|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 038
Wijziging
van de Ziekenfondswet en enige andere
wetten in verband met de instelling van een onafhankelijk College
van toezicht op de zorgverzekeringen (instelling
College van toezicht op de zorgverzekeringen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| 3 |
Algemene
uitgangspunten |
| 4 |
De instelling,
samenstelling en werkwijze van het College van toezicht op de
zorgverzekeringen |
| 5 |
De keuze voor twee
onafhankelijke nevengeschikte organen |
| 6 |
Verantwoordelijkheidsverdeling, taken en bevoegdheden |
| 6.1 |
Verantwoordelijkheidsverdeling |
| 6.2 |
Taken en
bevoegdheden |
| 7 |
Modernisering toezicht |
| 7.1 |
Inleiding |
| 7.2 |
Financiële
verantwoording |
| 7.3 |
Uitvoeringsverslag |
| 7.4 |
Verantwoordingstermijnen |
| 8 |
Toezicht op
subsidieverstrekking en -besteding en op de uitvoering van
internationale verdragen |
| 9 |
Veranderingen bij
sturingsorgaan en toezichthouder als gevolg van modernisering en
ontvlechting |
| 10 |
Financiële paragraaf |
| 11 |
Algemene rekenkamer |
|
xArtikelsgewijs |
| xxs |
Artikelen
I t/m XVII |
| xBijlage:
Taakoverzicht College voor zorgverzekeringen en College van
toezicht op de zorgverzekeringen |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel strekt tot modernisering en verzelfstandiging van het toezicht op de uitvoering
van de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ). Het regelt de instelling van het College van toezicht op
de zorgverzekeringen (College toezicht), de verdeling van taken, bevoegdheden
en verantwoordelijkheden van het College voor zorgverzekeringen
(College zorgverzekeringen) en het College toezicht, alsmede de
verhouding tussen de beide organen onderling en de verhouding tot de minister. Ook legt dit wetsvoorstel het fundament voor de modernisering van het
toezicht. Dit uit zich in het bijzonder in de herinrichting van de controle- en
verantwoordingsstructuur en in de aanscherping van de informatieverplichtingen van de uitvoeringsorganen
Zfw en AWBZ in verband
met de voortgaande tendens van samenwerking van publieke
zorgverzekeraars met private verzekeringsondernemingen (concernvorming).
De gezondheidszorg
- en
als onderdeel daarvan het terrein van de sociale ziektekostenverzekeringen
- is mede als gevolg van overheidsbeleid voortdurend in
ontwikkeling. De bepalingen met betrekking tot het toezicht zoals dat van
oudsher wordt uitgevoerd door de Commissie Toezicht
Uitvoeringsorganisatie (CTU) van de Ziekenfondsraad kregen geruime tijd geleden
vorm. De vraag deed zich dan ook voor of de huidige vormgeving en
positionering van het toezicht toereikend zijn om ook in de toekomst adequaat
toezicht te kunnen waarborgen. Een analyse van dit vraagstuk is neergelegd
in de nota Toezicht op verzekeringen in de gezondheidszorg (Nota
Toezicht) van april 1997 (Kamerstukken II 1996-1997, 25 308, nr. 1) met als
conclusie dat modernisering en herpositionering van het toezicht aangewezen
is. In de nota zijn duidelijke keuzen gemaakt voor de toekomstige vormgeving
en de organisatie van een efficiënt en effectief functionerend toezicht.
De Vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal benadrukte in april 1997 in een
notaoverleg het belang daarvan en onderschreef op hoofdlijnen de gemaakte
keuzen (Kamerstukken II 1996-1997, 25 173 enz., nr. 3). rblz.|2|
De Nota Toezicht
vormt daarmee de basis voor het onderhavige
wetsvoorstel.
Het voortgangsbericht aan
de Tweede Kamer van 13 juli 1998 (Kamerstukken II 1999-1998, 25 308, nr.
3) gaf een samenvatting van de uitgangspunten voor de modernisering en
verzelfstandiging van het toezicht, de uitwerking op hoofdlijnen, de
uitwerking van enkele inhoudelijke onderwerpen en de relatie met het wetsvoorstel houdende wijziging van de
Ziekenfondswet, de Wet
tarieven gezondheidszorg en de Wet
ziekenhuisvoorzieningen in verband met
wijzigingen in de taak, samenstelling en werkwijze van de in die wetten geregelde bestuursorganen, alsmede
wijziging van andere
wetten in verband daarmee (uitvoeringsorganen
volksgezondheid) (Kamerstukken II 1997-1998, 26 011, nrs. 1-3). Dit wetsvoorstel is op 27
maart 1999 tot
wet verheven (Stb. 1999, 185) en wordt hier verder kort
aangehaald als Wet uitvoeringsorganen
volksgezondheid. Gelet op de breed
gedragen opvatting over onafhankelijk toezicht is met die wet een eerste stap
gezet naar de verzelfstandiging van de CTU, die in het nu voorliggende
wetsvoorstel zijn definitieve beslag krijgt.
2. Voorgeschiedenis
Rapportages over toezicht
en de Nota Toezicht
In de afgelopen jaren
verschenen verschillende rapporten en nota’s over toezicht. De Algemene
Rekenkamer bracht in juni 1993 haar rapport Toezicht door de Ziekenfondsraad
uit (Kamerstukken II 1992-1993, 23 211, nrs. 1-2). Zij
concludeerde daarin dat de Ziekenfondsraad zijn toezichthoudende taak in het algemeen
uitoefende in overeenstemming met de bedoelingen van de
wetgever. Zij vond tevens dat de Ziekenfondsraad het toezicht versterkte door
daar ook zijn taak als beheerder van de Algemene Kas en het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten (AFBZ) te betrekken. De Rekenkamer stelde dat
de eindverantwoordelijkheid van de toenmalige Staatssecretaris van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor de opzet en globale werking van
het
stelsel onder andere inhield dat hij zich ervan diende te vergewissen dat
de Ziekenfondsraad zijn toezichthoudende taak naar behoren vervult. De
Rekenkamer pleitte ervoor een visie te ontwikkelen op grond waarvan het
functioneren van de Ziekenfondsraad als toezichthouder zou kunnen
worden beoordeeld. De toenmalige staatssecretaris heeft de Tweede Kamer na
het verschijnen van het rapport toegezegd een visie op het toezicht
te zullen ontwikkelen. Daarbij zou tevens aandacht worden besteed
aan de voortgaande trend van concernvorming, alsmede aan de vraag op
welke wijze kan worden gewaarborgd dat het moderne toezicht sluitend
is en het gehele stelsel van sociale ziektekostenverzekeringen afdekt, ook ingeval in de
toekomst aanpassingen in dat stelsel worden
doorgevoerd. De al gesignaleerde trend van concernvorming leidde in februari 1997
tot het rapport van de Rekenkamer Zicht en toezicht op gevolgen
van concernvorming bij zorgverzekeraars (Kamerstukken II 1996-1997, 25 236,
nrs.
1-2). Dit rapport ging over vraagstukken met betrekking tot
zorgverzekeraars die in concernstructuren opereren en de praktische gevolgen
hiervan voor zowel de rechtmatige en doelmatige besteding van de publieke
middelen als het toezicht daarop. De Rekenkamer stelde vast dat, met het
oog op een doelmatige uitvoering van de wettelijke ziektekostenverzekeringen, in toenemende mate sprake was van
samenwerkingsverbanden
van ziekenfondsen met particuliere ziektekostenverzekeraars.
De Rekenkamer pleitte ervoor om in de wet- en regelgeving voldoende
waarborgen in te bouwen om mogelijke risico’s uit te sluiten die zich bij
dergelijke samenwerkingsverbanden kunnen voordoen.
rblz.|3|
In
het licht van de bovengenoemde ontwikkelingen is in april 1997 de
Nota Toezicht aan de
Tweede Kamer toegezonden en op 21 april 1997 met de Vaste Commissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer besproken in
een notaoverleg.
Evaluatieonderzoek
Algemene Rekenkamer
De Rekenkamer publiceerde
vervolgens in maart 1998 haar rapport Toezicht op de uitvoering
van publieke taken (Kamerstukken II 1997-1998, 25 956, nrs. 1-2). Het
bevat de resultaten van een evaluatie van de onderzoeken die de Rekenkamer sinds
begin jaren ’90 uitvoerde en waarin het toezicht op
rechtspersonen met een wettelijke taak centraal stond. In dit rapport is aangegeven
dat, wil er een goed toezichtproduct geleverd kunnen worden, er in de
toezichtketen geen elementen mogen ontbreken en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden duidelijk geregeld dienen
te zijn. Toezicht en
sturing dienen goed op elkaar zijn afgestemd. Tevens is aangegeven dat de
toezichtfunctie gescheiden moet blijven van andere functies als beleid,
regelgeving, uitvoering en advies. Het voorgaande betekent in de opvatting
van de Rekenkamer overigens niet dat de toezichtfunctie altijd
organisatorisch moet zijn afgezonderd. Er dienen weliswaar waarborgen te
worden geschapen voor het onafhankelijke functioneren van de
toezichtfunctie, maar voorkomen moet worden dat de samenhang tussen beleid,
uitvoering en toezicht verloren gaat. De Rekenkamer betwijfelt of er wel een
norm te geven is voor de positionering van het toezicht. Het gaat er
in haar ogen veeleer om dat er een visie is van waaruit de positionering
wordt beredeneerd en dat er een expliciete afweging wordt gemaakt op basis
van eenduidige en heldere uitgangspunten en criteria.
De commissie-Holtslag
In juli 1998 verscheen
het rapport van de commissie-Holtslag De ministeriële verantwoordelijkheid
ondersteund. Het kabinetsstandpunt daarover van november 1998
(Kamerstukken II 1998-1999, 24 036, nr. 112) onderschrijft de belangrijkste
conclusies van de commissie. Helderheid in de bestuurlijke verhoudingen binnen een bepaalde beleidssector is voorwaarde
voor de inrichting van
toezichtarrangementen die de ministeriële verantwoordelijkheid
kunnen ondersteunen. Ook moeten toezichtarrangementen passen binnen en
aansluiten op de bestuurlijke verhoudingen in een bepaalde
beleidssector. Het kabinet was het ook eens met de commissie dat een
uniform normenkader voor de concrete inrichting en beoordeling van
toezicht niet mogelijk is en dat differentiatie in toezichtarrangementen
onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk is. Om te komen tot passende
toezichtarrangementen dient veeleer expliciet te worden gemaakt wat de
objecten, motieven, functies, instrumenten en positie van het toezicht
zijn.
3. Algemene
uitgangspunten
In de sector
gezondheidszorg gaat jaarlijks veel geld om dat hoofdzakelijk door premiebetaling door
de verzekerden bijeen wordt gebracht. De uitvoeringsorganen Zfw
en
AWBZ spelen in de besteding van de middelen een overwegende
rol. Het is dan ook van het grootste belang dat de uitvoeringsorganen Zfw
en AWBZ maatschappelijk verantwoord en transparant handelen.
Uitgangspunt voor de modernisering en verzelfstandiging van het toezicht is dan
ook dat ieder uitvoeringsorgaan Zfw en AWBZ zelf
verantwoordelijk is voor zijn eigen recht- en doelmatig handelen en
daarover zelf
verantwoording dient af te leggen. Het recht- en doelmatig handelen is
overigens niet beperkt tot de financiële recht- en doelmatigheid, maar
betreft de recht- en doelmatige uitvoering van de rblz.|4|
wettelijke
zorgverzekeringen in brede zin. In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de
rechtmatige inschrijving van verzekerden of het sluiten van overeenkomsten met zorgaanbieders die een kwalitatief goed
en doelmatig zorgaanbod
tegen een redelijke prijs garanderen.
De onafhankelijke positie
van de toezichthouder moet zijn gewaarborgd. Het toezicht op de recht-
en doelmatige uitvoering van de Zfw en de
AWBZ behoort niet te
worden beïnvloed door overwegingen van politieke en bestuurlijke aard. Dit
betekent in de eerste plaats dat de toezichthoudende taak niet onder rechtstreekse ministeriële verantwoordelijkheid
dient te vallen, maar
moet worden uitgeoefend door een college van onafhankelijke
deskundigen. In de tweede plaats betekent dit dat het toezicht ook niet moet
worden uitgeoefend door het toporgaan dat is belast met de aansturing
van de uitvoering van de verzekeringen (College
zorgverzekeringen).
Hierdoor wordt verzekerd dat het toezicht vrij is van sturingsbelangen. Met
inachtneming van het basisprincipe van een onafhankelijke toezichthouder dient de
ontvlechting van sturing en toezicht te worden gerealiseerd met
behoud van synergie en samenhang. Dit betekent dat voorzieningen moeten
worden getroffen voor een goede informatie-uitwisseling
en communicatie tussen het College zorgverzekeringen dat is belast met de
aansturing van de uitvoeringsorganisatie van de Zfw en AWBZ en het
nieuwe College toezicht. Onder aansturing wordt verstaan
het vooraf bepalen wat er moet gebeuren door het stellen van algemene
regels, waaronder beleidsregels. Vooraf sturen betekent overigens niet
dat in het "heden" niet naar aanleiding van een individuele zaak
bijgestuurd zou kunnen worden. Bijsturen is immers het op basis van nieuwe
inzichten bezien of de gestelde regels nog voldoen en of ermee bereikt kan
worden wat ermee wordt beoogd. Toezicht is in deze verhouding het
achteraf vaststellen of de uitvoeringsorganen zich aan de wettelijke regels
alsmede de beleidsregels van het sturingsorgaan hebben gehouden. Het
toezicht is binnen het toezichtdomein - de uitvoeringsorganen van de Zfw
en AWBZ - gericht op zowel de rechtmatigheid als de doelmatigheid.
Als inhoudelijk
uitgangspunt voor het functioneren van het toezicht geldt dat de toezichthouder
niet alleen signaleert, maar zo nodig ook corrigeert ("toezicht met
tanden"). De toezichthouder zal daarom moeten beschikken over
bevoegdheden op
basis waarvan door gerichte interventies de uitvoering in juiste
banen kan worden geleid indien de uitvoering te kort is geschoten, c.q. over
bevoegdheden die erop gericht zijn te voorkomen dat problemen in de
uitvoering ontstaan. De toezichthouder signaleert in die hoedanigheid ontwikkelingen in de uitvoering van het in de wetgeving
vastgelegd beleid.
Het toezichtdomein
ondergaat als gevolg van de verzelfstandiging geen wijziging. Het strekt
zich, net als nu, uit tot het terrein van de uitvoeringsorganen Zfw
en
AWBZ. Daartoe
worden uitdrukkelijk tevens gerekend de contractuele relaties van
uitvoeringsorganen met zorgaanbieders wat betreft rechtmatigheids-
en doelmatigheidsaspecten. Hieruit vloeit voort dat de toezichthouder,
evenals thans het geval is, geen directe bemoeienis heeft met de
zorgaanbieders. Voor de controle op de naleving van gesloten overeenkomsten
met zorgaanbieders zijn de uitvoeringsorganen zelf verantwoordelijk. De
toezichthouder ziet erop toe dat de uitvoeringsorganen die verantwoordelijkheid
ook waarmaken teneinde te bereiken dat aan het doelmatige functioneren van de zorgaanbieders blijvend
serieuze aandacht wordt
gegeven.
rblz.|5|
4. De instelling,
samenstelling en werkwijze van het College van toezicht op de
zorgverzekeringen
Met de instelling van een
zelfstandig College van toezicht op de zorgverzekeringen komt een einde aan de
door de Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid
gecreëerde overgangssituatie dat binnen de rechtspersoon College voor
zorgverzekeringen twee zelfstandige organen opereren, te weten het bestuur van
het College en de CTU. Door in de naam van het College toezicht het
woord "zorgverzekeringen" op te nemen, wordt de reikwijdte van het
toezichtdomein van het college grofweg aangeduid. Ook
sluit deze naamgeving aan bij die van het College zorgverzekeringen. Beide hebben taken op het
gebied van de wettelijke zorgverzekeringen, in casu de Zfw
en de
AWBZ.
Het College toezicht is
een zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid, dat beschikt over een
eigen ondersteunend apparaat. Rechtspersoonlijkheid is
aangewezen omdat het College toezicht zelfstandig aan het rechtsverkeer
moet kunnen deelnemen, mede in verband met het feit dat het
College eigen medewerkers in dienst zal hebben.
Het College toezicht
bestaat uit ten hoogste vijf leden, onder wie de voorzitter. Allen worden benoemd door
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport. Ook de
CTU bestaat thans uit vijf leden, inclusief de voorzitter. Gebleken is
dat dit aantal voldoende is om de toezichttaken naar behoren uit te
voeren en ook voldoende ruimte schept om diverse deskundigheden in het
College toezicht op te nemen. De benoemingsvereisten voor de leden van het
College toezicht zijn gelijk aan die voor het College
zorgverzekeringen. Met het oog op de onafhankelijkheid van
het College toezicht is
in de wet zelf nadrukkelijk bepaald dat het lidmaatschap van het College
zorgverzekeringen onverenigbaar is met het lidmaatschap van het
College toezicht. Overige onverenigbaarheden van functies en werkzaamheden
kunnen bij ministeriële regeling worden aangewezen.
De bepalingen over de
werkwijze van het College zorgverzekeringen en over de rol van de
minister zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het College
toezicht. Op deze wijze is verzekerd dat voor hen dezelfde regels gelden
ter zake van de sturing door en het toezicht van de minister. Het College
toezicht moet een bestuursreglement opstellen dat de goedkeuring van de
minister behoeft. Ook moet het jaarlijks vóór 1 oktober zijn
werkprogramma en begroting voor het komende jaar ter instemming aan de
minister voorleggen. De verantwoording door middel van het verslag van
werkzaamheden en het financieel verslag geschiedt vóór 1 juli na afloop van
het kalenderjaar. Wat betreft de rapportage van het College toezicht over
door hem uitgevoerde toezichtonderzoeken zij verwezen naar paragraaf
7.3 van deze toelichting. De beheerskosten van het College toezicht
worden, net als nu voor de CTU het geval is, gefinancierd uit de AK
[Algemene Kas, red.] en het AFBZ [Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten, red.]. Ten slotte zij hier vermeld dat de minister beleidsregels kan stellen
met betrekking tot de werkwijze en de taakuitoefening door het College toezicht
en dat is voorzien in een taakverwaarlozingsbepaling ten aanzien van het
College toezicht. Dit alles overeenkomstig de Aanwijzingen voor de
regelgeving.
5. De keuze voor twee
onafhankelijke nevengeschikte organen
Het denken over toezicht,
zowel binnen de overheid als daarbuiten, heeft de afgelopen jaren sterk
in de belangstelling gestaan en staat dat nog steeds. Deze
belangstelling hangt direct samen met ontwikkelingen die te vatten zijn in begrippen
als maatschappelijk verantwoord functioneren, eigen
verantwoordelijkheid, transparantie en verantwoording afleggen, en rblz.|6|
die bijzonder relevant
zijn voor het terrein van de sociale ziektekostenverzekeringen. Er is immers sprake van
concentratie van zorgverzekeraars, van participatie van publiek gefinancierde zorgverzekeraars in private
concerns, van een
toenemende verschuiving van verantwoordelijkheden van de overheid naar de
actoren in het veld.
De genoemde
ontwikkelingen leiden tot veranderingen in de besturing, controle en
verantwoording van zorgverzekeraars, maar roepen tegelijk ook de vraag op naar een
adequate sturing, controle en verantwoording van het geheel waarbinnen
de verzekeraars opereren. De maatschappelijke en politieke realiteit
dwingt ertoe dat een zwaarder accent wordt gelegd op toezicht, niet
alleen wat betreft inhoud en uitvoering, maar ook wat betreft positie. De
vraag bij positionering van het toezichtorgaan is niet alleen of de huidige
constructie van een toezichthouder binnen een sturingsorgaan kan worden
voortgezet om het toezicht zijn functie te kunnen laten waarmaken,
maar ook of het toezicht een zodanige positie kan worden gegeven dat
elke mogelijke twijfel over daadkrachtig functioneren van de toezichthouder bij
voorbaat is weggenomen. Het gaat met andere woorden niet
alleen om de vraag of de functie van het toezicht onafhankelijk kan worden
uitgeoefend, maar ook of die onafhankelijkheid als zodanig door de
verschillende actoren in de samenleving, burgers, media, zorgverzekeraars,
politiek, wordt ervaren.
Een goed
toezichtarrangement moet passen in het geheel van bestuurlijke verhoudingen van de
betreffende beleidssector. Zoals in het voorgaande is aangegeven,
constateerde de commissie-Holtslag dat differentiatie in toezichtarrangementen
onvermijdelijk is. Ook de Rekenkamer plaatste in haar al genoemde rapport
Toezicht op de uitvoering van publieke takende kanttekening dat het er
veeleer om gaat dat er een visie is van waaruit de positionering beredeneerd
wordt en dat er een expliciete afweging wordt gemaakt op basis van
eenduidige en heldere uitgangspunten en criteria.
De Nota Toezicht bevatte
in essentie al de keuze om het sturingsorgaan en het toezichtorgaan een nevengeschikte positie ten opzichte van elkaar te
geven door handhaving van
het bestaande toezichtdomein. Bij de opstelling van de nota is de
vormgeving van het toezicht op de uitvoering van de socialeverzekeringswetten betrokken, vanuit het perspectief dat er niet
alleen overeenkomsten,
maar ook verschillen zijn tussen het zorgverzekeringsstelsel en het
socialeverzekeringsstelsel. In de aanbiedingsbrief (Kamerstukken II 1996-1997, 25 308, nr. 1) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer bij de Nota
Toezicht is aangegeven dat bij de uiteindelijke vormgeving van het
toezicht opnieuw de situatie in de sociale zekerheid in ogenschouw zou worden
genomen. In verband hiermee is bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel
bezien of er zinvolle alternatieven zijn voor de nevengeschikte positie
van een verzelfstandigde CTU, en zo ja, welke. In het navolgende wordt
ingegaan op de mogelijkheid dat de toezichthouder zowel toezicht houdt op
de uitvoeringsorganen als op het College
zorgverzekeringen (bovengeschikt toezicht),
op handhaving van het huidige nevengeschikte toezicht
binnen het organisatorische verband van het College voor zorgverzekeringen, alsmede op overig toezicht op het
College
zorgverzekeringen.
Bovengeschikt toezicht
De primaire reden voor de
verzelfstandiging van het toezicht is om te komen tot een volledige
scheiding van toezichts- en sturingstaken om onafhankelijk toezicht,
vrij van politieke belangen en sturingsbelangen, te waarborgen. Indien het
College toezicht zou worden belast met toezicht op het College
zorgverzekeringen (bovengeschikt toezicht), kan er niet aan worden ontkomen dat de
toezichthouder uitspraken doet over het sturend functioneren van het
sturingsorgaan en daar mogelijk zelfs in intervenieert. rblz.|7|
De
onafhankelijkheid van het toezicht kan op die manier niet worden gegarandeerd. De
optie om de taak van het College toezicht te beperken tot uitsluitend
rechtmatigheidstoezicht, waardoor wellicht van een vermenging van sturingsbelangen en toezichtbelangen niet of in
mindere mate sprake zou
zijn, zou als consequentie hebben dat voor het doelmatigheidstoezicht
een andere toezichthouder in het leven moet worden geroepen. Dit past niet in het streven naar een efficiënte en
heldere inrichting van de
toezichtstructuur.
Een andere onderzochte
optie was om de toezichthouder wel de bevoegdheid te geven het
sturingsorgaan te controleren, maar de interventiebevoegdheden aan de minister
te laten
(zogenaamd signalerend toezicht). Het risico van deze optie is
echter dat, mocht de minister om bepaalde redenen besluiten
dringende aanbevelingen van het College toezicht om in te grijpen bij het
College zorgverzekeringen naast zich neer te leggen, de toezichthouder aan
gezag zou inboeten. Een dergelijk aanpak past niet in het streven naar een
gezaghebbend, zelfstandig en onafhankelijk opererend toezichtorgaan.
Daarenboven is overwogen
dat bovengeschiktheid tot fundamentele complicaties zou leiden
in de relatie tussen het College
zorgverzekeringen, het College toezicht en
de minister. Immers, met het plaatsen van het College toezicht tussen
de minister en het College zorgverzekeringen zou de eigenstandige relatie
tussen de minister en het College zorgverzekeringen, zoals die ingevolge de
Aanwijzingen voor de
regelgeving inzake zelfstandige
bestuursorganen moet worden vormgegeven, worden doorkruist. Een
dergelijke constructie doet daarmee afbreuk aan de gewenste optimale
helderheid in de bestuurlijke verhoudingen. Gegeven de gewenste eigenstandige
relatie tussen de minister en het College zorgverzekeringen betekent plaatsing van
het College toezicht tussen de minister en het College
zorgverzekeringen voorts in praktisch opzicht een overbodige tussenschakel
met een omslachtige en inefficiënte werkwijze als gevolg.
Handhaving van
nevengeschikt toezicht binnen het organisatorische verband van het College
voor zorgverzekeringen
Overwogen is of het
voordelen zou bieden om, bij nader inzien, de met de Wet
uitvoeringsorganen volksgezondheid gecreëerde overgangssituatie te handhaven dat binnen de rechtspersoon
College voor zorgverzekeringen twee zelfstandige bestuursorganen opereren
(het bestuur van het College zorgverzekeringen
en de CTU). De veronderstelling die daaraan ten grondslag
lag, was dat met
continuering van de overgangssituatie mogelijk een ontvlechtingsproces
tussen sturingsorgaan en toezichtorgaan zou kunnen worden voorkomen, c.q. zou
kunnen worden vereenvoudigd. Gebleken is dat dit niet het geval
is. Om te komen tot onafhankelijk toezicht is ontvlechting van het
sturingsorgaan en het toezichtorgaan onontkoombaar. Immers, hoewel
onafhankelijk toezicht in juridische zin ook binnen de thans bestaande
overgangssituatie denkbaar is, blijft ook dan een intern functioneel
ontvlechtingsproces noodzakelijk. De Algemene Rekenkamer heeft hierop in het
rapport Toezicht op de uitvoering van publieke taken ook gewezen.
Eén van de algemene
uitgangspunten voor de inrichting van het toezicht is dat het toezicht
betrekking heeft op de rechtmatigheid en de doelmatigheid. Overwogen zou kunnen
worden dat handhaving van de positie van de toezichthouder binnen
het verband van het College zorgverzekeringen
voordelen zou kunnen
bieden wat betreft de onderlinge samenhang tussen sturing en
toezicht, waardoor de taken die beide organen hebben met betrekking tot de
rechtmatigheid en de doelmatigheid efficiënt rblz.|8|
kunnen worden uitgevoerd. Omdat, zoals hiervoor is aangegeven, verzelfstandiging
van het toezicht hoe dan
ook tot een functioneel ontvlechtingsproces moet leiden, zullen
waarborgen moeten worden geschapen voor synergie en samenhang. Nu
deze waarborgen met het onderhavige wetsvoorstel zijn geschapen, is er geen
reden om de positie van de toezichthouder binnen het verband van
het College zorgverzekeringen te handhaven en van volledige
verzelfstandiging van het toezicht af te zien.
Overig toezicht op het
College zorgverzekeringen
In de keuze voor twee
onafhankelijke nevengeschikte organen staan beide organen onder
rechtstreeks toezicht van de minister. Beide organen vallen voorts onder het
controlebereik van de Algemene Rekenkamer. Ook om deze reden is ervoor
gekozen om het College zorgverzekeringen niet ook nog te plaatsen onder het
toezicht van een derde toezichthouder: het College toezicht.
De keuze voor twee
onafhankelijke ZBO’s
De politieke en
maatschappelijke verwachtingen over de toezichthouder van de toekomst
kunnen
optimaal worden verwezenlijkt indien er geen enkele twijfel bestaat
over het gezag, de betrouwbaarheid en de positie van het toezichtorgaan.
In verband daarmee is een duidelijke en herkenbare plaats van het toezichtorgaan van essentieel belang. De conclusie die
in het licht van het
voorgaande is getrokken, is dat de eigenheid van de zorgsector, alsmede het
uitgangspunt van de volledige scheiding van de sturingsfunctie en de
toezichtfunctie, onder handhaving van het bestaande toezichtdomein
onderstrepen dat het concept van twee onafhankelijke nevengeschikte ZBO’s
[zelfstandige bestuursorganen, red.] de
beste waarborg biedt voor de adequate uitvoering van
de sturingsfunctie, de toezichtfunctie en de ministeriële
verantwoording daarover aan het parlement.
Aansluiting met de Wet
uitvoeringsorganen volksgezondheid
In de nota naar
aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel uitvoeringsorganen
volksgezondheid (Kamerstukken
II 1998-1999, 26 011, nr. 6) is benadrukt dat
de specifieke omstandigheden van het terrein van de volksgezondheid de
aanwezigheid van een interface tussen beleidsvaststelling en uitvoeringswereld
vereisen. Met het oog op de vereiste onafhankelijke
deskundigheid werd de ZBO-status voor deze interface aangewezen geacht. Door
de uniforme positie en inrichting van de betrokken organen kan de
aansturing vanuit het ministerie
per orgaan op vergelijkbare wijze
plaatsvinden, behoudt de minister
rechtstreeks het overzicht over deze
organen, ook in hun onderlinge samenhang, en kan de berichtgeving aan het
parlement over het functioneren van deze organen worden
gestroomlijnd. Met het plaatsen van het College toezicht op hetzelfde
"niveau"
als de overige ZBO’s in de topstructuur van de zorgsector, wordt hierbij
aangesloten. In onderstaand schema zijn de sturings-, beheersings- en
toezichtlijnen in de beoogde eindsituatie weergegeven.
rblz.|9|

CVZ: College voor
zorgverzekeringen.
CTZ: College van toezicht op de zorgverzekeringen.
CTG: College tarieven gezondheidszorg.
CBZ: College bouw ziekenhuisvoorzieningen.
CSZ: College sanering ziekenhuisvoorzieningen.
[VWS: ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
IGZ: Inspectie voor de Gezondheidszorg, red.]
6.
Verantwoordelijkheidsverdeling, taken en bevoegdheden
6.1.
Verantwoordelijkheidsverdeling
Een goede uitleg over de
toepassing van de regelgeving in concrete gevallen is voor het
functioneren van de uitvoeringsorganen Zfw en
AWBZ van groot belang.
Dit behoort, gelet op zijn sturingstaak, tot het domein van het College
zorgverzekeringen. In verband met zijn functie als beheerder van de AK en
het AFBZ draagt het College zorgverzekeringen tevens de financiële
verantwoordelijkheid voor het beheer van de middelen. De nadere
uitleg aan uitvoeringsorganen over controleresultaten en eventueel door de
toezichthouder opgelegde sancties behoren tot de
verantwoordelijkheid van de toezichthouder.
Voor zowel het College
toezicht als het College zorgverzekeringen is het van belang dat zij elkaar
informeren en zo nodig consulteren. Zo moet het sturingsorgaan de
toezichthouder op de hoogte brengen en houden van rblz.|10|
de uitleg die hij aan de
uitvoeringsorganen geeft over de toepassing van algemene wettelijke regels en van de beleidsregels die hij stelt. Het
sturingsorgaan kan ook de
toezichthouder consulteren bij het verder concretiseren van
uitvoeringsregels, omdat de toezichthouder op de hoogte is welke problemen
de individuele uitvoeringsorganen ondervinden en welke knelpunten zich
in de uitvoeringspraktijk voordoen bij de toepassing van de regels.
De toezichthouder moet ook zelf, op basis van een analyse van zijn controleresultaten, het sturingsorgaan informeren
over de vraag of bepaalde
aspecten van de uitvoeringspraktijk nadere uitleg of algemene
regeling behoeven. Als de toezichthouder signaleert dat zijn uitleg van de
regels afwijkt van die van het sturingsorgaan, dan is van belang dat hij,
alvorens tot een definitief oordeel te komen, het sturingsorgaan
consulteert. Met het oog hierop is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die
voorziet in de verplichting voor beide organen elkaar te allen tijde
voldoende te informeren. Goede onderlinge communicatie en afstemming bepalen
voor een belangrijk deel het succesvol functioneren van beide organen.
Het is denkbaar dat op
enig moment een verschil in visie bestaat tussen de toezichthouder en het
sturingsorgaan over de uitleg van de toepasselijke regelgeving. De uitleg
door het sturingsorgaan is voor een uitvoeringsorgaan echter
bepalend voor zijn handelen. Indien de toezichthouder achteraf constateert dat
een handeling van het uitvoeringsorgaan naar zijn mening niet in
overeenstemming met de regels was, dient de toezichthouder de
omstandigheden waarin het uitvoeringsorgaan tot zijn handelen is gekomen in
aanmerking te nemen bij de overweging of een interventie aangewezen
is. Hieruit vloeit voort dat ingrijpen niet aangewezen is indien het
uitvoeringsorgaan in goed vertrouwen handelde in overeenstemming met de eerder gegeven uitleg van de regelgeving door
het sturingsorgaan. Een
verschil van inzicht tussen het sturingsorgaan en het toezichtorgaan moet
in onderling overleg worden opgelost. Als dat in het uiterste geval niet
mogelijk blijkt, is het aan de minister als eindverantwoordelijke voor de recht- en
doelmatige werking van het systeem en voor het adequaat
functioneren van beide organen, om uitsluitsel te geven. Tevens kan dit
voor de minister een signaal zijn dat de regelgeving onhelder is en aanpassing
behoeft.
De
minister heeft in de
nieuwe structuur de verantwoordelijkheden die passen ten aanzien van ZBO’s. De minister geeft met andere woorden aan beide organen sturing op
hoofdlijnen en de organen leggen over hun functioneren
verantwoording af aan de minister. De minister is tevens eindverantwoordelijk voor
de goede werking van het wettelijk vastgelegde systeem van sturing en
toezicht. Dat betekent dat de minister oog moet hebben voor de
verantwoordelijkheden van ieder orgaan afzonderlijk én voor de
verantwoordelijkheid waar beide organen gezamenlijk voor staan. De minister dient
zodanige verantwoordingsinformatie van beide organen te ontvangen dat daarmee,
samen met de bevindingen van de departementale accountantsdienst, alle
componenten beschikbaar zijn ten behoeve van een integrale
verantwoording over de recht- en doelmatige uitvoering van de Zfw
en
de
AWBZ aan het parlement, inclusief de verantwoording over de beheersfunctie van het
College zorgverzekeringen.
De minister dient erop
toe te zien dat de balans tussen beide organen in
evenwicht blijft. Handhaving van dit evenwicht is aan de orde bij de aansturing
van de organen en bij de beoordeling van de verantwoording die beide
organen aan de minister afleggen. Zoals ook in de Rekenkamer in haar
rapport Toezicht op uitvoering publieke taken aangaf, moet de keten van
sturing, verantwoording en toezicht gesloten zijn, wil de
ministeriële verantwoordelijkheid ten volle kunnen worden waargemaakt. Dit houdt in
dat alle elementen in de keten goed op elkaar moeten zijn afgestemd en
dat er geen elementen in mogen ontbreken.
rblz.|11|
De
minister heeft diverse mogelijkheden onverhoopte verschillen van mening tussen het
College zorgverzekeringen en het College toezicht tot een oplossing te brengen.
Daartoe behoort in ieder geval het voeren van een goed gesprek met
beide organen. Ook kan de minister bijvoorbeeld zijn bevoegdheid gebruiken om beleidsregels te geven aan beide organen.
6.2. Taken en
bevoegdheden
Eén van de hoofdtaken van
het College zorgverzekeringen is te bevorderen dat de uitvoeringsorganen
de Zfw en
AWBZ recht- en doelmatig uitvoeren. Deze taak is
op zichzelf niet nieuw, maar wordt in dit wetsvoorstel expliciet vermeld. Het
College zorgverzekeringen stuurt de uitvoeringsorganisatie
aan binnen de wettelijke kaders en de beleidskaders van de minister. Om te
waarborgen dat het sturingsorgaan deze taak ten opzichte van de
uitvoeringsorganen kan waarmaken, wordt bovendien formeel
vastgelegd dat het College zorgverzekeringen de bevoegdheid heeft tot het
stellen van beleidsregels voor de uitvoeringsorganen. Hiermee wordt recht
gedaan aan de huidige praktijk waarin het College zorgverzekeringen
op velerlei gebied circulaires richt aan de uitvoeringsorganen over
de gedragslijnen die zij in de uitvoeringspraktijk dienen te volgen. De
bevoegdheid van het College zorgverzekeringen tot het stellen van
beleidsregels betekent niet dat dit college zich daarmee op het bevoegdheidsdomein
van de minister ten aanzien van de hoofdlijnen van het beleid zou kunnen
begeven. De regelmatige formele en informele contacten tussen het ministerie
en het College zorgverzekeringen, in welk kader het ministerie
tevens volledig geïnformeerd wordt over alle besluiten en dus ook over
alle beleidsregels van het College zorgverzekeringen, alsmede de formele
sturings- en toezichtbevoegdheden van de minister jegens
het College (met name diens bevoegdheid om beleidsregels te stellen,
alle nodige informatie te verwerven en besluiten voor vernietiging voor te
dragen), waarborgen dat de minister zich op dit punt voldoende zekerheid
kan verschaffen.
Bij de
Wet
uitvoeringsorganen volksgezondheid werd onder meer de toelating van
uitvoeringsorganen Zfw en
AWBZ aan het takenpakket van het College
zorgverzekeringen toegevoegd, waar dit voordien door de minister
gebeurde.
Zorgverzekeraars opereren in toenemende mate in concernverband. Eén van
de mogelijkheden om de eventuele risico’s die daaraan verbonden zouden
kunnen zijn te minimaliseren, is om vooraf de deskundigheid en
integriteit - en daarmee de kwaliteit - van bestuurders van uitvoeringsorganen
zo
goed mogelijk te waarborgen. Het College zorgverzekeringen krijgt
in verband daarmee ingevolge dit wetsvoorstel tot taak om bij een
aanvraag tot toelating te beoordelen of de deskundigheid en integriteit van
de
personen die het beleid van een uitvoeringsorgaan (mede) bepalen, voldoende
kan worden geacht in verband met de uitoefening van de taken
van het orgaan. Indien de deskundigheid van de beoogde leiding van het
uitvoeringsorgaan (leden bestuur of raad van toezicht) naar het
oordeel van het College zorgverzekeringen kwalitatief onvoldoende is of bij de
integriteit vraagtekens moeten worden geplaatst, zal de aanvraag om
toelating moeten worden afgewezen.
Het College toezicht is
belast met het toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de
Zfw en
de
AWBZ door de uitvoeringsorganen. Het toezicht richt zich
zowel op de individuele uitvoeringsorganen als op de uitvoeringsorganisatie
in zijn geheel (de werking van het systeem). Het rechtmatigheidstoezicht
heeft betrekking op de vraag of de sociale ziektekostenverzekeringen volgens de daarvoor
gestelde regels worden uitgevoerd. Het betreft daarmee niet
alleen de financiële rechtmatigheid, maar bijvoorbeeld tevens het toezicht op de rechtmatige inschrijving van verzekerden.
Het
doelmatigheidstoezicht is gericht op de vraag of de uitvoeringsorganen rblz.|12|
de
verzekeringswetgeving efficiënt en effectief uitvoeren en of zij efficiënt en
effectief functioneren. Tot het doelmatigheidstoezicht behoort nadrukkelijk ook
het toezicht op de inspanningen van de uitvoeringsorganen om kwalitatieve en
doelmatige zorg te contracteren. Van het College toezicht wordt
verwacht dat het bijzondere aandacht besteedt aan deze vorm van doelmatigheidstoezicht, zodat het doelmatig
- en daarmee
het maatschappelijk
verantwoord - functioneren van de zorgaanbieders verder wordt
gestimuleerd.
Het College toezicht moet
jaarlijks aan de minister en aan het College
zorgverzekeringen rapporteren over de resultaten van zijn toezicht op de rechtmatige en doelmatige
uitvoering van de sociale ziektekostenverzekeringen. Deze paragraaf gaat in op
de hoofdlijnen hiervan; hoofdstuk 7 behandelt één en ander
meer in detail.
De
rechtmatigheidsrapportages moeten inzicht bieden in de rechtmatigheid per uitvoeringsorgaan en
een overallinzicht bieden in de rechtmatigheid per wet. Op grond van de
rechtmatigheidsrapportage kunnen de minister
en het College zorgverzekeringen zich een oordeel vormen over de werking van de Zfw
en
de
AWBZ. Dit oordeel kan eventueel aanleiding zijn verbeteringen in de
regelgeving aan te brengen. De minister benut het rapport tevens in het
kader van zijn verantwoording aan het parlement over de werking van het
stelsel. Het College zorgverzekeringen benut de rapportages tevens ten
behoeve van de nadere budgetvaststelling (AK), de betaling van
declaraties (AFBZ) en voor het afleggen van verantwoording aan de minister over het
beheer van de AK en het AFBZ. De rapportages van het College toezicht
over de resultaten van uitgevoerde onderzoeken over de doelmatigheid van
de uitvoering van de Zfw en AWBZ moeten tevens vermelden
welke activiteiten het College toezicht in de richting van
uitvoeringsorganen heeft ondernomen, dan wel welke signalen het aan de
minister of het College zorgverzekeringen wil afgeven. Vooral bij doelmatigheidstoezicht is dit van belang, omdat de oplossing
voor geconstateerde
ondoelmatigheid doorgaans zal liggen in het stellen of aanscherpen van
doelmatigheidsbevorderende regels. De doelmatigheidsrapportages
hebben - naast bijvoorbeeld de doelmatigheid bij een bepaald uitvoeringsorgaan
- tevens betrekking op de doelmatigheid
van het systeem of
onderdelen daarvan, zoals bijvoorbeeld het overeenkomstenstelsel,
alsmede de inspanningen die de uitvoeringsorganen op het contracteren van
kwalitatief goede en doelmatige zorg verrichten en de
resultaten die daarmee geboekt worden.
Van belang is dat de
toezichthouder over het disfunctioneren van uitvoeringsorganen
signalen kan afgeven aan het College
zorgverzekeringen - en in ernstige
gevallen tevens aan de minister
- opdat deze in het kader van
zijn toelatingstaak zo nodig passende maatregelen kan treffen. Daarbij valt
onder meer te denken aan het verbinden van voorwaarden aan de
toelating of - in het uiterste geval - intrekking van de toelating als het
uitvoeringsorgaan ernstig blijft disfunctioneren; het verbinden van voorwaarden
aan of het intrekken van een verleende toestemming om
werkzaamheden voor derden te verrichten; het verbinden van voorschriften aan of het intrekken van een verleende
ontheffing van bepaalde
verboden. Benadrukt wordt dat het hier een signaleringsverplichting
van het College toezicht betreft. Gelet op de wettelijke taak van het College
zorgverzekeringen is er geen verplichting
van het College
zorgverzekeringen om in alle gevallen (bijvoorbeeld bij intrekking van een
toelating op eigen verzoek van het uitvoeringsorgaan) advies te vragen aan het
College toezicht. Met het oog op de ministeriële verantwoordelijkheid is
geregeld dat het College toezicht adviezen aan het College zorgverzekeringen
tot intrekkingen van toelatingen en dergelijke ter kennis brengt van de
minister.
rblz.|13|
In
voorkomende gevallen is technisch advies van het College toezicht
aan de minister aangewezen
over de gevolgen van voorgenomen regelgeving of beleid voor de
uitoefening van de toezichthoudende taken. De inrichting van het veld en de
voorschriften waaraan het veld zich moet houden, bepalen immers de mogelijkheden van het toezicht. Een
"adviserende"
taak voor het College
toezicht in de vorm van een uitvoeringstoets ligt dan ook voor de hand.
Het College toezicht
krijgt in dit wetsvoorstel een aantal bevoegdheden om te interveniëren bij
individuele uitvoeringsorganen. Het College toezicht kan uit hoofde
van zijn toezichthoudende taak aanwijzingen geven aan een
uitvoeringsorgaan. Het kan bestuursdwang toepassen indien een
uitvoeringsorgaan niet handelt overeenkomstig een aanwijzing. Ook krijgt het College
toezicht de beschikking over de bevoegdheid tot het aanstellen van
een bewindvoerder bij een ziekenfonds. Ook hieraan is de bevoegdheid
gekoppeld tot het toepassen van bestuursdwang.
Van individuele
bestuurders van uitvoeringsorganen mag worden verwacht dat zij in staat
zijn de belangen van de verzekerden op deskundige en betrouwbare wijze te
behartigen. Om eventuele risico’s op dit vlak zoveel mogelijk te
beperken, is het van belang dat de toezichthouder in geval van onverhoopte
calamiteiten ook daadwerkelijk op individueel niveau kan optreden. Het
College toezicht kan, optredende voor een uitvoeringsorgaan, een
schadevergoeding vorderen van een bestuurder of gewezen bestuurder voor
schade die is veroorzaakt door diens nalatigheid of wanbeheer. Dit is ook
van toepassing indien een persoon, als orgaan van een ziekenfonds,
schade heeft veroorzaakt door in strijd te handelen met een
onderbewindstelling.
Er is van afgezien om het
College toezicht de mogelijkheid te geven een bestuurlijke boete op te
leggen aan een uitvoeringsorgaan, zoals in de Nota Toezicht werd
overwogen. Een bestuurlijke boete heeft een strafrechtelijk karakter en is primair
gericht op leedtoevoeging. Het is om die redenen minder geschikt
als middel om alsnog normconform gedrag bij een uitvoeringsorgaan af
te dwingen. Als alternatief voor de bestuurlijke boete is gekozen voor het
instrument van bestuursdwang en in het verlengde daarvan last
onder dwangsom dat primair is gericht op herstel van de rechtmatige
toestand. Door het opleggen van bestuursdwang c.q. last onder dwangsom kan
het betrokken uitvoeringsorgaan derhalve alsnog op het goede pad
worden gebracht. Een last onder dwangsom kan zowel voor dreigende
kleinere als grotere overtredingen worden toegepast, waarmee een goede balans
kan worden gevonden tussen de ernst van de overtreding en de
wijze waarop het instrument wordt toegepast.
Voor het functioneren van
zowel het College zorgverzekeringen als het College toezicht is de
toegang tot informatie van de uitvoeringsorganen van cruciaal belang. De
uitvoeringsorganen zijn in verband daarmee dan ook verplicht alle
benodigde informatie aan te leveren. Met het oog op de voortgaande
concernvorming dient tevens te worden gegarandeerd dat het College toezicht
tijdig en voldoende inzicht kan krijgen in de structuren binnen het concern, de
eventuele financiële risico’s voor de sociale
ziektekostenverzekeringen van deelname van
uitvoeringsorganen in concernverbanden, alsmede de personele
relaties tussen uitvoeringsorganen enerzijds en onderdelen
van het concern anderzijds. Met dit wetsvoorstel worden bevoegdheden
gecreëerd gericht op het waarborgen van de noodzakelijke
informatiestroom. Het ligt voor de hand dat daar waar zich in concerns situaties
voordoen waar verschillende toezichthoudende instanties (bijvoorbeeld
zowel het College toezicht als de Verzekeringskamer [Pensioen- &
Verzekeringskamer, red.]) ieder vanuit hun eigen
taakopdracht en/of invalshoek mee van rblz.|14|
doen hebben, deze
instanties elkaar informeren over hun activiteiten. Dat is nu al praktijk. Ook
meer in het algemeen overleggen een groot aantal toezichthouders
regelmatig met elkaar over gemeenschappelijke vraagstukken en over de ontwikkeling
van de professie.
Het
College zorgverzekeringen én het College toezicht moeten voor een goede taakuitoefening
nadere eisen kunnen stellen aan de uitvoeringsorganen over de uitvoering van de
werkzaamheden, de administratieve organisatie en interne
controle van de uitvoeringsorganen, de verantwoording van de organen en over
periodieke informatieverstrekking. Als algemeen uitgangspunt
geldt dat waar zowel het sturingsorgaan als de toezichthouder een
gezamenlijk belang hebben bij het formuleren van nadere voorschriften,
beide organen ook betrokken dienen te zijn bij de opstelling daarvan. Dit
is van belang om de effectiviteit van voorschriften zo groot mogelijk te doen
zijn. Tevens kan daarmee worden voorkomen dat de
uitvoeringsorganisatie met eventuele strijdige voorschriften zal worden geconfronteerd.
7. Modernisering toezicht
7.1. Inleiding
De verzelfstandiging van
het toezichtorgaan gaat samen met de modernisering van het toezicht. Dit uit
zich in het bijzonder in de nieuwe inrichting van de controle- en
verantwoordingsstructuur en de posities die de verschillende betrokken
organen daarin innemen. De modernisering van het toezicht is een
groeiproces, waarvoor dit wetsvoorstel weliswaar de basis legt, maar dat in
de loop van een aantal jaren verder gestalte moet krijgen. In deze zin kan
een vergelijking worden gemaakt met de Operatie Comptabel Bestel bij de rijksdienst.
Voor de vormgeving van de
modernisering van het toezicht gelden de volgende algemene
uitgangspunten:
• elk uitvoeringsorgaan
is zelf verantwoordelijk voor het tot stand brengen van zijn eigen
recht- en doelmatigheid en moet daar zelf verantwoording over
afleggen; elk orgaan moet daarom zelf de noodzakelijke maatregelen (waaronder
controlemaatregelen) treffen om te verzekeren dat het recht-
en doelmatig handelt;
• de uitvoeringsorganen
moeten tijdig na aflopen van het kalenderjaar verantwoording afleggen,
zodat de gehele verantwoordings- en toezichtketen in de tijd
gezien zo kort mogelijk is;
• de toezichtketen moet "gesloten" zijn en tevens efficiënt; er mogen dus geen schakels
ontbreken, maar ook moet overlap en dubbel werk zoveel mogelijk worden
vermeden; aspect hiervan is dat elke volgende schakel in de
controleketen zoveel mogelijk gebruik maakt van de controleresultaten in de
voorgaande schakel.
De kerndocumenten waarmee
de uitvoeringsorganen zich moeten verantwoorden over hun recht- en doelmatige taakuitoefening en functioneren
in het afgelopen
kalenderjaar zijn het uitvoeringsverslag en het financieel verslag. Het financieel
verslag moet vergezeld gaan van een accountantsverklaring en van een accountantsrapport over de ordelijkheid en controleerbaarheid
van het gevoerde
financiële beheer. De uitvoeringsorganen moeten deze documenten
jaarlijks vóór 1 maart indienen bij zowel het College
zorgverzekeringen als het College toezicht. Sturingsorgaan en toezichthouder kunnen
gezamenlijk regels geven aan de uitvoeringsorganen over de inhoud en
inrichting van de administratie en controle, de inhoud en inrichting van
het uitvoeringsverslag en het financieel verslag, de reikwijdte van de
accountantsverklaring en de inhoud en inrichting van het accountantsrapport.
Doordat reeds met de Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid
rblz.|15|
(artikel 1s juncto
1i) is voorzien in regelstellende bevoegdheden voor de minister
met betrekking tot de financiële verantwoording door het College
zorgverzekeringen over het beheer van de AK en het AFBZ en de in dat
kader te verrichten accountantscontroles, is gewaarborgd dat de in de
nadere regelgeving van het College zorgverzekeringen en College toezicht
neergelegde voorschriften aansluiten op hetgeen de minister
ter zake wenselijk acht. In het onverhoopte geval dat vooraf of achteraf
mocht blijken dat dit niet het geval is of dat het College zorgverzekeringen
en het College toezicht niet tot overeenstemming kunnen komen, staan de
minister de normale bevoegdheden ter beschikking om daarop in te grijpen, bijvoorbeeld door de desbetreffende
besluiten van de colleges
ter vernietiging voor te dragen (achteraf) of hierover beleidsregels te
stellen voor de colleges (vooraf).
7.2. Financiële
verantwoording
Rol uitvoeringsorganen
Een uitvoeringsorgaan
moet jaarlijks een verantwoording opstellen over zijn baten en lasten. Uit
die verantwoording moet blijken dat één en ander rechtmatig, juist en
volledig is en, wat betreft de Zfw, de toevoegingen en onttrekkingen aan de
reserves rechtmatig zijn en het maximum van de reserves niet is overschreden. Uit de verantwoording moet ook blijken dat
de inkomsten in verband
met werkzaamheden voor derden de uitgaven daarvoor volledig dekken.
De verantwoording en bijgevoegde verklaring van de externe accountant
van het uitvoeringsorgaan moeten zodanig zijn dat op basis daarvan de
eindafrekening (verevening en nacalculatie) met de AK dan wel de
declaratie ten laste van het AFBZ kan plaatsvinden.
De extern accountant die
in opdracht van het uitvoeringsorgaan is belast met de controle moet de verantwoording van het uitvoeringsorgaan
beoordelen. Daartoe
stellen het College toezicht en het College
zorgverzekeringen in onderling overleg
controleprotocollen vast waaraan de extern accountant zich
dient te houden. Onderdeel daarvan is dat zodanige controletoleranties
worden gehanteerd dat met redelijke zekerheid uitspraken kunnen worden
gedaan over de rechtmatigheid van de uitkomsten. De controle door de accountant resulteert in een verklaring dat de
financiële
verantwoording een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid (beeldverklaring), dat de
verantwoorde betalingen en ontvangsten rechtmatig tot stand zijn gekomen en
dat de verantwoording het gevoerde financiële beheer
deugdelijk weergeeft en overeenkomstig de voorschriften is opgesteld (rechtmatigheidsverklaring).
Ook moet de extern accountant een rapport opstellen over de vraag of het door het
uitvoeringsorgaan
gevoerde financieel beheer ordelijk en controleerbaar was en of het voldoende
waarborgen bevat dat de uitkomsten van het financieel beheer (de betalingen en ontvangsten) in overeenstemming zijn
met de regels.
Rol College toezicht
Het College toezicht
heeft wat betreft de financiële rechtmatigheid tot taak jaarlijks het door de
uitvoeringsorganen gevoerde financiële beheer en hun financiële
verantwoording daarover te beoordelen. Het College toezicht steunt daarbij
op de resultaten van de interne controle en van de controle van de accountant die de verklaring bij de verantwoording van
het uitvoeringsorgaan
heeft opgesteld. In verband hiermee dient hij te beoordelen of de
uitgevoerde controleactiviteiten voldoen aan de eisen die in een controleprotocol zijn neergelegd. Op basis van een risicoanalyse
moet het college nagaan
of het zelf op bepaalde onderwerpen dieper moet ingaan. Het
College toezicht legt zijn bevindingen en rblz.|16|
oordelen over het gevoerde beheer en de verantwoordingen daarover per
uitvoeringsorgaan vast in
een rapport. Indien het College toezicht bepaalde uitgaven als niet
verantwoord heeft aangemerkt, dan vermeldt het dat in zijn oordeel.
Dit oordeel is uitgangspunt voor het College
zorgverzekeringen bij het doen van
betalingen aan de uitvoeringsorganen.
Niet-verantwoorde uitgaven komen in beginsel niet ten laste van de AK of het
AFBZ. In dit verband
zij tevens verwezen naar het bij koninklijke boodschap van 4 januari 1999 bij de
Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel houdende wijziging van de
Ziekenfondswet in verband met wijzigingen met betrekking tot de financiering van ziekenfondsen
(maximering reserves ziekenfondsen) (Kamerstukken II 1998-1999, 26 368,
nrs. 1-3).
Het financiële
rechtmatigheidstoezicht is als gezegd niet beperkt tot uitsluitend de vraag of
bepaalde uitgaven ten laste van de AK of het AFBZ mogen komen. De
verantwoording van de ontvangsten, uitgaven en reserves vormt de
uitkomst van het gevoerde financiële beheer door de uitvoeringsorganen. Met
betrekking tot de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde
financiële beheer is de vraag aan de orde of er sprake is van
tekortkomingen in de administratieve organisatie, inclusief de interne
controlestructuur, en in de controle door de extern accountant. Wat dit laatste betreft,
dient het College toezicht toegang te hebben tot de controleplannen en
-resultaten van de extern accountant.
Rol middelenbeheerder
De middelenbeheerder, in
casu het College zorgverzekeringen, moet jaarlijks aan de
minister financiële verantwoording afleggen over het beheer van de AK en het
AFBZ.
Dit betreft zowel de inkomsten en uitgaven als de toestand van de AK en van
het AFBZ. De verantwoording moet vergezeld gaan van een beeldverklaring en een rechtmatigheidsverklaring van de
externe accountant van
het College zorgverzekeringen. Voor de verantwoording steunen de
middelenbeheerder en diens accountant voor een belangrijk deel op de
rechtmatigheidsverklaringen die door derden worden aangeleverd,
waarvan de belangrijkste zijn het College van toezicht op de
zorgverzekeringen, het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv)
[zie Inspectie Werk en Inkomen, red.] en de Interne
Accountantsdienst van de Belastingdienst (IAB) [Interne
Accountantsdienst Belastingen, red.]. Het Ctsv en de IAB
zijn immers belast met het toezicht c.q. de controle op de inning van
respectievelijk de inkomensafhankelijke Zfw-premie en de
AWBZ-premie.
Rol minister
De
minister houdt
rechtstreeks toezicht op het College
zorgverzekeringen, waaronder de
beheersfunctie van het College en de subsidieverstrekking door het College. In dit
verband is het financieel verslag over de AK en het AFBZ aan de goedkeuring
van de minister onderworpen. Met de Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid zijn de regels ten aanzien van de
verantwoording over het
beheer van de AK en het AFBZ inmiddels aangescherpt en verhelderd.
In het financieel verslag
komen alle uitgaven en ontvangsten ingevolge de Zfw
en
AWBZ bij elkaar.
Het departement beoordeelt de financiële verantwoording en steunt daarbij op de
voorgaande schakels in de controleketen. Met de ambtelijke
advisering aan de minister inzake de goedkeuring van de financiële verantwoording zijn alle bouwstenen aanwezig om
over het beheer van de AK
en het AFBZ adequate ministeriële verantwoording af te leggen aan het
parlement. Teneinde het parlement in staat te stellen zich een zo goed
mogelijk beeld te vormen, voorziet het wetsvoorstel erin dat de minister
tegelijk met toezending van het financieel verslag over het AK en de
AFBZ
ook de samenvattende rechtmatigheidsrapportage rblz.|17|
die het
College toezicht per wet opstelt, toezendt aan het beide kamers der
Staten-Generaal.
7.3. Uitvoeringsverslag
Rol uitvoeringsorganen
De modernisering die bij
de uitvoeringsorganen tot stand moet worden gebracht, is onder meer
gericht op de verantwoording die zij moeten afleggen over hun
taakuitoefening. In dit wetsvoorstel is expliciet opgenomen dat de uitvoeringsorganen
jaarlijks, tegelijk met het financieel verslag, een verslag
moeten indienen over de uitvoering van de Zfw en de
AWBZ in het afgelopen
kalenderjaar. De huidige wetgeving bevat alleen impliciet een
dergelijke verplichting.
Met het
uitvoeringsverslag moet het uitvoeringsorgaan zich verantwoorden over de recht- en
doelmatige uitvoering van de Zfw en de AWBZ en over zijn totale
functioneren in het afgelopen kalenderjaar. Uit het verslag moet met
andere woorden blijken hoe het door het uitvoeringsorgaan
gevoerde beleid in de praktijk is gerealiseerd. Daarnaast is het de bedoeling dat
het uitvoeringsorgaan in zijn uitvoeringsverslag ingaat op het door hem te
voeren beleid in het komende jaar.
Onderwerpen die in het
uitvoeringsverslag aan de orde moeten komen zijn bijvoorbeeld:
• de formele en de
feitelijke zeggenschapsstructuur van het concern of samenwerkingsverband
waartoe het uitvoeringsorgaan behoort of wil gaan behoren;
• de organisatorische
en administratieve voorzieningen die zijn getroffen ter uitvoering van de
Zfw
en AWBZ;
• de interne
bedrijfsvoering, de financiële bedrijfsvoering, de
informatiehuishouding;
• verzekerdenbeleid
(werving verzekerden en controle op inschrijving);
• contracteerbeleid
(sluiten van overeenkomsten en de bewaking van de kwaliteit en
doelmatigheid van de gecontracteerde zorg);
• kostenbewakingsbeleid.
Rol College toezicht
Het uitvoeringsverslag is
voor het College toezicht een belangrijke informatiebron over de
prestaties van de uitvoeringsorganen, zowel wat betreft de rechtmatigheid
als de doelmatigheid van de uitvoering. Omdat het uitvoeringsverslag
tegelijk met het financieel verslag verschijnt, is het College toezicht in staat
zich een compleet beeld te vormen over de activiteiten van de
uitvoeringsorganen. Het College toezicht kan zodoende direct nagaan of de
uitvoering aan de regels voldeed. Tevens kan het College toezicht naar
aanleiding van de voornemens van het betrokken uitvoeringsorgaan tijdig
bepalen welke ontwikkelingen in de nabije toekomst
toezichtonderzoek zouden kunnen rechtvaardigen. Door de uitvoeringsverslagen van
de verschillende uitvoeringsorganen te vergelijken, kan het College bovendien
meer gefundeerd en gericht bepalen welke onderwerpen
thematisch onderzoek waard zijn. Thematisch onderzoek is onderzoek dat zich
uitstrekt over meer uitvoeringsorganen tegelijk, waarbij de werking van
het systeem of van systeemonderdelen onder de loep wordt genomen, zoals
bijvoorbeeld de gevolgen van concernvorming en andere
samenwerkingsverbanden of de inspanningen die de uitvoeringsorganen
leveren om daadwerkelijk inhoud te geven aan de overeenkomsten die zij
moeten sluiten met zorgaanbieders.
Rol College
zorgverzekeringen
Ook voor het
College zorgverzekeringen is het uitvoeringsverslag een
rblz.|18|
essentiële bron van
informatie, bijvoorbeeld in verband met zijn taak om ontwikkelingen te
signaleren. Omdat het uitvoeringsverslag informatie verstrekt over het
recente verleden en de nabije toekomst, kan het College zorgverzekeringen
relatief snel overzien of eventueel bijsturing, zo nodig door het stellen van
beleidsregels, nodig is. Tevens biedt het uitvoeringsverslag het College
zorgverzekeringen de mogelijkheid te beoordelen of de regelgeving in de
(veranderende) uitvoeringspraktijk voldoet c.q. moet worden aangepast.
Rol minister
De
minister gebruikt de
informatie die hij van het College
zorgverzekeringen en het College toezicht
ontvangt om zich een beeld te vormen over de recht- en
doelmatige uitvoering van de Zfw en de
AWBZ waardoor hij zijn
verantwoordelijkheid ten opzichte van het parlement kan waarmaken. Tevens kan hij
op basis van deze informatie eventuele aanpassing van de
regelgeving ter hand nemen dan wel lopende wettelijke trajecten actualiseren.
De minister stelt de Staten-Generaal op de hoogte van de resultaten
van de door het College toezicht uitgevoerde doelmatigheidsonderzoeken
door deze, waar nodig voorzien van zijn reactie, aan beide kamers
toe te zenden.
7.4.
Verantwoordingstermijnen
Eén van de uitgangspunten
bij de modernisering van het toezicht is dat de gehele verantwoording- en
toezichtketen efficiënt is ingericht en niet meer schakels bevat dan strikt
noodzakelijk is. Mede daardoor kan inhoud worden gegeven aan het
beleid om te komen tot een versnelling van verantwoordingen ten
opzichte van de huidige praktijk.
De diverse
verantwoordingsdocumenten, de leveranciers en ontvangers ervan en de tijdstippen
waarop de verantwoordingen moeten worden aangeleverd, zijn in
navolgend overzicht samengevat.
| Tijdstip |
Document |
Leverancier |
Ontvanger |
| Ultimo februari t+1 |
Uitvoeringsverslag en financieel verslag (met toebehoren) jaar t |
Uitvoeringsorgaan |
College
zorgverzekeringen en College toezicht |
| Gedurende het gehele jaar |
Doelmatigheidsrapportages uitvoering Zfw en AWBZ |
College toezicht |
College
zorgverzekeringen en minister |
| Ultimo oktober t+1 |
Rechtmatigheidsrapportage uitvoering Zfw en AWBZ jaar t |
College toezicht |
College
zorgverzekeringen (middelenbeheerder) en minister |
| Ultimo oktober t+1 |
Rechtmatigheidsverklaring premies Zfw en AWBZ |
Ctsv en IAB |
College
zorgverzekeringen (middelenbeheerder) |
| Ultimo december t+1 |
Financieel
verslag (met toebehoren) AK en AFBZ jaar t |
College zorgverzekeringen
(middelenbeheerder) |
minister |
8. Toezicht op
subsidieverstrekking en -besteding en op de uitvoering van
internationale verdragen
Het College
zorgverzekeringen kan ingevolge de Zfw en
AWBZ diverse soorten subsidies
verstrekken ten laste van de AK of het AFBZ. Met de Wet uitvoeringsorganen
volksgezondheid is vastgelegd dat de minister
de subsidieregels vaststelt
en daarmee rechtstreeks de inhoud van de subsidieregelingen
bepaalt. In de Nota Toezicht is de gedachte geopperd om het College toezicht
te belasten met het toezicht op de subsidieverstrekking door het College
zorgverzekeringen. Hiervan is om de volgende redenen
afgezien. Het College zorgverzekeringen is financiële verantwoording
verschuldigd aan de minister en de minister houdt toezicht op het
functioneren en op de kwaliteit van de financiële functie van het College
zorgverzekeringen. Daarmee komt ook het toezicht op de subsidieverstrekking door
het College zorgverzekeringen toe aan de rblz.|19|
minister. Invoeging in de
controle- en verantwoordingsstructuur van een toezichthoudende taak
door het College toezicht op het College zorgverzekeringen zou afbreuk doen aan het
uitgangspunt van een zo kort mogelijke en efficiënte
controlestructuur.
Wat betreft de uitvoering
van internationale verdragen heeft het College
zorgverzekeringen de rol
van internationaal verbindingsorgaan. De uitvoering bestaat voor het grootste
deel uit het verrichten van financiële handelingen en het administreren
daarvan. In de Nota Toezicht is overwogen het toezicht op de uitoefening van de taken door het College zorgverzekeringen
in zijn hoedanigheid van
internationaal verbindingskantoor aan het werkingsgebied
van de toezichthouder toe te voegen. Bij nadere beschouwing blijkt echter
dat daarmee een inefficiënte controlestructuur zou ontstaan. Ook hier
geldt dat het College zorgverzekeringen in zijn functie van
middelenbeheerder verantwoording verschuldigd is aan de minister. In het
rechtstreekse toezicht van de minister op het middelenbeheer is tevens het toezicht op
de rechtmatigheid van inkomsten en uitgaven in verband met
de uitvoering van internationale verdragen begrepen.
9. Veranderingen bij
sturingsorgaan en toezichthouder als gevolg van modernisering en
ontvlechting
De modernisering van het
toezicht heeft gevolgen voor de interne werkwijze en instrumentatie van
beide organen ten behoeve van de toezichtstaak en de sturingstaak, de
ontwikkeling van een modern sturings- en een toezichtbeleid en de
verhouding tussen het verantwoordelijke bestuursniveau tot het
eigen ondersteunende apparaat. De verzelfstandiging van de CTU tot een
eigenstandig geëquipeerd College toezicht betekent dat het secretariaat van
het College zorgverzekeringen moet worden ontvlochten. In dit verband zijn tevens synergie- en samenhangaspecten
van belang.
De implementatie van de
verzelfstandiging en modernisering van het toezicht vereist een
actieve rol van het College zorgverzekeringen
en het College toezicht. Dit
ligt ook voor de hand, gelet op de bij beide organen aanwezige deskundigheid
alsmede de nauwe relatie met en kennis van de uitvoeringsorganisatie.
Dit laat overigens de politieke eindverantwoordelijkheid van de minister
voor de
vormgeving, de aansturing en het toezicht op het
functioneren van beide nieuwe organen onverlet.
Modernisering
Het bestuursmodel van het
College zorgverzekeringen is met de Wet uitvoeringsorganen
volksgezondheid van een participatiemodel gewijzigd in een zogenaamd
kroonledenmodel.
Ook de CTU werkt
momenteel al met een kroonledenmodel. Het bestuursreglement van het College toezicht
zal hoofdzakelijk gericht zijn op de verhouding tot het
secretariaat; de rol van de voorzitter; wel of geen plaatsvervangend
voorzitters; de bestuursvorm (collegiaal bestuur/portefeuillehouders/anderszins);
de openbaarheid van vergaderingen en de wijze waarop besluiten
worden voorbereid, genomen en uitgevoerd.
Het
College zorgverzekeringen en het College toezicht dienen, binnen de wettelijke kaders, zelf
te bepalen welk beleid zij gaan voeren bij de uitoefening van hun taken en moeten
daartoe beide een beleidsvisie ontwikkelen. Van belang is dat de
beleidsvisies op elkaar en op die van de minister
aansluiten.
Immers, als de sturing meer ruimte laat voor de invulling van de eigen
verantwoordelijkheid van de uitvoeringsorganen, dan zal ook het toezicht daar
rekening mee moeten houden, wil het de extra rblz.|20|
vrijheden van de uitvoeringsorganen niet frustreren. Anderzijds, als het
College zorgverzekeringen
te vrijblijvend aanstuurt, dan heeft het College toezicht onvoldoende
houvast om adequaat toezicht te kunnen houden. Het is dan ook noodzakelijk dat sturing en toezicht met elkaar overleggen
over de optimale
aansluiting van de beleidsvisies van ieder van hen, overigens ieder met
behoud van de eigen verantwoordelijkheid en rekening houdend met de eigen
verantwoordelijkheid van de uitvoeringsorganen.
Een belangrijk
vernieuwend element in de werkwijze en instrumentatie van het College
zorgverzekeringen is de reeds in gang gezette ontwikkeling van de monitorfunctie. De
monitor kan bijdragen aan verschillende taken van het College
zorgverzekeringen, maar zal met name bijdragen aan de taak om feitelijke
ontwikkelingen te signaleren aan de minister.
Ook voor het toezicht is
modernisering van werkwijze en instrumentatie nodig. Daarbij valt te
denken aan strategisch onderzoeksbeleid; de ontwikkeling van criteria voor de
beoordeling van onderzoeksvoorstellen en uitgevoerde onderzoeken;
de kwaliteit van onderzoek en het onderzoeksproces; communicatie tussen gecontroleerden en toezichthouder over
voorgenomen en
uitgevoerde onderzoeken; kwaliteitsborging van onderzoeken en het onderzoeksproces;
vormgeving van het rechtmatigheidstoezicht en rapportages; vormgeving doelmatigheidstoezicht en ontwikkeling
van
doelmatigheidsindicatoren.
Ontvlechting secretariaat
College voor zorgverzekeringen
De ontvlechting van het
secretariaat van het College voor zorgverzekeringen richt zich op de organisatorische kant van de verzelfstandigingsoperatie
met als doel zodanige
ondersteunende apparaten te creëren voor het College
zorgverzekeringen en het College toezicht dat beide organen ieder
afzonderlijk kwalitatief en kwantitatief voldoende geëquipeerd zijn om hun wettelijke
taken uit te voeren. De organisatorische scheiding zal zodanig
moeten worden vormgegeven dat de beoogde modernisering optimaal
gestalte kan krijgen.
Een belangrijk
uitgangspunt bij de verzelfstandiging van het toezicht is dat de ontvlechting van
sturing en toezicht plaatsvindt met behoud van synergie en samenhang. Er
zal dan ook nadrukkelijk op worden aangestuurd dat - met inachtneming
van het basisprincipe van scheiding van sturingstaken en
toezichtstaken - de bestaande voordelen van samenwerking ook in de nieuwe situatie
behouden blijven. In dit verband is van belang dat het College
zorgverzekeringen en het College toezicht continu op de hoogte zijn over de
informatie die beschikbaar is bij beide organen en dat gewaarborgd is dat
beschikbare relevante informatie wordt uitgewisseld. Voorts zullen afspraken
worden gemaakt tussen beide organen met betrekking tot de vraag welke informatie gezamenlijk verzameld kan
worden. Dit kan mede
onnodige belasting van de uitvoeringsorganen voorkomen. Synergie en
samenwerking kunnen ook gestalte krijgen door de gezamenlijke
opstelling van procedures en rapportagelijnen die moeten worden gehanteerd,
zowel op secretariaatsniveau als op bestuursniveau, indien
problemen in de uitvoeringspraktijk worden gesignaleerd. Goede samenwerking is
tevens vereist bij de nadere regelgeving voor de
uitvoeringsorganisatie, waarbij die regels op grond van de wettelijke regeling in
overeenstemming met het andere orgaan of na overleg met het andere orgaan tot
stand moeten worden gebracht. Deze thema’s zullen in een informatie-
en rapportageconvenant tussen het College zorgverzekeringen en het College toezicht
worden geregeld.
rblz.|21|
10. Financiële paragraaf
De modernisering van het
toezicht betreft een groeiproces dat in de komende jaren zijn beslag
zal krijgen. De totale structurele effecten van de modernisering en
verzelfstandiging van het toezicht zijn in verband daarmee nog niet exact
aan te geven. Op basis van voorlopige schattingen wordt vooralsnog verwacht
dat de structurele meerkosten van de verzelfstandiging het
bedrag van ƒ4 mln per jaar niet te boven zullen gaan. Naar de additionele
kosten bij de uitvoeringsorganen verband houdende met de
modernisering van de controle- en verantwoordingsstructuur dient nog nader onderzoek
te worden gedaan.
11. Algemene rekenkamer
De bevoegdheden van de
Algemene Rekenkamer als bedoeld in de Comptabiliteitswet [zie Comptabiliteitswet
2001, red.] worden tengevolge
van
dit wetsvoorstel ten opzichte van de toezichthouder materieel
niet gewijzigd. Formeel wordt een nieuw controleobject onder het
bereik van de Rekenkamer gebracht. Haar bevoegdheden tot controle
ontleent zij aan artikel 59, eerste lid, onderdeel d, van de
Comptabiliteitswet.
rblz.|23|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
Onderdeel
A voorziet in
een nieuw eerste lid van artikel 1 in verband met de toevoeging van enkele
nieuwe begripsbepalingen en redactionele wijziging van enkele
andere. De belangrijkste nieuwe begripsbepaling betreft het College
toezicht. Verder wordt de term uitvoeringsorgaan geïntroduceerd waar wordt bedoeld
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en organen die een
publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren uitvoeren. Ook zijn de
begrippen ziekenfondsverzekering en algemene verzekering bijzondere ziektekosten gedefinieerd, evenals de term
Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten. Tot slot is een omschrijving toegevoegd van het begrip
groep. Hierbij is aangesloten bij de omschrijving van dit begrip in het Burgerlijk
Wetboek.
Onderdeel
D regelt in de
eerste plaats dat de wijze waarop afspraken over samenwerking tussen het
College zorgverzekeringen en het College toezicht tot stand komen
zijn grondslag vindt in het bestuursreglement. Aangezien de
bestuursreglementen van het College zorgverzekeringen en van het College toezicht
aan goedkeuring door de minister zijn onderworpen, is op deze wijze tevens
verzekerd dat de minister op dit punt een vinger aan de pols kan
houden. In de tweede plaats is in onderdeel D geregeld dat het College zorgverzekeringen commissies kan instellen. De
formulering is zo gekozen
dat leden van een commissie niet tevens lid hoeven zijn van het
College zorgverzekeringen.
In
onderdeel E is
gemakshalve met één bepaling voorzien in aanpassing van de aanduiding
"College" in de aanduiding "College
zorgverzekeringen"
in alle bepalingen die
niet ook nog op andere punten moesten worden gewijzigd.
In
onderdeel H wordt de
taak van het College voor zorgverzekeringen omschreven. Het College
zorgverzekeringen is belast met het bevorderen
van de rechtmatige en
doelmatige uitvoering van de Zfw en de
AWBZ door de
uitvoeringsorganen. Hiermee wordt de sturende taak van het College zorgverzekeringen
tot uitdrukking gebracht. Het College zorgverzekeringen kan hiertoe beleidsregels
voor de uitvoeringsorganen stellen. Onder het begrip
doelmatigheid dient ook doeltreffendheid te worden begrepen. Hiermee
wordt aangesloten bij de betekenis van het begrip doelmatigheid
zoals dat ook in de Comptabiliteitswet wordt gebruikt. Tot het
bevorderen van doelmatigheid moet ook de bevordering van de doelmatigheid van
het in de Zfw en de ABWZ neergelegde systeem worden gerekend.
Ingevolge
onderdeel J heeft het College
zorgverzekeringen een coördinerende taak die gezien moet
worden als een specificatie van de meer algemene taak om sturing te geven
aan de uitvoering. Bij de coördinatietaak gaat het om de afstemming
van de uitvoering van de Zfw en de
AWBZ, maar ook om afstemming
tussen de uitvoering van deze wetten enerzijds en de uitvoering van het
beleid op andere terreinen van de volksgezondheid, onderscheidenlijk op
andere terreinen van de sociale zekerheid, anderzijds. Ook hiertoe
kan het College zorgverzekeringen beleidsregels stellen voor de
uitvoeringsorganen.
Omdat het
College zorgverzekeringen in het algemeen beter zicht heeft op de eisen die de
subsidiepraktijk stelt dan de minister, is in onderdeel K bepaald dat in de
ministeriële regeling het stellen van nadere regels aan het College
zorgverzekeringen kan worden overgelaten. Te denken valt rblz.|24|
daarbij aan op de
subsidiepraktijk toegespitste uitwerking van in de ministeriële regeling gestelde regels.
Verder is in
onderdeel K
bepaald dat niet voor iedere categorie van subsidies met een subsidieplafond
hoeft te worden gewerkt.
Onderdeel
M regelt de instelling, alsmede de taken en bevoegdheden van het College van toezicht
op de zorgverzekeringen. Dit is de kern van dit
wetsvoorstel.
Het tweede lid van
artikel 1u belast het College toezicht met het toezicht op zowel de rechtmatige
als de doelmatige (waaronder doeltreffende) uitvoering van de Zfw
en
de
AWBZ door de uitvoeringsorganen. Het toezicht betreft derhalve
het totale functioneren van de uitvoeringsorganen, alsmede het recht- en
doelmatige functioneren van de uitvoeringsorganisatie
als zodanig. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar het
algemeen deel van de toelichting. Het tweede lid voorziet er ook in dat
het College toezicht kan worden belast met het toezicht op andere
organen. Het gaat hierbij om organen voor zover zij bij of krachtens enige wet
belast zijn met taken die rechtstreeks verband houden met de uitvoering
van de ziekenfondsverzekering of de algemene verzekering bijzondere
ziektekosten. De woorden "voor zover" beperken het toezichtdomein van
het College toezicht tot die taken en activiteiten van de bedoelde organen
die te maken hebben met de uitvoering van de genoemde wetten.
Artikel
1w verklaart een
groot aantal bepalingen die gelden voor het College
zorgverzekeringen van overeenkomstige toepassing op het College toezicht. Het
betreft de bepalingen over het bestuursreglement, de benoeming van het
personeel, het werkprogramma, de begroting, het verslag van
werkzaamheden, het financieel verslag, de financiering van de beheerskosten van het
college, de bevoegdheid van de minister om beleidsregels te stellen
voor de taakuitoefening en de mogelijkheid tot vernietiging van
besluiten van het College door de Kroon. Gezien de eenduidige taak van het
College toezicht en gezien de aard van die taak (toezicht) is het, anders
dan voor het College zorgverzekeringen, niet nodig te regelen dat het
College toezicht commissies kan instellen waarin personen van buiten het
College toezicht zitting hebben. Derhalve is in artikel 1w
het tweede lid
van artikel 1c buiten de van overeenkomstige toepassing verklaring
gehouden. Dit verhindert het College toezicht uiteraard niet om personen van
buiten het college om advies en raad te vragen indien het daartoe
aanleiding ziet.
Artikel
1x houdt in dat
het College toezicht personeelsleden van het College aanwijst die
feitelijk met het uitvoeren van de toezichtwerkzaamheden zijn belast. Voor de
bevoegdheden van de aangewezen medewerkers is
aansluiting gezocht bij de Algemene wet
bestuursrecht. Wat het niet verlenen van
medewerking aan een aangewezen toezichthouder betreft, zij opgemerkt dat
in artikel 184 Wetboek
van Strafrecht het niet verlenen van
medewerking aan een toezichthouder strafbaar is gesteld. Ingevolge het tweede lid van artikel 184 wordt met een ambtenaar
gelijkgesteld ieder die,
krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met enige
openbare dienst is belast.
Voor een toelichting op
de artikelen 1x1 en
1x2 zij verwezen naar
hoofdstuk 7 van het algemeen deel
van de toelichting.
Met de bepaling van
artikel 1x3, eerste lid, is het uitgangspunt neergelegd dat het College toezicht
niet steeds zelf onderzoek verricht, maar uit oogpunt van efficiency
zoveel mogelijk gebruik maakt van door anderen rblz.|25|
verrichte controles.
Hierbij moet vooral gedacht worden aan de interne controles van de uitvoeringsorganen en de controles van hun extern
accountants. Het is van
belang dat het College toezicht in staat wordt gesteld zich tussentijds
reeds een oordeel te vormen over de voortgang en de voorlopige resultaten van de controles die bij de uitvoeringsorganen
plaatsvinden. Het kan
namelijk op basis hiervan bepalen of, en zo ja, welke aanvullende
werkzaamheden het moet verrichten. Dit bevordert de ontwikkeling van een
dynamisch controleproces ("tijdens de rit") en maakt het mogelijk de
noodzakelijke controles tijdig na afloop van het boekjaar af te ronden.
Dit wordt veilig gesteld door het bepaalde in het tweede lid. De formulering is ontleend aan de Comptabiliteitswet. De
woorden "hen die met de
controle zijn belast" in deze bepaling omvat zowel de interne
controleurs van het uitvoeringsorgaan als de eventueel door hen ingeschakelde
externe accountants. Omdat de extern accountant werkt in opdracht en ten
behoeve van het uitvoeringsorgaan, is de verplichting over het
verstrekken van de gevraagde informatie neergelegd bij het uitvoeringsorgaan. Het College toezicht kan het uitvoeringsorgaan
erop aanspreken indien
deze in zijn opdrachtverlening aan zijn extern accountant niet heeft
geregeld dat de gevraagde informatie verstrekt moet worden aan het College
toezicht.
Artikel
1x4 biedt de minister de mogelijkheid om tussentijds een dringend toezichtonderzoek te
laten verrichten, waarmee in het werkprogramma van het College toezicht
nog geen rekening is gehouden, bijvoorbeeld indien zich plotseling
een calamiteit voordoet of dreigt voor te doen bij een uitvoeringsorgaan.
Ook zou het College zorgverzekeringen in het kader van zijn
taakuitoefening behoefte kunnen hebben aan onderzoek door het College
toezicht. Omdat het werkprogramma van het College toezicht instemming van
de minister behoeft en omdat het College toezicht en het College
zorgverzekeringen aan elkaar nevengeschikte organen zijn, kan het
niet zo zijn dat een verzoek van het College zorgverzekeringen verplichtend is voor het
College toezicht. Het College toezicht zal bij een
verzoek van het College zorgverzekeringen moeten overwegen of het de
onderzoeksvraag van het College zorgverzekeringen kan "meenemen" in al
voorgenomen onderzoek, dan wel dat het het verzochte onderzoek in
zijn volgende werkprogramma kan opnemen. Zowel voor een verzoek
van de minister als van het College zorgverzekeringen geldt dat de bevoegdheden
van het College toezicht toereikend moeten zijn om het
gevraagde onderzoek te doen. Indien het College toezicht een onderzoek op
verzoek van de minister of het College zorgverzekeringen uitvoert, laat dit
onverlet dat het zo’n onderzoek onder eigen verantwoordelijkheid
uitvoert.
Artikel
1x5 bepaalt dat
het College toezicht zowel gevraagd als ongevraagd advies kan uitbrengen aan
het College zorgverzekeringen over de intrekking van de
toelating van een uitvoeringsorgaan, de toestemming aan een ziekenfonds om
werkzaamheden voor derden te verrichten, dan wel de ontheffing van het
verbod om bepaalde diensten of zaken te leveren. Teneinde te
verzekeren dat de ministeriële verantwoordelijkheid kan worden waargemaakt,
is in het tweede lid opgenomen dat de hier bedoelde adviezen van het
College toezicht ter kennis van de minister
worden gebracht.
Artikel
1x6 regelt dat
het College toezicht op verzoek van de minister
uitvoeringstoetsen kan
verrichten. De taken en bevoegdheden van een toezichthouder, maar ook
de inhoud van zijn toezicht zijn sterk afhankelijk van het veld waarop
toezicht moet worden gehouden. De inrichting van het veld en de
voorschriften waaraan het veld zich moet houden, bepalen de wensen en
mogelijkheden ten aanzien van het toezicht. Door deze rblz.|26|
bepaling kan het College
toezicht vanuit toezichtperspectief aangeven of voorgenomen beleid
uitvoerbaar en doelmatig is.
In
artikel
1x7 wordt het
College toezicht, onderscheidenlijk het College
zorgverzekeringen, de
bevoegdheid gegeven voorschriften te geven aan de uitvoeringsorganen
over de inrichting van hun administratieve organisatie en hun financiële
verantwoording. Hierdoor wordt verzekerd dat de uitvoeringsorganen hun administratie en financiële verantwoording op
vergelijkbare wijze
inrichten. Dit is uit het oogpunt van het College toezicht van belang in
verband met de efficiency van zijn werk. Ook vanuit het oogpunt van het College zorgverzekeringen is een goede inrichting
van de administratie door
de uitvoeringsorganen van belang, evenals goede en vergelijkbare
financiële verantwoordingen. Om deze reden is bepaald dat de hier bedoelde voorschriften worden opgesteld in onderlinge
overeenstemming tussen
beide colleges.
In
artikel
1x8 wordt de
bevoegdheid van het College toezicht geregeld om aanwijzingen te geven aan
uitvoeringsorganen. De hier gekozen formulering is ruimer dan die in de
huidige wet. Voor de formulering is aansluiting gezocht bij de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, waarin een overeenkomstige bevoegdheid aan het
College toezicht sociale verzekeringen
is gegeven. Met de
woorden "uit hoofde van zijn toezichthoudende taak" wordt bedoeld dat
het College toezicht zijn aanwijzingsbevoegdheid alleen kan gebruiken als
de door hem uitgevoerde toezichtonderzoeken daartoe aanleiding geven.
De aanwijzingsbevoegdheid kan niet worden gebruikt om invloed uit
te oefenen op concrete besluiten in individuele gevallen inzake
verstrekkingen of vergoedingen aan verzekerden. Ingevolge artikel 5:32 van de
Algemene wet bestuursrecht is het College toezicht bevoegd om in
plaats van bestuursdwang toe te passen een last onder dwangsom op te
leggen.
De bevoegdheid om een
ziekenfonds onder bewind te stellen, berust ingevolge artikel 1x9 bij het
College toezicht. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de
desbetreffende bepaling, zoals die thans luidt, enigszins te stroomlijnen. Aan de
bepaling wordt toegevoegd dat kosten die de bewindvoerders maken in
het kader van hun bewindvoerderschap ten laste van het ziekenfonds
komen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan honoraria of reis- en
verblijfkosten. De bepaling over onderbewindstelling geldt, net als in de
huidige wetgeving, alleen ten aanzien van ziekenfondsen en niet tevens voor de
tot de uitvoering van de
AWBZ toegelaten particuliere
ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen.
Onderdeel O
regelt de
informatievoorziening aan het College
zorgverzekeringen en het College toezicht.
Artikel
1x11 regelt de
inlichtingenplicht van en de toegang tot gegevens bij de uitvoeringsorganen
voor zowel het College zorgverzekeringen als het College toezicht. Dit
onderwerp is thans geregeld in artikel 39 van de
Zfw en artikel 39 van de
AWBZ. Toegevoegd is dat de colleges hierbij eisen en termijnen kunnen stellen en dat de gegevens en inlichtingen
kosteloos moeten worden
verstrekt.
Bij de in
artikel
1x12
bedoelde regels over gegevens en inlichtingen kan het bijvoorbeeld gaan om
het verstrekken van statistische gegevens en het verstrekken van
gewijzigde statuten en reglementen. In verband hiermee worden artikel 38
van de Zfw en artikel 37 van de
AWBZ geschrapt. Het tweede lid
van artikel 1x12 regelt dezelfde materie als het huidige
artikel 13,
tweede lid, Zfw en artikel
14, tweede lid,
AWBZ.
rblz.|27|
Artikel 1x13 regelt de
informatierechten van het College
zorgverzekeringen en het College toezicht
bij natuurlijke en rechtspersonen voor wie een
uitvoeringsorgaan werkzaamheden (heeft) verricht. Dit is overeenkomstig het
huidige artikel 41, vierde lid, van de Zfw.
Omdat uitvoeringsorganen
steeds vaker werken in concernverband, voorziet artikel 1x14 in de
verplichting voor een uitvoeringsorgaan bepaalde informatie op verzoek te
verschaffen aan het College toezicht en het College
zorgverzekeringen. Behoudens het bepaalde in artikel 1x16 is informatie die over een
concern of concernleden is verkregen geheim. Het bepaalde in het derde lid
is opgenomen in verband met de Europeesrechtelijke geheimhoudingsbepalingen
zoals die voorkomen in de derde Europese schaderichtlijn (92/49/EEG). Dit wil uiteraard niet zeggen dat de
informatie door het
College zorgverzekeringen en het College toezicht niet betrokken kan worden bij
hun taakuitoefening jegens de uitvoeringsorganen. Levert een uitvoeringsorgaan niet de voor het desbetreffende
college benodigde
informatie, dan kan in het uiterste geval worden overgegaan tot intrekking van de
toelating.
Het achtste lid van
artikel 1x14 beoogt te voorkomen dat de verplichting tot geheimhouding aan de
Algemene Rekenkamer kan worden tegengeworpen bij de gebruikmaking van
haar bevoegdheden ingevolge artikel 59 van de
Comptabiliteitswet. Uiteraard mag de Rekenkamer de aldus verkregen gegevens en
inlichtingen uitsluitend gebruiken voor het vormen van een oordeel
over de wijze waarop het College zorgverzekeringen het College toezicht, dan
wel de uitvoeringsorganen, hun bij of krachtens de wet
geregelde taken uitoefenen. Wat betreft de openbaarmaking door de Rekenkamer van de
aldus verkregen gegevens en inlichtingen, dan wel bij het doen van
vertrouwelijke mededelingen daarover aan de Staten-Generaal,
geldt onverkort het regime van het elfde tot en met veertiende lid van
artikel 59 van de Comptabiliteitswet. Dit betekent onder meer dat de
Rekenkamer over gegevens en inlichtingen en daaraan ontleende bevindingen en
conclusies geen openbare of vertrouwelijke mededelingen mag
verstrekken die rechtstreeks herleidbaar zijn tot die onderdelen van het
concern die niet belast zijn met de uitvoering van de Zfw
of de
AWBZ.
Voldoet een
uitvoeringsorgaan niet aan de informatieverplichtingen zoals neergelegd in de
artikelen 1x11, eerste en tweede lid, en 1x14, eerste en tweede lid, dan kan het
College dat de informatie heeft gevraagd ingevolge artikel 1x15 overgaan tot
het opleggen van een last onder dwangsom.
Door
onderdeel P wordt
erin voorzien dat ook het College toezicht verplicht is inlichtingen
aan de minister te verschaffen. Artikel 1y
is verder enigszins aangescherpt.
Omdat het in de nieuwe bestuurlijke verhoudingen niet langer aangewezen
wordt geacht dat de minister naar aanleiding van inlichtingen
verstrekt door één van beide colleges, zelf nog inlichtingen gaat
inwinnen bij een uitvoeringsorgaan - dit is namelijk een taak waarvoor de colleges
zijn toegerust - vervalt het tweede lid van artikel 1y.
Met
onderdeel S vervalt
artikel 13. Deze materie wordt geregeld in de nieuwe artikelen 1x12 en
38c. Het Besluit controletaak ziekenfondsen dat nu berust op
artikel 13
van de Zfw komt met inwerkingtreding van dit wetsvoorstel van
rechtswege te vervallen. Omdat het stellen van regels over de door de
uitvoeringsorganen te verrichten controles in de nieuwe constellatie bij uitstek
een taak is van het College zorgverzekeringen
onderscheidenlijk het
College toezicht, is in artikel 1x7 bepaald dat de desbetreffende colleges
regels kunnen stellen over de uit te oefenen controle door de
uitvoeringsorganen.
rblz.|28|
Onderdeel W voegt aan
artikel 34 enkele toelatingseisen toe waaraan ziekenfondsen moeten
voldoen. Deze eisen zijn voor het grootste deel ontleend aan de artikelen
28 en 29 van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Het artikel is in
die zin aangescherpt dat de leiding moet bestaan uit ten minste
twee personen. Ook worden er eisen gesteld aan de deskundigheid en de
antecedenten van degenen die het beleid bepalen die ertoe strekken dat
deze geen aanleiding mogen geven tot het oordeel dat de belangen van
verzekerden bij uitoefening van de taken van een ziekenfonds in gevaar
zouden kunnen komen. Aangezien de dagelijkse leiding ook het beleid
bepaalt, gelden ook voor deze personen de voorwaarden van deskundigheid en
mogen de antecedenten geen twijfels oproepen over de
uitoefening van de taken. In verband met de toenemende concernvorming strekken
de eisen over de handelingen en antecedenten van leidinggevende
personen zich tevens uit tot leidinggevende personen van het concern
voor zover zij uit dien hoofde invloed hebben op de leiding van het
ziekenfonds. Er kan zicht op antecedenten worden verkregen door
bijvoorbeeld een eigen verklaring van het aanvragende ziekenfonds inhoudende
dat er geen gegevens bekend zijn die aanleiding geven tot twijfel, een
curriculum vitae en uiteraard kan ook gevraagd worden naar een
verklaring omtrent het gedrag, af te geven door de burgemeester. In verband
met de toenemende concernvorming wordt met onderdeel f van het derde
lid als extra toelatingseis thans expliciet in de wet opgenomen dat
onafhankelijke besluitvorming bij een ziekenfonds gewaarborgd moet zijn.
Voldoet een instelling niet aan de vereisten van artikel 34, dan wordt geen
toelating als ziekenfonds verleend, c.q. wordt een reeds verleende
toelating ingetrokken.
Met
onderdeel Y vervalt
artikel 38 in verband met het nieuwe artikel 1x12, eerste lid.
In onderdeel
Z wordt een
nieuw artikel 38c ingevoegd, ter vervanging van het vervallen verklaarde
artikel 13 van de Zfw. De bepaling is in zoverre
aangepast dat duidelijk
is dat elk ziekenfonds de algemene taak heeft om de wet
doelmatig uit te
voeren. Onderdeel van die algemene taak is om de nodige maatregelen te
treffen om onnodige kosten te voorkomen. Hiermee wordt aangesloten
bij de thans bestaande zienswijze rondom de betekenis van het
bepaalde in het huidige artikel 13. Vanzelfsprekend heeft elk ziekenfonds ook tot
taak om de wet rechtmatig uit te voeren.
Onderdeel
AA verklaart
artikel 39 vervallen in verband met het nieuwe artikel 1x11.
Met
onderdeel BB vervalt
het vierde lid van artikel 40 in verband met het nieuwe
artikel 1x7.
Onderdeel
CC verklaart
artikel 41, vierde lid, vervallen in verband met het nieuwe artikel 1x13.
Onderdeel
DD introduceert
twee nieuwe artikelen over de verantwoording die ziekenfondsen moeten afleggen.
Artikel
43e betreft het uitvoeringsverslag,
artikel 43f het
financieel verslag en de daarbij behorende documenten. Voor het overige zij
verwezen naar hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze
toelichting. Op grond van het nieuwe artikel 1x7 kunnen het
College zorgverzekeringen en het College toezicht gezamenlijk regels stellen over de inhoud en
inrichting van deze verslagen.
Onderdeel
JJ wijzigt
artikel 94 zodanig dat ook voor het College toezicht in een
taakverwaarlozingsbepaling is voorzien.
rblz.|29|
Onderdeel
KK voegt een
nieuw artikel 96 in, zodat ook voor het College toezicht in een
evaluatiebepaling is voorzien.
Artikel II
Dit artikel bevat
wijzigingen van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten.
Onderdeel A
introduceert
de begrippen "College toezicht" en "uitvoeringsorgaan" in
de wet.
Onderdeel I past artikel
14 aan overeenkomstig het nieuwe artikel 38c
van de
Zfw.
De
onderdelen M en N
bepalen dat artikel 37, onderscheidenlijk het tweede lid van
artikel 38,
vervallen. Dit is overeenkomstig de vervallenverklaring van artikel 39 van de
Zfw.
In
onderdeel P wordt
hoofdstuk 1c van de Zfw over het verstrekken van gegevens en inlichtingen
aan de minister en aan andere organen van overeenkomstige
toepassing verklaard.
Onderdeel
Q verklaart de
bepalingen van de Zfw van overeenkomstige toepassing die betrekking
hebben op het geven van voorschriften aan de uitvoeringsorganen over
de administratie en controle, het uitvoeringsverslag, het financieel verslag en
de reikwijdte van de accountantsverklaring, alsmede die betrekking
hebben op de verplichting voor uitvoeringsorganen om
jaarlijks vóór 1 maart een uitvoeringsverslag en financieel verslag bij
het College zorgverzekeringen en het College toezicht in te dienen.
Onderdeel
Y wijzigt
artikel 68. Door de omschrijving van het begrip uitvoeringsorgaan in de
Zfw zijn de ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen in de zin van de
AWBZ via artikel 87 van de
Zfw al onder de strafbepalingen van
laatstgenoemde wet gebracht.
Door
onderdeel Z vervalt
artikel 78. Deze materie is reeds geregeld in het gewijzigde artikel 94 van
de Zfw.
Artikelen III tot en met
VIII
Deze artikelen bevatten
technische aanpassingen van diverse wetten.
Artikel
IX
Voor de toelichting op
dit artikel zij verwezen naar artikel XV.
Artikel X
Dit artikel regelt de
wijze waarop de overgang van personeel van het College
zorgverzekeringen naar het College toezicht wordt geregeld. Het College zorgverzekeringen
en het College toezicht zullen in gezamenlijk overleg tijdig een lijst
opstellen van medewerkers die overgaan naar het College toezicht. Uitgangspunt dat de medewerkers die op het moment
van inwerkingtreding van
deze wet op de Afdeling Toezicht werkzaam zijn, overgaan naar het College
toezicht. Of, en zo ja, hoeveel en welke medewerkers overigens van het College
zorgverzekeringen overgaan naar het College toezicht zal in
het overleg tussen beide colleges moeten worden bepaald en is mede
afhankelijk van de te maken afspraken over synergie en samenwerking.
rblz.|30|
Artikel XI
Het eerste lid van dit
artikel regelt de wijze waarop de overgang wordt geregeld van alle zaken,
rechten en verplichtingen van het College
zorgverzekeringen die samenhangen met het
toezicht - waarmee thans de Commissie toezicht
uitvoeringsorganisatie is belast - op het College toezicht. Om helderheid
te krijgen welke zaken, rechten en verplichtingen samenhangende met de
afsplitsing van het toezicht moeten overgaan naar het College toezicht
is bepaald dat vóór de inwerkingtreding van
deze wet daarover
overeenstemming dient te worden bereikt tussen het College zorgverzekeringen
en de Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie die als voorganger van
het College van toezicht kan worden beschouwd. Daartoe zal
artikel XI eerder in werking treden dan de overige artikelen. De minister
keurt de opgestelde lijst goed, waarna op de datum van inwerkingtreding van
de rest van de wet alle op de lijst opgenomen zaken, rechten en
verplichtingen overgaan op het College toezicht.
Artikel XV
Om snel en adequaat in
een oplossing te kunnen voorzien voor eventuele niet-voorziene problemen
bij de invoering van deze wet, is in dit artikel aan de minister
de
bevoegdheid toegekend tijdelijk regels te stellen. Deze regels gelden tot en met
31 december van het kalenderjaar na dat waarop zij in werking zijn
getreden. In het geval zich problemen van ernstige aard voordoen, kan wijziging
van de wet aangewezen zijn. Om te voorkomen dat de tijdelijke
regeling afloopt terwijl er nog geen structurele wettelijke voorziening van kracht
is, is in de tweede volzin van het tweede lid voorzien in een bepaling die de
tijdelijke regeling laat doorlopen als een voorstel van wet bij de
Staten-Generaal is ingediend tot regeling van het betrokken onderwerp.
Artikel XVII
Wat de inwerkingtreding
betreft, is uitgangspunt dat de wet
in zijn geheel in werking treedt.
Voorzien is echter in de mogelijkheid om artikelen of onderdelen op een later
tijdstip in werking te laten treden. Mochten zich onvoorziene
omstandigheden voordoen, dan betekent dat niet op voorhand dat de gehele wet
daardoor wellicht niet in werking zal kunnen treden.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
rblz.|31|
BIJLAGE
Taakoverzicht
College voor zorgverzekeringen en College van toezicht op de
zorgverzekeringen
College voor
zorgverzekeringen
Sturing
• Bevorderen van de
rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Zfw
en
AWBZ door de
uitvoeringsorganen.
• Coördineren van de
uitvoering Zfw
en AWBZ en coördineren van de uitvoering van deze
wetten met de beleidsuitvoering op andere terreinen van de
volksgezondheid en de sociale zekerheid.
• Voorlichting geven
aan uitvoeringsorganen, zorgaanbieders en verzekerden over het beleid op het
terrein van de ziektekostenverzekeringen.
• Op verzoek aan de minister
rapporteren over de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van
voorgenomen beleid op het terrein van de Zfw
en AWBZ (uitvoeringstoets).
• Het signaleren van
feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de Zfw
en AWBZ aan de minister.
• Toelaten van
ziekenfondsen en particuliere ziektekostenverzekeraars.
• Toestemming geven
voor de overdracht van verbintenissen, toestemming geven aan ziekenfondsen
voor werkzaamheden voor derden, ontheffing verlenen voor
verboden ex artikel 42 Zfw
en 41
AWBZ.
• Vaststellen van
modelovereenkomsten, goedkeuren van uitkomsten van overleg.
• Toelaten van zorginstellingen.
• Adviseren in
bezwaarschriftprocedures verstrekkingengeschillen.
Beheer en financiering
• Beheren van de AK en
het AFBZ.
• Gevraagd en
ongevraagd aan de minister
rapporteren over de benodigde omvang van de ten laste
van de AK en het AFBZ besteedbare middelen.
• Gevraagd en
ongevraagd aan de minister rapporteren over de hoogte van de
inkomensafhankelijke premie.
• Op basis van
ministeriële regels vaststellen van beleidsregels voor de budgetvaststelling voor
de ziekenfondsen plus vaststellen van de budgetten per uitvoeringsorgaan.
• Doen van betalingen
aan de uitvoeringsorganen.
• Op basis van
ministeriële subsidieregels verstrekken van subsidies.
Uitvoering
• Internationaal
verbindingskantoor.
College van toezicht op
de zorgverzekeringen
• Toezicht op de
rechtmatige en doelmatige uitvoering Zfw
en
AWBZ door de
uitvoeringsorganen.
• Jaarlijks rapporteren
aan CVZ [College voor zorgverzekeringen, red.]
en minister
over uitkomsten rechtmatigheidsonderzoek
en in dat kader beoordelen aanvaardbaarheid kosten.
• Jaarlijks rapporteren
aan CVZ en minister over resultaten uitgevoerd doelmatigheidsonderzoek.
• Op verzoek aan
minister rapporteren over gevolgen voorgenomen regelgeving of beleid
voor uitoefening toezicht (uitvoeringstoets).
• In opdracht van de
minister of op verzoek van het CVZ onderzoek doen.
• CVZ adviseren over
intrekken toelating ziekenfonds of uitvoeringsorgaan AWBZ, over intrekken
toestemming aan ziekenfonds voor werkzaamheden voor derden en over
intrekken ontheffing verboden ex artikel 42
Zfw
en 41
AWBZ.
|