|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 770
Wijziging
van de Abw in verband met het
vrijlaten van de individuele uitkeringen in het kader van de tegoeden
Tweede Wereldoorlog, alsmede wijziging van de Abw, de Ioaw, de
Ioaz en
de Wik in
verband met een aantal andere technische aanpassingen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemene
toelichting
In
maart 2000 heeft de regering gelden ter beschikking gesteld als
erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in de bejegening van de
betrokken
oorlogsslachtoffers in het rechtsherstel en als erkenning van morele aanspraken
(Kamerstukken II 1999-2000, 25 839, nr. 13). De regering heeft besloten deze
middelen bij de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) en
andere op het inkomen van rechthebbende afgestemde publiekrechtelijke
uitkeringen of verstrekkingen buiten beschouwing te laten. De eerste
uitkeringen zijn inmiddels betaalbaar gesteld. De wijziging van de Abw
voorziet in de daartoe noodzakelijke aanpassing van artikel
43, tweede lid.
De Tweede Kamer en de Eerste Kamer zijn bij brief van 30 januari 2001 (SZW
0.000.069, BZ/IW/01/3691B en BZ/IW/01/3691C) hiervan in kennis
gesteld. Deze brieven zijn in de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in zowel de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer voor
kennisgeving aangenomen.
Van de gelegenheid is
tevens gebruik gemaakt om een aantal andere wetstechnische en
redactionele wijzigingen in de Abw, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz) en de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik) aan te brengen. Het gaat hierbij onder andere over het
verhogen van de bedragen, genoemd in artikel 31
van de Abw, het
corrigeren van een aantal verwijzingen in de Abw, het laten vervallen van de
artikelen 141, 142 en 143 van de
Abw en invoegen van een nieuw artikel 141
Abw en het laten vervallen van de abusievelijk
in artikel 10a, eerste
lid, van de Wik opgenomen verwijzing naar artikel 4
van de Wik. De
voorgestelde wijzigingen zullen gelet op de aard en de strekking ervan niet
allemaal op hetzelfde tijdstip in werking treden.
rblz.|2|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
De bedragen voor het zak-
en kleedgeld in artikel 31 van de Abw
worden verhoogd overeenkomstig
de daartoe strekkende toezegging aan de Tweede Kamer van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens de
begrotingsbehandeling 2001 (Handelingen II 2000-2001, blz. 33-2794). De
verhogingen vloeien voort uit een aanpassing van het zak- en kleedgeld aan de door het
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehanteerde
bedragen voor de eigen bijdrage van personen die in een AWBZ-inrichting
verblijven. De gewijzigde bedragen zijn vastgesteld op het niveau van 1
januari 2001. Bij de aanpassing van het nettominimumloon per 1 juli 2001 worden
deze bedragen bij ministeriële regeling opnieuw vastgesteld.
Artikel I, onderdeel B
In de redactie van
artikel 39, eerste lid, Abw, doet het woord
"deze" vermoeden dat wordt
terugverwezen alleen naar de alleenstaande. Beleidsmatig is altijd
uitgedragen dat het zowel op de alleenstaande als het gezin betrekking
heeft. Deze wijziging strekt ertoe dit ondubbelzinnig in de wettekst tot
uitdrukking te brengen.
Artikel I, onderdeel C
De tekst van
artikel 43,
tweede lid, Abw, is met ingang van 1 januari 2001
aangepast. Artikel 43,
tweede lid, wordt in zijn geheel opnieuw vastgesteld om zo volledige
duidelijkheid te scheppen over de verlettering in het tweede lid. Enerzijds
gaat het om aanpassingen op grond van de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001
(Stb. 2000, 571), waarbij
een bepaling is ingevoegd
over het niet tot de middelen rekenen van heffingskortingen. Met
deze invoeging is de lettering van onderdelen van het tweede lid van artikel 43 van de
Abw tevens gewijzigd. Anderzijds is via een bepaling in de
Wet
bevordering eigenwoningbezit (Wbe) aan artikel
43, tweede lid, Abw een onderdeel
toegevoegd waarin is bepaald
dat de
eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de
Wbe niet
tot de middelen van de belanghebbende wordt gerekend. Hierdoor is
naast het al bestaande onderdeel o abusievelijk nog een onderdeel
o
toegevoegd.
In maart 2000 heeft de
regering gelden ter beschikking gesteld als erkenning van achteraf
geconstateerde tekortkomingen in de bejegening van de betrokken
oorlogsslachtoffers in het rechtsherstel en als erkenning van morele aanspraken
(Kamerstukken II 1999-2000, 25 839, nr. 13). Besloten is dat deze
uitkeringen
niet alleen bij de huursubsidie en de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 buiten beschouwing blijven, maar ook bij de
middelentoets van de Abw niet in aanmerking worden
genomen. Dit laatste
wordt bewerkstelligd door de toevoeging van het nieuwe onderdeel r.
Artikel I, onderdelen D
en G
De onderhavige
wijzigingen strekken ertoe de verwijzing in artikel
56, tweede lid, Abw, en
artikel 144, eerste lid, Abw, naar bepaalde onderdelen
van artikel 43, tweede
lid, Abw in overeenstemming te brengen met het
gewijzigde tweede lid van
artikel 43 van de Abw.
rblz.|3|
Artikel I, onderdeel E
[en F,
red.]
In het Besluit van 31 mei
2000 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enige artikelen en
onderdelen van artikelen van de Wet van 20 januari 2000 tot
wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en andere wetten met het oog
op de opneming in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige
strafbepalingen inzake het verstrekken van onware gegevens en het nalaten te voldoen
aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te verstrekken (concentratie strafbaarstelling frauduleuze
gedragingen, Stb. 2000, 40) is
abusievelijk artikel XXVIII van die wet betreffende wijziging van de Abw
niet
in werking getreden. Hierdoor zijn de artikelen
141, 142 en 143 van
laatstgenoemde wet, zoals de bedoeling was, niet per 1 juli 2000 komen te
vervallen. Bij de Wet van 9 april 1998, houdende wijziging van de Abw en
enige andere wetten met betrekking tot terugvordering en verhaal (terugvordering en verhaal in verband met herziening van het
debiteurenbeleid) (Stb. 1998, 278), is evenwel op het tijdstip van inwerkingtreding van de
Wet van 20 januari 2000, te weten 1 juli 2000, een nieuw artikel 141 in de
Abw ingevoegd. Overeenkomstig de inhoud en de
strekking van
vorenbedoelde wetten wordt bij het onderhavige wetsvoorstel alsnog voorzien in het
laten vervallen van de artikelen 141, 142 en
143 van de Abw en het opnemen
van een nieuw artikel 141 Abw. Dit
betekent dat hoofdstuk XII
betreffende strafbepalingen van de Abw twee bepalingen zal omvatten: het
nieuwe
artikel 141 en het reeds bestaande artikel
142a.
Artikel II, onderdeel A
en artikel III, onderdeel B
De verwijzing naar de
Wbe is per 1 januari 2001 wel aan artikel 122, eerste
lid, van de Abw toegevoegd, maar abusievelijk niet aan de
Ioaw en de Ioaz. Deze omissie wordt
thans hersteld.
Artikel II, onderdeel B
In
artikel 48, eerste
lid, Abw wordt abusievelijk verwezen naar artikel 104
van de Vreemdelingenwet
2000. Dit moet artikel 107 van de Vreemdelingenwet
2000 zijn.
Artikel III, onderdeel A
De verwijzingen in de
Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 die zijn opgenomen in de Ioaz
zoals die luidt per 1 januari 2001 zijn niet correct. In plaats van een
verwijzing naar de artikelen 3.16, vierde lid, of artikel 3.99 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 dient verwezen te worden naar artikel 3.78 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001. Deze verwijzing komt overeen met de verwijzing
naar de meewerkende partner zoals bedoeld wordt in de Ioaz.
Artikel IV
In het kader van de
wetswijziging van de Wik waarmee het mogelijk werd
om aan kunstenaars die in
het bezit zijn van een eigen woning ook een Wik-uitkering toe te
kennen (krediethypotheek Wik,
[inwerkingtreding, red.] 11 oktober 2000, Stb.
2000, 409), is er een aantal
noodzakelijke aanpassingen in de systematiek van de inkomens- en vermogensvaststelling in de
Wik aangebracht. In artikel 10a, eerste lid, van de
Wik is
toen abusievelijk een verwijzing opgenomen naar artikel 4 van de
Wik.
Met het laten vervallen
van de verwijzing naar artikel 4 in het eerste lid
van artikel 10a van de Wik
wordt de tekst van de wet weer in overeenstemming gebracht met de wettekst
zoals deze gold vóór de wetswijziging van [met ingang van, red.]
11 oktober 2000. Voor
de beoordeling van de vraag of een kunstenaar rblz.|4|
recht heeft op een Wik-uitkering
wordt daarmee wederom overeenkomstig de uitgangspunten van de Wik aansluiting gezocht bij het
"bijstandsportaal". Een kunstenaar heeft
recht op een Wik-uitkering als het eigen inkomen, eventueel verminderd met de werkelijke beroepskosten, minder
is dan het voor deze
kunstenaar van toepassing zijnde sociaal
minimum.
Artikel V
Deze wet treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van een aantal artikelen.
De wijziging van de
bedragen in artikel 31 van de Abw
treden in werking per 1 juli 2001. Hiermee
wordt aangesloten bij de indexeringssystematiek waarbij twee keer per
jaar, namelijk per 1 januari en per 1 juli, de bedragen worden
geïndexeerd.
Aangezien er al vanaf 1
december 2000 uitkeringen in het kader van de tegoeden Tweede
Wereldoorlog worden uitbetaald, zal de wijziging van artikel
43, tweede lid,
onderdeel r, Abw, die het voor gemeenten
mogelijk maakt een uitkering in
het kader van de tegoeden Tweede Wereldoorlog niet tot de middelen van de belanghebbende te rekenen, met terugwerkende
kracht tot 1 december
2000 inwerking treden. De verwijzing naar de Wbe in de Ioaw
en de Ioaz en de aanpassing van de verwijzing naar de
Wet
inkomstenbelasting 2001 in artikel 2, tweede lid, van de Ioaz werken
terug tot 1 januari 2001,
zijnde de datum van inwerkingtreding van de Wbe. De verwijzing naar
artikel 107 van de Vreemdelingenwet
2000 treedt om dezelfde reden met
terugwerkende kracht in werking op 1 april 2001, zijnde de datum van inwerkingtreding van de
Vreemdelingenwet
2000.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|
|