|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2000-2001, 2001-2002, 27 878.
Handelingen II 2001-2002, blz. 1701.
Kamerstukken I 2001-2002, 27 878 (119, 119a).
Handelingen I 2001-2002, zie vergadering d.d. 4 december 2001.
WET van 6 december 2001, Stb.
2001, 584, tot aanpassing van diverse wetten
aan de modernisering van de rechterlijke organisatie en de instelling
van een bestuur bij de gerechten (Aanpassingswet modernisering
rechterlijke organisatie)
WIJ BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het gewenst is diverse wetten
aan te passen aan de wijzigingen in de Wet
op de rechterlijke organisatie en de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de modernisering van de
gerechtelijke organisatie;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij
deze:
[Voor de Algemene wet
bestuursrecht en Beroepswet relevante artikelen, red.]
HOOFDSTUK
7
Ministerie
van Justitie
Art. 2.
In de artikelen 8:81, eerste lid, 8:82, tweede, derde en
vierde lid, 8:83, eerste, derde en vierde lid,
8:84, eerste en tweede lid, 8:85, eerste lid,
8:86, eerste en tweede lid, en 8:87, eerste lid, van de
Algemene
wet bestuursrecht
wordt "de president" telkens vervangen door: de voorzieningenrechter.
Art. 4.
De Beroepswet
wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 18, eerste, tweede en derde lid, wordt
"de president" telkens vervangen door: de voorzieningenrechter.
B.
Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt: "of de president".
2. In het derde lid vervalt: "of door de president van
de rechtbank"
HOOFDSTUK
10
Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Art. 1.
In artikel 140, tweede lid, van de Algemene
bijstandswet wordt "de president" vervangen door: de voorzieningenrechter.
HOOFDSTUK
14
Aanhangige
wetsvoorstellen
Art. 6.
Indien de bij koninklijke boodschap van 8 juni 2000 ingediende
voorstellen van wet houdende wijziging van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele
andere wetten in verband met de modernisering van de organisatie en de
instelling van een bestuur bij de gerechten (Wet
organisatie en bestuur gerechten) (Kamerstukken 27 181), en houdende wijziging van de Wet op de rechterlijke
organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele
andere wetten in verband met de instelling van de Raad voor de
rechtspraak (Wet
Raad voor de rechtspraak) (Kamerstukken
27 182) tot wet zijn of
worden verheven en in werking zijn getreden of treden, worden de
volgende wetten als volgt gewijzigd:
(...)
4. De Beroepswet wordt gewijzigd als
volgt:
A.
Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:
1. In onderdeel b wordt "andere leden met rechtspraak
belast"
vervangen door "voorzitter onderscheidenlijk de andere leden met
rechtspraak belast" en wordt "lid van het bestuur" vervangen door:
voorzitter onderscheidenlijk lid van het bestuur.
2. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met f tot
onderdelen d tot en met
g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
c. bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over
de onkostenvergoeding van de voorzitter en de andere leden met
rechtspraak belast, bedoeld in onderdeel a, en de bezoldiging van het
niet-rechterlijk lid;.
B.
In artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt na
"bezoldiging"
ingevoegd: , onkostenvergoeding.
(...)
8. In onderdeel A van de bijlage
bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in onderdeel 6 "artikelen 34, derde
lid, 50, derde lid, en 60, vijfde lid, van de Wet
op de rechterlijke organisatie" vervangen door "artikelen 41, zevende lid, 59, zevende
lid, en 100 van de Wet
op de rechterlijke organisatie" en vervalt
onderdeel 8.
Art. 10.
Indien het bij koninklijke boodschap van 6 april 2001 ingediende
voorstel van wet tot invoering van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) (27 665) tot wet is verheven,
wordt in artikel 96 "artikel 11b, eerste lid, van de
Wet
op de rechterlijke organisatie" vervangen door: artikel 46j van de
Wet
rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
HOOFDSTUK
15
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 5.
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit van
10 december 2001, Stb. 2001, 621, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2002, red.
Art. 6.
Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet modernisering rechterlijke
organisatie
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
6 december 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achttiende
december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|