|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 059
Wijziging
van de Wet
voorzieningen gehandicapten in verband met een aanpassing van de
definitie van het begrip woonvoorziening
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel wijziging
van de Wet voorzieningen gehandicapten in verband met de tweede
evaluatie van die wet (Handelingen I 1999-2000, blz. 434-436) is door de
SP-fractie aandacht gevraagd voor
eventuele onbedoelde gevolgen van het aanvaarden van het amendement-Spoelman bij de behandeling in de
Tweede Kamer
(Kamerstukken II 1999-2000, 26 435, nr. 14).
Dit amendement had
betrekking op de definities van de begrippen woonvoorziening en uitraasruimte
(artikel I, onderdeel A, onder 1 en 2, van de genoemde wet tot
wijziging van de Wet voorzieningen gehandicapten).
Uit een nadere analyse
van de voorgeschiedenis van de Wvg heeft het kabinet geconstateerd dat
het aanvaarden van dit amendement er inderdaad toe heeft geleid dat de
Wvg is ingeperkt.
Onbedoeld wordt in de Wvg
geen onderscheid meer gemaakt tussen enerzijds ingrepen van
bouwkundige of woontechnische aard en anderzijds vergoedingen voor
verhuis- en herinrichtingskosten en niet-bouwkundige woonvoorzieningen.
Door het aanvaarden van
het amendement geldt voor alle woonvoorzieningen dat zij gericht moeten
zijn op het opheffen of verminderen van ergonomische
beperkingen die gehandicapten in het normale gebruik van hun woning
ondervinden. Gezien de voorgeschiedenis van de Wvg is
het echter nooit de
bedoeling geweest van de indiener van het amendement en de wetgever om
alle woonvoorzieningen te koppelen aan dit criterium. Slechts voor
ingrepen van bouwkundige of bouwtechnische aard dient sprake te zijn
van ergonomische beperkingen; voor de overige woonvoorzieningen geldt
dit criterium niet.
Met
dit wetsvoorstel
wordt dit onbedoelde effect van het amendement gecorrigeerd.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
|