|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 468
Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet en de
Algemene
nabestaandenwet inzake de vrijwillige verzekering en wijziging van
artikel X van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en
Anw)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Knelpunten in het
Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw |
| 2.1 |
Principiële
knelpunten |
| 2.2 |
Uitvoeringstechnische knelpunten |
| 3 |
Kabinetsvoorstellen
conform de beleidsnotitie d.d. 13 juli 1991 |
| 4 |
Advies van de SVr |
| 5 |
Wetsvoorstel inzake
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw |
| 6 |
Overgangsrecht |
| 7 |
Financiële
consequenties |
|
xArtikelsgewijs |
| xxr |
Artikelen
I t/m VI |
Algemeen
1.
Inleiding
Iedereen
die in Nederland woont, is in beginsel verplicht verzekerd voor de
volksverzekeringen. Daaronder worden verstaan de Algemene Ouderdomswet
(AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Verplicht verzekerd is
bovendien degene die niet in Nederland woont maar die hier te lande in dienstbetrekking werkt en aan de loonbelasting is
onderworpen.
Overigens kan bij
algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking aan de kring
van verzekerden worden gegeven. Dit heeft plaatsgevonden in het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: KB 746).
Degene wiens verplichte
verzekering voor de volksverzekeringen eindigt - bijvoorbeeld omdat hij of
zij niet langer in Nederland woont - kan de AOW- en de
Anw-verzekering op vrijwillige basis continueren.
Voortzetting op
vrijwillige basis van de verzekering op grond van de AOW kan uitsluitend in
combinatie met de vrijwillige verzekering op grond van de Anw
en omgekeerd
plaatsvinden. (Deze koppeling is overigens, voor een beperkte groep niet
langer verplicht verzekerden, vooruitlopend op dit wetsvoorstel verbroken;
zie de Wet van 9 december 1999, houdende wijziging van de
Algemene
nabestaandenwet ter ontkoppeling van de vrijwillige verzekering
Algemene nabestaandenwet van de vrijwillige verzekering Algemene
Ouderdomswet voor gewezen verzekerden ouder dan 65 jaar [van 65 jaar of
ouder, red.] (Stb. 1999, 543).
Bovendien kent de AOW,
als opbouwverzekering, nog de mogelijkheid om de verzekering, over de
periode voorafgaand aan het moment waarop voor het eerst
verzekeringsplicht ontstaat, vrijwillig in te kopen.
Vrijwillige verzekering
op grond van de Anw achteraf is uitgesloten, omdat het hier gaat om
een risicoverzekering. De mogelijkheid tot vrijwillige verzekering is geregeld
in de huidige artikelen 45 van de AOW en
63 rblz.|2|
van de Anw, terwijl de
voorwaarden waaronder men zich vrijwillige kan verzekeren, zijn opgenomen
in het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw
[zie ook Besluit vrijwillige verzekering
AOW en Anw 2001, red.].
Vanaf de eerste
totstandkoming van deze algemene maatregel van bestuur op het terrein
van de vrijwillige verzekering in 1961 heeft dit besluit in materiële zin
veel wijzigingen ondergaan die het directe gevolg waren van veranderingen
in de verplichte verzekering. Hierdoor kan men zich afvragen of de
vrijwillige verzekering nog strookt met de uitgangspunten die oorspronkelijk aan
deze verzekering ten grondslag lagen. Beslissingen die hebben
geleid tot aanpassing van het verplichte verzekeringsregime zijn
namelijk, indien zij doorwerkten naar de vrijwillige verzekering, nimmer aan
die uitgangspunten getoetst. Het belangrijkste uitgangspunt van de
vrijwillige verzekering op grond van de AOW is dat deze gaten in de verzekeringsopbouw moest voorkomen van
degenen die slechts
gedurende korte tijd buitenslands woonden zonder dat zij de bedoeling
hadden zich duurzaam in het buitenland te vestigen. Ook in uitvoeringstechnische zin zijn er bij de wettelijke regeling van de
vrijwillige verzekering
AOW en Anw
enkele kanttekeningen te plaatsen. De conclusie moet dan ook
zijn dat de vrijwillige verzekering AOW en Anw aan herziening toe
is.
Op 13 juli 1991 bood de
toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een beleidsnotitie over de vrijwillige verzekering
AOW/AWW (Algemene
Weduwen- en Wezenwet) en AAW (Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet)
aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan (Kamerstukken II
1990-1991, 22 188, nr. 2).
De Sociale
Verzekeringsraad (SVr) werd bij brief van 20 september 1991 om advies gevraagd over
de desbetreffende beleidsnotitie. In zijn vergadering van 17 juni 1993 stelde
de SVr zijn advies ter zake vast. In het voorliggende wetsvoorstel is met deze
advisering rekening gehouden.
Tot 1999 hebben de
werkzaamheden om tot nieuwe wet- en regelgeving te komen voor de vrijwillige
verzekering AOW en Anw
stil gelegen. De overwegingen die ten grondslag lagen
aan de beleidsnotitie van destijds zijn door de jaren heen valide
gebleven. Bij de inwerkingtreding van het KB
746, met ingang van 1 januari 1999, is besloten het betreffende dossier
weer op te pakken.
Dat kwam met name door
het feit dat dat besluit een wezenlijke verandering teweeg heeft gebracht in
de verzekeringspositie van postactieven die ons land hebben verlaten
en in het buitenland een langlopende, wettelijke, Nederlandse uitkering
ontvangen. Tot 1 januari 2000 waren deze personen verplicht
verzekerd voor de volksverzekeringen, vanaf die datum echter - behoudens
enkele uitzonderingen - niet meer. Personen die niet langer verplicht
verzekerd zijn, kunnen zich voor wat betreft de AOW en Anw
aansluitend vrijwillig verzekeren. Tot nu toe is zulks mogelijk zonder
dat daaraan een
tijdslimiet is verbonden. Door middel van dit wetsvoorstel kan men zich nog slechts
vijf jaar onafgebroken vrijwillig verzekeren. Dat betekent in de
praktijk voor onder meer een WAO-gerechtigde van bijvoorbeeld 53 jaar die
in Duitsland woont en die niet langer verplicht verzekerd is voor de
volksverzekeringen, dat hij zijn AOW-verzekering niet langer tot aan z’n
65ste
zou kunnen opbouwen. Vanuit het parlement rees daartegen verzet
(Herbezinning Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen, Kamerstukken II 1996-1997, 24 754, nr. 5). De regering heeft naar
aanleiding van deze discussie gemeend de beperking ten aanzien van de
termijn waarover men zich vrijwillig kan verzekeren niet voor de categorie
postactieven van 50 jaar of ouder te moeten invoeren. Mede met
inachtneming van het kabinetsstandpunt zoals verwoord in het rapport
"Leeftijdsgrenzen in wet- en regelgeving" is de
regering van mening dat
het hanteren van deze leeftijdsgrens voor rblz.|3|
betrokken groep
uitkeringsgerechtigden als volgt kan worden gerechtvaardigd. De uitkeringsgerechtigden
als hier bedoeld zullen de periode gedurende welke zij aan het
arbeidsproces hebben deelgenomen veelal grotendeels in Nederland
hebben doorgebracht. Over dat deel hebben zij hier te lande pensioen
opgebouwd. Op grond van de meeste buitenlandse socialezekerheidssystemen is alleen degene die als zelfstandige of als werknemer aan het
arbeidsproces deelneemt, verzekerd. Het is niet waarschijnlijk dat een oudere
postactieve uitkeringsgerechtigde in zijn woonland nog zal gaan werken en
daarmee kan bijdragen aan het verbeteren van zijn
oudedagsvoorziening.
Op grond van deze
overwegingen is in dit wetsvoorstel dan ook voor de groep
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder een uitzonderingsregel opgenomen die het
mogelijk maakt de AOW tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd op
vrijwillige basis voort te zetten. Overigens geldt deze uitzondering straks
eveneens voor de Anw.
Het
algemeen deel van
deze toelichting is als volgt opgebouwd.
In hoofdstuk 2 worden de
knelpunten in het Besluit vrijwillige verzekering AOW
en Anw
uiteengezet.
Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen principiële en
uitvoeringstechnische knelpunten. In de reeds eerder genoemde beleidsnotitie
(Kamerstukken II 1990-1991, 22 188, nr. 2) wordt hieraan uitvoerig
aandacht besteed.
Hoofdstuk 3 vermeldt in
het kort de kabinetsvoorstellen, waarover de SVr destijds heeft
geadviseerd.
In hoofdstuk 4 is het
advies van de SVr samengevat weergegeven.
In hoofdstuk 5 wordt het
regeringsvoorstel om te komen tot een nieuwe regeling voor de
vrijwillige verzekering AOW
en Anw uiteengezet. Voor een groot deel zijn deze
voorstellen in een meer uitgebreide zin terug te vinden in de zoëven
aangehaalde beleidsnotitie. Uiteraard gaat het in die notitie nog om de voorloper van de
Anw, namelijk de AWW.
Hoofdstuk 6 gaat in op de
vraag waarom naar de mening van de regering voor bepaalde
categorieën overgangsrecht noodzakelijk is.
Hoofdstuk 7 laat de
financiële consequenties van dit wetsvoorstel zien.
2. Knelpunten in het
Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw
2.1. Principiële
knelpunten
Onderscheid naar
nationaliteit in verband met de premievaststelling
Degene die zich
vrijwillig verzekert, is elk jaar over het maximumpremie-inkomen premie verschuldigd. Dat
maximum is gelijk aan het bedrag van de eerste plus de tweede
schijf (voor het jaar 2000 komt dat overeen met ƒ15 255,- + ƒ33 739,-
= ƒ48 994,-). Dit ongeacht de vraag of de betrokkene over eigen inkomsten
beschikt, en zo ja, hoe hoog die inkomsten zijn. Een afwijkende regel geldt
voor degenen die de Nederlandse nationaliteit bezitten en die kunnen
aantonen dat hun inkomen lager is dan de bovengrens van de eerste plus de
tweede tariefschijf. Zij betalen premie over het werkelijk verdiende
inkomen (de zogenaamde berekende premie). Ontbreekt enig inkomen,
dan is een premie verschuldigd, gelijk aan 5% van het jaarlijks maximaal verschuldigde bedrag.
Deze voor
niet-Nederlanders minder gunstige regeling is in het verleden in het besluit opgenomen
teneinde een toestroom van buitenlanders naar ons land te voorkomen
die, na enkele maanden in Nederland verplicht verzekerd te zijn
geweest, op een relatief goedkope wijze hun oudedagsvoorziening na vertrek
naar het
buitenland zouden kunnen veilig stellen door middel van de
vrijwillige verzekering. Overigens geldt deze minder gunstige regeling niet
voor personen die onder de personele werkingssfeer van Verordening (EEG) nr.
1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14
juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidheidsregelingen
op werknemers en zelfstandigen, rblz.|4|
alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L
149) zoals
laatstelijk bijgewerkt bij Verordening (EG) nr. 118/97 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 december 1996 tot
wijziging en bijwerking van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing
van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede
op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen,
en van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van
toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (PbEG 1997, L 28) (verder
te noemen: Verordening (EEG) nr. 1408/71) vallen. Ook in de meeste bi- en multilaterale verdragen inzake
sociale zekerheid die Nederland
met andere landen heeft afgesloten, is het maken van een dergelijk onderscheid niet toegestaan. De praktijk wijst
niet uit dat de
opheffing van deze nationaliteitsvoorwaarde jegens zowel EU-onderdanen als
verdragsonderdanen tot de eerder verwachte toevloed van buitenlanders naar
Nederland heeft geleid.
Verhouding tussen de
totaal verschuldigde premie en de uiteindelijke pensioenaanspraken
Tot de invoering van de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW
per 1 april 1985
was de gehuwde vrouw automatisch meeverzekerd wanneer haar echtgenoot
besloot om zich vrijwillig te verzekeren. Deze vorm van
medeverzekering gold ook in de omgekeerde situatie. Vanaf eerder genoemde
datum bepaalt ieder voor zich of hij of zij van de vrijwillige verzekering
AOW en AWW (nu Anw) gebruik wil maken. De premielasten kunnen door
de invoering van de verzelfstandiging voor een echtpaar aanzienlijk hoger uitvallen. De gehuwde man en vrouw betalen
sindsdien namelijk premie
op basis van hun eigen inkomen, terwijl de premieberekening tot dan
toe aan de hand van het gezinsinkomen werd vastgesteld.
Door deze wijziging in de
premieberekening in 1985 is de vrijwillige AOW- en Anw-verzekering minder aantrekkelijk geworden. Vooral degenen die
ieder afzonderlijk een
inkomen hebben dat het maximum van de eerste belastingschijf ruim
overschrijdt, zijn sedertdien al gauw geneigd onderdak te zoeken bij
een particuliere verzekeringsmaatschappij in plaats van bij de wettelijk
geregelde vrijwillige AOW- en Anw-verzekering. Voor de partners die niet over
eigen inkomsten beschikken, blijft daarentegen deze laatste verzekeringsvorm onder de huidige voorwaarden nog altijd
dé oplossing om met
ingang van de 65-jarige leeftijd over een eigen ouderdomspensioen te
kunnen beschikken. Zij betalen daarvoor op jaarbasis namelijk slechts 5% van
het bedrag dat een vrijwillig verzekerde in enig jaar aan premie ten
hoogste verschuldigd kan zijn.
De afnemende
belangstelling voor de vrijwillige verzekering is eveneens te verklaren uit het feit
dat het aantal gratis verzekerde jaren waarop AOW-gerechtigden op
65-jarige leeftijd uit hoofde van de overgangsvoordelen recht hebben elk jaar
kleiner wordt. De AOW trad op 1 januari 1957 in werking. Zonder nadere regeling zouden personen die op die
datum ouder waren dan 15
jaar en dus geen volledig pensioen meer konden opbouwen, op hun
65ste een gekort ouderdomsuitkering ontvangen. Om dat te voorkomen, is in
de AOW geregeld dat die personen - uiteraard onder bepaalde
voorwaarden - de jaren vanaf de datum dat zij de leeftijd van 15 jaar
bereikten tot 1 januari 1957 "gratis" worden meegeteld voor het vaststellen van
de hoogte van de uitkering.
Samenvattend kan worden
geconcludeerd dat:
- de vrijwillige AOW/Anw-verzekering
voor degenen met hogere inkomens, in vergelijking met
particuliere verzekeringsvormen, te duur is;
- voornamelijk degenen
die geen of een laag eigen inkomen hebben nog van de vrijwillige AOW/Anw-verzekering
gebruik willen maken;
- de omvang van het "gratis AOW-pensioendeel", gebaseerd op de
rblz.|5|
overgangsvoordelen, elk
jaar kleiner wordt, waardoor de interesse voor de vrijwillige
verzekering zeker als het gaat om de hogere inkomensgroepen afneemt.
Verhouding
verplichte-vrijwillige verzekering
In de memorie van
toelichting bij de AOW werd over de doelstelling van de vrijwillige
verzekering opgemerkt dat "de regeling bedoeld is voor personen die slechts
gedurende korte tijd buitenslands wonen, zonder daarbij de intentie te
hebben zich duurzaam in het buitenland te vestigen". De vrijwillige verzekering zou met andere woorden (korte) onderbrekingen
van de verplichte
verzekering, als gevolg van verblijf buitenslands, moeten opvullen.
De praktijk wijst uit dat
in de loop der jaren nogal wat personen van de regeling gebruik zijn
gaan maken van wie bij voorbaat vaststond dat zij niet meer naar Nederland
(zouden) terugkeren (bijvoorbeeld emigranten en, zij het in
aanmerkelijk mindere mate, remigranten).
Ook de Nederlandse
overheid zelf heeft er de afgelopen decennia door middel van
beleidsmaatregelen voor gezorgd dat van de vrijwillige verzekering slechts ten dele gebruik
wordt gemaakt door personen voor wie die regeling oorspronkelijk
ook daadwerkelijk was bedoeld. Zo zijn enkele groepen van personen voor
wie de vrijwillige verzekering oorspronkelijk bedoeld was onder de
verplichte verzekering gekomen (transportarbeiders, zeevarenden en
binnenschippers; zie hiertoe KB 746).
Draagt de verplichte
verzekering duidelijk de kenmerken in zich van zorgverantwoordelijkheid van de
Nederlandse
overheid jegens haar onderdanen, de vrijwillige
verzekering daarentegen heeft zich ontwikkeld tot een serviceverzekering
ten behoeve van personen die ons land (definitief) hebben verlaten.
Waar het kabinet stelt - met name sedert de invoering van het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (hierna: KB 164) en
daarna het
KB 746
- dat strikter zal worden vastgehouden aan het uitgangspunt om
de verzekeringsplicht te beëindigen zodra men Nederland
definitief heeft verlaten, ligt het op de weg om ook de vrijwillige
verzekering ter zake te bezien.
2.2.
Uitvoeringstechnische knelpunten
Aanmeldingstermijn
vrijwillige verzekering AOW/Anw
Voor zowel de vrijwillige
voortzetting (AOW en Anw) als voor de vrijwillige inkoop (AOW) geldt een
aanmeldingstermijn van maximaal één jaar, te rekenen vanaf de
eerste dag waarop men voor het eerst niet langer verplicht verzekerd is,
respectievelijk waarop men voor het eerst verplicht verzekerd wordt. Deze
beperking tot één jaar heeft tot doel de vrijwillig verzekerden niet te
bevoordelen boven de verplicht verzekerden. Het gaat daarbij met name om het
voorkomen van risicoselectie. Naar de mening van de SVB [Sociale
Verzekeringsbank, red.] kan strikte
toepassing van deze termijn soms onredelijk uitvallen, bijvoorbeeld
wanneer de belanghebbende niet of onvoldoende op de hoogte kon zijn van
de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering.
Premieberekening
indien één van beide echtgenoten niet de Nederlandse nationaliteit
bezit
Wanneer
één van beide
partners niet de Nederlandse of een daarmee gelijkgestelde
nationaliteit bezit, is het niet denkbeeldig dat zij, teneinde het totaal aan
vrijwillige verzekeringspremies die zij jaarlijks moeten opbrengen zo laag
mogelijk te houden, zullen besluiten tot inkomenstoedeling. Zo kunnen zij
bijvoorbeeld onderling afspreken het inkomen van degene die een berekende
premie verschuldigd is zo laag mogelijk te houden ten laste van
degene die (als niet-Nederlander) zonder meer de maximale premie moet
betalen.
rblz.|6|
Controle van de
inkomensopgaven
Om de hoogte van de
premie te berekenen, moet de vrijwillig verzekerde vanuit het buitenland inkomensgegevens aan de
SVB overleggen. Op
basis van die informatie
wordt het premie-inkomen bepaald. Of de betreffende inkomensopgave
waarheidsgetrouw is verstrekt, kan door het uitvoeringsorgaan in veel gevallen niet worden gecontroleerd. Overigens
geldt dat ten aanzien van
de landen waarmee in het kader van de Wet beperking export
uitkeringen handhavingsverdragen worden gesloten de mogelijkheid van verificatie van het inkomen, althans waar het uitkeringsgerechtigden
betreft, wordt
gecreëerd.
3. Kabinetsvoorstellen
conform de beleidsnotitie d.d. 13 juli 1991
De voorstellen zoals het
kabinet die aan de Voorzitter van de Tweede Kamer deed toekomen en
die destijds ter advisering zijn voorgelegd aan de SVr, luidden
samengevat als volgt:
- gedeeltelijke
loskoppeling van de vrijwillige AOW/Anw- (destijds uiteraard nog de
AWW-)verzekering.
Er kan in de toekomst worden gekozen voor hetzij de bestaande
combinatie van AOW/Anw-verzekering, hetzij uitsluitend een
vrijwillige AOW-verzekering;
- de duur van de
vrijwillige verzekering wordt beperkt tot een periode van maximaal vijf jaar. Na
een verplicht verzekeringstijdvak van ten minste één jaar treedt
een nieuwe vrijwillige verzekeringsperiode van vijf jaar in werking;
- de bestaande inkoopregeling zoals de vrijwillige AOW-verzekering die kent, wordt vervangen
door de mogelijkheid om achterliggende niet-verzekerde AOW-jaren in te kopen ten
behoeve van personen van wie de verzekeringsplicht
krachtens de volksverzekeringen tijdelijk (maximaal vijf jaar) is onderbroken;
- handhaving van de
aanmeldingsperiode voor de vrijwillige AOW/Anw-verzekering van
één jaar zonder hardheidsclausule;
- de minimaal
verschuldigde premie voor de vrijwillige verzekering wordt verhoogd van 5%
naar 25% van de premie die men in enig jaar ten hoogste verschuldigd
kan zijn;
- afschaffen van het
onderscheid naar nationaliteit bij het vaststellen van de premie;
- invoering van een
overgangsrecht zodanig dat de beperking in de duur van de vrijwillige
verzekering niet geldt voor degenen die reeds vrijwillig verzekerd
waren op het moment waarop de nieuwe regeling ingang vindt. De
verhoging van de minimumpremie dient voor de bestaande gevallen
geleidelijk te geschieden.
4. Advies van de SVr
De SVr stelde het advies
over een nieuwe regeling vrijwillige verzekering volksverzekeringen vast
in zijn vergadering van 17 juni 1993.
Samengevat kwam de SVr in
zijn advisering tot de volgende standpunten:
- de belangrijkste
voorwaarden en bepalingen van de vrijwillige verzekering (bijvoorbeeld een
verzekeringstermijn van vijf jaar) zouden in de betreffende wetten zélf
en de nadere regelgeving in een ministeriële regeling moeten worden
opgenomen;
- de SVr pleitte voor
een complete loskoppeling van de vrijwillige verzekering AOW
en de vrijwillige
verzekering
Anw. Een vermeend oneigenlijk gebruik zou door zo’n
loskoppeling naar de mening van de SVr niet of nauwelijks worden
beïnvloed;
- de SVr was verdeeld
over het voorstel om de mogelijkheid tot voortzetting van de vrijwillige
verzekering te beperken tot vijf jaar. Een deel wilde geen beperking in de duur,
maar handhaving van de bestaande situatie. Het achtte de
voorgestelde beperking ongewenst vanwege de ingrijpende gevolgen
daarvan. Een ander deel ging akkoord met de rblz.|7|
voorgestelde vijfjaarstermijn. Deze beperking zou echter niet moeten gelden voor een aantal
nader omschreven groepen. Gedoeld werd in dit verband op
ontwikkelingswerkers alsmede hun partners en overige gezinsleden,
geestelijken, missionarissen, zendelingen en kloosterlingen;
- de SVr stemde in met
het voorstel om de huidige inkoopregeling af te schaffen en deze te
vervangen door een nieuwe inkoopregeling op grond waarvan men binnen
één jaar na aanvang van de verplichte verzekering krachtens de
volksverzekeringen, de vijf achterliggende niet-verzekerde jaren kan
inkopen. Ook kinderen die vòòr hun 15de verjaardag Nederland
verlieten en ná het 15de jaar weer terugkeren, moesten volgens de SVr de
mogelijkheid hebben om tot maximaal vijf achterliggende jaren in
te kopen, te rekenen vanaf het tijdstip dat zij 15 jaar zijn geworden. Het
voordeel dat verkregen werd door betaling achteraf zou moeten
worden geneutraliseerd door invoering van een rentevergoeding. Zo’n
regeling zou niet moeten gelden voor kinderen;
- de SVr was verdeeld
over het voorstel tot verhoging van de minimumpremie van 5% naar 25%. Een deel
ging akkoord met dit voorstel en kon bovendien instemmen
met een geleidelijke ophoging van de minimumpremie, namelijk
met 5% per jaar. Een ander deel wenste de bestaande minimumpremie
van 5% echter te handhaven;
- de SVr ging akkoord
met het voorstel om het onderscheid in nationaliteit bij de vaststelling van
de hoogte van de premie ongedaan te maken. Ook stemde de SVr
in met de handhaving van de aanmeldingsperiode van één jaar (zonder
invoering van een hardheidsclausule) en het voorstel tot
handhaving van de huidige wijze van vaststelling van de grondslag voor de
berekening van de verschuldigde premie.
5. Wetsvoorstel inzake
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw
Artikel 45 van de
AOW en
artikel 63 van de Anw
bepalen wie zich vrijwillig kan verzekeren. Op grond
van deze bepalingen is voortzetting van de verzekering op
vrijwillige basis uitsluitend voor beide wetten tegelijk mogelijk.
De Wet financiering
volksverzekeringen regelt in de artikelen 25 tot en met 27 de financiering van de
vrijwillige verzekeringen AOW en Anw.
De voorwaarden zoals die
worden gesteld met betrekking tot de vrijwillige verzekering zijn
opgenomen in het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw.
Overeenkomstig het
SVr-advies van destijds is de regering nu ook voorstander van een volledige
loskoppeling van de vrijwillige AOW- en Anw-verzekering. Een dergelijke
verandering maakt wijziging van de twee eerder genoemde artikelen
in de AOW en de Anw noodzakelijk.
De regering is, evenals
de SVr dat destijds al was, voorts van mening dat het aanbeveling verdient
om in het kader van een nieuw te formuleren
vrijwilligeverzekeringsregeling
de hoofdelementen van die regeling in beide wetten zelf op te
nemen en hetgeen noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet in een
algemene maatregel van bestuur. Een dergelijke uitsplitsing zal de
helderheid van de vrijwillige verzekering ten goede komen. Deze uitsplitsing
heeft ertoe geleid dat zowel in de AOW als in de Anw een nieuw hoofdstuk
inzake vrijwillige verzekering wordt voorgesteld.
Loskoppeling van de
vrijwillige AOW- en Anw-verzekering
Voortzetting van de
verzekering op vrijwillige basis kan op dit moment alleen voor zowel de AOW
als de Anw
samen.
In het verleden is voor
deze koppeling gekozen teneinde daarmee, evenals in de verplichte
verzekering, het solidariteitsbeginsel tot uitdrukking te brengen. Dit beginsel
houdt in dat een verzekeringsplichtige in principe rblz.|8|
verzekerd is voor alle volksverzekeringswetten, ongeacht de vraag of zo’n persoon ook daadwerkelijk
van al die verzekeringen profijt zal kunnen hebben. Een
keuzemogelijkheid kan ongewenste risicoselectie in de hand werken.
Mede naar aanleiding van
het advies van de SVr meent de regering thans dat een volledige
loskoppeling wenselijk is.
Het is zeer de vraag of
de redenering als zou het ontkoppelen van de vrijwillige AOW- en Anw-verzekering risicoselectie in de hand
werken ook in de toekomst nog
wel als een steekhoudend argument kan worden aangemerkt tegen het
invoeren van een dergelijk plan. Immers, door het voorstel van de regering
om de vrijwillige verzekering in beginsel te beperken tot een periode
van maximaal vijf jaar wordt de aantrekkelijkheid om te kunnen kiezen
tussen de één of de andere verzekering vanzelfsprekend kleiner. Uiteraard zal
een alleenstaande in geval van ontkoppeling zich niet langer
vrijwillig willen verzekeren voor de Anw. Daar staat tegenover dat de premies
die het Nabestaandenfonds in dat geval zal mislopen zich veelal zal
beperken tot een periode van vijf jaar.
De SVr merkte destijds in
dit verband nog op dat "de vrijwillige verzekering AOW/AWW uitsluitend kan
worden voortgezet in aansluiting op een periode van verplichte
verzekering. Door de aanmeldingstermijn van één jaar zou betrokkene
theoretisch eerst aan het einde van die periode kunnen besluiten tot het
afsluiten van een vrijwillige verzekering AOW/AWW indien dan is
gebleken dat hij nog maar kort te leven zal hebben. Op die manier kan
hij dan alsnog de rechten van zijn nabestaanden zeker stellen. Het feit
dat nu, en indien geen complete loskoppeling wordt gerealiseerd ook in
de toekomst, tevens premie dient te worden betaald voor de AOW zal niet verhinderen dat de betrokkene in een dergelijke situatie
een vrijwillige verzekering afsluit. Immers ook de te betalen premie voor de
gecombineerde AOW/AWW staat in geen enkele verhouding tot de rechten
die de nabestaanden van de betrokkene aan de AWW kan ontlenen. De SVr komt dan ook tot de conclusie dat vermeend
oneigenlijk gebruik niet
of nauwelijks zal worden beïnvloed door een complete loskoppeling van
de vrijwillige verzekering AOW/AWW." Hoewel de voorwaarden waaronder
aanspraak op Anw-uitkering kan worden gemaakt veel strikter
zijn dan in de AWW, gaat dit argument naar de mening van de regering
nog steeds op.
Ook om een andere reden
was de SVr van mening dat een volledige ontkoppeling van beide
vrijwillige verzekeringen de voorkeur verdient. De SVr doelde in dit verband
op de mogelijkheid dat "de particulier reeds heeft voorzien in een
oudedagsvoorziening, dan wel geen problemen heeft met een korting in
de pensioenopbouw, terwijl hij voor zijn nabestaanden wel een bescherming wil
hebben tegen het risico van overlijden (AWW-verzekering)".
Beperking van de duur
van de vrijwillige verzekering
In het kader van een
algehele herziening van het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen, dat uiteindelijk resulteerde in het KB
164, stelde
het toenmalige kabinet onder meer de vraag aan de orde waar de
grenzen van verantwoordelijkheid liggen die de overheid in acht dient te
nemen jegens degenen die Nederland definitief hebben verlaten. Toen in
de beleidsnotitie Herbezinning van het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1989 - dat uiteindelijk leidde tot
het
KB 746
- werd gesteld dat het kabinet in de toekomst strakker vast
wilde houden aan het uitgangspunt dat wie Nederland verlaat niet langer
verplicht verzekerd is, kwam die vraag wederom aan de orde.
Maar ook in het kader van
de vrijwillige verzekering is deze vraag actueel. De verzekeringsplicht
krachtens de volksverzekeringen strekt zich in beginsel niet tot over de
Nederlandse grenzen uit. In dat licht moet ook rblz.|9|
het standpunt van de
regering worden gezien dat de vrijwillige verzekering in haar doelstelling zou
moeten terugkeren naar het uitgangspunt zoals dat in de tweede
helft van de jaren vijftig in de memorie van toelichting bij de AOW
was
geformuleerd: een regeling bedoeld voor personen die slechts gedurende
korte tijd in het buitenland wonen, zonder daarbij de intentie te hebben
zich duurzaam in het buitenland te vestigen.
Invoering van een
wettelijke regeling die de mogelijkheid opent om in de toekomst uitsluitend nog
kortstondige onderbrekingen van de verplichte verzekering door middel
van een verzekering op vrijwillige basis op te vullen, roept de vraag op
wat in dit verband onder een kortstondige onderbreking moet worden verstaan. Met andere woorden: hoe lang mag
maximaal de
aaneengesloten periode zijn gedurende welke men zich vrijwillig kan
verzekeren? Voor het beantwoorden van die vraag is aansluiting gezocht bij de
gedragslijn die Nederland ter zake van de verplichte verzekering volgt bij
langdurige detacheringen naar een EU-land dan wel een land waarmee
Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten. In dergelijke
gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten van de verdragsstaten beslissen
dat de gedetacheerde verzekerd blijft op grond van het socialeverzekeringsstelsel van de zendstaat. Hier wordt met andere woorden afgeweken
van het internationaal algemeen aanvaarde standpunt dat men
verzekerd is in het land waar men werkt.
Ons land houdt, evenals
de meeste andere EU- en verdragsstaten, hierbij een termijn aan van
maximaal vijf jaar. Deze beleidslijn steunt op de opvatting dat langduriger
tewerkstelling elders aansluiting tot gevolg dient te hebben bij het
socialezekerheidsstelsel van de staat waar men werkzaam is. Een dergelijk
standpunt acht de regering ook reëel als het gaat om het bepalen van een maximale
vrijwilligeverzekeringsperiode voor zowel de AOW
als de Anw. Bovendien
sluit deze termijn volledig aan bij de termijn in de vrijwillige verzekering werknemersverzekeringen.
De
vijfjaarstermijn behoeft
niet een aaneengesloten periode te zijn. Periodes onderbroken
door verplichte verzekeringstijdvakken van korter dan één jaar worden
bij elkaar geteld. Duurt de onderbreking langer dan één jaar, dan begint
een nieuwe vrijwilligeverzekeringstermijn van vijf jaar.
Voor sommige groepen van
personen zou het invoeren van een vijfjaarstermijn onredelijk kunnen
uitvallen. Gedoeld wordt hier op degenen die uitsluitend buiten
Nederland hun werkzaamheden kunnen verrichten, maar die hun band met
Nederland, bijvoorbeeld via hun werkgever, blijven behouden. Het gaat
hierbij in de eerste plaats om ontwikkelingswerkers, alsmede om personen die
in de missie of zending werkzaam zijn, maar ook om degenen die
anderszins werkzaamheden verrichten in het algemeen belang. Dit kunnen zijn
personen die werken in dienst van de Nederlandse overheid, waarbij moet
worden gedacht aan ambtenaren in dienst van het Rijk, de provincie, de
gemeente en het waterschap. Ook degene die wordt uitgezonden om
werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie waarvan
Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door
Nederland worden ondersteund, wordt geacht werkzaamheden in het algemeen belang te verrichten. Deze organisaties
zijn opgenomen in de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en de Minister
van Binnenlandse Zaken van 6 juni 1989, houdende aanwijzing
volkenrechtelijke organisaties in het buitenland (Stcrt. 1989, 121).
Als laatste groep die
geacht wordt werkzaamheden te verrichten in het algemeen belang zijn aan
te merken degenen die niet rechtstreeks in dienst van de Nederlandse
overheid zijn, maar in dienst van een privaatrechtelijke rechtspersoon, indien die
werkzaamheden (grotendeels) worden gefinancierd door
het Rijk.
rblz.|10|
Aangezien in het Besluit afwijkende regels
beperking export uitkeringen deze werkzaamheden zijn aangewezen zodat bij de hiervoor genoemde
personen rechten op
uitkeringen kunnen ontstaan dan wel dat zij deze dienen te behouden, acht
de regering het wenselijk dat hen de mogelijkheid wordt geboden zich, indien zij niet verplicht verzekerd zijn, vrijwillig
te kunnen verzekeren. Dit
dient niet beperkt in de tijd te zijn.
De
vijfjaarstermijn zal
overigens ook niet gaan gelden voor postactieven die een langlopende
Nederlandse wettelijke socialeverzekeringsuitkering ontvangen, in het
buitenland wonen en die op het moment dat de verplichte verzekering
eindigt vijftig jaar of ouder zijn. Ten aanzien van hen vindt de regering een
beperking tot vijf jaar niet wenselijk. Op grond van het vervallen van
artikel 26 van KB 746 zijn deze personen met ingang van 1 januari 2000 niet
langer verplicht verzekerd. De ouderen onder hen - in dit kader worden
daaronder verstaan personen van vijftig jaar of ouder - zullen tot aan de
datum waarop zij uitkeringsgerechtigd werden veelal jaren achtereen in
Nederland verzekerd zijn geweest. Zij zullen voor wat betreft hun
oudedagsvoorziening dan ook voor een belangrijk deel van de Nederlandse AOW
afhankelijk zijn. Het ligt daarom voor de hand dat de oudere postactieve
uitkeringsgerechtigde de opbouw van dat pensioen wil voortzetten tot aan
de 65-jarige leeftijd. Door het invoeren van de vijfjaarstermijn zou hen
deze mogelijkheid in veel gevallen worden ontnomen. Teneinde die
ongewenste situatie te voorkomen, heeft de regering besloten om op
deze groep de beperkte termijn van vrijwillige verzekering niet van
toepassing te verklaren.
Beëindiging huidige
AOW-inkoopregeling
De
AOW-inkoopregeling
voorziet in de mogelijkheid om de achterliggende periode gedurende welke
men niet verplicht verzekerd is geweest met behulp van de vrijwillige
verzekering alsnog in te kopen. De huidige regeling is uitsluitend bedoeld
voor degenen die gedurende de periode voorafgaand aan het moment waarop zij
- vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd - verplicht
verzekerd worden, hetzij nimmer verzekerd zijn geweest, hetzij wél
verzekerd zijn geweest, doch niet na het bereiken van de 15-jarige leeftijd.
Van de inkoopregeling wordt weinig gebruik gemaakt omdat, als gevolg van de
lange verzekeringsperiodes die moeten worden ingekocht, het totale
verschuldigde premiebedrag nogal kan oplopen. Sinds 1 januari 1990
kunnen ook kinderen die ná hun 15de naar Nederland terugkeren en die tot het
moment waarop zij ons land verlieten vóór het bereiken van de
15-jarige leeftijd weliswaar verzekeringsplichtig waren, maar geen AOW-pensioenjaren opbouwden, de jaren vanaf hun
15de tot
het moment van terugkeer
op vrijwillige basis inkopen.
Deze mogelijkheid is
destijds geopend omdat per die datum de leeftijdsgrenzen voor verzekering in de
volksverzekeringen wijzigden. Was men vóór die datum pas met
ingang van de 15-jarige leeftijd verzekerd ingevolge de AOW, vanaf 1 januari
1990 ging het moment van verzekering direct bij de geboorte
in.
Op 16 december 1999 heeft
de Tweede Kamer aan de Sociaal-Economische Raad (SER) advies
gevraagd over de financiële positie van ouderen met een onvolledig
opgebouwde uitkering op grond van de AOW. Volgens de Tweede Kamer zou de
inkomenspositie van deze groep ouderen vanuit een oogpunt van sociaal
beleid moeten worden verbeterd. De Tweede Kamer heeft de regering
om een standpunt gevraagd over het advies van de SER, dat op 19 mei jl.
is vastgesteld. In afwachting van dat standpunt blijft de bestaande
mogelijkheid tot vrijwillige AOW-verzekering over verstreken tijdvakken ten
behoeve van ingezetenen die in het verleden nimmer verzekerde
AOW-jaren hebben opgebouwd onverkort gehandhaafd.
rblz.|11|
Toetreding voor
iedereen/aanmeldingstermijn
Hoewel de regering zich
op het standpunt stelt dat in de toekomst de vrijwillige verzekering
er nog uitsluitend zou moeten zijn voor degenen die kortstondige
onderbrekingen van de verplichte verzekering op vrijwillige basis wensen op te
vullen, staat de voorgestelde nieuwe regeling in principe voor iedereen
open, dus ongeacht de duur of de reden van verblijf in het
buitenland. Hieraan liggen uitvoeringstechnische redenen ten grondslag. Niet
altijd is van te voren aan te geven hoe lang men in het buitenland denkt te
blijven, zodat het op het moment van vertrek niet goed mogelijk is een
selectie toe te passen tussen personen die wel en die niet van de vrijwillige
verzekering gebruik mogen maken.
In afwachting van het
standpunt van de regering naar aanleiding van het SER-advies over de
financiële positie van ouderen die een onvolledige AOW-opbouw hebben, blijft
de aanmeldingstermijn van één jaar zowel bij de voortzetting van de
verzekering op vrijwillige basis als bij de huidige inkoopregeling gehandhaafd.
Ook ziet de regering geen
redenen die het invoeren van een hardheidsclausule zouden rechtvaardigen. De
SVr stelde zich destijds trouwens op het standpunt dat het
ontbreken van een hardheidsclausule ten aanzien van de aanmeldingstermijn
niet als een knelpunt is aan te merken.
Verhoging
minimumpremie
Degene die niet over
eigen inkomsten beschikt, dient thans als vrijwillig AOW/Anw-verzekerde ieder
jaar 5% aan premie te betalen van het bedrag dat een verplicht
verzekerde jaarlijks ten hoogste verschuldigd kan zijn. Voor 2000 komt dit bedrag
voor beide wetten neer op in totaal ƒ469,-. Dit geringe bedrag staat naar
de mening van de regering in geen enkele verhouding tot de
uitkeringen die op dit moment aan beide wetten kunnen worden ontleend.
Het kan bovendien niet zo zijn dat de verplicht verzekerde ter
financiering van het AOW-pensioen van degene die een (groot) aantal jaren
vrijwillig verzekerd is geweest verhoudingsgewijs zodanig veel moet betalen
dat daardoor de solidariteitsgedachte een overspannen karakter
krijgt.
Het wordt daarom redelijk
geacht het huidige minimumpercentage op te trekken naar 25.
Het deel van de SVr dat
destijds pleitte voor handhaving van het minimumpercentage van 5 onderbouwde dit
standpunt door op te merken dat ook de minst
draagkrachtigen in de gelegenheid moeten blijven om aan de vrijwillige
verzekering te kunnen deelnemen. Volgens de regering kan de solidariteitsgedachte
die ten grondslag ligt aan de verplichte verzekering en waarbij degene met een
eigen inkomen voor een niet onaanzienlijk deel meebetaalt aan de
uitkering van degene die geen eigen inkomsten heeft (gehad), niet zonder meer ook als basis dienen voor de
vrijwillige verzekering.
Tegenover serviceverlening, en daar gaat het bij het aanbieden van de
mogelijkheid tot vrijwillige verzekering om, mag een redelijke vergoeding
als voorwaarde worden gesteld. Van dat laatste is op grond van de
huidige bepalingen echter geen sprake meer. Door een minimumpercentage van 25
in te voeren wordt hieraan naar de mening van de regering wél recht gedaan.
De voorgestelde verhoging
zou volgens de regering, ongeacht de status van de vrijwillig
verzekerde, voor iedereen moeten gelden die niet of over zeer geringe eigen
inkomsten beschikt, tenzij de nationale wetgeving wordt "overruled" door
internationale regelgeving. Voor wat betreft dit laatste verwijst de regering naar
hoofdstuk 5 (Internationale aspecten) van
de eerder genoemde
beleidsnotitie. Het 25%-tarief is niet van toepassing op de in een andere
EU-lidstaat dan Nederland wonende huwelijkspartner van de eveneens buiten
ons land woonachtige grensarbeider die uit hoofde van zijn
werkzaamheden in Nederland reeds vóór 2 augustus 1989 verplicht verzekerd was
op grond van de AOW en de AWW. Op grond van rblz.|12|
bijlage VI van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 kunnen deze personen zich vrijwillig verzekeren op
grond van beide wetten, zolang de partner op basis van de te verrichten werkzaamheden in Nederland verplicht verzekerd
is. De premieberekening
vindt in dat geval plaats conform de bepalingen welke gelden voor de
verplichte verzekering. Met andere woorden: de reeds vóór 1
augustus 1989 vrijwillig verzekerde huisvrouw die geen eigen inkomen heeft,
betaalt geen premie. In deze situatie zal door de in dit kader voorgestelde
wijzigingen geen verandering komen.
De situatie ligt anders
voor de huwelijkspartner van degene die op of na 2 augustus 1989 verplicht
verzekerd is geworden. Besluit die partner om zich vrijwillig te
verzekeren, dan wordt in dat geval de premie vastgesteld overeenkomstig de
bepalingen conform de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. Met andere woorden:
ontbreken eigen inkomsten, dan is op grond van de huidige
regeling toch op jaarbasis 5% van de maximale som voor de premieheffing
verschuldigd. Voor deze laatste groep vrijwillig verzekerden werken wijzigingen in het Besluit vrijwillige verzekering AOW
en Anw wel degelijk door.
Een verhoging van de minimumpremie van 5% naar 25% geldt derhalve
wel voor hen.
Beëindiging van het
onderscheid naar nationaliteit ter zake van de premievaststelling
In
paragraaf 2.1 heeft
de regering er reeds op gewezen dat niet is aangetoond dat het beginsel van
non-discriminatie naar nationaliteit, zoals is neergelegd in Verordening
(EEG) nr. 1408/71, ertoe zou hebben geleid dat EU-onderdanen van een
andere nationaliteit dan de Nederlandse de afgelopen decennia in ruime mate gebruik hebben gemaakt van de vrijwillige
AOW/Anw-verzekering tegen
een berekende premie. Het wordt derhalve niet zinvol
geacht om in de toekomst het onderscheid in behandeling tussen Nederlanders en
niet-Nederlanders te handhaven als het gaat om het vaststellen
van de hoogte van de premies voor de vrijwillige verzekering ingevolge de
AOW en de Anw. De premievoorwaarden zullen met andere woorden straks
voor iedereen, ongeacht zijn of haar nationaliteit, gelijk dienen te zijn.
Met
dit voorstel wordt
bovendien het door de SVB naar voren gebrachte probleem over de
premievaststelling opgeheven dat ontstaat indien van een vrijwillig verzekerd
echtpaar de ene partner wél en de andere partner niet de Nederlandse
nationaliteit bezit. De SVr merkte in dit verband op dat de problematiek met
betrekking tot de inkomenstoedeling nog wel blijft bestaan indien
slechts één van beide partners vrijwillig verzekerd is. Hoewel niet nader
gepreciseerd, doelde de SVr hierbij waarschijnlijk op de situatie waarbij
beide
personen naar het buitenland vertrekken, vervolgens de ene zich vrijwillig
verzekert, terwijl de ander verplicht verzekerd is op grond van een
buitenlands stelsel. In dat geval kan de vrijwillig verzekerde proberen het inkomen zo
laag mogelijk te houden ten laste van die ander indien dat stelsel
een gunstig premieregime kent. Er zijn geen aanwijzingen om te
veronderstellen dat een situatie als hiervoor bedoeld en waarbij één der
partners verzekeringsplichtig is krachtens een buitenlands
socialezekerheidsstelsel
zich in de praktijk zal voordoen. Daar komt nog bij dat invoering van
een ondergrens ter hoogte van 25% van de maximale belastbare som
inkomenstoedeling onaantrekkelijker maakt.
Controle van de
inkomensopgaven
De problemen die de
SVB ondervindt bij het controleren van buitenlandse inkomensopgaven zullen
naar de mening van de regering afnemen door de nieuwe vrijwillige
verzekering AOW en Anw.
Invoering van een vijfjaarstermijn en een verhoging van de minimaal
rblz.|13|
verschuldigde jaarpremie
zullen leiden tot een vermindering van het aantal personen dat
gebruik kan of wil maken van de vrijwillige verzekering.
De inkoopregeling levert
voor de SVB aanzienlijk minder problemen op waar het gaat om het
controleren van de inkomensopgaven. Indien degene die zich wil
inkopen een eigen inkomen heeft in het jaar dat de verplichte verzekering
een aanvang neemt, geldt de premie van dat jaar ook voor alle voorgaande
jaren waarover hij of zij zich wil inkopen.
6. Overgangsrecht
In de afgelopen decennia
zijn enkele malen wijzigingen in de volksverzekeringen aangebracht die voor de
verzekerden een aanscherping van de voorwaarden betekenden.
In geen van die gevallen werd destijds besloten om een onderscheid in
behandeling te maken tussen zogenaamde oude en nieuwe gevallen in die zin dat de gewijzigde voorwaarden uitsluitend
van toepassing zouden
moeten zijn op personen van wie de verzekering voor het eerst een
aanvang nam na invoering van de betreffende wijzigingen.
Ook in het kader van de
tenuitvoerlegging van de voorstellen inzake de vrijwillige verzekering AOW
en Anw
is de regering van mening dat oude en nieuwe gevallen in
beginsel gelijk moeten worden behandeld. Dit betekent met andere
woorden dat de betreffende voorstellen ten behoeve van iedere vrijwillig
verzekerde gelijkelijk voor beide groepen dienen in te gaan op het moment dat
zij rechtskracht hebben gekregen.
De regering meent van dit
uitgangspunt te moeten afwijken met betrekking tot de invoering van een maximale vrijwillige
AOW/Anw-verzekeringsduur van vijf jaar. Degenen die
reeds vrijwillig verzekerd zijn, hebben in het verleden veelal die
stap genomen, in de overtuiging dat de AOW-opbouw tot aan het bereiken van
de leeftijd van 65 jaar kan worden voortgezet. Door deze groep de
vrijwillige verzekering in het vervolg te ontzeggen, zullen velen van hen niet
in staat zijn bijtijds op deze plotseling ontstane nieuwe situatie
te anticiperen teneinde de oudedagsvoorziening alsnog veilig te stellen.
Daarom wordt aan degenen
die op het moment waarop de nieuwe vrijwilligeverzekeringsregeling in werking zal
treden reeds vrijwillig verzekerd
zijn op grond van de AOW
en de Anw, de mogelijkheid gegeven deze verzekeringsvorm
onverminderd voort te zetten tot aan het moment waarop de 65-jarige leeftijd is bereikt. Bovendien worden zij ook in de
gelegenheid gesteld, zo
zij dit wensen, slechts één van beide verzekeringsvormen op vrijwillige basis
voort te zetten.
De regering is voorts van
mening dat de verhoging van het minimumpremiepercentage van 5 naar 25 voor
bestaande gevallen geleidelijk aan dient te geschieden. Het
deel van de SVr dat destijds akkoord ging met invoering van het
25%-tarief adviseerde toen om de betreffende verhoging te laten plaatsvinden in
jaarlijkse stapjes van 5%, zodat eerst vier jaar na invoering van de
nieuwe regeling de maximale minimumpremie verschuldigd is. De
regering kan zich in dit voorstel vinden. Eén en ander zal worden gerealiseerd
bij algemene maatregel van bestuur.
7. Financiële
consequenties
De inhoud van de nieuwe
vrijwillige verzekering AOW en Anw
rechtvaardigt de conclusie dat in de
toekomst minder van deze regeling gebruik zal worden gemaakt dan tot
dan toe het geval is geweest. Onder andere door de verkorting van de
maximale verzekeringsduur en de stijging van de minimumpremie zal de
animo voor de regeling afnemen. Hierdoor zullen de premie-inkomsten en
uitkeringslasten dalen. De uitkeringslasten zullen evenredig aan de
premie-inkomsten dalen, maar de daling van de uitkeringslasten zal pas na enkele jaren
merkbaar zijn.
rblz.|14|
De
gemiddelde premie per
verzekerde zal stijgen, door de verhoging van de minimumpremie van 5%
naar 25%. Dat betekent dat tegenover de uitkeringslasten naar
verhouding hogere premie-inkomsten zullen staan.
De totale effecten zijn
sterk afhankelijk van de gedragseffecten van de voorgenomen wijziging.
Het is dan ook moeilijk precies aan te geven hoe groot de effecten zullen
zijn.
Op dit moment zijn er bij
de SVB 13 000 klanten opgenomen in het financiële systeem van vrijwillige
verzekering met een "lopende" verzekering. Van dit aantal betalen
3500 klanten de minimumpremie, 8000 klanten een premie berekend naar het
inkomen en 1500 klanten de maximumpremie. In 1999 is voor de AOW
een bedrag van ƒ21 miljoen
aan vrijwillige verzekeringspremie
afgedragen en voor de vrijwillige Anw
ƒ2 miljoen. De totale
premiebaten voor beide wetten in dat jaar bedroegen ƒ46 miljard.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van
de Algemene Ouderdomswet
In dit artikel wordt
hoofdstuk IV van de AOW inzake de huidige vrijwillige verzekering in zijn
geheel vervangen door een nieuw hoofdstuk. Dit hoofdstuk omvat in dit
voorstel een zestal artikelen (te weten de artikelen 34 tot en met
39).
Artikel 34
In dit artikel is een
definitiebepaling opgenomen van het begrip "gewezen verzekerde". Deze
definitie heeft uitsluitend betrekking op de in hoofdstuk IV van de
AOW geformuleerde artikelen. Het gebruik hiervan bevordert de leesbaarheid van de
artikelen 35 en volgende.
Artikel 35
In het eerste
lid van dit
artikel is de kern van de vrijwillige verzekering voor de
AOW neergelegd.
De persoon die niet langer verplicht verzekerd is (veelal degene die
Nederland verlaten heeft), kan zich vanaf zijn 15de levensjaar tot zijn
65ste
levensjaar vrijwillig verzekeren voor de AOW. Weliswaar is men als gevolg van de
wetgeving tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de
inkomstenbelasting (commissie-Oort) met ingang van 1 januari 1990 verzekerd
vanaf de geboorte, de opbouw van het ouderdomspensioen begint pas vanaf het
moment dat de 15-jarige leeftijd is bereikt. Op 65-jarige
leeftijd eindigt de verzekering en derhalve ook de verplichting om premie te
betalen; vanaf dat moment bestaat in beginsel recht op
ouderdomspensioen op grond van de AOW.
De gewezen verzekerde kan
zich (in beginsel) uitsluitend over een periode van maximaal vijf jaar
vrijwillig verzekeren. Deze periode van vrijwillige verzekering sluit direct
aan op de periode van verplichte verzekering en gaat derhalve in op de
dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.
De huidige populatie
vrijwillig verzekerden wordt echter op grond van overgangsrecht,
geformuleerd in artikel IV van deze wet [zie
artikel V van de wet,
red.], niet geconfronteerd met deze beperking van
vijf jaar.
Van de vrijwillige
verzekering kan alleen gebruik worden gemaakt door degene die gedurende een
periode van ten minste één jaar, voorafgaande aan de eerste dag waarop
de vrijwillige verzekering een aanvang zou rblz.|15|
moeten nemen,
onafgebroken verplicht verzekerd is geweest. Zie daartoe de tweede zin van het
eerste lid. Is deze periode minder dan één jaar, dan betekent dit dat
betrokkene zich niet vrijwillig kan verzekeren. Tevens impliceert deze
voorwaarde dat, indien men eenmaal gebruik heeft gemaakt van de maximale
periode van vrijwillige verzekering van vijf jaar, men op grond van het
eerste lid, tweede zin, nogmaals in aanmerking kan komen voor een periode
van vrijwillige verzekering van vijf jaar, indien men (weer) ten minste
één
jaar verplicht verzekerd is geweest. Dit zal het geval kunnen zijn indien
men één jaar lang ingezetene is dan wel ter zake van in Nederland in
dienstbetrekking en aan de loonbelasting onderworpen arbeid verricht. Naar het
oordeel van de regering zal de situatie dat betrokkenen zich
nogmaals voor een periode van vijf jaar vrijwillig verzekeren, in de
praktijk, niet vaak voordoen.
In het tweede
lid is een
voorziening ten gunste van de gewezen verzekerde getroffen indien
tijdens de periode van vrijwillige verzekering kortstondige
onderbrekingen plaatsvinden in de vorm van perioden van verplichte verzekering.
Dit doet zich voor in situaties waarin betrokkene zich (weer) tijdelijk in
Nederland vestigt dan wel tijdelijk in Nederland gaat werken (en als gevolg van
dit laatste onderworpen is aan de loonbelasting). Vinden dergelijke
onderbrekingen plaats, dan kan betrokkene zich voor de resterende
periode van vijf jaar vrijwillig verzekeren. Aldus wordt bereikt dat juist die
personen van wie de verplichte verzekering regelmatig kortstondig wordt
onderbroken de mogelijkheid krijgen om niet-verzekerde jaren door middel van de
vrijwillige verzekering op te vullen. De regering gaat ervan
uit dat met deze regeling die vorm van oneigenlijk gebruik kan worden
voorkomen waarbij de vrijwillig verzekerde naar Nederland terugkeert, om
vervolgens na bijvoorbeeld één maand van verplichte verzekering
wederom als vrijwillig verzekerde naar het buitenland te vertrekken, onder
gelijktijdige inwerkingtreding van een nieuwe vijfjaarstermijn.
In het
derde lid van dit
artikel is de beperking van de vrijwilligeverzekeringsperiode van maximaal vijf jaar,
voor de aldaar genoemde categorieën van personen, niet van
toepassing. Het gaat hierbij kortweg om de volgende categorieën van
personen: gewezen verzekerden die als overheidswerknemer in het buitenland
werkzaam zijn (in dienstbetrekking staan tot een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon), gewezen verzekerden die
ontwikkelingswerk verrichten (werkzaamheden verrichten bij organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking (zie hiertoe de Regeling aanwijzing
ontwikkelingsorganisaties BEU (Stcrt. 1999, 246) [zie ook Regeling
aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002, red.]), gewezen verzekerden die werkzaam
zijn bij volkenrechtelijke organisaties en gewezen verzekerden die
werkzaamheden verrichten die bekostigd worden door het Rijk c.a.
Met deze formulering is
aansluiting gezocht bij de vrijwillige verzekering zoals die is geregeld
voor de werknemersverzekeringen (zie bijvoorbeeld artikel
81, tweede lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Tevens is hiermee een
verband gelegd met de in het Besluit
afwijkende regels beperking export uitkeringen genoemde personen die werkzaamheden in het algemeen belang verrichten. Op grond van dat besluit
behouden de aldaar nader
omschreven categorieën van personen het recht op een uitkering
(aangezien zij in dat besluit zijn aangemerkt als degenen die werkzaamheden
in het algemeen belang verrichten). Indien zij langs deze weg het
recht op een uitkering behouden, dienen zij, naar de mening van de regering,
ook de mogelijkheid te hebben dat dit recht op een uitkering kan
ontstaan. Dit laatste kan immers uitsluitend het geval zijn indien betrokkenen
verzekerd zijn. In veel gevallen zullen betrokkenen verplicht verzekerd zijn
voor de volksverzekeringen. Is dit niet het geval, dan hebben zij na de totstandkoming van
deze wet op grond van het
derde lid van dit artikel
de mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren.
rblz.|16|
In
het derde lid,
onderdeel e, wordt voor gewezen verzekerden ouder dan 50
jaar [van 50 jaar of ouder, red.] die recht
hebben op een in dat onderdeel genoemde langlopende uitkering de beperking
in de vrijwilligeverzekeringsperiode van maximaal vijf jaar
opgeheven. Ook zij dienen zich, in de tijd gezien, onbeperkt vrijwillig te kunnen
verzekeren voor de AOW. Bij de opsomming van de genoemde uitkeringen
is, daar waar nog relevant, aangesloten bij de redactie van het (oude)
artikel 26 van KB 746. Dat artikel is met ingang van 1 januari 2000 vervallen.
De regering acht het
wenselijk dat ook de echtgenoot en inwonende kinderen van de gewezen
verzekerde en de echtgenoot, genoemd in het derde lid, zich onder
dezelfde voorwaarden kunnen verzekeren als de gewezen verzekerde zelf.
Eén en ander is vormgegeven in het vierde lid.
In het vijfde
lid is de
mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens een algemene maatregel van
bestuur (hierna: AMvB) nadere regels te stellen. In hoofdstuk III van de
Wet financiering volksverzekeringen (de artikelen 25 tot en met
27) bestaat
deze mogelijkheid op het gebied van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige algemene nabestaandenverzekering
reeds inzake de tariefsbepaling, de vaststelling van de in rekening te brengen
premie en de inning. Ook op grond van het huidige artikel 45 van de
AOW zijn de voorwaarden waaronder de vrijwillige verzekering kan
plaatsvinden, vastgelegd in een AMvB (Besluit vrijwillige verzekering AOW
en Anw).
In deze nieuwe opzet van de rechtsfiguur vrijwillige verzekeringen
volksverzekeringen is ervoor gekozen deze voorwaarden in de wet zelf op te
nemen.
Als gevolg van
dit
wetsvoorstel zal het Besluit vrijwillige verzekering AOW
en Anw
dan ook worden
vervangen door een nog te ontwerpen nieuwe AMvB [zie Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001, red.].
Artikel 36
In dit artikel is bepaald
binnen welke termijn de gewezen verzekerde bij de SVB een aanvraag moet indienen, wil hij zich nog vrijwillig kunnen verzekeren
voor de AOW. Deze termijn
beslaat één jaar. De periode van vrijwillige verzekering dient aan te
sluiten aan de periode van verplichte verzekering. Betrokkene heeft één jaar
de tijd zich te beraden op de vraag of hij zich vrijwillig wil
verzekeren. Wil betrokkene dit, dan dient hij zich bij de SVB aan te melden. Na
ontvangst van de aanvraag stelt de SVB vast of de gewezen verzekerde
voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor de vrijwillige verzekering. Betrokkene
zal in verband hiermee een beschikking van de SVB ontvangen.
Tegen deze beschikking staat, zo nodig, bezwaar en beroep open op grond
van de Algemene wet bestuursrecht. Voldoet betrokkene aan de voorwaarden, dan wordt hij toegelaten tot de vrijwillige
verzekering.
Artikel 37
Gezien het karakter van
de AOW kan de gewezen verzekerde zich slechts vrijwillig verzekeren tot
het moment dat betrokkene 65 jaar wordt: de periode waarin de
vrijwillige verzekering kan ontstaan dan wel de periode van vrijwillige
verzekering eindigt op dat moment. Heeft betrokkene deze leeftijd bereikt, dan kan
de vrijwillige verzekering niet voortgezet worden. Daarnaast zijn er nog
andere wijzen waarop de vrijwillige verzekering kan eindigen. De gewezen
verzekerde kan immers op elk moment zelf besluiten de vrijwillige verzekering te willen beëindigen. Hij dient dit dan
schriftelijk aan de SVB
te kennen te geven. De vrijwillige verzekering eindigt voorts bij het
bereiken van de vijfjaarstermijn, bij het niet of niet geheel betalen van de
verschuldigde premie en bij het niet verstrekken rblz.|17|
van de, in verband met de
vaststelling van de bevoegdheid tot deelname aan de vrijwillige
verzekering, verlangde inlichtingen binnen de door de SVB gestelde termijn.
Artikel 38
Naast de vrijwillige
verzekering, genoemd in artikel 35, waarin de gewezen
verzekerde als
belanghebbende wordt aangewezen, is in artikel 38 de
verzekerde de
belanghebbende voor de vrijwillige verzekering. De verzekerde wordt de mogelijkheid
geboden niet-verzekerde jaren die achter hem liggen "in te kopen" en langs deze weg niet zozeer het recht op ouderdomspensioen, maar de
hoogte van dat pensioen dat op zijn 65ste tot uitbetaling kan komen te
beïnvloeden.
De "inkoopregeling"
gaat uit van een alles-of-nietssysteem. Wanneer iemand bijvoorbeeld op
zijn 60ste voor het eerst naar Nederland komt en verplicht verzekerd
wordt, zal hij, indien hij zich wil inkopen, alle achterliggende jaren vanaf zijn
15de tot
de datum waarop hij voor het eerst verplicht verzekerd is geworden vrijwillig moeten verzekeren.
Artikel 38 is in dit
voorstel, voor wat
betreft het inkopen van niet-verzekerde jaren, de opvolger van de huidige
artikelen 45 van de AOW
en 8 van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw.
Artikel 39
De termijn waarbinnen de
verzekerde een besluit dient te nemen of hij zich vrijwillig wil
verzekeren over de achterliggende periode is één jaar (te rekenen vanaf de dag
waarop de verplichte verzekering is ontstaan). Hij dient hiertoe een
aanvraag in te dienen bij de SVB.
Degene die na zijn 64ste,
maar vóór zijn 65ste verplicht verzekerd wordt op grond van de AOW
heeft,
afhankelijk van het exacte tijdstip waarop dit geschiedt, uiterlijk tot
en met de dag voorafgaand aan de dag waarop betrokkene 66 jaar wordt
de mogelijkheid een aanvraag bij de SVB in te dienen, wil hij zich nog
op grond van dit artikel vrijwillig kunnen verzekeren over een achterliggende
periode.
Artikel
II. Wijziging van
de Algemene nabestaandenwet [zie
art. III van de wet,
red.]
In dit artikel wordt het
hoofdstuk van de Anw
inzake de huidige vrijwillige verzekering in zijn
geheel vervangen door een nieuw hoofdstuk. Dit hoofdstuk omvat in dit voorstel een
vijftal artikelen (te weten de artikelen 63 tot en met
63d).
Artikel 63
In dit artikel wordt een
begripsomschrijving gegeven van het begrip gewezen verzekerde.
Artikel 63a
Dit artikel is nagenoeg
gelijkluidend aan het in de AOW voorgestelde artikel
35. Aangezien de Anw
echter uitsluitend een risicoverzekering is en geen opbouwelementen
kent zoals de AOW, verschilt dit artikel op enkele aspecten.
Het eerste lid brengt tot
uitdrukking dat de vrijwillige verzekering niet beperkt wordt door de
leeftijd van betrokkene. Kon bij de AOW de gewezen verzekerde zich
slechts verzekeren over de periode vanaf zijn 15de tot zijn 65ste levensjaar,
bij de Anw is van deze beperking geen sprake. Ook 65-plussers (gewezen verzekerden jonger dan 15 jaar zullen naar verwachting
van de regering niet snel
tot het instrument van de vrijwillige verzekering grijpen) komen langs deze
weg in aanmerking om zich uitsluitend rblz.|18|
voor de Anw vrijwillig te
verzekeren. Voor het jaar 2000 voorziet het huidige artikel
63a van
de Anw
reeds in deze mogelijkheid.
Artikel
63a, tweede tot
en met vijfde lid, van de Anw
komt vrijwel geheel overeen met artikel 35,
tweede tot en met vijfde lid, van de AOW. Voor een toelichting wordt
verwezen naar de toelichting op artikel 35 van de
AOW. Voor een toelichting op
artikel 63b van de Anw
wordt verwezen naar de toelichting op artikel 36
van de AOW (zie beiden onder artikel
I).
Artikel
63a, derde lid,
onderdeel e, onder 8º (een nabestaandenuitkering op grond van deze
wet),
ziet erop toe dat ook degene die recht heeft op een
nabestaandenuitkering niet wordt getroffen door de beperking in de vrijwillige
verzekering van vijf jaar. Komt betrokkene te overlijden, dan kan voor eventuele
achterblijvende kinderen langs deze weg alsnog recht op een
wezenuitkering ontstaan.
[Artikel
63d, red.]
Ten aanzien van
artikel 63d kan het volgende worden opgemerkt. De regering
acht het niet gewenst dat
degenen die als gevolg van het verliezen van de verplichte
verzekering (door het vervallen van
artikel 26 van KB
746) en na 1 januari 2000
65 jaar worden alsnog getroffen worden door de verplichte koppeling van
de vrijwillige verzekering AOW met die van de vrijwillige verzekering Anw. Zij kunnen zich immers niet separaat vrijwillig verzekeren voor de
Anw.
Het huidige artikel 63a (inzake de tijdelijke ontkoppeling) raakt hen
niet aangezien zij op het moment van inwerkingtreding van dat artikel nog geen
65 jaar waren. Om hen tegemoet te komen, zullen zij zich, op
grond van artikel 63d, onderdeel a, met ingang van de dag van inwerkingtreding van
deze wet vrijwillig kunnen verzekeren
voor de Anw, met dien
verstande dat voor de toepassing van artikel
63b, eerste lid, de
verzekering geacht wordt geëindigd te zijn op de dag vóór inwerkingtreding van
de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en
Anw. Voor de
toepassing van de vrijwillige verzekering Anw
wordt hun verzekering geacht te
zijn geëindigd op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet. Zij hebben
vervolgens een jaar de tijd zich opnieuw bij de SVB aan te melden als
vrijwillig verzekerden, maar nu op grond van de nieuwe wettelijke
regeling.
Op grond van onderdeel b
van artikel 63d geldt eenzelfde regeling voor degenen wier vrijwillige verzekering, op grond van
artikel 63 van de Anw,
in de loop van 2000 is
geëindigd in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
In de periode vanaf de
dag dat betrokkene 65 jaar wordt tot de dag van inwerkingtreding van deze wet
is hij echter niet verzekerd voor de Anw. Indien belanghebbende in
die periode komt te overlijden, bestaat voor eventuele nabestaanden
derhalve geen recht op een uitkering op grond van de Anw.
Is betrokkene op grond
van artikel 63d opnieuw vrijwillig verzekerd, dan kan hij dit blijven tot
het tijdstip dat hij komt te overlijden, aangezien hij als 50-plusser niet wordt
getroffen door de beperking in de verzekeringsduur van vijf jaar.
Artikel
III. Wijziging
van de Wet financiering volksverzekeringen [zie
art. IV van de wet,
red.]
In de vormgeving van de
artikelen in hoofdstuk III van de Wet financiering volksverzekeringen
(hierna: Wfv) is de nog bestaande koppeling neergelegd tussen de vrijwillige
verzekering voor de algemene ouderdomsverzekering met die van de
vrijwillige verzekering voor de nabestaandenverzekering. Aangezien de koppeling
tussen beide verzekeringsvormen met dit wetsvoorstel
wordt verbroken, is de redactie van de artikelen
25, 26 en 27 van de
Wfv
aangepast. Tevens is de verwijzing in artikel 2 van de
rblz.|19|
Wfv naar artikelen
in de AOW en de Anw, inzake de vrijwillige verzekering, aangepast.
Artikel
IV. Wijziging van
de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
[zie art.
V van de wet, red.]
Op grond van
artikel XV
van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) is
artikel X van de
Invoeringswet Pemba [Invoeringswet nieuwe en
gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.] vervangen door een nieuw artikel X, dat bepaalt
dat artikel 17, eerste lid, onderdeel c, van de
Wajong gedurende drie jaren na
inwerkingtreding van de Wet BEU niet van toepassing is ten aanzien
van de jonggehandicapte die op de dag vóór inwerkingtreding van de
Wajong recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW
en
woont buiten Nederland, zolang laatstgenoemde omstandigheid voortduurt.
Artikel XV van de Wet
BEU heeft tot doel het overgangsrecht ten behoeve van
Wajong-uitkeringsgerechtigden die niet in Nederland wonen in
overeenstemming te brengen met het
overgangsrecht van de Wet BEU zoals dat geldt voor de overige socialeverzekeringswetten.
Vanwege het absolute
exportverbod in de Wajong is het echter niet mogelijk om, gelijk de overige
socialeverzekeringsuitkeringen, in een land waarmee Nederland een
handhavingsverdrag heeft gesloten een Wajong-uitkering te ontvangen. De in de
Wet BEU gerealiseerde aanpassing van het overgangsrecht ten behoeve van Wajong-uitkeringsgerechtigden heeft
dan ook tot gevolg dat
het recht op een Wajong-uitkering na 1 januari 2003 wordt beëindigd. De
regering acht dit onwenselijk en heeft besloten dit overgangsrecht zoals dit
vóór de inwerkingtreding van de Wet BEU op betrokkenen van
toepassing was in ere te herstellen. Degene die op de dag vóór 1 januari 1998
recht had op een AAW-uitkering en op die dag buiten Nederland woonde,
behoudt zijn recht op een Wajong-uitkering, zolang die omstandigheid
voortduurt.
Artikel
V.
Overgangsbepaling [zie
art. VII van de wet,
red.]
Deze bepaling ziet
erop
toe dat de periode waarover de gewezen verzekerde en de verzekerde zich maximaal vrijwillig kan verzekeren (vijf jaar)
niet van toepassing is op
de huidige populatie vrijwillig verzekerden, maar uitsluitend op diegenen
die zich na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel vrijwillig willen
verzekeren voor de AOW dan wel de Anw. Zij die
vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet reeds vrijwillig verzekerd waren, kunnen deze
verzekering ook in de toekomst dus voor onbepaalde tijd blijven voortzetten.
Dat geldt zowel voor de AOW als voor de Anw. De regering acht het
niet wenselijk dat zij door deze wetswijziging benadeeld worden.
Indien zich echter een
wijziging voordoet in hun verzekeringspositie doordat zij tijdelijk
weer verplicht verzekerd worden, is het overgangsrecht op hen niet meer van
toepassing indien zij zich nadien opnieuw wensen aan te melden voor de
vrijwillige verzekering.
Artikel
VI.
Inwerkingtreding [zie
art. IX van de wet,
red.]
De regering acht het
wenselijk dat dit wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2001 in werking
treedt. Dit mede in het licht van het feit dat het huidige artikel
63a van
de Anw
van rechtswege op die datum komt te vervallen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|