|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 27 081.
Handelingen II 1999-2000, blz. 5919-5938, 6021-6028, 6077-6082, 6100.
Kamerstukken I 1999-2000, 27 081 (303, 303a, 303b).
Handelingen I 2000-2001, zie vergadering 26 september 2000.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET van 27 september
2000, Stb. 2000, 383, houdende nieuwe regels voor de financiering
van de Algemene bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz). Inwerkingtreding: 1 januari 2001 (Stb.
2000, 384). Vervallen met ingang van 1 januari 2004 (artikel
2, eerste lid, IWwb).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is om nieuwe regels te stellen met
betrekking tot de financiering van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, teneinde aan gemeenten een
verdere stimulans te bieden het beroep op deze regelingen te
verminderen;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Algemeen
Art.
1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b.
Abw: Algemene bijstandswet;
c.
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers;
d.
Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen;
e.
algemene bijstand: bijstand als bedoeld in artikel
6, onderdeel a,
van de Abw;
f.
bijzondere bijstand: bijstand als bedoeld in artikel
6, onderdeel b,
van de Abw;
g.
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal: bijstand
als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Abw;
h.
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten: bijstand als bedoeld in artikel
8, zesde lid, onderdeel c, van de Abw.
Art.
2. Uitgaven
ten laste van gemeenten
De door burgemeester en wethouders van een
gemeente
toegekende algemene
bijstand, bijzondere bijstand, bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal, bijstand ter voorziening in met de voorbereiding
van een bedrijf of zelfstandig beroep samenhangende kosten, uitkeringen
op grond van de Ioaw en de Ioaz en de hiermee verband houdende
uitvoeringskosten komen ten laste van die gemeente, voor zover in deze wet
niet anders is bepaald.
HOOFDSTUK
II
Tegemoetkoming
in de uitkeringslasten
§
1. Vergoeding uitkeringslasten gemeenten
Art. 3. Vergoeding
ten laste gebleven kosten
-1.
Onze Minister vergoedt, ten laste van 's Rijks kas, 75% van de in een
kalenderjaar ten laste van de gemeente
gebleven kosten van:
a.
algemene bijstand, waaronder begrepen de loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn, voor zover de algemene bijstand niet bij wijze van voorschot op
grond van artikel 74 van de Abw is verleend;
b.
bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal;
c.
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten;
d.
uitkeringen op grond van de Ioaw, waaronder begrepen de premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn;
e.
uitkeringen op grond van de Ioaz, waaronder begrepen de premies
volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd
zijn.
-2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, b en c,
is de vergoeding 100% indien de bijstand is verleend met toepassing van
artikel 63, tweede lid, van de Abw.
-3.
Onder ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in het eerste
lid, wordt verstaan de in een kalenderjaar door de gemeente verleende
bijstand en uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot
en met e, verminderd met alle ontvangsten van de gemeente in dat
jaar in verband met de verlening van bijstand en uitkering, waaronder
begrepen de bedragen die de gemeente ontvangt door toepassing van de
artikelen 14a van de Abw,
20a van de
Ioaw en 20a
van de Ioaz.
Art. 4. Voorschot op de
vergoeding
-1.
Onze Minister
stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 3.
-2.
Indien de uitvoering van de Abw, de Ioaw of de
Ioaz door burgemeester en
wethouders, of de administratie, bedoeld in respectievelijk de artikelen
117 van de Abw, 41 van de Ioaw of
41 van de
Ioaz, ernstige tekortkomingen
vertoont, kan
Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te
stellen dan uit de op grond van het eerste lid gestelde regels
voortvloeit.
§ 2. Uitkering voor uitkeringslasten
Art. 5. Uitkering ten laste gebleven
kosten
-1.
Voor de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 3,
die op grond van het eerste lid van dat artikel niet voor vergoeding in
aanmerking komen, verstrekt
Onze Minister
jaarlijks ten laste van 's
Rijks kas aan de gemeente een uitkering, met dien verstande dat geen
uitkering wordt verstrekt voor op grond van artikel 74 van de
Abw
verleende algemene bijstand. De uitkering wordt ten minste drie maanden
voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze
Minister vastgesteld.
-2.
Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het
voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is
voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens deze
maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent het verzamelen en
vaststellen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag
van de uitkering.
-3.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene
maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het
ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art. 6. Verhoging
uitkering
-1.
Het totale bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, kan in het jaar
waarop het bedrag betrekking heeft en in het daaropvolgende jaar bij wet
worden verhoogd indien de ontwikkeling van de uitkeringslasten daartoe
aanleiding geeft.
-2.
Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de
uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt verhoogd binnen een
periode van vier weken na de herziening door
Onze Minister
vastgesteld.
-3.
Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt voor de
toepassing van de artikelen 7 en 8 onder het bedrag van de uitkering
verstaan: het bedrag van de uitkering inclusief de verhoging, bedoeld in
het tweede lid.
Art. 7. Terugvordering
uitkering
-1.
Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente
gebleven
kosten, bedoeld in artikel 10, blijkt dat de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, minder bedragen dan
de volgens opgave van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel
11,
ten laste gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, en minder
bedragen dan het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel
5, wordt
van de uitkering een bedrag teruggevorderd.
-2.
Het terug te vorderen bedrag is:
a.
gelijk aan het verschil tussen de volgens opgave van burgemeester en
wethouders ten laste gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
en het op grond van artikel 10 vastgestelde bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid; of,
indien de volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste
gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, gelijk is aan of
hoger is dan het bedrag van de uitkering,
b.
gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de uitkering en het op
grond van artikel 10 vastgestelde bedrag van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
Art. 8.
Uitkeringstekort
-1. Indien bij de vaststelling van de ten laste van de
gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 10, blijkt dat de ten laste van de
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
5, eerste lid, in een
kalenderjaar meer bedragen dan 115% van het bedrag van de uitkering,
bedoeld in artikel
5, of meer dan het totaal van het bedrag van de
uitkering en het bedrag dat wordt verkregen door een bedrag van ƒ15,00
te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari
van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door
Onze Minister
ten laste
van 's Rijks kas aan de gemeente een aanvullende uitkering toegekend.
-2. De hoogte van de aanvullende uitkering is:
a. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
5, eerste lid, en 115%
van het bedrag van de uitkering; of, indien dit groter is,
b. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van
de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel
5, eerste lid, en het in
het eerste lid bedoelde totaalbedrag.
-3. Het percentage en het met het aantal inwoners te vermenigvuldigen
bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden verhoogd of verlaagd. De voordracht voor
een maatregel als bedoeld in de eerste zin wordt niet eerder gedaan
dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
-4. Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt ontleend aan
de statistiek "Bevolking der gemeenten in Nederland op 1
januari" van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Art. 9. Betaling uitkering,
verhoging en aanvullende uitkering
Onze Minister
stelt regels inzake de betaling van:
a. de uitkering, bedoeld in
artikel
5, eerste lid;
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van
artikel 6 wordt
verhoogd;
c. de aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 8.
§
3. Vaststelling
kosten, vergoeding, terugvordering en aanvullende uitkering
Art. 10. Vaststelling
-1.
Onze Minister stelt de ten laste van de
gemeente
gebleven kosten,
bedoeld in de artikelen 3 en 5, de vergoeding, bedoeld in
artikel 3, het
terug te vorderen bedrag, bedoeld in artikel 7, en de aanvullende uitkering,
bedoeld in artikel 8, vast binnen één jaar na ontvangst van het verslag, bedoeld in de
artikelen 130, tweede lid, van de Abw,
52, tweede lid, van de
Ioaw en 52, tweede lid, van de Ioaz, en daarop betrekking hebbende verklaring, bedoeld
in de artikelen 130, vierde lid, van de Abw,
52, vierde lid, van de
Ioaw en 52, vierde lid, van de Ioaz.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een daarop
betrekking hebbende verklaring, worden de ten laste van de gemeente gebleven
kosten ambtshalve vastgesteld.
Art. 11. Niet in aanmerking te nemen
kosten
-1. De volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste gebleven
kosten worden bij de vaststelling, bedoeld in artikel 10, eerste lid, buiten
aanmerking gelaten, indien:
a. het bijstand betreft die is verleend in strijd met de bij of
krachtens de Abw gestelde regels of die niet of niet volledig
overeenkomstig hoofdstuk VI en VII van de
Abw is of wordt teruggevorderd of
verhaald;
b. het uitkering betreft die is verleend in strijd met de bij of
krachtens de Ioaw of de Ioaz gestelde
regels
of die niet of niet volledig
overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 5, van de Ioaw,
respectievelijk hoofdstuk II, paragraaf 5, van de Ioaz,
is of wordt
teruggevorderd;
c. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 14 of
14a van de Abw, 20 of
20a van de Ioaw of
20 of 20a
van de
Ioaz
gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten
zouden zijn verlaagd indien burgemeester en wethouders op een juiste wijze
toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen.
-2. Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door burgemeester en
wethouders aan de bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 71 en
117 van
de Abw, 13 tot en met 19 en
41 van de Ioaw of 13 tot en met 19 en
41 van de
Ioaz gestelde regels niet kan worden vastgesteld of en voor welk bedrag de
ten laste van de gemeenten
gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden
gelaten, wordt volgens door
Onze Minister te stellen regels hiervoor een
bedrag vastgesteld.
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover naar
het oordeel van Onze Minister:
a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis zijn;
b. burgemeester en wethouders zich voldoende hebben ingespannen om de
tekortkomingen op te heffen.
HOOFDSTUK
III
Tegemoetkoming in de uitvoeringskosten
§ 1. Vergoeding uitvoeringskosten
gemeenten
Art. 12. Vergoeding uitvoeringskosten
-1.
Onze Minister vergoedt ten laste van 's Rijks kas:
a. aan
gemeenten, bedoeld in
artikel 63, tweede lid, van de
Abw, een
bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per besluit op een aanvraag van
ondernemers in de binnenvaart om verlening van algemene bijstand, bijstand
ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en bijstand ter
voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of zelfstandig beroep
samenhangende kosten;
b. 90% van de kosten van aan derden opgedragen onderzoek inzake
verlening van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 8 van de
Abw;
c. 90% van de kosten van aan derden opgedragen begeleiding van
personen aan wie algemene bijstand wordt verstrekt als bedoeld in artikel
8,
tweede en zesde lid, van de
Abw;
d. 90% van de kosten van bij de toepassing van artikel
14, derde lid,
van de Ioaz aan derden opgedragen onderzoek.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b en c, is de
vergoeding 100% indien het onderzoek of de begeleiding betrekking heeft op
ondernemers of gewezen ondernemers in de binnenvaart als bedoeld in artikel
63, tweede lid, van de
Abw.
-3. Onder onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verstaan een
bedrijfseconomisch of bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen de
taxatie van vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke
rapportage, voor zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van
de bij of krachtens artikel 8 van de
Abw of artikel 14, derde lid, van de
Ioaz gestelde regels.
Art. 13. Voorschot op de vergoeding
-1.
Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 12.
-2. Indien de uitvoering van de Abw, de
Ioaw of de Ioaz door
burgemeester en wethouders, of de administratie, bedoeld in
respectievelijk de artikelen 117 van de Abw,
41 van de
Ioaw of 41 van de
Ioaz, ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de
voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste
lid gestelde regels voortvloeit.
§ 2. Vaststelling vergoeding
Art. 14. Vaststelling
-1.
Onze Minister stelt de vergoeding, bedoeld in
artikel 12, vast
binnen één jaar na ontvangst van het verslag, bedoeld in de artikelen 130,
tweede lid, van de
Abw, 52, tweede lid, van de Ioaw en
52, tweede lid, van de Ioaz en daarop betrekking hebbende verklaring, bedoeld in
de artikelen 130, vierde lid, van de
Abw, 52, vierde lid, van de
Ioaw en 52, vierde lid, van de Ioaz.
-2. Indien het verslag niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een
daarop betrekking hebbende verklaring, wordt de vergoeding ambtshalve
vastgesteld.
Art. 15. Niet voor vergoeding in
aanmerking komende kosten
De kosten, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, c
en d, en tweede lid, worden niet vergoed:
a. indien het onderzoek of de begeleiding is opgedragen aan een
deskundige derde die onder verantwoordelijkheid van burgemeester en
wethouders werkzaam is;
b. voor zover zij hoger zijn dan de door
Onze Minister vast te
stellen maximaal voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor
onderzoek of begeleiding.
HOOFDSTUK
IV
Wijziging andere wetten
Art. 16. Algemene
bijstandswet [MvT]
De Algemene bijstandswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Aan artikel 63 wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Onder een ondernemer in de binnenvaart als bedoeld in het tweede lid
wordt verstaan de zelfstandige die arbeid verricht door:
a. het vervoeren of opslaan van goederen met behulp van een schip
dat bestemd is of gebruikt wordt voor vervoer van goederen op de
Nederlandse binnenwateren, stromen en riviermonden, alsmede op de
Dollard, de Waddenzee en het IJsselmeer;
b. het slepen of duwen van de in onder a bedoelde schepen
met een boot die blijkens zijn bouw daarvoor is bestemd en niet tevens
is ingericht voor het vervoer van goederen.
B. [MvT]
In artikel 66, zevende lid, wordt de zinsnede "met betrekking tot
de verleende bijstand als bedoeld in artikel 134, eerste lid, onderdeel a"
vervangen door: met betrekking tot de verleende algemene bijstand.
C. [MvT]
Artikel 130 wordt als volgt gewijzigd:
1. het tweede lid komt als volgt te luiden:
-2. ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in
over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere
of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie,
bedoeld in artikel 117. Het verslag en de overige informatie worden
kosteloos verstrekt.
2. Aan het artikel worden drie leden
toegevoegd, luidende:
-3. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid,
onderdeel a,
b en c, en 12, eerste lid, onderdeel a, b en
c, van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
-4. Het verslag is voorzien van een verklaring van een deskundige,
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle
omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
D. [MvT]
Hoofdstuk X vervalt.
Art. 17. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:
-2. Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in
over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere
of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie,
bedoeld in artikel 41. Het verslag en de overige informatie worden
kosteloos verstrekt.
2. Aan het artikel worden drie leden
toegevoegd, luidende:
-3. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d,
van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
-4. Het verslag is voorzien van een verklaring van een deskundige,
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle
omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
B. [MvT]
Hoofdstuk V vervalt.
Art. 18. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen [MvT]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt als volgt te luiden:
-2. Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen
burgemeester en wethouders jaarlijks bij
Onze Minister een verslag in
over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere
of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie,
bedoeld in artikel 41. Het verslag en de overige informatie worden
kosteloos verstrekt.
2. Aan het artikel worden drie leden
toegevoegd, luidende:
-3. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onderdeel e,
en 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet financiering
Abw, Ioaw
en Ioaz.
-4. Het verslag is voorzien van een verklaring van een deskundige,
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle
omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens.
-5. Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring
en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
B. [MvT]
Hoofdstuk V vervalt.
Art. 19. Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet [MvT]
De Invoeringswet herinrichting Algemene
Bijstandswet wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede ", met dien verstande dat
ter zake van terugvordering en verhaal van die kosten artikel 134a
van de nieuwe Algemene bijstandswet van overeenkomstige toepassing
is".
2. In het tweede lid wordt na "nieuwe Algemene bijstandswet"
ingevoegd: , zoals deze wet luidde vóór de inwerkingtreding van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz,.
B. [MvT]
Artikel 16 vervalt.
Art. 20. Wijziging
Beroepswet [MvT]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel C,
wordt het tweede onderdeel 24a vernummerd tot 24b en wordt
een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:
24c. Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
HOOFDSTUK V
Overgangs- en slotbepalingen
Art. 21. Overgangsbepaling artikel
5
Voor het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, wordt
de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgesteld binnen vier
weken na inwerkingtreding van deze wet.
Art. 22. Overgangsbepaling Abw
[MvT]
-1. De bij of krachtens de artikelen 134 en
136 van de
Abw gestelde
regels, zoals deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet,
blijven van toepassing op de vergoeding van vóór de inwerkingtreding
van deze wet ten laste van de gemeente
gebleven kosten van algemene
bijstand, bijstand ter voorziening in de kosten van bedrijfskapitaal en
bijstand ter voorziening in met de voorbereiding van een bedrijf of
zelfstandig beroep samenhangende kosten. [MvT]
-2. Artikel 134a
van de
Abw, zoals dit artikel luidde vóór de
inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op vóór de
inwerkingtreding van deze wet door de gemeente ontvangen inkomsten uit
hoofde van terugvordering en verhaal als bedoeld in hoofdstuk
VI,
paragraaf 2, respectievelijk hoofdstuk VII van de
Abw. [MvT]
-3. De bij of krachtens artikel 137 van de
Abw gestelde regels, zoals
deze luidden vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van
toepassing op vóór de inwerkingtreding van deze wet gemaakte kosten
verband houdende met aan derden opgedragen onderzoek en rapportage
inzake de verlening van bijstand aan zelfstandigen als bedoeld in
artikel 8 van de
Abw, met aan derden opgedragen begeleiding van personen
aan wie algemene bijstand wordt verstrekt als bedoeld in artikel
8,
tweede en zesde lid, van de
Abw en met de verlening van bijstand met
toepassing van artikel 63, tweede lid, van de
Abw. [MvT]
Art. 23. Overgangsbepaling
Ioaw en Ioaz [MvT]
De bij of krachtens de
artikelen 57 en 59 van de Ioaw en
57 en 59 van
de Ioaz gestelde regels, zoals deze luidden vóór
de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de
vergoeding van vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gemeente
gebleven kosten van uitkeringen op grond van de Ioaw
respectievelijk de Ioaz en op de vergoeding
van vóór de inwerkingtreding van deze wet gemaakte kosten verband
houdende met aan derden opgedragen onderzoek als bedoeld in artikel
14,
derde lid, van de Ioaz.
Art. 24. Overgangsbepaling
Invoeringswet herinrichting ABW [MvT]
De artikelen 15, eerste lid, en 16 van de Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet, zoals deze artikelen luidden vóór
de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de vóór de
inwerkingtreding van deze wet door de gemeente
ontvangen bedragen uit
hoofde van terugvordering en verhaal, respectievelijk op de vóór de
inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gemeente gebleven kosten
van toeslagen.
Art. 25. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.¹
1. Bij Besluit van
27 september 2000, Stb. 2000, 384, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2001, red.
Art. 26. Citeertitel
De wet wordt aangehaald als: Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 27 september
2000
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de achtentwintigste
september 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|