|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 28 016
Wijziging
van enkele socialezekerheidswetten (Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Socialezekerheidswetgeving |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Ontvangen commentaren |
| 2.3 |
Inhoud van de nieuwe
regeling |
| 2.4 |
Budgettaire effecten,
administratieve lasten en personele effecten |
| 2.5 |
Administratieve lasten en
personele effecten |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Socialezekerheidswetgeving |
| x |
Artikelen
I t/m IV |
| Hoofdstuk
2. Overgangs- en slotbepalingen |
| xxr |
Artikelen
V t/m VII |
rblz.|2|
[Algemeen,
red.]
1.
Algemeen
Het
kabinet stelt in het kader van de begroting 2002 een aantal
belastingmaatregelen voor. Mede vanwege de in
het verleden geuite wens van de Raad van State, de Tweede
Kamer en de Eerste Kamer zijn de maatregelen ondergebracht in een
vijftal afzonderlijke wetsvoorstellen. Deze zijn:
- wijziging van enkele
belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en
inkomensbeleid);
- wijziging van enkele
belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 II - Economische
infrastructuur);
- wijziging van enkele
belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 III - Natuur, milieu en
vervoer);
- wijziging van enkele
belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV - Herziening successie- en
schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling, alsmede
overige aanpassingen); en
- wijziging van enkele socialezekerheidswetten
(Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving).
In het onderhavige
wetsvoorstel zijn de volgende maatregelen opgenomen:
• Invoering van een
premiekorting voor werkgevers van oudere werknemers. Werkgevers krijgen een
forfaitaire premiekorting per werknemer van 58 jaar of ouder op
de door de werkgever te betalen WAO-premie. De hoogte van deze
korting bedraagt €|712,- (ƒ1570,-).
• Vervanging van de Rea-plaatsingssubsidies, pakket op maat en de voorziening voor behoud
van het eigen werk door
• vrijstelling voor
werkgevers van AWf-werkgeverspremie [AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds, red.]
en WAO-basispremie en
WAO-gedifferentieerde premie bij indienstneming of in dienst houden van
arbeidsgehandicapten, met de aanvullende mogelijkheid een subsidie te verkrijgen voor de kosten
voor zover ze meer
bedragen dan het bedrag van de premievrijstelling.
• Verruiming van de
mogelijkheid om voorzieningen op de werkplek aan de werknemer te
verstrekken.
• Invoering
premievrijstelling voor werkgevers met werknemers in een Wiw-dienstbetrekking.
2. Socialezekerheidswetgeving
Algemeen
De Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea), in werking
getreden op 1 juli 1998, kent een breed instrumentarium zowel gericht op
werkgevers als op werknemers om arbeidsgehandicapten te ondersteunen bij het (re)integreren in
het arbeidsproces. In februari 2001 is de evaluatie van de eerste anderhalf jaar van de Wet
Rea aan de Tweede
Kamer aangeboden. Voor
dit wetsvoorstel zijn met name de volgende constateringen omtrent de
werking van de Wet Rea van belang:
• het instrumentarium
is onoverzichtelijk;
• de procedures voor
toekenning instrumenten zijn te lang en te gecompliceerd;
• er zijn grote
verschillen in toepassingsbereik en doelgroep van de instrumenten;
• de instrumenten zijn
bij belanghebbenden onvoldoende bekend;
• een belangrijk deel
van de arbeidsgehandicapten zou ook zonder toepassing van (her)plaatsingssubsidie
aan het werk zijn gegaan of gebleven; voor werkgevers
is de beschikbaarheid van deze subsidies niet doorslaggevend voor
het reïntegreren van werknemers.
De betrokken partijen
gaven wel aan de doelstelling van de wet te onderschrijven
rblz.|3|
en de
instrumenten te beschouwen als een nuttig middel om een aantal drempels te
verlagen.
De resultaten van deze
evaluatie en de wens te komen tot een verdere verbetering van het
arbeidsmarkt- en inkomensbeleid vormen de aanleiding voor het onderhavige
voorstel.
Met
dit wetsvoorstel
wordt beoogd het onnodig gebruik van reïntegratiemiddelen te verminderen. De
evaluatie Wet Rea geeft er blijk van dat werkgevers de verstrekking van
subsidies niet doorslaggevend vinden in hun beleid en regelmatig
vindt men de subsidies ook niet nodig. Ook zonder de subsidies zouden de
meeste reïntegraties wel zijn doorgegaan. Door middel van versobering
van het instrumentarium wordt ernaar gestreefd onnodig gebruik te
beperken.
De samenhang tussen de
verschillende reïntegratie-instrumenten en de relatie tussen de reïntegratie-instrumenten en de premiedoorbelasting bij
instroom van werknemers
in de WAO was onvoldoende helder. In dit wetsvoorstel wordt daarom
de transparantie van het stelsel verhoogd doordat drie instrumenten
gericht op reïntegratie worden samengebracht op de premienota. De
navolgende instrumenten worden daartoe samengevoegd:
• de subsidies in de
vorm van budgetten, pakket op maat en vergoeding voor kosten bij behoud
van het eigen werk van de arbeidsgehandicapte;
• de regeling over de
vrijstelling en korting van de basispremie WAO voor de werkgevers die
ten minste 3% arbeidsgehandicapten in dienst hadden; en
• de opslag van de
gedifferentieerde premie.
Deze drie instrumenten
worden op voor de werkgever overzichtelijke wijze in een premievrijstelling
verwerkt in zijn premienota.
Deze samenvoeging van de
instrumenten in een premievrijstelling zorgt ervoor dat zowel de tegemoetkoming aan de werkgever in verband met
reïntegratie als zijn
extra lasten tengevolge van instroom van werknemers in de WAO
in de
premieheffing tot uiting worden gebracht. Daarmee wordt een duidelijk signaal afgegeven en wordt het reïntegratiebevorderend
aspect van de
premieheffing versterkt.
Voorts heeft
het
wetsvoorstel tot doel te komen tot een verlichting van de administratieve lasten
voor de werkgevers doordat een nieuwe eenvoudigere regeling
wordt gecreëerd. Daarin zijn geen afzonderlijke aanvragen bij
reïntegratie nodig, voor enerzijds de budgetten en anderzijds de toepassing van
vrijstelling van en korting op de basispremie WAO, maar kan in het
algemeen worden volstaan met één aanvraag, namelijk voor een
premievrijstelling. Alleen in die gevallen waarin de werkgever aantoonbaar
hogere kosten heeft dan de premievrijstelling kan nog om een aanvullende
vergoeding worden gevraagd. Deze nieuwe regeling zal daarmee een
bijdrage leveren om belemmeringen die door werkgevers worden ervaren
bij het aanvragen van reïntegratie-instrumenten weg te nemen en aldus het
in dienst nemen of houden van arbeidsgehandicapten
bevorderen.
De in
dit wetsvoorstel
voorgestelde wijzigingen staan niet op zichzelf, maar maken onderdeel uit
van de in het kader van het Belastingplan 2002 ontwikkelde voorstellen
waarin reïntegratie wordt bevorderd door prikkels tot reïntegratie te
verleggen van werkgevers naar werknemers. Verwezen wordt hier naar de in het
Belastingplan 2002 I - Arbeidsmarkt en
inkomensbeleid opgenomen
voorstellen inzake de toetrederskorting gericht op het stimuleren
van toetreders en de maatregelen gericht op rblz.|4|
oudere werknemers. Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel aan de werknemer
de mogelijkheid geboden
om zelf meeneembare voorzieningen aan te vragen met betrekking
tot de werkplek.
Ontvangen commentaren
College van toezicht
sociale verzekeringen
Het
College van toezicht
sociale verzekeringen (Ctsv) constateert dat het toezicht op de uitvoering
door de wijzigingen niet tot problemen behoeft te leiden. Het is het College gebleken dat een hoog ambitieniveau wordt nagestreefd en het is van
oordeel dat van fundamentele wijzigingen in het uitvoeringsproces (meer)
rendement is te verwachten en acht het daarom van belang dat in de memorie van toelichting een duidelijker verband wordt gelegd tussen
de
wetswijziging en hetgeen van de uitvoering wordt verwacht om het doel
te realiseren. Daarnaast heeft het Ctsv een technische opmerking met betrekking
tot de premievrijstelling ten gunste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf).
Naar aanleiding van dit
commentaar is in de memorie van toelichting duidelijker tot
uitdrukking gebracht welke gevolgen de wijzigingen hebben voor het
uitvoeringsproces.
Adviescollege toetsing
administratieve lasten
Het
Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal) gaat slechts summier in op de
voorstellen die betrekking hebben op dit
wetsvoorstel. De veronderstelling dat
de wetswijziging zal leiden tot een vermindering van de administratieve
lasten voor werkgevers met €|3,5 miljoen
(ƒ8 miljoen), wordt
door Actal onderschreven. Het college dringt aan op een goede
voorlichtingscampagne, om onnodige administratieve lasten te voorkomen.
Het spreekt voor zich dat
de invoering van de wijzigingen gepaard zal gaan met een adequate
voorlichting aan werkgevers. De voorlichtingsactiviteiten zullen worden afgestemd
op de voorlichting die zal plaatsvinden naar aanleiding van de
overige belangrijke wijzigingen door invoering van de Wet verbetering
poortwachter en de Wet structuur uitvoering werk en inkomen
(Wet SUWI).
Landelijk instituut
sociale verzekeringen
Algemeen
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) is in grote lijnen te spreken over de eenvoud
en de transparantie van het voorstel. De nieuwe regeling is op zichzelf
genomen eenvoudiger dan de bestaande. Een belangrijk voordeel is
dat werkgevers nog maar één aanvraag (tot premievrijstelling)
hoeven te doen in plaats van twee (voor subsidie en vrijstelling en korting
basispremie WAO). Vermindering van de lastendruk is afhankelijk van de
invulling en toepassing van de regeling. Uitvoeringstechnisch zijn geen knelpunten te
verwachten in relatie tot de Wet verbetering poortwachter en
de Wet SUWI. Op termijn zal
het voorstel tot vereenvoudiging voor werkgevers en de
uitvoering kunnen leiden. Het Lisv acht de introductie van voorzieningen die
door de werknemer meegenomen kunnen worden naar een nieuwe werkkring
een welkome verruiming van het instrumentarium. De wetstechnische
opmerkingen zullen voor zover nodig worden verwerkt in het wetsvoorstel en het
artikelsgewijs gedeelte van de
memorie van toelichting.
Hieronder zal worden ingegaan op de hoofdpunten uit het commentaar.
rblz.|5|
Datum van
inwerkingtreding van de wijzigingen
Het
Lisv adviseert de
wijzigingen niet per 1 januari 2002 in werking te laten treden, doch geeft
in overweging als ingangsdatum 1 januari 2003 te kiezen in verband met de
onmogelijkheid aanpassingen door te voeren in de geautomatiseerde
systemen als gevolg van invoering van de euro. Invoering halverwege het
kalenderjaar wordt afgeraden in verband met de dan noodzakelijke
afrekening van het kalenderjaar in twee delen met de daaraan verbonden (extra)
administratieve lasten voor de werkgever en de uitvoering.
Uit overleg met het Lisv
en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
i.o. naar
aanleiding van het commentaar is naar voren gekomen dat
aanpassing van de systemen na 1 januari 2002 in verband met de inwerkingtreding van
het wetsvoorstel wel mogelijk is en
dat de afrekening van de
in de wet opgenomen premievrijstelling, eenmalig, na afloop van
het kalenderjaar 2002 wel tot de mogelijkheden behoort. Daarmee wordt de
werkgever achteraf alsnog in aanmerking gebracht voor de
premievrijstelling en premiekorting over dat kalenderjaar. Onderzocht wordt thans in
overleg met het Lisv en het UWV i.o. om in de loop van het jaar
werkgevers al tegemoet te komen door op voorlopige basis een vrijstelling of
korting te verlenen en met de afrekening over het kalenderjaar de
voorlopig verleende tegemoetkoming te verrekenen. Hiermee wordt het
mogelijk gemaakt de wijzigingen per 1 januari 2002 in werking te laten treden.
Protocollering van de
medisch-arbeidskundige beoordeling door de arbodiensten
Gepleit wordt voor een
systeem van protocollering en monitoring van de uitvoering van de medisch-arbeidskundige beoordeling door arbodiensten
in die gevallen waarin
een werknemer niet als arbeidsgehandicapte bij het UWV bekend is. Uit de
evaluatie van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is naar voren gekomen dat
de uitvoering van de arbeidsgehandicaptetoets door arbodiensten niet op
eenduidige en inzichtelijke wijze heeft
plaatsgevonden. Hierdoor is het voor de uitvoeringsinstelling niet goed mogelijk om af
te gaan op het oordeel van de arbodienst. Ter verbetering van de
uitvoering is het daarom gewenst dat de richtlijnen voor de uitvoering
verduidelijkt worden, waarvoor een systeem van protocollering in het
verlengde van een protocollering in het kader van de Wet verbetering poortwachter aangewezen kan zijn. In overleg met de
brancheorganisatie
arbodiensten en het Lisv zullen de mogelijkheden daartoe worden verkend.
Bijzondere doelgroepen
Het
Lisv voorziet dat de
stimulerende werking op het in dienst houden of nemen van
arbeidsgehandicapten kan worden verminderd, met name in die gevallen waarin de
kosten relatief hoog zijn en het voordeel van de premievrijstelling gering
omdat sprake is van een laag loon. Werkgevers zullen dan eerder
genoodzaakt zijn een beroep te doen op de aanvullende subsidieregeling,
waardoor voor hen eerder een (administratieve) drempel ontstaat om van
de regeling gebruik te maken. Genoemd worden in het bijzonder de jonggehandicapte, bij wie vaak loondispensatie wordt
toegepast, en de
herintreder in deeltijd. Het Lisv geeft in overweging om voor deze gevallen een
minimumbijdrage te introduceren.
Hierover wordt opgemerkt
dat de werkgever, ongeacht de hoogte van het loon en dus de hoogte van
de premievrijstelling, altijd ten minste de werkelijke extra kosten
in verband met de reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers vergoed
krijgt. Bij een laag loon zal hij eerder genoodzaakt zijn een aanvullende subsidie voor de meerkosten aan te
rblz.|6|
vragen. Voor de doelgroep
jonggehandicapten op wie loondispensatie van toepassing is, zullen
kosten in verband met reïntegratie in het algemeen vooral gelegen zijn in de
extra begeleiding die daarbij noodzakelijk is. In de vergoeding van
kosten van begeleiding wordt thans al voorzien door middel van de
regeling in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten inzake de persoonlijke
ondersteuning. In het algemeen zullen daarom niet veel
extra kosten worden gemaakt door de werkgever. Voor zover daarvan wel
sprake is, zullen de kosten als gevolg van het lage loon relatief snel boven
het bedrag van de premievrijstelling uitstijgen en zal de werkgever een
aanvullende subsidie daarvoor kunnen vragen. Een minimumbijdrage voor deze
specifieke doelgroep gebaseerd op een hoger bedrag dan het
werkelijk betaalde loon kan daaraan tegemoet komen. Over de
consequenties van deze suggestie wordt overleg worden gevoerd met het
Lisv.
Het voorstel om ook voor
personen die in deeltijd werken een minimumbijdrage in te voeren, sluit niet
aan bij de intentie van het wetsvoorstel. Bedoeling is namelijk om
de prikkel voor de werkgever zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de
omvang van de werkzaamheden en de verdiensten van de werknemer. Een minimumbijdrage voor personen die in deeltijd
werken, sluit daar niet
bij aan en is ook in het voorheen bestaande systeem van budgetten en
pakket op maat niet voorzien. Immers in dat stelsel is het budget gekoppeld aan het aantal uren waarvoor de werknemer
werkzaam is en de hoogte
van de loonkostensubsidie als onderdeel van het pakket op maat is
afhankelijk van het loon van de werknemer.
Subsidie voor meerkosten
boven de premievrijstelling
Het
Lisv acht het
wenselijk dat de toekenningsbeslissingen werkgevers een zodanige zekerheid
bieden aan de werkgevers dat niet daarop achteraf in hun nadeel
wordt teruggekomen. De werkgever kan de subsidie voor de
meerkosten voor zover hoger dan het bedrag van de premievrijstelling
aanvragen na afloop van de periode van de premievrijstelling, maar de wet biedt hem ook
de mogelijkheid om al vóór afloop daarvan een subsidie te
vragen. Afhankelijk van de wijzigingen in de bepalende factoren (duur
en omvang van de dienstbetrekking, het loon en de geldende
premiepercentages) kan dit leiden tot een eindafrekening die ten voordele, maar ook
ten nadele van de werkgever kan zijn.
Hieraan kan worden
tegemoet gekomen door het stellen van nadere regels bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur op grond van de wet in die zin dat met
reguliere loonsverhogingen en wijzigingen in premiepercentages na de
beslissing ten nadele van de werkgever geen rekening wordt gehouden.
Alleen wijzigingen in de duur en omvang van de dienstbetrekking
kunnen dan nog leiden tot een aanpassing, hetgeen niet anders is in het
stelsel van de budgetten en pakket op maat.
Statistische
informatievoorziening
Het
Lisv duidt er
expliciet op bij de voorgenomen ingangsdatum van de wetswijziging per 1
januari 2002 niet eerder dan oktober 2003 de eerste statistische gegevens
bekend zullen zijn.
Wijziging van de regels
zal moeten leiden tot de ontwikkeling van een nieuwe gegevensuitvraag,
waarmee noodzakelijkerwijs enige tijd gemoeid is. In overleg met het UWV
zal gezocht worden naar mogelijkheden om eerder (voorlopige)
gegevens beschikbaar te krijgen, waaronder door middel van aanvullend
onderzoek.
Internationaalrechtelijke
aspecten
Het
Lisv vraagt aandacht
voor de internationaalrechtelijke aspecten, in het bijzonder ten aanzien van
grensarbeiders. Het niet van toepassing zijn van rblz.|7|
de regeling kan een
drempel opwerpen voor terugkeer naar arbeid en het uitsluiten van de
bescherming die het Europees recht beoogt te bieden aan migrerende werknemers
zal kunnen leiden tot indirect onderscheid van werknemers op grond
van hun woonplaats. Op dit onderdeel wordt ingegaan in het hoofdstuk
Europeesrechtelijke aspecten.
Premiekorting WAO voor
werknemers van 58 jaar of ouder
Het
Lisv heeft
uitvoeringstechnisch bezwaar tegen de evenredige verlaging van de premiekorting
WAO als de oudere werknemer minder verdient dan 50% van het
wettelijk minimumloon en doet de suggestie aan de hand om geen recht
op premiekorting te geven als het loon minder bedraagt dan dit bedrag.
De motivatie achter deze
keuze is gelegen in het beleidsvoornemen om werkgevers te stimuleren
ouderen in dienst te nemen voor een wat groter dienstverband, doch
werkgevers niet geheel uit te sluiten als de werknemer een gering dienstverband
heeft. Omdat slechts 13% van de oudere werknemers een inkomen heeft van minder dan 50% van het
wettelijk
minimumloon, is het
aanvankelijk voorgenomen onderscheid vervallen. Een werkgever krijgt dus
altijd de volle premiekorting, doch niet meer dan het totaal door de werkgever verschuldigde premiebedrag
WAO.
Vereniging van Nederlandse
Gemeenten
De
Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) stelt in haar reactie de uitgangspunten van de
wijzigingen van de Wet Rea te onderschrijven, maar heeft op twee
onderdelen vragen en zorgen.
In de eerste plaats
betreft dit de Rea-toets en de relatie op dit punt met het UWV. Hierbij ging de VNG
er ten onrechte van uit dat de Rea-toets geen taak meer van de
gemeenten zou zijn, of in sommige gevallen zou moeten worden overgedaan door
het UWV. In het ambtelijk overleg dat op 30 augustus naar aanleiding
van de brief van de VNG is gevoerd, is uitgebreid toelichting gegeven op
dit aspect van de wet en de voorgestelde uitwerking in de uitvoering. De VNG
kon zich vinden in de uitleg zoals deze is gegeven en de toezegging
dat de VNG bij de verdere uitwerking op dit terrein betrokken zal
blijven.
In de tweede plaats
betrof de brief van de VNG de zorg dat door de lagere premievrijstelling de
stimulerende werking van de premievrijstelling zal afnemen.
Voorts merkt de VNG in de
brief op dat zij bij de discussie over de toekomst van de
gesubsidieerde arbeid nog terugkomt op de toepassing van de Pemba. In het
genoemde overleg met de VNG is er door ambtelijk SZW nog eens op gewezen
dat de discussie over de Pemba
niet los kan worden gezien van het samenhangende pakket dat in de onderhavige
wetsvoorstellen met
betrekking tot de gemeenten als Wiw-werkgever is opgenomen.
Inhoud van de nieuwe
regeling
Concreet ziet de nieuwe
regeling er als volgt uit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee
situaties, namelijk plaatsing bij een nieuwe werkgever en herplaatsing
bij de oude werkgever.
Plaatsing bij een nieuwe werkgever
• De werkgever ontvangt
in plaats van een plaatsingsbudget of pakket op maat gedurende drie
jaar recht op volledige vrijstelling van de basis- en
gedifferentieerde premie WAO en het werkgeversdeel van de premie die ten gunste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) komt over het loon van
elke arbeidsgehandicapte die hij in dienst neemt. De omvang van de
vrijstelling bedraagt, afhankelijk van het rblz.|8|
loon van de werknemer, gemiddeld
€|2200,- (bijna ƒ5000,-) per werknemer
per jaar. Voor de
overheidswerkgever geldt in plaats van een vrijstelling van het
werkgeversdeel van de AWf-premie een vrijstelling van de premie
verschuldigd aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
• Indien de werkelijke
kosten van reïntegratie hoger zijn dan het bedrag van de
premievrijstelling, dan ontstaat aanspraak op een vergoeding van het meerdere uit het
Reïntegratiefonds. De werkgever zal alleen in dat geval de kosten aan
het UWV
moeten specificeren.
• De werkgever dient
zijn aanvraag altijd in bij het UWV, ongeacht de uitkeringssituatie van de
werknemer. Hij behoeft slechts aan te tonen dat hij een
dienstbetrekking is aangegaan met een arbeidsgehandicapte werknemer. In
tegenstelling tot de huidige situatie bij een aanvraag van een
plaatsingsbudget is het daarbij niet meer vereist dat de werkgever
vermeldt voor hoeveel uur de dienstbetrekking is aangegaan of, als hij alleen een premievrijstelling aanvraagt,
aantoont dat het gaat om
een overeenkomst voor ten minste zes maanden.
• De afzonderlijke
aanvraag voor de kwijtschelding van en korting op de basispremie WAO komt
hiermee te vervallen.
Naast deze nieuwe
instrumenten blijft de vrijwaring van kosten bestaan bij uitval door ziekte en
arbeidsongeschiktheid van de arbeidsgehandicapte werknemer die door de
werkgever in dienst wordt genomen alsmede de mogelijkheid
van proefplaatsing voorafgaande aan een dienstbetrekking.
De Ziektewet komt de
werkgever tegemoet in de loonkosten gedurende het eerste ziektejaar als
een werknemer die arbeidsgehandicapte was bij aanvang van de
dienstbetrekking binnen vijf jaar na indiensttreding uitvalt door ziekte
(no-riskpolis
in artikel 29b Ziektewet). De regeling in artikel 75e
en
76f WAO vrijwaart de
werkgever van verhoging van de gedifferentieerde premie respectievelijk de
werkgever die eigenrisicodrager is van betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering als deze werknemer vervolgens aansluitend
arbeidsongeschikt wordt (no-riskpolis WAO). De termijn van vijf jaar kan
worden verlengd indien de werknemer lijdt aan ziekte of gebreken die
maken dat hij binnen vijf jaar een aanzienlijk verhoogd risico heeft op
ernstige gezondheidsklachten (artikel 8 Arbeidsgehandicaptebesluit).
De werkgever kan tot slot
met een arbeidsgehandicapte die een werkloosheidsuitkering geniet gedurende
ten
hoogste zes maanden een overeenkomst tot het verrichten van
onbeloonde arbeid op een proefplaats aangaan, gedurende welke
periode de werknemer een reïntegratie-uitkering ontvangt (artikel 23 en
volgende Wet Rea). Hierdoor kan de werkgever zonder risico,
voorafgaande aan een dienstbetrekking, bezien of de werknemer geschikt
is voor de beoogde werkzaamheden.
Herplaatsing bij de oude
werkgever
• Bij herplaatsing in
een andere functie in hetzelfde bedrijf van een arbeidsgehandicapt
geworden werknemer komt de werkgever gedurende één jaar in aanmerking
voor de premievrijstelling. Deze vrijstelling geldt voor de basis- en
gedifferentieerde premie WAO en het werkgeversdeel van de
AWf-premie. Voor de overheidswerkgever geldt
in plaats van een
vrijstelling van het werkgeversdeel van de AWf-premie een
vrijstelling van de premie verschuldigd aan het Uitvoeringsfonds voor de
overheid. Deze premievrijstelling komt in de plaats van het
herplaatsingsbudget of pakket op maat.
• Voor geheel of
gedeeltelijk behoud van de eigen functie van de tijdens de dienstbetrekking
arbeidsgehandicapt geworden werknemer geldt eveneens de mogelijkheid
van één jaar premievrijstelling. Deze regeling rblz.|9|
komt in de plaats
van de vergoeding voor de onkosten van behoud van de eigen
functie.
• Voor zover de kosten
die moeten worden gemaakt voor herplaatsing in een andere functie of het
behoud van de eigen werkplek hoger liggen dan de premievrijstelling,
is het mogelijk subsidie te ontvangen uit het Reïntegratiefonds [Rea-fonds, red.].
• De nieuwe regeling
maakt bij behoud van de arbeidsgehandicapte geworden werknemer in het
eigen bedrijf dus geen onderscheid meer tussen behoud van de
eigen functie of het aanbieden van een nieuwe functie.
• De afzonderlijke
aanvraag voor de kwijtschelding van en korting op de basispremie WAO komt
hiermee te vervallen.
De keuze voor de
samenvoeging van de budgetten met de kwijtschelding en korting op de
basispremie WAO is gemaakt op basis van een zorgvuldige afweging van
alternatieven. Eén van de mogelijke oplossingen was het afschaffen van de
bestaande budgetten en de introductie van een algemene mogelijkheid om
een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten aan te vragen, op
basis van een gespecificeerde begroting. Een dergelijk alternatief
echter zou voor werkgevers een zware administratieve belasting betekenen en
geen rekening houden met het feit dat een aantal risico’s en
noodzakelijke aanpassingen in verband met het in dienst nemen van een
arbeidsgehandicapte werknemer zich minder goed laten vertalen in duidelijk
aantoonbare kosten. Door samenvoeging van de budgetten met de
kwijtschelding van en korting op de basispremie WAO kan bovendien worden
bereikt dat de werkgever al tijdens het premiebetalingtijdvak een vermindering van zijn
premie ontvangt in plaats van achteraf.
Gevolgen voor betrokken
bedrijven en de uitvoering
Voorop moet worden
gesteld dat deze wijziging niet tot doel heeft de systematiek van de Wet
Rea volledig te wijzigen. Dat betekent dat veel begrippen en
randvoorwaarden zoals die thans gelden ook na inwerkingtreding van de
premievrijstellingsregeling gewoon gehandhaafd zullen blijven.
In dienst nemen van een
werknemer
In het voorheen bestaande
systeem diende de werkgever die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst
nam
een aanvraag in voor een plaatsingsbudget bij de uitvoeringsinstelling, de
gemeente dan wel Arbeidsvoorziening,
al naargelang de uitkeringssituatie van de werknemer. Daarbij moest onder meer
opgave worden gedaan van het aantal uren waarvoor de
dienstbetrekking was aangegaan en de duur van de dienstbetrekking. Indien
de kosten van aanpassingen in verband met de arbeidshandicap van de
werknemer hoger waren dan dit budget, kon hij een pakket op maat
aanvragen bij deze instanties. Voor de kwijtschelding van en korting op de
basispremie WAO waarop aanspraak bestond als de werkgever ten minste 3%
van zijn totale loonsom betaalde aan arbeidsgehandicapte werknemers, kon hij na
afloop van het jaar een aanvraag indienen bij de
uitvoeringsinstelling onder opgave van het totale loon, de loonsom en de
WAO-uitkeringen voor arbeidsgehandicapte werknemers. Het budget bij plaatsing
was ƒ24 000,- verdeeld over drie jaren en werd evenredig verminderd bij
deeltijdarbeid. De vrijstelling van de basispremie WAO gold over het loon
van de arbeidsgehandicapte werknemer en daarnaast was een
korting op de basispremie WAO van toepassing over het loon van ten
hoogste 15-maal de gemiddelde loonsom. Als een werkgever ten minste 5%
arbeidsgehandicapten in dienst had, bedroeg de vrijstelling over het
loon van de arbeidsgehandicapte werknemer bij een rblz.|10|
gemiddeld loon van ƒ50
000,- ongeveer ƒ3000,- en de maximale korting over het loon van de
overige werknemers ten hoogste ƒ11 000,-. Bij een geringer aantal
arbeidsgehandicapten in dienst werden de bedragen verminderd. Bij een
percentage van minder dan 3% arbeidsgehandicapten in dienst werd geen vrijstelling of korting van de basispremie verleend.
Wanneer een werkgever
volgens het nieuwe systeem voor een premievrijstelling in aanmerking wil komen
in verband met het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte
werknemer, dient hij zijn aanvraag altijd in bij het UWV, ongeacht de
uitkeringssituatie van de werknemer. Hij behoeft slechts aan te tonen dat
hij een dienstbetrekking is aangegaan met een arbeidsgehandicapte
werknemer. In tegenstelling tot de huidige situatie bij een aanvraag van een
plaatsingsbudget is het daarbij niet meer vereist dat de werkgever vermeldt
voor hoeveel uur de dienstbetrekking is aangegaan of aantoont dat het gaat
om een overeenkomst voor ten minste zes maanden. Voor de
werkgever is ook niet meer van belang of de werknemer een uitkering geniet van
het UWV, van de gemeente of geen uitkering geniet dan wel een
Anw-uitkering. Na beoordeling van de gegevens door het UWV wordt de
premievrijstelling automatisch op de premienota tot uitdrukking gebracht
zolang de werknemer in dienst is, voor de duur van maximaal drie jaar.
Slechts indien de kosten in verband met de plaatsing hoger zijn dan het bedrag
van de premievrijstelling, dient hij, evenals voorheen voor het
verkrijgen van een pakket op maat, een gespecificeerde aanvraag in met opgave
van de kosten. Ook die aanvraag wordt ingediend bij het UWV. De aparte
aanvraag voor de kwijtschelding van en korting op de basispremie WAO
komt
hiermee te vervallen. De premievrijstelling bedraagt bij een
gemiddeld loon van €|22 000,- (ƒ50 000,-) ongeveer
€|2200,- (ƒ5000,-) per jaar en
wordt voor drie jaar verleend.
In dienst houden van een
werknemer
De nieuwe regeling maakt
bij behoud van de arbeidsgehandicapt geworden werknemer in het
eigen bedrijf geen onderscheid meer tussen behoud van de eigen
functie of het aanbieden van een nieuwe functie. Voorheen werden aan deze
beide posities verschillende gevolgen verbonden. Bij behoud van
de eigen functie moest de werkgever ter verkrijging van
vergoeding van de kosten een gespecificeerde aanvraag indienen. Bij
herplaatsing in een andere functie kon hij in aanmerking komen voor een
herplaatsingsbudget (ƒ8000,-), waarbij aangetoond diende te worden dat de
werknemer daadwerkelijk in een andere functie was herplaatst. Daarbij
diende beoordeeld te worden of er sprake was van wezenlijk andere arbeid.
Dit leidde geregeld tot interpretatiekwesties. Indien de kosten van
herplaatsing hoger waren dan het herplaatsingsbudget, kon de werkgever een
gespecificeerde aanvraag indienden ter verkrijging van een pakket op maat. Daarnaast kon de werkgever kwijtschelding
van en korting op de
basispremie WAO aanvragen indien hij voldeed aan de
voorwaarden zoals hiervoor vermeld.
In het thans voorgestelde
systeem heeft de werkgever recht op premievrijstelling wanneer de
werknemer gedurende het dienstverband arbeidsgehandicapt raakt en werkzaamheden
hervat binnen het bedrijf. De voorwaarde dat het daarbij moet gaan
om een aantoonbaar andere functie vervalt dus. Wel blijft
aan het toekennen van een aanvraag de voorwaarde verbonden dat de
werkgever aantoont dat de werknemer "arbeidsgehandicapt"
is geworden en behoud
in de eigen functie dan wel herplaatsing
daadwerkelijk plaatsvindt. Bij het opstellen en indienen van een plan van aanpak zal
de werkgever ondersteund worden door de arbodienst.
Mocht de vrijstelling van
de premie niet voldoende zijn om de noodzakelijke kosten die zijn verbonden
aan de reïntegratie van de werknemer te rblz.|11|
dekken, dan blijft de
mogelijkheid bestaan om bij het UWV een vergoeding van de werkelijk gemaakte
kosten aan te vragen voor zover hoger dan de premievrijstelling, met behulp van een gespecificeerde aanvraag. Dat is
niet anders dan onder het
voorheen geldende systeem waarin de werkgever die in aanmerking kwam
voor een budget, doch hogere kosten had dan dit budget, vergoeding van die kosten kon vragen door middel van
een gespecificeerde
begroting, ter verkrijging van een pakket op maat.
Gevolgen voor de
werknemer
De arbeidsgehandicapte
werknemer die in dienst treedt bij een werkgever kan ingevolge dit
wetsvoorstel zelf een subsidie ontvangen voor een eventueel noodzakelijk
aanpassing van de werkplek. Dit is mogelijk indien het gaat om een
meeneembare werkvoorziening. Daarbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld
apparatuur die niet alleen bruikbaar is bij de werkgever bij wie de
werknemer in dienst treedt, maar die ook bij een andere werkgever ingezet
kan worden. Op grond van de voorstellen in het Belastingplan 2002
I - Arbeidsmarkt en inkomensbeleid kan de arbeidsgehandicapte
werknemer die vanuit een arbeidsongeschiktheidsuitkering werk aanvaardt in
aanmerking komen voor een toetrederskorting.
Gemeenten als uitvoerder Wet Rea
Met de voorgestelde
invoering van de premievrijstelling wordt ook de rol van de
gemeenten als
uitvoerder van de Wet Rea beperkt. De gemeenten verliezen de mogelijkheid
om een plaatsingsbudget of een pakket op maat te verstrekken.
Ook de mogelijkheid om
werknemersvoorzieningen te verstrekken aan personen uit de
gemeentelijke doelgroep die een reguliere baan aanvaarden, vervalt voor
de gemeenten. De keuze om ook de inzet van de werknemersvoorzieningen
door gemeenten te laten vervallen, is ingegeven doordat dit
instrumentarium een specifieke deskundigheid vraagt die door de beperkte
inzet van dit instrumentarium nauwelijks aan de gemeenten kan worden
gevraagd. Deze deskundigheid is wel aanwezig bij de uvi’s [uitvoeringsinstellingen,
red.],
respectievelijk UWV.
Daarbij betreft het
personen die door de aanvaarding van de reguliere arbeid feitelijk niet
meer tot de doelgroep van de gemeenten behoren.
De gemeenten blijven wel
verantwoordelijk voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt van arbeidsgehandicapten die tot de gemeentelijke doelgroep
behoren. Op basis van
artikel 3 van de Wiw kunnen gemeenten het
scholings- en
activeringsbudget voor deze doelgroep inzetten. Artikel 3 is dermate ruim geformuleerd
dat er geen specifieke bepalingen nodig zijn om ook
arbeidsgehandicapten toe te kunnen leiden naar de arbeidsmarkt. Ook kunnen gemeenten
dienstbetrekkingen blijven inzetten voor arbeidsgehandicapten en kunnen
uitvoeringsinstellingen respectievelijk UWV dienstbetrekkingen
blijven inkopen ten behoeve van arbeidsgehandicapten. Hierin wordt met de
onderhavige wetswijziging geen verandering gebracht.
Premievrijstelling
arbeidsgehandicapten in Wiw-dienstbetrekking
In tegenstelling tot de
huidige situatie, waarin voor de werknemers op de Wiw-dienstbetrekkingen
geen (her)plaatsingsbudget of pakket op maat kunnen worden verstrekt,
wordt de premievrijstelling wel verleend voor arbeidsgehandicapten op
een Wiw-dienstbetrekking. Deze wijziging maakt deel uit van een
meer omvangrijke wijziging van de wijze waarop
gemeenten worden
gestimuleerd om arbeidsgehandicapten op een Wiw-dienstbetrekking te
reïntegreren.
rblz.|12|
Het
ziekteverzuim in en de instroom in de WAO
vanuit de Wiw-dienstbetrekking is
erg hoog. Naast de omstandigheid dat de Wiw zich richt op de
onderkant van de arbeidsmarkt, waar het risico op uitval vanwege ziekte en
arbeidsongeschiktheid hoger is dan in andere segmenten van de
arbeidsmarkt, bevat de Wiw zelf ook te weinig impulsen om een actief
ziekteverzuimbeleid te voeren. In de Wiw geldt thans met betrekking tot
ziekte en arbeidsongeschiktheid immers de volgende bepaling: de Wiw-subsidie wordt
gestaakt als een werknemer gedurende een periode langer dan drie maanden geen arbeid
verricht omdat hem geen arbeid wordt aangeboden,
tenzij dit wordt veroorzaakt door ziekte of arbeidsongeschiktheid en
de gemeente tengevolge daarvan loon was verschuldigd en een
reïntegratieplan heeft opgesteld.
Deze bepaling leidt tot
de volgende situatie:
• Gedurende de
ziekteperiode van één jaar ontvangt de gemeente de volledige Wiw-subsidie
voor de betrokken werknemer. Hierbij is niet van belang of de gemeente
zich al dan niet tegen dit risico heeft verzekerd.
• Na het eerste jaar is
voortzetting van de Wiw-subsidie afhankelijk van het feit of er sprake
blijft van een loondoorbetalingsverplichting. Blijft er sprake van een
loondoorbetalingsverplichting (hoe gering ook), dan blijft de gemeente de
volledige Wiw-subsidie ontvangen. Is er geen sprake meer van een
loondoorbetalingsverplichting, dan wordt geen
Wiw-subsidie ingezet.
• De
loondoorbetalingsverplichting wordt in de praktijk zo uitgelegd dat deze verplichting na twee
jaar ziekte/arbeidsongeschiktheid niet meer bestaat, omdat de
werkgever de mogelijkheid heeft de arbeidsovereenkomst op te zeggen.
Deze bepaling leidt
derhalve tot onvoldoende financiële prikkels om
gemeenten tot een actief
reïntegratiebeleid te stimuleren. Wel bevat de Pemba
een stimulans om
uitval door ziekte/arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Door de
gemeenten wordt er evenwel op gewezen dat zij Pemba als onrechtvaardig
ervaren, vanwege de risicogroep, en pleiten zij ervoor om de Pemba, overeenkomstig de
Wsw, niet toe te passen op
de Wiw-dienstbetrekkingen.
Om te komen tot een
situatie die meer recht doet aan de bijzondere positie en de
reïntegratie van arbeidsgehandicapten op de Wiw-dienstbetrekkingen
komt de premievrijstelling ook ten goede aan de
gemeenten als Wiw-werkgever. De
Wiw-werkgever kan ook een vergoeding voor de meerkosten
aanvragen bij het UWV als de premievrijstelling onvoldoende blijkt te
zijn. Het voorgaande laat onverlet dat ook het scholings- en
activeringsbudget van de Wiw nog kan worden ingezet. Gelijktijdig wordt
geregeld dat de WAO-uitkering die
Wiw-werknemers die arbeidsongeschikt
raken, ontvangen ingevolge de WAO, in mindering wordt gebracht op de
Wiw-subsidie. De
Wiw-werkgevers behoeven immers ook alleen maar de aanvullende loonkosten te betalen en komen
daarnaast in aanmerking
voor de premievrijstelling.
In de Wiw wordt tevens de
bepaling omtrent het verschuldigd zijn van loon geschrapt. Dit biedt
gemeenten, meer dan thans, ook de mogelijkheid om aan reïntegratie van
arbeidsgehandicapten over langere termijn te kunnen werken.
Onverlet blijft dat de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte en
arbeidsongeschiktheid kan worden opgezegd, maar de gemeente kan ook de
arbeidsovereenkomst in stand houden na die periode zonder dat dit
leidt tot beëindiging van de (resterende) subsidie. Met deze wijzigingen
wordt bewerkstelligd dat de Wiw-werkgevers (de gemeenten) dezelfde
reïntegratieverantwoordelijkheid en middelen worden geboden als andere
werkgevers.
rblz.|13|
Doordat
de
gemeenten als werkgever van de Wiw-werknemers in dezelfde situatie komen
te verkeren als andere werkgevers die arbeidsgehandicapten in dienst nemen of houden,
ligt het niet in de rede dat gemeenten zelf
vaststellen of deze werknemers kunnen worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte
in de zin van de Wet Rea. De vaststelling of een werknemer ingevolge de Wiw kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte is nu in alle gevallen
een taak van het UWV. Dit laat onverlet dat gemeenten de mogelijkheid behouden om vast te stellen of een
persoon uit de
gemeentelijke doelgroep kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte als
dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is voor de vaststelling
van het reïntegratietraject van de betrokkene. Het is in dit verband
echter wel van belang dat de gemeente dit doet in overleg met het UWV, om te
voorkomen dat het UWV tot een ander oordeel komt en daardoor geen
inzet van specifieke Rea-instrumenten mogelijk is.
Vervallen van
kwijtschelding van en korting op de basispremie WAO bij uitbesteding aan
een Wsw-bedrijf
In de
WAO was tot op
heden een regeling opgenomen op grond waarvan een werkgever een
kwijtschelding van en korting op de basispremie WAO kon verkrijgen bij
uitbesteding van werkzaamheden aan een Wsw-bedrijf naast de kwijtschelding
en korting bij het in dienst hebben van arbeidsgehandicapten. In het thans voorgestelde
systeem wordt geen premievrijstelling verleend bij uitbesteding
aan een Wsw-bedrijf. Reden voor het niet meer verlenen van
een stimulans voor werkgevers om werk uit te besteden, is dat het meer
aanbeveling verdient om het in dienst nemen van werknemers vanuit een
Wsw-dienstbetrekking te bevorderen dan om werkgevers een extra
tegemoetkoming te verlenen bij het uitbesteden van werk aan een
Wsw-bedrijf.
De premievrijstelling bij het in dienst nemen van arbeidsgehandicapte
werknemers is ook van toepassing op werkgevers als ze een werknemer
aannemen vanuit een Wsw-dienstbetrekking.
Premiekorting voor oudere
werknemers
Mede in het licht van de
gewijzigde situatie op de arbeidsmarkt en het streven naar een houdbare ontwikkeling van de overheidsfinanciën wil het
kabinet de
arbeidsdeelname van ouderen de komende jaren verhogen.
Teneinde de
arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen, is een pakket samengesteld bestaande
uit de volgende maatregelen:
• Invoering van een met
de leeftijd oplopende aanvullende arbeidskorting voor oudere werkenden,
boven op de reguliere arbeidskorting. Vanaf het jaar dat een
oudere werkende 58 jaar wordt, heeft hij recht op deze extra
arbeidskorting.
• Werkgevers wordt de
mogelijkheid geboden om aan oudere werknemers een onbelaste premie te
geven. De (maximale) omvang van deze premie loopt evenals de
aanvullende arbeidskorting op met de leeftijd en is gelijk aan de
aanvullende arbeidskorting voor ouderen.
• Invoering van een
premiekorting voor werkgevers van oudere werknemers. Dit betekent een
vermindering van de loonkosten voor oudere werknemers. Hierdoor
worden werkgevers gestimuleerd oudere werknemers in dienst te houden dan
wel in dienst te nemen. Werkgevers krijgen een forfaitaire
premiekorting per werknemer van 58 jaar of ouder op de door de
werkgever te betalen WAO-premie. De hoogte van deze korting bedraagt
€|712,- (ƒ1570,-). Deze premiekorting wordt gefinancierd door een
verhoging van de WAO-premie voor de overige (jongere) werknemers.
Hierdoor wijzigt het kostenverschil tussen oudere en jongere
werknemers ten gunste van oudere werknemers.
De eerste twee genoemde
maatregelen zijn opgenomen in het wetsvoorstel wijziging van enige belastingwetten,
Belastingplan 2002
I - Arbeidsmarkt en inkomensbeleid. rblz.|14|
Voor een toelichting op die maatregelen wordt verwezen naar de
memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel. Zoals uit de Sociale Nota
blijkt, verricht slechts één op de drie ouderen tussen de 55 en 65 jaar
betaald werk. De voorgestelde maatregel richt zich op werknemers vanaf 57,5
jaar (en die in een jaar 58 jaar worden). Bij de keuze voor 58 jaar is
onder andere gelet op de samenhang met het wetsvoorstel werkgeversbijdrage
werkloosheidslasten oudere werknemers [zie Wet
houdende premievrijstelling bij in dienst nemen en in dienst houden van
oudere werknemers, red.]. In dat wetsvoorstel is
namelijk geregeld dat de werkgever een bijdrage is verschuldigd bij instroom
in de WW van een werknemer van 57,5 jaar (of ouder). Ook het feit dat
de duur van de loondervingsuitkering WAO gekoppeld is aan 58 jaar heeft bij
de keuze een rol gespeeld. Voor de eenvoud en de uitvoerbaarheid van
de regeling is gekozen om de werkgever voor een premiekorting in
aanmerking te laten komen in het jaar waarin de werknemer 58 jaar wordt,
met ingang van de eerste dag van dat kalenderjaar. Aldus gaat de maatregel
gemiddeld in op de dag waarop de werknemer de leeftijd van 57,5 jaar
bereikt.
Naleving en misbruik en
oneigenlijk gebruik
Uit de
artikelen 10 tot
en met 15 CSV vloeien verplichtingen voort die van belang zijn voor de
werkgever bij het voeren van de loonadministratie en het doen van
loonopgave. Deze bepalingen zijn van belang omdat het UWV
op grond van
deze informatie de hoogte van de te betalen socialeverzekeringspremies
vaststelt en kan controleren of de werkgever op correcte wijze aan zijn
verplichtingen heeft voldaan. Het overtreden van de verplichtingen op
grond van artikel 10 wordt strafrechtelijk gesanctioneerd. Daarnaast
geeft artikel 12a tot en met 12e
van de CSV het UWV de mogelijkheid een
boete op te leggen aan de werkgever die geen, een niet juiste of een
onvolledige loonopgave doet.
Voorlichting
Omdat uit de evaluatie is
gebleken dat de huidige (re)integratie-instrumenten onvoldoende bekend
zijn, worden evenals bij de inwerkingtreding van de Wet
Rea de hierbij
voorgestelde wijzigingen door middel van voorlichting onder de aandacht
van de belanghebbenden gebracht. De voorlichting zal worden afgestemd op
de voorlichting in verband met de wijzigingen die voortvloeien uit de
Wet verbetering poortwachter en de Wet SUWI.
Europese aspecten
Het wetsvoorstel is niet
in strijd met enige bepaling van Europees recht. Het Lisv
wijst er in
zijn commentaar op dat het niet mogelijk is om het
reïntegratie-instrumentarium van het wetsvoorstel toe te kennen aan in
het buitenland gevestigde werkgevers. Naar de mening van het Lisv is dit
in strijd met artikel 39 EG [EG-verdrag, red.] en Verordening (EEG) nr. 1612/68, voor zover
het werkgevers betreft die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de
EU.
Verordening (EEG) nr.
1612/68, dat is gebaseerd op artikel 39 EG, bevat regelingen met
betrekking tot het vrije verkeer van werknemers binnen de EU. Het tweede
lid van artikel 7 van deze verordening bevat een discriminatieverbod
naar nationaliteit door voor te schrijven dat onderdanen van een
lidstaat van de EU die werkzaam zijn op het grondgebied van een andere
lidstaat op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de eigen
onderdanen van die lidstaat wat betreft arbeidsvoorwaarden en beloning.
Bovendien moeten zij daar dezelfde sociale en fiscale voordelen kunnen
genieten. Verordening (EEG) nr. 1612/68 bevat dus geen bepalingen rblz.|15|
die
voorzien in de export van sociale voordelen, maar uitsluitend bepalingen
over het toekennen van sociale voordelen op het eigen grondgebied.
Het Hof van Justitie EG
heeft in enkele recente arresten geoordeeld dat sociale voordelen in
beginsel toch geëxporteerd moeten worden op grond van deze verordening,
omdat anders sprake zou kunnen zijn van indirecte discriminatie naar
nationaliteit. Deze exportverplichting is niet absoluut. De
desbetreffende lidstaat hoeft zijn sociale voordelen niet te exporteren
als daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is en de
territoriale beperking evenredig is ten opzichte van het nagestreefde
doel. Uit deze jurisprudentie kan niet de conclusie worden getrokken dat
ook in het buitenland gevestigde werkgevers in aanmerking moeten worden
gebracht voor financiële prikkels als zij personen met een Nederlandse
uitkering in dienst nemen, omdat het in deze jurisprudentie telkens om
aan de werknemer uit te keren vaste bedragen ging, terwijl het hier om
aan de werkgever uit te keren flexibele bedragen gaat. Hier is dus geen
sprake van een sociaal voordeel van de desbetreffende werknemer in de
zin van Verordening (EEG) nr. 1612/68.
In dit verband moet ook
worden bedacht dat de financiële stimulansen van het wetsvoorstel voor
de werkgever om een arbeidsgehandicapte in dienst te nemen, moeten worden
geplaatst binnen het totale Nederlandse premie- en belastingpakket
waarmee de werkgever wordt geconfronteerd. Het is niet wenselijk binnen
dit pakket een aspect premieverlaging uit te lichten. Dit te meer daar dit
voordeel mogelijk interfereert met financiële incentives die in het
land van de werkgever worden toegekend.
Tot slot wordt nog
opgemerkt dat personen die in het buitenland wonen met een Nederlandse
arbeidsongeschiktheidsuitkering in beginsel wel in aanmerking kunnen
komen voor het voorzieningenpakket van de Wet Rea
dat aan de
uitkeringsgerechtigde zelf wordt toegekend.
Budgettaire effecten,
administratieve lasten en personele effecten
Budgettaire effecten
In het hierna volgende
onderdeel Budgettaire effecten (macro) worden de effecten van de
ouderenkorting en de wijzigingen in Wet Rea vermeld. In
tabel I worden de
effecten van de invoering van de ouderenkorting weergegeven, in tabel II
de premie-effecten van de wijzigingen in Wet Rea. Tabel III geeft de
effecten op de uitgaven van de wijzigingen Wet Rea weer.
Vervolgens
wordt in het onderdeel Budgettaire effecten nader gespecificeerd (tabellen
IV, V en VI) ingegaan op de wijzigingen in de uitgaven op
grond van Wet Rea in de eerste jaren en in de structurele situatie.
Budgettaire effecten
(macro)
Effecten van de korting
op de WAO-premie voor ouderen
Tabel I. Premiederving
ouderenkorting [bedragen in miljoen euro/gulden, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Euro |
Gulden |
| Inkomstenderving door
premiekorting voor ouderen |
–150 |
–330 |
De effecten van de
korting op de WAO-premie voor in dienst zijnde oudere werknemers worden
geraamd op €|150 miljoen (ƒ330 miljoen). Daarbij is ervan uitgegaan dat
voor 210 000 personen van deze maatregel gebruik wordt gemaakt. Deze
regeling leidt dus tot een extra inkomstenderving door de fondsen ter
hoogte van dit bedrag.
rblz.|16|
Effecten van wijzigingen
in de Wet Rea
Tabel II. Premiederving
door wijzigingen Wet Rea [bedragen in miljoen
euro/gulden, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Euro |
Gulden |
| Nieuwe premievrijstelling
AWf, Ufo, Aof en Aok ¹ |
–113 |
v250 |
| Vervallen van oude
premievrijstelling en korting Aof op grond van
artikel 77b WAO |
xr59 |
v130 |
| Inkomstenderving
sv-fondsen ¹ door premievrijstelling Wet
Rea |
xr54 |
–120 |
1. Ufo: Uitvoeringsfonds
voor de overheid; Aof: Arbeidsongeschiktheidsfonds; Aok:
Arbeidsongeschiktheidskas en sv-fondsen: socialeverzekeringsfondsen, red.
In de nieuwe
premievrijstellingsregeling (Arbeidsongeschiktheidsfonds,
Arbeidsongeschiktheidskas en werkgeversdeel Algemeen Werkloosheidsfonds
(AWf)) is de omvang van de vrijstelling afhankelijk van het verdiende
loon van de arbeidsgehandicapte. Bij plaatsing bij een nieuwe werkgever
geldt de premievrijstelling gedurende een periode van drie jaar (gelijk aan
de periode van het plaatsingsbudget en de loonkostensubsidie in het
pakket op maat). Bij een herplaatsing bij de oude werkgever geldt een
premievrijstelling gedurende één jaar. Uitgaande van een gemiddeld loon
van €|22 689,- (ƒ50 000,-) per jaar bedraagt de vrijstelling van
premies circa €|2269,- (ƒ5000,-) op
jaarbasis.¹ Het totale gebruik
wordt geschat op €|113 miljoen (ƒ250 miljoen).
De bestaande oplopende
vrijstelling en korting op de basispremie WAO als de werkgever ten
minste 3 tot 5% arbeidsgehandicapten in dienst heeft, komt te vervallen.
Met die regeling was laatstelijk een bedrag van €|59 miljoen
(ƒ130
miljoen) gemoeid.
1. Voor een persoon
werkzaam tegen het minimumloon bedraagt de premievrijstelling op
jaarbasis circa ƒ3000,-; voor een persoon werkzaam tegen het maximumdagloon (circa ƒ87 000,-) bedraagt de premievrijstelling bijna ƒ9000,-
op jaarbasis.
Tabel III. Uitgavenwijziging door wijzigingen Wet Rea
[bedragen in miljoen euro/gulden, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Euro |
Gulden |
| Besparingen bij Rea-fonds
door wegvallen subsidies |
157 |
346 |
| Extra uitgaven Rea-fonds
door vergoeding meerkosten voor zover
hoger dan premievrijstelling |
r–6 |
–14 |
| Besparingen op Rea-subsidies |
151 |
332 |
De bestaande subsidies op
grond van plaatsingsbudget, herplaatsingsbudget, pakket op maat en
voorziening voor het eigen werk komen te vervallen. Bij ongewijzigd
beleid zou €|157 miljoen (ƒ346 miljoen) zijn uitgegeven.
Boven op de
premievrijstelling kan een vergoeding van meerkosten worden gegeven; de
uitgaven worden geraamd op €|6 miljoen (ƒ14 miljoen).
Totale budgettaire
effecten van voorgenomen maatregelen op de sv-fondsen
De ouderenkorting levert
een extra inkomstenderving op van €|150 miljoen
(ƒ330 miljoen).
De maatregelen op het
gebied van de Wet Rea leiden tot een extra premiederving van
€|54
miljoen (ƒ120 miljoen) en vanaf 2004 tot een besparing op de
uitgaven voor de sv-fondsen van
€|151 miljoen (ƒ332 miljoen). Het
financiële beslag voor de sv-fondsen neemt derhalve af met €|96 miljoen
(ƒ212 miljoen).
Voor de ouderenkorting en
de Rea-maatregelen samen is sprake van een verschuiving van €|54 miljoen
(ƒ120 miljoen) premie. Voor de sv-premies betekent dit een mutatie
van minder dan 0,05 procentpunt. Deze valt weg in de ramingsmarges van
de premievaststelling. Naast de rblz.|17|
effecten op de sv-fondsen
vindt er een besparing plaats op de Wiw-uitgaven van
ƒ23 miljoen vanwege de stopzetting van werkgeverssubsidies voor
Wiw-dienstbetrekkingen.
Budgettaire effecten voor
de uitgaven nader gespecificeerd
Als gevolg van
dit
wetsvoorstel komen de bestaande subsidies voor voorzieningen voor behoud
van het eigen werk, de plaatsings- en herplaatsingsbudgetten en het
pakket op maat te vervallen. De genoemde subsidies hebben betrekking op
ruim 56 000 gevallen. Volgens ramingen van het Lisv
zou met deze
subsidies in 2002 (bij ongewijzigd beleid) een bedrag zijn gemoeid van ƒ346 miljoen. Tabel IV geeft een uitsplitsing van dit bedrag naar
soort plaatsingsbudget.
Tabel IV. Rea-subsidies
werkgevers in 2002:
| Soort plaatsingsbudget |
Aantal gevallen |
Gemiddeld
bedrag (gulden) |
Totale subsidies
(miljoen gulden) |
| Herplaatsing |
x4 240 |
v6 250 |
v27 |
| Plaatsing |
40 320 |
v6 370 |
257 |
| Pakket op maat |
v1 830 |
12
450 |
v23 |
| Voorzieningen werkplek |
10
000 |
v4 000 |
v40 |
| Totaal |
56 390 |
|
346 |
Bron: Lisv. Juninota
financiële ontwikkeling Lisv-fondsen 2001-2002, juni 2001.
De
Rea-uitgaven dalen
structureel met een bedrag van ƒ346 miljoen. De lopende subsidies
op 31 december 2001 blijven onder de oude voorwaarden van kracht. Het gaat
hierbij om plaatsingssubsidies en pakketten op maat. Deze subsidies
lopen in 2002 en 2003 ten einde. Op grond van cohortgegevens van de
lopende subsidies worden de Rea-uitgaven in verband met deze doorlopende
subsidies in 2002 op ƒ110 miljoen en in 2003 op ƒ30 miljoen geraamd.
Indien de werkelijke
kosten voor een werkgever uitstijgen boven het bedrag van de
premievrijstelling, kunnen in de nieuwe regeling aanvullende vergoedingen
uit het Rea-fonds worden verstrekt. Deze aanvullende vergoedingen doen
zich naar verwachting met name voor bij de huidige pakket-op-maatsituatie en niet of nauwelijks bij de (her)plaatsingsbudgetten. Op
basis van de gegevens over lopende subsidies is geraamd dat hiermee een
bedrag van circa €|6 miljoen (ƒ14 miljoen) structureel gemoeid
is.¹
1. Uitgaande van 1830
situaties waarbij volgens de huidige regelgeving in 2002 een pakket op
maat zou worden verstrekt met gemiddelde kosten van ƒ12 450,- per
geval zijn de meerkosten (dus boven de gemiddelde premievrijstelling van
ƒ5000,-) te ramen op: 1830 x ƒ7450,- = ƒ14 miljoen.
Tabel V presenteert de
financiële consequenties van het wetsvoorstel voor de uitgaven
(afgezien van de premiederving) van het Rea-fonds, waarbij het
overgangsrecht voor lopende subsidies in beeld wordt gebracht.
Tabel V. Financiële
effecten stopzetten werkgeverssubsidies Rea-fonds, met overgangsrecht voor lopende
subsidies op
31 december 2001 (bedragen in miljoen euro/gulden):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
rxxxr2002xxxr |
rxxxx2003xxxxr |
rxxxr2004xxxxr |
| Besparing op huidige Rea-subsidies |
–€|107
(–ƒ236) |
–€|143
(–ƒ316) |
–€|157
(–ƒ346) |
| Vergoeding meerkosten
boven premievrijstelling |
€|6
(ƒ14) |
€|6
(ƒ14) |
€|6
(ƒ14) |
| Totaal besparing op
Rea-uitgaven |
–€|101
(–ƒ222) |
–€|137
(–ƒ302) |
–€|151
(–ƒ332) |
Het voorstel bespaart in
2002 per saldo circa €|101 miljoen (ƒ222
miljoen) op de uitgaven van het Rea-fonds. Vanaf 2004 bedraagt de besparing naar
rblz.|18|
verwachting per saldo circa
€|151 miljoen (ƒ332 miljoen) structureel. In 2002 en 2003 valt de besparing
lager uit, in verband met betalingen uit het Rea-fonds aan per 31
december 2001 lopende subsidies die onder de oude voorwaarden van kracht
blijven.
Tabel VI. Financiële
effecten stopzetten werkgeversubsidies Wiw, met overgangsrecht voor
lopende subsidies op 31 december 2001 (bedragen in miljoen euro/gulden):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xxxr2002xxx |
xxxx2003xxxx |
xxxr2004xxxx |
| Besparing op Rea-uitgaven
Wiw |
–€|6 (–ƒ14) |
–€|10 (–ƒ22) |
–€|10 (–ƒ23) |
Het voorstel bespaart in
2002 per saldo circa €|6 miljoen (ƒ14 miljoen) op de uitgaven van de Wiw. Vanaf
2004 bedraagt de besparing naar verwachting per saldo circa €|10
miljoen (–ƒ23 miljoen) structureel. Wegens het overgangsrecht valt de besparing in
2002 en 2003 lager uit.
Samenvattend bedraagt de
besparing op de Rea-uitgaven (Rea-fonds en Wiw
samen) in de
structurele situatie dus circa
€|161 miljoen (ƒ355 miljoen). Dit bestaat
uit circa €|151 miljoen (ƒ332 miljoen)
Rea-fonds en circa
€|10
miljoen (ƒ23 miljoen) Wiw.
Administratieve lasten en
personele effecten
Aanpassingen Wet Rea
De huidige situatie
levert werkgevers bij een volume van 50 000 arbeidsgehandicapten een
administratieve kostenpost op van €|15,8
miljoen (ƒ35 miljoen). In de nieuwe
situatie bij eenzelfde raming van het volume bedragen de administratieve
lasten €|12,3 (ƒ27 miljoen), een besparing van circa
€|3,5 miljoen (ƒ8 miljoen).
Dit is het gevolg van het vervallen van de aanvragen voor subsidies voor
voorzieningen voor behoud van de eigen werkplek, de plaatsings- en
herplaatsingsbudgetten en het pakket op maat. Deze laatste wordt slechts
in beschouwing genomen indien de kosten van reïntegratie hoger zijn dan
de premievrijstelling.
Uitvoeringskosten UWV
De voorgestelde
wijzigingen in de Wet Rea, de WAO
en de Werkloosheidswet (WW) hebben
niet als intentie het takenpakket van het UWV
te wijzigen. In
tegenstelling tot het plaatsingsbudget en het pakket op maat wordt de
premievrijstelling slechts door één instelling verleend, te weten het
UWV. Het ligt daarom voor de hand om ook de verstrekking van de
aanvullende kostenvergoeding bij het UWV te leggen. In de nieuwe
situatie is er sprake van premieaanpassing door het UWV. Dit betekent
extra handelingen, echter de handelingen met betrekking tot
subsidieverstrekking komen te vervallen. De financiële gevolgen zullen
kostenneutraal zijn. De extra uitvoeringskosten die het UWV maakt vanwege de
WAO-premiekorting voor ouderen bedragen enkele miljoenen.
Overgangsrecht
Bij de keuze voor het
overgangsrecht zijn de aard van de te wijzigen regeling, de aard en het
doel van de wijziging, de groep die geraakt wordt door de wijziging en
de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid in aanmerking genomen. Al deze
factoren tegen elkaar afwegend heeft het kabinet ervoor gekozen de
gemaakte afspraken te eerbiedigen. Dat betekent dat beoogd wordt de
wetswijziging per 1 januari 2002 van kracht te laten zijn op alle nieuwe
aanvragen. Reeds toegekende aanspraken op een rblz.|19|
plaatsingsbudget, herplaatsingsbudget, pakket op maat of subsidie voor voorzieningen voor
behoud van het eigen werk blijven onverkort gehandhaafd. Dat betekent
dat de geplande budgetverschuiving voor een deel pas later is te
realiseren. Het kabinet is echter van mening dat deze optie de voorkeur
verdient, gezien de waarde die hij hecht aan het naleven van de gangbare
rechtsbeginselen en het feit dat het gaat om een relatief kleine groep
begunstigden en voor een beperkte periode.
Toelichting
op de artikelen
Hoofdstuk 1.
Socialezekerheidswetgeving
Artikel
I. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel I, onderdeel A
(artikel 23 van de WAO)
Op grond van
artikel 23
van de WAO kan het UWV
bepaalde personen voorafgaande aan het nemen van
bepaalde beslissingen oproepen om te ondervragen of te doen ondervragen.
Deze bevoegdheid wordt
ook wenselijk geacht met betrekking tot arbeidsgehandicapten ten aanzien
waarvan premievrijstelling is verleend of wordt overwogen. Dit onderdeel
voorziet daarin.
Artikel I, onderdeel B
(artikel 76a van de WAO)
Artikel
76a van de WAO dient te worden aangepast in verband met het intrekken van de
artikelen
77b tot en met 77e van de WAO
(artikel I, onderdeel D) en in verband met
de toevoeging van de artikelen 79a en
79b.
Artikel I, onderdeel C
(artikel 76d van de WAO)
Dit onderdeel zorgt
ervoor dat de forfaitaire premiekorting voor elke werknemer die in een
kalenderjaar 58 jaar of ouder wordt ten laste komt van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel I, onderdeel D
(artikelen 77b tot en met 77e
van de WAO)
Voor een toelichting
hierop wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel I, onderdeel E
(artikelen 79a en 79b van de WAO)
Met het voorgestelde
artikel 79a van de WAO wordt een forfaitaire premiekorting van
€|712,- per
jaar ingevoerd voor elke werknemer die in het kalenderjaar 58 jaar of
ouder wordt. De werkgever krijgt deze korting over zijn totale WAO-premienota. Dat wil zeggen op het totaal van de som van de
basispremie en de gedifferentieerde premie die hij in totaliteit voor
zijn werknemers verschuldigd is. Indien de werkgever een eigen
risicodrager is en derhalve alleen de basispremie verschuldigd is, wordt
de korting in mindering gebracht op die basispremie.
De zinsnede "voor zover
hij over dat kalenderjaar premie over het loon van die werknemer
verschuldigd is" beoogt ervoor te zorgen dat de korting niet meer kan
bedragen dan het totaal van de premienota.
Het tweede lid beoogt te
voorzien in situaties dat de werknemer niet gedurende het hele
kalenderjaar in dienst is bij de werkgever. Het vijfde lid ziet op de
situatie dat het UWV
de uitkering op grond van de WAO betaalt aan de
werkgever teneinde het door diens tussenkomst te doen uitbetalen. Het
ligt niet in de rede om de werkgever in aanmerking te brengen voor een rblz.|20|
premiekorting als bedoeld in het eerste lid van het voorgestelde artikel
79a van de WAO als hij slechts dient als doorgeefluik voor de hier
bedoelde uitkering.
In het zesde lid wordt
bepaald dat de premiekorting voor oudere werknemers niet van toepassing
is op werknemers op gesubsidieerde arbeidsplaatsen op grond van de Wsw,
de Wiw en het Besluit
in- en doorstroombanen. Het betreft immers een maatregel die erop is
gericht om de arbeidsparticipatie van oudere werknemers aan reguliere
arbeid te stimuleren. Daarbij komt dat de genoemde arbeidsplaatsen reeds
worden gesubsidieerd en er derhalve van de premiekorting geen
stimulerende werking uitgaat.
Deze lijn komt overeen
met de lijn zoals die ook is gekozen voor de toetrederskorting.
Als gesubsidieerde arbeid
wordt niet beschouwd de arbeid als bedoeld in de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren. Voor deze regeling is een uitzondering
gemaakt vanwege de tweeledige doelstelling daarvan, te weten de
verruiming van de markt van schoonmaakdiensten en de inschakeling
daarbij van met name laagopgeleide werkzoekenden in het arbeidsproces.
Dit betekent derhalve dat werkgevers die op grond van de onderhavige
regeling subsidie ontvangen eveneens in aanmerking kunnen komen voor de
premiekorting voor oudere werknemers.
Het nieuwe
artikel
79b van de WAO voorziet in een vrijstelling voor de basispremie en de
gedifferentieerde premie voor de werkgever voor een werknemer die
arbeidsgehandicapt is in de zin van artikel 2 van de Wet
Rea. Deze
vrijstelling wordt op grond van het eerste lid voor een periode van drie
jaar verleend wanneer een werkgever een arbeidsgehandicapte in dienst
neemt. Daarbij is bepalend of iemand op de dag van de aanvang van de
dienstbetrekking arbeidsgehandicapt is en niet of hij dat gedurende die
hele periode blijft. Indien een werknemer arbeidsgehandicapt wordt en
bij zijn eigen werkgever (en in dezelfde of een andere functie) gaat
werken, wordt de vrijstelling voor een periode van één jaar verleend.
Dat is geregeld in artikel 79b, tweede lid. Deze
premievrijstellingsregeling is niet van toepassing op personen die
werkzaam zijn als werknemer in de zin van de Wsw
of werkzaam zijn op een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de
Wsw, maar wel op
personen werkzaam ingevolge het Besluit in- en
doorstroombanen en
op werkervaringsplaatsen ingevolge de Wiw. Ook is de premievrijstelling
van toepassing op de dienstbetrekkingen ingevolge de Wiw. Dit laatste
wijkt af van de situatie die tot nu toe gold, waarbij voor Wiw-dienstbetrekkingen geen (her)plaatsingsbudget of pakket op maat kon
worden. In de algemene toelichting worden de achtergronden voor deze
wijziging toegelicht. Het vierde lid ziet op de situatie dat het UWV
de
uitkering op grond van de WAO betaalt aan de werkgever teneinde die door
diens tussenkomst te doen uitbetalen. Deze werkgever, die alsdan voor de
betaling van de premies werknemersverzekeringen de werknemersdelen dient
in te houden en samen met de werkgeversdelen dient af te dragen,
ontvangt van het UWV hiervoor de te betalen uitkering alsmede de door de
werkgever verschuldigde premies werknemersverzekeringen (waaronder de
door hem verschuldigde WAO-premie). In de situatie dat die werkgever op
grond van het hier voorgestelde artikel 79b
van de WAO geen WAO-premie
verschuldigd zou zijn over die uitkering, zou het derhalve in de rede
liggen dat het UWV die WAO-premie niet met de uitkering aan die
werkgever betaalt. Het is administratief evenwel eenvoudiger als het UWV
die premie wel aan die werkgever betaalt en de werkgever die dan - met
de door hem in te houden werknemersdelen - afdraagt aan het UWV.
Voor de volledigheid
wordt hier nog opgemerkt dat de premiekorting en de premievrijstelling
van artikel 79a en 79b
kunnen samenlopen, doch er rblz.|21|
kan niet meer
premievermindering worden verleend dan de som van de premienota van een
werkgever.
Naast de
premievrijstelling voor de basispremie en gedifferentieerde premie in de
WAO wordt in dit wetsvoorstel tevens voorzien in een premievrijstelling
met betrekking tot de premie die de werkgever verschuldigd is aan het
Algemeen Werkloosheidsfonds. Dit wordt geregeld in artikel 82a
van de WW (zie de toelichting hierna
bij artikel
III). De
premievrijstellingsregeling geeft een volledige vrijstelling en de
omvang van de vrijstelling is alleen afhankelijk van het loon dat de
arbeidsgehandicapte verdient en de hoogte van de premiepercentages.
Uitgaande van een gemiddeld loon van €|22 689,-
(ƒ50 000,-) per jaar
bedraagt de vrijstelling van premies gemiddeld circa €|2269,-
(ƒ5000,-) op
jaarbasis, wat kan oplopen tot circa maximaal €|4084,-
(ƒ9000,-) voor een
persoon die werkzaam is tegen het maximumdagloon.
Artikel I, onderdeel F
(artikel 91a van de WAO)
In
artikel I, onderdeel F, zijn overgangsbepalingen getroffen voor personen die op het moment
van inwerkingtreding van deze wet aanspraak hebben op voorzieningen op
basis van de Wet Rea zoals deze luidde op de dag
vóór inwerkingtreding
van deze wet. Op grond van het voorgestelde artikel 87b
van de Wet
Rea blijven toegezegde voorzieningen gehandhaafd.
Daar staat tegenover dat
de werkgever zolang hij deze voorzieningen geniet voor die periode geen
vrijstelling kan aanvragen voor de WAO-premies met betrekking tot deze
werknemers. Het nieuwe artikel 91a voorziet daarin. Voor de volledigheid
wordt hier nog wel opgemerkt dat er in de bedoelde situatie wel aanspraak kan bestaan op de forfaitaire premiekorting van
€|712,- per jaar
voor deze werknemers wanneer deze in het kalenderjaar 58 jaar of ouder
zijn.
Artikel
II. Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
Bij de in dit artikel
voorgestelde wijzigingen in de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten is ervan uitgegaan dat
artikel 57 van het bij
koninklijke boodschap van 6 april 2001 ingediende voorstel van wet tot invoering van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen)
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 665) (hierna te noemen: ISUWI) tot wet is
verheven en in werking is getreden. In dat artikel zijn wijzigingen van
de Wet Rea opgenomen die op een aantal, met name wetgevingstechnische,
punten niet geheel stroken met dit wetsvoorstel. Door de hier
voorgestelde werkwijze worden deze bepalingen nadat ze door ISUWI in de
Wet Rea zijn opgenomen direct daarna vervangen door de in dit
wetsvoorstel opgenomen bepalingen. Naar verwachting zal ISUWI, net als
dit wetsvoorstel, met ingang van 1 januari 2002 in werking treden.
Artikel II,
onderdeel A
en B (artikelen 1 en 3 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
Het schrappen van het
tweede lid van artikel 1 respectievelijk het vierde lid van
artikel 3
van de Wet Rea vloeit voort uit het feit dat het
Rea-instrumentarium
open komt te staan voor werkgevers als bedoeld in de Wiw. Voor een
verdere toelichting wordt verwezen naar het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
rblz.|22|
Artikel II, onderdeel C
(artikel 10 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar het algemeen gedeelte
van deze
toelichting.
Artikel II, onderdeel D
(artikel 12 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar het algemeen gedeelte
van deze
toelichting.
Artikel II, onderdeel E
(artikel 15 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten)
Het hier voorgestelde
artikel 15 van de Wet Rea (ter vervanging van het
artikel 15 van de
Wet Rea dat betrekking had op subsidie voor kosten van voorzieningen voor
behoud van het eigen werk) is identiek aan het in de ISUWI ingevoegde
artikel 16a van de Wet Rea.
Artikel II, onderdeel F
(artikelen 16 en 17 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
De
paragrafen 1 en 2 van
hoofdstuk 3 van de huidige Wet Rea bevat de regeling van het
reïntegratie-instrumentarium ten behoeve van werkgevers. Zoals gezegd,
komen deze te vervallen. Nu wordt voorgesteld om, gelet op de vervanging
van deze budgetten door premievrijstellingen in de WAO
en WW, in de
plaats van dit instrumentarium aan werkgevers de mogelijkheid te bieden
om een subsidie te vragen voor de gemaakte kosten voor zover die uitgaan
boven het voordeel voor een werkgever uit hoofde van de
premievrijstellingsregeling. Daartoe wordt voorgesteld een nieuw artikel
16 op te nemen met betrekking tot de subsidie voor de gemaakte kosten.
In het tweede lid van dat artikel is aangegeven welke kosten voor
subsidieverstrekking in aanmerking komen. Deze omschrijving is gebaseerd
op de huidige artikelen 15 en 18, derde lid, onderdeel d, van de Wet
Rea. De tekst van artikel 16 voorziet ook in de mogelijkheid tot
vergoeding van meerkosten op een later moment. Dit kan zich voordoen
indien de door een werkgever aangeschafte apparatuur na een aantal jaren
moet worden vervangen. Op dat moment maakt de werkgever geen aanspraak
meer op de premievrijstellingen, maar kan hij wel vergoeding vragen van
de meerkosten in verband met de vervanging van apparatuur. Artikel 17 is
alleen technisch aangepast aan de nieuwe regeling, maar komt inhoudelijk
overeen met het huidige artikel 19 van de Wet Rea.
Artikel II,
onderdeel G
en H (artikelen 20 en 21 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
Deze onderdelen betreffen
aanpassingswetgeving in artikel 20 en 21 van de Wet
Rea in verband met
wijzigingen in de artikelen 15 tot en met 19.
Artikel II, onderdeel I
(artikel 31 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten)
Artikel 31 van de
Wet Rea ziet op instrumenten die aan arbeidsgehandicapte werknemers op hun
aanvraag kunnen worden verstrekt. Naast de huidige in het tweede lid
genoemde voorzieningen, zoals voor vervoer, voor noodzakelijke
persoonlijke ondersteuning en voor communicatie, is het wenselijk dat
die mogelijkheid tot verstrekking aan de werknemer wordt geregeld met
betrekking tot bepaalde meeneembare voorzieningen op de werkplek. Het
gaat daarbij met name om zaken die op de rblz.|23|
individuele werknemer zijn
afgestemd. Bij de aanbieding van het eindrapport van de evaluatie van de
Wet Rea is opgemerkt dat gezien de wens tot versterking van de positie
van de werknemer onderzocht moet worden of bijvoorbeeld subsidies voor
meeneembare voorzieningen rechtstreeks aan de werknemer verstrekt zouden
kunnen worden. Met het hier voorgestelde onderdeel wordt beoogd tegemoet
te komen aan deze wens. Het vijfde lid van artikel 31 kan vervallen nu
artikel 13a van de Wiw komt te vervallen.
Artikel II,
onderdeel J
, K, L en
M (artikelen 43, 49b en 77 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten)
De
artikelen 43,
49b en
77 van de Wet Rea dienen in verband met de wijzigingen in de
artikelen
15 tot en met 19 van de Wet Rea te worden
aangepast. Genoemde onderdelen
voorzien daarin.
Artikel II, onderdeel N
(artikel 87b van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten)
Op basis van de
Wet Rea zoals deze luidt vóór inwerkingtreding van
deze wet bestaat op grond van
artikel 17 de mogelijkheid tot het toekennen van een plaatsingsbudget en
op grond van artikel 18, derde lid, onderdeel a, van een
loonkostensubsidie die betrekking kunnen hebben op een periode van
maximaal drie jaar. Met deze overgangsbepaling is beoogd dat deze
voorzieningen, voor zover zij betrekking hebben op dienstbetrekkingen die
zijn aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, tot het einde van
die periode kunnen worden voortgezet. Tevens kunnen nog voorzieningen
worden toegekend ingeval die werknemer zijn eigen arbeid of een andere
functie bij dezelfde werkgever heeft hervat vóór 1 januari 2002 dan wel
nadat diens arbeidsplaats is aangepast tot behoud, herstel of ter
bevordering van de arbeidsgeschiktheid van die werknemer voor de eigen
arbeid, [; dan is, red.] geen premie verschuldigd over het loon van die
werknemer, vóór
die datum.
De afhandeling van de
reeds lopende plaatsingsbudgetten en loonkostensubsidies zal door het UWV
van het Lisv moeten worden overgenomen. Het tweede lid voorziet
daarin.
In het bij koninklijke
boodschap van 3 september 2001 ingediende voorstel van wet houdende
enkele wijzigingen in wetten op het terrein van het
ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW-wetten
2001)
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 897) wordt een artikel 87a
in hoofdstuk 11
van de Wet Rea ingevoegd; daarom wordt de hier bedoelde
overgangsbepaling ingevoegd als artikel 87b
van de Wet
Rea.
Artikel
III.
Werkloosheidswet
Artikel III, onderdeel A
en B
(artikelen 82 en
82a van de Werkloosheidswet)
In aanvulling op hetgeen
hierover is opgemerkt in het algemeen gedeelte van deze toelichting
wordt hier nog het volgende opgemerkt.
Het hier voorgestelde
artikel 82a van de WW voorziet in een premievrijstelling voor de
werkgever over het loon van een arbeidsgehandicapte met betrekking tot
de premie die de werkgever verschuldigd is aan het Algemeen
Werkloosheidsfonds. Evenals bij de premievrijstelling in het kader van
de WAO (zie het in artikel I, onderdeel E, voorgestelde
artikel 79b van
de WAO) wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen een werkgever die
een arbeidsgehandicapte in dienst neemt en een werkgever wiens werknemer
arbeidsgehandicapt wordt. Op grond van het voorgestelde artikel 82a,
eerste lid, geldt de rblz.|24|
premievrijstelling voor een periode van drie jaar
wanneer een werkgever een arbeidsgehandicapte in dienst neemt. Op grond
van het voorgestelde artikel 82a, tweede lid, geldt de
premievrijstelling voor een periode van één jaar wanneer een werknemer
arbeidsgehandicapte wordt en bij zijn werkgever in dienst blijft. Voor
een toelichting op het vierde lid van artikel 82a
verwijzen wij naar de
toelichting op het vierde lid van het voorgestelde artikel 79b
van de WAO. De wijzigingen in artikel 82 hebben betrekking op de situatie dat
het loon geheel in natura wordt betaald.
Artikel III, onderdeel C
(artikel 97c van de Werkloosheidswet)
Artikel
97c van de WW heeft betrekking op de door de overheidswerkgever verschuldigde premie
aan het Uitvoeringsfonds van de overheid. De premievrijstellingsregeling
die geldt ten aanzien van het Algemeen Werkloosheidsfonds moet ook
gelden voor de aan het Uitvoeringsfonds van de overheid verschuldigde
premie.
Artikel
III, onderdeel D (artikel 105 van de Werkloosheidswet)
Op grond van
artikel 23
van de WAO kan het UWV
bepaalde personen voorafgaande aan het nemen van
bepaalde beslissingen oproepen om te ondervragen of te doen ondervragen.
Deze bevoegdheid wordt
ook wenselijk geacht indien premievrijstelling op grond van de WW
voor
arbeidsgehandicapten is verleend of wordt overwogen. Dit onderdeel
voorziet daarin.
Artikel III, onderdeel E
(artikel 130g van de Werkloosheidswet)
In
artikel III, onderdeel
E, zijn overgangsbepalingen getroffen voor personen die op het moment
van inwerkingtreding van deze wet aanspraak hebben op voorzieningen op
basis van de Wet Rea zoals deze luidde op de dag
vóór inwerkingtreding
van deze wet. Op grond van het voorgestelde artikel 87b
van de Wet
Rea blijven toegezegde voorzieningen gehandhaafd.
Daar staat tegenover dat
de werkgever zolang hij deze voorzieningen geniet in die periode geen
vrijstelling van premiebetaling kan aanvragen voor WW-premies met
betrekking tot deze werknemers. Het nieuwe artikel 130g
WW voorziet
daarin.
Artikel
IV. Wet
inschakeling werkzoekenden
Bij de in dit artikel
voorgestelde wijzigingen in de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw) is
ervan uitgegaan dat artikel 81 van de ISUWI tot wet is verheven en in
werking is getreden. In dat artikel zijn wijzigingen van de Wiw opgenomen die op een aantal, met name wetgevingstechnische, punten niet
geheel stroken met dit wetsvoorstel. Door de hier voorgestelde werkwijze
worden deze bepalingen nadat ze door ISUWI
in de Wiw zijn opgenomen
direct daarna vervangen door de in dit wetsvoorstel opgenomen
bepalingen. Naar verwachting zal de ISUWI, net als dit wetsvoorstel, met
ingang van 1 januari 2002 in werking treden.
Artikel IV, onderdeel B
(artikelen 13a en 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden)
In dit onderdeel worden
de artikelen 13a en 13b
van de Wiw ingetrokken. Tot op heden kan een gemeente
op grond van artikel 13a van de
Wiw aan iemand die arbeid in
dienstbetrekking verricht en aan een werkgever op grond van artikel 13b
van die wet voorzieningen verstrekken wanneer die werknemer vóór zijn
indiensttreding behoorde tot de doelgroep van de Wiw. De in
deze wet
voorgestelde premievrijstellingsregelingen zijn in alle gevallen van
toepassing indien een arbeidsgehandicapte in dienstbetrekking arbeid
gaat verrichten. Deze premievrijstellingen worden door het UWV
verleend
op de totale premienota van een werkgever. Afhankelijk van de omvang van
de kosten van aanpassing van werkplek van betrokkene rblz.|25|
kan de werkgever
ook nog aanspraak maken op een vergoeding van deze extra kosten
(voorgestelde nieuwe artikel 15 van de Wet Rea). Gelet op het voorgaande
blijft in dezen geen taak meer over voor de gemeenten.
Artikel IV, onderdeel C
(artikel 14 van de Wet inschakeling werkzoekenden)
Dit onderdeel past
artikel 14 van de Wiw aan in verband met het intrekken van
artikel 13a en 13b.
Artikel IV, onderdeel D
(artikel 15 van de Wet inschakeling
werkzoekenden)
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
Artikel IV, onderdeel E
(artikel 25b van de Wet inschakeling werkzoekenden)
Artikel
25b regelt het
overgangsrecht in verband met het intrekken van de artikelen 13a
en 13b.
Met het overgangsrecht
van artikel 13a wordt bewerkstelligd dat voor arbeidsgehandicapten die
arbeid hebben aanvaard en voor het uitoefenen van de bijbehorende
werkzaamheden werknemersvoorzieningen bij de gemeente
hebben aangevraagd
vóór 1 januari 2002 deze aanvraag wordt afgehandeld door de
betreffende gemeente. De gemeente is tevens verantwoordelijk voor de
afhandeling van de overeenkomstige aanvragen die vóór 1 januari 2002
door arbeidsgehandicapten zijn ingediend bij Arbeidsvoorziening, maar
voor wie de reïntegratieverantwoordelijkheid, op grond van de
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(ISUWI), met ingang van 1 januari 2002 bij de gemeenten is
komen te liggen.
Met het overgangsrecht
van artikel 13b wordt bewerkstelligd dat voor werkgevers die een
arbeidsgehandicapte in dienst hebben genomen en vóór 1 januari 2002
een plaatsingsbudget of pakket op maat hebben aangevraagd bij de
gemeente, deze aanvraag wordt afgehandeld door de betreffende gemeente.
De gemeente is tevens verantwoordelijk voor de afhandeling van de
aanvragen voor een subsidie voor een plaatsingsbudget of een pakket op
maat die vóór 1 januari 2002 door werkgevers zijn ingediend bij de
voormalige Arbeidsvoorzieningsorganisatie, maar waarvoor de
reïntegratieverantwoordelijkheid voor geplaatste arbeidsgehandicapten,
op grond van bovengenoemde ISUWI, met ingang 1 januari 2002
eveneens aan gemeenten is toegedeeld.
Hoofdstuk 2.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel V
Als gevolg van de bij
dit
wetsvoorstel geregelde intrekking van de artikelen 13a
en 13b van de Wiw,
zoals toegelicht bij artikel IV van dit
voorstel, dient
artikel 38,
eerste lid, van het meergenoemde voorstel van wet
tot invoering Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dat eveneens op 1
januari 2002 in werking treedt, dienovereenkomstig te worden aangepast.
Het betreft hier een uitsluitend technische wijziging.
rblz.|26|
Artikel
VI. Bepaling in
verband met de Wet verbetering poortwachter
In
artikel II, onderdeel C, van het bij koninklijke boodschap van 17 april 2001 ingediende
voorstel van wet tot verbetering van de procesgang in het eerste
ziektejaar en nieuwe regels voor de ziekmelding, de reïntegratie en de
wachttijd van werknemers alsmede met betrekking tot de
loondoorbetalingsverplichting van de werkgever (Wet verbetering
poortwachter) (Kamerstukken II 2000-2001, 27 678) wordt artikel
23,
eerste lid, van de WAO vervangen. Het onderhavige artikel regelt een
aanpassing van dat nieuwe eerste lid in verband met hetgeen wordt
voorgesteld in artikel IV, onderdeel A, van
het onderhavige wetsvoorstel.
Artikel
VII. Bepaling in
verband met de Verzamelwet SZW-wetten 2001
In
artikel IV van het bij
koninklijke boodschap van 3 september 2001 ingediende voorstel van wet
houdende enkele wijzigingen in wetten op het terrein van het
ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW-wetten
2001)
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 897) wordt een wijziging voorgesteld in
artikel 49b van de Wet Rea alsmede de invoering van een nieuw
artikel
87a in die wet. Afhankelijk van welk wetsvoorstel eerder in werking
treedt, moeten dat wetsvoorstel en artikel II van
het onderhavige
wetsvoorstel op een andere wijze technisch worden aangepast. Het
onderhavige artikel voorziet daarin.
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.J. Bos
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|