|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2000-2001,
27 468.
Handelingen II 2000-2001,
blz. 2223-2224.
Kamerstukken I 2000-2001, 27
468 (122, 122a, 122b, 122c, 122d, 122e,
122f, 122g, 122h).
Handelingen I 2000-2001, zie
vergadering d.d. 24 april 2001.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 26 april 2001, Stb.
2001, 212, tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en de
Algemene
nabestaandenwet inzake de vrijwillige verzekering en wijziging van
artikel X van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet herziening vrijwillige
verzekering AOW en Anw). Inwerkingtreding: 1 januari 2001.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de bepalingen inzake de vrijwillige verzekering krachtens
de Algemene Ouderdomswet en de Algemene
nabestaandenwet meer in
overeenstemming te brengen met de oorspronkelijke doelstelling van de
vrijwillige verzekering, te weten een verzekering van tijdelijke aard,
en dat het wenselijk is het overgangsrecht met betrekking tot de
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in het buitenland te herstellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Algemene Ouderdomswet [MvT]
Hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet
wordt vervangen door:
HOOFDSTUK IV. De vrijwillige verzekering
Art. 34. [MvT
+
bis]
In dit hoofdstuk en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde:
degene wiens verplichte verzekering is geëindigd.
Art. 35. [MvT +
bis]
-1. De gewezen verzekerde van
15 jaar of ouder kan zich, zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog
niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien
jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is
geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde
direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering
ten minste één jaar verplicht verzekerd is geweest.
-2. Indien de periode van
vrijwillige verzekering is onderbroken door een periode van verplichte
verzekering korter dan één jaar, kan de gewezen verzekerde zich opnieuw
vrijwillig verzekeren voor de resterende periode van de tien jaar.
-3. De periode van maximaal
tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
a. de gewezen verzekerde die
in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige
rechtspersoon;
b. de gewezen verzekerde die
is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking;
c. de gewezen verzekerde die
werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie;
d. de gewezen verzekerde die
werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en
die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van
een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal
verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie; of
e. de gewezen verzekerde
die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de
leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht
heeft op een:
1º. uitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
2º. uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
3º. uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
4º. uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen;
5º. pensioen op basis van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds;
6º. pensioen op basis van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire
pensioenwet, zoals die luidde vóór 1 januari 1998; of
7º. nabestaandenuitkering
op grond van de Algemene
nabestaandenwet;
mits die uitkering of dat
pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.
-4. De periode van maximaal
tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de
echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de
inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die
echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat. Voor de toepassing
van dit lid wordt onder de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde
mede verstaan de gewezen verzekerde, bedoeld in onderdeel e van
dat lid, wiens recht op een uitkering als bedoeld in dat onderdeel
uitsluitend als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is
geëindigd.
-5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere
regels worden gesteld.
Art. 36. [MvT
+
bis]
-1. De gewezen verzekerde die
van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel
35, eerste lid,
gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte
verzekering is geëindigd een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale
Verzekeringsbank.
-2. De aanvraag wordt
afgewezen indien de gewezen verzekerde niet voldoet aan de bij of
krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Art. 37. [MvT
+
bis]
-1. De vrijwillige
verzekering, bedoeld in artikel 35, eerste lid, eindigt:
a. indien de gewezen
verzekerde schriftelijk aan de Sociale
Verzekeringsbank te kennen geeft niet langer
van de vrijwillige verzekering gebruik te willen maken;
b. met ingang van de dag
waarop de gewezen verzekerde 65 jaar wordt;
c. met ingang van de dag
waarop de periode van tien jaar, bedoeld in artikel
35, eerste lid, is
verstreken;
d. met ingang van de dag
waarop de gewezen verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van
deze wet;
e. indien de verschuldigde
premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering,
bedoeld in artikel 26 van de Wet financiering
volksverzekeringen,
uiterlijk drie maanden na een door de Sociale Verzekeringsbank vastgestelde termijn niet of niet geheel is betaald;
f. indien de gewezen
verzekerde de van hem, in verband met de toepassing van dit
hoofdstuk, verlangde inlichtingen niet binnen een door de Sociale Verzekeringsbank
gestelde termijn heeft verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde
aannemelijk maakt dat dat hem niet in overwegende mate kan worden verweten.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, e en f, wordt de vrijwillige verzekering
geacht te zijn geëindigd met ingang van de dag volgende op die waarover
voor het laatst premie is betaald.
Art. 38. [MvT
+
bis]
-1. De verzekerde die
voorafgaand aan de verplichte verzekering niet eerder verplicht verzekerd
is geweest, kan zich, zolang hij de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt, vrijwillig verzekeren vanaf de 15-jarige leeftijd, over de
achterliggende periode waarin hij niet verplicht verzekerd is geweest.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid nadere
regels worden gesteld.
Art. 39. [MvT
+
bis]
-1. De verzekerde die van de
vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 38,
eerste lid, gebruik wil
maken, is verplicht uiterlijk vijf jaar na de dag waarop de verplichte
verzekering is ontstaan een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale
Verzekeringsbank.
-2. De artikelen 36, tweede
lid, en 37, eerste lid, onderdeel e en
f, en tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art. II.
Wijziging hoofdstuk IX van de Algemene Ouderdomswet
De Algemene Ouderdomswet
wordt als volgt gewijzigd:
A.
De artikelen 62 tot en met 64, 66 en
69 vervallen.
B.
Aan artikel 65 wordt een zin
toegevoegd, luidende: Het in de eerste zin bedoelde feit wordt
beschouwd als een overtreding.
Art. III.
Wijziging van de Algemene nabestaandenwet [MvT]
Hoofdstuk 5 van de Algemene
nabestaandenwet wordt vervangen door:
HOOFDSTUK 5. De vrijwillige verzekering
Art. 63. [MvT
+
bis]
In dit hoofdstuk en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen verzekerde:
degene wiens verplichte verzekering is geëindigd.
Art. 63a. [MvT
+
bis]
-1. De gewezen verzekerde kan
zich vrijwillig verzekeren over een periode van tien jaar, met
ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is
geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde
direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten
minste één jaar verplicht verzekerd is geweest.
-2. De gewezen verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, kan zich, indien de periode van vrijwillige
verzekering is onderbroken door een periode van verplichte verzekering
korter dan één jaar, opnieuw vrijwillig verzekeren voor de resterende periode
van de tien jaar, bedoeld in dat lid.
-3. De periode van maximaal
tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:
a. de gewezen verzekerde die
in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel uit anderen hoofde loon geniet van een zodanige
rechtspersoon;
b. de gewezen verzekerde die
is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister voor
Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen organisaties voor ontwikkelingssamenwerking;
c. de gewezen verzekerde die
werkzaam is bij een door Onze Minister, Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie;
d. de gewezen verzekerde die
werkzaamheden verricht die worden bekostigd door het Rijk en
die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van
een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal
verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie;
e. de gewezen verzekerde
die op de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd de
leeftijd van 50 jaar heeft bereikt, niet in Nederland woont en recht
heeft op een:
1º. uitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
2º. uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
3º. uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
4º. uitkering op grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen;
5º. pensioen op basis van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds;
6º. pensioen op basis van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene militaire
pensioenwet, zoals die luidde vóór 1 januari 1998;
7º. ouderdomspensioen op
grond van de Algemene Ouderdomswet; of
8º. nabestaandenuitkering
op grond van deze wet;
mits die uitkering of dat
pensioen ten minste gelijk is aan 35% van het in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag; of
f. de gewezen verzekerde
wiens recht op een uitkering als bedoeld in onderdeel e uitsluitend als
gevolg van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is geëindigd.
-4. De periode van maximaal
tien jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op de
echtgenoot van de in het derde lid genoemde gewezen verzekerde en de
inwonende minderjarige kinderen met wie die gewezen verzekerde of die
echtgenoot in familierechtelijke betrekking staat.
-5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van dit artikel nadere
regels worden gesteld.
Art. 63b. [MvT]
-1. De gewezen verzekerde die
van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel
63a, eerste lid,
gebruik wil maken, is verplicht uiterlijk één jaar na de dag waarop de
verzekering is geëindigd een aanvraag daartoe in te dienen bij de Bank.
-2. De aanvraag wordt
afgewezen indien de gewezen verzekerde niet voldoet aan de bij of
krachtens dit hoofdstuk gestelde voorwaarden.
Art. 63c. [MvT]
-1. De vrijwillige
verzekering, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, eindigt:
a. indien de gewezen
verzekerde schriftelijk aan de Sociale
Verzekeringsbank te kennen geeft niet langer
van de vrijwillige verzekering gebruik te willen maken;
b. met ingang van de dag
waarop de periode van tien jaar, bedoeld in artikel
63a, eerste lid, is
verstreken;
c. met ingang van de dag
waarop de gewezen verzekerde verplicht verzekerd wordt op grond van
deze wet;
d. indien de verschuldigde
premie voor de vrijwillige algemene nabestaandenverzekering,
bedoeld in artikel 26 van de Wet financiering
volksverzekeringen,
uiterlijk drie maanden na een door de Bank vastgestelde termijn niet of niet geheel
is betaald;
e. indien de gewezen
verzekerde de van hem, in verband met de toepassing van dit
hoofdstuk, verlangde inlichtingen niet binnen een door de Bank gestelde termijn
heeft verstrekt, tenzij de gewezen verzekerde aannemelijk maakt dat dat
hem niet in overwegende mate kan worden verweten.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, d en e, wordt de vrijwillige verzekering
geacht te zijn geëindigd met ingang van de dag volgende op die waarover
voor het laatst premie is betaald.
Art. 63d. [MvT
+
bis]
De artikelen 63 tot en met 63c zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. de gewezen verzekerde die
op 31 december 1999 verplicht verzekerd was op grond van artikel
26 van het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en die op of na 1 januari 2000,
maar vóór de dag van
inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw, de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
b. de gewezen verzekerde die
op 31 december 1999 vrijwillig verzekerd was op grond van artikel 63
van deze wet, zoals dat artikel luidde tot en met de dag voorafgaande aan
de dag van inwerkingtreding van de Wet herziening vrijwillige
verzekering AOW en Anw, en wiens vrijwillige verzekering tussen 31
december 1999 en de dag van inwerkingtreding van de Wet herziening
vrijwillige verzekering AOW en Anw uitsluitend als gevolg van het bereiken van
de leeftijd van 65 jaar is geëindigd;
met dien verstande dat voor de
toepassing van artikel 63b, eerste lid, de verzekering
geacht wordt geëindigd te zijn op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet herziening
vrijwillige verzekering AOW en Anw.
Art. IV.
Wijziging van de Wet financiering volksverzekeringen [MvT]
De Wet financiering volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 2 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt de
zinsnede "artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet" vervangen
door: hoofdstuk IV van de Algemene Ouderdomswet.
2. In onderdeel c wordt de
zinsnede "artikel 63 van de Algemene
nabestaandenwet" vervangen
door: hoofdstuk 5 van de Algemene
nabestaandenwet.
B. [MvT]
Artikel 25 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de
aanduiding "-1." geplaatst.
2. Het woord "en" wordt
vervangen door: of.
3. Toegevoegd wordt een lid,
luidende:
-2. De voordracht voor een
krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
C. [MvT]
In artikel 26, eerste lid,
wordt "en de vrijwillige nabestaandenverzekering" vervangen door: of de
vrijwillige nabestaandenverzekering.
D. [MvT]
In artikel 27, derde lid,
wordt "en de" vervangen door: of de.
Art. V.
Wijziging van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
[MvT]
Artikel X van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt vervangen
door:
Art. X. Overgangsbepaling inzake artikel 17 Wajong
-1. Artikel 17, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten is niet van toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte die
op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en niet in Nederland woonde, zolang laatstgenoemde
omstandigheid voortduurt.
-2. Het eerste lid is
eveneens van toepassing ten aanzien van de in dat lid genoemde
jonggehandicapte die na de inwerkingtreding van deze wet, maar vóór 1 januari 2003, in
Nederland is gaan wonen en vervolgens weer niet in Nederland is gaan
wonen, zolang laatstgenoemde omstandigheid voorduurt.
Art. VI.
Wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
wordt als volgt gewijzigd:
Aan artikel 17 wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-7. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel c, worden bij algemene maatregel van bestuur regels
gesteld waaruit blijkt onder welke omstandigheden het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden voortgezet wegens gebleken
onbillijkheden die uitsluitend voortkomen uit beperking van de exporteerbaarheid.
Art. VII.
Overgangsbepaling [MvT]
De perioden van maximaal
tien jaar, bedoeld in de artikelen 35, eerste
lid, van de Algemene Ouderdomswet
en 63a, eerste lid, van de Algemene
nabestaandenwet, zijn niet
van toepassing op degene die vóór de datum van inwerkingtreding van
deze wet reeds vrijwillig verzekerd was voor de Algemene Ouderdomswet
of de Algemene
nabestaandenwet ten aanzien van de op die datum
bestaande vrijwillige verzekering.
Art. VIII.
Verruiming grondslag Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties
BEU en Regeling van 6 juni 1989 (Stcrt. 1989, 121)
-1. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust de Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties
BEU ¹ mede op artikel 35, derde lid, onderdeel
b, van de Algemene Ouderdomswet
en artikel 63a, derde lid, onderdeel
b, van de Algemene
nabestaandenwet.
-2. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur en de Minister van Binnenlandse Zaken van 6
juni 1989, nr. SZ/SVV/89/3050, houdende aanwijzing van
volkenrechtelijke organisaties in het buitenland (Stcrt. 1989, 121) mede op artikel
35, derde
lid, onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet
en artikel 63a, derde lid,
onderdeel c, van de Algemene
nabestaandenwet.
1. Zie ook Regeling
aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002, red.
Art.
IX.
Inwerkingtreding [MvT]
Deze wet treedt in werking
met ingang van 1 januari 2001. Indien het Staatsblad waarin deze wet
wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2001, treedt zij
in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari
2001.
Art.
X. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
26 april 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtste
mei
2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|