St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige


Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

INVOERINGSWET  WET  INKOMSTENBELASTING  2001

Versie 11 mei 2000

(Recente versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1998-1999, 1999-2000, 26 728.
Handelingen II 1999-2000, blz. 3036-3084, 3087-3171, 3173-3183, 3185-3254, 3275-3276, 3373-3376.
Kamerstukken I 1999-2000, 26 728 (202, 202a, 202b, 202c, 202d).
Handelingen I 1999-2000, zie vergaderingen d.d. 8 en 9 mei 2000.

 

 

WET van 11 mei 2000, Stb. 2000, 216, tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Inwerkingtreding: 1 januari 2001.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de invoering en inwerkingtreding te regelen van de Wet inkomstenbelasting 2001 en in verband daarmee enige wetten aan te passen alsmede het overgangsrecht te regelen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

[Voor de socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]

 

 

HOOFDSTUK  1

Aanpassingen

 

AFDELING  A

Ministerie van Financiën

 

Art. V. Wet op de loonbelasting 1964
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
(...)
E.
Artikel 11 wordt voorts als volgt gewijzigd:
1. Het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende en tiende lid vervallen. Het elfde en twaalfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.
2. In het tot derde lid vernummerde elfde lid wordt "onderdeel w" vervangen door: onderdeel s. Voorts worden de in de tabel in dit lid vermelde bedragen van ƒ512,00, ƒ768,00 en ƒ1024,00 vervangen door respectievelijk €|232,00 (ƒ511,00), €|349,00 (ƒ769,00) en €|465,00 (ƒ1025,00).¹
(...)

1. Zie artikel II, onderdeel A, van de Tariefwet 2001, red.

 

 

AFDELING  B

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

 

Art. II. Coördinatiewet sociale verzekering
Artikel 6 van de Coördinatiewet sociale verzekering wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel i, wordt "niet meer bedragen dan ƒ1138,00" vervangen door: niet meer bedragen dan ƒ1500,00.
2. Het zesde lid komt te luiden:
-6. Om als premiespaarregeling te worden aangemerkt, dient de deelname aan de regeling open te staan voor ten minste driekwart van de werknemers van de werkgever en mag de regeling slechts voorzien in spaarpremies van niet meer dan de besparingen van de werknemer ingeval deze gedurende ten minste vier jaar niet zijn opgenomen of deze zijn opgenomen ter zake van de verwerving van zijn eigen woning als hoofdverblijf, aflossingen op hypothecaire leningen rustende op en aangegaan ter financiering van die woning, de voldoening van premies ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij is overeengekomen dat het verzekerd bedrag zal worden aangewend voor aflossing van een hypothecaire lening rustende op en aangegaan ter financiering van de eigen woning, de start van een voor eigen rekening gedreven onderneming, de opname van verlof, de financiering van scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de aankoop van effecten of bij beëindiging van zijn dienstbetrekking. Ingeval het gespaarde bedrag door de werknemer is opgenomen bij beëindiging van zijn dienstbetrekking, mag voor elke maand dat het gespaarde bedrag niet is opgenomen een evenredig deel van de spaarpremie worden toegekend. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
3. In het achtste lid wordt "zesde lid" vervangen door: vijfde lid.

 

Art. III. Wet financiering volksverzekeringen
De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 8 komt te luiden:
Art. 8.
Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
B.
Artikel 10 komt te luiden:
Art. 10.
-1. De premie voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op een percentage van het premie-inkomen. Het in de eerste zin bedoelde percentage is het totaal van het percentage, genoemd in artikel 10a, tweede lid, en de percentages die op grond van artikel 11 worden vastgesteld.
-2. In afwijking van het eerste lid is geen premie voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.
-3. De verschuldige premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.
-4. De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.
-5. Indien de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de toepassing van het vierde lid de alleenstaandeouderkorting en de aanvullende alleenstaandeouderkorting als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geacht geen deel uit te maken van de standaardheffingskorting als bedoeld in dat artikel.
-6. Het premie-inkomen wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
-7. Ingeval artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing is, wordt de in dat artikel bedoelde werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van deze werknemer wordt het in het eerste lid bedoelde percentage toegepast op het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.
C.
In artikel 15 wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot respectievelijk derde en vierde lid, een lid ingevoegd, dat komt te luiden:
-2. Voor zoveel de premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen ingevolge artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964, is het eerste lid niet van toepassing.

 

 

HOOFDSTUK  2

Overgangsrecht

 

Art. II. Overgangsrecht loonbelasting
Uitkeringen en verstrekkingen die na 31 december 2000 worden toegekend ter zake van vóór 1 januari 2001 ingevolge een premiespaarregeling ingehouden spaargelden behoren niet tot het loon, voor zover zij over ieder kalenderjaar waarin de werknemer overeenkomstig die regeling heeft gespaard, niet meer bedragen dan het voor het desbetreffende jaar geldende maximum.

 

Art. IIa. Overgangsrecht Coördinatiewet sociale verzekering
Artikel II is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot artikel 6, eerste lid, onderdeel i en s, en zesde, zevende en achtste lid, van de Coördinatiewet sociale verzekering.

 

 

HOOFDSTUK  3

Slotbepalingen

 

Art. II. Inwerkingtreding
-1. Deze wet en de Wet inkomstenbelasting 2001 treden in werking met ingang van 1 januari 2001, met uitzondering van de artikelen 3.16, tiende lid, 3.120, tiende lid, 4.15, tweede lid, en 5.4, eerste tot en met vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-2. Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ’s-Gravenhage, 11 mei 2000

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Financiën,
W.J. Bos

De Minister van Financiën,
G. Zalm

 

Uitgegeven de dertigste mei 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x