|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 2000-2001, 27 207.
Handelingen II 2000-2001, blz. 4034-4069, 4107-4132, 4135-4157,
4166-4177, 4523-4535, 4609-4614, 4682-4683.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 207 (272, 272a); 2001-2002, 27 207
(8, 8a, 8b).
Handelingen I 2001-2002, zie vergadering d.d. 13 november 2001.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 16 november 2001, Stb. 2001, 567, tot vaststelling van regels voor het
tot stand brengen van een nieuw evenwicht tussen arbeid
en zorg in de ruimste zin (Wet arbeid en zorg). Inwerkingtreding:
1 december 2001 (Stb. 2001, 569).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen, waarin
een nieuw evenwicht tot stand wordt gebracht tussen arbeid en zorg in
de ruimste zin;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan
bij deze:
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Art.
1:1. Begrippen werkgever en werknemer
Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze wet verstaan
onder:
a. werkgever: degene die een ander krachtens arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat
verrichten;
b. werknemer: de ander, bedoeld in onderdeel a.
Art.
1:2. Het begrip loon
-1. Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van
deze wet verstaan onder loon: de naar tijdruimte vastgestelde vergoeding
die de werkgever aan de werknemer verschuldigd is voor de bedongen
arbeid.
-2. Voor de toepassing van deze wet wordt, indien het loon op
andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, als loon beschouwd het
gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij geen gebruik had gemaakt
van een door deze wet gegeven recht op verlof, gedurende die tijd had
kunnen verdienen.
Art.
1:3. Overige begrippen
-1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
a. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen: het fonds, bedoeld in
artikel
78 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
b. Algemeen Werkloosheidsfonds: het fonds, bedoeld in artikel
103 van de Werkloosheidswet;
c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk
instituut sociale verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk
4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997;
d. militaire ambtenaar: de militaire ambtenaar, bedoeld in artikel
1, eerste en tweede lid, van de Militaire
Ambtenarenwet 1931;
e. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
-2. Voor de toepassing van deze wet is sprake van ongehuwd
samenwonen als twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding
voeren. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de eerste volzin
is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op
andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
Art.
1:4. Gelijkstelling met een collectieve
arbeidsovereenkomst
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt met een collectieve arbeidsovereenkomst gelijkgesteld een regeling
door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
HOOFDSTUK 2
Aanpassing arbeidsduur
Gereserveerd.
HOOFDSTUK 3
Zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg
AFDELING 1
Het recht op verlof in verband met zwangerschap,
bevalling, adoptie en pleegzorg
§
1. Verlofvorm
Art.
3:1. Zwangerschaps- en bevallingsverlof
-1. De vrouwelijke werknemer heeft in verband met haar
bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof.
-2. Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken
vóór
de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals aangegeven in een
aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of
verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het
zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken vóór de dag na de
vermoedelijke datum van bevalling.
-3. Het bevallingsverlof gaat in op de dag
na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken of zoveel meer als
het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof minder dan zes weken heeft
bedragen.
-4. Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de
vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de
periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog
niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof
heeft genoten.
Art.
3:2. Adoptieverlof
-1. De werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind
recht op verlof zonder behoud van loon.
-2. Het recht op verlof in verband met adoptie bestaat gedurende
een tijdvak van achttien weken en bedraagt ten hoogste vier
aaneengesloten weken. Het recht bestaat vanaf twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de
werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een
kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
-3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee
of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het
recht op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen.
-4. Het eerste, tweede en derde lid en de artikelen
3:3, tweede
lid, 3:4 en 3:5 zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer die
een pleegkind opneemt als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d.
§
2. Melding
Art.
3:3. Meldingsverplichting
-1. De vrouwelijke werknemer meldt aan de werkgever:
a. de dag met ingang waarvan zij het zwangerschapsverlof opneemt
uiterlijk drie weken vóór die dag;
b. haar bevalling uiterlijk op de tweede dag volgend op die van de
bevalling.
-2. De werknemer meldt aan de werkgever het opnemen van het verlof
in verband met adoptie zo mogelijk uiterlijk drie weken vóór de dag van
ingang van het verlof onder opgave van de omvang van het verlof. Bij de
melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind ter
adoptie is of zal worden opgenomen.
§
3. Nadere voorschriften
Art.
3:4. Compensatie met vakantieaanspraken
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet
verricht wegens het verlof, bedoeld in de artikelen 3:1en
3:2, kunnen
niet worden aangemerkt als vakantie.
§
4. Mate van gebondenheid
Art.
3:5.
-1. Behoudens het tweede lid kan van deze afdeling niet ten nadele
van de werknemer worden afgeweken.
-2. In geval van buitengewone omstandigheden als bedoeld in de
Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden kan Onze Minister van Defensie voor de
militaire ambtenaar afwijken of doen afwijken van de artikelen 3:1 en
3:2.
AFDELING 2
Uitkering in verband met zwangerschap, bevalling,
adoptie en pleegzorg
§
1. De werknemer en de gelijkgestelde
Art.
3:6. Begrippen werknemer, gelijkgestelde en
werkgever
-1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel
b, met
uitzondering van degene die op grond van de eerste afdeling, paragraaf 2, van de
Ziektewet geen werknemer in de
zin van die wet
is;
b. gelijkgestelde: degene die geen werknemer is als bedoeld in
artikel 1:1, onderdeel b, doch op grond van de
eerste afdeling, paragraaf 2, van de
Ziektewet, met uitzondering van artikel 8a, wel werknemer in de zin van die wet
is;
c. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel
a, of de
artikelen 10, 11
of 12
van de Ziektewet.
-2. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt mede verstaan
onder:
a. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel
1:1, onderdeel
b, die
vrijwillig verzekerd is als bedoeld in de tweede afdeling, hoofdstuk IV, van de
Ziektewet;
b. gelijkgestelde: degene die geen werknemer is als bedoeld in onderdeel
a doch wel vrijwillig verzekerd is als bedoeld in de tweede afdeling, hoofdstuk IV, van de
Ziektewet.
Art.
3:7. Recht op uitkering voor de werknemer
-1. De vrouwelijke werknemer heeft gedurende de periode dat
het zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, recht op uitkering.
-2. De werknemer heeft gedurende de periode dat het verlof in
verband met adoptie of de opname van een pleegkind wordt genoten
overeenkomstig artikel 3:2, tweede lid of vierde lid, recht op
uitkering.
Art.
3:8. Recht op uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling voor de vrouwelijke gelijkgestelde
-1. De vrouwelijke gelijkgestelde heeft in verband met haar
zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste
zestien weken.
-2. Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan
zes weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals
aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of
verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke
gelijkgestelde dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met
zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken vóór
de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
-3. Het recht op uitkering in verband met
bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien
aaneengesloten weken of zoveel meer als het aantal dagen dat de
uitkering in verband met zwangerschap minder dan zes weken heeft
bedragen.
-4. Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de
vrouwelijke gelijkgestelde ziekengeld heeft genoten in de periode dat
zij recht heeft op uitkering in verband met zwangerschap maar die
uitkering nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij
uitkering in verband met zwangerschap heeft genoten.
Art.
3:9. Recht op uitkering in verband met adoptie
of pleegzorg voor de gelijkgestelde
-1. De gelijkgestelde heeft in verband met de adoptie van een
kind recht op uitkering.
-2. Het recht op uitkering in verband met adoptie bedraagt ten
hoogste vier aaneengesloten weken gedurende een tijdvak van achttien
weken. Het tijdvak van achttien weken gaat in twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de
werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een
kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
-3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee
of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het
recht op uitkering slechts ten aanzien van één van die kinderen.
-4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de werknemer die een pleegkind opneemt als bedoeld in
artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d.
Art.
3:10. Recht op uitkering bij nawerking
-1. Een recht op uitkering als bedoeld in de
artikelen 3:7,
eerste lid, en 3:8, eerste lid, komt mede toe aan de vrouw wier
bevalling waarschijnlijk is onderscheidenlijk plaatsvindt, binnen een
periode van tien weken na het tijdstip dat zij niet langer werknemer of
gelijkgestelde is als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid.
-2. Een recht op uitkering als bedoeld in de
artikelen 3:7, tweede
lid, en 3:9, eerste lid, komt mede toe aan de persoon die, op de eerste
dag dat een kind feitelijk ter adoptie is opgenomen, korter dan tien
weken geen werknemer of gelijkgestelde meer is als bedoeld in artikel
3:6, eerste lid.
Art.
3:11. De aanvraag van uitkering via de werkgever
-1. De vrouwelijke werknemer of
gelijkgestelde die in
aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband
met zwangerschap en bevalling, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst
van de werkgever bij het Landelijk instituut
sociale verzekeringen uiterlijk twee weken vóór de datum van ingang van het
zwangerschapsverlof onderscheidenlijk de datum waarop zij het recht op
uitkering wil laten ingaan. Bij die aanvraag wordt gemeld:
a. de vermoedelijke datum van bevalling, onder overlegging van de
verklaring van een arts of van een verloskundige waarin die datum is
aangegeven;
b. de datum waarop het zwangerschapsverlof ingaat dan wel de datum
waarop de gelijkgestelde het recht op uitkering wil laten ingaan.
-2. De werknemer of gelijkgestelde die in aanmerking wenst te
komen voor toekenning van een uitkering in verband met adoptie of
pleegzorg, doet de aanvraag daartoe door tussenkomst van de werkgever
bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen uiterlijk twee
weken vóór de datum van ingang van het verlof in verband met adoptie of
pleegzorg onderscheidenlijk de datum waarop hij het recht op uitkering
wil laten ingaan. Bij de aanvraag worden documenten gevoegd waaruit
blijkt dat een kind ter adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen
en wanneer die opneming ter adoptie of pleegzorg heeft plaatsgevonden of
zal plaatsvinden. Bij die aanvraag wordt de datum waarop het verlof in
verband met adoptie of pleegzorg ingaat gemeld dan wel de datum waarop
hij het recht op uitkering wil laten ingaan.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan in
bijzondere gevallen ten gunste van de werknemer of gelijkgestelde
afwijken van het eerste en tweede lid.
Art.
3:12. De rechtstreekse aanvraag van uitkering
-1. Indien de vrouwelijke
gelijkgestelde die in aanmerking
wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling geen werkgever heeft, doet zij de aanvraag
daartoe bij het Landelijk instituut sociale
verzekeringen uiterlijk
twee weken vóór de datum waarop zij het recht op uitkering wil laten
ingaan. Artikel 3:11, eerste lid, tweede volzin, is van toepassing.
-2. Indien de gelijkgestelde die in aanmerking wenst te komen
voor toekenning van uitkering in verband met adoptie of pleegzorg geen
werkgever heeft, doet hij de aanvraag daartoe bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen uiterlijk twee weken vóór
ingang van de datum waarop hij het recht op uitkering wil laten ingaan. Artikel
3:11, tweede lid, tweede en derde volzin, is van toepassing.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan in
bijzondere gevallen ten gunste van de gelijkgestelde afwijken van het
eerste en tweede lid.
-4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gelijkgestelde
mede verstaan degene die recht op uitkering heeft op grond van artikel
3:10.
Art.
3:13. De hoogte van de uitkering
-1. De uitkering, bedoeld in deze paragraaf, bedraagt per dag
het dagloon.
-2. Het dagloon wordt voor de werknemer en de gelijkgestelde,
bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, vastgesteld overeenkomstig
artikel
15 van de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
is van overeenkomstige toepassing.
-3. Het dagloon wordt voor de werknemer en de gelijkgestelde,
bedoeld in artikel 3:6, tweede lid, vastgesteld overeenkomstig
artikel
68 van de Ziektewet en de regels op grond van
artikel 71, onderdeel d, van die wet.
-4. Voor de toepassing van het tweede lid
blijft de betrokkene, bedoeld in artikel 3:10,
eerste en het tweede lid, werknemer onderscheidenlijk gelijkgestelde.
Art.
3:14. De uitbetaling van de uitkering
-1. Een uitkering als bedoeld in deze paragraaf wordt zo
spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen één maand nadat het Landelijk
instituut sociale verzekeringen het recht op uitkering
heeft vastgesteld, uitbetaald. De betaling geschiedt als regel in
tijdvakken van één maand.
-2. De uitkering wordt betaald over iedere dag, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen.
-3. De artikelen 40,
41, 42, 47a,
48
en 85
van de Ziektewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
3:15. Financiering
De op grond van deze paragraaf te betalen uitkeringen en de
uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen komen ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds met uitzondering van hetgeen op grond
van artikel 97f, onderdeel o, van de Werkloosheidswet ten laste komt van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel
104 van die wet.
Art.
3:16. Van overeenkomstige toepassing zijnde
artikelen
-1. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze
paragraaf zijn de volgende artikelen van de Ziektewet
en de op die artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige
toepassing:
a. ter zake van het recht op uitkering: de artikelen 19a
en
19b;
b. ter zake van herziening of intrekking: artikel 30a;
c. ter zake van overlijden: de artikelen
1, tweede tot en met zevende lid, 35 en 36;
d. ter zake van oproeping en ondervraging: artikel
37;
e. ter zake van vrijstelling in verband met gemoedsbezwaren: artikel
43;
f. ter zake van maatregelen: artikel
45, eerste lid, onderdeel e, h, i en j, en tweede tot en met zesde lid;
g. ter zake van de inlichtingenverplichting: artikel
49;
h. ter zake van de uitvoering: de artikelen
51, 53
tot en met 56 en 59;
i. ter zake van de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet zijn
beslist: artikel 74;
j. ter zake van het beroep in cassatie: artikel 75c;
k. ter zake van strafbepalingen: artikel
81;
l. ter zake van de toepasselijkheid van de Algemene
termijnenwet: artikel 89.
-2. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze paragraaf
zijn de volgende artikelen van hoofdstuk 7 en de op die artikelen
berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:
a. ter zake van terugvordering: artikel 7:13;
b. ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot ontvangst:
artikel 7:14, eerste tot en met derde lid;
c. ter zake van boeten: de artikelen 7:16 tot en met
7:22.
-3. De strafbepaling van artikel
107 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is van
overeenkomstige toepassing.
-4. In afwijking van het eerste lid zijn op de werknemer en de
gelijkgestelde, bedoeld in artikel
3:6, tweede lid, de artikelen
43 en 56
van de Ziektewet niet van overeenkomstige toepassing en zijn van
artikel
55 van de Ziektewet alleen de eerste volzin van het eerste lid en
het zevende lid van overeenkomstige toepassing. Op de werknemer en de
gelijkgestelde, bedoeld in de eerste volzin, is artikel
67 van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing.
-5. Artikel 35, derde lid, van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing
ongeacht of het recht op uitkering met ingang van de dag na het
overlijden binnen één maand zou zijn geëindigd.
§
2. De zelfstandige en de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
Art.
3:17. Begrippen zelfstandige en
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. zelfstandige: degene die met inachtneming van de bij of krachtens de
artikelen 3, derde tot en met vijfde lid, en 3a
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen gestelde
regels verzekerd is op grond van artikel 3, eerste lid, of tweede lid, onderdeel a, van die wet en geen
werknemer is als bedoeld in artikel
1:1, onderdeel b;
b. beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst: de werknemer, bedoeld in
artikel 1:1, onderdeel b, die met inachtneming van de bij of krachtens
de artikelen 3, derde tot en met vijfde lid, en
3a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen gestelde
regels verzekerd is op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van die wet.
Art.
3:18. Recht op uitkering voor de
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
-1. De vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst
heeft gedurende de periode dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof
wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, recht op
uitkering.
-2. De beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst heeft gedurende de
periode dat het verlof in verband met adoptie of pleegzorg wordt genoten
overeenkomstig artikel 3:2, tweede lid of vierde lid, recht op
uitkering.
Art.
3:19. Recht op uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling voor de zelfstandige
-1. De vrouwelijke zelfstandige heeft in verband met haar
zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste
zestien weken.
-2. Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan
zes weken vóór de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, zoals
aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of
verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de vrouwelijke
zelfstandige dat wenst, vangt het recht op uitkering in verband met
zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken vóór
de dag na de vermoedelijke datum van bevalling.
-3. Het recht op uitkering in verband met
bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien
aaneengesloten weken of zoveel meer als het aantal dagen dat de
uitkering in verband met zwangerschap minder dan zes weken heeft
bedragen.
Art.
3:20. Recht op uitkering in verband met adoptie
of pleegzorg voor de zelfstandige
-1. De zelfstandige heeft in verband met de adoptie van een
kind recht op uitkering.
-2. Het recht op uitkering in verband met adoptie bedraagt ten
hoogste vier aaneengesloten weken gedurende een tijdvak van achttien
weken. Het tijdvak van achttien weken gaat in twee weken vóór de
eerste dag dat de feitelijke opneming ter adoptie een aanvang heeft
genomen of zal nemen, zoals die dag is aangeduid in een door de
werknemer aan de werkgever overgelegd document waaruit blijkt dat een
kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
-3. Indien als gevolg van een adoptieverzoek tegelijkertijd twee
of meer kinderen feitelijk ter adoptie worden opgenomen, bestaat het
recht op uitkering slechts ten aanzien van één van die kinderen.
-4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op de zelfstandige die een pleegkind opneemt als bedoeld in
artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d.
Art.
3:21. Uitkering ter zake van vervanging
-1. De beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de
zelfstandige kan een recht op uitkering op grond van de artikelen 3:18
tot en met 3:20, tezamen met het recht op vakantie-uitkering daarover,
genieten in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
-2. Toekenning van een uitkering ter zake van vervanging, bedoeld
in het eerste lid, is uitsluitend mogelijk:
a. indien ter vervanging van de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst een persoon werkzaam is gedurende de periode dat het
recht op uitkering bestaat; en
b. de persoon die als vervanger werkzaam is, ter beschikking wordt
gesteld door een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling die zich
krachtens haar statuten ten doel stelt arbeidskrachten ter beschikking
te stellen.
Art.
3:22. Aanvraag van uitkering
-1. De vrouwelijke beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of
de vrouwelijke zelfstandige die in aanmerking wenst te komen voor
toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling,
doet de aanvraag daartoe bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen uiterlijk twee weken vóór de datum van ingang
van het zwangerschapsverlof onderscheidenlijk de datum waarop zij het
recht op uitkering wil laten ingaan. Bij die aanvraag wordt gemeld:
a. de vermoedelijke datum van bevalling, onder overlegging van de
verklaring van een arts of van een verloskundige waarin die datum is
aangegeven;
b. de datum waarop het zwangerschapsverlof ingaat dan wel de datum
waarop zij het recht op uitkering wil laten ingaan;
c. of zij de uitkering wil genieten in de vorm van een uitkering ter
zake van vervanging.
-2. De beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de
zelfstandige die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een
uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, doet de aanvraag daartoe
bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen uiterlijk twee
weken vóór de datum van ingang van het verlof in verband met adoptie of
pleegzorg onderscheidenlijk de dag waarop hij het recht op uitkering wil
laten ingaan. Bij de aanvraag wordt gemeld:
a. de datum waarop het verlof in verband met adoptie of pleegzorg ingaat
dan wel de datum waarop hij het recht op uitkering wil laten ingaan;
b. of hij de uitkering wil genieten in de vorm van een uitkering ter
zake van vervanging.
Bij de aanvraag worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind
ter adoptie of pleegzorg is of zal worden opgenomen en wanneer die
opneming ter adoptie of pleegzorg heeft plaatsgevonden of zal
plaatsvinden.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan in
bijzondere gevallen ten gunste van de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst of de zelfstandige afwijken van het eerste en tweede
lid.
Art.
3:23. De hoogte van de uitkering
-1. De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling en
de uitkering in verband met adoptie of pleegzorg worden overeenkomstig artikel
8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
berekend naar de grondslag, met dien verstande dat:
a. voor de zelfstandige en de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst
die verzekerde zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, in plaats van de perioden, bedoeld in artikel
8, derde lid, van die wet, in aanmerking wordt genomen het
kalenderjaar of de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan de
ingangsdatum van het recht op uitkering;
b. voor de zelfstandigen die verzekerde zijn als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, in plaats van de
perioden, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van die wet, in aanmerking wordt genomen het boekjaar
of de vijf boekjaren onmiddellijk voorafgaande aan de ingangsdatum van
het recht op uitkering.
-2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per dag 100%
van de grondslag.
Art.
3:24. De hoogte van de uitkering ter zake van
vervanging
De uitkering ter zake van vervanging bedraagt de grondslag, bedoeld
in artikel 3:23, eerste lid, vermeerderd met het bedrag aan premies dat
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
bij uitbetaling als
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling of adoptie daarover
verschuldigd zou zijn.
Art.
3:25. De uitbetaling van de uitkering
-1. Een uitkering als bedoeld in deze paragraaf wordt zo
spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen één maand nadat het Landelijk
instituut sociale verzekeringen het recht op uitkering
heeft vastgesteld, uitbetaald. De betaling geschiedt als regel in
tijdvakken van één maand.
-2. De uitkering wordt betaald over iedere dag, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen.
-3. De uitkering ter zake van vervanging wordt uitbetaald aan de
instelling, bedoeld in artikel 3:21, tweede lid, onderdeel b.
-4. De artikelen
55, tweede tot en met
vijfde lid, 55a, 57,
62
en 66
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art.
3:26. Financiering
De op grond van deze paragraaf te betalen uitkeringen en de
uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen komen ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.
Art.
3:27. Van overeenkomstige toepassing zijnde
artikelen
-1. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze
paragraaf zijn de volgende artikelen van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de op die
artikelen berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:
a. ter zake van het recht op uitkering: de artikelen 7a,
7b, 19,
vierde en vijfde lid, 19a, 21a
en 21b;
b. ter zake van herziening of intrekking: artikel
18;
c. ter zake van de vakantie-uitkering: de artikelen
25 tot en met 27, 40
en 60;
d. ter zake van oproeping en ondervraging: de artikelen
41, eerste lid, en 42;
e. ter zake van maatregelen: de artikelen
45, 46,
onderdeel d, en 47;
f. ter zake van de inlichtingenverplichting: artikel
70;
g. ter zake van de uitvoering: de artikelen
81 tot en met 83;
h. ter zake van de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moet zijn
beslist: artikel 96, eerste lid;
i. ter zake van het beroep in cassatie: artikel
98;
j. ter zake van strafbepalingen: artikel
100.
-2. Met betrekking tot een uitkering op grond van deze paragraaf
zijn de volgende artikelen van hoofdstuk 7 en de op die artikelen
berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing:
a. ter zake van terugvordering: artikel 7:13, met dien verstande dat bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat, in afwijking van
het eerste lid van dat artikel, onder bij dat besluit te bepalen
omstandigheden, een uitkering ter zake van vervanging niet wordt
teruggevorderd;
b. ter zake van vervreemding, verpanding en volmacht tot ontvangst:
artikel 7:14, eerste tot en met derde lid;
c. ter zake van boeten: de artikelen 7:16 tot en met
7:22.
-3. De strafbepaling van artikel
107 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 is van
overeenkomstige toepassing.
-4. Artikel
56 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is van
overeenkomstige toepassing op een uitkering op grond van deze paragraaf
met uitzondering van de uitkering ter zake van vervanging.
-5. Ter zake van overlijden zijn de artikelen
1, tweede tot en met zevende lid, 61
en 67,
onderdeel b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. het derde
lid van artikel 61 wordt toegepast ongeacht of het recht op
uitkering met ingang van de dag na het overlijden binnen één maand zou
zijn geëindigd;
b. indien een uitkering is toegekend in de vorm van een uitkering ter
zake van vervanging, de overlijdensuitkering wordt betaald
overeenkomstig het eerste
lid van artikel 61, als was de uitkering toegekend als uitkering in
verband met zwangerschap en bevalling of adoptie. Het zevende
lid van artikel 61 blijft daarbij buiten toepassing.
-6. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen handelt
overeenkomstig artikel
45 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen indien
de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst of de zelfstandige zich niet
houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 3:22, eerste of tweede
lid.
-7. Op de instelling, bedoeld in artikel
3:21, tweede lid,
onderdeel b, is artikel 70, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen van overeenkomstige toepassing.
§
3. Slotbepalingen
Art.
3:28. Controlevoorschriften
Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan
controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder
gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze
afdeling.
Art.
3:29. Samenloop
-1. Indien een persoon over dezelfde periode op grond van
dezelfde paragraaf zowel recht heeft op een uitkering in verband met
zwangerschap en bevalling als op een uitkering in verband met adoptie of
pleegzorg, wordt haar de uitkering in verband met adoptie of pleegzorg
of ter zake van vervanging in verband met adoptie of pleegzorg niet
uitbetaald.
Indien een persoon over dezelfde periode op grond van dezelfde paragraaf
zowel recht heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een
uitkering in verband met pleegzorg, wordt hem de uitkering in verband met
pleegzorg of ter zake van vervanging in verband met pleegzorg niet
uitbetaald.
-2. Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 1 als op een uitkering op
grond van paragraaf 2 van deze afdeling, wordt hem de uitkering op
grond van paragraaf 2 uitbetaald voor zover deze de uitkering op
grond van paragraaf 1 van deze afdeling overtreft. Indien de
uitkering op grond van paragraaf 1 geheel of gedeeltelijk wordt
geweigerd op grond van enig handelen of nalaten dat de betrokkene kan
worden verweten, wordt voor de toepassing van dit lid die uitkering in
aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden. De
eerste zin is niet van toepassing op de werknemer en de gelijkgestelde,
bedoeld in artikel 3:6, tweede lid.
-3. Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 1 van deze
afdeling als op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt eerstgenoemde
uitkering uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan het hoogste van
de daglonen die aan die uitkeringen ten grondslag liggen.
-4. Indien een persoon over dezelfde periode zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 2 van deze
afdeling als op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt:
a. indien de grondslag van de eerstgenoemde uitkering lager is dan de
grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of daaraan gelijk is,
de eerstgenoemde uitkering uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. indien de grondslag van de eerstgenoemde uitkering hoger is dan de
grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de eerstgenoemde
uitkering uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van
de eerstgenoemde uitkering;
c. indien het recht op eerstgenoemde uitkering ontstaat in het tijdvak
van 52 weken, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, in afwijking van de onderdelen a en b, de
eerstgenoemde uitkering uitbetaald voor zover deze de
arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.
-5. Voor de toepassing van het tweede tot en met het vierde lid
wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, uitkering op grond
van paragraaf 1 van deze afdeling en uitkering op grond van
paragraaf 2 van deze afdeling tevens verstaan de vakantie-uitkering
waarop uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en die
uitkeringen recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over
dezelfde periode is berekend.
-6. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of
gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten dat
de betrokkene kan worden verweten, wordt voor de toepassing van het
derde en vierde lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking
genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden.
Art.
3:30. Uitvoering
Indien een persoon met ingang van dezelfde dag zowel recht heeft op
een uitkering op grond van paragraaf 1 als op een
uitkering op grond van paragraaf 2 van deze afdeling,
worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997,
ten aanzien van deze verzekerde verricht door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden verricht met betrekking tot de uitkering op grond
van paragraaf 1.
HOOFDSTUK 4
Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
§
1. Verlofvormen
Art.
4:1. Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
-1. De werknemer heeft recht op verlof met behoud van loon
voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd wanneer hij zijn
arbeid niet kan verrichten wegens:
a. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden;
b. een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde
verplichting, waarvan de vervulling niet in zijn vrije tijd kon
plaatsvinden;
c. de uitoefening van het actief kiesrecht.
-2. Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden worden in
ieder geval begrepen:
a. de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of de
persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
b. het overlijden en de lijkbezorging van één van zijn huisgenoten of
één van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede
graad van de zijlijn.
Art.
4:2. Kraamverlof
Na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de
persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind
erkent, heeft de werknemer gedurende een tijdvak van vier weken recht op
verlof met behoud van loon voor twee dagen waarop hij arbeid pleegt te
verrichten. Het recht bestaat vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk
op hetzelfde adres als de werknemer woont.
§
2. Melding en informatie
Art.
4:3. Meldingsverplichting
-1. De werknemer meldt vooraf aan de werkgever dat hij het
verlof, bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, opneemt onder opgave van de
reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van
het verlof zo spoedig mogelijk aan de werkgever onder opgave van de
reden.
-2. Het verlof van de militaire ambtenaar vangt niet aan of
eindigt in ieder geval zodra de werkgever aan hem kenbaar maakt dat hij
tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting
daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang heeft dat het belang van
de militaire ambtenaar daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid moet wijken.
Art.
4:4. Informatieverplichting
De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft kunnen verrichten
wegens één van de redenen, genoemd in de artikelen 4:1 en
4:2.
§
3. Loonvoorschriften
Art.
4:5.
-1. Indien de werknemer op grond van enige wettelijk
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig
fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling, een geldelijke
uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die
uitkering.
-2. Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de
werkgever vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten
van zijn arbeid heeft bespaard.
§
4. Nadere voorschriften
Art.
4:6. Compensatie met vakantieaanspraken
-1. Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn
arbeid niet verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 4:1, kunnen
slechts indien in een voorkomend geval de werknemer ermee instemt, worden
aangemerkt als vakantie, met dien verstande dat de werknemer ten minste
recht houdt op het wettelijk minimum aan vakantieaanspraken.
-2. Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid
niet verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 4:2, kunnen niet
worden aangemerkt als vakantie.
§
5. Mate van gebondenheid
Art.
4:7. Driekwartdwingend recht
Van artikel 4:1, voor wat betreft de loonbetaling, en de
artikelen 4:2
tot en met 4:6 kan uitsluitend worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling van toepassing is of ter zake geen bepaling bevat, indien de
werkgever ter zake schriftelijke overeenstemming heeft bereikt met de
ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de
personeelsvertegenwoordiging.
HOOFDSTUK 5
Kortdurend zorgverlof
§
1. Verlofvorm
Art.
5:1. Kortdurend zorgverlof
-1. De werknemer heeft recht op verlof voor de noodzakelijke
verzorging in verband met ziekte van een persoon als bedoeld in het
tweede lid.
-2. Onder een persoon als bedoeld in het eerste
lid wordt
verstaan:
a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de
werknemer ongehuwd samenwoont;
b. een inwonend kind tot wie de werknemer als ouder in een
familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van de echtgenoot, de geregistreerde partner of de
persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
d. een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem
in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een
pleegcontract als bedoeld in artikel
39 van de Wet op de jeugdhulpverlening;
e. een bloedverwant in de eerste graad, niet zijnde een kind.
Art.
5:2. Duur verlof
Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden
ten hoogste tweemaal de arbeidsduur per week.
§
2. Melding en informatie
Art.
5:3. Meldingsverplichting
De werknemer meldt vooraf aan de werkgever dat hij het verlof,
bedoeld in
artikel 5:1, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit
niet mogelijk is, meldt de werknemer het opnemen van het verlof zo
spoedig mogelijk aan de werkgever onder opgave van de reden. Bij die
melding geeft de werknemer ook de omvang, de wijze van opneming en de
vermoedelijke duur van het verlof aan.
Art.
5:4. Ingang verlof / zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang
-1. Het verlof gaat in op het tijdstip waarop de werknemer het
opnemen ervan meldt aan de werkgever.
-2. Het verlof vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de
werkgever aan de werknemer kenbaar maakt dat hij tegen het opnemen van
het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft dat het belang van de
werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet
wijken.
-3. Een werkgever die nadat een melding door de werknemer, niet
zijnde een militaire ambtenaar, hem bereikt heeft en naar aanleiding
daarvan geen beroep doet op een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang,
kan dit nadien evenmin.
Art.
5:5. Informatieverplichting
De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij
aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht in verband met
de noodzakelijke verzorging van een persoon als bedoeld in
artikel 5:1.
§
3. Loonvoorschriften
Art.
5:6. Loondoorbetaling
-1. Voor
zover het loon niet meer bedraagt dan het maximumdagloon, bedoeld in artikel
9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, behoudt
de werknemer die anders dan op grond van een publiekrechtelijke
aanstelling arbeid verricht, gedurende het verlof, bedoeld in
artikel 5:1, recht op 70% van het loon, maar ten minste op het voor hem geldende
wettelijk minimumloon.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
werknemer die arbeid verricht op grond van een publiekrechtelijke
aanstelling.
Art.
5:7. Nadere loonvoorschriften
-1. Indien de werknemer op grond van enige wettelijk
voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig
fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de
arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling, een geldelijke
uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die
uitkering.
-2. Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de
werkgever vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten
van zijn arbeid heeft bespaard.
§
4. Nadere voorschriften
Art.
5:8. Samenloop
Indien zowel de in artikel 4:1 als de in
artikel 5:1 gestelde
voorwaarden worden vervuld, eindigt het in artikel 4:1
bedoelde verlof
na één dag.
Art.
5:9. Compensatie met vakantieaanspraken
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet
verricht wegens het verlof, bedoeld in
artikel 5:1, kunnen niet worden
aangemerkt als vakantie.
§
5. Mate van gebondenheid
Art.
5:10. Driekwartdwingend recht
Van dit hoofdstuk kan uitsluitend worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of
regeling van toepassing is of ter zake geen bepaling bevat, indien de
werkgever ter zake schriftelijke overeenstemming heeft bereikt met de
ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de
personeelsvertegenwoordiging.
HOOFDSTUK 6
Ouderschapsverlof
§
1. Verlofvorm
Art.
6:1. Ouderschapsverlof
-1. De werknemer die als ouder in familierechtelijke
betrekking staat tot een kind heeft recht op verlof zonder behoud van
loon. Indien de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip tot meer dan
één kind in familierechtelijke betrekking komt te staan, bestaat er
ten aanzien van ieder van die kinderen recht op verlof.
-2. De werknemer die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke
basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam
de verzorging en de opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft
genomen, heeft recht op verlof zonder behoud van loon. Indien de
werknemer met het oog op adoptie met ingang van hetzelfde tijdstip de
verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen,
bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen recht op verlof. In
alle andere gevallen waarin de in de eerste volzin gestelde voorwaarden
voor meer dan één kind met ingang van hetzelfde tijdstip worden
vervuld, bestaat er slechts recht op één keer verlof.
-3. Indien de arbeid buiten Nederland wordt verricht, heeft de
werknemer recht op het verlof, bedoeld in dit artikel, tenzij een
zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
Art.
6:2. Omvang, duur en invulling verlof
-1. Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste
recht heeft, bedraagt dertienmaal de arbeidsduur per week.
-2. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een
aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden.
-3. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft
van de arbeidsduur per week.
-4. In afwijking van het tweede en derde lid kan de werknemer de
werkgever verzoeken om:
a. verlof voor een langere periode dan zes maanden; of
b. het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden, waarbij iedere
periode ten minste één maand bedraagt; of
c. meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week.
-5. De werkgever kan het verzoek van de werknemer, bedoeld in het
vierde lid, afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
zich hiertegen verzet.
-6. Indien het verlof op grond van het vierde lid, onderdeel
b, is
opgedeeld en de arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het verlof
volledig is genoten, heeft de werknemer, indien hij een nieuwe
arbeidsovereenkomst aangaat, tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op
het resterende deel van het verlof met inachtneming van het bepaalde in
dit hoofdstuk.
Art.
6:3. Diensttijd
-1. Het recht op verlof, bedoeld in
artikel 6:1, bestaat
indien de arbeidsverhouding ten minste één jaar heeft geduurd.
-2. Voor de berekening van de termijn van
één jaar worden perioden
waarin arbeid wordt verricht die elkaar opvolgen met een onderbreking
van niet meer dan drie maanden samengeteld. De vorige volzin is van
overeenkomstige toepassing op perioden waarin voor verschillende
werkgevers arbeid wordt verricht die ten aanzien van de verrichte arbeid
redelijkerwijs geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.
Art.
6:4. Leeftijd kind
Geen recht op verlof als bedoeld in artikel 6:1 bestaat na de datum
waarop het kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.
§
2. Melding
Art.
6:5. Meldingsverplichting
-1. De werknemer meldt het voornemen om verlof op te nemen ten
minste twee maanden vóór het tijdstip van ingang van het verlof
schriftelijk aan de werkgever onder opgave van de periode, het aantal
uren verlof per week, of als de arbeidsduur over een ander tijdvak is
overeengekomen, over dat tijdvak en de spreiding daarvan over de week of
het anderszins overeengekomen tijdvak.
-2. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen
afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde
van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
-3. De werkgever kan, na overleg met de werknemer, de spreiding
van de uren over de week op grond van een zwaarwegend bedrijfs- of
dienstbelang wijzigen, tot vier weken vóór het tijdstip van ingang van
het verlof.
-4. Indien op grond van artikel
6:2, vierde lid, onderdeel
b, het
verlof is opgedeeld, zijn het eerste tot en met derde lid op iedere
periode van toepassing.
Art.
6:6. Intrekking of wijziging melding
-1. De werkgever kan een verzoek van de werknemer om het
verlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene
omstandigheden afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
zich hiertegen verzet.
-2. De werkgever hoeft aan het verzoek niet met ingang van een
vroeger tijdstip gevolg te geven dan vier weken na het verzoek. In het
geval dat het verlof met toepassing van het eerste lid na het tijdstip
van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het
overige deel van het verlof.
-3. Indien op grond van artikel
6:2, vierde lid, onderdeel
b, het
verlof is opgedeeld, zijn het eerste en tweede lid op iedere periode van
toepassing.
§
3. Nadere voorschriften
Art.
6:7. Compensatie met vakantieaanspraken
Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet
verricht wegens het verlof, bedoeld in artikel 6:1, kunnen niet worden
aangemerkt als vakantie.
§
4. Mate van gebondenheid
Art.
6:8. Driekwartdwingend recht
Van de artikelen 6:1, derde lid, 6:2, vierde lid, onderdeel b,
6:3,
eerste lid, 6:4, 6:5, eerste lid, ten aanzien van het tijdstip van
melding, en tweede lid, en 6:6 kan uitsluitend worden afgeweken bij
collectieve arbeidsovereenkomst.
Art.
6:9. Dwingend recht
Behoudens artikel 6:8 kan van dit hoofdstuk niet ten nadele van de
werknemer worden afgeweken.
HOOFDSTUK 7
Loopbaanonderbreking
AFDELING 1
Algemene bepalingen
Art.
7:1. De begrippen verlof en verlofganger
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. verlof: een met instandhouding van de arbeidsovereenkomst of de
publiekrechtelijke aanstelling, gehele of gedeeltelijke onderbreking van
de arbeid ten behoeve van zorg of educatie waaronder mede wordt verstaan
het vergroten van de arbeidskwalificatie;
b. verlofganger: de werknemer die op grond van een wettelijk recht of
een overeenkomst met zijn werkgever verlof opneemt.
Art.
7:2. Nadere voorschriften duur en invulling
verlof
De afspraak over het begin en het einde van het verlof, en het
aantal uren verlof per week, wordt schriftelijk vastgelegd.
Art.
7:3. Het begrip vervanger
-1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder vervanger: de persoon die, ter vervanging van één of
meer verlofgangers:
1º. in dienst treedt van de werkgever waarbij de verlofganger in dienst
is;
2º. in het kader van een uitzendovereenkomst als bedoeld in
artikel
690 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek ter beschikking wordt
gesteld van de werkgever waarbij de verlofganger in dienst is;
3º. ter beschikking wordt gesteld van de werkgever van de verlofganger
door een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie die ten doel heeft
om uitkeringsgerechtigden als bedoeld in het tweede lid in dienst te
nemen en deze ter beschikking te stellen aan andere werkgevers.
-2. Bij het eerste lid, onder 1º en 2º, geldt dat de vervanger:
a. als werkzoekende staat ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningorganisatie,
bedoeld in artikel 2 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996; en
b. een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
of de Algemene
nabestaandenwet ontvangt of een naar aard en strekking daarmee
overeenkomende uitkering dan wel arbeidsgehandicapte is als bedoeld in artikel
2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; of
c. algemene bijstand krachtens de Algemene
bijstandswet ontvangt, dan wel een uitkering krachtens de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers dan wel de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen; of
d. gedurende twee jaar voorafgaand aan de vervanging niet meer dan 50
dagen of 400 uur op jaarbasis arbeid heeft verricht.
Art.
7:4. Nadere voorschriften vervanging
-1. Een vervanger mag meer dan één verlofganger
vervangen.
-2. Een verlofganger mag door meer dan één vervanger
worden vervangen.
-3. Een vervanger mag direct aansluitend op een periode
van vervanging opnieuw als vervanger optreden.
AFDELING 2
Financiële tegemoetkoming
§ 1. Aanvraag
Art.
7:5.
-1. De verlofganger dient uiterlijk vier weken na de
aanvang van het verlof een aanvraag om een financiële
tegemoetkoming in bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen. Een aanvraag wordt ingediend door
middel van een door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
-3. Indien de termijn van vier weken, bedoeld in het
eerste lid, wordt overschreden, vangt de financiële
tegemoetkoming eerst aan op de eerste dag van de kalendermaand
volgend op die waarin de aanvraag is ingediend en wordt deze
slechts verleend voor de resterende duur van het verlof.
§ 2. Financiële tegemoetkoming
Art.
7:6. Toekenning en hoogte financiële
tegemoetkoming
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kent aan de verlofganger op diens aanvraag een financiële
tegemoetkoming toe indien aan de in artikel 7:7 genoemde
voorwaarden is voldaan.
-2. De financiële tegemoetkoming komt ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds met uitzondering van hetgeen
op grond van artikel 97f, onderdeel i, van de Werkloosheidswet ten laste komt
van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, bedoeld in artikel
104 van die wet.
-3. Voor ieder opgenomen uur verlof per
week bedraagt
de tegemoetkoming gerekend over één maand €|11,68
(ƒ25,73). Met
inachtneming van de vorige volzin kan de financiële
tegemoetkoming per maand in totaal niet meer bedragen dan
€|443,80 (ƒ978,00).
-4. De financiële tegemoetkoming wordt verleend over
in de verlofperiode gelegen volle maanden.
-5. De financiële tegemoetkoming wordt niet
uitbetaald over tijdvakken waarin de verlofganger een
uitkering ontvangt als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling
2.
-6. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen keert de financiële tegemoetkoming uit na afloop van iedere
kalendermaand.
-7. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan regels stellen inzake de berekening van de financiële
tegemoetkoming in geval van bijzondere arbeidspatronen.
-8. De bedragen, bedoeld in het derde lid, kunnen met
ingang van 1 januari van enig jaar bij regeling van Onze
Minister worden herzien.
Art.
7:7. Voorwaarden voor toekenning
-1. De voorwaarden voor toekenning van een financiële
tegemoetkoming zijn:
a. de verlofganger is gedurende een periode van ten
minste één jaar voorafgaand aan het moment waarop hij
verlof opneemt in dienst geweest bij dezelfde
werkgever. Voor de berekening van de termijn van één
jaar worden perioden waarin arbeid wordt verricht die
elkaar opvolgen met tussenpozen van niet meer dan drie
maanden samengeteld. Voor de berekening van de
termijn van één jaar worden perioden waarin voor
verschillende werkgevers arbeid wordt verricht die ten
aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht
moeten worden elkanders opvolger te zijn, mede in
aanmerking genomen;
b. de verlofganger heeft gedurende een
aaneengesloten periode van één jaar voorafgaand aan
het moment waarop hij verlof opneemt geen financiële
tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid
ontvangen;
c. de tussen de werkgever en de verlofganger
overeengekomen verlofperiode bedraagt minimaal twee
maanden;
d. het tussen de werkgever en de verlofganger
overeengekomen verlof bedraagt ten minste een derde van de
wekelijkse arbeidsduur van de verlofganger;
e. de werkgever sluit een arbeidsovereenkomst met
een vervanger voor ten minste dezelfde periode als
waarover de verlofganger verlof opneemt en voor ten
minste twaalf uur per week.
f. de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de
vervanger vangt niet eerder aan dan één maand vóór
het begin van het verlof en niet later dan één maand
daarna.
-2. Indien een vervanger in het kader van een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel
690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek ter
beschikking wordt gesteld van de werkgever van de
verlofganger, geschiedt dit voor ten minste dezelfde periode
als waarover de verlofganger verlof opneemt en voor ten
minste twaalf uur.
-3. Indien een vervanger door een
rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie als bedoeld in
artikel 7:3, eerste lid, onder 3º, ter beschikking wordt
gesteld van de werkgever waarbij de verlofganger in dienst
is, geschiedt dit voor ten minste dezelfde periode als
waarover de verlofganger verlof opneemt.
Art.
7:8. Voorwaarden bij palliatief verlof
-1. In
geval van verlof ten behoeve van de verzorging
van een terminale zieke of bij een levensbedreigende ziekte
van een kind:
a. geldt de in artikel 7:7, onderdeel a, genoemde
minimumperiode niet;
b. geldt de in artikel 7:7, onderdeel c, genoemde
minimumperiode niet;
c. is de voorwaarde, bedoeld in artikel 7:7,
onderdeel e, niet van toepassing;
d. is de voorwaarde, bedoeld in artikel 7:7,
onderdeel f, niet van toepassing.
-2. Indien het eerste lid van toepassing is en een
proeftijd tussen de verlofganger en de werkgever is
bedongen, geldt in afwijking van dat artikellid, onderdeel a, juncto
artikel 7:7, tweede lid, onderdeel
a, deze
proeftijd als periode die ten minste vooraf moet zijn gegaan
aan het moment waarop de verlofganger verlof opneemt ten
behoeve van de verzorging van een in het eerste lid bedoelde
zieke of ziekte.
Art.
7:9. Duur financiële tegemoetkoming
-1. De financiële tegemoetkoming wordt, met
inachtneming van artikel 7:6, vierde lid, verleend voor de
duur van het verlof, maar voor ten hoogste zes maanden.
-2. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden
overeengekomen dat de termijn, bedoeld in artikel
7:7, eerste
lid, onderdeel b, niet wordt toegepast. Indien geen
collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is of de
collectieve arbeidsovereenkomst daarover geen bepaling
bevat, kan die termijn buiten toepassing worden gesteld
indien de werkgever daartoe schriftelijk overeenstemming
heeft bereikt met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken
daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging of, bij het
ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemer.
-3. Indien het tweede lid wordt toegepast, bedraagt de
periode waarvoor een financiële tegemoetkoming wordt
toegekend ten hoogste achttien maanden.
Art.
7:10. Voortijdige beëindiging financiële
tegemoetkoming
De financiële tegemoetkoming eindigt met ingang van de eerste
dag van de kalendermaand volgend op die waarin de verlofganger
arbeid in dienstbetrekking of in de uitoefening van een
bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep is
gaan verrichten of de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever
en de verlofganger is geëindigd.
Art.
7:11. Geen voortijdige beëindiging financiële
tegemoetkoming bij voortijdige beëindiging vervanging
-1. Indien de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever
en de vervanger eindigt vóór het einde van de periode van
vervanging, leidt dit niet tot beëindiging van de financiële
tegemoetkoming aan de verlofganger.
-2. De werkgever neemt voor het resterende deel van de
overeengekomen verlofperiode binnen drie weken een nieuwe
vervanger in dienst of komt met een reeds bij hem in dienst
zijnde vervanger verhoging van het aantal uren binnen dat
tijdvak overeen.
-3. Indien de werkgever niet binnen de in het tweede
lid genoemde termijn een nieuwe vervanger in dienst heeft
genomen of met een reeds bij hem in dienst zijnde vervanger
verhoging van het aantal uren is overeengekomen, verhaalt
het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op de
werkgever de financiële tegemoetkoming over de periode
vanaf de datum van eindiging van de arbeidsovereenkomst
tussen de werkgever en de vervanger en het einde van de
overeengekomen verlofperiode.
-4. Het besluit tot verhaal levert een executoriale
titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Art.
7:12. Herziening of intrekking
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen herziet een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming of
trekt dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting op grond van artikel
7:15, eerste lid,
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van een tegemoetkoming;
b. indien anderszins de tegemoetkoming ten onrechte
of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 7:15, eerste lid, ertoe
leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog
recht op een tegemoetkoming bestaat.
-2. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen kan het eerste lid buiten toepassing laten of daarvan
afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van een
juiste uitvoering van dit hoofdstuk zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
7:13. Terugvordering
-1. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen vordert de financiële tegemoetkoming die onverschuldigd is
betaald van de betrokken verlofganger terug.
-2. In afwijking van het eerste lid kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien,
indien de verlofganger:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd
met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de
op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft
verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van
de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a en
b, genoemde
termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de verlofganger in die
periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen
475c en 475d
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering,
niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 7:15.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn,
kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
-5. Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen
wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen
moet worden betaald, alsmede dat het besluit bij gebreke van
tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de wijze als
omschreven in het zevende tot en met het negende lid.
-6. De verlofganger is verplicht desgevraagd aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de inlichtingen
te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. Het besluit tot terugvordering levert een
executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-8. Artikel 7:22 is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de
verlofganger gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te
boven is gegaan, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
-9. In afwijking van het achtste lid is artikel
7:22,
negende lid, niet van overeenkomstige toepassing op de
persoon die de verplichting, bedoeld in het zesde lid, niet
of niet behoorlijk nakomt.
-10. In afwijking van het eerste lid kan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder
voorwaarden die Onze
Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen
bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te
boven gaat.
-11. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking
tot het tweede en derde lid nadere regels worden gesteld.
-12. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt regels met betrekking tot het eerste, vierde, vijfde,
zesde en achtste lid.
Art.
7:14. Onvervreemdbaarheid
-1. De financiële tegemoetkoming is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van de financiële
tegemoetkoming, onder welke vorm of welke benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding in strijd met dit artikel is nietig.
-4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid
betaalt het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de
financiële tegemoetkoming aan de werkgever teneinde deze
tegemoetkoming door diens tussenkomst te doen uitbetalen aan
de verlofganger, indien:
a. bij collectieve arbeidsovereenkomst is bepaald
dat de werkgever tijdens het verlof het loon aan de
verlofganger geheel of gedeeltelijk doorbetaalt; en
b. de werkgever het Landelijk instituut sociale verzekeringen
dit schriftelijk verzoekt en
van dit verzoek melding heeft gedaan aan de
verlofganger.
§
3. Informatieverplichting
Art.
7:15. Verplichting tot het verstrekken van
inlichtingen
-1. Indien de verlofperiode eerder eindigt dan tussen
de werkgever en de verlofganger was overeengekomen, het
aantal overeengekomen verlofuren per week wijzigt of indien
de verlofganger in de overeengekomen verlofperiode arbeid in
dienstbetrekking of als zelfstandige aanvaardt, is de
verlofganger verplicht hiervan onverwijld uit eigen beweging
aan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen mededeling te doen.
-2. Indien de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever
en de vervanger eindigt voordat de overeengekomen periode
van vervanging is geëindigd of indien de werkgever niet
heeft voldaan aan artikel 7:11, tweede lid, is die werkgever
verplicht daarvan onverwijld uit eigen beweging aan het
Landelijk instituut sociale verzekeringen mededeling te
doen.
§
4. Boete
Art.
7:16. [Boete
bij niet-nakoming inlichtingenverplichting]
-1. Indien de verlofganger de verplichting, bedoeld in
artikel 7:15, eerste lid, of de werkgever de verplichting, bedoeld in
artikel 7:15, tweede lid, niet of niet behoorlijk
is nagekomen, legt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst
van de gedraging, de mate waarin de verlofganger of de
werkgever de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een
boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel
7:15, eerste of tweede lid,
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van de financiële tegemoetkoming, kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen afzien van het
opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter
zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verlofganger of
de werkgever een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan
het Landelijk instituut
sociale verzekeringen besluiten van
het opleggen van een boete af te zien.
-5. Degene aan wie een boete is opgelegd, is verplicht
desgevraagd aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de inlichtingen te verstrekken die
voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete nog niet is geïnd, vervalt zij
door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
-7. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het
tweede lid.
Art.
7:17. [Voorschriften
rond voorgenomen boeteoplegging]
-1. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen jegens de werknemer/verlofganger of de
werkgever een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid
de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een
bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is de
verlofganger of de werkgever niet langer verplicht ter zake
van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover
het betreft de boeteoplegging. De verlofganger of de werkgever
wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien het Landelijk instituut sociale
verzekeringen voornemens is om aan de verlofganger
of de werkgever een boete op te leggen, wordt aan hem hiervan
kennis gegeven onder vermelding van de gronden waarop het
voornemen berust. De kennisgeving is een handeling als bedoeld
in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de verlofganger of de werkgever die
de in het vorige lid bedoelde kennisgeving wegens zijn
gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
er zoveel mogelijk zorg voor dat de in
die kennisgeving vermelde gronden worden medegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de verlofganger
of de werkgever in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk
of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de
boete wordt opgelegd.
-5. Indien de verlofganger of de werkgever zijn
zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt het Landelijk
instituut sociale verzekeringen er op verzoek van
de verlofganger of de werkgever die de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt benoemd die
hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen
dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art.
7:18. [Voorschriften
rond boetebesluit]
-1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd, vermeldt
de termijn of de termijnen waarbinnen deze moet worden
betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij gebreke van
tijdige betaling, overeenkomstig artikel 7:22 zal worden ten
uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de verlofganger of de werkgever die
het in het eerste lid bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige
kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt
het Landelijk instituut sociale
verzekeringen er zoveel
mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie
wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Landelijk instituut sociale
verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste lid.
Art.
7:19. [Niet-oplegging
van boete]
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging
wordt onderzocht door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft definitief
achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de
verlofganger of de werkgever een strafvervolging is ingesteld
en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen,
dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel
74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid
als bedoeld in het eerste en het tweede lid mededeling aan het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
Art.
7:20. [Termijnstelling
van boete]
-1. Een boete wordt opgelegd binnen één jaar nadat het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de verlofganger
of de werkgever overeenkomstig het bepaalde in artikel
7:17,
vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of
proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt de termijn van
één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar ministerie
aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft
medegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na
verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende gedraging heeft
plaatsgevonden.
Art.
7:21. [Afwijking
artikel 8:69 Awb]
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in
beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld
ook ten nadele van de werknemer wijzigen.
Art.
7:22. [Boetebesluit
executoriale titel]
-1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd levert een
executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De
titel heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in
het zesde lid.
-2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd
uitkering ontvangt op grond van deze wet, de Ziektewet,
de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een
toeslag op grond van de Toeslagenwet,
wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer
gelegd door verrekening met die uitkering of
toeslag.
-3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een
uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Algemene bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen of de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig
is van hem, op zijn verzoek aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
-4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen
uitkering als bedoeld in het tweede of derde lid ontvangt, of
meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering
toepassing van het tweede of derde lid niet mogelijk is, wordt
het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten
uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een
boete is opgelegd, vindt plaats met toepassing van het tweede
of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van het
tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de
verschuldigde boete verhoogd met de wettelijke rente en de op
de invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel
door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen op loon,
sociale uitkeringen of andere periodieke betalingen welke
derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie een
boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met
479g, behoudens
artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in artikel
479g aan de raad voor de kinderbescherming toegekende
bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen.
-8. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing
van dit artikel geschiedt zodanig dat de verlofganger blijft
beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de verlofganger
zijn verplichting, bedoeld in artikel 7:16, vijfde lid, niet of
niet behoorlijk nakomt.
HOOFDSTUK
8
Slotbepalingen
Art.
8:1. Evaluatiebepaling
Onze
Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van
Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van
deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de
doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Art.
8:2. Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 20 november 2001, Stb. 2001, 569, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 december 2001, red.
Art.
8:3. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet arbeid en zorg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
16 november 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert
De Minister van
Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Staatssecretaris
van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste
november 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|