|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 093
Wijziging
van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen in verband met de wijze van financiering van de
uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet
voor overheidswerknemers alsmede enkele andere wijzigingen (Aanpassingswet
OOW)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
OOW |
| 1.2 |
Regeerakkoord |
| 1.3 |
Beslissing regering
over financieringssysteem WW voor de overheid |
| 2 |
Invoering WW en ZW
voor overheidspersoneel |
| 3 |
Normalisering sociale
zekerheid overheidspersoneel |
| 3.1 |
Betekenis voor de
overheidswerknemer |
| 3.2 |
Inhoud van het
wetsvoorstel |
| 4 |
Financieringssysteem
WW overheid |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Keuze van de
regering |
| 4.3 |
Vormgeving
eigen risico dragen WW overheid: Uitvoeringsfonds voor de overheid en voeding
door middel van declaraties bij de werkgevers |
| 5 |
Financieringssysteem
ZW overheid |
| 5.1 |
Voorstel regering |
| 5.2 |
Vormgeving
financieringssysteem ZW overheid: Uitvoeringsfonds voor de overheid |
| 6 |
Adviezen en
commentaren inzake het wetsvoorstel |
| 6.1 |
Inleiding |
| 6.2 |
Advies ROP |
| 6.3 |
Advies Algemene
Rekenkamer |
| 6.4 |
Commentaar Lisv |
| 6.5 |
Commentaar Ctsv |
| 7 |
Verantwoordelijkheid
en opdrachtgeverschap invoering WW/ZW voor
overheidspersoneel |
| 7.1 |
Inleiding |
| 7.2 |
Verantwoordelijkheid
BZK voor invoering WW/ZW |
| 7.3 |
Verantwoordelijkheid
SZW en Lisv voor uitvoering WW/ZW |
| 7.4 |
Verantwoordelijkheid
inzake de bovenwettelijke regelingen |
| 7.5 |
Coördinatie
wettelijk-bovenwettelijk via Regiegroep |
| 8 |
Financiering
voorbereiding WW/ZW |
| 8.1 |
Inleiding |
| 8.2 |
Financiering tot en
met 1998 |
| 8.3 |
Financiering vanaf
1999 |
| 9 |
Invoeringsdatum in
relatie tot uitvoeringsaspecten |
| 10 |
Financiële gevolgen |
| 10.1 |
Inleiding |
| 10.2 |
De geraamde
uitgaven uit het Uitvoeringsfonds |
| 10.3 |
De inkomsten van
het Uitvoeringsfonds |
| 10.4 |
Overige financiële
effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. OOW
Per 1 januari
1998 is de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
(OOW)
in werking getreden. In deze wet is geregeld dat de volgende
werknemersverzekeringen ook op de overheid van toepassing worden: de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Werkloosheidswet (WW) en
de Ziektewet (ZW) en de daarop berustende bepalingen, alsmede
aanverwante wetten. De inwerkingtreding(sdatum) van de
werknemersverzekeringen wordt ingevolge artikel 94 van de
OOW bij koninklijk besluit vastgesteld. Op 1 januari 1998 is de WAO gaan
gelden voor het
overheidspersoneel. Bij de totstandkoming van de OOW had het vorige
kabinet nog geen besluit genomen of, en zo ja, per wanneer de
werknemersverzekeringen WW en ZW van toepassing zouden worden op het
overheidspersoneel. Dit hield verband met de door de regering nog te maken
keuze inzake het financieringssysteem WW voor de overheid.
1.2. Regeerakkoord
In het regeerakkoord is
opgenomen: "de invoering van de OOW uiterlijk in 2001". Aangezien de
WAO
reeds van toepassing is op het overheidspersoneel, geldt de uitspraak uit
het regeerakkoord voor de invoering van de WW en ZW voor
overheidspersoneel.
1.3. Beslissing regering
over financieringssysteem WW voor de overheid
De regering heeft
besloten de overheidswerkgevers en -werknemers onder de WW
te brengen
met handhaving van het financieringssysteem zoals dat geldt voor de
huidige wachtgeldregelingen, dat wil zeggen in beginsel op basis van
eigen risico dragen door de overheidswerkgevers. Deze beslissing ligt ten grondslag aan
het voorliggende wetsvoorstel en
wordt hierna toegelicht.
rblz.|2|
2. Invoering WW en ZW
voor overheidspersoneel
Conform het regeerakkoord
heeft de regering het voornemen het overheidspersoneel onder de
werkingssfeer van de werknemersverzekeringen WW
en ZW
te brengen. De
Tweede Kamer is over dit voornemen geïnformeerd bij de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK), mede
namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW),
d.d. 15
juli 1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 24 706, nr. 24). Die brief is aan de
orde geweest in een algemeen overleg van de Minister van BZK met de Vaste
Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de
Tweede Kamer op dinsdag 23 november 1999.
Het koninklijk besluit
tot vaststelling van het tijdstip waarop de WW en ZW worden opengesteld
voor de overheid is, zoals aangekondigd in die brief, gepubliceerd in
het Staatsblad (Stb. 1999, 354). In dat besluit is 1 januari 2001 als
invoeringsdatum vastgelegd. Het treffen van dat besluit met de daarin
opgenomen ambitieuze tijdsplanning was bedoeld om een krachtig signaal
af te geven aan de bij de operatie betrokken partijen
(uitvoeringsorganisatie en sociale partners bij de overheid) opdat zij
hun bijdrage aan de voorbereiding van de invoering zouden leveren.
De
OOW biedt
nadrukkelijk de mogelijkheid om de oude gevallen op een later moment dan
de nieuwe gevallen onder de WW/ZW te brengen. Ten aanzien van de
bestaande gevallen constateert het kabinet dat, in ieder geval voor een
deel van de populatie, sprake is van in het verleden afgegeven garanties
die niet ongedaan gemaakt kunnen worden door de invoering van de WW.
Volgens de uitvoeringsorganisatie is het uitvoeringstechnisch zeer
complex om die garanties in te passen in de uitvoering van de WW. Voorts
is er op dit moment een aanzienlijk aantal overheidswerkgevers dat zelf
de wachtgeldregeling uitvoert. De dossiers en gevallen moeten door hen
worden overgedragen aan de uitvoeringsinstelling van de WW en ZW en
ingepast in de systemen en werkwijzen van die uitvoeringsinstelling. Die
uitvoeringsinstelling moet vervolgens de bestaande wachtgelden omzetten
naar nieuwe WW-uitkeringen.
Er is hier dan ook sprake
van een complexe, omvangrijke omzetting van het bestaande systeem naar
een nieuw systeem.
Bij de beantwoording van
vragen over de rapportage OOW/USZO [Uitvoeringsinstelling
Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs, red.] tot en met 1998
(Kamerstukken II 1999-2000, 24 706, nr. 27, blz. 3 en 4) is er door de Minister van BZK op
gewezen dat in het voorbereidingstraject vanuit de uitvoering een aantal
knelpunten ten aanzien van het voorgenomen invoeringstempo is
geconstateerd. Om de invoeringsrisico’s te beperken, dient een
gelijktijdige invoering van de WW
voor nieuwe werklozen en omzetting van
lopende wachtgelduitkeringen te worden voorkomen. Opgemerkt
is dat het kabinet om die reden een gefaseerde invoering van de WW overweegt: voor de
nieuwe gevallen per 1 januari 2001 en voor de lopende gevallen op een
later moment.
Het kabinet heeft
inmiddels, gehoord de uitvoeringsorganisatie en de Raad voor het overheidspersoneelbeleid, besloten tot de volgende wijze
van invoering van de WW en de ZW:
a. per 1 januari 2001
worden de WW en de ZW voor overheidspersoneel ingevoerd voor de nieuwe
gevallen (het personeel in actieve dienst);
b. ten aanzien van de op
31 december 2000 bestaande ziektegevallen wordt de ZW per 1 januari
2001 ingevoerd voor degenen met zwangerschaps- en
bevallingsverlof waarvan het verlof eindigt na 31 januari 2001, en (met
terugwerkende kracht) voor de langdurige ziektegevallen (uitgezonderd bestaande
wachtgelders) die nog ziek zijn op de peildatum 15 februari
2001;
c. ten aanzien van de
overige op 31 december 2000 bestaande ziektegevallen rblz.|3|
(waaronder de
bestaande wachtgelders) wordt de ZW per 1 januari 2003 ingevoerd;
d. per 1 januari 2003
wordt de WW ingevoerd voor de personen die op 31 december 2000 wachtgeld
hebben (en dat nog hebben op 1 januari 2003).
De Tweede Kamer der
Staten-Generaal is over deze besluitvorming op de hoogte gebracht bij de
brief van de Minister van BZK d.d. 16 maart 2000 met kenmerk
AB2000/U60081.
3. Normalisering sociale
zekerheid overheidspersoneel
3.1. Betekenis voor de
overheidswerknemer
De invoering van de
WW en
ZW voor het overheidspersoneel vormt het sluitstuk van de bij de
OOW-operatie in gang gezette normalisering van de positie van de
overheidswerknemer op het terrein van de sociale zekerheid. De invoering van de WW/ZW
voor het overheidspersoneel houdt voor de
overheidswerknemer in hoofdzaak het volgende in:
a. hetzelfde wettelijke rechten-, verplichtingen-, maatregelen- en sanctieregime
voor alle werknemers;
b. toepassing van de Ioaw
in aansluiting op de WW;
c. toepassing van het ZW-vangnet, met als effect bevordering van de reïntegratiemogelijkheden
voor overheidswerknemers met een verhoogd risico op
arbeidsongeschiktheid doordat de kosten van de werkgevers van eventuele
ziekte van deze werknemers ten laste van een fonds kunnen worden gebracht;
d. toepassing van de Toeslagenwet;
e. openstelling van het
reïntegratie-instrumentarium van de WW en de ZW;
f. een rechtens
afdwingbare aanspraak tegenover het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) en de bevoegde uitvoeringsinstelling, onafhankelijk van de
relatie die tussen de betrokken werknemer en zijn (ex-)werkgever kan
bestaan;
g. toezicht op
rechtmatigheid en doelmatigheid door een onafhankelijk orgaan (het College van
toezicht sociale verzekeringen (Ctsv));
h. alle werkgevers van
overheidspersoneel zijn voor de sociale zekerheid van rechtswege ingedeeld
volgens de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven, met
inbegrip van de daaruit volgende aansluiting bij een uitvoeringsinstelling
in de zin van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997
(Osv 1997).
3.2. Inhoud van het
wetsvoorstel
Het voorliggende voorstel
van wet bevat aanpassingen van de OOW en van de
WW alsmede
enkele andere aanpassingen die noodzakelijk zijn in verband met het onder
de werkingssfeer van de WW en de ZW brengen van het
overheidspersoneel. Dit betreft:
a. aanpassingen in het in
de OOW opgenomen overgangsrecht ten aanzien van de toepassing
van de WW en de ZW op personen die een aanspraak krachtens een
ambtelijke uitkeringsregeling ontvangen ten tijde van de invoering
van de WW en de ZW;
b. het stelsel van
financiering van de WW en de ZW (inclusief de uitvoeringskosten) ten
aanzien van de overheid;
c. redactionele
verbeteringen in de OOW en de Algemene militaire pensioenwet.
rblz.|4|
4. Financieringssysteem
WW overheid
4.1. Inleiding
In de OOW
en het
regeerakkoord is niet vermeld met welk financieringssysteem de WW
voor de overheid moet worden ingevoerd. Wel was het uitgangspunt
van de OOW dat voor de overheid en de marktsector hetzelfde
financieringssysteem zou gaan gelden. Voortschrijdend inzicht heeft de regering
evenwel geleid tot heroverweging van dat uitgangspunt. De regering
heeft de beslissing genomen de overheidswerkgevers en overheidswerknemers
onder de WW te brengen met handhaving van het financieringssysteem zoals dat geldt voor de huidige
wachtgeldregelingen, dat
wil zeggen in beginsel op basis van eigen risico dragen door de
overheidswerkgevers. Hierna wordt de afweging van de regering met betrekking
tot het financieringssysteem WW voor de overheid toegelicht.
4.2. Keuze van de
regering
Een integrale toepassing
van de WW op het overheidspersoneel zoals verwoord in de
memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de OOW
heeft geleid, zou
betekenen dat de aanspraken, de wijze van uitvoering en het
financieringssysteem van die wet zouden gelden voor de overheidssector. Wat
de aanspraken en de wijze van uitvoering betreft, past dat volgens de
regering in het streven naar normalisering van de positie van de werknemer.
De regering komt evenwel tot de conclusie dat het financieringssysteem WW zoals dat voor de marktsector
geldt, niet
voor de overheid zou
moeten gelden.
Voor de regering is
daarbij de combinatie van de volgende elementen doorslaggevend.
a. De invoering van de
WW leidt tot een normalisering van de positie van de overheidswerknemer,
ook bij een keuze voor handhaving van het eigen risico dragen voor
overheidswerkgevers in het kader van de WW. Doordat de zogenoemde
pseudo-premie WW gehandhaafd blijft, blijft sprake van een zoveel
mogelijk uniform bruto/netto-traject voor overheidswerknemers en
werknemers in de marktsector.
b. De overheidswerkgever
verschilt van de particuliere werkgever door het over het algemeen
ontbreken van het faillissementsrisico (althans wat de
overheidswerkgevers met een publiekrechtelijke status betreft) en vanwege het feit dat
ontslagbeslissingen in het kader van reorganisaties bij de overheid veelal
het gevolg zijn van politieke keuzen omtrent omvang en aard
van de overheidstaken.
c. Van het zelf dragen
van de werkloosheidslasten gaat een prikkelwerking uit in de richting van de
(overheids)werkgever. Deze draagt bij aan volumebeheersing
(afgezien van de onder b bedoelde situatie van politieke keuzen die tot
ontslagen leiden). Invoering van het premiesysteem WW
zou een aanzienlijke
vermindering betekenen van financiële prikkels voor de
overheidswerkgever om werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. De
werkloosheidslasten WW worden immers grotendeels landelijk
verevend.
d. Invoering van het
premiesysteem WW zou in verband met het lagere werkloosheidsrisico van
de overheid tot extra lasten leiden voor de overheidswerkgevers, maar
ook tot lastenverlichting voor de werkgevers in de marktsector en de
werknemers bij de overheid en in de marktsector. Deze voor-
en nadelen zijn op macroniveau grosso modo rblz.|5|
even groot. Het is in
beginsel mogelijk zodanige lastenverschuivingen tot stand te brengen dat
deze operatie (op macroniveau) budgettair, loonkosten- en
inkomensneutraal kan geschieden. Dit vergt evenwel een complexe operatie,
waarbij inkomens- en loonkostenneutraliteit op microniveau niet kan
worden gegarandeerd. De operatie is onder andere complex omdat het
niet mogelijk is om het terugsluizen te laten geschieden via één
systematiek die per overheidswerkgever passende compensatie tot gevolg
heeft. Er kan op voorhand dan ook niet worden gegarandeerd dat de
financiële effecten van introductie van premiefinanciering WW voor de overheid
ongedaan kunnen worden gemaakt op het niveau van de
individuele werkgever en werknemer.
De financiering van de
WW voor overheidspersoneel via eigenrisicodragerschap betekent dat de huidige
wijze van bekostiging van de wachtgelden van overheidspersoneel
materieel wordt voortgezet onder de WW, dus inclusief de
(mogelijkheid van) eigen arrangementen van de overheidssectoren. Die
eigen arrangementen betreffen de nadere bepaling van de instantie die de
lasten zal dragen. Vanuit de WW bezien zal de overheidswerkgever
formeel aansprakelijk zijn en blijven voor de betaling van de WW-uitkeringen.
Dit neemt niet weg dat in de praktijk door middel van sectorale
arrangementen kan worden bereikt dat in plaats van de overheidswerkgever een
andere instantie voor die werkgever de lasten draagt.
De regering heeft hierbij
afgewogen dat er aan de variant van eigen risico dragen ook bezwaren zijn verbonden. Zo leidt een sterke prikkel tot
volumebeheersing tot
vacaturevervulling primair vanuit het zittend personeel met relatief weinig
instroom van buitenaf. Deze bezwaren zijn voor de regering evenwel niet doorslaggevend.
Een ander bezwaar is dat
het privaatrechtelijke deel van de overheid (te weten de
privaatrechtelijke rechtspersonen die krachtens aanwijzing van de Minister van BZK
deelnemen aan de Stichting Pensioenfonds ABP, ook wel genoemd de B3-lichamen) in theorie niet gevrijwaard is van faillissement, ook al komt een dergelijk
faillissement in de praktijk niet of nauwelijks voor. Dit bezwaar kan
evenwel worden ondervangen door een voorziening binnen het
financieringssysteem WW voor de overheid te treffen om de betaling van de
WW-uitkeringen in geval van een dergelijk faillissement zeker te stellen.
4.3. Vormgeving
eigen risico dragen WW overheid: Uitvoeringsfonds voor de overheid en voeding
door middel van declaraties bij de werkgevers
Artikel I, onderdeel
AA,
van het voorliggende wetsvoorstel bevat de wijzigingen in de WW
in verband met
de neerslag in de WW van het eigen risico dragen WW door
overheidswerkgevers.
In grote lijnen zal het
eigen risico dragen WW van de overheid er als volgt uit komen te zien.
De lasten op grond van de
WW komen voor rekening van de individuele overheidswerkgevers van
de betrokken WW-gerechtigden. Dit doordat deze lasten bij hen op
basis van individuele toerekening worden gedeclareerd. De betaling van de
uitkeringen geschiedt door de bij of krachtens de WW bevoegde uitvoeringsinstelling.
Bij de keuze om de
uitvoeringsinstelling de betaling aan de overheidswerknemer te laten verrichten, wordt
afgeweken van het systeem van eigen risico dragen
ingevolge de WAO dat uitgaat van betaling van de WAO-uitkering door de
eigen risico dragende werkgever zelf, zonder mogelijkheid van betaling door de
uitvoeringsinstelling. De omstandigheden rblz.|6|
met betrekking tot het eigen
risico dragen WAO en het eigen risico dragen WW
verschillen echter
fundamenteel. De werkgever die overweegt eigenrisicodrager WAO te worden, kan in
zijn afweging een rol laten spelen dat hij, als hij
eigenrisicodrager wordt, de betaling van de WAO-uitkering niet via de
uitvoeringsinstelling kan laten geschieden. Bij de WW is sprake van een verplicht
eigen risico dragen door overheidswerkgevers. Zij kunnen derhalve geen afweging
maken, in tegenstelling tot bij de WAO, waar dat wel kan.
Bij de keuze voor
betaling van de WW-uitkering aan overheidswerknemers door de
uitvoeringsinstelling hebben verder de volgende overwegingen een rol gespeeld.
1. Afgezien van de
situatie van eigen risico dragen WAO verloopt de betaling van de WAO-uitkering
standaard via de uitvoeringsinstelling. Indien de uitbetaling van
de WW niet via de uitvoeringsinstelling zou verlopen, ontstaat in
samenloopgevallen de situatie dat er twee betaalinstanties zullen zijn met alle
complicaties voor de uitkeringsgerechtigde en de uitvoerders van
dien.
2. Als de
overheidswerkgever niet betaalt (bijvoorbeeld vanwege een conflict met zijn gewezen
werknemer), is de uitvoeringsinstelling gehouden de betaling zelf
te doen en dat vervolgens op die werkgever te verhalen. Er moet dus
per 1 januari 2001 sowieso bij de uitvoeringsinstelling een infrastructuur zijn
voor de betaling van de WW. Daarnaast zouden ook de werkgevers
hun voorzieningen moeten treffen. Deze dubbele infrastructuur levert een zekere inefficiëntie vanwege meerkosten
op.
Uitgaande van betaling
van de WW-uitkering aan de overheidswerknemer door de
uitvoeringsinstelling is er in dit voorstel voor gekozen de geldstromen
te laten verlopen via het
zogenoemde Uitvoeringsfonds voor de overheid. Daarmee wordt
voorkomen dat er meerdere geldstromen via aparte rekeningen gaan
lopen met betrekking tot de WW. Daarbij is mede afgewogen dat een
dergelijk fonds gebruikt kan worden voor de financiering van regelingen die niet
voor rekening van de individuele overheidswerkgevers komen. In dat verband
komt hierna de financiering van de ZW voor de overheid via het
Uitvoeringsfonds voor de overheid aan de orde, alsook de financiering
van de lasten van bepaalde andere regelingen. Voor
de dekking van die lasten zal een verevende premie door alle overheidswerkgevers zijn
verschuldigd. Deze premie zal niet op de overheidswerknemers
kunnen worden verhaald.
Uit het Uitvoeringsfonds
voor de overheid zullen ook alle uitvoeringskosten worden betaald. De uitvoeringskosten worden dus niet (deels)
gedeclareerd bij de
individuele overheidswerkgevers. Er is wel een splitsing overwogen tussen de
kosten van reguliere uitvoering (die wel voor rekening van de
individuele overheidswerkgever zouden komen) en de bijzondere kosten (die
uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid zouden worden betaald).
Bijzondere uitvoering is dan bijvoorbeeld de uitvoeringskosten die betrekking
hebben op
een door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep. In een
dergelijke situatie ligt het niet voor de hand dat de werkgever die
uitvoeringskosten betaald. Andere situaties liggen niet zo duidelijk. Zo is
bijvoorbeeld de vraag of de uitvoeringskosten van een herziening of intrekking
van de uitkering indien deze het gevolg is van een eerdere onjuiste
vaststelling van de uitkering door de uitvoeringsinstelling
als regulier
of bijzonder
moet worden aangemerkt. Een dergelijke splitsing van de uitvoeringskosten
zou niet alleen moeilijk realiseerbaar en uitvoerbaar zijn, maar ook een
potentiële bron van geschillen tussen de uitvoeringsinstelling en de werkgever. Het feit
dat de uitvoeringskosten uit het Uitvoeringsfonds worden betaald, komt de transparantie van de uitvoering
ten goede en zal dan ook
tot lagere kosten leiden dan een kostensplitsing.
rblz.|7|
Het Uitvoeringsfonds is een faciliteit om de betaling te
vergemakkelijken alsook om eventuele
verrekening met andere uitvoeringsinstellingen te vergemakkelijken. De
uitkeringen en de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstelling worden in het voorstel
van de regering ten laste gebracht van het Uitvoeringsfonds
voor de overheid. De voeding van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid vindt primair plaats door de lasten van de uitkeringen door te
berekenen aan de (ex-)overheidswerkgevers. De overheidswerkgever
betaalt alsdan de WW-lasten van werknemers die vanuit een
dienstbetrekking bij hem recht op WW-uitkering hebben verkregen, inclusief de
eventuele herleving of heropening van oude WW-uitkeringen.
Handhaving van het
financieringssysteem van de wachtgeldregelingen in het kader van de WW
zal
inhouden dat de te betalen uitkeringen door de uitvoeringsinstelling
per
betalingstermijn (vier weken) op voorschotbasis zullen worden
gedeclareerd bij de overheidswerkgever. De afrekening van de werkelijke lasten zal
dan plaatsvinden bij de declaratie over de daaropvolgende
betalingstermijn. Voor dit systeem is gekozen omdat overheidswerkgevers in het algemeen reeds
gewend zijn om op voorschotbasis te betalen aan de USZO
(althans voor zover zij hun wachtgeldregeling door de USZO laten uitvoeren).
Daarmee kan worden voorkomen dat er een grote liquiditeitsbuffer
in het fonds aanwezig moet zijn. In lagere regelgeving van het Lisv kan dit
systeem nader worden ingevuld. Het is echter voorstelbaar dat in de
aanvangssituatie (de eerste betalingstermijn van de WW) niet alle declaraties
op het gewenste tijdstip tot betaling komen. Teneinde liquiditeitsproblemen
voor de uitvoering van de WW en de ZW in die periode te voorkomen,
dient bij de invoering van de WW en de ZW een kleine
liquiditeitsbuffer in het Uitvoeringsfonds te worden aangehouden. Deze buffer zal voldoende
moeten zijn om één betalingstermijn van WW- en ZW-uitkeringen inclusief uitvoeringskosten
(13/52ste deel van
de last WW/ZW op
jaarbasis) te kunnen voldoen voor zover het gaat om de WW- en ZW-uitkeringen
die in januari 2001 worden toegekend.
De precieze omvang en de
wijze van vulling van die buffer zullen nog nader worden bezien. Een mogelijkheid is wellicht om de buffer te vullen
ten laste van het budget
voor invoeringsuitgaven WW/ZW voor de overheid dat door middel van het
separate wetsvoorstel tot wijziging van artikel 90 van de OOW ter beschikking wordt gesteld.
Het Uitvoeringsfonds voor
de overheid wordt mede bestemd voor een voorziening (in de vorm
van een buffer) om de betaling van de WW-uitkering veilig te
stellen in geval van betalingsonmacht van een overheidswerkgever (dit
risico doet zich uitsluitend voor bij de eerder genoemde B3-lichamen).
Daarmee heeft het Lisv de garantie dat er altijd verhaal van
WW-uitkeringen in geval van faillissement kan plaatsvinden.
Een ander voordeel van
het gebruik van het Uitvoeringsfonds voor de overheid is dat een
aantal zaken rondom fondsbeheer en middelenbeheer niet apart hoeven te
worden geregeld. Zo zal onder andere het geïntegreerd
middelenbeheer van
toepassing zijn. Het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt beheerd en geadministreerd door het
Lisv.
Tot slot kunnen
uitvoeringsinstellingen in de marktsector die een WW-uitkering uitvoeren
ten aanzien van een werknemer met twee of meer dienstbetrekkingen,
waaronder één bij de overheid, de aan de overheidsbetrekking toe te rekenen lasten uit
het Uitvoeringsfonds voor de overheid halen.
De methodiek van
declaraties bij de individuele overheidswerkgevers laat de mogelijkheid onverlet
die de sectorwerkgevers bij de overheid hebben om binnen de sector een
eigen systeem te maken, bijvoorbeeld een eigen sectoraal rblz.|8|
fonds (zoals bijvoorbeeld
de eigen financieringsarrangementen in de sector Onderwijs). De
lasten komen alsdan voor rekening van dat fonds. De voeding van dat
sectorale fonds is een aangelegenheid van de betreffende sectoren zelf. Deze
fondsen mogen niet worden beschouwd als wachtgeldfondsen in de
zin van de WW. Deze sectorale fondsen krijgen geen grondslag in de WW.
Formeel-juridisch is en blijft de individuele werkgever aansprakelijk
voor zijn aandeel in de bekostiging van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Een sectoraal systeem dat
zou neerkomen op verevening met (onderdelen van) de marktsector
behoort niet tot de mogelijkheden.
De financiële effecten
van het introduceren van een sectoraal financieringssysteem in
plaats van het declaratiestelsel komen voor rekening van de betreffende sector
zelf.
Verder heeft de regering,
naar analogie van artikel 89 van de OOW, gekozen voor het heffen
van echte WW-premies over de WW-uitkeringen van (gewezen)
overheidswerknemers (in plaats van de zogenaamde inhouding inzake
werkloosheid op grond van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP). Deze
WW-premies worden gestort in het Uitvoeringsfonds voor de
overheid.
De totstandkoming van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid maakt het verder mogelijk om de
WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers, die
op grond van artikel 90, eerste lid, van de
OOW nu nog in het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) worden gestort alwaar zij tot een
korting op de basispremie WAO voor overheidswerkgevers zouden leiden (gelet op
artikel 90, derde lid, van de OOW), voortaan eveneens
in het Uitvoeringsfonds voor de overheid te storten. Het in dat fonds
storten van deze premies vormt voor dat fonds een inkomst, die zal
leiden tot een loonsomevenredige verlaging van de door de
overheidswerkgevers aan dat fonds af te dragen premie. Dit komt in de plaats van de
korting op de basispremie WAO. Destijds was alleen gekozen voor storting in
het Aof omdat er voor de overheid tot nu [dan, red.] toe geen fonds beschikbaar
was in het kader van de WW waarin deze premies gestort zouden kunnen
worden. Met het voorgestelde Uitvoeringsfonds voor de overheid kan een
op de marktsector gelijkende situatie worden bereikt.
Het heffen van de echte
WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers heeft
als voordeel dat in situaties van één WAO-uitkering uit hoofde
van dienstbetrekkingen bij de overheid en de marktsector geen gesplitste
bruto/netto-trajecten behoeven plaats te vinden. Ingeval de
overheidsbetrekking de kleinste betrekking is, worden de WW-premies in
totaliteit in het Algemeen werkloosheidsfonds en het betreffende wachtgeldfonds van de marktsector gestort. Zo nodig kan
achteraf verrekening
tussen het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de WW-fondsen van de
marktsector plaatsvinden.
De bijdrage van de
verplicht verzekerde overheidswerknemer in actieve dienst blijft via de
pseudo-premie WW lopen. Dit om een zoveel mogelijk uniform
bruto/netto-traject
voor alle (overheids-)werknemers te laten gelden en in stand te
houden. Het zal dan ook niet mogelijk zijn om de werknemersbijdrage op
andere wijze te regelen binnen de sectorale financieringsarrangementen
WW.
Momenteel worden
voorstellen uitgewerkt om de premieheffing en de dagloonvaststelling voor
de sociale verzekeringen te vereenvoudigen. In een nieuwe systematiek
moeten de administratieve lasten die de huidige systematiek voor zowel
werkgever als uitvoeringsinstelling met zich meebrengt zoveel als
mogelijk worden beperkt, onder meer door terugdringing van het bestaande
berichtenverkeer. Tevens wordt gestreefd naar meer eenduidigheid in de
systematiek en naar het wegnemen van rblz.|9|
bestaande verschillen per
wet (ZW, WW en WAO). Voorts zouden premieheffing en dagloonvaststelling op
dezelfde grondslag moeten plaatsvinden (equivalentie). Er wordt
naar gestreefd deze wijzigingen in deze kabinetsperiode hun
beslag te laten krijgen.
In afwachting van de
herziening van het sv-premieloon [socialeverzekeringspremieloon, red.]
op grond van de Coördinatiewet sociale
verzekeringen (CSV) zullen de premies en de pseudo-premie WW ten
aanzien van overheidswerknemers (inclusief franchises en
maximumgrondslagen) vooralsnog worden vastgesteld door middel van de deeltijdfactor. De daarvoor noodzakelijke regelgeving
zal op basis van artikel 9, tiende lid, van de
CSV tot stand worden gebracht. De regering wil
op deze wijze voorkomen dat de overheidssector kort na elkaar te maken
zou krijgen met twee omvangrijke wijzigingen in het stelsel van
sv-premieloon.
5. Financieringssysteem
ZW overheid
5.1. Voorstel regering
Evenals bij de overheid
is de regel in de marktsector dat de werkgever bij ziekte loon doorbetaalt.
De marktsector kent de ZW als vangnetvoorziening. De wetgever heeft
bepaalde ziekterisico’s onder die vangnetvoorziening gebracht. Het gaat
daarbij om risico’s die voor werkgevers niet beïnvloedbaar zijn
en ook niet beïnvloedbaar behoren te zijn.
Ten aanzien van de overheid zal
een dergelijke vangnetvoorziening ZW eveneens moeten gelden. Aangezien
de ZW in de marktsector wordt bekostigd via de WW-fondsen maar de
overheid niet aan deze fondsen zal deelnemen, dient voor de ZW voor de
overheid een aparte financiering te worden geregeld. Een
financiering die wat de systematiek betreft overeenkomt met de financiering in de
marktsector, derhalve financiering via een fonds dat met omslagpremies
wordt gevoed.
5.2. Vormgeving
financieringssysteem ZW overheid: Uitvoeringsfonds voor de overheid
Het vorengenoemde
Uitvoeringsfonds voor de overheid zal in het voorstel van de regering worden
gebruikt om de ZW-lasten ten aanzien van de overheid te bekostigen.
De ZW-lasten (inclusief de uitvoeringslasten) worden bekostigd door
middel van de premie die de overheidswerkgevers aan het Uitvoeringsfonds
voor de overheid verschuldigd zijn. Er is geen mogelijkheid voor de
overheidswerkgevers om deze premie op de overheidswerknemers te
verhalen.
6. Adviezen en
commentaren inzake het wetsvoorstel
6.1. Inleiding
Het wetsvoorstel is voor
advies voorgelegd aan de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en de Algemene
Rekenkamer
en voor commentaar ten aanzien van de
uitvoerbaarheid aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen en ten aanzien van de
toezichtbaarheid aan het College van toezicht sociale
verzekeringen.
6.2. Advies ROP
De ROP [Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid,
red.] is gevraagd te
adviseren over de in dit wetsvoorstel opgenomen wetstechnische uitwerking
van het eerder al voor advies aan de ROP voorgelegde voornemen van
de regering om de WW en de ZW voor de overheid in te voeren met
een voor de overheid afwijkend financieringssysteem. De Minister van BZK heeft
op het toenmalige advies gereageerd rblz.|10|
in zijn brief aan de
Tweede Kamer d.d. 15 juli 1999 (Kamerstukken II 1998-1999, 24 706, nr. 24,
bijlagen 2 en 3). Bij die eerdere gelegenheid had de ROP zich geen
tegenstander van het eigen risico dragen WW voor de overheid betoond. Wel vroeg de ROP
expliciet de aandacht van de wetgever voor een aantal zaken.
Voor het voorliggende advies is het eerdere advies het kader en het vertrekpunt geweest voor de
ROP.
Het voorliggende
wetsvoorstel behelst een wetstechnische uitwerking van het regeringsbesluit om
de WW in te voeren voor de overheid zonder het
WW-financieringssysteem.
De ROP kan daarmee leven in het vooruitzicht dat het streven erop
gericht is om uiteindelijk te komen tot één financieringssysteem voor markt
en overheid.
Dat vooruitzicht kan
evenwel niet op deze plaats en dit moment worden geboden. Dit is
afhankelijk van door het kabinet nog te nemen besluiten over eventueel invoeren
van premiedifferentiatie in de WW. Daarop kan niet worden
vooruitgelopen. De uitkomsten daarvan zullen moeten worden afgewogen tegen de
argumenten die de regering heeft om overheidswerkgevers
eigenrisicodrager voor de WW te laten zijn.
De regering gaat er, in
reactie op een waarschuwing van de ROP ter zake, vanuit dat het thans
voorgestelde financieringssysteem WW/ZW voor de overheid geen beletsel
zal vormen voor een eventueel uniform financieringssysteem in
de toekomst.
De ROP kan verder
instemmen met het voorgestelde financieringssysteem ZW
voor de overheid.
De ROP vraagt om meer
inzicht in de kostenposten die gefinancierd worden uit de premie voor
het Uitvoeringsfonds voor de overheid. In de financiële paragraaf van
de memorie van toelichting wordt hierop nader ingegaan.
In zijn advies vraagt de
ROP zich af waarom ervoor gekozen is dat alle overheidsinstellingen
zouden moeten bijdragen aan de faillissementsvoorziening via het Uitvoeringsfonds
terwijl slechts enkelen daarvan gebruik zullen kunnen
maken. De ROP acht sectorale arrangementen voor deze voorziening als
alternatief voor de voorziening via het Uitvoeringsfonds ook denkbaar, mits
degenen die daarvoor kiezen niet tevens moeten meebetalen aan de
voorziening via het Uitvoeringsfonds.
Het door de ROP
aangedragen alternatief is voor de regering niet aanvaardbaar. De bezwaren
van dat alternatief zijn de volgende:
• het Lisv
zou
afhankelijk worden van sectorale regelingen die buiten de invloedssfeer van het
Lisv en de voor de WW
verantwoordelijke bewindspersoon, de Minister van
SZW, tot stand worden gebracht en die tussentijds kunnen
worden gewijzigd zonder dat Lisv en SZW daarop invloed kunnen
uitoefenen;
• bij verschil van
opvatting tussen het Lisv en de voor de sectorale regeling verantwoordelijke
instantie over de vraag of die regeling voldoende zekerheid
richting het Lisv biedt, kan niet altijd een instantie worden aangewezen die de
knoop dient door te hakken.
In de opvatting van de
regering zullen er na de invoering van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid geen sectorale regelingen voor faillissement meer behoeven te bestaan.
Een eventuele versmalling
van het premiedraagvlak tot de B3-lichamen die daadwerkelijk het faillissementsrisico lopen, acht de regering evenmin
aanvaardbaar. Op de
eerste plaats is een dergelijk draagvlak te smal. Op de tweede plaats levert
een dergelijke aanpak naar verwachting veel discussies op over de
vraag of een B3-lichaam wel of niet tot de doelgroep moet worden gerekend. Dat
zou kunnen uitmonden in een niet stabiele doelgroep met de
negatieve effecten daarvan op het draagvlak. Op de derde plaats zouden
faillissementen die daadwerkelijk optreden het rblz.|11|
draagvlak verder
versmallen. Daardoor zou een vliegwieleffect in de vorm van meer faillissementen
en verdere draagvlakversmalling kunnen optreden. Op de vierde
plaats zou in de premie voor het Uitvoeringsfonds onderscheid moeten worden
gemaakt tussen de werkgevers die een premieopslag voor deze
voorziening kennen en de werkgevers die dat niet kennen. Dit leidt tot een
verhoging van de uitvoeringslasten. Op de vijfde plaats zal een
faillissement van een B3-lichaam gemiddeld genomen een zeer marginaal effect op
de premie voor het Uitvoeringsfonds hebben, zoals geschetst in hoofdstuk
10 van deze toelichting. Dit weegt niet op tegen de lasten van het
apart moeten onderscheiden van deze doelgroep binnen de premie voor het
Uitvoeringsfonds.
Deze argumenten
overziende, handhaaft de regering haar voorstel om via het Uitvoeringsfonds voor
de overheid een door alle overheidswerkgevers gezamenlijk gedragen
voorziening voor faillissement te realiseren.
De regering zou zich
overigens kunnen voorstellen dat er argumenten aan te voeren zijn om B3-lichamen, gelet op het faillissementsrisico dat zij lopen, niet onder te
brengen bij de overheid, maar bij de marktsector. Dat wil zeggen: onder het
premiesysteem WW. Een dergelijke keuze zou tegemoet komen aan de opmerkingen
van de ROP. Er zijn evenwel goede redenen waarom een
dergelijke keuze op dit moment niet te maken is:
• indeling van B3-lichamen naar de marktsector betekent indeling bij een andere
sv-sector in
verband met het wachtgeldfonds; op dit moment zijn de
consequenties daarvan niet te overzien;
• het betekent verder
dat een andere uitvoeringsinstelling
dan de Uitvoeringsinstelling
Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO) de uitvoerder van
de WW zal moeten zijn; de consequenties daarvan zijn evenmin op
dit moment bekend.
De regering is voornemens
om de consequenties van het onder het premiesysteem WW brengen
van B3-lichamen nader te gaan onderzoeken met het oog op een op een
later moment eventueel te nemen besluit over een
dergelijke overgang van bedoelde lichamen.
Als de regering tot deze
stap zou besluiten, dan zou die zeker niet per 1 januari 2001 kunnen
worden geïmplementeerd. Ook dan zou een tijdelijke voorziening via het
Uitvoeringsfonds voor de overheid noodzakelijk zijn.
De ROP onderkent de
noodzaak van een buffer om tijdelijke liquiditeitsproblemen bij de betaling van de
WW-uitkeringen in de aanloopfase van 2001 op te vangen, maar
pleit ervoor deze buffer zo laag mogelijk vast te stellen. De suggestie om
deze buffer via het geïntegreerd middelenbeheer in te vullen, wordt door
de regering inderdaad overwogen (evenals trouwens andere opties). Verwezen
wordt naar hetgeen hierover is opgemerkt in paragraaf 4.3 van
deze toelichting.
Omzetting van
wachtgeldregelingen in WW-uitkering zal ertoe leiden dat in een aantal gevallen na
afloop van de WW-uitkering recht bestaat op nawettelijk wachtgeld.
Tijdens deze nawettelijke periode is de werknemer niet verzekerd voor de
ZW en de WAO. Op grond van de huidige
(wachtgeld)regeling is er, gedurende
de hele periode waarin recht op wachtgeld bestaat, wel sprake van
WAO-verzekering. De ROP ziet dit als een beperking van het aansprakenniveau.
De regering kan hierover het volgende opmerken. Tot 1 januari
2003 (het tijdstip van aanvang van fase 3 van OOW) blijft de
wachtgelder WAO-verzekerd. Dat geeft de sociale partners de tijd om in de
arbeidsvoorwaardelijke sfeer een vergelijkbare regeling voor het nawettelijk
traject af te spreken.
De ROP verzoekt de
wetgever tevens om handhaving van de ZW-verzekering na einde
WW-uitkering. Opgemerkt wordt dat wachtgelders bij de overheid thans
niet ZW-verzekerd zijn. Voor hen is dan ook geen sprake van een
verslechtering in de rechtspositie als gevolg van de invoering van de WW. Voor
invoering van de ZW-verzekering na einde rblz.|12|
WW-uitkering ziet de
regering dan ook geen aanleiding. Dit onderdeel van het verzoek van de ROP om
wettelijke regeling wijst de regering dan ook van de hand.
De door de ROP gevraagde
verklaring van het verschil tussen enerzijds de hoogte van de uitgaven
van het Uitvoeringsfonds en anderzijds de hoogte van de opbrengst van de
pseudo-premie WW wordt gegeven in hoofdstuk
10 van deze toelichting.
Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.
In
het wetsvoorstel is
geregeld dat de WW-uitkering wordt verhaald op de rechtsopvolger van de
werkgever. Uitzondering op deze regel is de rechtsopvolger na faillissement. In die
situatie wordt de WW-uitkering uit het Uitvoeringsfonds voor de
overheid gefinancierd. In de oorspronkelijke bepaling ter zake in het
wetsvoorstel was de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel
van bestuur afwijkende regels te stellen. Die konden erop neerkomen dat
bestaande sectorale garantieregelingen zouden voorgaan boven
vergoeding uit het Uitvoeringsfonds. De ROP acht deze mogelijkheid
ongewenst. Die zou erop neerkomen dat sectoren de kosten van die eigen
regeling moeten dragen zonder vermindering van de premie voor het
Uitvoeringsfonds. Naar aanleiding van het advies van de ROP is deze
mogelijkheid uit het betreffende onderdeel van dit wetsvoorstel geschrapt.
Naar aanleiding van de
problemen die de ROP aanvoert ten aanzien van de sv-sectorafbakening
tussen marktsector en overheid (met name bij het bijzonder onderwijs) zal
nader worden bezien of de Regeling indeling van het
bedrijfs- en
beroepsleven in sectoren op basis van de Osv 1997 moet worden gewijzigd. Dit
betreft een onderwerp van lagere regelgeving en behoeft niet in dit
wetsvoorstel te worden opgenomen.
De ROP merkt verder op
dat de regering nog steeds geen beslissing heeft genomen over de
herziening van het sv-premieloon op grond van de CSV. Op
bladzijde 7 van de
memorie van toelichting is aangegeven dat de daarvoor noodzakelijke
regelgeving tot stand zal worden gebracht op basis van artikel
9,
tiende lid, CSV. De ROP verzoekt hem op korte termijn inzicht te verschaffen
per wanneer deze regelgeving tegemoet gezien kan worden.
De regelgeving op basis
van artikel 9, tiende lid, van de CSV zal in de loop van het jaar 2000 tot
stand worden gebracht. Deze regeling is nodig voor het handhaven van de
deeltijdfactor. Zoals eerder is aangegeven, wordt ernaar gestreefd de
herziening van het sv-premieloon nog in deze kabinetsperiode zijn beslag te laten
krijgen.
6.3. Advies Algemene
Rekenkamer
De Algemene Rekenkamer
heeft laten weten dat de invoering van de WW en de ZW
voor het overheidspersoneel het volgende betekent voor haar
taken en bevoegdheden
krachtens de Comptabiliteitswet:
• de Rekenkamer zal
bevoegd zijn tot het verrichten van rechtmatigheids- en
doelmatigheidsonderzoek naar de uitvoering van en de uitgaven voor de WW en de
ZW voor overheidspersoneel; het financieringssysteem WW
en ZW voor de overheid levert daarvoor geen problemen op;
• de Rekenkamer zal met
ingang van 1 januari 2001 niet meer bevoegd zijn ten aanzien van de bovenwettelijke regelingen op het terrein van
WW en ZW van
overheidspersoneel; de Rekenkamer dringt niet aan op handhaving van die
bevoegdheid.
De conclusie van de
Algemene Rekenkamer is dat zij kan instemmen met het
wetsvoorstel.
rblz.|13|
6.4. Commentaar Lisv
Naar aanleiding van het
Lisv- (alsook het Ctsv-)commentaar is de regeling met betrekking tot de uitvoeringskosten
WW in het wetsvoorstel gewijzigd.
In het aan het Lisv
voorgelegde voorstel werden de uitvoeringskosten die betrekking hadden op
het verstrekken van WW-uitkeringen gedeclareerd bij de individuele werkgever, andere uitvoeringskosten WW
(bijvoorbeeld van een
door de werkgever ingesteld bezwaar) werden uit het Uitvoeringsfonds
betaald. Het Lisv heeft aangegeven dat splitsing van de uitvoeringskosten
ingewikkeld zou worden en tot uitvoeringstechnische problemen zou leiden. Dit
wordt ondersteund door het Ctsv. In het voorstel is nu
opgenomen dat alle uitvoeringskosten WW, evenals die betreffende de ZW, uit
het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden betaald. De
uitvoeringskosten worden opgebracht uit de door de overheidswerkgevers voor
het Uitvoeringsfonds verschuldigde premie. Door deze wijziging is
het niet nodig om nog in te gaan op de opmerkingen in het advies van de ROP
over de uitvoeringskosten.
Het
Lisv vraagt verder
aandacht voor de risico’s van het gelijktijdig onder de WW
en de ZW
brengen
van de nieuwe en de bestaande gevallen. Het Lisv pleit voor één jaar
uitstel ten aanzien van de bestaande gevallen.
De
invoeringsdatum wordt vastgesteld bij inwerkingtredingsbesluit op
basis van artikel 94 van
de OOW. Het advies van het Lisv is betrokken bij de in
hoofdstuk 2 van
deze toelichting vermelde besluitvorming van het kabinet tot fasering van
de invoering. Dat geldt evenzeer voor de opmerkingen die de ROP, mede gelet
op
de recente uitkomsten van een pilotproject inzake de
bestandsoverdracht vanuit de decentrale overheden naar de USZO, in
zijn advies
maakt over de invoeringsdatum.
Het uitgangspunt bij de
OOW-operatie is dat het totaal van wettelijke en bovenwettelijke
aanspraken op het moment van de overgang gelijk dient te blijven. Dit
impliceert dat verminderingen ten opzichte van het huidige niveau als gevolg van de
invoering van de WW en de ZW moeten worden opgevangen in het bovenwettelijk deel. Het
Lisv merkt op dat dit mogelijk
zal leiden tot complexe
afstemmingen tussen het bovenwettelijke en het wettelijke deel. De
regels over behoud van aanspraken die zijn toegekend onder het wachtgeldstelsel en al dan niet behouden worden in de WW zijn
thans globaal
geformuleerd en vormen bij de conversie een potentiële bron voor discussie en
bezwaar- en beroepszaken. Heldere en eenduidige regelgeving door middel
van nadere ministeriële regels kan, volgens het Lisv, gewenst blijken.
Hierop kan als volgt worden gereageerd.
In de OOW is geregeld
welke aanspraken in het wachtgeld kunnen worden behouden in de WW.
In het onderhavige wetsvoorstel is deze regeling aangepast. De
reden daarvoor was dat de bestaande regeling voor meer dan één uitleg
vatbaar was. In de voorgestelde bepaling (artikel 36 van de
OOW) is de
omschrijving van de voorwaarden waaronder bepaalde activiteiten en
gedragingen onder de WW kunnen worden voortgezet, aangescherpt. Naast een
wijziging van de omschrijving is tevens een nieuwe bepaling opgenomen waarin een, niet limitatieve, opsomming
wordt gegeven van
activiteiten of gedragingen die niet de normale uitvoering van de wetten in de weg
staan en die derhalve kunnen worden voortgezet. Met deze opsomming zijn
de meest voorkomende gedragingen en activiteiten genoemd en
wordt derhalve duidelijkheid geboden over de vraag of deze wel of niet
met behoud van WW-uitkering kunnen worden voortgezet. Een volledig
limitatieve opsomming kan niet worden gegeven. Onder de
wachtgeldregelingen staat het werkgevers en werknemers veelal vrij om op
individueel niveau afspraken te maken. Deze afspraken kunnen allerlei vormen
aannemen. Een volledig overzicht daarvan bestaat niet. Het ligt dan ook niet voor de hand om ministeriële regels te introduceren
nu andere afspraken eerst
in de uitvoering zichtbaar zullen worden.
rblz.|14|
Het
steeds weer aanpassen van ministeriële regels wanneer dit zich
voordoet, is te inflexibel. Het
ligt meer voor de hand dat het Lisv met uitvoeringsbeleid de
uitvoering op dit punt reguleert.
Met betrekking tot de
soepele overgang naar de OOW voor de "oude gevallen" kan het
volgens het Lisv wenselijk zijn dat nadere regels worden gesteld met betrekking
tot het moment waarop uiterlijk de rechten worden vastgesteld en de
betalingen een aanvang nemen. Daarbij kan het noodzakelijk blijken dat werkgevers
nog enige tijd de betalingen voortzetten tot het moment waarop de
uitkering wordt gerestitueerd. Gelet op de in beginsel onbeperkte
termijn waarbinnen "gevallen" kunnen worden aangemeld, zou in de wet
een einddatum kunnen worden opgenomen voor de aanmelding om te
voorkomen dat nog gedurende lange tijd "oude gevallen" moeten
worden behandeld.
De regering heeft bewust
besloten geen einddatum voor aanmelding in de wet op te nemen. De systeemwijziging die met de OOW voor
overheidswerkgevers en
werknemers wordt ingevoerd, heeft onder andere als gevolg dat wachtgeld
niet langer wordt aangemerkt als verzekerd loon in de zin van de WAO. Met
andere woorden, de overheidswerknemer die recht heeft op wachtgeld
is nu WAO-verzekerd uit hoofde van het ontvangen van wachtgeld;
na 1 januari 2003 zal dit niet langer het geval zijn. De verzekering voor
de WAO en de ZW zijn dan gekoppeld aan het ontvangen van
WW-uitkering. Vanuit deze optiek hebben dus zowel werkgever als werknemer belang bij
een tijdige aanmelding van de werknemer. In de praktijk zal het wel voorkomen dat een werknemer pas na
langere tijd wordt
aangemeld. Indien een einddatum in de wet zou worden opgenomen en de
aanmelding zou daarna plaatsvinden, dan zou een eventuele
WW-uitkering niet meer (kunnen) worden vastgesteld en betaald. De werknemer is
dan ook die gehele periode niet WAO/ZW-verzekerd, ook niet indien eventuele
arbeidsongeschiktheid is ingetreden in een periode waarin de werknemer, bij tijdige aanmelding, wel verzekerd
zou zijn geweest. Dit
achten wij een te groot risico voor de werknemer.
De gekozen constructie
met betrekking tot behoud van toestemming van bepaalde activiteiten en gedragingen
vóór inwerkingtreding na het van
toepassing worden van de (ZW en de) WW
is in de opvatting van het Lisv niet ideaal
ingeval de
betrokkene alsnog in werk gaat hervatten en vervolgens de reguliere WW-regels
van toepassing worden bij een volgende werkloosheid. Voor het
alsdan nieuw ontstane WW-recht gelden de normale WW-verplichtingen
wel. Dit kan onder andere een belemmerende factor zijn bij werkhervatting.
Nu het bij de overgang
van wachtgeld naar WW om een systeemwijziging handelt waarbij bepaalde afspraken uit de wachtgeldperiode, die in de
WW niet in die vorm of
bij die werknemer zouden voorkomen, moeten worden gerespecteerd, is
het onvermijdelijk dat, met name in de eerste periode na de overgang, enige spanning kan bestaan tussen die afspraken
en de WW-uitvoering. Nu
echter bij WW-uitkeringen toegekend na de overgang de normale
WW-regels van toepassing zullen zijn, is dit een tijdelijk probleem.
De wet biedt geen
duidelijkheid over het voortduren van de in artikel 91 van de
OOW geregelde
overgangsperiode waarin de werkzaamheden voor overheidswerkgevers
door twee verschillende uitvoeringsinstellingen worden verzorgd. Het
Lisv acht het wenselijk dat hierover tijdig inzicht wordt verschaft.
Bij de invoering van
artikel 91 van de OOW is over de mogelijke einddatum van de overgangsperiode
reeds aangegeven dat een datum gelegen na invoering van
de WW voor overheidswerknemers voor de hand ligt aangezien
toepassing van het overgangsrecht OOW dan kan plaatsvinden door de
uitvoeringsinstelling van de overheidssector. Nu het rblz.|15|
kabinet heeft besloten
tot gefaseerde invoering van de WW zal dit een datum zijn gelegen na 1
januari 2003, de datum waarop de bestaande wachtgelders onder de WW
worden gebracht.
Daarnaast is van belang
dat in afwachting van de herziening van het sv-premieloon de premies
en de pseudo-premie WW ten aanzien van overheidswerknemers
vooralsnog zullen worden vastgesteld door middel van de deeltijdfactor.
Het ligt niet in de rede dat de USZO, voor de bij overheidswerkgevers werkzame (markt)werknemers, premie zou moeten
gaan heffen volgens het
marktsysteem, nu dit zou betekenen dat USZO een nieuw premiesysteem
zou moeten ontwikkelen voor (mogelijk) een relatief korte periode.
Er wordt naar gestreefd de herziening van het sv-premieloon nog deze
kabinetsperiode gestalte te geven.
Verder hebben nog een
aantal technische opmerkingen van het Lisv tot aanpassingen in
het
wetsvoorstel geleid.
6.5. Commentaar Ctsv
Het Ctsv
voorziet geen
problemen bij het toezicht als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in
werking treedt. Het Ctsv geeft wel aan dat het feit dat in gevallen
waarin sprake is van samenloop van een betrekking als overheidswerknemer met
een betrekking in de marktsector, alle uitvoeringsinstellingen te maken kunnen
krijgen
met het Uitvoeringsfonds voor de overheid (inclusief
declaraties bij de overheidswerkgevers) en de USZO
te maken kan krijgen
met het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en de wachtgeldfondsen,
zekere risico’s voor een juiste fondsbelasting meebrengt. Het Ctsv acht
dit wel toezichtbaar. Het zal een aandachtspunt bij het toezicht worden.
Verder spreekt ook het
Ctsv zorg uit over de splitsing van de uitvoeringskosten. Zoals al aangegeven in
reactie op het Lisv-commentaar is de betreffende regeling in
het wetsvoorstel daarop aangepast.
Het
Ctsv pleit ervoor bij
de anticumulatie van inkomsten op de uitkering bij samenloop van
uitkeringsrechten de voorwaarde dat ten minste één uitkeringsrecht uit een
overheidsdienstbetrekking moet zijn ontstaan te laten vervallen, zodat de
nieuwe bepaling kan worden toegepast in alle gevallen van samenloop
van uitkeringsrechten.
Op grond van de
voorgestelde regeling dienen de uitvoeringsinstellingen in elk geval van
samenloop van uitkeringen uit de markt en de overheid nader onderzoek te
verrichten om te bepalen welke volgorde wordt aangehouden bij
anticumulatie van inkomsten. Dit is voor de uitvoering arbeidsintensief en zal
kostenverhogend werken. Dit zou nog (veel) sterker het geval zijn indien in
alle gevallen van samenloop een volgorde voor vermindering zou moeten
worden vastgesteld.
De extra belasting voor
de uitvoering is te rechtvaardigen bij samenloop met uitkeringen uit de
overheid in verband met het voor de overheidssectoren gekozen
financieringsregime.
De overheidswerkgever
heeft er als eigenrisicodrager een direct financieel belang bij dat inkomsten
die sterk samenhangen met de door hem betaalde uitkering ook in
mindering worden gebracht op die uitkering. Dit is bijvoorbeeld het geval
indien de werknemer voor minder dan vijf uur hervat bij de werkgever
die de lasten van één van de WW-uitkeringen draagt.
Bij samenloop van
marktuitkeringen is er geen direct financieel belang voor individuele
werkgevers. De uitkeringen worden gedurende de eerste zes maanden betaald uit
de wachtgeldfondsen en voor het overige uit het AWf. Bij samenloop van
uitkeringen in de markt is er dus alleen enig financieel belang in de toerekening naar de fondsen. Bij samenloop van
marktuitkeringen is
gebruikelijk dat, voor de fondsbelasting, de inkomsten rblz.|16|
naar evenredigheid op de
verschillende uitkeringen in mindering worden gebracht. Ieder fonds zal
daarbij zowel voordeel als nadeel ondervinden.
Naar aanleiding van het
Ctsv-commentaar zijn nog enige technische en redactionele wijzigingen aangebracht.
7. Verantwoordelijkheid
en opdrachtgeverschap invoering WW/ZW voor
overheidspersoneel
7.1. Inleiding
Bij het onder de
WW en de
ZW brengen van het overheidspersoneel zijn meerdere partijen
betrokken, met ieder hun eigen verantwoordelijkheid, inhoudelijk of
procedureel. In dit hoofdstuk wordt een overzicht daarvan gegeven.
7.2. Verantwoordelijkheid
BZK voor invoering WW/ZW
De Minister van BZK is
als coördinerend bewindspersoon primair verantwoordelijk voor de regeringsbeleid
van normalisering van de arbeidsvoorwaarden van het
overheidspersoneel. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de totstandkoming
van het koninklijk besluit houdende de vaststelling van de inwerkingtredingsdatum van de
WW en
ZW voor
overheidspersoneel, en
voor de wijzigingen daarvan.
Daarnaast is deze
minister verantwoordelijk voor het invoeringsrecht bij of krachtens de OOW
met betrekking tot de toepassing van de WW en de ZW ten aanzien van de
bestaande uitkeringsgerechtigden in de overheidssectoren in
verband met ziekte en werkloosheid.
7.3. Verantwoordelijkheid
SZW en Lisv voor uitvoering WW/ZW
Staatssecretaris
Hoogervorst van SZW heeft het Lisv bij brief van 12 mei 1999 gevraagd het
opdrachtgeverschap voor de voorbereiding van de uitvoering van de WW
en ZW
voor het overheidspersoneel op zich te nemen en de voorbereiding
van de uitvoering van de WW/ZW op te dragen aan een uitvoeringsinstelling. De opdracht tot voorbereiding van
de invoering van de WW en
ZW voor overheidspersoneel is begin juni 1999 door het Lisv
verleend aan de USZO. De USZO voert momenteel de WAO
uit voor de
overheidswerknemers.
Ingevolge de
Osv 1997 is
het Lisv wat zijn taakvervulling betreft verantwoording verschuldigd aan de
Minister van SZW en valt het onder het toezicht van het
Ctsv.
Dat geldt ook voor de onderhavige taak. De genoemde verantwoordelijkheid van het Lisv betekent dat de
eindverantwoordelijkheid voor de voorbereiding op
de uitvoering van de WW en ZW voor
overheidspersoneel in handen is van de Minister van SZW. Ook is de Minister van
SZW verantwoordelijk voor eventuele ondersteunende regelgeving in de sfeer
van de werknemersverzekeringen.
7.4. Verantwoordelijkheid
inzake de bovenwettelijke regelingen
De huidige aanspraken bij
werkloosheid van het overheidspersoneel gaan wat hoogte of duur
betreft veelal uit boven de WW-aanspraken. De OOW-operatie is ingezet
onder de garantie dat het totale niveau van de aanspraken op het moment
van de overgang als gevolg van de invoering van OOW niet zou
verslechteren. Dit met instandlating van de bevoegdheid van de sociale partners
om hun eigen afspraken te maken over dat niveau.
rblz.|17|
De
sociale partners in de
sectoren zijn zelf verantwoordelijk voor de tijdige totstandkoming van bovenwettelijke regelingen. De sectorwerkgevers zijn
verder zelf
verantwoordelijk voor een tijdige voorbereiding van de uitvoering van die bovenwettelijke
regelingen. Tevens zijn zij verantwoordelijk voor de uitvoerbaarheid
van de bovenwettelijke regelingen in combinatie met de WW
en ZW. Ook de
afstemming op tussentijdse wijzigingen van de bestaande regelingen
is een onderwerp waarvoor zij zelf verantwoordelijk zijn.
Verantwoordelijk voor de
coördinatie van het bovenwettelijke traject is de Minister van
BZK. Dit
betreft een procedurele verantwoordelijkheid (bewaking van de voortgang) en niet
een inhoudelijke verantwoordelijkheid.
7.5. Coördinatie
wettelijk-bovenwettelijk via Regiegroep
Een ambtelijke Regiegroep
stuurt het proces van voorbereiding, zowel met betrekking tot de
wettelijke als de bovenwettelijke regelingen. De Regiegroep staat onder
voorzitterschap van SZW. Het Lisv, het
Ctsv, het ministerie van BZK en een
vertegenwoordiging van de sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel maken deel uit van de Regiegroep.
8. Financiering
voorbereiding WW/ZW
8.1. Inleiding
Dit hoofdstuk handelt
over de met de invoering van de OOW-operatie verband houdende kosten.
Daarbij wordt, vanwege de gefaseerde invoering van de OOW, onderscheid
gemaakt tussen de voorbereiding en invoering van de WAO
(tot
en met 1998) en de voorbereiding en invoering van de WW
en de ZW
(vanaf
1999).
8.2. Financiering tot en
met 1998
De voorbereiding en
invoering van de WAO zijn ingaande 1 januari 1998 afgerond. Zoals gemeld in
de brief aan de Tweede Kamer van 12 mei 1998 (Kamerstukken II 1997-1998,
24 706, nr. 23) is dit in de ogen van de regering een goed moment om de
eerste fase van de begroting van de invoeringsuitgaven OOW/USZO en de realisatie
daarvan af te sluiten. Naar aanleiding daarvan is in de brief
aan de Tweede Kamer van 22 november 1999 (Kamerstukken II 1999-2000, 24 706, nr. 25) inzage gegeven in de besteding van die uitgaven.
Kortheidshalve wordt op deze plaats naar die brief verwezen.
8.3. Financiering vanaf
1999
Ter zake van de wijze van
financiering van de invoeringsuitgaven WW/ZW in de periode
1999-2001 (zowel met betrekking tot de wettelijke als de bovenwettelijke
regelingen) heeft de regering besloten op de volgende wijze de
invoeringsuitgaven WW/ZW voor de overheid te financieren.
Sinds 1 januari 1998
houdt de USZO op grond van artikel 90 van de
OOW WW-premies (zowel werkgevers- als werknemersdeel) in op de
WAO-uitkeringen van
(gewezen) overheidswerknemers. Dat gebeurt om het bruto-nettotraject
van uitkeringsgerechtigden te uniformeren met dat van werknemers.
Aangezien de overheid
niet deelneemt in het premiesysteem WW, worden deze WW-premies wel ingehouden, maar niet afgedragen aan de fondsen
van de WW. Genoemde
premies worden gestort in het Aof en via een verrekening met de
basispremie WAO ten gunste van de overheidswerkgevers rblz.|18|
gebracht. Voor deze aanpak is destijds gekozen om enerzijds
voor alle WAO-ers een
gelijk bruto-nettotraject te scheppen en anderzijds de opbrengsten van de
WW-premies ten gunste te laten komen van degenen die de werkloosheidslasten dragen. In geval van de overheid is
dat niet het AWf, maar
zijn dat de overheidswerkgevers.
De regering heeft
besloten de opbrengst van deze WW-premies over WAO-uitkeringen van
(gewezen) overheidswerknemers tijdelijk te gebruiken om de
invoeringsuitgaven WW/ZW voor de overheid te financieren.
De bestemming van de
opbrengst van deze WW-premieheffing (in artikel 90 van de
OOW) moet
dan wel tijdelijk voor dit doel worden gewijzigd. Dit, tijdelijk voor
zolang nodig, in verband met de financiering van deze invoeringsuitgaven.
De bestemmingswijziging vergt wijziging van artikel 90 van de
OOW. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is 28 maart 2000 bij de Tweede
Kamer aanhangig gemaakt (Kamerstukken II 1999-2000, 27 056).
9. Invoeringsdatum in
relatie tot uitvoeringsaspecten
Het koninklijk besluit
tot vaststelling van de datum waarop de WW en de ZW
voor de overheid van
kracht worden (in concreto de datum van 1 januari 2001), is op
voordracht van de Minister van BZK door de Koningin getekend en gepubliceerd
in het Staatsblad 1999, 354. Het nu reeds treffen van dat besluit was
bedoeld om een signaal richting de uitvoeringsorganisatie af te geven. Zoals
vermeld in hoofdstuk 2 van deze toelichting heeft het kabinet
inmiddels besloten tot een gefaseerde invoering van de WW
en de ZW
voor de
overheid. Het inwerkingtredingsbesluit van de OOW
zal
dienovereenkomstig worden gewijzigd.
De procedurele afstemming
en bewaking van de voorbereidingsactiviteiten van de bij de wettelijke
en de bovenwettelijke regelingen betrokken partijen
geschiedt via de Regiegroep. De Regiegroep rapporteert aan de Minister van
BZK,
die verantwoordelijk is voor de beslissing om de invoering
uiteindelijk wel of niet door te laten gaan op het geplande tijdstip.
Uiteraard zal invoering
alleen kunnen plaatsvinden als dat uitvoeringstechnisch verantwoord is. De
regering heeft hiermee rekening gehouden door verschillende
momenten te scheppen waarop een formeel besluit over de invoering kan
worden genomen:
- nu een koninklijk
besluit om de invoeringsdatum vast te leggen ten behoeve van de
uitvoeringsorganisatie;
- op een later moment
de mogelijkheid om, voor zover noodzakelijk, de invoeringsdatum in het
eerdere koninklijk besluit bij koninklijk besluit aan te passen; in dit
verband is de eerder genoemde fasering van nieuwe en oude gevallen
aan de orde.
10. Financiële gevolgen
10.1. Inleiding
Uitgangspunt bij de
OOW is dat de invoering van de ZW en
WW voor het overheidspersoneel in
totaliteit beoordeeld op het moment van overgang wat aanspraken betreft
neutraal zal verlopen. Eind 1998 ging er op macroniveau naar schatting circa
ƒ2,2
mld om in de werkloosheids- en ontslaguitkeringsregelingen
van het overheidspersoneel. Een ruwe schatting is dat circa twee derde deel
daarvan overeenkomt met de WW-lasten (in 1998 derhalve naar
schatting circa ƒ1,4 mld). Uitgaande van een in totaliteit rblz.|19|
neutrale omzetting naar
de WW en bovenwettelijke regelingen wordt verondersteld dat het
onderhavige voorstel op zichzelf niet zal leiden tot hogere of lagere
uitkeringslasten.
Wel brengt de invoering
van de ZW en WW voor overheidspersoneel een verschuiving van financieringsstromen met zich mee. Deze hangen samen
met het feit dat de
overheid eigenrisicodrager voor de WW wordt alsook met de oprichting van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid.
De schatting van de
diverse financiële gegevens in dit hoofdstuk is op sommige punten nog met de
nodige onzekerheid omgeven, omdat er voor nieuwe regelingen nog
weinig ervaringsgegevens beschikbaar zijn of omdat de gegevens tot nu
toe bij de overheid niet centraal geregistreerd worden. In dat geval
(zoals bij de ZW) zijn de schattingen gebaseerd op ervaringsgegevens uit de
marktsector. De definitieve bedragen zullen worden vastgesteld bij de
vaststelling van de begroting en de premie voor het Uitvoeringsfonds voor
de overheid voor het jaar 2001.
10.2. De geraamde
uitgaven uit het Uitvoeringsfonds
Vangnetlasten ZW
De vangnetlasten
ZW waarvoor iedere overheidswerkgever nu eigenrisicodrager is, zullen voortaan uit
het Uitvoeringsfonds voor de overheid betaald worden en via een
premie gefinancierd worden. De premiegrondslag van de overheid in
totaliteit bedraagt ongeveer ƒ61 mld (raming voor 2001).
Uit het Uitvoeringsfonds
voor de overheid zullen ten laste van de premie de vangnetlasten ZW
voor de overheid worden gefinancierd, te weten:
• uitkeringen in verband met zwangerschap en bevallingsverlof; voorlopig geraamde omvang voor
2001: ƒ246,5 mln;
• Ziektewetuitkeringen
aan ex-werknemers met WW
uitkering; voorlopig geraamde omvang voor
2001: ƒ92 mln;
• overig
(orgaandonoren, nawerking; voorlopig geraamde omvang) voor 2001: ƒ7,5
mln;
• sociale lasten;
voorlopig geraamde omvang voor 2001: ƒ38 mln;
• de uitvoeringskosten
van de vangnet ZW; voorlopig geraamde omvang voor 2001: ƒ27 mln.
De voorlopig geraamde
totale vangnetlasten ZW voor 2001 bedragen daarmee inclusief
uitvoeringskosten naar schatting ƒ411 mln. Dit betreft lasten waarvoor
de overheidswerkgevers thans eigenrisicodrager zijn.
De uitvoeringskosten van
de ZW zijn vergelijkbaar met de kosten die nu door de
uitvoeringsinstellingen in het kader van de uitvoering van de werknemersverzekeringen
worden gemaakt. Het betreft kosten voor premie-inning,
claimafhandeling, handhaving, registratie en arbeidstoeleiding. Uitgaande van de huidige
kostenverhouding bij de werknemersverzekeringen zouden de
uitvoeringskosten circa 8% bedragen van de verwachte
uitkeringslasten (de geraamde ƒ27 mln).
Regelingen die uit het
Uitvoeringsfonds worden betaald ten laste van de premie
Daarnaast zal een aantal
regelingen die in de marktsector uit het AWf worden gefinancierd, via
het Uitvoeringsfonds worden gefinancierd ten laste van de premie. Deze
lasten zullen via een opslag op de premie worden gefinancierd:
rblz.|20|
• de uitvoeringskosten
van de WW
volgens de door het Lisv vastgestelde referentieprijzen en -producten,
met een geschatte omvang van circa ƒ150 mln vanaf 2003;
• een bijdrage aan het
Reïntegratiefonds (Rea-fonds) ter grootte van naar schatting ƒ76 mln.
Voor de raming van de
uitvoeringskosten WW is gekeken naar de gemiddelde uitvoeringslast per WW-uitkering in de marktsector.
De uitvoeringskosten WW
voor de overheidswerknemers zijn weliswaar niet geheel vergelijkbaar
met de kosten die nu door de uitvoeringsinstellingen worden gemaakt bij de
uitvoering van de werknemersverzekeringen, omdat er geen sprake zal
zijn van wachtgeldfondsvorming en uitkeringen via declaraties aan werkgevers worden gefinancierd. Het
eerste element zal
kostenverlagend uitpakken, het tweede element kostenverhogend. Per saldo wordt ingeschat
dat het verschil in financieringsstelsel geen overwegende invloed
zal hebben op de uitvoeringslasten.
Op basis van de
gemiddelde uitvoeringslasten per geval in de marktsector worden de kosten van de
uitvoering van de WW voor de overheid vooralsnog geraamd op circa ƒ150 mln
vanaf 2003. Vanwege de gefaseerde invoering van de WW (in
2001 en 2002 vooralsnog uitsluitend de nieuwe gevallen) is in
2001 en 2002 sprake van een ingroeitraject waarbij pas vanaf 2003 het
genoemde niveau van lasten zal worden bereikt. De uitvoeringskosten in 2001
worden aldus geraamd op ƒ12 mln en in 2002 op ƒ36 mln.
Het
Rea-fonds wordt
vanuit de markt zowel gefinancierd via bijdragen uit de arbeidsongeschiktheidsregelingen (met uitzondering van de
Wajong,
want die regeling kent
geen fonds) als uit het AWf (WW-deel). De overheid draagt thans alleen bij
via de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof), maar niet via het AWf. De
reïntegratie-instrumenten die voortvloeien uit de WW en de ZW
zijn dan
ook op dit moment niet beschikbaar voor overheidswerknemers en
overheidswerkgevers. Doordat de overheidswerknemers ingevolge het
voorliggende voorstel onder de ZW en WW gebracht worden, komen daarmee ook reïntegratie-instrumenten die
voortvloeien uit de WW en
de ZW, zoals ZW-uitkeringen aan gereïntegreerde en wegens ziekte wederom
uitgevallen arbeidsgehandicapten (op grond van artikel 29b
van de ZW) en de (WW-uitkering vervangende)
reïntegratie-uitkering
bij proefplaatsing of scholing, beschikbaar voor overheidswerknemers en
overheidswerkgevers. Omdat de overheid niet bijdraagt via het AWf, is ervoor gekozen de bijdrage te laten lopen via het Uitvoeringsfonds. De
bijdrage vanuit ieder fonds is volgens de geldende verdeelsleutel op basis
van de Wet Rea gerelateerd aan de omvang van de uitgaven uit het fonds.
De bijdrage van het Uitvoeringsfonds komt volgens die
verdeelsleutel op ƒ76 mln.
Faillissementsuitkeringen
en niet-verhaalbare WW-uitkeringen
Uit het Uitvoeringsfonds
zullen verder ten laste van de premie de uitgaven in verband met faillissementsuitkeringen krachtens
hoofdstuk IV van de WW
worden bekostigd,
alsook de lasten van de WW-uitkeringen die niet op een overheidswerkgever
of diens rechtsopvolger kunnen worden verhaald (in verband met betalingsonmacht). Het faillissementsrisico wordt zodanig
laag ingeschat dat het
effect op de premie verwaarloosbaar is. Het gaat om (op dit moment) 558
B3-lichamen, waarbij gemiddeld 140 werknemers in dienst zijn. Indien
een in omvang gemiddeld B3-lichaam failliet zou gaan, zou dit leiden
dit tot ruim ƒ4 mln extra WW-lasten. Dit zou een effect op de premie
voor het Uitvoeringsfonds hebben van 0,007 procentpunt.
rblz.|21|
Regelingen die uit het
Uitvoeringsfonds worden betaald anders dan ten laste van de premie
Daarnaast is er een
aantal regelingen dat via het Uitvoeringsfonds zal worden gefinancierd, doch
niet ten laste van de premie:
• de verhaalbare WW-uitkeringen;
• de kosten in verband
met sluitende aanpak WW;
• de kosten van de Wet
financiering loopbaanonderbreking (Finlo).
Zoals opgemerkt in
paragraaf 4.3 worden de WW-uitkeringen, hoewel de overheid
eigenrisicodrager zal zijn, betaald via het Uitvoeringsfonds. Van het totaal bedrag aan
wachtgelden van ƒ2,2 miljard (schatting voor 1999) heeft naar schatting ƒ1,4
mld betrekking op het wettelijke deel. De rest (circa ƒ0,8 mld) is aldus bezien bovenwettelijk. Gelet op
volumedalingen wordt de
programmalast ter zake van werkloosheid voor de overheid voor het jaar
2003 geschat op circa ƒ2 mld, waarvan (uitgaande van een ongewijzigde verdeelsleutel
wettelijk-bovenwettelijk)
circa ƒ1,3 mld het
wettelijk deel (WW) zou betreffen. Vanwege de gefaseerde invoering van de
WW
wordt de programmalast WW in 2001 voorlopig geraamd op circa ƒ120 mln
(uitgaande van circa 3200 WW-uitkeringen bij de overheid in dat
jaar) en in 2002 op circa 360 mln (uitgaande van circa 10 000
WW-uitkeringen bij de overheid). De kosten van het wettelijk deel worden
direct
(maandelijks) gedeclareerd bij de overheidswerkgever.
De financiering van de
kosten van de sluitende aanpak voor overheidswerknemers verschuift alleen. Nu is
een budget, gefinancierd door een rijksbijdrage, beschikbaar
via Arbeidsvoorziening. Na de invoering van de WW
voor
overheidswerknemers komt de verantwoordelijkheid voor de sluitende aanpak WW
ten aanzien van overheidswerknemers bij het Lisv te liggen. De bekostiging verloopt via
het Uitvoeringsfonds. De lasten van de sluitende aanpak worden ook
bekostigd via een rijksbijdrage aan het Uitvoeringsfonds.
Ten aanzien van de
Finlo
wordt het volgende opgemerkt. De bestaande rijksbijdrage voor de
financiering daarvan wordt voortgezet voor de op 31 december 2000 bestaande
gevallen van de Finlo bij de overheid. De op of na 1 januari 2001
intredende gevallen zullen worden gedeclareerd bij de betreffende (ex-)overheidswerkgever. Daarvoor is gekozen omdat die
werkgever voordeel heeft
van de besparing op de WW-uitkering als gevolg van de
Finlo.
Totaal uitgaven via het
Uitvoeringsfonds
Het totaal aan uitgaven
via het Uitvoeringsfonds (inclusief de voor eigen risico komende WW-uitkeringen)
wordt voorlopig geraamd op circa ƒ2 mld. Vanwege de
gefaseerde invoering van de WW zal dat niveau pas vanaf 2003 worden
bereikt.
Aansluiting op sectorale
financieringsarrangementen
Met het oog op de
aansluiting op de sectorale financieringsarrangementen zal nader worden bezien
of, en zo ja, in hoeverre het mogelijk is om de verschillende
kostenposten waaruit deze uitgaven zijn opgebouwd in de cijfermatige
opstellingen (zoals de begroting en de jaarrekening) te onderscheiden. Dit is een
zaak voor de fondsbeheerder, het Lisv.
10.3. De inkomsten van
het Uitvoeringsfonds
De inkomsten van het
fonds vallen uiteen in drie categorieën.
rblz.|22|
Premiebaten
Een deel van de lasten
wordt premiegefinancierd. De premie wordt betaald door de
overheidswerkgever zonder mogelijkheid van verhaal op de overheidswerknemer.
De premiegefinancierde
lasten bedragen in 2001 naar schatting circa ƒ640 mln.
Tevens zullen de WW-premies over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het Uitvoeringsfonds
worden gestort.
Overheidswerkgevers
dragen WW-premies af over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Aangezien de
overheidswerkgevers de WW niet financieren via het AWf, werden deze
premiebaten in de arbeidsongeschiktheidsfondsen gestort. Nu zullen deze
premiebaten gestort worden in het Uitvoeringsfonds, waardoor deze baten via een verlaging
(werkgevers)premie voor het
uitvoeringsfonds ten gunste van de overheidswerkgevers zullen komen.
Uitgaande van een
premieplichtig inkomen van ƒ61 mld resulteert dat in een premie van
naar schatting 0,87% van de premiegrondslag. Als premiegrondslag zal het
WAO-premieloon worden gehanteerd.
Declaraties
De
WW-uitkeringen worden
rechtstreeks gedeclareerd bij de werkgever. Het totaal aan
WW-uitkeringen en daarmee aan declaraties dat per jaar via het fonds loopt, wordt
geraamd op ƒ1,3 mld vanaf 2003.
Het Uitvoeringsfonds
staat garant voor de uitbetaling van de uitkeringen. Om te voorzien in de
liquiditeitsbehoefte van het fonds zal de premie-inning en declaratieritme
nauwkeurig moeten worden afgestemd met het betalingsritme van de
uitkering. In paragraaf 4.3 van deze toelichting is reeds ingegaan op de
liquiditeitsbehoefte van het fonds bij de aanvangssituatie.
Rijksbijdragen
Het Uitvoeringsfonds
ontvangt een rijksbijdrage voor de kosten in verband met sluitende aanpak.
10.4. Overige financiële
effecten
Inhouding inzake
werkloosheid op loon actieven
Tegenover het voor
eigen risico nemen van de WW-lasten en de voor eigen rekening komende bovenwettelijke uitkeringen (tezamen naar schatting
ƒ2,2 mld volgens
berekeningen uit 1999) staat dat de werkgever op het loon van de
verplicht verzekerde overheidswerknemer in actieve dienst de
zogenaamde pseudo-premie WW mag blijven inhouden (met een totale omvang
van naar schatting (uit 1999) van ƒ1,8 mld). Deze inhouding blijft wat
hoogte betreft gelijk aan de werknemerspremie AWf in de marktsector. De pseudo-premie WW is en blijft een inhouding
die bedoeld is om het bruto-nettotraject van de overheidswerknemers zoveel mogelijk gelijk te
maken aan dat van werknemers in de marktsector. De pseudo-premie WW heeft
dan ook geen directe relatie met de daadwerkelijke omvang van
de werkloosheidslasten van de overheid.
Premieheffing over
uitkeringen
Het Uitvoeringsfonds
ontvangt tevens WW-premies over WW- en ZW-uitkeringen aan
(gewezen) overheidswerknemers. De premiehoogte is gelijk aan de
werknemerspremie AWf.
rblz.|23|
De
WW-premies over ZW- en
WW-uitkeringen vormen voor het Uitvoeringsfonds zowel
inkomsten als uitgaven. Deze premieheffing leidt dus niet tot geldstromen
uit of in het Uitvoeringsfonds.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Wijziging Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
Onderdelen A en
E
In de afdelingen 1 en 2
van paragraaf 2 wordt het overgangsrecht met betrekking tot de ZW
geregeld voor overheidswerknemers, met uitzondering van beroepsmilitairen,
respectievelijk voor beroepsmilitairen. Aangezien beide afdelingen
inhoudelijk niet van elkaar verschillen en afdeling 1 zonder meer toepasbaar is
op beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen indien artikel 2 vervalt,
kan afdeling 2 van paragraaf 2 vervallen,
onder het gelijktijdig
vervallen van artikel 2 zoals dat thans luidt. Met het aldus integreren van het
overgangsrecht voor overheidswerknemers en beroepsmilitairen is er
geen reden om artikel 10 van de OOW
nog in een aparte afdeling
opgenomen te laten zijn.
Onderdeel B
Bij de toepassing van
artikel 3, eerste lid, van de OOW is van belang de datum waarop de ZW
van
toepassing wordt op de overheidswerknemer of de gewezen
overheidswerknemer, bedoeld in dat lid. Het tijdstip van het van
toepassing worden van de ZW voor de overheidswerknemers die op het tijdstip van
aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48 van de
OOW, een
arbeidsverhouding hebben, volgt uit het Faseringsbesluit
overheidswerknemers onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet (hierna:
het Faseringsbesluit). Voor degenen die op dat tijdstip gewezen
overheidswerknemer zijn, is dat van toepassing worden van de ZW thans nog niet
geregeld. In dit onderdeel wordt dat - uiteraard voor zover het overgangsrecht van belang kan zijn voor de betrokken
groepen gewezen
overheidswerknemers - alsnog geregeld in artikel 2 van de
OOW. De huidige
tekst van dat artikel kan immers vervallen (zie de toelichting op de
onderdelen A en E). De groepen opgesomd in het voorgestelde
artikel 2 zijn
overgenomen uit artikel 4, eerste lid, van de
OOW, dat op grond hiervan
redactioneel kan worden aangepast (zie onderdeel
D).
Onderdeel C, onder 1
Per het tijdstip van
aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48 van de
OOW, zal, op grond van
het Faseringsbesluit, de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer
niet langer zijn uitgezonderd van het begrip dienstbetrekking in de
zin van de ZW. Dit met uitzondering van de
overheidswerknemer die
op dat tijdstip recht heeft op bezoldiging of uitkering wegens ziekte.
Diens arbeidsverhouding wordt - op grond van het Faseringsbesluit - per het tijdstip waarop de bezoldiging of uitkering wegens ziekte eindigt,
doch in ieder geval per het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in
artikel 49 van de OOW,
niet langer uitgezonderd van het begrip
dienstbetrekking in de zin van de ZW. Aangezien het Faseringsbesluit
gebaseerd is op artikel 8b van de ZW en
artikel 7 van de WW
- en niet op de OOW
- is in die situatie geen sprake van het voldoen aan het in
artikel 3, eerste lid, van de OOW
opgenomen van toepassing worden van de
ZW "ingevolge deze wet". Omdat artikel
3, eerste lid, evenwel ook
van toepassing dient te zijn in de situatie dat de rblz.|24|
ZW van toepassing wordt
op grond van het Faseringsbesluit, wordt dat artikel hierbij
aangepast.
Onderdeel C, onder 2
Voor de gewezen
overheidswerknemers die onder het vierde lid van het hierbij voorgestelde
artikel 2 van de OOW vallen - de zogeheten situaties van nawerking
- wordt in het hierbij voorgestelde nieuwe tweede en derde lid van artikel
3 van de OOW
geregeld dat de verplichte verzekering, bedoeld in
het eerste lid van dat artikel, geacht wordt te hebben geduurd tot de
datum waarop het dienstverband is geëindigd respectievelijk de datum
waarop het recht op wachtgeld is geëindigd. Daarmee wordt aangesloten
bij de systematiek van de ZW.
Onderdeel C, onder 3
In dit subonderdeel wordt
de tekst van het nieuwe vierde lid van artikel 3 aangepast aan het
tussenvoegen van het nieuwe tweede en derde lid.
Onderdeel D
Het hier voorgestelde
onderdeel betreft een technische aanpassing van artikel
4, eerste lid,
van de OOW. Met de opsomming in artikel 2 van de
OOW van de
verschillende groepen waarop de ZW op grond van het overgangsrecht
OOW van toepassing wordt, hoeven deze groepen niet wederom in
artikel 4, eerste lid, van die wet te worden opgesomd. Met ingang van de datum
waarop de ZW op hen van toepassing wordt, hebben de gewezen
overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde
lid, van de OOW, recht op ziekengeld op grond van de ZW
(artikel 4,
eerste lid, onderdeel a). De duur van dat ziekengeld wordt bepaald in
artikel 4, tweede tot en met vierde lid, van de
OOW. Voor de gewezen overheidswerknemers, bedoeld in
artikel 2, vierde lid,
van de OOW, geldt dat,
op het moment dat - op grond van dat artikellid - de ZW van
toepassing wordt, artikel 46 van de ZW het ontstaan van het recht op ziekengeld regelt. Dat hoeft dus niet in
artikel 4, eerste
lid, te worden geregeld.
Ook worden de duur van de uitkering en de hoogte daarvan
vastgesteld aan de hand van de ZW en de daarop gebaseerde regels (bijvoorbeeld de
dagloonregels).
Met betrekking tot
degenen op wie de ZW met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 48 van de OOW, van toepassing wordt,
geldt dat als zij
op of na dat tijdstip ziek worden, de ZW op hen van toepassing is.
Het ontstaan van het recht op ziekengeld hoeft voor hen derhalve niet in
artikel 4 van de OOW
te worden geregeld. Wel wordt een regeling
getroffen voor de situatie dat de overheidswerknemer (met een
arbeidsverhouding) op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in
artikel 48 van de OOW, recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van
ziekte in verband met zwangerschap of bevalling. Diens arbeidsverhouding
wordt - op grond van het Faseringsbesluit
- per het tijdstip waarop de
bezoldiging of uitkering wegens ziekte eindigt, doch in ieder geval per het
tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49 van de
OOW,
niet
langer uitgezonderd van het begrip dienstbetrekking in de zin van de ZW.
Indien het laatstbedoelde tijdstip van aanvang van fase 3 gelegen is vóór het tijdstip waarop de bezoldiging of uitkering
wegens ziekte zou
eindigen, ontstaat recht op ziekengeld in de situatie waar dat ook het geval is
voor de werknemer met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht
(het voorgestelde artikel 4, eerste lid, onderdeel b). De duur van dat
ziekengeld wordt bepaald in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, van de
OOW.
rblz.|25|
Onderdeel F
Artikel 10 wordt hierbij
redactioneel aangepast aan de overige wijzigingen in paragraaf 2 van de
OOW.
Onderdeel G
Met dit onderdeel wordt
een onjuiste verwijzing in artikel 15, tweede lid, van de
OOW gecorrigeerd.
Onderdeel H
Dit onderdeel betreft een
redactionele wijziging van artikel 22, eerste lid,
onderdeel c en
d, van de OOW.
Onderdeel I
In
hoofdstuk 1 van de OOW
wordt de term ZW gehanteerd voor de Ziektewet (zie ook
artikel 1, onderdeel x, van de OOW). Met het onderhavige onderdeel wordt
artikel
23 daarop aangepast.
Onderdeel J
Artikel
25, eerste lid,
wordt hierbij redactioneel aangepast aan de wijzigingen die met onderdeel E
worden aangebracht.
Onderdeel K
In
artikel 26, tweede
lid, van de OOW wordt met de term "datum" verwezen naar de
- in
dat lid opgenomen - term "tijdstip van aanvang van fase 1 van die
wet". Met
dit onderdeel wordt de term "datum" in dat artikellid vervangen door
de term "tijdstip" teneinde de verwijzing zo helder mogelijk te maken.
Onderdeel L
Hetgeen in de
toelichting
op onderdeel C, onder 1, is opgemerkt met betrekking tot de
wijziging van artikel 3, eerste lid, geldt mutatis mutandis voor de wijziging van
artikel 30, eerste lid.
Onderdeel M
In
artikel 31, eerste
lid, is geregeld dat de gewezen overheidswerknemer die op de dag
voorafgaande aan het tijdstip waarop de WW op hem van toepassing wordt in het
genot is van wachtgeld, vanaf dat tijdstip recht heeft op WW-uitkering
indien het recht op WW-uitkering zou voortduren na dat tijdstip. Voor de
gewezen overheidswerknemer die in het genot is van wachtgeld, maar op
wie op het tijdstip waarop de WW op hem van toepassing wordt een
omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de
WW van toepassing is die zou leiden tot een gehele beëindiging van een op grond van dat
lid te ontstaan recht op WW-uitkering, wordt niet voldaan aan de
voorwaarde dat het recht op WW-uitkering zou voortduren. In die situatie ontstaat
derhalve geen recht op WW-uitkering. Het ligt alsdan wel in de
rede dat dat recht op WW-uitkering kan ontstaan overeenkomstig hetgeen
reeds geregeld is voor de situatie dat op de dag voorafgaande aan het
tijdstip waarop de WW van toepassing wordt geen wachtgeld wordt genoten
in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel
20, eerste
lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW. Het onderhavige onderdeel voorziet
daarin.
rblz.|26|
Onderdeel N
De term
"ten minste" in
artikel 32, tweede lid, van de OOW heeft geen functie en kan
vervallen. De periode, bedoeld in artikel 17, onderdeel b, onder
1º, van de WW, bedraagt vijf kalenderjaren. Het aantal kalenderjaren waarin de
overheidswerknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen, kan in die
periode dus niet meer dan vijf bedragen.
Onderdeel O
Paragraaf 4 van de
OOW bevat thans geen bepaling omtrent de vaststelling van de omvang van het
arbeidsurenverlies. Dat betekent dat in overgangssituaties waarin
op grond van artikel 31 van de OOW
recht ontstaat op WW-uitkering
onderzoek zou moeten plaatsvinden naar het feitelijke arbeidspatroon
van de overheidswerknemer in het (soms verre) verleden. Aan de hand van
dat patroon zou volgens de complexe en gedetailleerde regelgeving van de WW de
omvang van het arbeidsurenverlies moeten worden vastgesteld. Waar in het kader van de werkloosheidsregelingen
van de overheid de omvang
van het arbeidsurenverlies in veel gevallen geen rol speelt,
zal de noodzakelijke informatie om de omvang van het arbeidsurenverlies exact vast te stellen vaak niet aanwezig zijn.
Een dergelijk onderzoek
zal in de meeste gevallen dan ook veel uitvoeringskosten met
zich meebrengen zonder een deugdelijk resultaat op te leveren.
Het ligt dan ook in de
rede om in de gevallen waarin op grond van artikel 31 van de
OOW recht
op WW-uitkering ontstaat, voor de omvang van het arbeidsurenverlies
uit te gaan van een redelijk betrouwbare indicatie van die omvang, namelijk
het aantal uren waarvoor de overheidswerknemer laatstelijk was aangesteld of in dienst genomen in het dienstverband
waarop het ontstane
WW-recht betrekking heeft. Met de term "laatstelijk" wordt
mede bereikt dat, als in het dienstverband waarop het ontstane WW-recht betrekking heeft het aantal arbeidsuren is teruggebracht
(bijvoorbeeld van 38 naar
36 uren per week), het aantal arbeidsuren per kalenderweek wordt
bepaald op de meest recente omvang van de aanstelling (in het voorbeeld: 36 uren). Dit is neergelegd in het hier
voorgestelde eerste lid
van artikel 32a van de OOW.
Een uitzondering op de
hiervoor geschetste wijze van vaststelling van het aantal arbeidsuren per
kalenderweek kan worden gemaakt voor de situatie dat betrokkene
recht heeft of heeft gehad op een uitkering op grond van het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het
Werkloosheidsbesluit
defensiepersoneel en met die besluiten vergelijkbare regelingen (voor zover
die zouden bestaan). Dat zijn WW-conforme regelingen, zodat de omvang van het arbeidsurenverlies voor het recht op
WW-uitkering gesteld kan
worden op de in het kader van die regelingen vastgestelde omvang van
het arbeidsurenverlies (het voorgestelde artikel 32a, tweede en derde lid,
van de OOW). Indien dat recht evenwel niet is ontstaan, is die omvang
van het arbeidsurenverlies niet vastgesteld. Als betrokkene dan recht
krijgt op een WW-uitkering op grond van artikel
31, tweede lid, van de OOW, zal die omvang moeten worden vastgesteld op basis van de
hoofdregel neergelegd in artikel 32a, eerste lid, van de
OOW.
Onderdeel P
Artikel
33, eerste en
tweede lid, geeft aan hoe het dagloon moet worden vastgesteld indien het
recht op WW-uitkering ontstaat op grond van artikel
31, eerste,
tweede of vierde lid. In de situatie dat reeds op een WW-conforme wijze een
dagloon is vastgesteld, ligt het echter voor de hand dat dagloon als
dagloon voor de WW-uitkering te hanteren. Het rblz.|27|
thans voorgestelde derde
en vierde lid van artikel 33 voorziet daarin. Hierbij dient nog wel te
worden opgemerkt dat de, in het kader van de in dat lid genoemde
regelingen vastgestelde, daglonen ongemaximeerd zijn. Op grond van het elfde
lid van het voorgestelde artikel 33 dient de maximering van
artikel 9,
eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering alsnog plaats te vinden.
Het huidige
artikel 33,
derde tot en met vijfde lid, van de OOW geeft de dagloonberekening voor
de WW van de werknemer die op het moment van de aanvang van het
wachtgeld tevens recht heeft op een WAO-uitkering berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Deze
artikelleden zijn gebaseerd op artikel 14 van de
Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Dagloonregels IWS).
Uitgangspunt bij de berekening is het dagloon dat aan de WAO-uitkering ten
grondslag ligt.
In het huidige vierde lid
van artikel 33 van de OOW
is geregeld dat het WW-dagloon van de
werknemer die een vervolguitkering WAO ontvangt, afgeleid wordt van het
WAO-vervolgdagloon. De Centrale Raad van Beroep heeft in een
uitspraak van 15 januari 1998 (96/10178 WW) de - overeenkomstige - regeling van artikel 14, tweede lid, van de
Dagloonregels IWS onverbindend
verklaard. Naar aanleiding van deze uitspraak is artikel
14, tweede lid,
van de Dagloonregels IWS vervallen, zodat ook voor de werknemer die recht
heeft op een WAO-vervolguitkering het WW-dagloon wordt afgeleid
van het (veelal hogere) WAO-dagloon. Met het onderhavige onderdeel
wordt artikel 33 van de OOW
overeenkomstig aangepast.
Met het thans
voorgestelde vijfde lid van artikel 33 vervalt de zinsnede "gedurende de
loondervingsfase" in artikel 33, derde
lid, (oud) van de OOW. Aldus is
artikel 33,
vijfde lid, (nieuw) mede van toepassing in de situatie waar voorheen
artikel 33, vierde lid, (oud) op zag. Voorts is met de tussenvoeging van de
zinsnede "dan wel daarna" geregeld dat artikel
33, vijfde lid, (nieuw) ook
van toepassing is indien de werknemer arbeidsongeschikt is geworden tijdens het
ontvangen van het wachtgeld, bedoeld in artikel
30, eerste lid, onderdeel
b, onder 3º, of arbeidsongeschikt wordt
tijdens het ontvangen van
de WW-uitkering, waarop recht is ontstaan op grond van artikel
31,
eerste, tweede of vierde lid.
In het voorgestelde zesde
lid wordt het vijfde lid (oud) van artikel 33 van de
OOW
redactioneel
aangepast aan het vervallen van het oude vierde lid.
In het (nieuwe) zevende
lid van artikel 33 van de OOW
wordt geregeld dat het dagloon, dat aan
de WW-uitkering ten grondslag ligt, wordt aangepast indien de
WAO-uitkering
van de werknemer onder toepassing van artikel 44 van de
WAO slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald. Indien de werknemer inkomsten uit
arbeid geniet waarbij artikel 44 van de WAO
wordt toegepast, wordt de
WAO-uitkering niet ingetrokken of herzien, maar uitbetaald alsof de
uitkering wel is ingetrokken of herzien. Indien niet artikel 44 van de
WAO zou zijn toegepast, maar de WAO-uitkering zou zijn herzien, zou op
grond van het zesde lid (nieuw) van artikel 33 van de
OOW (voorheen het
vijfde lid) het dagloon zijn aangepast. Het ligt in de rede het dagloon op
dezelfde wijze te herzien bij toepassing van artikel 44 van de
WAO. Deze
wijziging komt overeen met een gelijksoortige wijziging van artikel 14 van de
Dagloonregels IWS.
In het (nieuwe) achtste
lid van artikel 33 van de OOW
is een regeling opgenomen voor de
situatie dat de WAO-uitkering van een overheidswerknemer op wie het vijfde lid
(nieuw) van dat artikel van toepassing is, wordt ingetrokken dan wel
niet meer wordt uitbetaald onder toepassing van artikel 44 van de
WAO. Het aan de WW-uitkering ten grondslag liggende dagloon is in
dat geval het dagloon dat aan de WAO-uitkering rblz.|28|
ten grondslag lag. Deze
wijziging komt overeen met een gelijksoortige wijziging van artikel 14
van de Dagloonregels IWS.
In het (nieuwe) negende
lid van artikel 33 van de OOW
wordt - overeenkomstig artikel 14, vijfde lid,
van de Dagloonregels IWS - geregeld dat artikel
33, vijfde tot en
met achtste lid, (nieuw) van de OOW
niet van toepassing is indien en
zolang de gewezen overheidswerknemer in staat kan worden geacht arbeid
die hij na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft verricht duurzaam
te verrichten. Er moet daarbij sprake zijn van
werkzaamheden die aanleiding hebben gegeven tot toekenning of herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Indien ten aanzien van de
werkzaamheden artikel 44 van de WAO
wordt toegepast of de werknemer met de
werkzaamheden minder verdient dan evenredig aan zijn bestaande verdiencapaciteit, is
artikel 33 wel van toepassing.
In het zesde lid (oud)
van artikel 33 van de OOW
is sprake van "de uitkering op grond van de WW, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid,". In het tweede tot
en met vijfde lid (oud) van artikel 33 wordt evenwel geen uitkering op grond
van de WW geduid, maar wordt de wijze van dagloonberekening aangegeven voor de uitkering op grond van de WW,
ontstaan op grond van
artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, van de OOW, zoals die in
bepaalde situaties moet worden toegepast. Het is dan ook juister in het
- overigens met het oude zesde lid overeenkomende - tiende lid (nieuw) van
artikel 33 van de OOW
te verwijzen naar de uitkering op grond van
artikel 31, eerste, tweede of vierde lid.
Onderdelen Q,
R, onder 1
tot en met 3, T, onder 2,
U, onder 1, en W
Met deze (sub)onderdelen
worden de artikelen 35, 36,
41, 43 en 45 redactioneel aangepast aan de wijzigingen in
paragraaf 2 van de OOW.
Voorts vervalt in artikel 35, tweede lid, onder
3º, van de OOW de verwijzing naar "artikel
30". In artikel 30 van de OOW
wordt de beroepsmilitair of
gewezen beroepsmilitair immers niet afzonderlijk vermeld, zodat deze onder
het toepassingsbereik van artikel 35, tweede lid, onder
1º, valt.
Daarnaast kan artikel
43,
derde lid, van de OOW vervallen, gelet op de aanpassing van
artikel 36, vijfde lid, van die wet en de toevoeging van een nieuw zesde lid aan dat
artikel. Daarmee zijn immers ook de gedragingen die thans onder artikel
43, derde lid, van de OOW vallen onder de werking van
artikel 36, vijfde lid, van die wet gebracht (zie ook de
toelichting
op artikel I, onderdeel R,
onder 4 en 5).
Onderdeel R, onder 4 tot
en met 6
Met dit subonderdeel
wordt ter verduidelijking de tekst van artikel
36, derde en vijfde lid,
aangepast en een zesde lid aan dat artikel toegevoegd. In de eerste plaats wordt
in de eerste zin van het vijfde lid en in het derde lid de term "activiteit" vervangen door
"activiteit of gedraging". Immers ook gedragingen waarvoor
de betrokkene toestemming heeft gekregen die geen activiteit
betreffen, zoals toestemming aan de wachtgelder om niet te solliciteren,
dienen in beginsel niet tot een beëindiging of verlaging, al dan niet door
toepassing van een sanctie, van de WW-, ZW- of
WAO-uitkering te leiden.
In de tweede plaats wordt de term "voorwaarden" vervangen door
"regels". In de systematiek van de WW, ZW en WAO is er veelal niet zozeer
sprake van dat een betrokkene onder voorwaarden toestemming krijgt voor
een activiteit of gedraging, maar dat het de betrokkene vrijstaat een
activiteit of gedraging te verrichten (of na te laten) en dat (het doen
of nalaten van) die activiteit of gedraging - getoetst aan de regels
van die wetten - al dan niet tot een verlaging of beëindiging van de
uitkering leidt. Ten slotte vervalt in de tweede zin van artikel
36, vijfde lid,
de zinsnede "voortzetting van de betreffende activiteit". rblz.|29|
Het gaat er
immers niet om dat de activiteit of gedraging afwijkend is van de systematiek van
de WW, ZW of WAO, maar of voortzetting van het regime waaronder die
toestemming is gegeven een normale uitvoering van die wetten in de weg
zou staan. Zo is er bijvoorbeeld in de situatie dat onder de
wachtgeldregeling toestemming is gegeven om niet-traditioneel
vrijwilligerswerk te verrichten met behoud van het volledige wachtgeld of toestemming
is gegeven om niet te solliciteren geen sprake van dat een
voortzetting daarvan de normale uitvoering van de WW in de weg zou staan.
Er kan immers gewoon tot volledige betaling van de WW-uitkering
worden overgegaan. Dat is anders waar het de situatie betreft dat een
wachtgelder toestemming heeft om als zelfstandige te gaan werken, waarbij
de inkomsten als zelfstandige in mindering worden gebracht op het
wachtgeld voor zover zij samen met het wachtgeld meer dan de grondslag
voor dat wachtgeld bedragen. Het anticumuleren van inkomsten als
zelfstandige is wezensvreemd aan de WW en past dan ook niet
binnen de normale uitvoering van die wet. In deze situatie dient het recht
op WW-uitkering dan ook te worden beëindigd met het aantal uren dat de
betrokkene als zelfstandige werkzaamheden verricht. Ook verblijf in
het buitenland dan wel het niet wonen in Nederland past niet binnen de
normale uitvoering van de WW respectievelijk de ZW en de WAO (dit laatste
met uitzondering van bijvoorbeeld landen waarmee een verdrag
inzake sociale zekerheid is gesloten). Dit neemt niet weg dat de OOW
het
recht op wachtgeld of uitkering in verband met ziekte niet eindigt en
dat de gemaakte afspraak binnen het "bovenwettelijke" wachtgeldregime kan
worden voortgezet.
In het zesde lid wordt
een - niet-limitatieve - opsomming gegeven van activiteiten en
gedragingen die de normale uitvoering van de WAO, ZW of WW niet in de weg staan.
Onderdeel S
Op
basis van
artikel 46
van de OOW zijn bij het Besluit van 7 september 1998,
Stb.
1998, 558, regels gesteld in afwijking van artikel
40, tweede lid, van de OOW met betrekking tot de uitbetaling van de
WAO-uitkering aan
onderwijswerknemers die twee of meer dienstbetrekkingen binnen de sector
Onderwijs en Wetenschappen hebben. In dit onderdeel worden deze
afwijkende regels, gelet op artikel 46 van de
OOW, overgezet naar
artikel 40 van de OOW. De afwijkende regels krijgen aldus een basis
in de OOW zelf. Het vorengenoemde besluit kan
derhalve worden
ingetrokken bij de inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging. Dat is
opgenomen in artikel IV van het voorliggende
wetsvoorstel.
Onderdeel T, onder 1
In
hoofdstuk 1 van de OOW
wordt de term Osv 1997 gehanteerd voor de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (zie ook artikel 1, onderdeel j, van de
OOW). Met
het onderhavige onderdeel wordt artikel 41, eerste lid, daarop
aangepast. Voorts wordt aan de term "Onze Minister van Binnenlandse
Zaken"
toegevoegd "en Koninkrijksrelaties".
Onderdelen U, onder 2, en
V
De onderhavige
(sub)onderdelen betreffen redactionele verbeteringen.
Onderdeel X
Na het onder de werking
van de WW brengen van de overheidswerknemers zullen op de
overheidswerkgever financiële tegemoetkomingen op grond van de Wet
financiering loopbaanonderbreking worden rblz.|30|
verhaald (zie het in de WW
op te nemen artikel 97b, eerste lid, onderdeel c). Het gaat hier om de
situatie dat een tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering
loopbaanonderbreking wordt verstrekt, waarbij de vervanger van degene die
zijn loopbaan onderbreekt een persoon is met een WW-uitkering uit
hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer (zie het met artikel I,
onderdeel EE, van deze wet in de OOW op te nemen
artikel 67b). De (gewezen) overheidswerkgever van de vervanger heeft in dat
geval het financiële voordeel van het feit dat de uitkeringsgerechtigde aan
het werk gaat. Met betrekking tot reeds aangevangen tegemoetkomingen, die ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen (dat daartoe een
rijksbijdrage ontvangt), is het uitvoeringstechnisch
eenvoudiger om die ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds te
blijven brengen. Dit onderdeel voorziet daarin.
Onderdeel Y
Zoals
aangegeven in
hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de toelichting zullen de uitkeringen op
grond van de ZW voor het overheidspersoneel worden bekostigd uit het
Uitvoeringsfonds voor de overheid. Onderdeel A van het nieuwe artikel 48
van de OOW voorziet daarin. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat in het
voorgestelde artikel 61 van de ZW met de zinsnede
"een uitkering
uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer" - evenals dat in de
WW
het geval is - tevens wordt bedoeld een uitkering uit
hoofde van een voormalige dienstbetrekking als overheidswerknemer.
Met betrekking tot de
onderdelen B en C van het hier voorgestelde artikel 48 van de
OOW merken
wij het volgende op.
Door middel van het Besluit van 22 januari 1998, houdende wijziging van het
Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Stb. 1998, 47), zijn
bepaalde groepen overheidswerknemers die in het buitenland
werken onder de verplichte verzekering op grond van de WAO
gebracht. Bij
dat besluit is tevens geregeld dat deze groepen overheidswerknemers per
de datum van ingang van fase 2, bedoeld in de artikelen 48 en
53 van de OOW, onder de verplichte verzekering op grond van de ZW
en de WW worden gebracht.
Een aantal groepen buiten
Nederland werkzame overheidswerknemers zijn buiten de verplichte
verzekering voor de WAO gebleven en zullen ook buiten de verplichte
verzekering voor de ZW en de WW blijven. Voor deze groepen zal, net als dit
voor de WAO is gebeurd, de mogelijkheid van vrijwillige verzekering
voor de ZW en de WW worden geopend. Het gaat hierbij om Nederlandse
overheidswerknemers die werkzaam zijn in het buitenland, daartoe
uitgezonden door de Nederlandse overheid, waaronder begrepen
onderwijspersoneel dat wordt uitgezonden door een privaatrechtelijke
rechtspersoon, tenzij op een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon de
verplichting rust het loon te betalen. De achterliggende gedachte is dat deze
overheidswerknemers die werkzaamheden verrichten in het
algemeen belang. In de voorgestelde artikelen 64, tweede lid, onderdeel e,
van de ZW en 53, tweede lid, onderdeel e, van de
WW is dit verwoord door de
bepaling dat het moet gaan om werkzaamheden die worden bekostigd door
het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het
kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een
internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst
tussen bewindspersonen of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie. Met de term "in opdracht van het Rijk" wordt overigens niet
louter beoogd dat het Rijk de opdracht rechtstreeks geeft aan de betrokken
werknemer.
Voorts wordt de
mogelijkheid geopend tot het afsluiten van een vrijwillige verzekering voor de
Nederlander die is uitgezonden om in Nederland werkzaamheden te
verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie rblz.|31|
waarvan Nederland lid is
dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden
ondersteund. Ook dit is in overeenstemming met de wijzigingen in de
vrijwillige verzekering voor de WAO.
Met betrekking tot de
financiering van de vrijwillige verzekering ZW en
WW van deze groepen is
aangesloten bij de financiering van de vrijwillige verzekering in de markt.
Aansluiting bij het financieringssysteem voor de overheidssector ligt bij
de vrijwillige verzekering niet voor de hand. Het staat een werknemer vrij
om zich al dan niet vrijwillig te verzekeren. Deze vrijwillige keuze van de
werknemer verdraagt zich niet met een (verplicht) eigenrisicodragerschap
van de werkgever. Ook hoort bij het eigenrisicodragerschap dat er geen
werkgeversdelen WW-premie verschuldigd zijn (immers de werkgever
betaalt de uitkering). Dit zou voor de vrijwillig verzekerde
overheidswerknemer een voordeel betekenen ten opzichte van de vrijwillige verzekerde
werknemer in de marktsector. Bij de vrijwillige verzekering is de
werknemer immers de gehele premie (zowel werkgevers- als werknemersdelen)
verschuldigd.
Aansluiting bij de
marktsystematiek betekent derhalve dat de vrijwillig verzekerde
overheidswerknemer premie betaald aan het Algemeen Werkloosheidsfonds en dat
de uitkering ook uit dit fonds wordt betaald. De vrijwillig verzekerde
overheidswerknemer heeft daarmee hetzelfde bruto-nettotraject als
de vrijwillig verzekerde werknemer in de markt. Hiermee wordt recht
gedaan aan het uitgangspunt van de OOW-operatie, namelijk normalisering
van de positie van de overheidswerknemer op het terrein van de sociale
zekerheid.
Onderdeel Z
Nu op grond van
onderdeel
Y niet langer sprake zal zijn van een algemene maatregel van bestuur op
grond van artikel 60a van de ZW kunnen, met het vervallen van
artikel
8b van de ZW per het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in
artikel 49 van de OOW, ook de artikelen 90 en
91 van de ZW
per dat
tijdstip vervallen. Met dit onderdeel wordt dat bewerkstelligd.
Onderdeel AA
Zoals al aangegeven in
paragraaf 4.3 en hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de memorie van
toelichting wordt thans voorgesteld de WW- en ZW-uitkeringen aan
(gewezen) overheidswerknemers, alsmede de daarop betrekking hebbende
uitvoeringskosten, uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid te betalen. Dat
betekent dat die uitkeringen en uitvoeringskosten niet ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen worden gebracht. Het ligt
dan ook niet in de rede dat overheidswerkgevers en -werknemers premie
verschuldigd zijn voor het Algemeen Werkloosheidsfonds en de
wachtgeldfondsen. Gelet hierop dient het huidige hoofdstuk VII van
de WW niet van toepassing te zijn op overheidswerkgevers,
voor zover zij werkgever
zijn van overheidswerknemers, en overheidswerknemers
alsmede op degenen die krachtens de verplichte verzekering op grond van
de WW, de ZW of de WAO uitkering ontvangen uit hoofde van een
(gewezen) dienstbetrekking als overheidswerknemer. Ook overigens dienen er
op een aantal plaatsen in de WW wijzigingen te worden aangebracht
vanwege deze gescheiden financiering. Om deze reden wordt in onderdeel
AA voorgesteld artikel 53 van de OOW, waarbij de WW met ingang
van het tijdstip van aanvang van fase 2 van de OOW
wordt aangepast,
te herzien.
In het herziene
artikel
53 van de OOW wordt voorgesteld hoofdstuk VII van de
WW te
splitsen. Het huidige hoofdstuk VII wordt opgenomen in paragraaf 1 van dat
hoofdstuk (handelend over het Algemeen rblz.|32|
Werkloosheidsfonds en de
wachtgeldfondsen), welke paragraaf niet van toepassing is op
werkgevers, voor zover zij overheidswerknemers in dienst hebben, en
overheidswerknemers - tenzij vrijwillig verzekerd - alsmede op degenen die krachtens
de verplichte verzekering op grond van de WW, de ZW
of de WAO
uitkering
ontvangen uit hoofde van een (gewezen) dienstbetrekking als
overheidswerknemer (zie artikel 53, onderdeel G, van de
OOW). Voorts wordt
in hoofdstuk VII van de WW
een paragraaf 2 opgenomen (handelend over
het Uitvoeringsfonds voor de overheid) (zie artikel 53, onderdeel
K,
van de OOW), welke paragraaf van toepassing is op degenen op wie
paragraaf 1 niet van toepassing is. In deze paragraaf wordt weergegeven wat ten
laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt gebracht (zie de in
de WW op te nemen artikelen 97f,
97g en 97h). Dit komt overeen
met hetgeen in de marktsector, op grond van de artikelen
90, 93, 93b
en
95 van de WW, ten laste van de wachtgeldfondsen en het Algemeen
Werkloosheidsfondsen komt. Voor de sectoren waarbij alleen
overheidswerkgevers zijn aangesloten, hoeven dan ook geen wachtgeldfondsen te
worden ingesteld (zie artikel 53, onderdeel L, van de
OOW).
Een
WW-uitkering die uit
het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt betaald, wordt verhaald op
de (gewezen) overheidswerkgever van de uitkeringsgerechtigde,
alsmede de over de uitkering verschuldigde werkgeversdelen premies
sociale verzekeringen (zie het in de WW op te nemen
artikel 97b, eerste
lid, onderdeel a en b). Dit laatste met uitzondering van het werkgeversdeel
WW-premie. Ook het werknemersdeel WW-premie wordt niet op
de overheidswerkgever verhaald. Voor beide elementen geldt immers
dat zij ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen, doch daar
weer in terugvloeien, zodat er per saldo geen lasten voor het fonds
zijn. Heffing van de WW-premie over WW-uitkering voor overheidswerknemers
kan echter niet achterwege blijven, omdat dan het bruto-nettotraject
in situaties van samenloop anders zou kunnen verlopen dan in de
marktsector. In het in de WW op te nemen artikel 97d, tweede lid, is dan ook
bepaald dat zowel over ZW- en WAO-uitkeringen en toeslagen op grond van de
Toeslagenwet als over WW-uitkeringen aan (gewezen)
overheidswerknemers WW-premie wordt geheven.
In artikel 89 van de
OOW is ervoor gekozen om, tot het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 53 van de OOW, de WW-premie over een
WAO-uitkering niet naar de wachtgeldfondsen en het Algemeen
Werkloosheidsfonds te laten vloeien indien USZO
de werkzaamheden met betrekking tot die
uitkering verricht. Dit is ook het geval indien de WAO-uitkering
mede betrekking heeft op een dienstbetrekking in de marktsector. Er is
afgezien van een afzondering van premiedelen WW op het niveau van de
individuele uitkeringsgerechtigde, omdat dat uitvoeringstechnisch
gecompliceerd is en ook hoge uitvoeringskosten oplevert. Gelet op het
thans voorgestelde gescheiden financieringsregime wordt voorgesteld één en
ander ook na laatstgenoemd tijdstip voort te zetten. Dat wordt
geregeld via het tweede lid van het in de WW
op te nemen artikel 78a (zie artikel 53, onderdeel G, van de OOW). Indien op grond van
dat lid sprake is van een WAO-uitkering uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer, is paragraaf 2 van hoofdstuk VII van de
WW van toepassing en daarmee de artikelen 97d, tweede lid, en
97e,
onderdeel c, van de WW. De WW-premie komt in dat geval ten goede van
het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Indien op grond van artikel 78a,
tweede lid, van de WW geen sprake is van een WAO-uitkering uit hoofde
van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, is paragraaf 1 van
hoofdstuk VII van de WW van toepassing en daarmee de
artikelen 85,
derde en vijfde lid, 86, 89, eerste lid, onderdeel a, en
92, onderdeel
a en b,
van de WW. De WW-premie komt in dat geval ten goede van de
wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds. Om een eventuele
verrekening tussen de verschillende fondsen rblz.|33|
mogelijk te maken, indien
ofwel het Uitvoeringsfonds voor de overheid, ofwel het Algemeen
Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen in het bijzonder zou profiteren
van deze regeling, wordt artikel 97i
van de WW voorgesteld.
In de WW is, anders dan
bij de WAO, geen sprake van samenloop in die zin dat één recht op
uitkering kan voortvloeien uit meerdere dienstbetrekkingen. Dat betekent dat
werkloosheid uit een overheidsdienstbetrekking altijd leidt tot een
apart recht (als aan alle voorwaarden voor het ontstaan van een recht is
voldaan). De daaruit voortvloeiende uitkering kan dus apart bij de
overheidswerkgever in rekening worden gebracht en de WW-premie over die
uitkering kan zonder meer ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid komen.
Zoals al aangegeven in
paragraaf 4.3 van het algemeen deel van de toelichting wordt op het
loon van de overheidswerknemer een bedrag ingehouden (ook wel
genoemd pseudo-premie) die de overheidswerkgever niet afdraagt. Deze
inhouding komt overeen met hetgeen de werknemer aan premie
verschuldigd zou zijn als paragraaf 1 van hoofdstuk VII van de
WW op hem van
toepassing zou zijn (zie het in de WW op te nemen
artikel 97d,
eerste lid).
Tevens worden op de
overheidswerkgever verhaald financiële tegemoetkomingen op grond van de
Wet
financiering loopbaanonderbreking (zie het in de WW
op te nemen
artikel 97b, eerste lid, onderdeel c). Het gaat hier om de situatie dat
een tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering
loopbaanonderbreking wordt verstrekt, waarbij de vervanger van degene die zijn
loopbaan onderbreekt een persoon is met een WW-uitkering uit hoofde
van een dienstbetrekking als overheidswerknemer (zie ook het in onderdeel
EE voorgestelde artikel 11 van de Wet
financiering loopbaanonderbreking). De (gewezen) overheidswerkgever van de vervanger heeft in
dat geval het financiële voordeel van het feit dat de
uitkeringsgerechtigde aan het werk gaat.
Eén en ander geldt
mutatis mutandis voor de vergoedingen aan het Rijk op grond van het in de
WW
op te nemen artikel 97h.
Omdat, gelet op het
vorenstaande, het fonds waaruit de financiële tegemoetkoming in het kader van de Wet
financiering loopbaanonderbreking wordt betaald niet wordt
bepaald door het al dan niet (gewezen) overheidswerknemer zijn
van de verlofganger, is, in het derde lid van het voorgestelde artikel 78a
van de WW, geregeld dat het niet op de overheidswerknemer en
-werkgever van toepassing zijn van paragraaf 1 van hoofdstuk
VII (handelend over het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen) niet
geldt met betrekking tot de financiële tegemoetkoming in het kader van de Wet
financiering loopbaanonderbreking en de bedragen die het
Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de
artikelen 6, derde lid, en 7 van die
wet. In de voorgestelde artikelen
92, onderdeel h, 93, onderdeel i, 97e, onderdeel j, en
97f, onderdeel i, van
de WW, in combinatie met het voorgestelde artikel 11 van de
Wet
financiering loopbaanonderbreking, is vervolgens geregeld wat in dit kader
ten gunste en ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds
respectievelijk het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Indien in het
tijdvak
waarover bedragen op de overheidswerkgever worden verhaald, door het Lisv
bedragen worden ontvangen op grond van terugvordering van
ten onrechte betaalde WW-uitkering, tegemoetkoming op grond van de Wet
financiering loopbaanonderbreking of vergoeding voor de
remigratiebijdrage, die bij diezelfde overheidswerkgever zijn verhaald, dan worden deze
ontvangen bedragen in mindering gebracht op hetgeen op hem wordt
verhaald (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, tweede lid). Indien
het door het Lisv ontvangen bedrag het te rblz.|34|
verhalen bedrag overtreft,
wordt door het Lisv aan de overheidswerkgever betaald het bedrag
waarmee het ontvangen bedrag het te verhalen bedrag overtreft (zie het
in de WW op te nemen artikel 97b, derde lid). Indien de
overheidswerkgever niet meer bestaat, vindt verhaal plaats op zijn rechtsopvolger.
Hiervan is uitgezonderd de rechtsopvolger na faillissement (zie het in de
WW op te
nemen artikel 97b, vierde lid).
In het voorgestelde
artikel 97b zijn voorts nog een aantal bepalingen opgenomen met betrekking
tot de uitvoering van het besluit waarbij de uitkering, de premies en
de tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en d, van
dat artikel, worden verhaald (vergelijk artikel 27g
van de WW). Daarbij
worden de artikelen 13 en 16 van de
CSV - die betrekking hebben op
premieheffing - van overeenkomstige toepassing verklaard.
Niet al hetgeen ten laste
van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komt, wordt verhaald op de
overheidswerkgevers. Dat is bijvoorbeeld niet het geval met de ZW-uitkeringen (zie
hoofdstuk 5 van het algemeen deel van de memorie van
toelichting) en de bijdrage aan het Reïntegratiefonds. Het is derhalve ook
noodzakelijk om in de middelen tot dekking van de uitgaven van dat fonds te
voorzien door middel van het heffen van premie. Die premie is
verschuldigd door de overheidswerkgevers naar een voor alle
overheidswerkgevers gelijk vastgesteld percentage (zie het in de WW
op te nemen
artikel 97c).
Indien de
overheidswerkgever niet meer bestaat, wordt de uitkering verhaald op zijn
rechtsopvolger. Uitzondering hierop vormt de rechtsopvolger na faillissement
(artikel
97b, vierde lid, van de WW).
Gelet op het gescheiden
financieringsregime is het noodzakelijk om, voor situaties van samenloop
van uitkeringen, een volgorde aan te geven voor de toepassing van de
artikelen 34, 35 en 35a
van de
WW (de anticumulatiebepalingen). In
artikel 53, onderdeel
D, van de OOW wordt hiertoe een nieuw artikel 35b
van
de WW voorgesteld. Daarbij wordt het huidige artikel 35b
vernummerd tot artikel 35c, omdat dat artikel in volgorde van toepassing na het hierbij
voorgestelde artikel 35b dient te komen.
De overheidswerkgever
heeft als eigenrisicodrager een rechtstreeks belang bij een
uitkeringsbeschikking op grond van de WW. Dit betekent dat de werkgever ook
bezwaar en beroep tegen een dergelijke beschikking kan instellen. Indien een
werkgever in zijn bezwaar of beroep succesvol is, dan zal dit - zonder
aanvullende regeling - voor de werknemer als consequentie kunnen hebben dat hij
zijn uitkering geheel of gedeeltelijk met terugwerkende kracht
verliest. Een dergelijke consequentie heeft de regering eerder, bij de regeling
van het eigen risico dragen in de WAO, onaanvaardbaar geacht. Er is geen
aanleiding om voor de WW hier anders over te oordelen. Gelet op de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ter
zake, wordt in de WAO
een uitlooptermijn van zes weken gehanteerd. Gezien de systematiek van
de WW (het van rechtswege ontstaan en eindigen van het recht)
en de jurisprudentie hieromtrent is in de WW geen aanleiding een
uitlooptermijn te hanteren. In het voorgestelde onderdeel C van artikel
53 wordt
dan ook bepaald dat de intrekking of verlaging van een uitkering die
voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar of beroep niet
eerder plaatsvindt dan de dag volgend op de beslissing op bezwaar of
beroep. Een uitzondering op deze regeling wordt gemaakt voor de situatie
dat het ten onrechte of te hoog verlenen van uitkering aan de
werknemer kan worden verweten, bijvoorbeeld omdat hij onjuiste inlichtingen
heeft verstrekt.
De eigenrisicodrager
dient ook niet de dupe te worden van wat uiteindelijk een onjuiste beslissing
met betrekking tot de uitkering was. Voorgesteld rblz.|35|
wordt dan ook dat op
verzoek van de werkgever de schade die hij lijdt door toepassing van het
voorgestelde onderdeel C van artikel
53, ten laste van het Uitvoeringsfonds,
wordt vergoed. Onder schade moet in dit verband worden verstaan
het bedrag aan uitkeringslasten dat de werkgever meer heeft betaald dan
het bedrag dat hij had moeten betalen indien direct de juiste
beslissing was genomen, vermeerderd met rente conform de regels die de
Centrale Raad van Beroep hierover heeft ontwikkeld.
Ook bij de uitvoering van
de WW kan sprake zijn van medische besluiten in de zin van
artikel 88
van de WAO. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een werknemer zich op het
standpunt stelt dat bepaalde arbeid voor hem niet passend is op
medische gronden. Het besluit dat naar aanleiding hiervan wordt genomen, is
een medisch besluit. Indien de eigenrisicodrager belanghebbende is bij een
dergelijk besluit, moet de medische besluitenregeling van de WAO
van overeenkomstige toepassing zijn. Dit is geregeld in het
voorgestelde subonderdeel P van artikel I, onderdeel
AA.
In het voorgestelde
artikel 53, onderdeel B, komt de zinsnede "of een overeenkomstige bepaling
van een soortgelijke regeling" voor. Het gaat in concreto om bepalingen
inzake een opzegtermijn bij ontslag. Het grote aantal
rechtspositieregelingen voor overheidspersoneel en de grote onderlinge differentiatie
daarvan maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, om in de wettekst of in
de toelichting een uitputtende opsomming te geven van de
desbetreffende bepalingen en regelingen. Daarom is ervoor gekozen om hier een
opsomming te geven van de relevante bepalingen van de
rechtspositieregelingen van de belangrijkste sectoren bij de overheid:
• de artikelen 87 tot
en met 91 van het Besluit
algemene rechtspositie politie;
• de artikelen II-D5
tot en met II-D7 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;
• de artikelen 8:1:1,
8:4:1 en 8:16:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van de sector Gemeenten;
• de artikelen 113 tot
en met 116 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
• artikel 47 van het
Algemeen militair ambtenarenreglement.
Met betrekking tot de
hier voorgestelde onderdelen E en F van artikel 53 van de
OOW, inzake de
vrijwillige verzekering, verwijzen wij naar de toelichting op artikel I,
onderdeel Y.
Onderdeel BB
In
artikel 10 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) is opgenomen dat
tot het tijdstip aangewezen op grond van artikel
7, eerste lid, van de WW bij algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven
omtrent aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen
overheidswerknemers. Aangezien bedoeld tijdstip is vastgesteld op het
tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de
OOW, vervalt
de grondslag voor de algemene maatregel van bestuur op grond van
artikel 10 van de IWS - en daarmee de werking daarvan
- op het
tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de
OOW.
Artikel 56
van de OOW, zoals dat thans luidt, is daarmee een dode letter.
Gelet evenwel op het vervallen van de werking van de algemene maatregel
van bestuur op grond van
artikel 10 van de IWS per het tijdstip van
aanvang van fase 2, dient thans geregeld te worden dat de op dat
moment bestaande uitkeringen tot het tijdstip van aanvang van fase 3
verstrekt kunnen blijven worden. Het onderhavige onderdeel voorziet
daarin.
rblz.|36|
Onderdeel CC
De
Osv 1997 dient
onverkort van toepassing te zijn op het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Dit
onderdeel voorziet daarin. Daarbij wordt met het voorgestelde
onderdeel C van artikel 61 van de OOW de mogelijkheid geopend dat, indien een
werkgever ophoudt overheidswerkgever te zijn respectievelijk een
werkgever in de marktsector overheidswerkgever wordt, vermogensovergang
tussen het Uitvoeringsfonds voor de overheid en een wachtgeldfonds
plaatsvindt. In het voorgestelde onderdeel D van artikel 61 van de
OOW wordt geregeld dat het Lisv
de sectorraden voor de overheidssectoren in de
gelegenheid stelt advies uit te brengen over het besluit tot vaststelling
van het premiepercentage ten behoeve van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid.
Onderdeel DD
In
artikel 2, derde lid,
van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria,
zoals deze op grond van de artikelen 64, onderdeel D, en
65,
onderdeel B, onder 2, van de OOW komt te luiden per het tijdstip van
aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van
die wet, respectievelijk het
tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 54 van
die wet, ontbreekt
ten onrechte de Algemene militaire pensioenwet in de opsomming van wetten
op grond waarvan op 31 juli 1993 recht op uitkering moet hebben
bestaan om tot de doelgroep te behoren. Met dit onderdeel worden de
artikelen 64, onderdeel D, en 65, onderdeel
B, onder 2, van de OOW op dit
punt verbeterd.
Onderdeel EE
Artikel 67b
Zoals al aangegeven in de
toelichting op artikel I, onderdeel H, zal in de situatie dat een
tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering loopbaanonderbreking
wordt verstrekt, waarbij de vervanger van degene die zijn loopbaan
onderbreekt een persoon is met een WW-uitkering uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer, op de overheidswerkgever de
financiële tegemoetkomingen op grond van de Wet financiering
loopbaanonderbreking worden verhaald. Gelet op de gekozen
financieringssystematiek voor de WW zullen deze kosten in eerste instantie ten
laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden gebracht. Het
onderhavige onderdeel voorziet daarin, in combinatie met het in de WW
op te
nemen artikel 97f, onderdeel i.
Onderdeel FF
Dit onderdeel betreft de
redactionele verbetering van een tweetal artikelen.
Onderdeel GG
De artikelen
8b van de ZW en 7 van de
WW vervallen op het tijdstip van aanvang van fase 3 van de
OOW (zie de artikelen 49 en
54 van de OOW). Daarmee vervalt ook
de grondslag van het Faseringsbesluit overheidswerknemers onder
de Ziektewet en de Werkloosheidswet (het Faseringsbesluit).
Teneinde de mogelijkheid te behouden om het onder de ZW
en WW brengen van
(groepen van) overheidswerknemers ook na het tijdstip van aanvang van
fase 3 gefaseerd te laten verlopen, wordt met dit onderdeel in artikel 83
van de OOW een nieuwe grondslag voor het Faseringsbesluit
opgenomen.
rblz.|37|
Onderdeel HH
In de
hoofdstukken 2, 3
en 4 van de OOW worden de termen "Ziektewet" en "Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering" voluit gehanteerd. Met het onderhavige
onderdeel wordt artikel 85, eerste lid, van de
OOW daarop aangepast.
Onderdeel II
Artikel
88, derde lid,
van de OOW betreft de vergoeding van kosten in verband met een opzegging
van de administratieovereenkomst ingeval het Lisv
een dergelijke
overeenkomst sluit met de USZO. Deze bepaling is opgenomen in de OOW
omdat de regels die ingevolge artikel 70 van de
Invoeringswet
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 zijn gesteld met het oog op de
gevolgen van beëindiging van administratieovereenkomsten met de uitvoeringsinstellingen in de marktsector niet van toepassing zijn op de
USZO. De tekst van artikel 88, derde lid, van de
OOW wordt in dit
onderdeel redactioneel aangepast aan de keuze van de regering voor een
afwijkend financieringssysteem WW en ZW voor de overheid. Gelet op dat
afwijkende financieringssysteem ligt het voor de hand om de
opzeggingskosten, bedoeld in artikel 88, derde lid, van de
OOW, in rekening te
brengen bij het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Onderdeel JJ, onder 1
Dit betreft een
redactionele aanpassing.
Onderdeel JJ, onder 2
Met de
Veegwet SZW 1998 is artikel 44 van de OOW
aangepast. Het oorspronkelijke zesde lid
van dat artikel is daarbij vernummerd tot negende lid. Met het
onderhavige onderdeel worden de verwijzingen in artikel
90, derde en
vierde lid, van de OOW hieraan aangepast.
Onderdeel JJ, onder 3
De
WW-premie over de WAO-uitkering komt vanaf het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 53 van de OOW, ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor
de overheid (zie de voorgestelde artikelen 97d, tweede lid, en
97e,
onderdeel c, van de WW) en daarmee - indirect
- ten gunste van de
overheidswerkgevers. Vanaf dat tijdstip hoeft die premie dan ook niet langer via
de vermindering van de basispremie WAO, zoals neergelegd in artikel
90,
eerste lid, van de OOW, ten gunste van de overheidswerkgevers te
komen. Met het onderhavige onderdeel wordt dit laatste bewerkstelligd.
Onderdeel KK
Waar in de artikelen die,
om andere redenen, al aanpassing behoeven "Onze Minister van
Binnenlandse Zaken" wordt vervangen door "Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties" (zie bijvoorbeeld het aangepaste artikel 10
van de OOW in artikel I, onderdeel
F, van dit wetsvoorstel), ligt het in
de rede deze redactionele aanpassing ook in de overige artikelen van de OOW
te plegen.
Artikel
II. Wijziging
Werkloosheidswet
In
artikel 89, tweede
lid, van de WW is geregeld dat van de overheidswerkgever ontvangen bedragen op
grond van de artikelen 46 en 71a, tweede en derde lid, van
de WAO tot het tijdstip van aanvang van fase 2,
rblz.|38|
bedoeld in artikel 53 van
de OOW, niet ten gunste komen van de wachtgeldfondsen. Met
betrekking tot die overheidswerkgevers bestaan immers geen
wachtgeldfondsen. Deze zouden worden ingesteld voorafgaande aan laatstgenoemd
tijdstip. Thans beheert en administreert het Lisv
de hier bedoelde
middelen in de vorm van een afzonderlijke rekening per sector, waarbij het
die middelen uiterlijk op bedoeld tijdstip ten gunste van het wachtgeldfonds
zou brengen (artikel 102, derde lid, van de WW). Gelet op het thans
voorgestelde financieringsregime voor de overheid zullen geen
wachtgeldfondsen voor sectoren, waaronder de overheidswerkgevers vallen, worden ingesteld,
maar wel een fonds voor alle overheidswerkgevers
samen: het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Het ligt in de rede om de
hier bedoelde middelen, nu deze niet langer zullen kunnen worden
ondergebracht in wachtgeldfondsen, uiterlijk op het tijdstip van aanvang van fase 2,
bedoeld in artikel 53 van de OOW, onder te brengen in het
Uitvoeringsfonds voor de overheid. Dat wordt bereikt via de hierbij
voorgestelde aanpassing. In het licht van dit voorstel is het thans beheren van die
middelen door middel van een afzonderlijke rekening per sector niet langer
noodzakelijk. Volstaan kan worden met een rekening voor alle
overheidswerkgevers samen.
Artikel
III. Wijziging
Algemene militaire pensioenwet
Onderdeel A
Dit betreft een
technische aanpassing. In artikel E 9a van de Algemene militaire pensioenwet
(Amp-wet)
is het per 1 januari 1998 ingevoerde verruimde smartengeld
(bijzondere invaliditeitsverhoging) neergelegd. Dit dient eveneens in de
hierbij te wijzigen definitiebepaling te worden neergelegd.
Onderdeel B
In het
onderhandelingsakkoord gesloten in het sectoroverleg defensie betreffende de
bovenwettelijke aanspraken bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
defensiepersoneel van 19 januari 1995 is overeengekomen dat wanneer op het moment
van overlijden aanspraak bestaat op een bovenwettelijke
uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid (al of niet met dienstverband)
een bedrag als uitkering bij overlijden beschikbaar zal zijn gelijk aan
tweemaal het laatstelijk vastgestelde brutobedrag per maand. Op het moment
dat genoemd onderhandelingsakkoord werd afgesloten, kende de WAO
een overlijdensuitkering van twee maanden. Daarnaast was in artikel
K 3 van de Amp-wet een overlijdensuitkering neergelegd voor onder andere
een arbeidsongeschiktheids-/invaliditeitspensioen genietende militair, ter
hoogte van een zesde deel van het jaarpensioen. De hiervoor genoemde
afspraak inzake de overlijdensuitkering zou als resultaat dienen te
hebben dat er eigenlijk geen verschil in aanspraak zou bestaan voor en na het
onder de WAO brengen van beroepsmilitairen.
Met ingang van 1 januari
1997 is de aanspraak op een overlijdensuitkering op grond van de WAO
teruggebracht tot een uitkering ter hoogte van één maand WAO-uitkering.
Artikel K 3 van de Amp-wet is bij de OOW daarop niet aangepast.
Met de toevoeging van een nieuw zevende lid aan dat artikel wordt deze
omissie rechtgezet.
Onderdeel C
Op grond van
artikel 73,
onderdeel U, van de OOW zijn de laatste twee zinnen van artikel F
7, derde lid, van de Amp-wet geschrapt. Het daarin gestelde dient
evenwel van toepassing te blijven op de beroepsmilitair die, ondanks zijn
ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebreken waarvoor verband met de
uitoefening van de militaire dienst is aangenomen, rblz.|39|
als militair wordt
gehandhaafd zoals bedoeld in artikel K 2 van de Amp-wet. Om die reden
worden beide zinnen weer toegevoegd.
Onderdeel D
Artikel X 5 van de
Amp-wet wordt door middel van deze wijziging aanzienlijk
vereenvoudigd. De reden daarvan is dat basisvoorzieningen, waarop ook de
gehandicapte (gewezen) militair recht heeft, rechtstreeks volgen uit de per 1 juli
1998 in werking getreden Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en
uit de Wet voorzieningen gehandicapten. Het nu voorgestelde artikel X 5
biedt de basis om nadere regels te stellen met betrekking tot de inhoud
van het voorzieningenpakket als aanvulling op de voorliggende
voorzieningen, zoals dat reeds jaren bestaat voor de (gewezen) militair die in
en door de uitoefening van de militaire dienst gehandicapt is geworden.
Onderdeel E
Aangezien op grond van de
OOW de WAO rechtstreeks van toepassing is geworden op militairen
is artikel X 6 van de Amp-wet overbodig geworden.
Artikel
IV. Intrekking
van het Besluit van 7 september 1998 (Stb. 1998, 558)
Zie voor een toelichting
op het intrekken van het hier bedoelde besluit de toelichting op artikel I,
onderdeel S.
Artikel
V.
Inwerkingtreding
Bij de
OOW is in
verband met de scheiding van "wettelijke" en "bovenwettelijke"
aanspraken bij arbeidsongeschiktheid voor militairen de Amp-wet gewijzigd.
Sedert de inwerkingtreding per 1 januari 1998 van die wijzigingen in de
Amp-wet zijn bij de uitvoering van die wet enkele onvolkomenheden aan het
licht gekomen die het gevolg waren van die wijziging. Aangezien het
in een tweetal situaties uitkeringen betreft in het voordeel van betrokkenen
die in voorkomend geval ook nu al tot uitbetaling komen, dienen de
onderdelen B en C van artikel III terug te werken tot en met 1 januari 1998.
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Staatssecretaris van
Defensie,
H.A.L. van Hoof
|