|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2000-2001, 2001-2002, 27 588.
Handelingen II 2000-2001, blz. 5537-5616, 5653-5680, 5693-5727,
5786-5798, 5879-5882, 6056.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 588 (339); 2001-2002, 27 588 (38,
38a, 38c, 38d, 38e, 38f, 38g).
Handelingen I 2001-2002, zie vergadering d.d. 27 november 2001.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 november 2001, Stb.
2001, 624, houdende regels tot vaststelling van een structuur voor de
uitvoering van taken met betrekking tot de arbeidsvoorziening en socialeverzekeringswetten
(Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen).
Inwerkingtreding: 1 januari 2002 (Stb. 2001,
682).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de organisatie van de uitvoering van de taken van de
overheid met betrekking tot de arbeidsvoorziening en de uitvoering van
de werknemersverzekeringen te wijzigen, zulks mede ter bevordering van
de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces, en daartoe -
onder intrekking van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 - één nieuwe wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
Art.
1. Algemene
begrippen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Raad voor werk en inkomen: de Raad voor werk en
inkomen, genoemd in
hoofdstuk 3;
c. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en
inkomen, genoemd in hoofdstuk 4;
d. Centra voor werk en inkomen: de Centra voor werk en
inkomen, genoemd in artikel 24;
e. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5;
f. Sociale verzekeringsbank: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6;
g. Inspectie Werk en Inkomen: de Inspectie Werk en
Inkomen, genoemd in
hoofdstuk 7;
h. Raad van bestuur: een Raad van bestuur als bedoeld in artikel
3;
i. Raad van advies: een Raad van advies als bedoeld in artikel
3;
j. uitvoeringskosten: de kosten ten behoeve van de
uitvoering van
wetten
door de Raad voor werk en inkomen, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank;
k. sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel
2, derde lid, onderdeel j, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
l. fonds:
1º. het Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 103
van de
Werkloosheidswet;
2º. het Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in
artikel 72 van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3º. het Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31
van de
Toeslagenwet;
4º. het Ouderdomsfonds, genoemd in artikel
28, eerste lid, van de
Wet
financiering volksverzekeringen;
5º. het Nabestaandenfonds, genoemd in
artikel 28, tweede lid, van de
Wet financiering volksverzekeringen;
6º. het Algemeen Kinderbijslagfonds, genoemd in
artikel
29a van de
Algemene Kinderbijslagwet;
7º. het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, genoemd
in
artikel 63 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
8º. de Arbeidsongeschiktheidskas, genoemd in
artikel 73 van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
9º. het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, genoemd in
artikel
78 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
10º. het Reïntegratiefonds: het fonds, genoemd in
artikel 41 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
11º. het Uitvoeringsfonds voor de overheid: het fonds, genoemd
in
artikel 104 van de Werkloosheidswet;
12º. een wachtgeldfonds als bedoeld in
artikel 102 van de
Werkloosheidswet;
m. verzekerde: de werknemer in de zin van de
Werkloosheidswet, de
Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
alsmede de verzekerde op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Algemene Ouderdomswet,
de Algemene Kinderbijslagwet of de Algemene nabestaandenwet,
voor zover hij geen uitkering of voorziening op grond van deze wetten of
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten ontvangt;
n. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering of
voorziening ontvangt op grond van:
1º. de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen; of
2º. de Werkloosheidswet, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria, de Ziektewet,
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene
Kinderbijslagwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten of de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
o. het Inlichtingenbureau: de Stichting
Inlichtingenbureau, gevestigd te Den Haag;
p. Suwinet: de elektronische infrastructuur, bedoeld in artikel
62, tweede lid;
q. Gegevensregister SUWI: de weergave van de definities, de
structuur en de schrijfwijze van de gegevens die door ten minste twee
van de in
artikel 62, tweede lid, genoemde rechtspersonen worden gebruikt bij
het aan elkaar verstrekken van gegevens;
r. Stelselontwerp Suwinet: de beschrijving van de technische
voorzieningen, de functionaliteiten en de specificaties die worden
toegepast bij de inrichting en werking van Suwinet;
s. Personenverwijsbestand: het bestand waarin wordt
aangegeven welke personen met een sociaal-fiscaal nummer in registraties
van de desbetreffende organisaties zijn opgenomen;
t. doeltreffendheid: de mate waarin de doelstellingen van de
bij of krachtens de wet gestelde regels werden bereikt;
u. klantmanager: functionaris die optreedt als begeleider en
trajectcoördinator van een werkzoekende.
HOOFDSTUK
2
Rechtspersonen,
samenwerking en cliëntenparticipatie
Art.
2.
Instelling van
rechtspersonen
-1. Er zijn een Centrale organisatie werk en
inkomen, een
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en een Sociale verzekeringsbank.
-2. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank hebben rechtspersoonlijkheid en hebben hun zetels op
door Onze Minister te bepalen plaatsen.
-3. Het personeel van de in het eerste lid
genoemde rechtspersonen wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht. De bepalingen van de titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van
toepassing.
Art.
3.
Raden van
bestuur en Raden van advies
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
hebben elk een Raad van bestuur die met de dagelijkse leiding is belast
en elk een Raad van advies die de betrokken Raad van bestuur adviseert.
-2. Een Raad van bestuur en een Raad van
advies bestaan uit een door Onze Minister
te bepalen aantal leden, onder wie een voorzitter.
-3. Onze Minister benoemt, schorst en
ontslaat de leden van de Raad van bestuur en de leden van de Raad van
advies. De ondernemingsraad van elke in het eerste lid genoemde
rechtspersoon kan voor de benoeming van één lid van de Raad van advies
een aanbeveling doen.
-4. Schorsing en ontslag vindt slechts
plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie,
wegens het niet naleven van artikel 4, eerste lid, dan
wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen
of met deze verband houdende redenen. Ontslag vindt voorts plaats op
eigen verzoek.
-5. De Raad van bestuur oefent de taken en
bevoegdheden uit die bij of krachtens deze wet of enige andere wet aan
de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank zijn opgedragen.
-6. Elke Raad van bestuur stelt een
bestuursreglement vast, dat de goedkeuring behoeft van Onze Minister.
-7. Op verzoek van de Raad van advies
verstrekt de Raad van bestuur aan de Raad van advies alle gegevens en
inlichtingen die deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
-8. Alvorens het meerjarenbeleidsplan, het
jaarplan, het jaarverslag, de begroting, de jaarrekening, een besluit
als bedoeld in artikel 6 of artikel 13
aan Onze Minister wordt voorgelegd, legt de Raad van bestuur dit voor
advies voor aan de Raad van advies.
-9. Het advies van de Raad van advies over
een document als bedoeld in het achtste lid wordt door de Raad van
bestuur bij aanbieding aan Onze Minister bij dat document gevoegd.
Art.
4.
Incompatibiliteiten
-1. Een lid van de Raad van bestuur en een
lid van de Raad van advies vervult geen nevenbetrekkingen die ongewenst
zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de
handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
-2. Een lid van de Raad van bestuur en een
lid van de Raad van advies meldt het voornemen tot het aanvaarden van
een nevenfunctie anders dan uit hoofde van zijn functie aan Onze Minister.
-3. Nevenfuncties van een lid van de Raad
van bestuur en een lid van de Raad van advies anders dan uit hoofde van
zijn functie worden openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt door het
ter inzage leggen van een opgave van deze nevenfuncties bij de
desbetreffende rechtspersoon en bij Onze Minister.
Art.
5.
Rechtspositie
-1. Onze Minister
stelt de rechtspositie van de leden van de Raad van bestuur en de leden
van de Raad van advies vast. Daarbij stelt hij in elk geval hun
bezoldiging of schadeloosstelling vast, alsmede hun aanspraken op
vergoeding van kosten die verband houden met hun functie.
-2. De leden van de Raad van bestuur en de
leden van de Raad van advies genieten ten laste van de rechtspersoon
waarbij zij benoemd zijn geen andere inkomsten dan die bedoeld in het
eerste lid.
-3. Onze Minister bepaalt de periode van benoeming van de leden
van de Raad van bestuur en de leden van de Raad van advies en kan ook de
mogelijkheid van hun herbenoeming regelen.
-4. Ten aanzien van de leden van de Raad
van bestuur en de leden van de Raad van advies wordt met overeenkomstige
toepassing van artikel 383 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek verslag gedaan in het jaarverslag,
bedoeld in
artikel 49.
Art.
6.
Goedkeuring
besluiten
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
behoeven de goedkeuring van
Onze Minister voor een besluit tot:
a. het oprichten dan wel deelnemen in een rechtspersoon;
b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het
bezwaren van registergoederen;
c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot
verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur,
verhuur of pacht daarvan;
d. het aangaan van kredietovereenkomsten en van
overeenkomsten van geldlening;
e. het aangaan van overeenkomsten waarbij de betrokken
rechtspersoon zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van
zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij deze zich als borg
of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk
maakt;
f. het vormen van fondsen en reserveringen;
g. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het
aanvragen van zijn surseance van betaling.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat voor besluiten als bedoeld in het eerste lid in de bij die
regeling omschreven gevallen de goedkeuring van Onze Minister niet is
vereist.
Art.
7.
Commissies
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
kunnen commissies instellen, waaraan ook personen kunnen deelnemen die
geen lid zijn van de Raad van bestuur of de Raad van advies.
-2. Bij een besluit tot instelling van een
commissie als bedoeld in het eerste lid worden de samenstelling, taken
en bevoegdheden, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis- en
verblijfkostenvergoedingen voor de leden daarvan geregeld.
-3. Een besluit tot instelling van een
commissie als bedoeld in dit artikel behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Art.
8.
Samenwerking
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
werken samen met elkaar en met burgemeester en wethouders van de
gemeenten om de inschakeling van
uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden in het arbeidsproces te
bevorderen. Tevens werken zij samen met andere diensten en instellingen
die werkzaamheden verrichten die verband houden met de uitoefening van
hun taken. De samenwerking, bedoeld in dit lid, kan mede betrekking
hebben op het uitwisselen van gegevens tussen de genoemde partijen.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het eerste lid en
kunnen werkzaamheden van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank of de gemeenten
worden aangewezen die worden verricht in één of meer Centra voor
werk en inkomen.
Art.
9.
Klantmanager
De Centra voor werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de
gemeenten
bevorderen dat de werkzoekende en de uitkeringsgerechtigde een
klantmanager als vast aanspreekpunt wordt toegewezen in hun relaties met
de genoemde instanties.
Art.
10.
Cliëntenparticipatie op centraal niveau
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
stellen elk een regeling vast die gericht is op de realisatie en
vormgeving van adequate cliëntenparticipatie bij de uitvoering van hun
wettelijke taken. Deze regeling wordt door elk van de genoemde
bestuursorganen in de Staatscourant
gepubliceerd.
-2. In de regeling, bedoeld in het eerste
lid, wordt voorzien in overleg met personen of vertegenwoordigers van
personen die als cliënt betrokken zijn bij de uitvoering van de taken
van de in het eerste lid genoemde bestuursorganen. Dit overleg vindt
periodiek plaats, doch ten minste tweemaal per jaar.
-3. In de regeling, bedoeld in het eerste
lid, wordt in ieder geval geregeld de wijze waarop de in het tweede lid
bedoelde personen of vertegenwoordigers:
a. onderwerpen voor de agenda van het overleg, bedoeld in
het tweede lid, kunnen aanmelden;
b. voorzien worden van de voor een adequate deelname aan het
overleg benodigde informatie;
c. betrokken worden bij de totstandkoming van het
meerjarenbeleidsplan, het jaarplan en het jaarverslag van het betrokken
bestuursorgaan;
d. gevraagd en ongevraagd kunnen adviseren over de
uitvoering van de wettelijke taken van betrokken bestuursorgaan;
e. in staat gesteld worden op een adequate manier aan het
overleg deel te nemen, waarbij ten minste aandacht besteed wordt aan
logistieke faciliteiten, onkostenvergoedingen en
deskundigheidsbevordering;
f. beschermd worden tegen benadeling in verband met hun
deelname aan het overleg.
-4. In de regeling, bedoeld in het eerste
lid, van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt de
betrokkenheid geregeld bij de totstandkoming van de
non-discriminatiecode, bedoeld in de artikelen 22
en 31.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen andere onderwerpen worden aangewezen die in elk geval
in de regeling, bedoeld in het eerste lid, worden geregeld en kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Art.
11.
Cliëntenparticipatie op decentraal niveau
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
stellen elk, na overleg met de personen en vertegenwoordigers, bedoeld
in artikel 10, tweede lid, een regeling vast die
gericht is op de realisatie en vormgeving van adequate
cliëntenparticipatie op decentraal niveau. Deze regeling wordt door elk
van de genoemde bestuursorganen in de Staatscourant
gepubliceerd.
-2. In de regeling, bedoeld in het eerste
lid, wordt in ieder geval geregeld de wijze waarop:
a. personen en vertegenwoordigers van personen die als
cliënt betrokken zijn bij de decentrale uitvoering van de taken van de
in het eerste lid genoemde bestuursorganen, hierop invloed kunnen
uitoefenen;
b. door het betrokken bestuursorgaan op centraal niveau
rekening wordt gehouden met de resultaten van cliëntenparticipatie op
decentraal niveau;
c. in iedere vestiging van het betrokken bestuursorgaan
bekendheid wordt gegeven aan de wijze waarop uitvoering wordt gegeven
aan dit artikel.
-3. Indien de regeling, bedoeld in het
eerste lid, voorziet in overleg op decentraal niveau, is
artikel 10, derde lid, ten aanzien van die regeling van
overeenkomstige toepassing.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen andere onderwerpen worden aangewezen die in elk geval
in de regeling, bedoeld in het eerste lid, worden geregeld en kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Art.
12.
Landelijke cliëntenraad
-1. Er is een landelijke
cliëntenraad.
-2. De landelijke cliëntenraad bestaat
uit zes vertegenwoordigers van landelijke cliëntenorganisaties, twee
afgevaardigden uit elk van de overleggen, bedoeld in
artikel 10, tweede lid, alsmede uit drie afgevaardigden uit de
cliëntenparticipatie bij de gemeenten. De
afgevaardigden betreffen personen of vertegenwoordigers van personen die
als cliënt betrokken zijn bij de uitvoering van de taken van het
desbetreffende orgaan.
-3. De landelijke cliëntenraad heeft tot
taak periodiek, doch ten minste eenmaal per jaar, te overleggen met:
a. de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank,
de gemeenten en Onze Minister
over de vormgeving en realisatie van cliëntenparticipatie bij de
desbetreffende organen;
b. de Raad voor werk en
inkomen en Onze Minister over voorstellen van de landelijke
cliëntenraad inzake beleidsvragen op het gebied van werk en inkomen.
-4. De landelijke cliëntenraad heeft een
secretariaat dat wordt ondergebracht bij de Raad voor werk en inkomen,
en vervult zijn taak met de middelen die hem door Onze Minister ter
beschikking worden gesteld.
-5. De landelijke cliëntenraad krijgt
alle informatie van de in het derde lid genoemde instanties, voor zover
hij deze voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
-6. De landelijke cliëntenraad waakt
tegen discriminatie wegens ras, etnische afstamming, sekse, seksuele
geaardheid, leeftijd en handicap.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit
artikel.
Art.
13.
Andere taken
-1. Een besluit van de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank
om andere dan de in deze wet bedoelde taken uit te voeren, behoeft de
goedkeuring van Onze Minister.
-2. Onze Minister kan aan de in het eerste
lid genoemde rechtspersonen verplichtingen opleggen in verband met de
uitvoering van andere taken als bedoeld in het eerste lid.
-3. Onze Minister kan bepalen dat de
uitvoering van andere taken als bedoeld in het eerste lid door de
betrokken rechtspersoon wordt beëindigd.
-4. Bij ministeriële regeling wordt
geregeld dat een in het eerste lid genoemde rechtspersoon gegevens die
deze heeft verkregen bij de uitvoering van bepaalde in deze wet bedoelde
taken, kan verwerken bij de uitvoering van andere taken als bedoeld in
deze wet door deze rechtspersoon en de uitvoering van andere dan
wettelijke taken door deze rechtspersoon. Een in het eerste lid genoemde
rechtspersoon verstrekt deze gegevens op verzoek aan een derde indien
die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van taken door die
derde en deze taken naar hun aard gelijk zijn aan taken waarvoor op
grond van het eerste lid goedkeuring is verleend.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
Art.
14.
Reïntegratiebedrijven
-1. Bij of krachtens algemene maatregel ¹
kan bepaald worden dat het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, burgemeester en
wethouders van de
gemeenten en werkgevers op grond van artikel 72
van de Werkloosheidswet,
artikel 8, tweede lid, van de Wet inschakeling
werkzoekenden of de artikelen 8 en 10
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten de werkzaamheden gericht op de inschakeling in
de arbeid van werknemers, uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden of
arbeidsgehandicapten slechts laten verrichten door een natuurlijk dan
wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of
bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert, die in het
bezit is van een in het tweede lid bedoeld certificaat.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de afgifte aan een in het
eerste lid bedoelde natuurlijk dan wel rechtspersoon van een certificaat
waaruit blijkt dat hij voldoet aan bij of krachtens deze algemene
maatregel van bestuur gestelde kwaliteits- en deskundigheidseisen.
-3. Onze Minister
dan wel een door Onze Minister op grond van artikel 15
aangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte van het
certificaat, bedoeld in het eerste lid, en is tevens bevoegd een
afgegeven certificaat in te trekken.
-4. Een certificaat wordt afgegeven voor
een beperkte tijdsduur. Aan een certificaat kunnen voorschriften worden
verbonden.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld die in ieder geval betrekking
hebben op:
a. de wijze waarop de aanvraag om een certificaat moet
worden gedaan en de gegevens die daarbij van de aanvrager worden
verlangd;
b. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van
een certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat
kan worden ingetrokken;
c. de vergoeding die verschuldigd is in verband met de
afgifte van een certificaat en de wijze van betaling daarvan.
1. Volgens de redactie
dient na "algemene maatregel" te worden ingevoegd: van
bestuur.
Art.
15.
Certificerende instelling
-1. Onze Minister
kan op verzoek een instelling aanwijzen die de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 14, derde lid, uitoefent.
-2. Aan een aanwijzing krachtens het
eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.
-3. Een krachtens dit artikel aangewezen
instelling verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de voor de
uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan
inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat
voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
-4. Artikel 36, 37,
42, 78
en 81 zijn ten aanzien van de instelling, bedoeld in
het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld voor:
a. de gronden waarop de in het eerste lid bedoelde
aanwijzing kan worden gegeven, ingetrokken dan wel gewijzigd;
b. het opstellen van een verslag van werkzaamheden ten
behoeve van Onze Minister.
HOOFDSTUK
3
De Raad
voor werk en inkomen
Art.
16.
Raad voor
werk en inkomen
-1. Er is een Raad voor werk en
inkomen. De Raad voor werk en inkomen heeft rechtspersoonlijkheid en
heeft zijn zetel op een door Onze Minister
te bepalen plaats.
-2. De Raad voor werk en inkomen bestaat
uit zestien leden, onder wie een voorzitter, en vijftien
plaatsvervangende leden, die door Onze Minister worden benoemd en door
hem kunnen worden geschorst en ontslagen.
-3. De daartoe door Onze Minister
aangewezen algemeen erkende centrale organisaties van
werknemers, de daartoe door hem aangewezen algemeen erkende en
andere representatieve organisaties van werkgevers en de daartoe door
hem aangewezen rechtspersoon die de gemeenten
vertegenwoordigt, doen aan Onze Minister een voordracht voor de
benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden van de Raad voor
werk en inkomen. De aangewezen werknemersorganisaties doen daarbij een
voordracht voor vijf leden en vijf plaatsvervangende leden, de
aangewezen werkgeversorganisaties voor vijf leden en vijf
plaatsvervangende leden en de aangewezen rechtspersoon die de gemeenten
vertegenwoordigt voor vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
-4. Het derde lid is niet van toepassing
op de voorzitter van de Raad voor werk en inkomen.
-5. De leden van de Raad voor werk en
inkomen worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan
tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. De persoon
die tussentijds als lid of als plaatsvervangend lid wordt benoemd,
treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd,
had moeten aftreden.
-6. Alvorens representatieve organisaties
als bedoeld in het derde lid aan te wijzen, stelt Onze Minister de Sociaal-Economische
Raad in de gelegenheid over de representativiteit van die
organisaties advies uit te brengen.
-7. Onze Minister regelt de
schadeloosstelling van de leden van de Raad voor werk en inkomen.
-8. Het personeel van de Raad voor werk en inkomen wordt in
dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De
bepalingen van de titel 10 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.
Art.
17.
Taken van de
Raad voor werk en inkomen
-1. De Raad voor werk en
inkomen heeft tot taak overleg te voeren met Onze Minister
over voorstellen van deze raad betreffende:
a. het beleid met betrekking tot werk en inkomen;
b. het arbeidsmarktbeleid;
c. de omvang en de verdeling van gelden ten behoeve van de
inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces;
d. de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds;
e. de bevordering van de kwaliteit en de transparantie van
de reïntegratiemarkt;
f. het beleid met betrekking tot de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vast te stellen
premiepercentages voor de wachtgeldfondsen;
g. de op grond van
artikel 20, eerste lid, vast te stellen ministeriële regeling;
h. de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in
sectoren, bedoeld in de Werkloosheidswet;
i. beleidsvoornemens die aanmerkelijke administratieve
consequenties kunnen hebben voor werkgevers.
-2. De Raad voor werk en inkomen stelt ten
aanzien van de in het eerste lid, onderdeel a,
b, c
en d, genoemde onderwerpen jaarlijks een beleidskader op, na
voorafgaand personen of vertegenwoordigers van personen die als cliënt
betrokken zijn bij de uitvoering van die onderwerpen in de gelegenheid
te hebben gesteld daaromtrent te overleggen. Van het oordeel van de in
de eerste zin bedoelde personen of vertegenwoordigers van personen wordt
mededeling gedaan in het beleidskader dat jaarlijks vóór 1 april aan
Onze Minister wordt voorgelegd. Onze Minister kan slechts met redenen
omkleed van het beleidskader afwijken.
-3. De Raad voor werk en inkomen stelt een
regeling op die voorziet in overleg met de in het tweede lid bedoelde
personen of vertegenwoordigers over de onderwerpen, genoemd in het
eerste lid. Dit overleg vindt periodiek plaats, doch ten minste tweemaal
per jaar.
-4. De Raad voor werk en inkomen overlegt
met de landelijke cliëntenraad, bedoeld in
artikel 12, over de wijze waarop het overleg, bedoeld in het tweede
en derde lid, plaatsvindt.
-5. Indien Onze Minister de bevoegdheid
tot het nemen van besluiten omtrent verstrekking van subsidie als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, of de bevoegdheid
tot het beslissen op een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 20,
derde lid, heeft gemandateerd aan de Raad voor werk en inkomen, verricht
de Raad voor werk en inkomen alle werkzaamheden met betrekking tot de
voorbereiding van die besluiten.
Art.
18.
Commissies
-1. De Raad voor werk en
inkomen kan commissies instellen, waaraan ook personen kunnen
deelnemen die geen lid of plaatsvervangend lid zijn van de Raad voor
werk en inkomen.
-2. Bij een besluit tot instelling van een
commissie als bedoeld in het eerste lid worden de samenstelling, taken
en bevoegdheden, alsmede de tijdverzuimvergoedingen en reis- en
verblijfkostenvergoedingen voor de leden daarvan, geregeld.
-3. Een besluit tot instelling van een
commissie als bedoeld in dit artikel behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Art.
19.
Goedkeuring
besluiten
-1. De Raad voor werk en
inkomen behoeft de goedkeuring van Onze Minister
voor een besluit tot:
a. het oprichten dan wel deelnemen in een rechtspersoon;
b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het
bezwaren van registergoederen;
c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot
verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur,
verhuur of pacht daarvan;
d. het aangaan van kredietovereenkomsten en van
overeenkomsten van geldlening;
e. het aangaan van overeenkomsten waarbij de betrokken
rechtspersoon zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van
zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij deze zich als borg
of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk
maakt;
f. het vormen van fondsen en reserveringen;
g. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het
aanvragen van zijn surseance van betaling.
-2. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald dat voor besluiten als bedoeld in het eerste lid in de bij die
regeling omschreven gevallen de goedkeuring van Onze Minister niet is
vereist.
Art.
20.
Subsidieverstrekking
-1. Onze Minister
kan, overeenkomstig door hem te stellen regels, subsidie verstrekken
voor activiteiten die zijn gericht op de bevordering van inschakeling
van uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden in het arbeidsproces.
-2. Onze Minister kan de bevoegdheid tot
het nemen van besluiten omtrent verstrekking van subsidie als bedoeld in
het eerste lid mandateren aan de Raad voor werk en
inkomen.
-3. Onze Minister kan de bevoegdheid tot
het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit als bedoeld in het
tweede lid mandateren aan de Raad voor werk en inkomen.
-4. Een ministeriële regeling op grond
van het eerste lid wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat
het ontwerp daarvan aan de beide kamers der Staten-Generaal is
overgelegd.
HOOFDSTUK
4
De
Centrale organisatie werk en inkomen
Art.
21.
Taken van de
Centrale organisatie werk en inkomen
De Centrale organisatie werk en inkomen heeft
tot taak:
a. het registreren van werkzoekenden en van vacatures van
werkgevers;
b. het voordragen van geschikte vacatures aan werkzoekenden
en het voordragen van geschikte werkzoekenden voor vacatures;
c. het verzamelen en analyseren van informatie ten behoeve
van de bevordering van de werking van en het inzicht in de arbeidsmarkt;
d. zorg dragen voor gevraagde en ongevraagde verstrekking
van deugdelijke informatie en advies over de arbeidsmarkt alsmede over
de uitvoering van zijn taak, aan werkgevers, werknemers,
uitkeringsgerechtigden, verzekerden, werkzoekenden, regionale platforms,
bedoeld in
artikel 23, en andere belanghebbenden;
e. het adviseren van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en burgemeester en
wethouders van de betrokken gemeente met
betrekking tot mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces van
moeilijk plaatsbare werkzoekenden;
f. het innemen van de in
artikel 28 bedoelde aanvragen voor uitkeringen, toeslagen en
bijstand alsmede aangiften van werkloosheid;
g. het geven van voorlichting met betrekking tot de keuze
van een beroep alsmede de voor een beroep benodigde opleiding;
h. het uitvoeren van taken die bij of krachtens deze of
enige andere wet aan de Centrale organisatie werk en inkomen zijn
opgedragen;
i. het uitvoeren van bij ministeriële regeling aangewezen
algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen;
j. het in opdracht van Onze Minister
of uit eigen beweging verrichten van onderzoek met betrekking tot de
wettelijke taken van deze organisatie;
k. het aan Onze Minister op zijn verzoek verstrekken van de
inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid
van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften, voor zover deze
betrekking hebben op onderwerpen als bedoeld in dit artikel;
l. het voeren van een adequate administratie ten behoeve van
de uitoefening van zijn taak.
Art.
22.
Non-discriminatiecode Centrale organisatie werk en inkomen
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 21,
waakt de Centrale organisatie werk en
inkomen tegen discriminatie en stelt daartoe een
non-discriminatiecode vast, waarin in ieder geval aandacht wordt besteed
aan discriminatie wegens ras, etnische afstamming, sekse, seksuele
geaardheid, leeftijd en handicap.
Art.
23.
Regionale
platforms
-1. Gemeenten
bevorderen door samenwerking met andere gemeenten op de regionale
arbeidsmarkt de totstandkoming van regionale platforms waarin periodiek
overleg plaatsvindt over werk en inkomen met andere partijen die op die
markt actief zijn. De
Centrale organisatie werk en inkomen
ondersteunt desgevraagd door het voeren van het secretariaat de
instandhouding van die platforms.
-2. Indien overleg als bedoeld in het
eerste lid niet in voldoende mate tot stand komt, kunnen, met ingang van
twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur één of meer gemeenten worden
aangewezen die bevorderen dat periodiek overleg als bedoeld in het
eerste lid wordt gevoerd.
Art.
24.
Centra voor
werk en inkomen
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen draagt zorg voor de inrichting en instandhouding van
vestigingen, genaamd Centra voor werk en
inkomen, waarin de taken van de Centrale organisatie werk en
inkomen, bedoeld in
artikel 21, onderdeel a tot en met i, worden
uitgevoerd, op een wijze waardoor deze organisatie voor een ieder
voldoende bereikbaar is.
-2. De Centrale organisatie werk en
inkomen kan bepalen dat één of meer van haar wettelijke taken worden
uitgevoerd in één of een beperkt aantal Centra voor werk en inkomen.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de inrichting, de instandhouding, de
werkwijze en de financiering van de Centra voor werk en inkomen,
onderscheiden naar verschillende centra.
-4. Een besluit ter uitvoering van het
eerste of tweede lid behoeft goedkeuring van Onze Minister
en wordt na goedkeuring, door de Centrale organisatie werk en inkomen
gepubliceerd in de Staatscourant.
Art.
25.
Registratie
werkzoekenden en vacatures
-1. Het recht zich als werkzoekende door
de Centrale organisatie werk en
inkomen te laten registreren komt toe aan:
a. Nederlanders;
b. vreemdelingen op wie artikel 1 of artikel 10 van
Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen
de Gemeenschap (PbEG 1968, L 257) van toepassing is;
c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet
2000 afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van Onze Minister van
Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen
zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;
d. vreemdelingen die behoren tot een bij algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorie.
-2. Aan geregistreerde werkzoekenden wordt
kosteloos een bewijs van registratie verstrekt. De Centrale organisatie
werk en inkomen stelt regels ten aanzien van de gegevens die daarin
worden vermeld.
-3. De Centrale organisatie werk en
inkomen regelt de termijnen gedurende welke de registratie ten hoogste
wordt gehandhaafd en waarmee de registratie telkenmale, op verzoek van
de betrokkene, ten hoogste kan worden verlengd.
-4. De registratie van een werkzoekende
wordt beëindigd:
a. op verzoek van de betrokkene;
b. indien een termijn als bedoeld in het derde lid is
verstreken zonder dat de betrokkene een verzoek tot verlenging van de
termijn heeft gedaan.
-5. Iedere werkgever heeft het recht bij
de Centrale organisatie werk en inkomen vacatures te laten registreren.
De Centrale organisatie werk en inkomen stelt regels met betrekking tot
deze registratie.
-6. De op grond van dit artikel door de
Centrale organisatie werk en inkomen vastgestelde regels worden door
deze organisatie gepubliceerd in de Staatscourant.
-7. De Centrale organisatie werk en
inkomen neemt in de in dit artikel bedoelde registratie het
sociaal-fiscaal nummer van de geregistreerde werkzoekende op.
Art.
26.
Beoordeling
kans op werk, administratieve indeling en advies inschakeling
arbeidsproces
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen beoordeelt van iedere op grond van artikel 25
geregistreerde werkzoekende zijn kans op werk, onderzoekt op welke wijze
die kans kan worden verbeterd en zorgt voor een administratieve indeling
van de werkzoekende.
-2. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld betreffende de administratieve indeling, bedoeld in het
eerste lid.
-3. Met betrekking tot moeilijk plaatsbare
werkzoekenden adviseert de Centrale organisatie werk en
inkomen, de betrokken werkzoekende gehoord, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel burgemeester
en wethouders van de betrokken
gemeente over de wijze waarop de mogelijkheden
tot inschakeling in het arbeidsproces van die werkzoekende kunnen worden
verbeterd. Met betrekking tot moeilijk plaatsbare werkzoekenden van 23
jaar of ouder die op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden langdurig werkloos dan wel daarmee gelijkgesteld
zijn, wordt in het advies een oordeel gegeven over de noodzaak om de
betrokken werkzoekende in aanmerking te laten komen voor de
voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 of 5
van die wet. Van de opvattingen van de
betrokken werkzoekende, desgewenst in de door deze aangegeven
bewoordingen, en, indien het advies daarvan afwijkt, van de redenen
daarvoor, wordt melding gedaan in het advies.
-4. De Centrale organisatie werk en
inkomen informeert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan
wel burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente zo spoedig
mogelijk over de uitkomst van de administratieve indeling, bedoeld in
het eerste lid, en het advies, bedoeld in het derde lid, met betrekking
tot de werkzoekende. De werkzoekende ontvangt een afschrift van het
advies.
-5. De Centrale organisatie werk en
inkomen geeft tevens toepassing aan het eerste of derde lid op verzoek
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of burgemeester en
wethouders van de betrokken gemeente in geval van herbeoordeling van de
kans op werk van de werkzoekende dan wel een oordeel over de noodzaak om
de betrokken werkzoekende in aanmerking te laten komen voor de
voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4
of 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden.
Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
Art.
27.
Werkstaking,
uitsluiting of bedrijfsbezetting
-1. Voor zover aan de Centrale organisatie werk en
inkomen bekend is dat in een bedrijf of onderneming, of een
gedeelte daarvan, een werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting
plaatsvindt, verleent zij geen diensten tot het plaatsen van
werkzoekenden in dat bedrijf of die onderneming, of dat gedeelte
daarvan, waar de werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting heerst.
-2. Voor zover aan de Centrale
organisatie werk en inkomen bekend is dat werkzoekenden rechtstreeks in
een werkstaking, uitsluiting of bedrijfsbezetting betrokken zijn,
verleent zij aan hen tijdens de duur van het arbeidsconflict geen
diensten als bedoeld in artikel 21, onderdeel b.
Art.
28.
Aanvraag van
een uitkering en een toeslag en aangifte van werkloosheid
-1. Centrale organisatie werk en
inkomen neemt aanvragen in ontvangst van een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet, een toeslag op grond van de
Toeslagenwet en van algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet
dan wel van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Tevens neemt de Centrale
organisatie werk en inkomen de aangifte van werkloosheid op grond van artikel
26, eerste lid, onderdeel a, van de Werkloosheidswet
in ontvangst. Indien een aanvraag van een uitkering of aangifte van
werkloosheid op grond van een in de eerste zin van dit lid genoemde wet
niet bij de Centrale organisatie voor werk en inkomen moet worden
ingediend of gedaan, verwijst de Centrale organisatie werk en inkomen de
aanvrager naar het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of naar burgemeester
en wethouders van de betrokken gemeente. Indien
het een aanvraag van algemene bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet dan wel van uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen betreft, legt de Centrale
organisatie werk en inkomen vast op welke dag zij naam, adres en
woonplaats van de belanghebbende heeft geregistreerd en hem in staat
heeft gesteld zijn aanvraag in te dienen.
-2. De belanghebbende verstrekt aan de
Centrale organisatie werk en inkomen alle gevraagde gegevens en
bewijsstukken die nodig zijn voor de beslissing op zijn aanvraag door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente dan wel voor de
verdere behandeling van zijn aangifte van werkloosheid door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De Centrale organisatie
werk en inkomen onderzoekt de verstrekte gegevens en bewijsstukken op
bij ministeriële regeling te bepalen wijze op juistheid, volledigheid
en consistentie.
-3. De Centrale organisatie werk en
inkomen draagt de aanvraag of aangifte, bedoeld in het eerste lid, met
de daarbij verstrekte gegevens en bewijsstukken, alsmede het daarbij
behorende sociaal-fiscaal nummer, over aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen onderscheidenlijk burgemeester en wethouders van
de betrokken gemeente. Zij geeft daarbij aan welke gegevens en
bewijsstukken zij overeenkomstig het tweede lid heeft onderzocht en wat
haar oordeel hieromtrent is, alsmede, indien van toepassing, de dag,
bedoeld in het eerste lid, vierde volzin. De overdracht vindt plaats
zodra de verstrekte gegevens en bewijsstukken naar het oordeel van de
Centrale organisatie werk en inkomen juist, volledig en consistent zijn,
doch in elk geval binnen een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen termijn na de aanvraag of aangifte. De Centrale organisatie werk
en inkomen doet tegelijkertijd van deze overdracht schriftelijk
mededeling aan belanghebbende.
-4. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid.
-5. Artikel 4:5
van de
Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing ten aanzien van
de uitvoering van dit artikel door de Centrale organisatie werk en
inkomen.
Art.
29.
Het
verstrekken van gegevens in verband met een uitkeringsaanvraag
-1. De belanghebbende verstrekt de
gegevens en de bewijsstukken, bedoeld in artikel
28, tweede lid, aan de Centrale organisatie werk en
inkomen en deelt op verzoek van deze organisatie of onverwijld uit
eigen beweging overigens alle feiten en omstandigheden mee, waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op uitkering, toeslag of bijstand, het geldend maken van het
recht op uitkering, toeslag of bijstand, of de hoogte of de duur van de
uitkering, toeslag of bijstand.
-2. De verplichting van het eerste lid
geldt tot het tijdstip van ontvangst van de mededeling van de Centrale
organisatie werk en inkomen, bedoeld in artikel
28, derde lid, derde zin.
HOOFDSTUK
5
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Art.
30.
Taken van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak:
a. uitvoering geven aan de wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke
ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekering, de Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Toeslagenwet, de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, alsmede wetten die de uitvoering van deze
wetten beheersen, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens enige
wet aan anderen is opgedragen;
b. te bevorderen dat personen die een uitkering ontvangen op
grond van wetten als bedoeld in onderdeel a worden ingeschakeld
in het arbeidsproces;
c. beheren en administreren van de in artikel 1,
onderdeel l, subonderdeel 1 tot en met 3 en 7 tot en met 12,
bedoelde fondsen;
d. zorg dragen voor gevraagde en ongevraagde verstrekking
van deugdelijke informatie aan werkgevers, werknemers,
uitkeringsgerechtigden, verzekerden, werkzoekenden, regionale platforms,
bedoeld in artikel 23, en andere belanghebbenden in
verband met de uitvoering van de in onderdeel a
genoemde verzekeringen en wetten alsmede de in onderdeel b
bedoelde taak;
e. op verzoek van een werkgever of een werknemer een
onderzoek instellen naar en een oordeel geven over het bestaan van
ongeschiktheid tot werken indien de werknemer een geschil heeft met zijn
werkgever over de ongeschiktheid tot werken;
f. op verzoek van een werkgever of een werknemer een
onderzoek instellen naar en een oordeel geven over de aanwezigheid van
passende arbeid die de zieke werknemer voor de werkgever in staat is te
verrichten;
g. op verzoek van een werkgever of een werknemer een
onderzoek instellen naar en een oordeel geven over de vraag of de
werkgever ten aanzien van zijn zieke werknemer voldoende en geschikte
reïntegratie-inspanningen heeft verricht;
h. het uitvoeren van taken die bij of krachtens enige andere
wet dan de in onderdeel a bedoelde wetten aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn opgedragen;
i. het uitvoeren van bij ministeriële regeling aangewezen
algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen;
j. het in opdracht van Onze Minister
of uit eigen beweging verrichten van onderzoek met betrekking tot de
wettelijke taken van dit instituut;
k. het aan Onze Minister op zijn verzoek verstrekken van de
inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid
van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften, voor zover deze
betrekking hebben op onderwerpen als bedoeld in dit artikel;
l. op verzoek van een werkgever of een werknemer informatie
verstrekken over de socialeverzekeringsaspecten van
arbeidsongeschiktheid en reïntegratie.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen draagt zorg voor de inrichting en instandhouding
van vestigingen waarin de taken van dit instituut worden uitgevoerd, op
een wijze waardoor het voldoende bereikbaar is.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan bepalen dat één of meer van haar
wettelijke taken worden uitgevoerd in één of een beperkt aantal
vestigingen.
-4. Een besluit ter uitvoering van het
tweede of derde lid behoeft goedkeuring van Onze Minister en wordt na
goedkeuring, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
gepubliceerd in de Staatscourant.
Art.
31.
Non-discriminatiecode Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 30,
eerste lid, waakt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen discriminatie en
stelt daartoe een non-discriminatiecode vast, waarin in ieder geval
aandacht wordt besteed aan discriminatie wegens ras, etnische
afstamming, sekse, seksuele geaardheid, leeftijd en handicap.
Art.
32.
Onderzoek
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan voor een onderzoek
als bedoeld in
artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f of g,
kosten in rekening brengen bij de werkgever of de werknemer die heeft
verzocht dit onderzoek in te stellen.
-2. Indien een werkgever verzoekt een
onderzoek als bedoeld in artikel 30, eerste lid,
onderdeel e, in te stellen, geeft het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen slechts een oordeel over het bestaan van de
ongeschiktheid tot werken van een bepaalde werknemer indien deze
werknemer bereid is zich hiertoe te laten onderzoeken.
Art.
33.
Verzekerdenadministratie en informatieverstrekking
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert een adequate
administratie ten behoeve van de uitoefening van zijn taak.
-2. In de administratie van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt:
a. aantekening gehouden van de werkgevers in de zin van de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, verzekerden en
uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 1,
onderdeel n, aanhef en onder 2º, waarvoor dit instituut wetten
uitvoert;
b. het sociaal-fiscaal nummer opgenomen van de persoon die
verzekerd of uitkeringsgerechtigd is op grond van een wet die door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt uitgevoerd.
-3. Het sociaal-fiscaal nummer van een
persoon dient tevens als registratienummer voor de verzekerde en de
uitkeringsgerechtigde, bedoeld in artikel
1, onderdeel n, aanhef en onder 2º, bij de uitvoering van de
in artikel
30, eerste lid, onderdeel a, genoemde verzekeringen en wetten
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen meldt aan de verzekerde zo spoedig mogelijk dat
de hem betreffende gegevens in de administratie zijn opgenomen.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt aan de verzekerde en aan de
uitkeringsgerechtigde, bedoeld in artikel 1, onderdeel n,
aanhef en onder 2º, periodiek een overzicht van de hem betreffende
gegevens die in de administratie zijn opgenomen.
-6. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld:
a. waarin wordt bepaald dat de in het eerste en tweede lid
bedoelde verplichtingen niet gelden in bijzondere gevallen, die in die
ministeriële regeling worden omschreven;
b. omtrent de inrichting van de administratie van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
c. omtrent het vierde en vijfde lid.
HOOFDSTUK
6
De
Sociale verzekeringsbank
Art.
34.
Taken van de
Sociale verzekeringsbank
-1. De Sociale verzekeringsbank
heeft tot taak:
a. de Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Algemene Kinderbijslagwet,
alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, uit te
voeren, voor zover die uitvoering niet bij of krachtens enige andere wet
aan anderen is opgedragen;
b. beheren en administreren van de in artikel 1,
onderdeel l, subonderdeel 4 tot en met 6, bedoelde fondsen;
c. zorg dragen voor gevraagde en ongevraagde verstrekking
van deugdelijke informatie aan werkgevers, werknemers,
uitkeringsgerechtigden, verzekerden en andere belanghebbenden in verband
met de uitvoering van de in onderdeel a genoemde wetten;
d. het uitvoeren van taken die bij of krachtens enige andere
wet dan de in onderdeel a bedoelde wetten aan de Sociale
verzekeringsbank zijn opgedragen;
e. het uitvoeren van bij ministeriële regeling aangewezen
algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen;
f. het in opdracht van Onze Minister
of uit eigen beweging verrichten van onderzoek met betrekking tot de
wettelijke taken van deze organisatie;
g. het aan Onze Minister op zijn verzoek verstrekken van de
inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid
van beleidsvoornemens en wettelijke voorschriften, voor zover deze
betrekking hebben op onderwerpen als bedoeld in dit artikel.
-2. De Sociale verzekeringsbank draagt
zorg voor de inrichting en instandhouding van vestigingen waarin de
taken van deze bank worden uitgevoerd, op een wijze waardoor zij
voldoende bereikbaar is.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan
bepalen dat één of meer van haar wettelijke taken worden uitgevoerd in
één of een beperkt aantal vestigingen.
-4. Een besluit ter uitvoering van het
tweede of derde lid behoeft goedkeuring van Onze Minister en wordt na
goedkeuring door de Sociale verzekeringsbank gepubliceerd in de Staatscourant.
Art.
35.
Verzekerdenadministratie
-1. De Sociale verzekeringsbank
voert een adequate administratie ten behoeve van de uitoefening van haar
taak.
-2. In de administratie van de Sociale
verzekeringsbank wordt het sociaal-fiscaal nummer opgenomen van degene
die verzekerd of uitkeringsgerechtigd is op grond van een wet die door
de Sociale verzekeringsbank wordt uitgevoerd.
-3. Het sociaal-fiscaal nummer van een
persoon dient tevens als registratienummer voor de verzekerde en de
uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het tweede lid.
-4. Voor de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet
wordt in de administratie van de Sociale verzekeringsbank het
sociaal-fiscaal nummer van het kind voor wie de verzekerde recht op
kinderbijslag heeft, opgenomen en gebruikt als registratienummer.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld:
a. waarin wordt bepaald dat de in het tweede, derde en
vierde lid bedoelde verplichtingen niet gelden in bijzondere gevallen
die in die regels worden omschreven;
b. omtrent de inrichting van de administratie van de Sociale
verzekeringsbank.
HOOFDSTUK
7
Toezicht
Art.
36.
Toezicht door
Inspectie Werk en Inkomen
-1. Er is een Inspectie Werk en
Inkomen die onder Onze Minister
ressorteert. Aan het hoofd van de Inspectie staat de
inspecteur-generaal.
-2. Het toezicht op de uitvoering van de
taken die bij of krachtens deze wet of enige andere wet zijn opgedragen
aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend
door de Inspectie Werk en Inkomen.
Art.
37.
Taken van de
Inspectie Werk en Inkomen
De Inspectie Werk en
Inkomen is belast met:
a. het toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid,
waaronder begrepen doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of
krachtens deze wet of enige andere wet aan de Centrale organisatie werk en inkomen,
de Raad voor werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank opgedragen taken;
b. het toezicht op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van
de uitvoering van de taken, opgedragen aan burgemeester en wethouders
bij en krachtens de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet financiering
Abw,
Ioaw en Ioaz, de Wet sociale werkvoorziening,
de
Wet
inschakeling werkzoekenden en de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars;
c. het toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid,
waaronder begrepen doeltreffendheid van de wijze waarop de Centrale
organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank met elkaar en met
burgemeester en wethouders van de
gemeenten bij de uitvoering van de aan hen opgedragen taken
samenwerken;
d. het verrichten van andere bij of krachtens een wet aan de
Inspectie Werk en Inkomen opgedragen taken.
Art.
38.
Jaarplan,
jaarverslag en rapportages van Inspectie Werk en Inkomen
-1. De Inspectie Werk en
Inkomen legt eens per vier jaar vóór 1 juli een meerjarig
toezichtsplan en jaarlijks vóór 1 juli een plan van werkzaamheden aan Onze Minister
voor. De Inspectie Werk en Inkomen stelt deze plannen, nadat daarover
met Onze Minister overleg is gepleegd, vast.
-2. Jaarlijks vóór 1 mei stelt de
Inspectie Werk en Inkomen een verslag op over de uitkomsten van de
toezichtswerkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Onze Minister
brengt het jaarverslag, voorzien van zijn oordeel, vóór de derde
woensdag in mei ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
-3. Eens per twee jaar vóór bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen tijdstippen stelt de Inspectie Werk en
Inkomen een verslag op over de naleving en de effectiviteit van de artikelen 22
en 31.
-4. Onze Minister brengt de bescheiden,
bedoeld in het eerste en derde lid, alsmede alle overige, door de
Inspectie Werk en Inkomen relevant geachte, rapportages, in de vorm
waarin deze hem zijn voorgelegd en voorzien van zijn oordeel, binnen
vier weken na ontvangst, ter kennis aan de beide kamers der
Staten-Generaal.
Art.
39.
Andere taken
-1. De Inspectie Werk en
Inkomen is met betrekking tot de haar bij of krachtens de wet
opgedragen taken bevoegd tot het verrichten van niet in het jaarplan
opgenomen of aanvullende werkzaamheden, nadat daarover met Onze Minister
is overlegd.
-2. Indien Onze Minister overweegt de
Inspectie Werk en Inkomen toestemming voor werkzaamheden als bedoeld in
het eerste lid te onthouden dan wel aan de Inspectie Werk en Inkomen
andere dan de in dit hoofdstuk genoemde of in het jaarplan opgenomen
taken op te dragen, geeft hij van dit voornemen kennis aan de beide
kamers der Staten-Generaal en geeft hij daaraan niet eerder uitvoering
dan vier weken na die kennisgeving.
Art.
40.
Voorlichting
en communicatie
-1. De Inspectie Werk en
Inkomen draagt zorg voor de verspreiding van het jaarverslag en de
overige rapportages, bedoeld in artikel 38, en
verzorgt de voorlichting over de daarin opgenomen bevindingen.
-2. De Inspectie Werk en Inkomen geeft niet eerder uitvoering
aan het eerste lid dan nadat Onze Minister
het desbetreffende jaarverslag of de desbetreffende rapportage openbaar
heeft gemaakt.
Art.
41.
Toezichtbaarheidstoets
De Inspectie Werk en
Inkomen beoordeelt op verzoek van Onze Minister
de mogelijkheden van het houden van toezicht op de rechtmatigheid en
doelmatigheid van de uitvoering van beleidsvoornemens en voorgenomen
wettelijke voorschriften door de in artikel 37,
eerste lid, genoemde bestuursorganen, alsmede beleidsvoornemens en
voorgenomen wettelijke voorschriften met betrekking tot andere taken,
als bedoeld in artikel
37, eerste lid, onderdeel d.
Art.
42.
Gegevensverstrekking aan de Inspectie Werk en Inkomen
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, de Raad voor werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken op verzoek, kosteloos, aan de Inspectie Werk en
Inkomen alle gegevens en inlichtingen die voor de uitoefening van
haar taak noodzakelijk zijn.
-2. De in het eerste lid genoemde
rechtspersonen verlenen de Inspectie Werk en Inkomen op verzoek toegang
tot en inzage in gegevens en bescheiden voor zover dat voor de
uitoefening van haar taak noodzakelijk is.
-3. De Inspectie Werk en Inkomen bepaalt
de termijn waarbinnen en de wijze waarop aan de in het eerste en tweede
lid bedoelde verplichtingen wordt voldaan.
-4. Indien naar het oordeel van de
Inspectie Werk en Inkomen gerede twijfel bestaat omtrent de volledigheid
of juistheid van de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekte stukken als bedoeld in artikel
49, voor zover dit betreft de rechtmatige en doelmatige besteding
van door dat instituut ter beschikking gestelde financiële middelen ten
behoeve van de inschakeling van werkzoekenden, uitkeringsgerechtigden en
arbeidsgehandicapten in de arbeid, kan zij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen opdragen bij de natuurlijke of rechtspersoon die
deze middelen heeft besteed, ter verificatie een nader onderzoek te doen
instellen door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek die bij de verstrekte informatie niet
betrokken is geweest. De Inspectie Werk en Inkomen bepaalt welke
aspecten van de verstrekte informatie geverifieerd dienen te worden en
de termijn waarbinnen het onderzoek wordt verricht.
Art.
43.
Kennisgeving
besluiten
Onze Minister kan regels stellen waarin
besluiten van de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank worden omschreven die overeenkomstig die regels,
binnen de in die regels gestelde termijnen, ter kennis van de Inspectie Werk en
Inkomen worden gebracht.
Art.
44.
Inrichting en
positie Inspectie Werk en Inkomen
-1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
taakuitoefening, de inrichting en het beheer van de Inspectie Werk en
Inkomen en haar positie binnen de departementale organisatie.
-2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
HOOFDSTUK
8
Financiële
bepalingen, planning en verslaglegging
Art.
45.
Uitvoeringskosten
-1. De uitvoeringskosten van de Raad voor werk en
inkomen en de Centrale organisatie werk en
inkomen komen ten laste van de daartoe door Onze Minister
toegekende rijksbijdrage.
-2. De uitvoeringskosten van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen komen ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, het Reïntegratiefonds,
het Toeslagenfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de
wachtgeldfondsen, alsmede van de Algemene Kas, genoemd in artikel
1q van de Ziekenfondswet, en de Sociaal-Economische
Raad.
-3. De uitvoeringskosten van de Sociale verzekeringsbank
komen ten laste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het
Algemeen Kinderbijslagfonds.
-4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de
toerekening van de uitvoeringskosten aan de in het tweede en derde lid
genoemde fondsen en instellingen.
Art.
46.
Begroting, jaarplannen en meerjarenbeleidsplannen
-1. De Raad voor werk en
inkomen, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank stellen ieder elk jaar een begroting en een
jaarplan voor het komende kalenderjaar vast en bieden dit vóór een
door hem vast te stellen datum aan Onze Minister
aan. Besluiten tot vaststelling van het jaarplan en van de begroting
behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
-2. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank stellen ieder elk jaar een meerjarenbeleidsplan vast,
dat betrekking heeft op de vier jaren die volgen op het jaar waarop het
in het eerste lid bedoelde jaarplan betrekking heeft, en bieden dit
vóór een door hem vast te stellen datum aan Onze Minister aan.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de indiening van de begroting en ontwerpen
daarvan, het jaarplan en het meerjarenbeleidsplan.
-4. Onze Minister brengt de in het eerste
en tweede lid bedoelde plannen alsmede zijn oordeel over die plannen
jaarlijks ter kennis van de beide kamers der Staten-Generaal.
-5. De Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank kunnen slechts
afwijken van het jaarplan indien Onze Minister het besluit tot afwijking
van het jaarplan heeft goedgekeurd.
-6. Een besluit tot wijziging van de
begroting behoeft de goedkeuring van Onze Minister, tenzij de wijziging,
gerekend over het betrokken begrotingsjaar, een bedrag van 5 procent van
het in artikel 48 bedoelde budget niet
overschrijdt. In dat geval wordt het besluit ter kennis gebracht van
Onze Minister.
Art.
47.
Inhoud
begroting
-1. De begroting behelst een raming van
de baten en lasten, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven
en een raming van de inkomsten en uitgaven.
-2. De begrotingsposten worden ieder
afzonderlijk van een toelichting voorzien.
-3. Uit de toelichting blijkt steeds
welke begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of
krachtens de wet opgedragen taken dan wel op andere activiteiten.
-4. Tenzij de activiteiten waarop de
begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, behelst de
begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de
laatst goedgekeurde jaarrekening.
Art.
48.
Vaststelling
budget uitvoeringskosten en budgetdiscipline
-1. Onze Minister
stelt jaarlijks vóór 1 december het budget voor de uitvoeringskosten
van de Raad voor werk en
inkomen, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank voor het eerstvolgende kalenderjaar vast.
-2. Onze Minister kan besluiten het
budget voor de uitvoeringskosten van de Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank te wijzigen.
-3. Indien gedurende het jaar
aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de
werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven,
doet de desbetreffende rechtspersoon daarvan onverwijld mededeling aan
Onze Minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
-4. De Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank gaan met
betrekking tot de uitvoering van verzekeringen en wetten
geen verplichtingen aan en doen geen uitgaven die leiden tot
overschrijden van het voor hen vastgestelde budget voor de
uitvoeringskosten.
-5. Wanneer het budget voor de
uitvoeringskosten van de in het eerste lid genoemde rechtspersonen niet
is vastgesteld vóór 1 januari van het kalenderjaar waarop de begroting
betrekking heeft, zijn deze rechtspersonen bevoegd, teneinde hun
activiteiten gaande te houden, te beschikken over ten hoogste een derde
gedeelte van het budget dat laatstelijk voor hen voor een geheel jaar is
vastgesteld.
-6. Onze Minister kan besluiten dat een
in het tweede lid genoemde rechtspersoon, in een geval als bedoeld in
het vijfde lid, kan beschikken over meer dan een derde gedeelte van het
budget dat laatstelijk voor deze rechtspersoon voor een geheel jaar is
vastgesteld.
Art.
49.
Jaarverslag, jaarrekening, accountantscontrole en kwartaalverslagen
-1. De Raad voor werk en
inkomen, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank stellen jaarlijks een jaarverslag en een
jaarrekening op en bieden deze vóór 15 maart aan Onze Minister
aan.
-2. De Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank beschrijven in
hun jaarverslag de taakuitoefening en het gevoerde beleid in het
afgelopen jaar en, voor zover het betreft de genoemde bestuursorganen,
de mate waarin de doelstellingen van de bij of krachtens de wet gestelde
regels werden bereikt.
-3. De Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank leggen in hun
jaarrekening rekening en verantwoording af over het financieel beheer
en, voor zover het betreft de genoemde bestuursorganen, in elk geval
over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van de
verzekeringen en
wetten in het verstreken boekjaar. De
jaarrekening wordt ingericht zoveel mogelijk met overeenkomstige
toepassing van titel 9 van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
-4. De jaarrekening gaat vergezeld van
een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de
desbetreffende rechtspersoon aangewezen accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van
Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant
bedingt de rechtspersoon dat aan Onze Minister desgevraagd inzicht wordt
geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.
-5. De verklaring, bedoeld in het vierde
lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige verkrijging en besteding
van de middelen door de rechtspersoon.
-6. De accountant voegt bij de
verklaring, bedoeld in het vierde lid, tevens een verslag van zijn
bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de
rechtspersoon voldoen aan eisen van doelmatigheid.
-7. Het besluit tot vaststelling van de
jaarrekening behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
-8. Uiterlijk zes weken na het
verstrijken van elk kwartaal bieden de Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank aan Onze Minister
een kwartaalverslag over dat verstreken kwartaal aan.
-9. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de jaarrekening, de verklaring, bedoeld in
het vierde lid, en het aan die verklaring ten grondslag liggende
onderzoek, het jaarverslag en het kwartaalverslag.
-10. Onze Minister brengt de
jaarrekeningen en jaarverslagen van de Raad voor werk en inkomen, de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank alsmede zijn
oordeel daaromtrent jaarlijks vóór de derde woensdag in mei ter kennis
van de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
50.
Beheer en
administratie fondsen
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank beheren en administreren elk fonds, met
uitzondering van het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de
wachtgeldfondsen, afzonderlijk.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen beheert het Uitvoeringsfonds voor de overheid en
de wachtgeldfondsen gezamenlijk en administreert het Uitvoeringsfonds
voor de overheid en elk wachtgeldfonds afzonderlijk.
-3. Indien met betrekking tot een fonds
de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt
uit een ander fonds.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank houden, elk
afzonderlijk, de financiële middelen die deel uitmaken van hun fondsen
aan in één of meer rekeningen-courant bij Onze Minister van
Financiën.
-5. In afwijking van het vierde lid
kunnen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank een deel van de in het vierde lid bedoelde financiële
middelen buiten de in het vierde lid bedoelde rekeningen-courant houden.
-6. Bij ministeriële regeling van Onze Minister
worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, na overleg
met de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, regels gesteld betreffende de omvang van het in
het vijfde lid bedoelde deel van de financiële middelen.
-7. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen, in overeenstemming met Onze Minister, nadere regels
worden gesteld omtrent het vierde tot en met het zesde lid.
Art.
51.
Beschikking
over financiële middelen en informatieverstrekking
rekening-courant
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank kunnen, voor de uitvoering van hun wettelijke
taken, beschikken over de financiële middelen die zij in
rekening-courant bij Onze Minister van Financiën
aanhouden.
-2. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën worden, in overeenstemming met
Onze Minister, na overleg met het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, regels gesteld omtrent de rente die over de saldi van
de in artikel 50, vierde lid, bedoelde
rekeningen-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt
gebracht.
-3. Onze Minister van Financiën brengt
voor het beheer van de in artikel 50, vierde lid,
bedoelde rekeningen-courant geen kosten in rekening.
-4. Bij een tekort aan financiële
middelen maken het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de
Sociale verzekeringsbank uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten
die door Onze Minister van Financiën worden verleend.
-5. Onze Minister van Financiën
informeert dagelijks het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
de Sociale verzekeringsbank ten aanzien van de in artikel
50, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met
betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de
desbetreffende rekening-courant.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank informeren Onze
Minister van Financiën ten aanzien van de in artikel
50, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met
betrekking tot de prognoses van de saldi van de desbetreffende
rekening-courant.
-7. Bij regeling van Onze Minister van
Financiën kunnen, in overeenstemming met Onze Minister, na overleg met
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, nadere regels worden gesteld omtrent het vijfde en
zesde lid.
-8. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank beheerde fondsen betreffende:
a. de onderscheiding van het vermogen van het fonds in
verschillende bestanddelen en de normen tot vaststelling van de omvang
van deze bestanddelen;
b. de vorming, omvang en instandhouding van reserves.
Art.
52.
Financiële
rapportage
-1. Jaarlijks vóór bij ministeriële
regeling vast te stellen tijdstippen zenden het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank aan Onze Minister
met betrekking tot elk fonds afzonderlijk:
a. een rapportage van de ontwikkelingen die zich tot op dat
moment hebben voorgedaan met betrekking tot de financiële middelen en
de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de te verwachten uitgaven uit elk
afzonderlijk fonds in het eerstvolgend kalenderjaar.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de aard en inrichting van de in het eerste
lid bedoelde rapportage en de begroting van uitgaven.
Art.
53.
Regels
omtrent afdracht van gelden door het Rijk
Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, regels worden gesteld over de wijze waarop en de
voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen
die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd.
HOOFDSTUK
9
Informatiebepalingen
Art.
54.
Verstrekking van gegevens aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de Raad voor werk en inkomen, de Inspectie Werk en
Inkomen en de minister
-1. Een ieder verstrekt op verzoek aan
de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en Onze Minister
en de
Inspectie Werk en
Inkomen, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van bij of krachtens deze wet of enige andere
wet door het desbetreffende bestuursorgaan en de Inspectie Werk en
Inkomen uit te voeren taken ten opzichte van:
a. de betrokken persoon zelf;
b. de persoon in wiens dienst dan wel ten behoeve van wie
hij werkt of gewerkt heeft;
c. de persoon die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve
werkt of gewerkt heeft.
-2. Een ieder kan uit eigen beweging de
in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen aan de in het eerste
lid bedoelde bestuursorganen en aan de Inspectie Werk en Inkomen
verstrekken.
-3. Alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde
taken worden aan de in dat lid genoemde bestuursorganen en aan de
Inspectie Werk en Inkomen op verzoek, kosteloos, tevens verstrekt door:
a. de gemeentebesturen;
b. de belastingdienst;
c. de arbodienst, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
d. het College voor zorgverzekeringen,
genoemd in
artikel
1a van de Ziekenfondswet, de
ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen,
bedoeld in
artikel 4 van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. de bedrijfstakpensioenfondsen,
ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering
van een regeling inzake vervroegd uittreden, en andere organen belast
met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens
artikel 6 van de
Toeslagenwet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met
dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid,
geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet
1996 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke
marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn
vrijheid is ontnomen;
i. de door Onze Minister aangewezen ambtenaren als bedoeld
in artikel 14 van de Wet
arbeid vreemdelingen en artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998;
j. griffiers van colleges, geheel of ten dele met
rechtspraak belast, desgevraagd in de vorm van uittreksels uit of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken.
-4. De in het eerste en derde lid
bedoelde gegevens en inlichtingen worden op verzoek, binnen de daarbij
gestelde termijn, verstrekt in schriftelijke vorm of in een andere vorm
die redelijkerwijs kan worden verlangd.
-5. Degene op wie de in het eerste en
derde lid bedoelde verplichting rust, geeft op verzoek aan een
bestuursorgaan als bedoeld in het eerste lid, alsmede aan de Inspectie
Werk en Inkomen, inzage in alle bescheiden en andere gegevensdragers,
stelt deze op verzoek ter beschikking voor het nemen van afschrift en
verleent de ter zake verlangde medewerking, voor zover dit noodzakelijk
is voor de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken door het
in dat lid bedoelde bestuursorgaan en de Inspectie Werk en Inkomen.
-6. Onze Minister verstrekt aan de Raad voor werk en
inkomen gegevens en inlichtingen die deze raad nodig heeft voor de
uitoefening van zijn taak.
-7. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de verstrekking door de Centrale organisatie werk
en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en gemeenten aan de Raad
voor werk en inkomen van gegevens en inlichtingen die deze raad nodig
heeft voor de uitoefening van zijn taak.
-8. Onze Minister van Justitie verstrekt
ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige
opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, aan de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, waarbij hij gebruik kan maken van het
sociaal-fiscaal nummer.
Art.
55.
Vaststelling
identiteit
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
stellen bij de uitoefening van hun taak de identiteit van de
belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel
1 van de Wet
op de identificatieplicht, voor zover dit noodzakelijk is voor de
uitoefening van die taak.
-2. Een ieder verstrekt op verzoek
onverwijld aan de in het eerste lid genoemde rechtspersonen inzage in
een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht of een geldig rijbewijs als bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van wettelijke taken door de
betrokken rechtspersoon.
-3. De werkgever in de zin van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
stelt bij de uitvoering van zijn verplichting, bedoeld in artikel 60,
tweede lid, de identiteit van de verzekerde vast aan de hand van een
document als bedoeld in artikel 1 van de Wet
op de identificatieplicht en neemt daarvan de aard, het nummer en
een afschrift op in de administratie. De verzekerde verstrekt dit
document daartoe aan de werkgever, bedoeld in de eerste zin, ter inzage
en stelt hem in de gelegenheid daarvan afschrift te maken.
-4. De werkgever, bedoeld in het derde
lid, verstrekt een afschrift van het document, bedoeld in het derde lid,
aan de werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de
Wet arbeid
vreemdelingen, indien de verzekerde ten behoeve van die werkgever
een vreemdeling is als bedoeld in laatstgenoemde wet. Het afschrift
wordt onverwijld verstrekt na de aanvang van de arbeid door de
vreemdeling.
-5. De werkgever treft in zijn bedrijf
zodanige maatregelen dat de daar werkzame personen gedurende de
arbeidstijd aan de verplichting, bedoeld in het tweede lid, kunnen
voldoen.
Art.
56.
Melding door
de Centrale organisatie werk en inkomen van het niet
nakomen van verplichtingen
-1. De Centrale
organisatie werk en inkomen geeft, indien deze organisatie het
gegronde vermoeden heeft dat een belanghebbende de verplichting tot het
verstrekken van inlichtingen op grond van artikel 28,
tweede lid, en
29, eerste lid, niet nakomt of anderszins onvoldoende
medewerking verleent, dan wel dat een werknemer in de zin van de Werkloosheidswet
een verplichting hem opgelegd op grond van de artikelen
24, eerste lid, onderdeel
b, of 26, eerste lid, onderdeel d, e, f
of i, van die wet niet nakomt, dan wel
dat een omstandigheid als bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, artikel
20, eerste lid of derde lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers of artikel 20,
eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
zich voordoet, hiervan onverwijld kennis aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk
burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,
onder vermelding van de gronden waarop het vermoeden steunt. De
kennisgeving wordt schriftelijk of langs elektronische weg vastgelegd.
-2. De Centrale organisatie werk en
inkomen geeft overeenkomstig het eerste lid kennis aan de
Sociale verzekeringsbank dat een
omstandigheid als bedoeld in
artikel 7, zesde lid, tweede zin, van de Algemene Kinderbijslagwet
zich voordoet.
Art.
57.
Melding in
verband met aanspraak op wettelijk geldend minimumloon
De Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank
geeft, indien deze rechtspersoon het gegronde vermoeden heeft dat het
uitbetaalde loon en de vakantiebijslag van een verzekerde minder
bedragen dan waarop hij op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag als minimumloon
aanspraak heeft, hiervan onverwijld schriftelijk kennis aan de
verzekerde en aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 18b van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art.
58.
Meldingen
door werkgever aan Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
-1. De werkgever in de zin van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
geeft, indien een verzekerde weigert de op grond van
artikel 60, tweede lid, verlangde gegevens en inlichtingen aan die
werkgever te verstrekken, hiervan onverwijld kennis aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. De werkgever, bedoeld in het eerste
lid, deelt de aanvang of beëindiging van werkzaamheden door een
verzekerde, alsmede de wijziging in de arbeidsverhouding met de
verzekerde, mede aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art.
59.
Meldingen
door verzekerde aan Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
-1. De verzekerde of de
uitkeringsgerechtigde, bedoeld in artikel 1, onderdeel n,
aanhef en onder 2º, doet, indien de melding of het overzicht, bedoeld
in artikel
33, vierde of vijfde lid, gegevens bevat die niet juist of niet
volledig zijn, hiervan terstond na ontvangst van deze melding of dit
overzicht schriftelijk mededeling aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. De verzekerde die de in artikel 33,
vierde lid, bedoelde melding niet binnen de in dat artikel bedoelde
periode heeft ontvangen en redelijkerwijs kon weten dat hij deze melding
had behoren te ontvangen, doet hiervan onverwijld schriftelijk
mededeling aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. De verzekerde die weet of
redelijkerwijs kon weten dat de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
niet of niet op de juiste wijze voldoet aan een hem in artikel
58, tweede lid, of artikel 60, tweede lid,
opgelegde verplichting, doet hiervan onverwijld schriftelijk mededeling
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art.
60.
Verzekerdenadministratie van de werkgever
-1. De werkgever in de zin van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
voert een zodanige administratie dat hij aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen kan
verstrekken die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de in
artikel 30 bedoelde taak.
-2. De werkgever, bedoeld in het eerste
lid, verlangt van de verzekerde alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de in artikel 30
bedoelde taak door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten
aanzien van de verzekerde zelf en verstrekt deze gegevens en
inlichtingen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De
verzekerde verstrekt op verzoek aan de werkgever, bedoeld in de eerste
zin, de door deze op grond van dit lid verlangde gegevens en
inlichtingen.
Art.
61.
Melding bij
vermoeden van misdrijf
De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
zijn verplicht, indien zij bij de uitvoering van deze wet het gegronde
vermoeden krijgen van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van deze
organen of een ander orgaan, voor zover dit is belast met het verrichten
van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van
bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.
Art.
62.
Gegevensverstrekking door de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en de gemeenten
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank
en burgemeester en wethouders van de
gemeenten verstrekken elkaar uit eigen
beweging en op verzoek, kosteloos, alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken die bij of krachtens
deze wet of enige andere wet aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en bij of krachtens de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet
inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
aan burgemeester en wethouders van de gemeenten is opgedragen. Zij maken
daarbij gebruik van het sociaal-fiscaal nummer van de personen op wie de
gegevens betrekking hebben.
-2. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
burgemeester en wethouders van de gemeenten maken bij de uitvoering van
de taken die bij of krachtens deze wet of enige andere wet aan de
Centrale organisatie werk en inkomen of het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en bij of krachtens de Algemene bijstandswet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aan burgemeester en wethouders
van de gemeenten is opgedragen, gebruik van een elektronische
infrastructuur die daartoe door hen en Onze Minister
wordt ingericht en in stand gehouden.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld omtrent het gebruik van de in het
tweede lid bedoelde infrastructuur door Onze Minister en de Inspectie Werk en
Inkomen in verband met de toepassing van de
artikelen 42, 43, 54 en 72
van deze wet.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen het
eerste en tweede lid van toepassing worden verklaard op de uitvoering
van andere dan de in het eerste en tweede lid genoemde wetten door
burgemeester en wethouders van de gemeenten.
Art.
63.
Het
Inlichtingenbureau
-1. Het Inlichtingenbureau
is belast met de coördinatie en dienstverlening ten behoeve van de
gemeenten bij de toepassing van artikel 62.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het Inlichtingenbureau,
in ieder geval over de taken en de financiering van en het gebruik van
het sociaal-fiscaal nummer door deze instelling.
Art.
64.
Gegevensregister SUWI
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en, door tussenkomst
van het
Inlichtingenbureau, burgemeester en
wethouders van
gemeenten verstrekken elkaar met gebruik van
Suwinet gegevens overeenkomstig het Gegevensregister SUWI.
-2. Bij ministeriële regeling wordt het
Gegevensregister SUWI vastgesteld.
Art.
65.
Gegevensverkeer met reïntegratiebedrijven
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de aard, definities, de structuur en de schrijfwijze van de gegevens
welke uitgewisseld worden tussen het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel burgemeester
en wethouders van gemeenten enerzijds en een
natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert anderzijds.
Art.
66.
Stelselontwerp Suwinet
-1. Bij ministeriële regeling wordt het
Stelselontwerp Suwinet vastgesteld.
-2. Het Stelselontwerp Suwinet bevat ten
minste een beschrijving van:
a. de modaliteiten waarin gegevens worden uitgewisseld;
b. de inrichting van een Personenverwijsbestand door de Centrale organisatie werk en
inkomen en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
c. de inrichting van een Personenverwijsbestand door het Inlichtingenbureau
ten behoeve van burgemeester en wethouders van gemeenten;
d. de protocollen en standaards die worden ondersteund door
Suwinet;
e. de inhoud en de structuur van standaardberichten welke
via Suwinet worden uitgewisseld;
f. de inrichting van een toegangsmachtigingsadministratie
door de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, het Inlichtingenbureau en burgemeester en
wethouders van gemeenten.
Art.
67.
Beheertaken Suwinet
-1. Onze Minister
kan een rechtspersoon aanwijzen die beheertaken ten behoeve van het
Suwinet uitvoert. Onze Minister kan aan deze rechtspersoon een
rijksbijdrage toekennen voor de uitvoering van deze taken.
-2. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld omtrent de organisatie van het beheer van Suwinet
respectievelijk van onderscheiden onderdelen daarvan door de Centrale organisatie werk en inkomen,
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Inlichtingenbureau,
burgemeester en wethouders van gemeenten en
de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en kunnen nadere regels
worden gesteld omtrent het eerste lid.
Art.
68.
Jaarlijks
verslag
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Inlichtingenbureau
en de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 67, stellen jaarlijks in een verslag de aard
en frequentie van de uitwisseling van gegevens met behulp van Suwinet
vast.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels gesteld worden omtrent het eerste lid.
Art.
69.
Toerekening
van kosten
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
toerekening van de kosten van de inrichting, de instandhouding en het
gebruik van Suwinet aan de Centrale organisatie werk en inkomen,
het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en burgemeester en
wethouders van gemeenten.
Art.
70.
Sociale
verzekeringsbank
Bij ministeriële regeling kunnen de artikelen 63 tot en met 69
van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de Sociale verzekeringsbank.
Art.
71.
Overleg over
nadere regels
Alvorens regels worden gesteld op grond van de artikelen 63,
tweede lid, 64, tweede lid,
65, 66, eerste lid, 67,
tweede lid,
68, tweede lid, 69 of 70
stelt
Onze Minister de
Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de
Sociale verzekeringsbank en een door hem
aangewezen rechtspersoon die de gemeenten
vertegenwoordigt, in de gelegenheid hierover met hem overleg te voeren.
Art.
72.
Gegevensverstrekking door de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
aan de minister
De Raad voor werk en
inkomen, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken op verzoek, kosteloos, aan Onze Minister
alle gegevens en inlichtingen die voor de uitoefening van zijn taak
noodzakelijk zijn. Zij verlenen hem op verzoek toegang tot en inzage in
gegevens en bescheiden voor zover dat voor de uitoefening van zijn taak
noodzakelijk is. Onze Minister bepaalt de termijn waarbinnen en de wijze
waarop aan de in dit artikel bedoelde verplichtingen wordt voldaan.
Art.
73.
Gegevensverstrekking door de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank en de minister
-1. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank zijn bevoegd op verzoek uit de door hen gevoerde
administratie aan:
a.
bedrijfstakpensioenfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel
b, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet, ondernemingspensioenfondsen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet, verzekeraars als bedoeld in artikel 2, vierde
lid, onderdeel
b, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en beroepspensioenfondsen als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet betreffende
verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling, die
pensioenregelingen uitvoeren, alle gegevens en inlichtingen te
verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die
pensioenregelingen;
b. stichtingen die regelingen inzake vervroegd uittreden op
grond van een algemeen verbindend voorschrift uitvoeren, alle gegevens
en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van die regelingen;
c. risicofondsen of bij collectieve arbeidsovereenkomst
aangewezen instellingen of collectieve voorzieningen voor werknemers,
alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de statuten en reglementen van die fondsen of van die
bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen instellingen of
voorzieningen.
-2. Alle gegevens en inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 worden door de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank op verzoek verstrekt en kunnen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uit eigen beweging worden
verstrekt aan de arbodienst, bedoeld in die
wet.
-3. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank verstrekken kosteloos op verzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek
gegevens inzake de uitvoering van hun wettelijke taken ten behoeve van
de statistiek.
-4. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank kunnen gegevens inzake de uitvoering van hun wettelijke
taken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek
verzamelen en aan derden verstrekken.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verstrekking van
gegevens door de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale
verzekeringsbank aan bestuursorganen, instellingen en bedrijven, de
daarvoor in rekening te brengen kosten en het gebruik daarbij van de
infrastructuur, bedoeld in artikel 62, tweede lid.
Daarbij kunnen ook regels worden gesteld met betrekking tot de
verstrekking van gegevens die niet herleidbaar zijn tot individuele
natuurlijke personen.
-6. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank kunnen aan derden persoonsgegevens verstrekken indien
de persoon op wie die gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft
verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben.
-7. Onze Minister
kan aan de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank en burgemeester en wethouders van de gemeenten
alle gegevens verstrekken die zij voor een goede uitvoering van hun
wettelijke taken nodig hebben.
Art.
74.
Geheimhoudingsplicht
-1. Het is een ieder verboden hetgeen hem
uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet
over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld,
verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk
is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid vervatte verbod
is niet van toepassing indien enig wettelijk voorschrift tot
bekendmaking verplicht.
-3. Degene die op grond van de artikelen 62, 72
of 73 gegevens verstrekt, dient na te gaan of
degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs bevoegd is te
achten om die gegevens te verkrijgen.
Art.
75.
Openbaarheid
van gegevens
De door de Centrale organisatie werk en inkomen
geregistreerde gegevens zijn openbaar voor zover die van belang zijn
voor de uitoefening van de in artikel
21, onderdeel
b, genoemde taak, met dien verstande dat openbaarmaking van tot
een individuele werkzoekende of een individuele werkgever, zijnde een
natuurlijk persoon, herleidbare gegevens plaatsvindt met inachtneming
van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Art.
76.
Beveiliging
van gegevens
De Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank
dragen op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende
voorschriften zorg voor de nodige technische en organisatorische
voorzieningen ter beveiliging van hun gegevens tegen verlies of
aantasting en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging en verstrekking
van die gegevens.
Art.
77.
Nadere regels
-1. Bij ministeriële regeling worden, na
overleg met Onze Minister van
Financiën, regels gesteld met betrekking tot de artikelen 58, 59
en
60.
-2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt nadere regels
omtrent de inhoud van de gegevens die op grond van de artikelen 54, 58
en
60 aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt worden en omtrent de vorm waarin en de
wijze waarop die gegevens worden verstrekt. Deze regels worden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gepubliceerd in de Staatscourant.
-3. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld omtrent de verstrekking van inlichtingen en het
verlenen van inzage in gegevens en bescheiden door de
Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de
Sociale verzekeringsbank aan Onze Minister
en aan de Inspectie Werk en
Inkomen op grond van deze wet.
HOOFDSTUK
10
Overige
bepalingen
Art.
78.
Aanwijzingsbevoegdheid Onze Minister
-1. Onze Minister
kan de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de
Sociale verzekeringsbank aanwijzingen geven
met betrekking tot de uitoefening van hun taken. Hij treedt daarbij niet
in individuele gevallen.
-2. De Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank zijn gehouden overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in
het eerste lid, te handelen.
Art.
79.
Goedkeuringsvereiste
Indien een besluit goedkeuring behoeft op grond van deze wet of enige
andere wet die wordt uitgevoerd door de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
Sociale verzekeringsbank, kan de goedkeuring
worden onthouden op de grond dat het besluit in strijd met het recht of
met het algemeen belang is.
Art.
80.
Vernietiging
van besluiten
-1. Onze Minister
kan een besluit van de Centrale organisatie werk en inkomen,
van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en van de Sociale
verzekeringsbank vernietigen.
-2. Van het vernietigingsbesluit wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Art.
81.
Taakverwaarlozing
-1. Indien naar het oordeel van Onze Minister
de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de Sociale
verzekeringsbank zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze Minister
de noodzakelijke voorzieningen treffen.
-2. De voorzieningen worden, spoedeisende
gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat de Centrale
organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Sociale verzekeringsbank in de gelegenheid
is gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog
zijn taak naar behoren uit te voeren.
-3. Onze Minister stelt beide kamers der
Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen
voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Art.
82.
Regelgevende
bevoegdheden
-1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen, indien de spoed dat vereist, regels worden gesteld die
noodzakelijk zijn in verband met de goede uitvoering door de
Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
Sociale verzekeringsbank van hun wettelijke
taken.
-2. De voordracht voor een krachtens het
eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
-3. Na de plaatsing in het
Staatsblad van een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene
maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het
betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal
ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien één van
beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen,
wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt
het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van
bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Art.
83.
Beroepsinstantie
Tegen een besluit op grond van artikel 48, eerste,
tweede en zesde lid, kan de
Raad voor werk en
inkomen, de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
Sociale verzekeringsbank beroep instellen bij
de Centrale Raad van Beroep.
HOOFDSTUK
11
Straf-
en slotbepalingen
Art.
84.
Overtredingen
en misdrijven
-1. Overtreding van de artikelen 28,
tweede lid, en 29, eerste lid, 54,
eerste, vierde en vijfde lid, en 55, tweede, derde,
vierde en vijfde lid, van deze wet,
27a, vijfde lid, en 36,
zesde lid, van de Werkloosheidswet,
33, zesde lid, en
45a, vijfde lid, van de Ziektewet, 29a,
vijfde lid, en
57, zesde lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48,
vijfde lid, en
63, zevende lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 40,
vijfde lid, en
55, zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 14a, vijfde
lid, en 20, zesde lid, van de Toeslagenwet,
17c, vijfde lid, en 24, zesde
lid, van de Algemene
Ouderdomswet, 17a, vijfde lid,
en 24, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 39,
vijfde lid,
53, en zesde lid, van de Algemene nabestaandenwet
en 21, vierde lid,
35, vijfde lid, en 46,
vijfde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete
van de tweede categorie.
-2. Overtreding van de
artikelen 58, tweede lid, en 60 wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde
categorie.
-3. Indien overtreding van de artikelen 58,
tweede lid, en 60 opzettelijk geschiedt, wordt dit
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van
de vierde categorie, hetzij met één van deze straffen.
-4. De in het eerste en tweede lid
strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
-5. Het in het derde lid strafbaar
gestelde feit is een misdrijf.
Art.
85.
Opsporing
-1. Met de opsporing van feiten die zijn
strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens wetten
waarvan de uitvoering bij of krachtens deze wet is opgedragen aan de
Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank alsmede, voor zover het feit voor de toepassing
van deze wet, onderscheidenlijk de andere hiervoor genoemde wetten, van
belang is, van de feiten omschreven in de artikelen 225 tot en met 227b,
447b, 447c en 447d van het Wetboek
van Strafrecht zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek
van Strafvordering, belast de personen, aangewezen bij besluit van Onze
Minister van Justitie. Deze personen zijn tevens belast met de
opsporing van feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met
182 en 184 van het
Wetboek van
Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel,
vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
-2. De in het eerste lid bedoelde personen
hebben toegang tot alle plaatsen indien de betreding van die plaatsen
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
-3. Wordt aan de in het eerste lid
bedoelde personen de toegang geweigerd of belemmerd of wordt niet
geantwoord op hun aanmelding tot toelating, dan verschaffen zij zich
toegang, desnoods met inroeping van de sterke arm.
-4. Van een besluit als bedoeld in het
eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Art.
86.
Evaluatie
-1. Onze Minister
zendt gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks,
en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
-2. In het eerste verslag dat op grond van
het eerste lid wordt uitgebracht wordt in elk geval aandacht besteed
aan:
a. de werking van prikkels bij de uitvoering van deze of
enige andere wet door de Centrale organisatie werk en
inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de Sociale verzekeringsbank,
burgemeester en wethouders van de gemeenten
voor zover het de uitvoering van de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en
de Wet inschakeling werkzoekenden betreft,
alsmede de wijze waarop door middel van prikkels de doeltreffendheid van
die uitvoering kan worden bevorderd;
b. de uitvoering op grond van artikel 13
van andere dan de in deze wet bedoelde taken door de Centrale
organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank;
c. de eisen die worden gesteld aan contracten op grond
waarvan uitvoering wordt gegeven aan de taak van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de gemeente, bedoeld in
de artikelen 72 van de Werkloosheidswet,
10
van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten
en
8 van de
Wet
inschakeling werkzoekenden.
Art.
87.
Inwerkingtreding
-1. Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen
of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
-2. Indien het bij koninklijke boodschap
van 2 maart 2000 ingediende voorstel van een Tijdelijke referendumwet
(Kamerstukken II 1999-2000, 27 034) tot wet wordt verheven en in werking
treedt, en deze wet wordt bekrachtigd op of na het tijdstip van
inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet, kan bij de toepassing
van het eerste lid worden afgeweken van de artikelen 12 en 13 van de
Tijdelijke referendumwet en vindt in dat geval artikel 16 van
laatstgenoemde wet toepassing.
1. Bij Besluit
van 13 december 2001, Stb. 2001, 682, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2002, met uitzondering van de
artikelen, genoemd in artikel 1 van dat besluit, red.
Art.
88.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
29 november 2001
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achttiende
december 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|