|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 586
Wijziging
van de Ziekenfondswet in verband met
samentelling van uitkeringstijdvakken ingevolge de Werkloosheidswet voor
de toepassing van artikel
3, eerste lid, onderdeel a, van die
wet, administratieve
vereenvoudiging van de overgang van een particuliere
ziektekostenverzekering naar de ziekenfondsverzekering en afschaffing
van de nominale ziekenfondspremie voor personen jonger dan 18 jaar (knelpunten
Ziekenfondswet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Dit
wetsvoorstel bevat een aantal wijzigingen van de Ziekenfondswet
betreffende onderwerpen die niet met elkaar samenhangen. De wijzigingen
zien op het oplossen van enkele in de ziekenfondsverzekering bestaande
knelpunten. Deze wijzigingen betreffen het vervallen van de nominale premie voor een
ziekenfondsverzekerde jonger dan 18 jaar, de overgang van de
particuliere ziektekostenverzekering naar de ziekenfondsverzekering
[vervallen, red.] en de samentelling van
uitkeringstijdvakken voor de beoordeling of een uitkeringsgerechtigde ingevolge de
Werkloosheidswet verzekerd is ingevolge de
Ziekenfondswet. Voorts worden in de Ziekenfondswet en enkele andere wetten
enige redactionele verbeteringen aangebracht. Deze verbeteringen
worden, voor zover niet in het artikelsgewijze deel van de toelichting opgenomen,
niet nader toegelicht.
Samentelling van
uitkeringstijdvakken bij de beoordeling van de verzekeringsplicht van
WW-gerechtigden (artikel I, onderdeel A, onder 2 [zie artikel
I, onderdeel B, onder 2, van de wet, red.])
Op grond van de thans
geldende regelgeving wordt ten aanzien van een werkloze werknemer die
een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangt (de
WW-gerechtigde), gedurende het eerste jaar van zijn werkloosheid de
ziektekostenverzekeringssituatie die bestond vóór het intreden van de
werkloosheid (op de laatste werkdag) gehandhaafd. Dit betekent dat
ziekenfondsverzekerden in de ziekenfondsverzekering blijven en dat particulier
verzekerden het eerste jaar op een particuliere verzekering aangewezen blijven.
Omdat
in de praktijk blijkt dat een groot aantal van de personen dat
werkloos raakt weer vrij snel aan het werk is, wordt met deze regeling
ongewenst geacht heen en weer schuiven van betrokkenen tussen de ziekenfondsverzekering en de particuliere ziektekostenverzekering
(het zogenaamde
jojo-effect) voorkomen. Na het eerste jaar werkloosheid wordt het
werkelijke loon in de zin van de Ziekenfondswet
van betrokkene getoetst.
Indien geen recht (meer) bestaat op een rblz.|2|
werkkloosheidsuitkering
berekend naar 70% van het dagloon, wordt het werkelijke inkomen van betrokkene
getoetst.
Met name particulier
verzekerde WW-gerechtigden kunnen financieel in de problemen komen indien
zij een tijdelijke dienstbetrekking aanvaarden. Als het loon in de
tijdelijke dienstbetrekking op jaarbasis meer bedraagt dan het bedrag van de
loongrens van de ziekenfondsverzekering, is men aangewezen op een particuliere ziektekostenverzekering. Bij beëindiging
van het tijdelijke
dienstverband wordt de verzekeringssituatie ingevolge de Ziekenfondswet
beoordeeld naar de verzekeringssituatie op de dag voorafgaande aan die
waarop die persoon werkloos werd. Wederom is dan de WW-gerechtigde
gedurende langere tijd aangewezen op een particuliere ziektekostenverzekering,
waarvoor veelal een hoge premie verschuldigd is. Indien
betrokkene ook nog een partner en een paar kinderen heeft, in wier ziektekostenverzekering hij moet voorzien, is goed
voorstelbaar dat de
premie voor de ziektekostenverzekering in verhouding tot zijn inkomen een
zware last vormt. Daar komt nog bij dat een WW-gerechtigde als regel
geen tegemoetkoming in zijn premie voor een particuliere ziektekostenverzekering ontvangt.
Niet alleen het
aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking, maar ook ziekte tijdens de
werkloosheidsperiode kan cumulatie van uitsluitingstijdvakken tot gevolg hebben. Als
een particulier verzekerde werkloze werknemer in het eerste
jaar (het uitsluitingstijdvak) ziek wordt, ontstaat er recht op een
uitkering
ingevolge de Ziektewet. Op grond van artikel
3, eerste lid, onderdeel a, onder 2e,
van de Ziekenfondswet
wordt de verzekeringssituatie dan beoordeeld naar de
situatie op de dag voorafgaande aan die waarop artikel 8 van de
Ziektewet op hem van toepassing werd, derhalve naar de situatie die gold
toen hij een werkloosheidsuitkering ontving. Gedurende de
ziekteperiode is betrokkene opnieuw voor mogelijk een periode van één jaar
uitgesloten van de ziekenfondsverzekering. Na herstel van zijn ziekte
herleeft zijn werkloosheidsuitkering en blijft hij wederom voor één jaar
buiten de ziekenfondsverzekering.
Met het hierna volgende
voorbeeld wordt het voorgaande geïllustreerd. De heer X is reeds vele
jaren werkzaam in een dienstbetrekking tegen een loon boven de loongrens
van de ziekenfondsverzekering en is derhalve particulier verzekerd.
Per 1 februari 1998 raakt hij werkloos en ontvangt een uitkering krachtens
de Werkloosheidswet. Hij blijft in beginsel tot 1 februari 1999
aangewezen op zijn particuliere ziektekostenverzekering, omdat hij op 31 januari
1998 particulier tegen ziektekosten verzekerd was (artikel
3, eerste lid,
onderdeel a, onder 1e, van de Ziekenfondswet). Hij wordt echter
ziek en ontvangt met
ingang van 1 januari 1999 een uitkering ingevolge de Ziektewet. Op grond van
artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 2e, van de Ziekenfondswet blijft
hij in beginsel tot 1 januari 2000 aangewezen op zijn particuliere ziektekostenverzekering. Per 15 december 1999 is hij hersteld
en herleeft zijn
werkloosheidsuitkering. Op grond van artikel 3, eerste lid,
onderdeel a, onder 1e, van de Ziekenfondswet
blijft hij in beginsel tot 15 december 2000 wederom aangewezen
op een particuliere ziektekostenverzekering.
De hiervoor geschetste
situatie wordt veroorzaakt doordat de uitsluitingsregeling in de Ziekenfondswet
in onvoldoende mate aansluit bij de systematiek van de Werkloosheidswet.
De omstandigheid dat na een tijdelijke werkhervatting of na een
periode van ziekte opnieuw een uitsluitingstermijn van één jaar begint te
lopen, wordt veroorzaakt doordat bij de beoordeling van de
verzekeringssituatie van de WW-gerechtigde niet de vraag
wordt betrokken of er
sprake is van een herleving van een reeds eerder toegekende werkloosheidsuitkering dan wel van een nieuw uitkeringsrecht.
Systematisch gezien zou
het zuiver zijn om slechts in geval van een nieuw recht op uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (er moet dan minimaal 26 weken in een
periode van 39 weken arbeid in dienstbetrekking rblz.|3|
zijn verricht) een
nieuwe uitsluitingstermijn van één jaar te laten aanvangen. Bij herleving
van een reeds eerder toegekende werkloosheidsuitkering zou de
verzekeringssituatie dienen te worden beoordeeld aan de hand van de situatie op
de dag voorafgaande aan de oorspronkelijk eerste werkloosheidsdag. De
eerdere werkloosheidsperiode dient dan op de uitsluitingstermijn van
één jaar in mindering te worden gebracht, waardoor wordt bereikt dat, zodra
de werkloosheid in totaal één jaar heeft geduurd, aan de hand van
het verzekeringsplichtig inkomen van betrokkene wordt beoordeeld of hij
verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet. Periodes waarin geen
recht bestaat op een werkloosheidsuitkering uitsluitend als gevolg van het feit
dat betrokkene ziekengeld ontvangt, dienen eveneens mee in
aanmerking te worden genomen voor het vervullen van de termijn van één jaar.
Voorgesteld wordt om één
en ander te realiseren door aan artikel 3 van de
Ziekenfondswet
een lid
toe te voegen waarin is bepaald dat voor de toepassing van artikel
3,
eerste lid, onderdeel a, onder 1e, van de Ziekenfondswet
de uit hetzelfde
uitkeringsrecht voortvloeiende periodes gedurende welke werkloosheidsuitkering
wordt ontvangen en de periodes gedurende welke geen recht bestaat
op een werkloosheidsuitkering op grond van het feit dat betrokkene een
uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt, worden
samengeteld voor het vervullen van de in bedoeld onderdeel genoemde termijn van
één jaar.
Beëindiging van de
particuliere verzekeringsovereenkomst bij overgang naar de
ziekenfondsverzekering (artikel I, onderdeel D [vervallen, red.])
In artikel 7 van de
Ziekenfondswet
is thans de beëindiging van een particuliere ziektekostenverzekering geregeld ingeval een particulier verzekerd
persoon verzekerd wordt
ingevolge de Ziekenfondswet. De
particuliere ziektekostenverzekering
eindigt van rechtswege met ingang van de dag waarop de particuliere verzekeraar van de verzekerde mededeling van de
inschrijving als
ziekenfondsverzekerde ontvangt. Die dag ligt in de regel na het ontstaan (van
rechtswege) van de ziekenfondsverzekering.
Over de periode tussen
het ontstaan van de ziekenfondsverzekering en de beëindiging van de
particuliere ziektekostenverzekering vindt door het ziekenfonds waarbij de
verzekerde is ingeschreven restitutie van de betaalde premie voor de
particuliere verzekering en vergoeding van eventuele door de verzekerde gemaakte kosten voor ingeroepen medische
zorg plaats. Voor het
recht op vergoeding van bedoelde kosten in die tussenliggende periode
moet de verzekerde zich wel binnen 60 dagen na het ontstaan van de ziekenfondsverzekering bij het ziekenfonds hebben
aangemeld. Daarnaast moet
de particuliere verzekeraar eventuele vooruitbetaalde premie van de
particuliere ziektekostenverzekering restitueren.
Van de zijde van de
particuliere verzekeraars en de ziekenfondsen bereikten mij berichten
dat zij deze systematiek in administratief- en uitvoeringstechnisch
opzicht als problematisch ervaren. De problematiek zou in de loop van de
tijd zelfs verder zijn toegenomen als gevolg van de introductie van de
nominale premie en de eigenbijdrageregelingen in de ziekenfondsverzekering.
De particuliere verzekeraars zijn voorts van mening dat het aan een
verzekerde moeilijk is uit te leggen dat hij tot het moment van uitschrijving
bij de particuliere verzekeraar blijft aangemerkt als particulier
verzekerde, terwijl hij ook reeds premie verschuldigd is als ziekenfondsverzekerde.
Ook de terugbetalingsregeling van de kosten van zorg in de tussenliggende
fase wordt door hen als zeer belastend ervaren. In de visie van de
verzekeraars zou, ingeval er ziekenfondsverzekering ontstaat, de particuliere
verzekering met terugwerkende kracht moeten worden beëindigd tot het
moment van ontstaan van de ziekenfondsverzekering en niet, zoals thans, na
ontvangst van de mededeling van de rblz.|4|
verzekerde van diens
inschrijving bij het ziekenfonds. Niet alle knelpunten die zij ervaren, zouden
daarmee zijn opgelost, maar er zou toch efficiencywinst geboekt kunnen worden.
Hun verwachting is dat door deze wijziging winst te behalen valt in
het aantal uitvoeringshandelingen, met name doordat het
berichtenverkeer gereduceerd zou kunnen worden.
Ik heb begrip voor het
gesignaleerde probleem. Het is goed denkbaar dat bij de toepassing van de
huidige regelgeving zich nu en dan uitvoeringstechnische problemen zullen voordoen
bij overgang van de particuliere verzekering naar de
ziekenfondsverzekering. De vraag was evenwel of er voor deze problemen een
alternatief kon worden gevonden waarmee een vereenvoudiging van de
uitvoering kon worden bereikt. Het alternatief zou niet alleen een
vereenvoudiging van de regelgeving dienen in te houden, maar tevens een duidelijke verbetering van de uitvoeringspraktijk moeten
opleveren. Verder geldt
voor mij als voorwaarde dat een eventuele wijziging van de regelgeving de
positie van de verzekerde niet mag verslechteren.
De door Zorgverzekeraars Nederland gedane suggestie dat de particuliere ziektekostenverzekering
eindigt op het tijdstip waarop ziekenfondsverzekering ontstaat, lijkt vanwege
zijn eenvoud een aantrekkelijk alternatief. Op zichzelf is het
mogelijk te bepalen dat de particuliere verzekering wordt beëindigd met
terugwerkende kracht tot het moment waarop een persoon van rechtswege
ziekenfondsverzekerd werd. Dit levert een overzichtelijke situatie op. Evenwel
dient in het oog te worden gehouden dat de omvang van het verzekeringspakket van de particuliere polis kan
verschillen met die van
de ziekenfondsverzekering. Bij een overgang van een particuliere
ziektekostenverzekering naar de ziekenfondsverzekering kan daardoor onduidelijkheid ontstaan over de vergoeding van zorgaanspraken
waarop in die
overgangsfase een beroep is gedaan indien die zorg wel valt onder de
dekkingsomvang van de particuliere verzekering, maar niet tot het verstrekkingenpakket van de ziekenfondsverzekering
behoort. Omdat als
voorwaarde is gesteld dat de verzekerde niet in een slechtere positie mag
komen te verkeren dan thans onder de vigerende regelgeving het geval is,
dienen de nadelen die voor de verzekerde mogelijkerwijs zouden ontstaan indien
zijn particuliere polis met terugwerkende kracht zou komen te
vervallen, te worden weggenomen.
In nauw overleg met
Zorgverzekeraars Nederland is een alternatief ontwikkeld, waarmee
binnen de genoemde voorwaarde een vereenvoudiging van de
uitvoeringspraktijk van artikel 7 van de Ziekenfondswet
kan worden gerealiseerd. Eén
en ander is uitgewerkt in het voorgestelde nieuwe artikel 7 van de
Ziekenfondswet
en houdt het volgende in.
De particuliere
ziektekostenverzekering komt voor wat betreft het met het wettelijke pakket van de
ziekenfondsverzekering overeenkomende deel te vervallen met ingang van
de dag waarop ziekenfondsverzekering ontstaat. De particuliere
verzekeraar blijft in de periode tussen het ontstaan van ziekenfondsverzekering en
inschrijving bij het ziekenfonds risicodrager van het bovenwettelijke
deel. De particuliere verzekeraar is bevoegd de ziektekostenverzekeringsovereenkomst
in de gewijzigde situatie in haar geheel - met terugwerkende kracht - op te zeggen, maar blijft aansprakelijk voor eventuele door de verzekerde gemaakte kosten met betrekking tot
zorg van het
bovenwettelijke pakket. Voor de goede orde zij vermeld dat dit surplus moet worden
onderscheiden van specifieke aanvullende particuliere verzekeringen waarvoor
een eigen premiestelling geldt, zoals een klassenverzekering of een
tandheelkundig pakket. Deze verzekeringen worden conform de huidige
praktijk niet aangetast door de opzegging van het surplusdeel van de
overeenkomst.
rblz.|5|
Uit het overleg dat
Zorgverzekeraars Nederland met zijn leden over het onderhavige onderwerp
heeft gevoerd, is duidelijk geworden dat alle particuliere verzekeraars
zonder uitzondering de particuliere ziektekostenverzekering in haar geheel, dat wil
zeggen het wettelijke en het hiervoor aangeduide bovenwettelijke deel van het pakket, zullen beëindigen met
ingang van de dag waarop
de ziekenfondsverzekering ingaat.
Het voorstel betreffende
het met terugwerkende kracht doen vervallen van de particuliere ziektekostenverzekering heeft alleen betrekking op
situaties
waarbij de verzekerde
zich binnen 60 dagen na ontstaan van de ziekenfondsverzekering
aanmeldt.
In het overgrote deel van
de gevallen melden verzekerden zich binnen die periode ter inschrijving
aan, zodat de periode waarin particuliere verzekeraars vorenbedoeld financiële
risico lopen eveneens in tijd beperkt is.
Voor de
uitvoeringspraktijk betekent het dat het opstellen van een
premieverklaring door het ziekenfonds dan kan komen te vervallen, hetgeen in de
huidige praktijk juist
een zeer arbeidsintensief traject is. De particuliere verzekeraar betaalt de
premie voor de periode gelegen tussen de datum waarop de ziekenfondsverzekering inging en de dag waarop hij van de
verzekerde van de
inschrijving als ziekenfondsverzekerde mededeling ontvangt, tezamen met
eventuele vooruitbetaalde premie voor de met terugwerkende kracht
vervallen ziektekostenverzekering in zijn geheel, als onverschuldigd betaald
terug aan zijn verzekerde.
De verwachting is dat de
voorgestelde wijziging zal leiden tot een meer efficiënte en heldere uitvoeringspraktijk. Naar de stellige overtuiging van
de verzekeraars is de
nieuwe werkwijze ook beter uit te leggen aan verzekerden.
De nieuwe werkwijze is
alleen van toepassing in het geval een verzekerde zich binnen 60 dagen
na de datum van ingang van de ziekenfondsverzekering aanmeldt bij een
ziekenfonds. Bij aanmelding na afloop van die periode blijft de
systematiek zoals vastgelegd in het huidige artikel 7
van de Ziekenfondswet
van toepassing (nieuwe artikel 7, derde lid, van de
Ziekenfondswet). Nieuw is
ook dat de verzekeraars bij de terugbetaling van vooruitbetaalde
premie ingeval de nieuwe werkwijze wordt toegepast, geen bedrag voor administratiekosten in rekening brengen (nieuwe
artikel 7, vierde lid, van de Ziekenfondswet). Ingeval te late
aanmelding bij het ziekenfonds heeft
plaatsgevonden (nieuwe artikel 7, derde lid, van de
Ziekenfondswet),
mag de
verzekeraar, zoals dat thans voor alle gevallen geldt, 25%
administratiekosten in rekening brengen.
Het voorstel tot
wijziging van artikel 7 van de Ziekenfondswet
is op 29 juli 1999 aan het College voor zorgverzekeringen (College) voorgelegd voor
een uitvoeringstoets.
Begin juli 2000 is overeenstemming bereikt met Zorgverzekeraars
Nederland over het op onderdelen bijgestelde voorstel tot wijziging van artikel
7 van de Ziekenfondswet. Het College heeft dit
voorstel op zijn
uitvoerbaarheid getoetst en heeft in zijn rapport van 28 september 2000
geconcludeerd dat het voorstel uitvoerbaar is en dat de positie van de verzekerde ten opzichte van de huidige systematiek niet
verslechtert.
De voorgestelde wijziging
van artikel 7 van de Ziekenfondswet
kan voorts rekenen op unanieme steun
van de bij Zorgverzekeraars Nederland aangesloten leden. In dat
verband mag niet onvermeld blijven dat de algemene ledenvergadering
van die organisatie onlangs een werkprocedure heeft vastgesteld met de aanvulling dat deze onderdeel zal
vormen van de gedragscode
van de zorgverzekeraars.
Deze werkprocedure houdt
ook in dat, voor zover het pakket van de particuliere ziektekostenverzekering
een surplus heeft, niet zijnde een aanvullende verzekering inzake
specifieke aanvullende particuliere producten met een eigenstandige
premiestelling, de ziekenfondsen op grond van een afspraak met de
verzekeraars de in de overgangsperiode (dat is de periode tussen de
beëindiging van de verzekeringsovereenkomst en de rblz.|6|
inschrijving bij het
ziekenfonds) opgetreden schade voor hun rekening zullen nemen en ten laste
zullen brengen van het eigen vermogen van het ziekenfonds (voor alle
duidelijkheid, derhalve niet ten laste van de middelen van de
(wettelijke) ziekenfondsverzekering). Binnen die werkprocedure past als tegenhanger voor
de particuliere ziektekostenverzekeraars dat zij de volledige
premie die betrekking heeft op de overgangsperiode (inclusief dat deel dat
betrekking heeft op het surplus) aan de verzekerde zullen restitueren. Ingeval de verzekerde zich zou aansluiten
bij een ziekenfonds dat
de in de gedragscode neergelegde werkprocedure niet heeft onderschreven
of indien vorenbedoeld vangnet in de toekomst onverhoopt mocht komen te
vervallen, dan blijven de eventuele aanspraken op vergoeding
van door de verzekerde gemaakte kosten voor in de periode tussen de
beëindiging van de verzekeringsovereenkomst en de inschrijving bij het
ziekenfonds ingeroepen geneeskundige verzorging die aan de beëindigde verzekeringsovereenkomst konden worden
ontleend, bestaan jegens
de ziektekostenverzekeraar. De verzekerde kan zich dan voor vergoeding
van die kosten rechtstreeks wenden tot zijn verzekeraar.
Afschaffing van de
nominale ziekenfondspremie voor personen jonger dan 18 jaar (artikel I,
onderdeel E [zie artikel I, onderdeel H van
de wet, red.])
In 1989 werd voor
ziekenfondsverzekerden naast de bestaande procentuele premie een nominale
premie ingevoerd, door de verzekerde te betalen voor zichzelf en
zijn medeverzekerden. Er was voor ten hoogste twee medeverzekerde
kinderen nominale premie verschuldigd. Bovendien bedroeg de nominale
premie voor meeverzekerde kinderen de helft van het bedrag dat
volwassenen verschuldigd waren. Overigens werden ouders hiervoor via een
verhoging van de kinderbijslag gecompenseerd. De reden voor invoering van de nominale premie was het terugdringen
van de destijds
overtrokken geachte solidariteit in de ziekenfondsverzekering. In 1995 werd de nominale
ziekenfondspremie voor kinderen weer afgeschaft. Redenen
hiervoor waren de koopkrachteffecten en de hoogte van de
kinderbijslag.
Jongeren met een kleine
baan worden op grond van hun dienstbetrekking hoofdverzekerde ingevolge
de Ziekenfondswet
en zijn derhalve zowel procentuele als nominale
ziekenfondspremie verschuldigd. Verhoudingsgewijs gaat een groot deel van
hun netto-inkomen op aan nominale ziekenfondspremie. Ziekenfondsverzekerde leeftijdgenoten die geen
bijbaantje hebben, zijn
medeverzekerd bij hun ouders en zijn noch procentuele, noch nominale
ziekenfondspremie verschuldigd. Dat jongeren met een bijbaantje een relatief hoog bedrag aan nominale ziekenfondspremie
betalen, wordt zowel
maatschappelijk als politiek door velen als een ongewenste situatie ervaren. Bij de
behandeling van de Wet van 28 oktober 1999, houdende
uitbreiding van de kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met
zelfstandigen voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale
ziektekostenverzekering is aangewezen en tijdelijke wijziging van de
indexering van de loongrens alsmede wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (zelfstandigen in Zfw,
Stb. 1999, 461) is zowel in de Tweede als
Eerste Kamer gewezen op dit knelpunt in de ziekenfondsverzekering.
De Stichting van de Arbeid (STAR) heeft bij brief van 29 juni 1999 eveneens
aandacht voor deze problematiek gevraagd.
De STAR wijst in dit
kader op de nadelige uitwerking van de relatief hoge nominale
ziekenfondspremie (op jaarbasis gemiddeld ƒ414,- in het jaar 2000) op het
arbeidsaanbod van jeugdigen. Gezien de verkrappende arbeidsmarkt levert dit
volgens de STAR in de praktijk een knelpunt op. De STAR heeft twee mogelijke
oplossingen voorgesteld: afschaffing van de nominale premie voor alle
personen jonger dan 18 jaar of thuiswonende rblz.|7|
jongeren jonger dan 18 jaar worden op grond van een dienstbetrekking niet zelfstandig ziekenfondsverzekerd.
Het College heeft op 27
januari 2000 een rapport over dit onderwerp uitgebracht. In dat rapport gaat het
College in op de twee door de STAR voorgestelde oplossingen. Het College
heeft de voorkeur voor afschaffing van de nominale premie voor personen jonger dan 18 jaar.
Nu van diverse kanten
wordt aangedrongen op een oplossing voor dit knelpunt is besloten tot
indiening van het onderhavige wetsvoorstel. Daarbij is het volgende
overwogen. Indien ervoor gekozen zou worden om thuiswonende personen
jonger dan 18 jaar niet langer - op grond van het hebben van een
dienstbetrekking - zelfstandig verzekerd te laten zijn, zou voor de
verzekering ingevolge de Ziekenfondswet
niet alleen het werknemerschap in de zin
van de Ziektewet en de hoogte van het loon bepalend zijn, maar ook
de leeftijd en de woonsituatie van betrokkene. Dit zou een ongewenste
precedentwerking kunnen hebben voor andere groepen
ziekenfondsverzekerden.
Bovendien heeft deze
oplossing ingrijpende uitvoeringstechnische gevolgen. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) wijst bij brief van 9 november 1999 op de
in deze variant noodzakelijke ingrijpende aanpassing van de
automatiseringsprocessen van de uitvoeringsinstellingen. Bovendien zou deze keuze
een administratieve lastenverzwaring voor werkgevers
betekenen. Zij zouden steeds na dienen te gaan en te registreren of een
jonge werknemer al dan niet thuis woont en zouden deze vervolgens moeten
aan- respectievelijk afmelden. Tevens speelt hier een handhavingaspect. Het
al dan niet thuis wonen van jongeren met een bijbaantje zou bepalend
worden voor het ziekenfondsverzekerd zijn. De feitelijke situatie zou
hier doorslaggevend zijn en dat maakt de uitvoering van een dergelijke
regeling sterk afhankelijk van de informatievoorziening door de werkgever en de
jeugdige werknemer. Volgens het Lisv zou deze keuze bijgevolg
potentiële handhavingsrisico’s met zich meebrengen. De verzekerdenadministraties
van de uitvoeringsinstellingen registreren thans niet of iemand al
of niet thuiswonend is. De gegevens voor de verzekerdenadministratie
zijn mede afkomstig uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA). De
GBA geeft weer op welk adres een persoon staat ingeschreven, maar geeft
niet de feitelijke situatie weer. Het zou in die situatie dus kunnen
voorkomen dat een jongere als medeverzekerde bij zijn ouders staat
ingeschreven, maar feitelijk (bijvoorbeeld door studie) uitwonend is.
Het afschaffen van de
nominale ziekenfondspremie voor alle personen jonger dan 18 jaar, dus
ook voor jongeren in dienstverband voor wie geen sprake is van een
bijbaantje, is uitvoeringstechnisch het eenvoudigst. Het gegeven van de leeftijd
van een verzekerde legt het ziekenfonds vast in zijn administratie. Aan
de hand van dat gegeven kan een ziekenfonds vaststellen of de
verzekerde nominale ziekenfondspremie verschuldigd is. Voor een eventuele
medeverzekerde partner van een verzekerde jonger dan 18 jaar is ook geen
nominale premie verschuldigd, ongeacht de leeftijd van deze eventuele
partner. Immers het is de hoofdverzekerde die nominale premie
verschuldigd is voor zijn medeverzekerde partner en niet die medeverzekerde
partner zelf. De voorgestelde maatregel geldt voor alle personen jonger dan
18 jaar, ongeacht het feit of zij al dan niet in deeltijd werken. Een
verzekerde jonger dan 18 jaar met een voltijddienstverband betaalt dus eveneens geen
nominale premie. Een onderscheid maken binnen deze groep
verzekerden op grond van het criterium deeltijd- of voltijddienstverband zou de uitvoering te zeer belasten.
De voorgestelde oplossing
betekent slechts een geringe aanpassing van de administraties van de ziekenfondsen. Bovendien maakt deze oplossing,
anders dan het reeds
besproken tweede alternatief van de STAR, geen rblz.|8|
inbreuk op het beginsel
dat een werknemer in de zin van de Ziektewet van wie het loon niet
meer bedraagt dan het bedrag van de loongrens verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet, ongeacht
leeftijd en woonsituatie.
Gelet op de evidente
voordelen van de laatstgenoemde variant is ervoor gekozen de nominale ziekenfondspremie voor alle
hoofdverzekerden
jonger dan 18 jaar af te
schaffen. Hiertoe wordt voorgesteld artikel 17 van
de Ziekenfondswet, waarin
de verplichting tot het betalen van nominale ziekenfondspremie is geregeld, te wijzigen. Artikel I, onderdeel C
[zie artikel I, onderdeel D van de wet, red.], van het onderhavige voorstel van
wet strekt daartoe.
Financiële consequenties
van de bovengenoemde maatregelen
Met betrekking tot de
wijziging van artikel 7 van de Ziekenfondswet
wordt door Zorgverzekeraars
Nederland uitgegaan van een geschatte efficiencyopbrengst van ƒ750 000,- voor
ziekenfondsen en particuliere verzekeraars tezamen.
De wijziging van de Ziekenfondswet
waarbij personen jonger dan 18 jaar geen nominale premie meer verschuldigd zijn, leidt volgens het
College tot
een structurele
inkomstenderving van circa ƒ37 miljoen. Voor 2001 bedraagt de derving circa
ƒ28 miljoen,
omdat de maatregel pas op 1 april van 2001 van kracht wordt. Gezien de vermogenspositie van de
Algemene Kas van de
Ziekenfondswet is een premieverhoging voor de nabije toekomst niet
nodig. Op langere termijn zal de procentuele premie voor werknemers nagenoeg
geen invloed ondervinden van deze wijziging (een opwaarts effect van
ongeveer 0,015 procentpunt).
Artikelsgewijs
Artikel
I. Ziekenfondswet
Voor de onderdelen
A, onder 2, D [vervallen, red.] en E [zie onderdelen
B, onder 2, en H van de wet, red.] wordt verwezen naar het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
Onderdeel C [zie onderdeel
D van de wet, red.] ziet op een
verwijzing naar de in de Wet
inkomstenbelasting 2001 gehanteerde begripsomschrijving.
De onderdelen F en G [zie onderdelen
I, J en K
van de wet, red.] betreffen redactionele aanpassing van drie artikelen aan de
Wet van 13
december 2000 tot wijziging van de Ziekenfondswet
en enige andere wetten in
verband met de instelling van een onafhankelijk College van
toezicht op de zorgverzekeringen (instelling College van toezicht op
de zorgverzekeringen).
Nu het niet meer mogelijk
is een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 19 van
de Ziekenfondswet
te treffen, dient de verwijzing naar dat artikel in
artikel 93a, eerste lid, van die wet te
vervallen. Dit wordt in onderdeel H [zie onderdeel
L van de wet, red.] geregeld.
Artikel
II. Wet
medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden
De verwijzing naar
artikel 71, eerste lid, van de Ziekenfondswet
in de artikelen 4, derde lid,
en 13, negende lid, van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging
oudere ziekenfondsverzekerden is verouderd, nu eerstgenoemd artikel is
vervallen en de Algemene Kas waarnaar laatstgenoemde artikelen beogen te
verwijzen in artikel 1q, eerste lid, van de
Ziekenfondswet
is
geregeld. Voorgesteld wordt de verwijzing naar artikel
71, eerste lid, van de Ziekenfondswet
te laten vervallen. De verwijzing naar de Algemene Kas, bedoeld in de Ziekenfondswet, die dan resteert, is
mede gezien artikel 1,
eerste lid, onderdeel k, van die wet voldoende.
rblz.|9|
Artikel
III. Wet van 21
december 2000 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten in verband met de invoering van het gebruik van het
sociaal-fiscaal nummer in die wet alsmede enkele
wijzigingen van de
Ziekenfondswet en enige andere wetten [zie
artikel VIII van de wet, red.]
Met dit artikel wordt
voorkomen dat in artikel 4 van de Ziekenfondswet
het bij de Invoeringswet
Vreemdelingenwet 2000 ingevoegde achttiende lid
opnieuw, maar in
gewijzigde vorm, wordt ingevoegd.
Artikel
IV.
Inwerkingtreding [zie
artikel X van
de wet, red.]
Het ligt in het voornemen
artikel I, onderdeel E [zie artikel I,
onderdeel H van de wet, red.], in werking te laten treden op een datum die
samenvalt met een periode waarover financiële verantwoording plaatsvindt. Omdat de
financiële verantwoording kwartaalsgewijs plaatsvindt, zou de
eerstvolgende datum 1 april 2001 zijn. Het kabinet zal alles in het werk
stellen deze inwerkingtredingsdatum te realiseren.
De wijziging in artikel
I, onderdeel C [zie artikel I, onderdeel D
van de wet, red.], dient terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 te
krijgen. Om deze reden is bepaald dat de verschillende delen van het voorstel
van wet op verschillende tijdstippen in werking kunnen treden.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
|
|