|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2000-2001, 27 448.
Handelingen II 2000-2001, blz. 2169.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 448 (126, 126a).
Handelingen I 2000-2001, zie vergadering d.d. 18 december 2000.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 21 december 2000, Stb.
2000, 605, houdende wijziging van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten in verband met de invoering van de mogelijkheid tot een
vrijwillige voortzetting van de bijzondere ziektekostenverzekering
ingevolge die wet en van de Wet financiering volksverzekeringen in
samenhang daarmee (vrijwillige verzekering AWBZ).
Inwerkingtreding: 29 december 2000.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een vrijwillige voortzetting van de verzekering voor
bijzondere ziektekosten mogelijk te maken ten behoeve van bepaalde
categorieën van buiten Nederland wonende personen van wie de
verzekering van rechtswege ingevolge artikel 5 van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten is geëindigd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
[MvT]
De Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT
+ bis]
Aan artikel 9 wordt een
vierde en vijfde lid toegevoegd, luidende als volgt:
-4. Onverminderd het eerste
en tweede lid komt voor degene die vrijwillig verzekerde is
ingevolge artikel 32a de inschrijving eerst tot stand
nadat hij de beschikking,
bedoeld in artikel 32b, derde lid, heeft
overgelegd.
-5. Het ziekenfonds, de
ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan waarbij betrokkene
wordt ingeschreven, stelt de Sociale Verzekeringsbank terstond van de inschrijving
in kennis.
B. [MvT
+ bis]
Na hoofdstuk IV van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten wordt een
hoofdstuk IVa ingevoegd,
luidende als volgt:
HOOFDSTUK IVA. Vrijwillige verzekering
Art. 32a. [MvT
+ bis
+ bis]
-1. Degene wiens verzekering
ingevolge artikel 5 is geëindigd, kan de verzekering op grond van
deze wet vrijwillig voortzetten indien hij buiten Nederland woont en:
a. op de dag van vertrek uit
Nederland recht had op:
1e. een uitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
2e. een uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen;
3e. een pensioen op basis van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, zoals die luidde vóór 1 januari 1996, dan wel een WAO-conforme
uitkering op grond van de Wet
privatisering ABP, zoals die luidde vóór 1
januari 1998, een pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op
grond van de Spoorwegpensioenwet, zoals die luidde vóór 1 januari 1994,
dan wel een pensioen op basis van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds of een pensioen op basis van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene
militaire pensioenwet, zoals die luidde vóór 1 januari 1998;
4e. een uitkering op grond
van de Algemene Ouderdomswet;
5e. een nabestaandenuitkering
op grond van de Algemene nabestaandenwet;
6e. een uitkering of toelage
op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die luidde op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe
en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;
7e. een uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
8e. een uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
voor zover en zolang hij die
uitkering, dat pensioen of die toelage ontvangt en die uitkering,
dat pensioen of die toelage ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde
bedrag; dan wel
b. recht heeft op een
uitkering, een pensioen of een toelage als bedoeld onder a indien dat recht
aansluit op de verzekering van rechtswege op grond van de
volksverzekeringen, dan wel, ter vervanging daarvan, op een andere uitkering,
pensioen of toelage, bedoeld onder a, zolang hij die uitkering, dat pensioen of
die toelage ontvangt en die uitkering, dat pensioen of die toelage ten
minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.
-2. Het eerste lid is slechts
van toepassing op personen die onmiddellijk voorafgaand aan de
ingangsdatum van de vrijwillige verzekering ten minste één jaar onafgebroken
verzekerd zijn geweest ingevolge deze wet.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing op personen die buiten Nederland arbeid verrichten
of een uitkering ontvangen krachtens een buitenlandse wettelijke
regeling.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere groepen van rechthebbenden op
uitkeringen of pensioenen dan bedoeld in het eerste lid worden aangewezen die de
verzekering op grond van deze wet vrijwillig kunnen
voortzetten, dan wel kan daarbij worden bepaald dat de echtgenoot van een persoon
als bedoeld in het eerste lid of in dit lid deze verzekering vrijwillig kan
voortzetten.
Art. 32b.
[MvT
+ bis
+ bis]
-1. Aanmelding voor de
vrijwillige verzekering geschiedt uiterlijk twaalf maanden na de dag waarop de
verzekering ingevolge artikel 5 is geëindigd, bij de
Sociale Verzekeringsbank.
-2. De vrijwillige
verzekering ingevolge artikel 32a gaat in op de dag
volgend op die waarop de
verzekering ingevolge artikel 5 is geëindigd.
-3. De Sociale
Verzekeringsbank verstrekt bij beschikking aan de persoon die voldoet aan de
in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden een verklaring waaruit blijkt
dat betrokkene is verzekerd ingevolge artikel
32a en vanaf welke datum.
-4. Degene die vrijwillig is
verzekerd ingevolge artikel 32a is verplicht
aan de Sociale
Verzekeringsbank de gegevens te verschaffen die deze behoeft voor de vaststelling
van de premie voor de vrijwillige verzekering. Tevens is hij verplicht de
Sociale Verzekeringsbank, het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of
het uitvoerend orgaan op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de rechten en verplichtingen
voortvloeiend uit de vrijwillige verzekering.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanmelding voor de
vrijwillige verzekering en de te verschaffen gegevens en inlichtingen.
Art. 32c. [MvT
+ bis
+ bis]
-1. De vrijwillige
verzekering ingevolge artikel 32a eindigt:
a. met ingang van de dag
waarop betrokkene niet langer voldoet aan de in artikel
32a gestelde
voorwaarden;
b. met ingang van de eerste
dag van de tweede maand volgend op die waarin de Sociale Verzekeringsbank
een schriftelijke opzegging van de verzekerde heeft ontvangen;
c. met ingang van de dag
waarop de betrokkene van rechtswege verzekerd wordt ingevolge
artikel 5;
d. met ingang van de dag
volgend op de laatste dag van de door de Sociale Verzekeringsbank
gestelde termijn waarbinnen de premie, bedoeld in artikel 25 van de
Wet financiering volksverzekeringen, uiterlijk moet zijn betaald indien die
betaling niet heeft plaatsgevonden;
e. met ingang van de dag
volgend op de laatste dag van de door de Sociale Verzekeringsbank
gestelde termijn waarbinnen de voor de uitvoering van de
vrijwillige verzekering verlangde gegevens moeten zijn verstrekt indien die
gegevens niet zijn verstrekt.
-2. De Sociale
Verzekeringsbank, het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend
orgaan
waarbij betrokkene is ingeschreven, stellen elkaar over en weer
terstond in kennis van het einde van de vrijwillige verzekering.
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake
de beëindiging van de vrijwillige verzekering.
Art. II.
[MvT]
De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 2, onderdeel a,
wordt "d" vervangen door: e.
B.
[MvT]
Aan artikel 2 wordt, na
vervanging van de punt aan het einde van onderdeel d door een
puntkomma, een onderdeel e toegevoegd, luidende:
e. vrijwillige verzekering
bijzondere ziektekosten: de verzekering, bedoeld in artikel
32a van
de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten.
C. [MvT]
In artikel 25 wordt de
zinsnede "en de vrijwillige nabestaandenverzekering" vervangen door : , de
vrijwillige nabestaandenverzekering of de vrijwillige verzekering
bijzondere ziektekosten.
D. [MvT]
In artikel 26, eerste lid,
wordt de zinsnede "en de vrijwillige nabestaandenverzekering"
vervangen door: , de vrijwillige nabestaandenverzekering of de vrijwillige
verzekering bijzondere ziektekosten.
E. [MvT]
In artikel 27, derde lid,
wordt de zinsnede "en de vrijwillige nabestaandenverzekering"
vervangen door: , de vrijwillige nabestaandenverzekering of de vrijwillige
verzekering bijzondere ziektekosten.
F. [MvT]
In artikel 39, eerste lid,
onderdeel a, wordt na "algemene verzekering bijzondere
ziektekosten"
toegevoegd: en voor de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten.
G. [MvT]
In artikel 39, derde lid,
onderdeel a, wordt na "algemene verzekering bijzondere
ziektekosten"
toegevoegd: en van de vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten.
Art. III.
[MvT]
-1. In afwijking van artikel
32b, eerste lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten geschiedt aanmelding
voor de vrijwillige verzekering van de in
artikel 32a, eerste en tweede lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten bedoelde
personen van wie de verzekering
ingevolge artikel 5 van die
wet is geëindigd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, uiterlijk
twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
-2. De vrijwillige
verzekering ingevolge hoofdstuk IV van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten gaat voor
de in het eerste lid bedoelde personen in op de dag
volgend op die waarop de verzekering ingevolge artikel 5
van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten is geëindigd, doch
niet vroeger dan 1 januari
2000.
-3. In afwijking van artikel
25 van de Wet financiering volksverzekeringen
zijn personen, bedoeld in
het eerste lid, eerst premie verschuldigd met ingang van het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet.
-4. Indien een persoon als
bedoeld in het eerste lid is overleden tussen 31 december 1999 en de datum
van inwerkingtreding van deze wet, hebben diens erfgenamen, ten
laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten,
ter zake van kosten van zorg als bedoeld in het Besluit zorgaanspraken
bijzondere ziektekostenverzekering, niet omvattende de intramurale
zorg als bedoeld in de paragrafen 3,
4, 5,
6 en 7 van
dat besluit, recht op
een vergoeding ter zake van die kosten, voor zover de overledene op
31 december 1999 ingevolge artikel 34, eerste lid, onderdeel b, en
derde lid, van dat besluit
in verbinding met de Regeling hulp in bijzondere
omstandigheden AWBZ voor rekening van het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten die aanspraak had, en die zorg op een tijdstip gelegen
uiterlijk op die dag is aangevangen. Artikel
34, eerste lid, onderdeel b, en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken
bijzondere ziektekostenverzekering in verbinding met de Regeling hulp in
bijzondere omstandigheden AWBZ is van overeenkomstige toepassing.
-5. De erfgenamen, bedoeld in
het vierde lid, wenden zich voor het tot gelding brengen van het
recht op vergoeding, binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze
wet tot de Sociale Verzekeringsbank. De Sociale Verzekeringsbank
beoordeelt of de overledene tot de vrijwillige verzekering had kunnen
toetreden indien hij nog had geleefd, met dien verstande dat bij die
beoordeling artikel 32a, tweede lid, van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten buiten toepassing blijft. De Sociale Verzekeringsbank
geeft aan de erfgenamen een
verklaring af. Voor het verkrijgen van een vergoeding wenden de
erfgenamen zich tot het ziekenfonds, de ziektekostenverzekeraar of
de voor de uitvoering van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten toegelaten ziektekostenverzekeraar bij wie de
overledene tot het
overlijden als verzekerde was ingeschreven, onder overlegging van de door de
SVB afgegeven verklaring.
Art. IV.
[MvT]
Deze wet treedt in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
21 december 2000
BEATRIX
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|