|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2000-2001, 27 770.
Handelingen II 2000-2001, blz. 5799.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 770 (329, 329a).
Handelingen I 2000-2001, zie vergadering d.d. 11 september 2001.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 14 september 2001,
Stb. 2001, 426, tot wijziging van de Abw in verband met het
vrijlaten van de individuele uitkeringen in het kader van de tegoeden
Tweede Wereldoorlog, alsmede wijziging van de Abw, de Ioaw, de
Ioaz en
de Wik in verband met een aantal andere technische
aanpassingen.¹
Inwerkingtreding: 3 oktober 2001, zie artikel V.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de Abw te wijzigen om zo het vrijlaten van de individuele
uitkeringen op grond van de tegoeden Tweede Wereldoorlog te regelen,
alsmede dat het wenselijk is de Abw, de Ioaw, de
Ioaz en de Wik te
wijzigen in verband met een aantal andere technische aanpassingen; ¹
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
1. Volgens de redactie
dient "een aantal andere technische aanpassingen" te worden
vervangen door: een aantal technische aanpassingen.
Art. I.
[MvT]
De Algemene bijstandswet
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 31, eerste lid, komt
te luiden:
-1. Bij een verblijf in een
inrichting is de bijstandsnorm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een
alleenstaande ouder: ƒ509,38;
b. gehuwden: ƒ792,37.
B.
[MvT]
In artikel 39, eerste lid,
wordt "deze niet beschikt" vervangen door: de alleenstaande of het gezin
niet beschikt.
C.
[MvT]
Artikel 43 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. Niet tot de middelen van
de belanghebbende worden gerekend:
a. de middelen die deze
ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand
begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen
ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. de kinderkorting en de
aanvullende kinderkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
d. huursubsidie ontvangen op
grond van de Huursubsidiewet, of een bijzondere bijdrage in de huurlasten ontvangen op grond van artikel
26b
van die
wet;
e. vergoedingen en
tegemoetkomingen voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies
volksverzekeringen op grond
van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten
behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;
f. vrije vergoedingen en
vrije verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk IIa van de Wet
op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen
en verstrekkingen bijstand
wordt verleend;
g. inkomsten uit arbeid van
de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen
werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, tenzij het de verlening van
bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke
kosten van het bestaan van die kinderen;
h. rente ontvangen over op
grond van artikel 52, eerste lid, onderdeel b, c en d, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. een eenmalige premie voor
het voltooien van een scholing of opleiding als bedoeld in
artikel 114, voor zover een bedrag van ƒ2670,00 niet wordt overschreden;
j. premies die al dan niet
eenmalig boven het rechtens geldende loon worden verstrekt voor het aanvaarden of behouden van arbeid, voor zover
deze premies binnen een
tijdvak van één jaar tezamen minder bedragen dan ƒ3970,00;
k. een uitkering in verband
met geleden immateriële schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een oogpunt van
bijstandverlening
verantwoord is;
l. de eenmalige uitkering
toegekend aan oud-mijnwerkers in verband met silicose;
m. inkomsten uit arbeid tot ƒ181,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van
in totaal ƒ332,00 per maand, beide voor zover hij algemene bijstand
ontvangt en behoort tot een categorie van personen voor wie één of
meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden
op grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
107, tweede lid,
of 113, vierde lid;
n. inkomsten uit arbeid tot ƒ181,00 per maand, alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van
in totaal ƒ332,00 per maand, beide voor zover hij algemene bijstand
ontvangt en hij behoort tot een categorie van personen die overeenkomstig
een verordening van het gemeentebestuur om redenen van medische of
sociale aard is aangewezen op het verrichten van arbeid in
deeltijd;
o. de eenmalige uitkering
ingevolge de Uitkeringswet
tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen;
p. subsidies die op grond
van artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden worden
verstrekt voor het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van
onbetaalde maatschappelijk nuttige activiteiten, voor zover deze subsidies:
1º. binnen een tijdvak van één kalendermaand minder bedragen dan ƒ165,00;
en
2º. worden verstrekt aan
een langdurig werkloze als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet inschakeling werkzoekenden, dan wel aan een belanghebbende die
behoort tot een categorie van personen voor wie één of meer van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, niet gelden op grond van de
artikelen 107, eerste en tweede lid, 113, vierde lid, of
114a;
q. eigenwoningbijdrage of
een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
r. individuele uitkeringen
in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse,
Sinti-, Roma- en Indische gemeenschappen.
2. Het vierde lid komt te
luiden:
-4. Onze Minister kan regels
stellen omtrent de gevallen waarin:
a. het tweede lid, onderdeel
j of n, niet van toepassing is;
b. een uitkering als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel k, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend wordt.
D. [MvT]
In artikel 56, tweede lid,
wordt "onderdeel h, i, l, m en o" vervangen door:
onderdeel
i, j, m, n
en p.
E. [MvT]
De artikelen 141, 142 en
143
komen te vervallen.
F. [MvT]
In hoofdstuk XII,
Strafbepalingen, wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 141.
-1. Degene die niet voldoet
aan de verplichting omschreven in artikel 101 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand of een
geldboete van de tweede
categorie.
-2. Het in het eerste lid
omschreven feit is een overtreding.
G. [MvT]
In artikel 144, eerste lid,
wordt "onderdeel h en i" vervangen door:
onderdeel
i en j.
Art.
II. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 45, eerste lid,
onderdeel f, wordt na "de Huursubsidiewet" ingevoegd: en de
Wet
bevordering eigenwoningbezit.
B. [MvT]
In artikel 48, eerste lid,
wordt "artikel 104 van de Vreemdelingenwet
2000" vervangen door:
artikel 107 van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
III. [MvT]
De Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 2, tweede lid,
wordt "artikel 3.16, vierde lid, of artikel 3.99" vervangen door: artikel
3.78.
B. [MvT]
In artikel 45, eerste lid,
onderdeel f, wordt na "de Huursubsidiewet" ingevoegd: en de
Wet
bevordering eigenwoningbezit.
Art.
IV. [MvT]
In artikel 10a, eerste lid,
van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars wordt "de
artikelen 4, 9 en
10" vervangen door: de artikelen 9 en
10.
Art. V.
[MvT]
-1. Deze wet treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel
I, onderdeel A, artikel I, onderdeel C, artikel 43, tweede lid, onderdeel r,
artikel II, onderdeel A en B, en artikel III.
-2. artikel I, onderdeel
A,
treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2001.
-3. artikel I, onderdeel
C, artikel
43, tweede lid, onderdeel r, treedt in werking met ingang van de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 december 2000.
-4. artikel II, onderdeel
A,
en artikel III treden in werking met ingang van de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1
januari 2001.
-5. artikel II, onderdeel
B,
treedt in werking met ingang van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het wordt geplaatst en werkt terug
tot en met 1 april 2001.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
14 september 2001
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de tweede
oktober 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|