|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 035
Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
teneinde kunstenaars met een eigen
woning niet langer van een beroep op de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars uit te sluiten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Oude en nieuwe
systematiek bij in de woning gebonden vermogen |
| a |
Huidige
wetssystematiek |
| b |
Voorgestelde regeling |
| 3 |
Overgang van Abw naar
Wik |
| a |
Waardevaststelling van
de woning |
| b |
Gevolgen beëindiging
bijstandverlening |
| c |
Schuld op basis van de
krediethypotheek Abw is negatief vermogensbestanddeel. |
| d |
Toepassing artikel 47
van de Wik |
| 4 |
Samenloop
krediethypotheek Abw en krediethypotheek Wik |
|
xArtikelsgewijs |
| xv |
Artikelen
I t/m III |
Algemeen
1.
Inleiding
Kunstenaars
die in het bezit zijn van een eigen woning kunnen niet altijd een beroep doen op de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). Dit is het gevolg van het
feit dat bij de totstandkoming van de Wik
ervoor gekozen is om alleen de
algemene vermogenstoets uit de Algemene bijstandswet
(Abw) in de Wik op
te nemen en niet om voor kunstenaars, als hier bedoeld, de mogelijkheid
tot vestiging van een krediethypotheek op te nemen, overeenkomstig de
krediethypotheekregeling van de Abw. Deze keuze is destijds gemaakt
vanuit de gedachte dat de Wik bestemd is voor een beperkte doelgroep,
waarbij werd aangenomen dat het aantal eigenhuisbezitters onder
degenen die een beroep zouden doen op de Wik
uiterst klein zou zijn.
Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het merendeel van de instroom
op den duur uit schoolverlaters gaat bestaan. Ook speelde mee het
streven om de Wik zo eenvoudig mogelijk uitvoerbaar te laten zijn.
In de praktijk is echter
gebleken dat het aantal kunstenaars dat in het bezit is van een eigen huis
groter is dan aanvankelijk werd verondersteld en dan met name onder de
groep kunstenaars die thans nog recht hebben op een uitkering (al dan
niet verleend onder verband van hypotheek) op grond van de Abw. Door
het ontbreken in de Wik van een
krediethypotheekregeling als bedoeld in
de Abw wordt de beoogde uitstroom uit de Abw van deze kunstenaars
belemmerd. De praktijk heeft uitgewezen dat deze groep geen aanvraag Wik
indient of, in het geval men wel een
aanvraag indient, dat
deze vanwege het in de woning gebonden vermogen moest worden
afgewezen.
Het kabinet heeft
besloten om aan deze ongewenste situatie tegemoet te komen door de Wik
van een
regeling te voorzien waardoor het ook voor kunstenaars die in het
bezit zijn van een door henzelf bewoonde eigen woning mogelijk wordt om
aanspraak te maken op een Wik-uitkering. Over de gekozen
- hierna toegelichte - systematiek heeft uitgebreid overleg
plaatsgevonden
met gemeentelijke vertegenwoordigers, waaronder vertegenwoordigers van de
39 centrumgemeenten die de Wik
uitvoeren.
rblz.|2|
2. Oude en nieuwe
systematiek bij in de woning gebonden vermogen
a. Huidige
wetssystematiek
Onder de huidige
wetssystematiek zijn bij de beoordeling of een kunstenaar in aanmerking komt voor
een Wik-uitkering onder meer van belang het inkomen en het
vermogen waarover de kunstenaar beschikt. Voor de begrippen inkomen en
vermogen is in de Wik aangesloten bij hoofdstuk IV, afdeling 3 van de
Algemene bijstandswet. Een kunstenaar heeft recht op uitkering indien het
inkomen lager is dan de voor hem geldende bijstandsnorm en er geen
"in aanmerking te nemen vermogen" is. Onder vermogen wordt verstaan:
de waarde van de bezittingen, inclusief de door hemzelf bewoonde eigen
woning, waarover de alleenstaande of het gezin (bij aanvang van de
uitkering) beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op
dat
tijdstip aanwezige schulden. Een kunstenaar die over vermogen
beschikt dat boven de "in aanmerking te nemen" vermogensgrens ligt, heeft
onder de huidige systematiek geen recht op een Wik-uitkering,
ongeacht of dit vermogen geheel of gedeeltelijk bestaat uit overwaarde in
de door hemzelf bewoonde eigen woning.
b. Voorgestelde regeling
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt voorzien in een regeling waardoor het ook voor kunstenaars
die in het bezit zijn van een door henzelf bewoonde eigen woning
mogelijk wordt om aanspraak te maken op een Wik-uitkering. Deze
regeling is overeenkomstig de krediethypotheekregeling van de Abw zoals
opgenomen in artikel 20 van die
wet. Hierdoor wordt het mogelijk om, ingeval er sprake is van een vermogen dat de van toepassing zijnde
vrijlatingsgrens overschrijdt, toch een Wik-uitkering te verstrekken indien dit
vermogen wordt gevormd door overwaarde in de door de kunstenaar zelf
bewoonde woning.
Met het in de wet opnemen
van de mogelijkheid om een Wik-uitkering te verstrekken in de vorm
van een geldlening onder verband van hypotheek wordt bereikt dat iedere
kunstenaar die een beroep wenst te doen op de Wik en die aan de in de
wet genoemde voorwaarden voldoet, recht heeft op een uitkering,
ongeacht of men in een huurwoning of een koopwoning woont. Bezitters van een
door henzelf bewoonde eigen woning zijn niet verplicht eerst "de
eigen woning op te eten" alvorens zij in aanmerking kunnen komen voor
een Wik-uitkering.
Met deze aanpassing wordt
een nog nauwere aansluiting op de uitgangspunten van de Wik gerealiseerd.
Immers, een wet die (aankomende) kunstenaars wil
ondersteunen bij de opbouw van een renderende beroepspraktijk, dan wel
hen in staat wil stellen een tijdelijke terugval in inkomsten op te vangen,
kan geen uitzondering maken voor personen die in "betere tijden" een
door henzelf te bewonen eigen woning hebben aangeschaft.
De regeling die het
kabinet voor ogen heeft, is op twee onderdelen afwijkend van de regeling zoals die
geldt voor Abw-gerechtigden, hetgeen verband houdt met de aard
en doelstelling van de Wik. Anders dan in de Abw is bepaald, zal niet
eerder dan tien jaar na aanvang van de eerste Wik-uitkering een aanvang
worden gemaakt met de aflossing van de ontstane schuld, tenzij
de periode waarover men daadwerkelijk Wik kan ontvangen (in totaal
maximaal vier jaar) eerder is verstreken. De aflossing vangt dan aan direct na
het verstrijken van deze periode. Hiermee wordt aangesloten bij de
bepaling in de Wik op grond waarvan gedurende maximaal tien jaar aanspraak kan
bestaan op een Wik-uitkering. Met het oog op die tienjaarstermijn
is het eveneens niet voor de hand liggend om bij herleving van het recht
op uitkering binnen die termijn, na een periode rblz.|3|
waarin men zelfstandig in
het onderhoud heeft voorzien, dat er een nieuwe waardevaststelling
van de woning gaat plaatsvinden met daaraan gekoppeld het opnieuw
vestigen van een krediethypotheek. Hiermee wordt bereikt dat de
mobiliteit van de Wik-kunstenaar gehandhaafd blijft.
Verder is hierbij nog het
volgende van belang. Veel kunstenaars gebruiken een deel van de eigen
woning als atelier of oefenruimte, of beschikken over een aparte
atelierruimte. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de vraag hoe om te
gaan met de vermogenswaarde van het atelier of de oefenruimte, is in het
onderhavige wetsvoorstel bepaald dat vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar bij de vaststelling van
het in aanmerking te nemen vermogen buiten beschouwing blijft. Dit
ligt in de rede omdat anders bijvoorbeeld de (ongerijmde) situatie zou
kunnen ontstaan dat een kunstenaar die een beroep wil doen op de Wik
eerst zijn voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar
noodzakelijke atelierruimte te gelde dient te maken, waardoor hij niet meer in staat
zou zijn om zijn beroep uit te oefenen. Met deze regeling wordt
aangesloten bij de regeling die geldt voor zelfstandigen die een beroep doen op de
Abw. Ook voor hen geldt dat het voor de uitoefening van het bedrijf of
zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen niet als vermogen in aanmerking
wordt genomen. Voor de vaststelling van het vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar zullen bij algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld, net als dat het geval is
voor de vaststelling van het voor de uitoefening van een bedrijf of beroep
noodzakelijke vermogen van de zelfstandige als bedoeld in de Abw.
3. Overgang van Abw naar
Wik
Bij de overgang van
kunstenaars die thans recht hebben op een uitkering op grond van de Abw
en
een beroep willen doen op de Wik is het volgende van belang.
a. Waardevaststelling van
de woning
De Wik
is een
zelfstandige regeling, met eigen beoordelingscriteria. Bovendien is de Wik
een
regeling waarop men vrijwillig een beroep doet indien men als kunstenaar
ondersteuning behoeft bij het opbouwen van een zelfstandige
beroepspraktijk of als men wordt geconfronteerd met een tijdelijk
inkomensterugval. De Wik onderscheidt zich in die zin van de Abw
door geen minimumbestaan
te garanderen, maar gedurende een, aan een maximum gebonden
periode, inkomensondersteuning te bieden. Hierop aansluitend ligt
het in de rede dat ook voor kunstenaars die afkomstig zijn uit de Abw, waarbij
in geval van het bezit van een eigen woning reeds eerder een
waardevaststelling van deze woning heeft plaatsgevonden, wordt uitgegaan van de
actuele waarde van deze woning. Indien de waardevaststelling van
de woning in het kader van de Abw recent heeft plaatsgevonden, kan
voor de toepassing van de Wik hiervan worden uitgegaan. In dat geval
zal het opnieuw vaststellen van de waarde van woning immers niet leiden
tot een wijziging.
Evenals dit het geval is
bij de Abw komen de aan de taxatie van de waarde van de woning
verbonden kosten voor rekening van de kunstenaar. Teneinde te voorkomen dat
de belanghebbende hierdoor in de financiële problemen geraakt, wordt
in de wet opgenomen dat burgemeester en wethouders van de
centrumgemeente hiervoor Wik-uitkering kunnen verlenen. Deze uitkering
valt onder het regime van de te vestigen krediethypotheek en wordt
dus opgeteld bij de totale schuld.
rblz.|4|
b. Gevolgen beëindiging
bijstandverlening
Omdat de verstrekking van
algemene bijstand bij instroom in de Wik wordt beëindigd, is het
gestelde in het Besluit krediethypotheek Abw van toepassing. Dit houdt
onder meer in dat de schuld, op basis van de krediethypotheek Abw
direct invorderbaar is.
Voor de vraag of er
afgelost kan worden door de belanghebbende, en zo ja, met welk bedrag, is het
inkomen van hem van belang. Voor de vaststelling van de hoogte hiervan
dient de gemeente onder andere rekening te houden met de werkelijk
gemaakte onkosten van de belanghebbende. Het inkomen dat door de
gemeente wordt vastgesteld in het kader van de vaststelling van de
aflossingsverplichting kan hoger zijn dan het inkomen dat voor de toepassing
van de Wik is vastgesteld. Dit is het geval als de werkelijk gemaakte onkosten lager zijn dan het voor de toepassing van de
Wik forfaitair als
beroepskosten in aanmerking te nemen bedrag, bedoeld in artikel 3 van het
Uitvoeringsbesluit Wik (te weten: ƒ10 000,- en ƒ5000,- voor respectievelijk een
scheppend en een niet-scheppend kunstenaar). Dat deze situatie kan
voorkomen, is inherent aan de systematiek van de Wik. Overigens doet deze
situatie zich op een vergelijkbare wijze ook voor in relatie tot de
belastingheffing.
Omdat het in het kader
van de afweging of men wel of niet een beroep zal doen op de Wik
van belang
is dat de belanghebbenden op de hoogte zijn van deze consequenties,
zal aan de gemeenten worden gevraagd om de belanghebbenden met
betrekking tot dit aspect uitgebreid te informeren.
c. Schuld op basis van de
krediethypotheek Abw is negatief vermogensbestanddeel.
Het vermogen van de
belanghebbende is het (batig) saldo tussen enerzijds de bezittingen waarover
hij op het moment van aanvraag beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken en anderzijds de op het moment van aanvraag bestaande
schulden. De schuld die is ontstaan op basis van de krediethypotheekregeling
Abw wordt bij de vaststelling van het voor de
Wik in aanmerking te
nemen vermogen aangemerkt als een negatief vermogensbestanddeel.
d. Toepassing artikel 47
van de Wik
In artikel 47
Wik is
geregeld dat kunstenaars die op het moment van inwerkingtreding van de Wik
algemene bijstand krachtens de Abw ontvingen en die het
beroep van kunstenaar willen voortzetten, gedurende één jaar (tot 1 januari
2000) in de Wik kunnen instromen, zonder dat zij behoeven te voldoen
aan de minimumomzet- of inkomenseis, bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van
de Wik. Daarnaast is geregeld dat deze instromers uit de bijstand een
"zachte landing" maken in de Wik; de hoogte van de uitkering is voor
deze groep gedurende het jaar na inwerkingtreding van de Wik (tot 1 januari
2000) vastgesteld op circa 80% van het voor hen geldende sociaal
minimum (voor alle andere rechthebbenden is dit circa 70%).
In verband met het
verstrijken van de overgangstermijn per 1 januari 2000 zouden uit de Abw
instromende kunstenaars die in het bezit zijn van een eigen woning hierop geen
beroep meer kunnen doen. Het kabinet is van mening dat deze groep,
die louter vanwege het feit dat de Wik in 1999 niet toegankelijk was
voor kunstenaars die beschikten over een eigen woning met overwaarde,
bij het instromen in de Wik eveneens in aanmerking dienen te komen voor deze
overgangsregeling. In artikel III van het onderhavige wetsvoorstel wordt hierin voorzien.
rblz.|5|
4. Samenloop
krediethypotheek Abw en krediethypotheek Wik
Niet in alle gevallen zal
het zo zijn dat met de beëindiging van de verstrekking van algemene
bijstand
alle bijstandverlening tot het verleden behoort. Verstrekkingen
als periodieke bijzondere bijstand, bijvoorbeeld ter compensatie van hoge
woonlasten, kunnen gecontinueerd worden, maar ook kan het in de
toekomst voorkomen dat een kunstenaar, als gevolg van bijzondere
omstandigheden, een beroep moet doen op periodieke dan wel
incidentele bijzondere bijstand.
Wanneer er al sprake was
van bijstandverlening onder verband van krediethypotheek, is het
de gemeentelijke bevoegdheid om te besluiten deze krediethypotheek al
dan niet te handhaven, teneinde daarop de te verstrekken periodieke of
incidentele bijzondere bijstand in mindering te brengen. Hoewel het in de
praktijk nauwelijks lijkt voor te komen, is het daarnaast in beginsel ook
mogelijk dat burgemeester en wethouders besluiten om incidentele
of periodieke bijzondere bijstand onder verband van krediethypotheek te
verstrekken.
Indien burgemeester en
wethouders besluiten om de continuering van de (periodieke) bijzondere
bijstandverlening, of nieuw toe te kennen bijzondere
bijstand, te laten
plaatsvinden onder verband van hypotheek, heeft dit tot resultaat dat er twee
krediethypotheken naast elkaar gaan lopen, namelijk één voor de Wik-uitkering en één voor de
bijzonderebijstandverlening, met als consequentie dat
de (over)waarde van de woning uit hoofde van twee
verschillende regelingen tweemaal wordt belast. Dit is - nog afgezien van allerlei
uitvoeringstechnische complicaties - ongewenst. Voorgesteld wordt
derhalve om de mogelijkheid van het verlenen van bijzondere bijstand in de
vorm van een geldlening onder verband van hypotheek niet van
toepassing te doen zijn in de situatie waar aan de belanghebbende een
uitkering op grond van de Wik is toegekend in de vorm van een geldlening
onder verband van hypotheek. In artikel II van
het onderhavige wetsvoorstel wordt hierin voorzien.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
In
artikel I, onderdeel A, worden de onderdelen a en b van
artikel 2 van de Wik
vervangen door twee
nieuwe onderdelen. Het voorgestelde onderdeel a - over wat voor de
toepassing van de Wik
onder inkomen moet worden verstaan - betreft geen inhoudelijke wijziging, doch slechts een integratie van de huidige
onderdelen a en b, voor zover zij betrekking hebben op het begrip
"inkomen". In het nieuwe onderdeel b wordt aangegeven wat voor de toepassing
van de Wik onder vermogen moet worden verstaan, te weten: de in
aanmerking te nemen middelen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling
3, paragraaf 1 en 3 van de Abw,
met uitzondering van het vermogen dat noodzakelijk
is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar. Het vermogen
dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar
wordt expliciet uitgezonderd. In het algemene deel van deze memorie is hier
reeds op ingegaan (zie paragraaf 2b, laatste alinea). Bij algemene
maatregel van bestuur (AMvB) zullen regels worden gesteld voor de
vaststelling van het vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van
kunstenaar [zie artikel 10a Uitvoeringsbesluit
Wik, red.]. Hierbij zal worden aangesloten bij de AMvB voor de
vaststelling van het voor de uitoefening van een bedrijf of beroep noodzakelijke
vermogen van de zelfstandige als bedoeld in de Abw
[zie Besluit krediethypotheek bijstand, red.]
en zo mogelijk bij
het door de fiscus gehanteerde onderscheid tussen privé- en
beroepsvermogen.
rblz.|6|
Artikel I, onderdeel B
In dit onderdeel wordt
een nieuw artikel (artikel 2a) toegevoegd aan de
Wik betreffende het
vermogen gebonden in de door de kunstenaar of zijn gezin in eigendom
bewoonde woning met bijbehorend erf. Onder woning wordt op grond van het
tweede lid van artikel 2a in dit verband mede verstaan een woonschip,
net zoals het geval is bij de Abw. Op grond van deze bepaling wordt voor
de toepassing van de Wik van het vermogen gebonden in de eigen
woning buiten beschouwing gelaten: ƒ15 000,-, alsmede de helft van het
meerdere, doch in totaal ten hoogste ƒ60 000,- en het bedrag waarmee het
bij de aanvang van de uitkeringsverlening aanwezige overige
vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld
in artikel 54 van de Algemene
bijstandswet. De bepaling is gelijkluidend
aan artikel 20, derde lid, van de Abw
en maakt deel uit van de regeling
krediethypotheek Wik zoals toegelicht in het
algemene deel van deze
memorie. Met deze regeling wordt niet alleen bereikt dat de toegang
tot de Wik voor de kunstenaar met vermogen in de vorm van een in eigendom
bewoonde woning wordt vergemakkelijkt. Tevens komt de kunstenaar
in een gelijke positie te verkeren als degene die een beroep moet doen
op de Abw en over vermogen beschikt in de vorm van een in eigendom
bewoonde woning.
In combinatie met de
verwijzing in artikel 2, onderdeel b, naar
hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 1 en
3 van
de Abw
leidt artikel 2a ertoe dat voor (bijvoorbeeld) de alleenstaande
kunstenaar die over vermogen in de vorm van een eigen huis beschikt
het voor de toepassing van de Wik in aanmerking te nemen vermogen als
volgt dient te worden vastgesteld. Eerst wordt de waarde van de woning
vastgesteld (stel: ƒ250 000,-). Hierop wordt de op de woning rustende
hypotheekschuld (stel: ƒ100 000,-) overeenkomstig artikel
51, eerste lid,
onderdeel a, van de Abw
in mindering gebracht. Wat resteert is een bedrag
van ƒ150 000,-. Vervolgens wordt op grond van het voorgestelde artikel
2a,
onderdeel a, op dit bedrag ƒ15 000,- in mindering gebracht, zodat een
bedrag resteert van ƒ135 000,-. Hiervan wordt op grond van hetzelfde
artikel 2a, onderdeel a, een bedrag van ƒ45 000,- buiten aanmerking gelaten, zodat
een bedrag resteert van ƒ90 000,-. Op dit bedrag wordt in mindering
gebracht het bedrag waarmee het bij de aanvang van de
uitkeringsverlening aanwezige overige vermogen minder bedraagt dan de
toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 54 van de
Algemene bijstandswet.
Uitgaande van de veronderstelling dat er geen overig vermogen is en het
hier een alleenstaande kunstenaar betreft, wordt dit bedrag
vastgesteld op ƒ9850,-. Het in aanmerking te nemen vermogen wordt aldus
vastgesteld op ƒ80 150,-.
Artikel I, onderdeel C
De wijziging van de
aanhef en onderdeel a van artikel 4 van de
Wik is technisch van aard. Het
betreft het verplaatsen van het eerste lid van artikel 9 naar
artikel 4.
Dit ligt in de rede omdat het eerste lid van artikel 9 van de
Wik een voorwaarde
voor het recht op uitkering behelst en uit dien hoofde thuis hoort in
paragraaf 1 van hoofdstuk II van de Wik betreffende de voorwaarden voor het
recht op uitkering en niet in paragraaf 2 van dat hoofdstuk betreffende de
vorm, hoogte en duur van de uitkering.
Artikel I, onderdeel D
In het in dit onderdeel
voorgestelde artikel 4a is geregeld dat de kunstenaar die over vermogen
beschikt in een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning,
niettegenstaande dat vermogen, recht op uitkering kan doen gelden, voor
zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van dat vermogen (anders
dan op grond van het in artikel I, onderdeel F,
rblz.|7|
voorgestelde
artikel 8) in redelijkheid niet kan worden verlangd. Deze bepaling is
gelijkluidend aan artikel 20, eerste lid, van de
Abw en maakt deel uit van de
regeling krediethypotheek Wik waaraan in de toelichting op artikel I,
onderdeel A is gerefereerd.
Artikel I, onderdeel E
Het betreft hier een
redactionele wijziging van artikel 6 van de Wik
in verband met de hiervoor
besproken wijzigingen van de onderdelen a en b van artikel 2 van de
Wik.
Door deze wijzigingen is het begrip "middelen" komen te vervallen, want
geïncorporeerd in de definities van de begrippen "inkomen" en
"vermogen", zodat de verwijzing in artikel 6 ook moet worden herzien.
Artikel I, onderdeel F
Het huidige
artikel 8 van
de Wik komt te vervallen. Uit de overige (deels thans voorgestelde)
bepalingen van de Wik - zie de voorgestelde artikelen
2, onderdeel a en
b, 4 aanhef
en onder a, en het huidige artikel 9, vierde lid, van de
Wik
- blijkt
immers al dat de uitkering moet worden afgestemd op het inkomen en het
vermogen waarover de kunstenaar en zijn gezin kunnen beschikken. Daarom
wordt in dit onderdeel artikel 8 vervangen door een nieuw artikel
betreffende de vorm waarin de uitkering op grond van de Wik
wordt
verleend.
In het eerste lid van
artikel 8 is bepaald - zoals thans in artikel
9, tweede lid, van de Wik
- dat de
uitkering op grond van de Wik voorlopig wordt verleend in de vorm van
een renteloze geldlening. In artikel 8, tweede lid, is
bepaald dat de
uitkering van de kunstenaar die beschikt over in aanmerking te nemen
vermogen in een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning, in
afwijking van het eerste lid, wordt verleend in de vorm van een geldlening
onder verband van hypotheek. Het betreft hier de kunstenaar, bedoeld in
het bij artikel I, onderdeel D, toegelichte artikel 4a. Verder is in dit
artikellid bepaald dat de uitkering in de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek wordt verstrekt tot een bedrag gelijk aan het bedrag van
het in aanmerking te nemen (in de woning gebonden) vermogen als
bedoeld in artikel 4a. In het voorbeeld zoals geschetst bij de
toelichting op artikel I, onderdeel B, zou dit bedrag worden gesteld op
ƒ80
150,-.
Het tweede lid van
artikel 8 is gelijkluidend aan artikel 20, tweede lid, aanhef, van de
Abw. In
laatstgenoemd artikel is in onderdeel a geregeld dat bijstand in de vorm
van een geldlening onder verband van hypotheek wordt verleend indien de
bijstand over een periode van één jaar, te rekenen vanaf de eerste
dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt
dan het nettominimumloon per maand als bedoeld in artikel
55,
eerste lid, van de Abw. In het voorgestelde
artikel 8 ontbreekt een dergelijke
bepaling. Dit houdt verband met het feit dat de uitkering op grond van de
Wik in beginsel wordt toegekend voor een periode van vier jaar en
het niet aannemelijk is dat de over die periode te verstrekken uitkering
minder bedraagt dan het nettominimumloon per maand als hiervoor
bedoeld.
Net als voor
Abw-gerechtigden op grond van de krediethypotheekregeling Abw geldt, komen de
kosten verbonden aan de taxatie van de woning, de hypotheekakte en aan de
inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, voor rekening van
de kunstenaar die een beroep doet op de Wik. In het derde lid
van artikel 8 is geregeld dat voor deze kosten uitkering kan worden
verleend, die wordt begrepen onder de geldlening onder verband van
hypotheek. Het voor dergelijke kosten verstrekken van rblz.|8|
uitkering op grond van de
Wik voorkomt dat de kunstenaar hiervoor een beroep moet doen op de
Abw.
In het vierde lid van
artikel 8 is geregeld dat als na een beëindiging van uitkeringsverlening onder
verband van hypotheek opnieuw recht op uitkering ontstaat, deze wordt
verleend met toepassing van de eerder gevestigde hypotheek. Langs deze weg
wordt voorkomen dat er bij uit- en vervolgens weer instroom
in de Wik telkens opnieuw een krediethypotheek moet worden afgesloten.
In het vijfde lid van
artikel 8 is geregeld dat bij algemene maatregel van bestuur regels zullen
worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van de waarde van de
woning en de voorwaarden waaronder uitkering in de vorm van een
geldlening onder verband van hypotheek wordt verleend. Laatstgenoemde regels zullen betrekking hebben op de aflossing
van de lening en de
rentebetaling bij niet-tijdige aflossing en voor zover mogelijk gelijkluidend
zijn aan de bepalingen die daaromtrent zijn opgenomen in het Besluit krediethypotheek
bijstand.
Artikel I, onderdeel G
De wijzigingen van
artikel 9 van de Wik zijn het gevolg van de hiervoor toegelichte wijziging van
artikel 4 (zie toelichting op artikel I, onderdeel
C) en het nieuwe artikel 8
waarbij het tweede lid van artikel 9 (deels) verplaatst is naar het
eerste lid van artikel 8 (zie toelichting op artikel I,
onderdeel
F).
Artikel I, onderdeel H
Artikel 10 van de
Wik betreft de omzetting van de in de vorm van een geldlening verstrekte
uitkering in een bedrag om niet. De wijziging van het eerste lid van dit
artikel voorziet erin dat van een dergelijke omzetting geen sprake is
voor zover
de uitkering is verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek. De wijziging van het tweede lid houdt verband met de
vernummering van het tweede lid van artikel 9 tot eerste lid. Het nieuwe
vijfde lid, onderdeel a, voorziet in de situatie waarin een uitkering in de vorm
van
een geldlening onder verband van hypotheek is verstrekt en op grond van
artikel 10, derde lid, onderdeel a, aanvullend ambtshalve uitkering wordt
verstrekt. In dat geval wordt de ambtshalve toe te kennen uitkering begrepen
onder de eerder genoemde geldlening. Onderdeel b van het nieuwe vijfde
lid van artikel 10 voorziet in de situatie waarin de definitief
vastgestelde hoogte van de uitkering lager is dan de eerder verleende uitkering. Het
betreft hier de situatie, bedoeld in artikel 10, derde lid, onderdeel c, van de
Wik.
In dat geval dient het verschil te worden teruggevorderd (en blijft het restant
van de uitkering verschuldigd, omdat dat op grond van eerste lid van
artikel 10 niet wordt omgezet in een bedrag om niet).
Artikel I,
onderdeel I
en J
Deze wijzigingen van
artikel 10a en 12 van de Wik
zijn technisch van aard en houden verband met de
verplaatsing van artikel 9, eerste lid, van de
Wik naar artikel 4 van de
Wik.
Artikel I,
onderdeel K
en L
De wijzigingen van de
artikelen 15 en 16 van de Wik
betreffen de verplichting van de kunstenaar en
zijn partner om een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht ter inzage te verstrekken, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de
wet, en de rblz.|9|
verplichting van
burgemeester en wethouders om de identiteit van betrokkene en zijn partner vast te
stellen aan de hand van eerder genoemd document. Deze bepalingen komen in
alle socialezekerheidswetten voor, maar ontbrak in de
Wik. Deze
omissie wordt hierbij hersteld.
Artikel I, onderdeel M
Het vervangen in
artikel 47, tweede lid, van de Wik
van "artikel 9, tweede lid" door
"artikel 9,
eerste lid" houdt verband met de vernummering van het tweede lid van
artikel 9 tot eerste lid.
Artikel I, onderdeel N
Van de gelegenheid wordt
gebruik gemaakt om de strafbepalingen in de artikelen
43, 44 en 45
van de Wik te laten vervallen. Het vervallen van deze bepalingen houdt
verband met de Wet van 20 januari 2000, Stb. 2000, 40, tot wijziging van het
Wetboek van
Strafrecht en andere wetten met het oog op de opneming in het
Wetboek van Strafrecht van eenvormige strafbepalingen inzake het verstrekken
van onware gegevens en het nalaten te voldoen aan wettelijke
verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie
strafbaarstelling frauduleuze gedragingen). Deze wet maakt strafbepalingen in de
afzonderlijke wetten overbodig. Bij deze wet was reeds voorzien in een
wijziging van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz, ertoe strekkende dat de strafbepalingen in die wetten komen te vervallen.
Artikel II
Voor een toelichting op
dit artikel waarbij de Abw wordt gewijzigd zij verwezen naar hetgeen
in hoofdstuk 4 van het algemene deel van de toelichting is opgemerkt.
Artikel III
In dit artikel is een
overgangsbepaling opgenomen voor uit de Abw
afkomstige kunstenaars
als bedoeld in artikel 47 van de Wik
die niet binnen twaalf maanden na
de inwerkingtreding van de Wik een aanvraag voor uitkering hebben
ingediend of wier aanvraag is afgewezen uitsluitend vanwege het ontbreken in
de Wik van een regeling voor het verlenen van uitkering aan
kunstenaars die over vermogen beschikken in de door hem en zijn gezin in
eigendom bewoonde woning. In het eerste lid van dit artikel is geregeld dat
deze kunstenaars binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze
(wijzigings)wet alsnog een aanvraag voor uitkering op grond van de Wik kunnen indienen. In het tweede lid van dit artikel is
geregeld dat voor
deze
kunstenaars hetzelfde overgangsregime geldt als voor de kunstenaars die
binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de Wik een uitkering
hebben aangevraagd, c.q. een recht op uitkering hebben verkregen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
|
|