|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 448
Wijziging
van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten in verband met de invoering van de mogelijkheid tot een
vrijwillige voortzetting van de bijzondere ziektekostenverzekering
ingevolge die wet en van de Wet financiering volksverzekeringen
in samenhang daarmee (vrijwillige verzekering
AWBZ)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 |
| 3 |
Consequenties van het
KB 746 |
| 4 |
Wetsvoorstel inzake de
invoering van een vrijwillig voortgezette verzekering AWBZ |
| 5 |
Kring van
belanghebbenden |
| 6 |
Termijn van aanmelding |
| 7 |
Consequenties
vrijwillige beëindiging |
| 8 |
Aanmelding en
inschrijving |
| 9 |
Zorgverzekeraar,
aanspraken en premie |
| 10 |
Overgangsrecht |
| 11 |
Voorlichting |
|
xArtikelsgewijs |
| xx| |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
1.
Inleiding
Iedereen
die in Nederland woont, is van rechtswege verzekerd voor de
volksverzekeringen. Ter onderscheiding van de vrijwillige verzekering
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) die onderwerp is van
het thans voorliggende wetsvoorstel, wordt in het hiernavolgende voor de
AWBZ-verzekering
van rechtswege de term verplichte verzekering gehanteerd. Onder de
volksverzekeringen wordt verstaan de Algemene Ouderdomswet (AOW), de
Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en
de AWBZ. Verplicht verzekerd is bovendien degene die niet in
Nederland woont, maar die hier te lande in dienstbetrekking werkt en aan de
loonbelasting is onderworpen.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kan uitbreiding dan wel beperking aan de kring
van verzekerden worden gegeven.
2. Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
Op 1 januari 1999 is in
werking getreden het Besluit uitbreiding
en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: KB 746). Dat
besluit vervangt het
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989
(KB 164).
Aan KB 746 ligt de
doelstelling ten grondslag om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke
bedoeling van de volksverzekeringen, namelijk dat slechts diegenen die in
Nederland wonen verplicht verzekerd zijn. Nationale socialezekerheidsaanspraken
in grensoverschrijdende situaties dienen in beginsel
slechts te worden verleend indien internationale coördinatieregelingen op
het gebied van de sociale zekerheid (Verordening (EEG) nr. 1408/71) dan
wel bi- en multilaterale verdragen) daarin voorzien.
De regering heeft het
standpunt ingenomen dat de zorgplicht van de overheid ingevolge de
nationale wetgeving zich in beginsel niet tot over onze landsgrenzen
uitstrekt. Degenen die in een ander land gaan wonen, onderwerpen zich aan de
wet- en regelgeving van dat land en worden dus geconfronteerd met de wijze waarop de overheid van dat land invulling
rblz.|2|
geeft aan haar
verantwoordelijkheden. Of betrokkenen vervolgens verzekerd kunnen worden in het
woonland en aldaar soortgelijke verstrekkingen kunnen genieten als
voorzien in de AWBZ, is afhankelijk van de voorwaarden die de
wetgeving ter zake van verzekering stelt en het verstrekkingenpakket
waarin die wetgeving voorziet. Aangezien er binnen de EU geen sprake is van
harmonisatie, kan dat per lidstaat verschillen. KB 746 impliceert onder
meer dat personen die een Nederlands pensioen of uitkering uit hoofde
van de socialeverzekeringswetgeving of daaraan
gelijk te stellen pensioenen of uitkeringen ontvangen, maar die in het buitenland wonen, niet
langer verzekerd zijn voor de volksverzekeringen en dus ook niet voor de
AWBZ. Voor buiten Nederland wonende personen die op 31 december 1999
al een Nederlandse langlopende socialezekerheidsuitkering of pensioen ontvingen
(zogenaamde postactieven), is de beëindiging van de
verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen, en derhalve ook voor de
AWBZ, op 1 januari 2000 effectief geworden.
Voor personen die na 1
januari 2000 naar het buitenland zijn vertrokken, gold de nieuwe situatie
direct. Uiteraard is vanaf het moment dat men niet meer verzekerd is
ingevolge de AWBZ ook geen AWBZ-premie meer verschuldigd. De
uitsluiting van met name de AWBZ-verzekering van de hiervoor bedoelde groep
postactieve uitkeringsgerechtigden heeft vele reacties teweeggebracht.
Uit deze reacties is gebleken dat het vinden van een alternatieve
verzekering met name voor oudere personen een probleem vormt.
3. Consequenties van het
KB 746
Over de consequenties van
KB 746 en met name over de onderhavige problematiek heeft op 11
mei 2000 een algemeen overleg plaatsgevonden met de Vaste Commissies
voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Bij die
gelegenheid is toegezegd dat de mogelijkheden zullen worden onderzocht
van de invoering van de mogelijkheid tot een vrijwillige voortzetting
van de AWBZ-verzekering voor de betrokken uitkeringsgerechtigden.
Voor degene die gebruik
maakt van een dergelijke vrijwillige verzekering
zouden dan de verzekeringsvoorwaarden van de verplichte
AWBZ-verzekering integraal van toepassing zijn.
Als overgangsmaatregel
zal daarbij gelden dat de vrijwillige verzekering AWBZ
voor de betrokken uitkeringsgerechtigden van wie op of na 1 januari 2000 de
verplichte verzekering AWBZ is geëindigd als gevolg van het vervallen van
artikel
26 van het
KB 746, terugwerkende kracht wordt verleend tot de datum waarop voor betrokkenen de AWBZ-verzekering
eindigde. Over de periode
van terugwerkende kracht zal geen premie verschuldigd zijn. Tevens
is toegezegd dat wordt bewerkstelligd dat naast de huidige, tot intramurale zorg beperkte overgangsregeling een overgangsregeling
tot stand komt voor
extramurale zorg.
4. Wetsvoorstel inzake de
invoering van een vrijwillig voortgezette verzekering AWBZ
Het College voor
zorgverzekeringen heeft in zijn vergadering van 13 juli 2000 het Rapport
vrijwillige voortzetting AWBZ-verzekering vastgesteld.
Dit rapport heeft als
uitgangspunt voor het onderhavige wetsvoorstel gediend. Tevens is zoveel
als mogelijk aansluiting gezocht bij de reeds bestaande vrijwillige verzekeringsregeling
AOW/Anw en het
voorstel van Wet herziening vrijwillige
verzekering AOW en Anw dat binnenkort aan de Kamer zal worden
aangeboden. Met het onderhavige voorstel worden de hoofdelementen van de
nieuwe vrijwillige verzekering AWBZ opgenomen en wordt hetgeen
noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet geregeld
rblz.|3|
bij ministeriële
regeling. Daartoe wordt in de AWBZ een hoofdstuk
IVa Vrijwillige verzekering
voorgesteld.
5. Kring van
belanghebbenden
De kring van
belanghebbenden van de voorgestelde vrijwillige verzekering AWBZ
omvat de buiten Nederland wonende postactieven die een langlopende
socialeverzekeringsuitkering ontvangen, zoals genoemd in het per 1 januari
vervallen artikel 26 van
KB 746 en die tevens voldoen aan de in dat artikel
gestelde nadere voorwaarden.
Ook mogen zij niet op
enige andere titel verplicht verzekerd zijn ingevolge de AWBZ. Voorts is voor
de toetreding tot de vrijwillige verzekering AWBZ vereist dat men
onmiddellijk voorafgaand aan de vrijwillige verzekering AWBZ ten minste
één jaar
verzekerd is geweest ingevolge de AWBZ.
6. Termijn van aanmelding
Het onderhavige voorstel
voorziet erin dat de belanghebbende zich binnen vier maanden na
beëindiging van de verplichte AWBZ-verzekering
voor de vrijwillige
verzekering AWBZ moet hebben aangemeld, zulks om risicoselectie (dat wil
zeggen aanmelding op het moment dat men daadwerkelijk kosten dreigt te gaan
maken) te voorkomen. Deze termijn komt overeen met de termijn
die wordt gehanteerd voor de aanmelding voor de standaardverzekeringsovereenkomst
in het kader van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998. De vrijwillige verzekering
AWBZ gaat dan met
terugwerkende kracht tot de datum van beëindiging van de verplichte
AWBZ-verzekering in, zodat aansluitende verzekering ontstaat. Hetzelfde geldt
voor de premieplicht.
7. Consequenties
vrijwillige beëindiging
Degene die de AWBZ-verzekering vrijwillig heeft voortgezet, kan deze
desgewenst ook weer
beëindigen. Hernieuwde toetreding tot de vrijwillige verzekering AWBZ is
slechts mogelijk als men onmiddellijk voorafgaand aan de ingangsdatum van
de hernieuwde vrijwillige verzekering AWBZ ten minste één jaar verzekerd is geweest ingevolge de AWBZ. De vrijwillige
verzekering AWBZ kan
slechts aansluiten op een periode van verplichte verzekering.
De situatie kan zich voordoen dat een buiten Nederland wonende vrijwillig verzekerde zich wederom tijdelijk in Nederland
vestigt. Op grond van het
ingezetenschap ontstaat dan verplichte AWBZ-verzekering. Indien
de referte-eis uitsluitend betrekking zou hebben op tijdvakken van verplichte
AWBZ-verzekering, zou belanghebbende bij
hernieuwd vertrek uit
Nederland binnen één jaar, geen vrijwillige verzekering meer kunnen afsluiten. In
een situatie waarin een verplichte verzekering direct aansluit op een
periode van vrijwillige verzekering AWBZ dienen voor de
beoordeling of aan de referte-eis van één jaar wordt voldaan de tijdvakken
van vrijwillige verzekering AWBZ en van verplichte AWBZ-verzekering te
worden samengeteld.
8. Aanmelding en
inschrijving
Degene die de AWBZ-verzekering vrijwillig wil voortzetten, meldt zich bij
voorkeur vóór vertrek
uit Nederland, doch uiterlijk binnen vier maanden daarna, aan bij de
Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). Deze beoordeelt of betrokkene aan de
voorwaarden voldoet voor de vrijwillige verzekering AWBZ. De SVB geeft
vervolgens een beschikking af waaruit blijkt dat betrokkene vrijwillig
verzekerd is en met ingang van welke datum. Het AWBZ-uitvoeringsorgaan
gaat eerst tot inschrijving over nadat belanghebbende de beschikking heeft
overgelegd. Dit orgaan heeft de verplichting de SVB onmiddellijk van
de inschrijving in kennis te stellen. Aldus is de rblz.|4|
SVB op de hoogte bij welk
AWBZ-uitvoeringsorgaan betrokkene is ingeschreven. De SVB en het betrokken
AWBZ-uitvoeringsorgaan stellen elkaar spontaan en
desgevraagd in kennis van mutaties en van beëindiging van de vrijwillige
verzekering AWBZ.
9. Zorgverzekeraar,
aanspraken en premie
Op degenen die zijn
toegelaten tot de vrijwillige verzekering AWBZ zijn de
rechten en verplichtingen
die in de AWBZ zijn voorzien integraal van toepassing.
Dat heeft onder meer de
volgende consequenties:
Degene die de
AWBZ-verzekering vrijwillig heeft voortgezet en die tevens in Nederland particulier
tegen ziektekosten is verzekerd of deelneemt aan een publiekrechtelijke
ziektekostenverzekering voor ambtenaren, is daarmee tevens overeenkomstig
artikel 9 van de AWBZ bij die particuliere
ziektekostenverzekeraar
of dat orgaan dat de publiekrechtelijke ziektekostenregeling uitvoert, ingeschreven als
AWBZ-verzekerde. De anderen zullen zich kunnen
inschrijven bij een ziekenfonds of een particuliere ziektekostenverzekeraar
van hun keuze.
Degene die de
AWBZ-verzekering vrijwillig heeft voortgezet, kan jegens het
AWBZ-uitvoeringsorgaan aan de verzekering dezelfde rechten ontlenen als de verplichte
AWBZ-verzekerden. Dit betekent dat zij aanspraak hebben op zorg in
natura.
Bij verblijf in het buitenland bestaat aanspraak op vergoeding van kosten
voor AWBZ-zorg met toepassing van artikel
34, eerste lid, onderdeel b,
en derde lid, van het Besluit zorgaanspraken
bijzondere
ziektekostenverzekering in verbinding met de Regeling hulp in bijzondere
omstandigheden
AWBZ. Deze regeling heeft een aanvullend karakter, dat wil zeggen
dat vergoeding plaatsvindt op basis van de AWBZ-voorwaarden voor
zover de kosten niet ten laste van het woonland komen.
Voor de vrijwillige
verzekering AWBZ is premie verschuldigd. De premie wordt op dezelfde wijze
berekend als voor degene die verplicht AWBZ-verzekerd is. Evenals dat het geval
is voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige
algemene nabestaandenverzekering, wordt ten aanzien van de vrijwillige verzekering AWBZ in
hoofdstuk III van de Wet financiering
volksverzekeringen (de artikelen 25 tot en met
27) de mogelijkheid gecreëerd
om bij of krachtens een AMvB regels te stellen inzake het tarief, de vaststelling van de in rekening te brengen premie en
de inning. Voor wat
betreft het tarief van de premie zal worden aangesloten bij de regels betreffende
de verplichte AWBZ-verzekering. In afwijking van de vrijwillige AOW/Anw-verzekering zal voor de vrijwillige verzekering
AWBZ geen minimumpremie
gelden. Gezien de kring van belanghebbenden wordt
een minimumpremie niet opportuun geacht, omdat belanghebbenden altijd een Nederlands inkomen (uitkering of
pensioen) hebben. Bij
deelname aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering is dat niet per definitie
het geval.
De SVB wordt belast met
de vaststelling en inning van de premie voor de vrijwillige verzekering
AWBZ. De SVB zal een passende vergoeding ontvangen voor de
administratieve werkzaamheden voortvloeiende uit de vrijwillige verzekering
AWBZ. De juistheid van dit bedrag zal worden beoordeeld door het
College voor zorgverzekeringen, dat ervaring heeft met beheerskosten in het
kader van de uitvoering van de AWBZ. Voor de AWBZ-uitvoeringsorganen
geldt dat voor de uitvoering van de vrijwillige verzekering AWBZ de beheerskostenregeling in het kader van de AWBZ
van toepassing is.
rblz.|5|
10. Overgangsrecht
Verzekering met
terugwerkende kracht zonder verplichting tot premiebetaling
Degenen ten aanzien van
wie de AWBZ-verzekering op of na 1 januari 2000 is geëindigd (in
verband met het vervallen van artikel
26 van het
KB 746 en degenen van wie de
AWBZ-verzekering als gevolg van het niet langer ingezetene zijn
van Nederland is geëindigd op een tijdstip gelegen tussen 1 januari 2000 en
de datum van inwerkingtreding van de vrijwillige verzekering AWBZ), worden
bij tijdige aanmelding alsnog vrijwillig verzekerd vanaf het tijdstip waarop
de verplichte verzekering is geëindigd. Dat volgt uit de overgangsbepaling. De vrijwillige verzekering AWBZ sluit dan
naadloos aan op het einde
van de verplichte AWBZ-verzekering. Over de periode van terugwerkende
kracht is geen premie verschuldigd. In die periode gemaakte kosten
van zorg die vergelijkbaar zijn met de in de AWBZ geregelde vormen van
zorg (zowel intra- als extramurale zorg) kunnen worden vergoed op
basis van artikel 34, eerste lid, onderdeel
b, en derde lid, van het
Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenregeling en de
daarop gebaseerde
Regeling hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ. Van het aantal personen
dat gebruik zou kunnen maken van deze regeling is geen exacte indicatie
te geven. Volgens de beschikbare gegevens gaat het om circa 10 000 personen, verspreid over een groot aantal landen.
Artikel 25 KB 746
Artikel 25 van het
KB 746 voorziet in een overgangsregeling voor personen aan wie op het moment van
inwerkingtreding van
KB 746, als gevolg waarvan de AWBZ-verzekering werd beëindigd, reeds intramurale
zorg ten laste van de AWBZ
werd verleend. Deze personen houden op grond van artikel 25 van
KB 746 aanspraak op vergoeding van die zorg ten laste
van de AWBZ, zonder
onderliggende AWBZ-verzekering en zonder premieverplichting zolang de betreffende
zorg voortduurt. De regering wil niet tornen aan dat overgangsrecht, ook al kiest de betrokkene niet voor
de vrijwillige
verzekering AWBZ. Consequentie om niet over te gaan tot vrijwillige verzekering
is dat betrokkene geen recht heeft op andere vormen van AWBZ-zorg. In
het geval zo’n persoon uit de zorginstelling zou worden ontslagen en
thuiszorg nodig zou hebben, kan hij die niet uit hoofde van de vrijwillige
verzekering AWBZ ten laste van de AWBZ vergoed krijgen. Kiest betrokkene wel voor de vrijwillige verzekering
AWBZ, dan is daarvoor
uiteraard de volledige premie verschuldigd.
11. Voorlichting
De regering onderkent dat
het van belang is dat belanghebbenden omtrent de bij deze wet
voorziene vrijwillige verzekering AWBZ in algemene
zin en, waar mogelijk, op
individuele basis in een vroegtijdig stadium worden
geïnformeerd. Het College voor zorgverzekeringen is verzocht
ter zake het
nodige te verrichten ten behoeve van de voorlichting aan de betrokken personen
en instanties.
Artikelsgewijs
Artikel I
In dit artikel wordt in
de AWBZ een hoofdstuk
IVa toegevoegd inzake vrijwillige verzekering
AWBZ.
rblz.|6|
Onderdeel A
Dit onderdeel voorziet in
een bijzondere voorwaarde voor de inschrijving als vrijwillig verzekerde
bij een AWBZ-uitvoeringsorgaan. De verzekeringsgerechtigdheid
wordt ingevolge deze wet
beoordeeld door de SVB. De SVB geeft een beschikking
af waaruit blijkt dat belanghebbende aan de voorwaarden voor
vrijwillige verzekering voldoet. Voor het tot stand brengen van de
inschrijving dient deze beschikking te worden overgelegd aan het
AWBZ-uitvoeringsorgaan waarbij inschrijving wordt verzocht. Het AWBZ-uitvoeringsorgaan
moet de SVB van de inschrijving in kennis stellen.
Onderdeel B
Dit onderdeel voorziet in
de invoeging van een hoofdstuk IVa
in de AWBZ inzake vrijwillige
verzekering.
Artikel
32a
Het eerste en
derde lid
komen overeen met artikel 26, eerste tot en met het derde lid, van
KB 746. In het eerste lid is de
kern van de vrijwillige verzekering AWBZ neergelegd.
De in dit lid bedoelde postactieven kunnen de AWBZ-verzekering vrijwillig voortzetten.
In tegenstelling tot het tweede lid van artikel 26 van
KB 746 is niet de
mogelijkheid opgenomen dat men aansluitend nadat men op grond van een
vrijwillige AOW/Anw-verzekering een uitkering
ontvangt, zich alsnog kan
verzekeren voor de AWBZ. In dat geval wordt niet voldaan aan het
tweede lid. Het wordt niet opportuun geacht mensen die wellicht jarenlang
niet hebben bijgedragen aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
op een moment waarop zij, gezien hun leeftijd, een in verzekeringstermen
aanzienlijk risico vormen, alsnog in de gelegenheid te stellen zich vrijwillig te verzekeren voor de AWBZ.
Teneinde risicoselectie
te voorkomen, is in het tweede lid de voorwaarde opgenomen dat men direct
voorafgaande aan de aanmelding van vrijwillige verzekering AWBZ ten
minste één jaar krachtens de AWBZ verzekerd is geweest. De keuze tot
deelneming aan de vrijwillige verzekering AWBZ is in beginsel slechts eenmalig. Indien de vrijwillige verzekering AWBZ
evenwel door een periode
van verplichte verzekering wordt onderbroken, ontstaat de mogelijkheid
voor een hernieuwde vrijwillige verzekering AWBZ. Teneinde te voldoen
aan vorenbedoelde referte-eis, worden in voorkomend geval
tijdvakken van vrijwillige verzekering die onmiddellijk aan de verplichte
verzekering voorafgaan mede in aanmerking genomen.
Artikel
32b
Krachtens dit artikel
gaat de vrijwillige verzekering AWBZ in op de dag na
die waarop de verplichte AWBZ-verzekering is geëindigd.
Voorts is in dit artikel
bepaald binnen welke termijn de gewezen verzekerde bij de SVB
een aanmelding
moet indienen, wil hij de AWBZ-verzekering vrijwillig voorzetten.
Deze termijn beslaat vier maanden. De vrijwillige verzekering
AWBZ dient aan te sluiten op de verplichte verzekering. Betrokkene heeft vier
maanden de tijd om zich te beraden op de vraag of hij zich
vrijwillig wil verzekeren. Wil betrokkene dit, dan dient hij zich bij de SVB aan te
melden. Na ontvangst van de aanvraag stelt de SVB vast of betrokkene voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor de vrijwillige
verzekering AWBZ.
Betrokkene zal in verband hiermee een beschikking van de SVB ontvangen die
hij aan het AWBZ-uitvoeringsorgaan dient over te leggen. Tegen
deze beschikking staat, zo nodig, bezwaar en beroep open op grond van de
Algemene wet bestuursrecht. Vervolgens wordt bepaald wanneer de
vrijwillige verzekering AWBZ ingaat. Behalve de rblz.|7|
informatieplicht omtrent
inkomensgegevens ten behoeve van de premievaststelling, is de vrijwillig
verzekerde gehouden op verzoek en uit eigen beweging aan de SVB en de
AWBZ-uitvoeringsorganen alle informatie te verschaffen die van
invloed kan zijn op de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de vrijwillige verzekering AWBZ.
Artikel
32c
Dit artikel regelt de
beëindiging van de vrijwillige verzekering AWBZ.
De vrijwillig verzekerde
kan de AWBZ-verzekering slechts vrijwillig voortzetten indien niet uit anderen
hoofde sprake is van een verplichte AWBZ-verzekering, bijvoorbeeld op grond van
(hernieuwd) ingezetenschap in Nederland. De vrijwillige
verzekering AWBZ eindigt dan ook met ingang van de dag waarop
betrokkene verplicht AWBZ-verzekerd wordt. Daarnaast zijn er nog
andere wijzen waarop de vrijwillige verzekering AWBZ kan eindigen, zoals
door opzegging en als gevolg van het niet betalen van de
verschuldigde premie en bij het niet verstrekken van de, in verband met de
vaststelling van de bevoegdheid tot deelname aan de vrijwillige verzekering
AWBZ, verlangde inlichtingen binnen de door de SVB
gestelde termijn.
Artikel II
Dit artikel strekt ertoe
te regelen dat de wijze van financiering van de vrijwillige verzekering AWBZ
wordt geregeld in hoofdstuk III van de Wet
financiering volksverzekeringen. Door toevoeging van de vrijwillige verzekering
AWBZ aan de artikelen 25
tot en met 27 wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen inzake
de tariefhoogte, de vaststelling van de in rekening te brengen premie en de
inning.
De vaststelling en inning
wordt opgedragen aan de SVB. Voor wat betreft de tariefstelling wordt
aangesloten bij de in de Wet financiering volksverzekeringen
neergelegde hoofdregels.
Artikel III
Dit artikel voorziet in
een overgangsregeling ten behoeve van zogeheten "oude gevallen".
Degenen van wie de verplichte verzekering op of na 1 januari 2000, maar
vóór
de datum van inwerkingtreding van deze wet is geëindigd, kunnen zich
met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze wet gedurende vier
maanden aanmelden en zijn dan, als ze aan de voorwaarden voldoen, met
terugwerkende kracht tot de dag van beëindiging van de verplichte
verzekering vrijwillig verzekerd voor de AWBZ. Over de periode van terugwerkende kracht is geen premie verschuldigd.
Artikel
IV. Inwerkingtreding
Teneinde voor de
betrokken categorieën van personen op zo kort mogelijke termijn zekerheid te
verschaffen, streeft de regering ernaar dat dit wetsvoorstel nog vóór 1
januari 2001 in werking treedt.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|