|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 221
Wijziging
van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz in
verband met het verruimen van de mogelijkheid tot tijdelijke ontheffing
van de sollicitatieverplichting ten behoeve van deelnemers aan
socialeactiveringsactiviteiten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Evaluatie
bijstandsexperimenten ex artikel 144 Abw |
| 3 |
Tijdelijke ontheffing
sollicitatieverplichting |
| 4 |
Ten slotte |
| 5x |
Overige wijzigingen |
Inleiding
Met
de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) per 1 januari
1996 is een sterk accent komen te liggen op activering van
Abw-gerechtigden. De inspanningen richten zich er primair op dat bijstandsgerechtigden zo
snel mogelijk weer in hun eigen onderhoud kunnen voorzien; het
zwaartepunt van het beleid is er derhalve op gericht de uitstroom naar de
arbeidsmarkt te optimaliseren. In het kabinetsstandpunt evaluatie Algemene
bijstandswet (Kamerstukken II 1999-2000, 25 271, nr. 11) wordt geconstateerd dat door een combinatie van de inzet
van gemeenten met daarbij
een gunstige economische ontwikkeling de bijstandspopulatie van
489 000 in 1995 is gedaald tot 365 000 eind 1999. Hierbij hebben echter vooral diegenen met een niet al te grote afstand tot
de arbeidsmarkt
geprofiteerd. Mede daardoor bestaat de bijstandspopulatie steeds meer uit mensen
met een grote afstand tot de arbeidsmarkt; voor hen is deelname aan
de arbeidsmarkt op korte termijn (nog) geen reële optie. Er
zullen dan andere stimulansen moeten worden gebruikt om de
maatschappelijke participatie te verbeteren en een achterstandssituatie te
bestrijden of te voorkomen. Het is immers van belang te bevorderen dat
mensen voor wie op korte termijn geen of weinig perspectief op
arbeidsparticipatie bestaat niet in een maatschappelijk isolement geraken, maar
zich (blijven) richten op zinvolle activiteiten, waardoor een toekomstige
(re)integratie op de arbeidsmarkt in zicht blijft.
Ten behoeve van een meer
doelmatige bevordering van een zelfstandige bestaansvoorziening en
sociale activering is voor deze laatste categorie in artikel 144 van de
Abw
aan een aantal gemeenten de mogelijkheid geboden om bij de
uitvoering van de Abw af te wijken van een aantal bepalingen van de Abw.
De
bevoegdheid om van één of meer voorschriften af te wijken (de
zogenoemde bijstandsexperimenten), is eind 1996 en in de eerste
helft van 1997 aan 147 gemeenten verleend. Eind 1999 zijn vrijwel alle experimenten verlengd tot 31 december 2001, om
daarmee de huidige
experimenteergemeenten in de gelegenheid te stellen de in 1997
goedgekeurde projectvoorstellen voort te zetten.
Ter verdere stimulering
van sociale activering heeft op 1 januari 2000 het Informatie- en
Servicepunt Sociale Activering (ISSA) gestalte gekregen, een samenwerkingsverband
van de ministeries van SZW en VWS. Het rblz.|2|
ISSA volgt de
ontwikkelingen in de uitvoeringspraktijk en ondersteunt ook de invoering van sociale
activering op lokaal niveau. Ook de Stimuleringsregeling
sociale activering moet
in dat licht worden gezien. Met deze regeling wordt ƒ40
mln
aan gemeenten beschikbaar gesteld om op lokaal niveau de ontwikkeling
van sociale activering te stimuleren.
Evaluatie
bijstandsexperimenten ex artikel 144 Abw
Op grond van artikel 144
van de Abw konden gemeenten afwijken van het
bepaalde bij of krachtens
de artikelen 8, tweede, vijfde en zesde lid (startende
ondernemers), 43, tweede
lid, onderdeel h en i, en het vierde lid (vrijlatings- en
premiebepalingen), 72 en 73 (wijze van uitbetaling van de
bijstand), 106 (aan de bijstand verbonden verplichtingen die strekken tot
inschakeling in de arbeid
of tot vermindering of beëindiging van de bijstandverlening), 111
(dienstverlening van gemeenten ter bevordering van de zelfstandige
bestaansvoorziening), 113 (arbeidsverplichtingen) en
115 (meldingsplicht voor
het verrichten van werkzaamheden zonder beloning).
De bijstandsexperimenten
zijn geëvalueerd. In december 1999 is het evaluatierapport
verschenen en op 8 december 1999 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
aangeboden (Kamerstukken II 1999-2000, 23 972, nr. 41). Uit de evaluatie
blijkt dat de experimenten over het algemeen succesvol zijn en dat de
deelnemers daadwerkelijk worden geholpen om uit hun sociaal isolement
te komen en waar mogelijk tevens een stap richting de arbeidsmarkt
te maken. Met name is door gemeenten toestemming gevraagd om te mogen afwijken van
artikel 43 (vrijlatings- en premiebepalingen) en
artikel 113 (voornamelijk toegespitst op de mogelijkheid tot ontheffing van de
sollicitatieverplichting); het merendeel van de gemeenten die hiervoor toestemming hebben gekregen, benut deze
mogelijkheden ook.
In een aantal
gemeenten
is op basis van artikel 144 Abw
geëxperimenteerd met de bijstandverlening
aan zelfstandigen, met name betrekking hebbend op de hoogte van
het krediet voor startende zelfstandigen en de duur van de
kredietverstrekking. Onder andere op basis van de ervaringen die hiermee zijn opgedaan,
is besloten tot wijziging van de Abw, ertoe
strekkend dat de
mogelijkheid tot bijstandverlening aan zelfstandigen wordt verruimd. Deze
wijziging treedt op 1 april 2000 in werking en beoogt meer bijstandsgerechtigden een kans te geven om via het zelfstandig
ondernemerschap weer in
het eigen onderhoud te voorzien (Wet van 9 december 1999,
houdende wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met de
evaluatie van bijstandverlening aan zelfstandigen, Stb.
1999, 542, en Besluit van 23
december 1999 tot wijziging van het Besluit
bijstandverlening
zelfstandigen, Stb. 1999, 602).
Daarnaast is naar
aanleiding van de tussenrapportage van de evaluatie in de Veegwet SZW 1998
(Stb. 1998, 742) de vrijlating van een verstrekte premie voor vrijwilligerswerk
voor de doelgroep sociale activering per 1 januari 1999 in de Abw opgenomen.
De overige hiervoor
genoemde afwijkingsmogelijkheden van artikel 144
Abw zijn óf niet, óf
nauwelijks door experimenteergemeenten aangevraagd dan wel in de praktijk
toegepast, óf het effect is als matig positief ervaren. Wat resteert, is
de mogelijkheid voor gemeenten om deelnemers aan
socialeactiveringsactiviteiten tijdelijk te ontheffen van de actieve sollicitatieverplichting.
rblz.|3|
Tijdelijke ontheffing
sollicitatieverplichting
Met het onderhavige
wetsvoorstel wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden deelnemers aan
socialeactiveringsactiviteiten als bedoeld in de
artikelen 2 en 3 van de
Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) tijdelijk te ontheffen van de actieve
sollicitatieverplichting. Onder socialeactiveringsactiviteiten wordt in dit verband
verstaan: onbeloonde dienstverlenende activiteiten die
kwaliteiten die noodzakelijk zijn om te kunnen deelnemen aan het
arbeidsproces in stand houden of verhogen dan wel onbeloonde activiteiten
die anderszins maatschappelijk zinvol zijn.
De mogelijkheid tot
ontheffing van de sollicitatieverplichting als bedoeld in de in artikel I,
onderdeel
B, voorgestelde bepaling kan van belang zijn voor
bijstandsgerechtigden
die niet reeds vanwege sociale of medische redenen of vanwege het
zijn van een alleenstaande ouder met een volledig verzorgende taak
voor kinderen jonger dan vijf jaar een ontheffing op grond van artikel 107
Abw hebben, dan wel voor diegenen die een ontheffing hebben op
grond van de Regeling vrijstelling verplichtingen
Abw. Met andere woorden,
voor personen voor wie de verplichtingen, bedoeld in artikel 113
van de Abw, gericht op het bevorderen van een
zelfstandige
bestaansvoorziening gelden. Ten aanzien van de sollicitatieverplichting voor
uitkeringsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder heeft het kabinet overigens het
voornemen om per 1 juli 2002 de categoriale mogelijkheid tot vrijstelling ervan af
te schaffen. Alvorens definitieve besluitvorming te plegen, zal het kabinet
de arbeidsmarktkansen van ouderen door een extern bureau laten
onderzoeken. De Tweede Kamer heeft tijdens het algemeen overleg van 24
mei 2000 over het Kabinetsstandpunt Bevordering Arbeidsdeelname Oudere
Werknemers met dit voornemen ingestemd.
Voor zover personen
waarop het onderhavige wetsvoorstel zich richt vooralsnog niet
bemiddelbaar zijn naar werk en evenmin in aanmerking komen voor
arbeidsmarktinstrumenten die daar in eerste instantie op zijn gericht (bijvoorbeeld
scholing), is deelname aan socialeactiveringsactiviteiten een aangewezen
instrument. Aangezien de tijdelijke ontheffing het voor de deelnemers
mogelijk maakt de aandacht volledig op de socialeactiveringsactiviteiten
te richten, zal dit - zo blijkt uit het evaluatierapport - een motiverende werking
hebben op potentiële deelnemers en naar verwachting de
effectiviteit van sociale activering vergroten.
De
ontheffingsmogelijkheid is daarmee niet bedoeld om bijstandsgerechtigden
gedurende een bepaalde periode ongemoeid te laten, maar schept juist condities om
op een zinvolle en effectieve wijze het instrument van sociale activering in
te zetten. Aangezien het hier een nog relatief nieuw beleidsterrein betreft dat nog volop in ontwikkeling is, zal de
uitvoeringspraktijk op de
voet worden gevolgd, om te bezien op welke wijze gemeenten met de
nieuwe wettelijke bevoegdheid omgaan.
Bijstandsgerechtigden uit
de doelgroep kunnen ontheven worden van de actieve
sollicitatieverplichting gedurende ten hoogste de periode van deelname aan een
socialeactiveringsactiviteit. Gezien de variatie aan mogelijke
socialeactiveringstrajecten ligt het niet in de rede aan deze ontheffing een nadere
uniforme termijn te verbinden. Wel is het de bedoeling dat gemeenten op gezette
momenten bezien of betrokkene nog steeds tot de doelgroep
van sociale activering behoort en of deelname aan een
socialeactiveringsactiviteit nog steeds bijdraagt aan het voorkomen en/of bestrijden van
sociaal isolement. Tevens zal dan moeten worden bezien of
vervolgstappen gericht op (een verdere) bevordering van een zelfstandige
bestaansvoorziening mogelijk zijn. Als minimum gelden hierbij de kaders
van het reguliere heronderzoeksbeleid op grond van artikel
66, vierde en
vijfde lid, van de Abw (in beginsel binnen acht
maanden, doch in ieder
geval eenmaal per achttien maanden). Het is aan de gemeente om te bezien of
een frequenter klantcontact noodzakelijk is.
rblz.|4|
De socialeactiveringsactiviteiten waarvan in dit wetsvoorstel sprake is,
moeten worden
onderscheiden van de onbeloonde werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 115
van de Abw. Artikel 115 regelt dat, indien een
bijstandsgerechtigde op
eigen initiatief werkzaamheden zonder beloning gaat verrichten, hij dit
zo spoedig mogelijk aan burgemeester en wethouders dient te melden. Dit
artikel is ervoor bedoeld burgemeester en wethouders in staat te
stellen te bezien in hoeverre deze onbeloonde werkzaamheden
interfereren met de benodigde arbeidsmarktinspanningen van betrokkene. Het is
derhalve noodzakelijk dat de in artikel 115 Abw
genoemde
meldingsplicht van de belanghebbende blijft bestaan.
Waar activiteiten als
bedoeld in artikel 115 worden verricht in de periode
dat betrokkene
werkzoekend is, maar overigens geen sprake is van een (vooralsnog)
onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt, is een ontheffing van de
sollicitatieverplichting op grond van artikel 114a
Abw vanzelfsprekend niet aan de orde. Indien
echter wordt geconstateerd dat voor betrokkene geen of weinig
perspectief op arbeidsparticipatie bestaat en hij evenmin in aanmerking
komt voor arbeidsmarktinstrumenten die daar in eerste instantie op zijn
gericht, kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat de
betreffende activiteit moet worden aangemerkt als een
socialeactiveringsactiviteit
in de zin van artikel 114a Abw
en hebben zij de mogelijkheid betrokkene
voor maximaal de duur daarvan te ontheffen van de actieve
sollicitatieverplichting.
Ten slotte
Sociale activering dient
gezien te worden in de bredere context van het totale activerings- en uitstroombeleid. In dat licht is van belang dat, naar
aanleiding van de
evaluatie van de Abw, gestreefd wordt naar nadere
afspraken met de gemeenten, gericht op uitstroom uit de bijstand naar (bij voorkeur reguliere)
arbeid via een meer integrale en evenwichtige toepassing van de
activeringsinstrumenten, waaronder de vormgeving van casemanagement, de
toepassing van het premie-instrument, het vastleggen van afspraken tussen
cliënt en instantie, de voortgangsbewaking door middel van
heronderzoeken en dergelijke en de toepassing van het sanctie-instrument. Ook
van de invoering van het Fonds werk en inkomen (FWI) zal een positieve
stimulans uitgaan. Gemeenten krijgen via het FWI een financiële prikkel
om Abw-gerechtigden meer doelgericht naar de arbeidsmarkt toe te
leiden en om zorg te dragen voor de noodzakelijke frequente herbeoordeling
van cliënten.
Gezien de aanwezige
kraptes op de arbeidsmarkt zijn er concrete mogelijkheden om op een reguliere baan
aan de slag te komen. Dit neemt niet weg dat er voor bepaalde
categorieën bijstandsgerechtigden behoefte kan zijn aan een tijdelijke
ontheffing van de sollicitatieverplichting ten behoeve van
socialeactiveringsactiviteiten, waarbij het in de rede ligt dat
deze activiteiten (zoveel
als mogelijk) ook de terugkeer op de arbeidsmarkt tot doel hebben. Mede
daarom is het van belang dat bij de uitvoering van deze maatregel gestreefd
wordt naar een op de individuele situatie toegesneden maximumtermijn waarvoor
de tijdelijke ontheffing geldt. Naar de mate waarin een eventuele
mogelijkheid tot (her)intrede op de arbeidsmarkt meer prominent in het
vizier is of komt, zal het accent meer moeten liggen op het scheppen van de randvoorwaarden om ook feitelijk een
plaatsing op de
arbeidsmarkt te realiseren (inclusief het opleggen en controleren van de
noodzakelijke verplichtingen daartoe) dan op het toepassen c.q. bestendigen van een tijdelijke ontheffing.
rblz.|5|
Overige wijzigingen
In artikel I,
onderdeel
A,
wordt voorzien in een wijziging van artikel 43 van de
Abw. Zoals hiervoor
aangegeven, is per 1 januari 1999 de vrijlating van een verstrekte premie
voor vrijwilligerswerk voor de doelgroep sociale activering in de Abw
opgenomen. De toevoeging aan artikel 43, tweede lid,
onderdeel o, onder 2º,
strekt ertoe ook diegenen die op grond van het nieuwe artikel
114a een
tijdelijke ontheffing van de actieve sollicitatieverplichting hebben, voor bedoelde
premievrijlating in aanmerking te brengen.
In de
artikelen II en III
wordt, naar analogie van het voorgestelde artikel
114a van de Abw, voorzien
in het opnemen in de Ioaw en Ioaz van de
mogelijkheid tot
vrijstelling van de sollicitatieverplichting bij deelname aan
socialeactiveringsactiviteiten. Ook voor uitkeringsgerechtigden die onder het regime van deze
uitkeringsregelingen vallen, is het van belang te bevorderen dat zij,
indien op korte termijn geen of weinig perspectief op arbeidsparticipatie
bestaat, niet in een maatschappelijk isolement geraken, maar zich
(blijven) richten op een zinvol bestaan, waardoor een mogelijke toekomstige
(re)integratie op de arbeidsmarkt in zicht blijft.
De ontheffing moet
derhalve alleen dan worden toegepast wanneer daardoor in het individuele geval
geen belemmering wordt opgeroepen voor de mogelijkheden tot
uitstroom uit de uitkering.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|
|