|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 2000-2001, 27 269.
Handelingen II 2000-2001, blz. 3586-3590, 3715.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 269 (215, 215a, 215b, 215c).
Handelingen I 2000-2001, blz. 1370.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 17 mei 2001, Stb.
2001, 259, tot wijziging van de Werkloosheidswet en de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten in verband met de invoering van een
regeling inzake de financiering van kinderopvang voor
uitkeringsgerechtigden. Inwerkingtreding: 1 juli 2001 (Stb.
2001, 297).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is in de Werkloosheidswet en de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten een bepaling op te nemen teneinde het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen in de gelegenheid te stellen
kinderopvang te financieren zodat de werkhervattingskans van
uitkeringsgerechtigden wordt vergroot;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt
als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 74 komt te luiden:
Art. 74.
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan ten behoeve van de werknemer die recht heeft
op uitkering op grond van hoofdstuk IIa
of IIb van deze wet en die
deelneemt aan een traject gericht op inschakeling in het arbeidsproces, op diens
aanvraag een schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang
sluiten met een rechtspersoon of een natuurlijke persoon.
-2. Indien een werknemer ten
behoeve van wie op grond van het eerste lid tijdens een traject
gericht op inschakeling in het arbeidsproces een overeenkomst met betrekking
tot kinderopvang is gesloten, uiterlijk zes maanden na beëindiging van
deelneming aan dat traject werkzaamheden gaat verrichten in een dienstbetrekking voor de duur van ten minste zes
maanden, kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen aan de werkgever, op diens
aanvraag, een tegemoetkoming in de kosten in verband met kinderopvang
voor die werknemer verstrekken.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan het eerste en het tweede lid van dit artikel
en artikel 22a, eerste en tweede lid, van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
per kalenderjaar toepassen op, in totaal, ten hoogste 4000
werknemers. Indien het eerste en het tweede lid in enig kalenderjaar
worden toegepast op dezelfde werknemer, is dit een toepassing op twee
werknemers.
-4. De bevoegdheid, bedoeld
in het eerste en tweede lid, bestaat uitsluitend ter zake van
opvang van een kind in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair
onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de werknemer recht heeft op
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
-5. Voor de toepassing van
het eerste en tweede lid wordt verstaan onder kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van
kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren
dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden,
bedoeld in het eerste en tweede lid, waarbij wordt voldaan aan de eisen
gesteld bij artikel 20 van de Welzijnswet
1994 en de daarop berustende
bepalingen.
-6. De werknemer ten behoeve
van wie het Landelijk instituut sociale verzekeringen een
schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang sluit als bedoeld in het
eerste lid, is een eigen bijdrage verschuldigd aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen.
-7. De eigen bijdrage,
bedoeld in het zesde lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
-8. De tegemoetkoming,
bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. met betrekking tot een
bij de aanvang van de werkzaamheden ongehuwde werknemer of
gehuwde werknemer wiens echtgenoot geen inkomen uit arbeid geniet,
de kosten die de werkgever in verband met kinderopvang heeft gemaakt
over de periode van twaalf maanden vanaf de datum van aanvang van de werkzaamheden, waarbij de werknemer
geacht wordt een eigen
bijdrage te zijn verschuldigd overeenkomstig het zesde lid;
b. met betrekking tot een
bij de aanvang van de werkzaamheden gehuwde werknemer wiens
echtgenoot inkomsten uit arbeid geniet, 50 procent van de
kosten als bedoeld in onderdeel a.
-9. Voor de toepassing van
dit artikel wordt gelijkgesteld met gehuwd, ongehuwd en echtgenoot
hetgeen daarmee gelijk wordt gesteld op grond van artikel 1 van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-10. De tegemoetkoming,
bedoeld in het tweede lid, wordt aangevraagd bij de uitvoeringsinstelling
die de werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot het eerste
lid. De werkzaamheden voortvloeiende uit het tweede lid worden verricht
door die uitvoeringsinstelling die bij de uitvoering van dit artikel
werkzaamheden kan opdragen aan derden.
-11. Dit artikel is niet van
toepassing op de werknemer op wie artikel 22a
van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
van toepassing is.
-12. De artikelen 34 tot en
met 37, 39, vijfde lid en zesde lid,
onderdeel
b en c, 45 tot en met 47 en
53 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
zijn van overeenkomstige
toepassing.
B.¹
[MvT
+ bis]
Aan artikel 93 wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van dat artikel door een puntkomma,
een onderdeel, waarvan de letteraanduiding alfabetisch aansluit op het
laatste onderdeel, toegevoegd, luidende:
de financiering van, en de
tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in artikel
74, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
1. Zie artikel
III, red.
Art. II.
Wijziging Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten [MvT]
De Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 22 wordt, onder
vernummering van het zesde lid tot het zevende lid, een lid
ingevoegd, luidende:
-6. Onder voorzieningen als
bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan financiering van, of
tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang.
B. [MvT]
Na artikel 22 wordt een
paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 1A. Kinderopvang
Art. 22a. Financiering
kinderopvang
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan ten behoeve van de
arbeidsgehandicapte aan wie
een voorziening als bedoeld in artikel 22, eerste tot en met vierde
lid, is toegekend, of die werkzaamheden op een proefplaats verricht als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel
a, op diens aanvraag een
schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang sluiten met een
rechtspersoon of een natuurlijk persoon.
-2. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan aan de werkgever, op diens aanvraag, een tegemoetkoming in de kosten in verband met
kinderopvang voor de
arbeidsgehandicapte werknemer verstrekken:
a. indien deze uiterlijk zes
maanden na beëindiging van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, werkzaamheden gaat verrichten in een
dienstbetrekking voor de
duur van ten minste zes maanden;
b. indien deze, na het
tijdstip gelegen zes maanden na ingang van diens uitkering op grond van de
WAO, WAZ of Wajong, werkzaamheden gaat
verrichten in een
dienstbetrekking voor de duur van ten minste zes maanden.
-3. Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen kan het eerste en het tweede lid van dit artikel
en artikel 74, eerste en tweede lid, van de Werkloosheidswet per
kalenderjaar toepassen op, in totaal, ten hoogste 4000 werknemers. Indien het
eerste en het tweede lid in enig kalenderjaar worden toegepast op dezelfde
arbeidsgehandicapte, is dit een toepassing op twee
arbeidsgehandicapten.
-4. De bevoegdheid, bedoeld
in het eerste en tweede lid, bestaat uitsluitend ter zake van
opvang van een kind in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair
onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de arbeidsgehandicapte recht
heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
-5. Voor de toepassing van
het eerste en tweede lid wordt verstaan onder kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van
kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren
dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden,
bedoeld in het eerste en tweede lid, waarbij wordt voldaan aan de eisen
gesteld bij artikel 20 van de Welzijnswet
1994 en de daarop berustende
bepalingen.
-6. De arbeidsgehandicapte
ten behoeve van wie het Landelijk instituut sociale verzekeringen een
schriftelijke overeenkomst met betrekking tot kinderopvang sluit als
bedoeld in het eerste lid, is een eigen bijdrage verschuldigd aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-7. De eigen bijdrage,
bedoeld in het zesde lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
-8. De tegemoetkoming,
bedoeld in het tweede lid, bedraagt:
a. met betrekking tot een
bij de aanvang van de werkzaamheden ongehuwde
arbeidsgehandicapte of gehuwde arbeidsgehandicapte wiens echtgenoot geen inkomen uit
arbeid geniet, de kosten die de werkgever in verband met kinderopvang
heeft gemaakt over de periode van twaalf maanden vanaf de datum van
aanvang van de werkzaamheden, waarbij de arbeidsgehandicapte
geacht wordt een eigen bijdrage te zijn verschuldigd overeenkomstig
het zesde lid;
b. met betrekking tot een
bij de aanvang van de werkzaamheden gehuwde arbeidsgehandicapte
wiens echtgenoot inkomsten uit arbeid geniet, 50 procent van
de kosten als bedoeld in onderdeel a.
-9. Voor de toepassing van
dit artikel wordt gelijkgesteld met gehuwd, ongehuwd en echtgenoot
hetgeen daarmee gelijk wordt gesteld op grond van artikel 1 van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-10. De tegemoetkoming,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt aangevraagd bij de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden heeft
verricht met betrekking tot
het eerste lid. De tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
wordt aangevraagd bij de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden heeft
verricht met betrekking tot de uitkering, bedoeld in dat
onderdeel. De werkzaamheden voortvloeiende uit het tweede lid worden
verricht door die uitvoeringsinstelling die bij de uitvoering van dit artikel
werkzaamheden kan opdragen aan derden.
C. [MvT]
In artikel 31, tweede lid,
aanhef, wordt "worden verstaan" vervangen door: worden uitsluitend
verstaan.
D. [MvT]
In artikel 33, eerste lid,
wordt na "vast te stellen reïntegratie-instrumenten als bedoeld in dit
hoofdstuk" een zinsnede ingevoegd, luidende: , met uitzondering
van de financiering van, of tegemoetkoming in de kosten van,
kinderopvang, bedoeld in artikel 22a,.
E.
[MvT]
In artikel 34, eerste lid,
wordt na "voorzieningen als bedoeld in artikel 22
en 31," een zinsnede
ingevoegd, luidende: "van financiering van, of tegemoetkoming in de kosten
van, kinderopvang als bedoeld in artikel 22a," en wordt na
"indien
de voorzieningen" een zinsnede ingevoegd, luidende: de financiering
van, of de tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang,.
F.
[MvT]
In artikel 35, eerste lid,
wordt na "bedoeld in artikel 22 en 31," een
zinsnede ingevoegd,
luidende: de financiering van, of de tegemoetkoming in de kosten van,
kinderopvang, bedoeld in artikel 22a,.
G.
[MvT]
In artikel 36, eerste lid,
onderdeel a, wordt na "bedoeld in artikel 22 en
31," een zinsnede ingevoegd, luidende: en de financiering van, of
tegemoetkoming in de kosten
van, kinderopvang, bedoeld in artikel 22a.
H.
[MvT]
In artikel 37, onderdeel a,
wordt na "bedoeld in artikel 22 en 31," een
zinsnede ingevoegd,
luidende: en de financiering van, of tegemoetkoming in de kosten van,
kinderopvang, bedoeld in artikel 22a.
I.
[MvT]
Aan artikel 39, zesde lid,
onderdeel b, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: alsmede omtrent de
rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn verbonden.
J.
[MvT]
In artikel 43, eerste lid,
onderdeel b, wordt na "bedoeld in artikel 22 en
31," een zinsnede ingevoegd, luidende: en financiering van, of tegemoetkoming
in de kosten van,
kinderopvang, bedoeld in artikel 22a.
K.
[MvT]
In artikel 53 wordt "op
grond van artikel 22 en 31" vervangen door: op
grond van artikel 22, 22a
en 31.
L.
In artikel 78, eerste lid,
wordt na "als bedoeld in artikel 22 en
31" een zinsnede ingevoegd,
luidende:, van financiering van, of tegemoetkoming in de kosten van,
kinderopvang als bedoeld in artikel 22a.
Art. III.
Wijzigingen in verband met de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen [MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 3 mei 2000 ingediende voorstel van wet Aanpassingswet OOW
(Kamerstukken II 1999-2000, 27 093) tot wet wordt verheven en in
werking is getreden, wordt deze wet als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel I, onderdeel B,
wordt vervangen door vier onderdelen, luidende:
B. [MvT]
Aan artikel 78a, derde lid,
wordt de zinsnede toegevoegd: alsmede op de financiering van, en de tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang,
bedoeld in artikel 74, en de
daaraan verbonden uitvoeringskosten.
C. [MvT]
Aan artikel 93 wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van dat artikel door een puntkomma,
een onderdeel, waarvan de letteraanduiding alfabetisch aansluit op het
laatste onderdeel, toegevoegd, luidende:
de financiering van, en de
tegemoetkoming in de kosten van, kinderopvang, bedoeld in artikel
74, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten, met uitzondering van hetgeen op
grond van artikel 97f ten laste komt
van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid.
D. [MvT]
Aan artikel 97b, eerste lid,
wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door
een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:
e. de tegemoetkoming in de
kosten in verband met kinderopvang, bedoeld in artikel
74,
tweede lid, voor zover de werknemer de uitkering, bedoeld in het eerste lid
van dat artikel, ontving uit hoofde van een dienstbetrekking als
overheidswerknemer.
E. [MvT]
Aan de opsomming in artikel 97f van hetgeen ten laste komt van het
Uitvoeringsfonds voor de
overheid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van het laatste
onderdeel van die opsomming door een puntkomma, een onderdeel,
waarvan de letteraanduiding alfabetisch aansluit op dat laatste
onderdeel, toegevoegd, luidende:
de financiering van, en de tegemoetkoming in
de kosten van, kinderopvang, bedoeld in artikel
74.
Art.
IV. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 18 juni 2001, Stb. 2001, 297, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 juli 2001, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
17 mei 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de twaalfde
juni 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|