|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 095
Wijziging
van de Wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet,
de Ziekenfondswet
en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb.
1994, 957) in verband met de verhoging van de kinderbijslag
met ingang van 1 januari 2000 alsmede wijziging van een aantal andere wetten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Vervroegen verhoging
kinderbijslag over 2001 tot en met 2003 (artikel I) |
| 3 |
Laten vervallen
mogelijkheid betaling AOW- en Anw-uitkeringen door vergunninghouders |
| 4 |
Financiële gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
deel
1.
Inleiding
In
deze wet wordt, in verband met de verhoging van de kinderbijslagbedragen
met ingang van 1 januari 2000, de Wet van 22 december 1994 tot nadere
wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de
Ziekenfondswet en
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb.
1994, 957; hierna te noemen de
Wijzigingswet uit 1994) met ingang van 1 januari 2001 gewijzigd en zullen
bepalingen uit die wet die hun werking reeds hebben verloren,
vervallen. De wijziging behelst onder meer het laten vervallen van de in de
Wijzigingswet uit 1994 geregelde verhoging van het basiskinderbijslagbedrag
voor de jaren 2001 tot en met 2003 in verband met het reeds per 1
januari 2000 opnemen van deze verhogingen in de kinderbijslagbedragen.
Hierop wordt in paragraaf 2 van deze toelichting verder ingegaan.
Daarnaast wordt een
aantal andere wijzigingen in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) (zoals het schrappen van de
afrondingsbepaling), de Beroepswet, de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de
Algemene nabestaandenwet (Anw) voorgesteld. De wijziging in de
laatstgenoemde wetten behelst het laten vervallen van de
mogelijkheid van betaling van AOW- en Anw-uitkeringen in combinatie met
aanvullende pensioenen door organen die hiervoor van de SVB [Sociale
Verzekeringsbank, red.] vergunning hadden
gekregen. Hierop wordt in paragraaf 3 van deze toelichting nader
ingegaan.
2. Vervroegen verhoging
kinderbijslag over 2001 tot en met 2003 (artikel I)
Bij de wijziging van de
AKW per 1 januari 1995 (door de inwerkingtreding van de Wijzigingswet uit
1994) is voor de jaren 1997 tot en met 2012 voorzien in een beperkte
jaarlijkse verhoging van de kinderbijslag voor kinderen geboren na 1995
en voor eerste kinderen geboren vóór 1995. Voor de komende drie
jaren is (op grond van artikel VI, vierde lid, onderdeel e tot en met
g, van de
Wijzigingswet uit 1994) een verhoging geregeld van het
basiskinderbijslagbedrag met (met ingang van 1 januari rblz.|2|
2001) ƒ3,45 per
kwartaal, (met ingang van 1 januari 2002) ƒ3,30 per kwartaal en (met ingang van 1
januari 2003) ƒ3,15 per kwartaal.
Bij het opstellen van de
begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het
jaar 2000 is ter verbetering van de koopkracht van gezinnen met kinderen
besloten de in de Wijzigingswet uit 1994 vastgelegde verhogingen over de jaren
2001 tot en met 2003 reeds per 1 januari 2000 te doen
ingaan en de kinderbijslag per diezelfde datum zodanig te verhogen dat
de extra verhoging voor de 100%-categorie (12-18 jaar) [12 tot en met 17
jaar, red.] op
jaarbasis ƒ120,- per kind zou bedragen (voor de kinderen van 0 tot 6 jaar geldt
70% van dit bedrag en voor kinderen van 6 tot 12 jaar 85%).
Deze verhoging moest niet
alleen gelden voor eerste kinderen, maar ook voor alle volgende
kinderen in het gezin.
Deze extra verhoging van
de kinderbijslag is geregeld in het Besluit van 23 december 1999,
Stb. 1999, 601.
3. Laten vervallen
mogelijkheid betaling AOW- en Anw-uitkeringen door vergunninghouders
Thans kan een
pensioenfonds van de SVB toestemming krijgen om de AOW- en
Anw-uitkeringen
uit te betalen aan de gerechtigden tegelijk met het aanvullend ouderdoms-,
weduwen-, weduwnaars- of partnerpensioen. In dat geval stelt de SVB
slechts het recht op en de hoogte van de uitkering vast. Het pensioenfonds
betaalt de uitkering. Hoewel deze procedure bij eerste beschouwing
minder werk voor de SVB zou lijken te betekenen, is het tegendeel het
geval. Het leidt tot extra werk voor de SVB. De reden hiervoor is dat de
systemen en de werkprocessen van enerzijds de SVB en anderzijds de fondsen
niet goed op elkaar aansluiten. Voor de SVB betekent het dat veel van de
werkzaamheden niet geautomatiseerd maar handmatig moeten worden
verricht.
Thans wordt daarom
voorgesteld om de mogelijkheid om vergunning te verlenen aan
pensioenfondsen af te schaffen. Voordeel daarvan is ten eerste dat een besparing
op de uitvoeringskosten wordt bereikt van jaarlijks rond de kwart miljoen
gulden, doordat de werkzaamheden vereenvoudigd worden. Immers, er hoeven
geen aparte interne procedures meer te bestaan voor enerzijds
de rechtstreekse betalingen aan burgers en anderzijds de betalingen
via een pensioenfonds. Een ander voordeel is dat de procedures en de verantwoordelijkheden inzichtelijker worden voor de
burger. Het moet
duidelijk zijn dat de SVB verantwoordelijk is voor de betaling van de
uitkering, de overheid voor de regelgeving omtrent de belasting- en
premieheffing en het pensioenfonds voor de vaststelling en betaling van het
aanvullende pensioen. Tot slot kan als voordeel genoemd worden dat de
rechtmatigheid van de uitkering en het toezicht daarop verbeterd worden.
Voor de volledigheid zij
nog opgemerkt dat het aantal pensioenfondsen dat deze vergunning
heeft, beperkt is tot twaalf. Het aantal pensioengerechtigden is echter relatief
groter, namelijk circa 500 000.
Het beleid van de SVB is
er de laatste jaren op gericht geen nieuwe vergunningen meer te
verlenen. Verzoeken van fondsen om de vergunning in te trekken, zijn
steeds gehonoreerd.
4. Financiële gevolgen
Het laten vervallen van
de in de Wijzigingswet uit 1994 geregelde verhogingen van het basiskinderbijslagbedrag voor de jaren 2001, 2002 en 2003
levert de volgende
besparingen (x miljoen gulden) op: rblz.|3|
| 2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
Structureel |
| 20,3 |
47,3 |
73,5 |
89,8 |
117,0 |
Zoals in de vorige
paragrafen van het algemeen deel van deze memorie van toelichting vermeld,
zijn deze besparingen reeds ingezet voor de extra verhoging van het
basiskinderbijslagbedrag en de rangordebedragen per 1 januari 2000.
In
artikel II, onderdeel A, wordt een aanpassing voorgesteld van
artikel 7, derde lid, onderdeel a,
onder iiº, van de
AKW, leidende tot het schrappen van de daarin genoemde
termijn van één jaar voor de beoordeling of een kind in verband met
ziekte of gebreken uitwonend is.
Daardoor wordt de voor de
SVB in het algemeen voor deze situaties geldende
beoordelingstermijn van een halfjaar van toepassing. Deze aanpassing brengt extra
uitkeringslasten met zich mee van maximaal ƒ1 miljoen op jaarbasis.
Het schrappen van de
afrondingsbepaling uit de
AKW (artikel II, onderdeel B, onder 2) brengt de
volgende opbrengsten (x miljoen guldens) met zich mee (prijspeil 1999):
| 2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
Structureel |
| 2,7 |
3,6 |
3,6 |
3,6 |
3,6 |
Dat de financiële
effecten in 2001 lager zijn dan de daaropvolgende jaren is het gevolg van de
weergave van de effecten op kasbasis.
De besparing op de
uitvoeringskosten van de SVB als gevolg van het schrappen in de AOW
en Anw van de mogelijkheid van betaling van deze uitkeringen door
vergunninghouders bedraagt jaarlijks een kwart miljoen gulden.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
Onderdeel A
Zie
algemeen gedeelte van
deze toelichting.
Onderdeel B
In de huidige wetgeving
was niet vastgelegd in welke volgorde de diverse wijzigingen van het
basiskinderbijslagbedrag, ingeval zij samenvallen, dienen plaats te vinden.
De voorgestelde wijziging in artikel V, vierde lid, van de Wijzigingswet uit
1994 beoogt hierin duidelijkheid te verschaffen. Ingeval een verhoging van
de kinderbijslag op grond van de Wijzigingswet uit 1994 samenvalt met
een herziening of verhoging op grond van artikel
13, tweede
respectievelijk vierde lid, van de
AKW, wordt het kinderbijslagbedrag eerst
gewijzigd op grond van artikel 13 en daarna verhoogd op grond van de Wijzigingswet uit 1994.
rblz.|4|
Artikel II
Onderdeel A
Op grond van het huidige
artikel 7, derde lid, onderdeel a, onder iiº, van de
AKW bestaat voor een
kind jonger dan 16 jaar dat in verband met ziekte of gebreken hetzij het
afgelopen jaar, hetzij vermoedelijk het eerstkomende jaar niet tot het
huishouden van de verzekerde of als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het
huishouden van een ander zal behoren, aanspraak op dubbele kinderbijslag. In de praktijk blijkt de, achteraf al dan niet terechte, verwachting
of een kind vermoedelijk het eerstkomende jaar al dan niet tot het
huishouden van de verzekerde zal behoren in combinatie met de bepaling dat het
kind het afgelopen jaar niet tot dat huishouden behoorde, tot een
ongewenst "loterijeffect" te leiden. Dit effect geldt ten aanzien van de
aanspraak op dubbele kinderbijslag en de aanspraak op een
tegemoetkoming op grond van de Regeling
tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000
(TOG 2000). Niet alleen voor de
toepassing van de
AKW, maar ook bij de toepassing van andere
volksverzekeringen speelt de interpretatie van de term "tot het
huishouden" behoren.
Mede op grond van de jurisprudentie heeft de Sociale Verzekeringsbank
beleidsregels opgesteld voor situaties waarin tijdelijk verblijf elders
dan op het normale hoofdverblijf wordt gehouden. Kort samengevat wordt bij
een tijdelijk verblijf anders [elders, red.] van maximaal zes maanden de betrokkene nog
geacht op zijn hoofdverblijf te verblijven. Door de in dit onderdeel voorgestelde aanpassing van
artikel 7 wordt
bereikt dat bij de
toepassing van de volksverzekeringen in alle gevallen eenzelfde beleid wordt
gevoerd indien men tijdelijk elders verblijf houdt.
Onderdeel B
Eerste lid
Door de verwijzing in het
eerste lid van artikel 12 van de
AKW, naar de Wijzigingswet uit 1994,
wordt bereikt dat ook het bedrag waarmee het basiskinderbijslagbedrag
op grond van die Wijzigingswet uit 1994 wordt verhoogd in het in dat
artikel genoemde basiskinderbijslagbedrag wordt verwerkt. Dit zal de
duidelijkheid omtrent de hoogte van het basiskinderbijslagbedrag ten goede komen.
Tweede lid
In
artikel 12, derde lid,
van de
AKW is geregeld dat het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal
uit te betalen totale bedrag aan kinderbijslag
naar boven op een
veelvoud van een gulden wordt afgerond. Voorgesteld wordt dit artikellid te
schrappen.
De afrondingsbepaling is
in de kinderbijslagwetten gekomen toen de kinderbijslag in veel
gevallen nog via de werkgever handmatig aan de werknemers (loontrekkenden)
werd uitbetaald. Het afronden op een veelvoud van een gulden werd
destijds als een vereenvoudiging van de administratieve procedure beschouwd.
De kinderbijslag wordt
thans echter in alle gevallen (een uitzondering daargelaten) langs
elektronische weg overgemaakt. De afronding op een veelvoud van een gulden
vergt in de huidige procedure een extra handeling alvorens tot betaling kan
worden overgegaan. Het laten vervallen van de afrondingsbepaling
leidt derhalve tot een vereenvoudiging van het huidige administratieve
proces.
Bovendien komt, met het
vervallen van de afrondingsbepaling, de uitbetaling van kinderbijslag in lijn
met de uitbetaling van uitkeringen op grond van alle andere sociale
verzekeringen en voorzieningen, die ook zonder afronding plaatsvindt.
rblz.|5|
Omdat deze wijziging
aanpassing in het automatiseringssysteem van de Sociale Verzekeringsbank
vereist, wordt voorgesteld deze wijziging met ingang van 1 januari 2001
in werking te laten treden.
Onderdeel C
Eerste lid
In het huidige
artikel 13, vijfde lid, van de
AKW staat dat, als een bijzondere verhoging zou samenvallen
met een herziening van de kinderbijslagbedragen in verband met aanpassing
van die bedragen aan het prijsindexcijfer, de indexering achterwege
dient te blijven. In de praktijk wordt deze bepaling feitelijk niet toegepast. Indien een verhoging en een indexering
van de
kinderbijslagbedragen samenvallen, wordt het bedrag van de bijzondere verhoging
vastgesteld inclusief het op dat moment te indexeren bedrag. Dit betekent dat er op grond van
artikel 13, tweede lid,
geen ministeriële
regeling getroffen hoeft te worden en dat kan worden volstaan met het treffen
van een algemene maatregel van bestuur.
Gelet op het vorenstaande
wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt artikel
13, vijfde lid,
aan de praktijk aan te passen, dat wil zeggen dat, ingeval de bijzondere
verhoging en een verhoging als gevolg van een wijziging van het
prijsindexcijfer samenvallen, hiervoor één algemene maatregel van bestuur
wordt getroffen. Om verwarring te voorkomen, wordt tevens bepaald dat
de herziening dient te geschieden voorafgaande aan de bijzondere
verhoging. Hiermee wordt voorkomen dat de bijzondere verhoging per datum
inwerkingtreding ook geïndexeerd moet worden.
Tweede lid
Dit onderdeel betreft een
verbetering van artikel 13, zevende lid. In dat lid wordt verwezen naar het
niet meer bestaande vijfde en zesde lid van artikel 12, terwijl
bedoeld wordt te verwijzen naar het tweede lid van artikel
12.
Onderdeel D
Dit onderdeel betreft een
verbetering van artikel 14, derde lid, van de
AKW. Het beoogt te
regelen dat het recht op kinderbijslag in beginsel met een maximale
terugwerkende kracht van één jaar kan worden toegekend. Abusievelijk wordt
hiervoor in de huidige redactie van het artikellid gesteld dat het recht op
kinderbijslag niet kan worden vastgesteld.
Onderdeel E
Tijdens het opstellen van
de TOG 2000, een op de Kaderwet
SZW-subsidies gebaseerde regeling, is
door de Sociale Verzekeringsbank (het uitvoeringsorgaan van
zowel de
AKW als de TOG 2000) verzocht een wettelijke regeling te
treffen om kinderbijslag op grond van de AKW te kunnen verrekenen met de
tegemoetkoming op grond van eerder genoemde regeling. De
noodzaak hiertoe kan zich voordoen in de situatie dat een kind dat
gehandicapt is als bedoeld in de TOG 2000, op de peildag voor de kinderbijslag
niet meer opgenomen blijkt te zijn in een (AWBZ-)instelling maar weer
thuiswoont. In dat geval kan de tweevoudige kinderbijslag abusievelijk nog een
kwartaal zijn doorbetaald (terwijl slechts recht bestaat op enkelvoudige
kinderbijslag), terwijl anderzijds aanspraak kan bestaan op een
tegemoetkoming op grond van de TOG 2000.
Artikel III en
IV
Het afschaffen van de
mogelijkheid tot vergunningverlening geschiedt door het laten vervallen
van artikel 19, vijfde lid, van de AOW
en artikel 48, rblz.|6|
tweede lid, van de Anw.
Als gevolg hiervan diende artikel 19, zesde lid, van de
AOW en artikel 48,
derde lid, van de Anw vernummerd te worden tot respectievelijk vijfde en
tweede lid. Hierbij is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt de tekst van die
artikelleden aan te passen in verband met de verwijzing naar de
vervallen artikelleden. Om de SVB en de pensioenfondsen enige voorbereidingstijd
te gunnen, zullen deze wijzigingen eerst met ingang van 1 januari
2002 in werking treden.
Artikel V
Bij het opstellen van de
TOG 2000 bleek dat, zonder aanpassing van bijlage C van de
Beroepswet, aan beroepszaken in verband met die TOG 2000 een hoog
griffierecht verbonden was op grond van artikel
8:41, derde lid, Algemene wet
bestuursrecht, terwijl bij beroepszaken in verband met de
AKW (die
in de TOG grotendeels van overeenkomstige toepassing is verklaard)
een laag griffierecht van toepassing is. Door verwijzing in bijlage C
naar de Kaderwet
SZW-subsidies, waarop de TOG 2000 is gebaseerd, wordt
bereikt dat ook in beroepszaken met betrekking tot de TOG 2000 een laag
griffierecht geldt.
Ook ten aanzien van de
Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers is het in verband met de toegankelijkheid van beroep wenselijk een laag
griffierecht van
toepassing te laten zijn. Aanpassing van bijlage C van de
Beroepswet is daarom ook
in verband daarmee noodzakelijk. Plaatsing van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, die als ministeriële
regeling evenals de TOG
gebaseerd is op de Kaderwet SZW-subsidies, in bijlage C van de
Beroepswet heeft ook tot gevolg dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het
hoger beroep tegen besluiten op grond van deze regeling gaat behandelen.
Een dergelijke toedeling past binnen het taakveld van de CRvB en ligt voor
de hand gezien de overeenkomst tussen deze regeling en de
overige socialezekerheidsregelingen, die reeds onder de competentie van de
Raad vallen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|