval worden deze
uitgaven wel meegenomen bij de bepaling van het saldo van baten en
lasten en zal dit tot uitdrukking komen in de stand
van de reserve Zfw.
Bij het toenemen van de
mogelijkheden om de wet flexibel uit te voeren (zorg op maat), zullen
zich de komende jaren mogelijk in toenemende mate gevallen voordoen
waarbij niet vooraf, bij het opstellen van de regelgeving, scherp valt
vast te stellen hoe de grenzen van nieuwe regelgeving moeten worden
bepaald. Natuurlijk zal eraan worden gewerkt om die bestuurlijke
helderheid vooraf te geven. Zonder twijfel zal het desondanks in de praktijk
enkele malen voorkomen dat ziekenfondsen in de overtuiging zich
binnen de regels met zorgvernieuwende activiteiten te hebben beziggehouden,
daarbij - achteraf beoordeeld - aan de verkeerde kant van de grens
uitkomen. In die gevallen zal de toezichthouder tot het oordeel kunnen komen
dat
de met die activiteiten gemoeide uitgaven niet-verantwoord zijn.
Indien daaraan de consequentie zou zijn verbonden dat de betreffende
uitgaven door het ziekenfonds niet ten laste van de middelen van de wettelijke verzekering mogen worden gefinancierd, zal
daarvan een ernstig
ontmoedigende werking kunnen uitgaan op initiatieven tot zorgvernieuwing van
de kant van ziekenfondsen. De in het vierde lid van artikel
43b opgenomen afwijkingsmogelijkheid is dan ook
onder andere bedoeld om
de door de overheid gewenste impulsen tot zorgvernieuwing
verenigbaar te houden met het eveneens gewenste sluitende systeem van toezicht.
De beoordeling of in
concrete gevallen wel of niet de afwijkingsmogelijkheid moet worden toegepast,
ligt bij de toezichthouder. Deze moet zijn
beoordelingsbeleid hieromtrent in beleidsregels vastleggen.
In de ministeriële
regeling op grond van het voorgestelde tweede lid van artikel 19 kan worden
geregeld in welke gevallen niet-verantwoorde uitgaven van een
ziekenfonds buiten beschouwing blijven bij de toepassing van
mechanismen als verevening en nacalculatie in het kader van de budgettering. Net
zoals dat thans geschiedt op grond van het Besluit financiering
ziekenfondsen Ziekenfondswet, kan een ziekenfonds niet-verantwoorde
uitgaven dan niet verhalen op andere ziekenfondsen of de Algemene Kas.
rblz.|8|
Financiële aspecten
Het wetsvoorstel
heeft
geen financiële gevolgen voor de rijksbegroting. Op indirecte wijze kan
het wetsvoorstel wel leiden tot gevolgen voor de financiële huishouding
van de ziekenfondsverzekering en voor de verzekerden. Het
wetsvoorstel opent de mogelijkheid om bij ministeriële regeling een maximum te
stellen aan de reserves van de ziekenfondsen. Niet het wetsvoorstel
zelf, maar de inhoud van de ministeriële regeling zal daarom bepalend zijn voor
de financiële effecten die zullen worden opgeroepen. Eerder is al aangegeven dat het niet de bedoeling is van het
wetsvoorstel om op
aanzienlijke schaal reeds door de ziekenfondsen gevormde reserves als het
ware "af te romen" en te laten terugvloeien in de Algemene Kas. Zou dit
wel het geval zijn, dan zou er sprake kunnen zijn van omvangrijke
financiële gevolgen voor de Algemene Kas en verstoring van de markt van
ziekenfondsen. De bedoeling van het wetsvoorstel is wel om verdere
reserveopbouw
in de komende jaren te voorkomen bij die ziekenfondsen die
blijkens de eerder genoemde rapportage van de Ziekenfondsraad
anno 1997
over hoge reserves bleken te beschikken. Het wetsvoorstel vormt voor
deze ziekenfondsen een signaal dat tijdige matiging is geboden van
de opslagen, die de ziekenfondsen - in verband met de financiële risico’s
die zij lopen - zelf leggen op de nominale rekenpremie in het kader
van de Zfw-budgettering. Wordt die matiging niet toegepast, dan
kunnen de betreffende ziekenfondsen in een situatie komen te verkeren dat zij
reserves boven het vastgestelde maximum op basis van het
voorgestelde derde lid van artikel 43b
Zfw
dienen af te dragen aan de Algemene
Kas. Aangenomen mag worden dat ziekenfondsen hun nominalepremiebeleid
in het algemeen zo zullen voeren dat van een dergelijke
situatie in de praktijk geen sprake zal zijn. Te verwachten valt dan ook
dat ziekenfondsen bij de jaarlijkse vaststelling van de hoogte van de
nominale premie terdege rekening zullen houden met het voor de reserve
vastgestelde maximum. Indien een ziekenfonds eerst lopende een bepaald jaar tot het inzicht komt dat het vastgestelde
maximum in dat jaar
overschreden zal worden, heeft het de mogelijkheid de nominale premie ook
tussentijds te verlagen.
Gelet op het
bovenstaande zal het belangrijkste effect van het wetsvoorstel kunnen zijn
het voorkomen van een onnodig hoog niveau van nominale premie,
hetgeen vanzelfsprekend ten gunste komt van de verzekerden. Voor de
ziekenfondsen met op dit moment relatief lage reserves zullen het
wetsvoorstel en de daarop te baseren ministeriële regeling op korte termijn
geen financiële gevolgen teweegbrengen.
Millenniumtoets
De invoering van
deze wet
zal op zich geen wijzigingen in de informatieverwerking bij ziekenfondsen en de
Ziekenfondsraad met zich meebrengen. De
milleniumproblematiek zoals die zich naar verwachting kan voordoen op 1 januari
2000 in de geautomatiseerde informatieverwerking wordt dan ook door deze
wet niet beïnvloed.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Artikel 19 van de
Zfw bevat thans slechts een rudimentaire regeling ten aanzien van de
uitkeringen die aan de ziekenfondsen worden verstrekt ter gehele of gedeeltelijke
dekking van de kosten van de uitvoering van de verzekering. De bepaling
geeft in feite zonder nadere clausulering rblz.|9|
opdracht aan de regering
om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels te stellen volgens
welke de uitkeringen worden gedaan. Dat er uitkeringen moeten worden
gedaan, is slechts zeer impliciet bepaald. Wel is geregeld dat kan
worden bepaald dat niet-verantwoorde uitgaven bij het doen van uitkeringen
buiten beschouwing worden gelaten.
De bedoelde AMvB is het
Besluit financiering ziekenfondsen Ziekenfondswet.
In verband met de
samenhang tussen regeling van het "gesloten systeem" en de
maximering van de reserve Ziekenfondswet en de verstrekking van
uitkeringen aan ziekenfondsen is van de gelegenheid gebruik gemaakt thans de
hoofdzaken met betrekking tot het verstrekken van de uitkeringen op
wetsniveau te regelen.
Het eerste lid bepaalt
dat aan ziekenfondsen voor de uitoefening van hun wettelijke taak jaarlijks
een uitkering wordt verstrekt ten laste van de Algemene Kas. Een
aanvraag behoeft daarvoor niet te worden ingediend. In de tekst is geen
onderscheid meer gemaakt tussen middelen ten behoeve van de kosten van verstrekkingen en vergoedingen enerzijds en
middelen ten behoeve van
de zogenaamde beheerskosten anderzijds. Ten aanzien van beide kostensoorten vindt in de
Zfw-praktijk op grond van het
Besluit financiering
ziekenfondsen Ziekenfondswet budgettering plaats. Dat zal ook in de
toekomst zo zijn, naar het zich thans laat aanzien. De verplichting tot het
verstrekken van een uitkering geldt ingevolge de tweede volzin,
vanzelfsprekend, niet voor een ziekenfonds waarvoor ingevolge artikel
71,
tweede lid, van de wet een afzonderlijke kas is ingesteld. Voor dit
ziekenfonds (voor zeelieden) worden regels inzake het beheer van de afzonderlijke kas, en daarmee voor de bekostiging van
dergelijke ziekenfondsen,
bij AMvB gegeven.
In het tweede lid is
bepaald dat de minister jaarlijks bij ministeriële regeling bepaalt welke
middelen beschikbaar zijn voor het doen van uitkeringen in het
volgende kalenderjaar (het macrobudget). De aanduiding van de voor
het doen van uitkeringen beschikbare middelen kan geschieden door het
vaststellen van een nominaal bedrag; het is ook denkbaar dat de middelen
voor een deel anders dan door een bedrag worden aangeduid,
bijvoorbeeld door voor een bepaald kostenaspect aan te geven dat de
werkelijke kosten in de uitkeringen zullen worden verdisconteerd of dat de
uitkering voor een deel volgens een bepaalde formule zal worden
berekend.
In het Besluit
financiering ziekenfondsen Ziekenfondswet (artikel 2) werd dit geheel van besluiten
- de bepaling van het beschikbare budget en de regels ter zake van de
berekening van de uitkering - aangeduid met de term "aanwijzing".
Het derde lid draagt de
Ziekenfondsraad op vervolgens beleidsregels te stellen omtrent de wijze
waarop hij toepassing geeft aan de door de minister vastgestelde
regels. Het gaat daarbij om nadere uitwerking van de hoofdlijnen die in de
regeling van de minister zijn vastgesteld. In het verleden werd in dit
verband gesproken van "richtlijnen" van de Ziekenfondsraad; bij
Koninklijk besluit van 16 december 1997, houdende aanpassing van een aantal
algemene maatregelen van bestuur aan de derde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport) (Stb. 1997, 720), werd reeds voorzien in aanpassing van deze
terminologie. De vast te stellen beleidsregels behoeven, gezien het
belang ervan voor de ziekenfondsen, de goedkeuring van de
minister.
In het Besluit
financiering ziekenfondsen Ziekenfondswet zijn met betrekking tot deze
situatie in artikel 3, derde en vierde lid, nog aanvullende procedurevoorschriften
opgenomen. Nu de wet (artikel 19) de Ziekenfondsraad expliciet
belast met de taak aan de ziekenfondsen rblz.|10|
uitkeringen te doen en
daaromtrent beleidsregels vast te stellen (taken die in het huidige artikel 19
slechts impliciet zijn aangeduid), bestaat, mede in het licht van de in
voorbereiding zijnde wijzigingen in de samenstelling en werkwijze van de Raad,
niet langer behoefte aan de bedoelde procedurevoorschriften.
Nadat de beleidsregels
door de Ziekenfondsraad zijn vastgesteld, moet de Raad,
vóór aanvang van
het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, voor alle ziekenfondsen
de hoogte van hun uitkering (budget) vaststellen (vierde lid). Daarmee
concretiseert de Ziekenfondsraad voor elk ziekenfonds het resultaat van toepassing van de door hem in de beleidsregels
nader uitgewerkte
verdeelcriteria. Tevens is vastgelegd dat de uitkering wordt betaald
overeenkomstig door de Ziekenfondsraad te stellen beleidsregels. Daarbij
kan worden gedacht aan de termijnen waarin uitbetaling zal
plaatsvinden en aan eventuele verrekeningen die daarbij zullen worden toegepast.
Het vijfde lid brengt tot
uitdrukking dat de uitkering achteraf, nadat de Ziekenfondsraad
de
jaarstukken heeft gecontroleerd, nader moet worden vastgesteld. Daarbij zijn
de ingevolge het tweede lid ter zake gestelde regels van toepassing.
Aan nadere vaststelling achteraf bestaat vooralsnog behoefte omdat
bij de vaststelling van de uitkering voorafgaande aan het kalenderjaar nog
geen rekening kan worden gehouden met de effecten van
verevening en nacalculatie (onder andere op basis van werkelijke aantallen
verzekerden), welke eerst achteraf plaatsvinden. Ook thans vindt
vaststelling van de uitkering in twee stappen plaats; in eerste instantie wordt
vóór het begin van het kalenderjaar een budget toegekend; in formele zin
vindt de vaststelling van de uitkering waarop aanspraak bestaat (met
verevening en nacalculatie) eerst achteraf plaats. Er is voor gekozen de
verdeling van de middelen vooraf thans in de regelgeving als
vaststelling van de uitkering en de wijziging achteraf als nadere vaststelling aan
te duiden, omdat die vormgeving beter aansluit bij de grondgedachte van de
budgettering.
Anders dan in het huidige
artikel 19 is in de voorgestelde tekst niets bepaald ten aanzien van niet-verantwoord geachte uitgaven. Dat houdt
verband met het feit dat
in de nieuwe formulering van het artikel de werkelijke kosten geen
rol spelen bij de vaststelling van de uitkering. Het zal nu de ministeriële
regeling, bedoeld in het tweede lid, zijn die erin zal voorzien dat de
werkelijke kosten van een ziekenfonds op enigerlei wijze een rol spelen bij de
vaststelling of nadere vaststelling van de uitkering. Daarom zal ook in die
regeling worden bepaald dat niet-verantwoorde uitgaven buiten
beschouwing blijven bij de toepassing van verevening en nacalculatie in het kader
van de budgettering. Materieel zal daardoor de situatie op dit punt
geheel gelijk blijven aan de huidige.
Wel is van de gelegenheid
gebruik gemaakt in artikel 21 expliciet vast te leggen dat de
Ziekenfondsraad bevoegd is - los van de vaststelling van de uitkeringen
- uitgaven
niet-verantwoord te verklaren.
Ten aanzien van
onverantwoorde besparingen op beheerskosten is overeenkomstig artikel 10
van het Besluit financiering ziekenfondsen Ziekenfondswet bepaald
dat het bedrag daarvan in mindering wordt gebracht op de uitkering.
Indien deze onterechte besparingen niet op de uitkering zouden worden
gekort, zou dat een onjuiste prikkel voor ziekenfondsen vormen om de nominale
premie kunstmatig laag te houden en vervolgens uit de
Algemene Kas de tekorten aan te zuiveren.
Tot slot is bepaald dat
het verschil tussen het bedrag van de vaststelling vooraf en de nadere
vaststelling wordt verrekend. Expliciet is daarbij bepaald dat aan de
ziekenfondsen volgens door de Ziekenfondsraad te stellen beleidsregels de
rentekosten over een eventueel extra bedrag worden vergoed; daar
staat uiteraard tegenover dat de ziekenfondsen aan de Ziekenfondsraad de
rentekosten over een eventueel te veel ontvangen rblz.|11|
bedrag moeten vergoeden.
Een zodanige verrekening van rentekosten geschiedt thans ook
reeds.
Het zesde lid regelt wat
er moet gebeuren indien, bijvoorbeeld in verband met tussentijdse
uitbreiding van de aanspraken, na aanvang van het kalenderjaar het
beschikbare macrobedrag wordt verhoogd. De minister
en de Ziekenfondsraad moeten in dat geval de regels aanpassen en de Ziekenfondsraad moet
opnieuw de hoogte van de uitkering van elk ziekenfonds vaststellen.
In de bepalingen dienaangaande wordt er echter van uitgegaan dat dit vóór aanvang van het kalenderjaar geschiedt. Daarom moest worden
bepaald dat in dergelijke gevallen de verschillende bepalingen van
overeenkomstige toepassing zijn.
Het zevende lid
ten slotte
geeft de minister de bevoegdheid nadere regels te stellen
ter zake van de
verstrekking van uitkeringen. Aldus kunnen zo nodig technische
aspecten worden geregeld die zich niet lenen voor regeling op
wetsniveau;
in dit verband kan ook worden gedacht aan regels omtrent de wijze waarop de uitkering voor nieuwe ziekenfondsen
moet worden vastgesteld.
Voor dergelijke technische regels acht ik regeling bij AMvB niet
aangewezen. Het Besluit financiering ziekenfondsen Ziekenfondswet komt derhalve van rechtswege te vervallen wegens het
vervallen van de
grondslag van dat besluit in de wet.
Onderdeel B
Voorzien is in de
opneming van een bepaling (artikel 21) die tot uitdrukking brengt dat
ziekenfondsen gehouden zijn de middelen waarover zij ten behoeve
van de verzekering ingevolge de Zfw de beschikking
krijgen te
besteden voor uitgaven die voor de uitvoering van die verzekering moeten
worden gedaan. Deze bepaling brengt het zogenoemde gesloten
financiële systeem van de verzekering tot uitdrukking. Zowel de uitkering uit de Algemene Kas als de nominale
premies en met deze
middelen gegenereerde opbrengsten vallen onder deze bepaling.
In het tweede lid is
geregeld dat de beheerskosten van het ziekenfonds worden aangemerkt als
kosten voor de uitvoering van de ziekenfondsverzekering, behoudens voor zover zij
worden gedekt door vergoedingen voor beheerskosten die
het ziekenfonds anderszins ontvangt. Daarbij ware in de eerste plaats te
denken aan de uitkeringen voor beheerskosten voor de uitvoering van de
algemene verzekering bijzondere ziektekosten, maar ook kan worden gedacht
aan kosten voor uitvoering van subsidieregelingen op grond van de Wet financiering volksverzekeringen en voor
uitvoering van de Overgangswet verzorgingshuizen. Met de wettelijke fictie, welke thans is
vervat in artikel 5 van het Besluit financiering ziekenfondsen
Ziekenfondswet, wordt voorkomen dat discussies kunnen ontstaan over de vraag in
hoeverre beheerskosten aan de uitvoering van de ziekenfondsverzekering
of de algemene verzekering bijzondere ziektekosten kunnen
worden toegerekend. Door de bepaling staat vast dat de kosten die niet
anderszins (moesten) worden vergoed, als gedaan ten behoeve van de
ziekenfondsverzekering gelden. Niet onbelangrijk is voorts dat ook
vergoedingen voor beheerskosten kunnen worden ontvangen ingeval het
ziekenfonds met toestemming van de Ziekenfondsraad
administratieve
werkzaamheden voor derden verricht. Daarbij wordt de voorwaarde
gesteld dat daarvoor een kostendekkende vergoeding in rekening
wordt gebracht.
Mocht een
niet-kostendekkende vergoeding worden ontvangen, dan kan het tekortschietende
gedeelte niet ten laste van de middelen of reserves van de wettelijke
verzekering worden gebracht. Wordt meer ontvangen rblz.|12|
dan de werkelijke kosten,
dan dient het meerdere te worden toegerekend aan de wettelijke reserve Ziekenfondswet.
In het derde lid is
bepaald dat de Ziekenfondsraad bevoegd is uitgaven onverantwoord te
verklaren. Artikel 19 van de Zfw
kent ook thans reeds de mogelijkheid uitgaven
onverantwoord te verklaren.
De formulering brengt tot
uitdrukking dat de Ziekenfondsraad uitgaven slechts niet-verantwoord
mag verklaren voor zover deze niet noodzakelijk waren voor de uitvoering
van de ziekenfondsverzekering. Dit impliceert in de eerste plaats dat
uitgaven voor zaken die niet in het verstrekkingenpakket van de Zfw
zijn
opgenomen, als niet-verantwoord zullen moeten worden aangemerkt. Maar
ook indien een ziekenfonds ten aanzien van bepaalde verstrekkingen
of uitgaven zich naar het oordeel van de Raad niet voldoende heeft ingespannen om de in
artikel 13 bedoelde maatregelen
te treffen, kan er
aanleiding bestaan om uitgaven als niet-verantwoord aan te
merken. Ook bij de vaststelling van de uitkering uit de Algemene Kas kan
het oordeel met betrekking tot het verantwoord zijn van uitgaven in
voorkomend geval consequenties hebben. Bij de beoordeling is de
Ziekenfondsraad als bestuursorgaan uiteraard gebonden aan de
wettelijke bepalingen en aan in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde
en andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals
zorgvuldigheid, belangenafweging, evenredigheid van de gevolgen). Er zij op
gewezen dat de Algemene wet bestuursrecht met zich brengt dat de
Ziekenfondsraad zijn beleid op dit vlak neerlegt in beleidsregels, voor zover zich een
beleidspraktijk heeft ontwikkeld, waarop de Raad ook in komende
gevallen een beroep wil doen.
Met de term uitgaven
wordt niet gedoeld op feitelijk betaalde bedragen, maar op het bedrag van de
juridische verplichting. Ook is denkbaar dat de uitgaven op zich genomen
wel volgens de regels zijn, maar dat de uitgaven hoger dan
noodzakelijk zijn, omdat het ziekenfonds zich bijvoorbeeld onvoldoende
heeft ingespannen in het kader van zijn verhaalsrecht.
Voor de gevolgen die het
niet-verantwoord verklaren van uitgaven heeft, wordt verwezen naar de
toelichting op onderdeel F.
Onderdelen C en
E
Deze bepalingen voorzien
in het vervallen van de artikelen 33 en 43. Het schrappen van
artikel 33
impliceert dat ziekenfondsen niet langer bevoegd zijn tevens een
aanvullende verzekering aan hun verzekerden aan te bieden. Indien dit
gewenst is, zal een dergelijke aanvullende verzekering moeten worden
ondergebracht in een afzonderlijke rechtspersoon, zoals dat door het merendeel
van de ziekenfondsen inmiddels ook reeds is gedaan. Thans is er nog
één ziekenfonds (voor zeelieden) dat zelf een aanvullende verzekering
heeft. De keuze voor het onmogelijk maken van de combinatie van de
verzekering met een aanvullende verzekering is in het algemene deel
toegelicht.
In samenhang met het
vervallen van artikel 33 vervalt ook artikel
43.
Er wordt van uitgegaan
dat het desbetreffende ziekenfonds vóór de inwerkingtreding van deze
wetswijziging de nodige maatregelen zal treffen om de aanvullende
verzekering en de daarop betrekking hebbende reserves in een
afzonderlijke rechtspersoon onder te brengen.
Onderdeel D
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt in artikel 41 te expliciteren hetgeen tot nu toe steeds
expliciet door de Ziekenfondsraad als voorwaarde werd gesteld
bij het verlenen van toestemming voor het rblz.|13|
verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden, namelijk dat
de werkzaamheden tegen
kostendekkende vergoeding moeten plaatsvinden.
Onderdeel F
De wijzigingen in het
eerste en tweede lid van artikel 43b
strekken ertoe een onnodige passage uit
deze leden te schrappen. Uiteraard behoeven slechts technische
voorzieningen en solvabiliteitsmarges te worden aangehouden voor zover
het ziekenfonds risico loopt.
In het voorgestelde derde
lid van artikel 43b wordt bepaald dat elk ziekenfonds een reserve
Ziekenfondswet moet aanhouden. Dit is geen geheel nieuwe
verplichting. Ook ingevolge artikel 4b en artikel 10 van het Besluit financiering
ziekenfondsen Ziekenfondswet geldt voor ziekenfondsen reeds de verplichting
overschotten op hun uitkering te reserveren en de gereserveerde
gelden slechts te gebruiken voor eventuele tekorten in latere jaren. Thans is
deze verplichting, algemener gesteld, in de wet opgenomen teneinde vervolgens in de wet de basis te kunnen leggen
voor het door de minister vaststellen van een maximum voor deze reserves. Voor het
stellen van het maximum wordt in het verlengde van het rapport van de Ziekenfondsraad
gedacht aan een formule waardoor
het bedrag wordt
gerelateerd aan de minimumomvang van de solvabiliteitsmarge.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat voor ziekenfondsen een verplichting bestaat
tot terugstorting in de Algemene Kas van het bedrag waarmee het
maximum wordt overschreden. Deze verplichting ontstaat zodra de
Ziekenfondsraad, in het kader van de controle van de jaarstukken of anderszins, heeft vastgesteld en aan het ziekenfonds
medegedeeld dat de
situatie zich voordoet. De feitelijke verrekening kan ook plaatsvinden door
compensatie met nog aan het ziekenfonds uit te keren bedragen, zodra de
vordering opeisbaar is.
Vervolgens wordt in het
voorgestelde vierde lid van artikel 43b
(aansluitend bij de terminologie van
het Burgerlijk
Wetboek) geregeld dat een positief resultaat van de
winst- en verliesrekening jaarlijks wordt toegevoegd aan de reserve
Ziekenfondswet en dat een eventueel negatief exploitatieresultaat ten
laste van deze reserve wordt gebracht. Het voorstel maakt
ter zake
een belangrijke uitzondering. Hierbij ware te denken aan baten (bijvoorbeeld
schenkingen voor een specifiek doel), maar ook aan lasten die
redelijkerwijze moeten worden toegerekend aan andere onderdelen van het eigen
vermogen. Daarnaast behoeven reserves, waar tegenover een
onontkoombare bestemming staat (herwaarderingsreserve), en (technische) voorzieningen, die immers corresponderen met
reëel te verwachten
uitgaven, niet te worden toegevoegd aan de reserve Ziekenfondswet.
De formulering van deze
bepaling houdt verband met het hiervoor bedoelde "gesloten systeem". Zij maakt duidelijk dat de hoofdregel is dat in beginsel alle baten
(inclusief de nominale premie en opbrengsten gegenereerd met behulp
van middelen voor de uitvoering van de wet) van het ziekenfonds, voor
zover niet besteed ten behoeve van de verzekering, steeds ter beschikking
van de verzekering blijven; door te bepalen dat het saldo moet worden geboekt
op de reserve Ziekenfondswet is gewaarborgd dat de middelen slechts voor lasten in het kader van de verzekering
kunnen worden aangewend. Zoals eerder aangegeven, mogen de door de Ziekenfondsraad
achteraf
als niet-verantwoord aangemerkte uitgaven niet ten laste van de
wettelijke middelen worden gedekt, tenzij de Ziekenfondsraad daarover anders heeft
beslist op basis van de in dit lid opgenomen
afwijkingsmogelijkheid (zie hiervoor het algemene deel van de memorie van
toelichting, blz. 7). Voor zover niet-verantwoorde uitgaven niet ten laste
van de middelen van de wettelijke verzekering rblz.|14|
mogen worden gedekt,
wijzigt het saldo van baten en lasten van het ziekenfonds in het kader
van de wettelijke verzekering over het desbetreffende boekjaar navenant.
Aangezien als regel de beoordeling van de uitgaven eerst
plaatsvindt aan de hand van de jaarstukken, houdt de genoemde correctie in dat
het ziekenfonds de hoogte van de reserve Ziekenfondswet in zijn
boeken navenant aanpast. Eén en ander vloeit voort uit artikel
21,
eerste en derde lid, en artikel 43b, vierde lid, tweede volzin.
Verder maakt de
formulering het mogelijk om baten gegenereerd met buiten de reserve
Ziekenfondswet vallende onderdelen van het eigen vermogen desgewenst niet
ten gunste van de reserve Ziekenfondswet te boeken. Uiteraard mogen
dergelijke baten wel aan die reserve worden toegevoegd. In dit
verband zij er voor de goede orde op gewezen dat in enkele gevallen ook
procentuele premies door ziekenfondsen worden geïnd. Aangezien uit
artikel 71 juncto artikel 14a van de
Zfw voortvloeit dat deze procentuele
premie moet worden gestort in de Algemene Kas, kan er geen twijfel over
bestaan dat die middelen bij de toepassing van artikel
43b, vierde lid,
buiten beschouwing blijven, in dier voege dat de af te dragen premies niet in
mindering worden gebracht op de lasten. Opgemerkt zij dat in het Burgerlijk
Wetboek (Boek 2, titel 9, artikel 362, vijfde lid) wordt aangegeven dat
de baten en lasten van het boekjaar in de jaarrekening worden opgenomen onverschillig of zij tot ontvangsten of
uitgaven in dat boekjaar
hebben geleid.
Onderdeel G
In dit onderdeel wordt
een basis geschapen voor het stellen van regels omtrent de belegging van
gelden door ziekenfondsen (artikel 43c). Voor de vast te stellen regels
zal aansluiting worden gezocht bij de regels welke zijn of worden gesteld
voor de sociale verzekeringsfondsen en de regels die de Verzekeringskamer
stelt gericht op particuliere verzekeraars.
Artikel 43d komt overeen
met artikel 16 van het Besluit financiering ziekenfondsen
Ziekenfondswet, zij het dat die bepaling is uitgebreid met de verplichting om ook de
reserve Ziekenfondswet over te dragen aan de Ziekenfondsraad.
Onderdeel H [vervallen,
red.]
Artikel
71, eerste lid,
is opnieuw geformuleerd. Door een omissie bij de Wet van 24 december 1997
tot wijziging van de regeling betreffende het verlenen van bijdragen
van rijkswege aan de Algemene Kas, bedoeld in artikel 71 van de Ziekenfondswet, en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, alsmede tot
het treffen van een wettelijke basis voor het verlenen van
rijksbijdragen aan de instellingen die een publiekrechtelijke ziektekostenvoorziening
uitvoeren (Stb. 1997, 779) was de verwijzing naar artikel
14a niet meer
juist.
Onderdeel I [vervallen,
red.]
In verband met
onderhavige wijzigingen in de Ziekenfondswet dient
artikel 77, waarin wordt aangegeven tegen welke besluiten een
belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State, aangepast te worden.
Artikel II
Deze overgangsbepaling
voorziet erin dat de ziekenfondsen worden verplicht alle reserves,
onder welke naam dan ook bestaand, behoudens expliciet aangegeven
uitzonderingen, onder te brengen in de reserve Ziekenfondswet.
Uitgezonderd zijn slechts de statutaire reserve, de in het rblz.|15|
Burgerlijk
Wetboek geregelde wettelijke reserves en de reserve in het kader van de AWBZ. Deze
laatste is, hoewel in de sfeer van de AWBZ thans niet langer met
genormeerde budgetten wordt gewerkt en dus geen reserves meer ontstaan,
nog genoemd omdat ingevolge artikel VI van de
Wet van 20 december 1995
tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enige
andere wetten in verband met afschaffing van verzekeraarsbudgettering ten aanzien van de kosten van
AWBZ-verstrekkingen (Stb. 1995, 681) de bestaande reserves moeten worden overgedragen, maar dit
nog niet in alle gevallen is gerealiseerd.
De voorgestelde bepaling
impliceert dat een ziekenfonds ook een eventuele reserve voor de
aanvullende verzekering in de reserve Ziekenfondswet moet
overbrengen, tenzij deze vóór de inwerkingtreding van deze wet is
ondergebracht in een afzonderlijke rechtspersoon. Reserves van de
voormalige vrijwillige ziekenfondsverzekering die door de ziekenfondsen niet
vóór 1 april 1986 in afzonderlijke rechtspersonen zijn ondergebracht of
die sedertdien opnieuw ter beschikking van een ziekenfonds zijn gekomen,
dienen te worden gerekend tot de reserve Ziekenfondswet.
Voor alle duidelijkheid
zij opgemerkt dat (technische) voorzieningen, die immers corresponderen met
reëel te verwachten uitgaven, in dit verband niet zijn te beschouwen
als reserves en mitsdien buiten de reikwijdte van dit artikel vallen.
Artikel III
Deze overgangsbepaling
voorziet erin dat voor de jaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van
deze wet het oude recht ten aanzien van de verstrekking van
uitkeringen van kracht blijft.
Artikel
IIIa [zie art.
VIII van de wet, red.]
Deze overgangsbepaling
voorziet in de aanpassing van terminologie in de situatie dat genoemd
voorstel van wet eerder tot wet wordt verheven dan dat onderhavige wet in
werking treedt.
Artikel IV
[zie art.
X van de wet, red.]
Voorzien is in
inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Daarbij wordt
in verband met de in het wetsvoorstel neergelegde systematiek gedacht aan
uiterlijk 1 november van enig jaar.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|