|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 549
Regels
met betrekking tot de positionering van de reïntegratiediensten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Wet verzelfstandiging reïntegratiediensten
Arbeidsvoorzieningsorganisatie)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Reïntegratiemarkt in
relatie tot de privatisering van het reïntegratiebedrijf van
Arbeidsvoorziening |
| 3 |
Het proces van
privatisering |
| 4 |
Positionering van het
reïntegratiebedrijf op de markt |
| 4.1 |
Financiële
startpositie |
| 4.2 |
Continuïteit van de
dienstverlening |
| 5 |
Hoofdlijn regeling
wetsvoorstel |
| 6 |
Bestuurlijke
verhoudingen |
| 7 |
Gegevensverstrekking
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie |
| 8 |
Financiële gevolgen |
| 9 |
Opvatting CBA
(uitvoeringstoets) |
|
xArtikelsgewijs |
| xxr |
Artikelen
1 t/m 17 |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel regelt de overgang van de huidige dienstverlening door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het kader van de reïntegratie van
moeilijk plaatsbare werkzoekenden en arbeidsgehandicapten en in het kader van moeilijk
vervulbare vacatures naar een privaatrechtelijk bedrijf dat in concurrentie met
derden opdrachten moet verwerven. Deze overgang betreft een uitwerking
van het Regeerakkoord 1998 en de kabinetsplannen met betrekking tot de
toekomstige Structuur uitvoering werk en inkomen
(SUWI).
In het Regeerakkoord 1998
is gekozen voor het introduceren van meer concurrentie bij de
uitvoering van reïntegratieactiviteiten, waarbij Arbeidsvoorziening in
concurrentie met reïntegratiebedrijven opdrachten moet zien te verwerven
van de hiertoe aan te wijzen opdrachtgevers. Doel hiervan is om de
effectiviteit en de efficiency van de uitvoering van de reïntegratie te
vergroten.
In de plannen met
betrekking tot de Structuur uitvoering werk en inkomen is nader
uitwerking gegeven aan de uitvoering van reïntegratieactiviteiten door private, met elkaar
concurrerende, reïntegratiebedrijven. Daarbij komt de
verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden,
die nu nog bij Arbeidsvoorziening ligt, te liggen bij gemeenten, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en sociale
partners.
In het Kabinetsstandpunt
SUWI van maart 1999 is in dit kader aangegeven dat de huidige
reïntegratieactiviteiten van Arbeidsvoorziening
zullen
worden ondergebracht in
een reïntegratiebedrijf Arbeidsvoorziening dat, na enige tijd, volledig
geprivatiseerd zal worden. Daarbij is aangekondigd dat de overgang van de
reïntegratieactiviteiten van Arbeidsvoorziening naar de markt op een
zorgvuldige wijze zal plaatsvinden.
In het Nader
kabinetsstandpunt SUWI van januari 2000 is de keuze voor privatisering van de
reïntegratieactiviteiten van Arbeidsvoorziening nog eens bevestigd.
rblz.|2|
Binnen
de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft inmiddels een interne ontvlechting
plaatsgevonden, waarbij aparte bedrijfsonderdelen zijn ontstaan onder leiding
van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA). Eén van deze
bedrijfsonderdelen betreft het reïntegratiebedrijf genaamd KLIQ, waarin de
reïntegratieactiviteiten van Arbeidsvoorziening worden ondergebracht.
Door deze interne ontvlechting wordt het al in belangrijke mate
mogelijk dat het reïntegratiebedrijf KLIQ meer bedrijfsmatig gaat werken
en daardoor beter in kan spelen op de wensen van de opdrachtgevers op
de reïntegratiemarkt.
Wel is het bedrijf,
zolang het onderdeel van de publieke Arbeidsvoorzieningsorganisatie is, nog gebonden
aan
wettelijke taken en is de ministeriële verantwoordelijkheid nog
volledig van toepassing.
Het kabinet acht het
wenselijk dat het bedrijf zo snel mogelijk een private rechtsvorm krijgt en geen
onderdeel meer uitmaakt van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Hiertoe wordt een NV
opgericht waarin KLIQ (het reïntegratiebedrijf van Arbeidsvoorziening)
wordt ondergebracht.
Om dit mogelijk te maken,
is een beperkte wijziging van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 noodzakelijk.
Tevens
zijn enige wettelijke maatregelen nodig in verband met een
goede regeling van de overgang en in verband met tijdelijke garanties
voor de dienstverlening. De nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling voor de
reïntegratie en
eventuele regels om de reïntegratiemarkt optimaal te laten werken,
zullen te zijner tijd in de
SUWI-wetgeving worden geregeld.
In het
Kabinetsstandpunt
SUWI is aangegeven dat het kabinet het wenselijk acht de Centra
Vakopleiding binnen het reïntegratiebedrijf te houden. In mei 2000 is door het
CBA besloten dat de Centra Vakopleiding geen onderdeel gaan uitmaken
van het reïntegratiebedrijf. Hiermee kan in afwachting van de
resultaten van een nadere analyse in opdracht van SZW van de toekomstige
positie van de Centra Vakopleiding akkoord worden gegaan. Mede op
basis daarvan zal worden besloten op welke wijze dit
bedrijfsonderdeel in de toekomst zal worden vormgegeven.
In
dit wetsvoorstel
worden de elementen geregeld die het mogelijk moeten maken over te gaan
tot externe verzelfstandiging van het reïntegratiebedrijf van Arbeidsvoorziening. Deze elementen zijn:
- De overheveling van
de activiteiten van Arbeidsvoorziening op het gebied van de
reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden en arbeidsgehandicapten naar
een op te richten NV.
- Beperkte
wetswijziging om het bovenstaande mogelijk te maken. Kern van de wijziging is dat
het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA) verantwoordelijk
blijft voor het reïntegreren van moeilijk plaatsbare werkzoekenden
maar deze taak niet meer onder zijn verantwoordelijkheid laat uitvoeren door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, maar de uitvoering
daarvan verplicht uitbesteedt aan de NV.
- Wettelijke titel voor
een verplichte besteding van de prestatiebijdrage door het CBA voor
betaling van de dienstverlening van de NV in opdracht van het CBA.
- De toegang van de NV
tot gegevens van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
In deze memorie van
toelichting wordt eerst ingegaan op de ontwikkeling van de reïntegratiemarkt,
omdat deze ontwikkeling het mogelijk en ook wenselijk maakt om tot
externe verzelfstandiging van het reïntegratiebedrijf van Arbeidsvoorziening
over te gaan. Vervolgens wordt de vormgeving van het privatiseringsproces geschetst in
hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de
wijze waarop de positionering van het reïntegratiebedrijf op
de markt zal gaan verlopen, waarbij wordt ingegaan rblz.|3|
op de financiële
startpositie en de garanties ten aanzien van de continuïteit in de dienstverlening.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de wijzigingen in de Arbeidsvoorzieningswet
1996 en in hoofdstuk 6 op de relatie tussen de Minister van
SZW, het
CBA en de NV. Hoofdstuk 7 gaat over de gegevensverstrekking door
Arbeidsvoorziening, hoofdstuk 8 [vervallen, red.] gaat in op fiscale aspecten,
hoofdstuk 9 [hoofdstuk 8, red.] op
de financiële consequenties en ten slotte hoofdstuk 10 [hoofdstuk 9,
red.] op de advisering door
de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie over de uitvoerbaarheid van deze
wet.
2. Reïntegratiemarkt in
relatie tot de privatisering van het reïntegratiebedrijf van
Arbeidsvoorziening
De financiering van
reïntegratiediensten vindt in belangrijke mate plaats uit collectieve middelen
(deels begrotingsgelden, deels premiegelden). De introductie van
marktwerking bij de uitvoering van de reïntegratie heeft hierin geen wezenlijke
verandering gebracht.
Als gevolg van
(wettelijke) maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen, wordt een deel
van de publieke middelen die beschikbaar worden gesteld voor
reïntegratie reeds door opdrachtgevers (gemeenten,
Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen,
red.]) uitbesteed aan met
elkaar concurrerende reïntegratiebedrijven. Deze maatregelen waren onder
andere de
Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), de regeling van de
verantwoordelijkheidsverdeling voor reïntegratie van arbeidsgehandicapten in
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea) en het
afschaffen van de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening
door gemeenten en Lisv
per 1 januari 2000.
Als gevolg van de Wet
uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) en de Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) worden ook door
bedrijven in toenemende mate middelen ingezet om
zieke of arbeidsongeschikte werknemers te laten reïntegreren.
Door deze maatregelen is
een reïntegratiemarkt ontstaan, die nog volop in ontwikkeling is. Gezien
deze ontwikkeling is het van belang dat het onderdeel van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dat zich met reïntegratie bezighoudt zo snel
mogelijk als een zelfstandig bedrijf op de reïntegratiemarkt kan gaan opereren. Dat is
van belang voor het bedrijf, maar ook voor het ontstaan van
normale marktverhoudingen.
Om op de
reïntegratiemarkt evenwichtige concurrentieverhoudingen te creëren, is een hybride
organisatie zoals de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, die zowel een publieke
opdracht heeft als in concurrentie met private bedrijven opdrachten
verwerft, niet wenselijk.
Ook voor het bedrijf is
snelle verzelfstandiging nodig. De omslag naar een commercieel opererende
organisatie kan namelijk alleen goed plaatsvinden als sprake is van een
extern verzelfstandigd bedrijf.
Op basis van de huidige
Arbeidsvoorzieningswet 1996 is het ook niet goed mogelijk dat een
bedrijfsonderdeel van een publiekrechtelijk orgaan concurrentie met
marktpartijen aangaat.
Hoewel deze wet een relatie heeft met de door het kabinet gemaakte keuzes rond werk en
inkomen, is deze wet in feite meer een uitvloeisel van de reeds in gang gezette
ontwikkeling van een reïntegratiemarkt. In dit wetsvoorstel wordt
namelijk nog uitgegaan van de bestaande Arbeidsvoorzieningswet 1996 (die bij de
totstandkoming van de SUWI-wet wordt ingetrokken). Dit biedt de mogelijkheid
om tijdelijke voorzieningen die nodig zijn om de voortgang van
de uitvoering van de reïntegratie te garanderen, waaronder een tijdelijke
omzetgarantie, nog vanuit de oude structuur te laten plaatsvinden.
rblz.|4|
In
het kader van SUWI zal de andere wijze waarop de
opdrachtverlening én de uitvoering van
deze reïntegratie wordt geregeld, worden afgerond. Op dat moment is er geen
publieke organisatie voor de uitvoering van de reïntegratie meer. In
plaats van één publieke instelling, namelijk de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan wie deze taak is opgedragen, die daarvoor middelen
ontvangt en deze taak ook zelf uitvoert, zijn gemeenten,
UWV en sociale
partners verantwoordelijk voor de reïntegratie. Deze opdrachtgevers
beschikken over budgetten die worden aanbesteed bij private
reïntegratiebedrijven.
De uitvoering is en
blijft echter gegarandeerd, omdat collectieve middelen beschikbaar blijven voor
de moeilijkste groepen. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van
reïntegratieopdrachten wordt gelegd bij gemeenten,
UWV (beide
publieke organisaties) en sociale partners. Er is dan ook geen aanleiding
specifieke wettelijke eisen te stellen aan het te privatiseren reïntegratiebedrijf van
Arbeidsvoorziening anders dan de algemene eisen die aan
andere reïntegratiebedrijven worden gesteld.
Uit onderzoek blijkt dat
er geen hoge toetredingsdrempels zijn tot deze markt en dat zich
inmiddels een diversiteit aan bedrijven aan het ontwikkelen is.
Om reïntegratiebedrijven
te interesseren om ook moeilijk plaatsbaren te helpen, zullen meer
middelen beschikbaar moeten worden gesteld naar de mate de verwachting is
dat voor deze werkzoekenden een duurder traject nodig is en meer inspanningen nodig zijn om hen te plaatsen. Hetzelfde
geldt indien de omstandigheden op de arbeidsmarkt veranderen en inspanningen om mensen te
plaatsen, toenemen en de kans op succes afneemt. Een garantie op
succes in de vorm van plaatsing is niet mogelijk, maar deze garantie kan
ook in de huidige situatie waarin sprake is van uitvoering door een
publieke organisatie niet worden gegeven.
Het is bij de uitvoering
van reïntegratietrajecten voor de reïntegratiebedrijven niet alleen van belang
dat deze zich richten op het aanbod van werkzoekenden, maar ook
bekijken waar de beste mogelijkheden zijn om werkzoekenden na
afronding van een traject te plaatsen. Dit moet zo goed mogelijk op elkaar zijn
afgestemd. Arbeidsvoorziening speelt nu een belangrijke rol bij het
aan het werk helpen van werkzoekenden na afronding van een
reïntegratietraject. In de toekomst zal zowel door de NV als ook door andere
reïntegratiebedrijven die schakelfunctie moeten worden vervuld.
Daarbij kunnen deze
bedrijven gebruik maken van vacaturegegevens van het CWI [Centrum voor
werk en inkomen, red.] en van andere
vormen van publieke dienstverlening, die Arbeidsvoorziening nu verricht op het gebied
van vacatures en die te zijner tijd onderdeel gaan uitmaken
van de Centra voor werk en inkomen.
Op dit vlak is ook een
belangrijke rol weggelegd voor de Raad voor werk en
inkomen. Door de Raad voor werk en inkomen kunnen publieke middelen worden ingezet
om sectorale initiatieven, die gericht zijn op de bevordering van instroom
van arbeidskrachten in sectoren, te ondersteunen.
Omdat de
reïntegratiemarkt zowel qua aanbod maar zeker ook qua opdrachtverlening
(vraagzijde) nog sterk in ontwikkeling is, acht het kabinet het wenselijk om
niet in één keer alle collectieve middelen die beschikbaar zijn voor
reïntegratie vrij op de markt te laten aanbesteden. Ook uit ervaringen op
andere terreinen waar de uitvoering van publieke taken naar de markt wordt
overgeheveld, blijkt dat een geleidelijk vrijgeven van de markt wenselijk
is. Daarom zullen de middelen in de vorm van de prestatiebijdrage
aan het
CBA en bestemd voor uitvoering door de rblz.|5|
NV niet in één keer bij
de externe verzelfstandiging worden overgeheveld naar de nieuwe
opdrachtgevers gemeenten en Lisv
(te zijner tijd UWV) ten behoeve van een vrije aanbesteding. Bij een grote verschuiving van
budgetten tussen oude (CBA) en nieuwe opdrachtgevers (gemeenten en Lisv) is namelijk het
risico aanwezig dat tijdelijk een vertraging optreedt bij de aanbesteding
en
ook de feitelijke uitvoering van de contracten. Hierdoor kunnen de
reïntegratie-inspanningen inzakken.
Consequentie van een
geleidelijke afbouw van de prestatiebijdrage is dat het reïntegratiebedrijf
tijdelijk een zekere garantie voor continuïteit in de reïntegratiedienstverlening
heeft. Op dit laatste aspect zal nog nader worden ingegaan in hoofdstuk
4.
3. Het proces van
privatisering
Het privatiseringsproces
van het reïntegratiebedrijf van Arbeidsvoorziening
zal in een aantal stappen
gaan plaatsvinden. De omvorming van een onderdeel van een
publieke organisatie tot een bedrijf dat op de markt kan concurreren, vergt de
nodige tijd. Ook de ontwikkeling van de reïntegratiemarkt is mogelijk van invloed
op het tempo waarin de privatisering zal kunnen plaatsvinden.
Het
CBA heeft begin 1999
de eerste voorbereidingen getroffen om de organisatie in een aantal bedrijfsonderdelen op te splitsen. Deze interne
ontvlechtingheeft heeft met
ingang van 1 oktober 2000 plaatsgevonden en heeft geleid tot de
aparte bedrijfsonderdelen: reïntegratiebedrijf, basisdienstverlening, Centra
Vakopleiding, Facilitair bedrijf en ESF [Europees Sociaal Fonds, red.]. Het geheel wordt aangestuurd door de
Algemene Directie ondersteund door een concernstaf. In deze fase
van interne ontvlechting worden de taken en de daarbij behorende
werknemers en bedrijfsmiddelen van bestaande bedrijfsonderdelen
waaronder het reïntegratiebedrijf, KLIQ genaamd, zo zuiver mogelijk aan de
verschillende bedrijfsonderdelen toegedeeld. Het reïntegratiebedrijf
wordt hierdoor zoveel mogelijk al een zelfstandige bedrijfseconomische
eenheid binnen de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voor deze eerste fase
geldt dat sprake blijft van een publieke organisatie die volledig blijft
voldoen aan de eisen die door de Arbeidsvoorzieningswet 1996 worden gesteld.
Het
CBA blijft de eindverantwoordelijkheid dragen voor de resultaten
van alle bedrijfsonderdelen, inclusief het reïntegratiebedrijf.
De tweede fase, waarop
dit wetsvoorstel betrekking heeft, betreft de externe
verzelfstandiging, waarbij door de Staat een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht, waarin
de activiteiten voor zover deze worden uitgevoerd door het
intern verzelfstandigde reïntegratiebedrijf Arbeidsvoorziening
zullen worden
ondergebracht. Dit betekent dus dat de activiteiten van de Centra
Vakopleiding vooralsnog als een apart bedrijfsonderdeel bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie blijven. De op te richten rechtspersoon zal een
naamloze vennootschap zijn, waarbij de aandelen aanvankelijk in bezit
zijn van de Staat der Nederlanden. Het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening draagt na de externe verzelfstandiging geen verantwoordelijkheid
meer voor het beleid en de resultaten van de NV. Voor deze
verandering is deze wet nodig. Streven is om de externe verzelfstandiging van het
reïntegratiebedrijf in de vorm van een NV te realiseren per 1 april
2001.
De keuze voor een
privaatrechtelijke vorm is gebaseerd op de overweging dat er geen wettelijke
taken door de organisatie behoeven te worden vervuld. Bovendien geeft
de keuze in het Regeerakkoord 1998 voor het introduceren van
concurrentie aan dat de taken van het reïntegratiebedrijf niet langer door de
overheid c.q. binnen het publieke domein behoeven te rblz.|6|
worden uitgevoerd. Na de
externe verzelfstandiging heeft de ministeriële verantwoordelijkheid dan
ook geen betrekking op het functioneren van het reïntegratiebedrijf, onverlet de verantwoordelijkheid van de Staat als
aandeelhouder.
Het beleid inzake
staatsdeelnemingen (Kamerstukken II 1996-1997, 25 178, nr. 2) geeft aan dat de
keuze voor de privaatrechtelijke rechtsvorm voor de hand ligt wanneer
overdracht van het eigendom van de rechtspersoon op kortere of langere
termijn aan de orde is. Dit is onder andere het geval indien de
beleidsvoornemens erop gericht zijn de taken die de rechtspersoon vervult onder de tucht
van de markt te brengen. Er is dan op termijn geen doorslaggevende
reden meer waarom de Staat aandeelhouder zou moeten blijven. Aangezien de externe verzelfstandiging
erop gericht is
dat het
reïntegratiebedrijf marktconform kan opereren in een structuur die het mogelijk maakt op
termijn de overdracht van de eigendom van het bedrijf te realiseren, is een door de Staat op te richten
NV de aangewezen
keuze.
De keuze voor de
privaatrechtelijke rechtsvorm betekent dat het overheidsbeleid ten
aanzien van de reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden en
arbeidsgehandicapten niet via het aandeelhouderschap van de NV zal worden
vormgegeven. Daarvoor zijn zoals in hoofdstuk 2 is beschreven andere
instrumenten beschikbaar.
Het is mede met het oog
op het voornemen de aandelen te verkopen van belang dat de Staat als aandeelhouder in de beginfase de nodige
bevoegdheden heeft ten
aanzien van belangrijke besluiten van de raad van bestuur van de NV,
zoals ten aanzien van de financiële structuur, samenwerking en
deelneming en majeure investeringen. Aangezien het reïntegratiebedrijf
vanaf de oprichting van de vennootschap zal voldoen aan de criteria van een
grote vennootschap, zal in beginsel na drie jaren sprake zijn van de
wettelijk verplichte toepasselijkheid van het structuurregime. Dat heeft in het algemeen
voor de aandeelhouder het gevolg dat diens bevoegdheden worden
beperkt ten gunste van de raad van commissarissen.
Uitgangspunt bij de oprichting van de NV zal zijn dat, zolang de wettelijk
verplichte toepasselijkheid van het structuurregime nog niet geldt, de
statuten zullen zijn ingericht volgens het regime van een gewone vennootschap.
Einddoel van het
privatiseringsproces is zoals ook in het Kabinetsstandpunt
SUWI is aangegeven dat de
NV volledig wordt geprivatiseerd door vervreemding van de staatsaandelen van de NV.
4. Positionering van het
reïntegratiebedrijf op de markt
Voor een zorgvuldige
overgang van het reïntegratiebedrijf van Arbeidsvoorziening
naar de markt zijn twee
zaken van groot belang, namelijk de financiële startpositie
en een tijdelijke garantie voor de continuïteit van de dienstverlening.
4.1. Financiële
startpositie
De financiële
startpositie van de op te richten NV zal zorgvuldig moeten worden bepaald. Het
uitgangspunt voor de bepaling van de financiële startpositie is dat er
een levensvatbaar bedrijf tot stand kan komen. De NV zal daarbij zoveel
mogelijk op marktconforme voorwaarden moeten (kunnen) opereren op de reïntegratiemarkt, zonder dat er concurrentievervalsing
ten opzichte van andere
bedrijven optreedt.
rblz.|7|
De
financiële startpositie komt tot uitdrukking in de zogenaamde openingsbalans.
Voor de NV zal een
openingsbalans worden opgesteld waarin een deel van de activa en passiva
van de huidige
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal worden opgenomen. Dit
betreft in principe de vermogensbestanddelen die kunnen worden
toegerekend aan de taken en diensten van Arbeidsvoorziening die zullen worden
overgeheveld naar de NV. In aanvulling hierop kan de
openingsbalans worden aangevuld met de noodzakelijk gebleken financiële
middelen. De financiële startpositie (i.c. de openingsbalans) van de NV zal door de
Staat worden bepaald na advisering door externe deskundigen.
4.2. Continuïteit van de
dienstverlening
Het in stand
houden van
voldoende reïntegratiecapaciteit en continuïteit in de dienstverlening is
noodzakelijk. Zoals ook in hoofdstuk 2 reeds is aangegeven, is het daarom
wenselijk niet meteen bij de externe verzelfstandiging de volledige
prestatiebijdrage over te hevelen, maar deze geleidelijk af te bouwen.
Ook voor het reïntegratiebedrijf KLIQ is het wenselijk dat het niet in
één keer de volledige omzet uit de markt moet gaan halen.
Ten opzichte van de
huidige uitvoering van de reïntegratietaken door Arbeidsvoorziening
zullen
veranderingen nodig zijn om het bedrijf voldoende marktgericht te
laten opereren. In verband met het gewenste behoud van
reïntegratie-expertise en -capaciteit van Arbeidsvoorziening moet de NV in staat
gesteld worden om deze veranderingen door te voeren. Tegelijk moet de
NV in verband met de gewenste totstandkoming van een
reïntegratiemarkt zoveel mogelijk marktconform opereren teneinde oneigenlijke
concurrentie met andere reïntegratiebedrijven te voorkomen. Met een
tijdelijke en in omvang van te besteden middelen afnemende garantie over
te leveren diensten kan tussen beide aspecten een evenwicht gevonden
worden.
Het kabinet kiest ervoor
om deze garantie vorm te geven door het
CBA te verplichten om de
prestatiebijdrage te besteden bij de NV. Een uitzondering hierop vormt de scholing
die door de Centra
Vakopleiding wordt verricht. De omvang van
de door het CBA (uit de prestatiebijdrage) te besteden middelen en de
aanwending daarvan wordt in het overleg over de begroting van Arbeidsvoorziening
tussen minister en CBA besproken.
5. Hoofdlijn regeling
wetsvoorstel
De Arbeidsvoorzieningswet
1996 zal vooruitlopend op SUWI op een aantal onderdelen moeten worden
aangepast aan de situatie dat de NV een deel van de feitelijke
werkzaamheden van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie gaat overnemen.
De verantwoordelijkheid
voor de reïntegratie die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nu heeft, wordt niet
gewijzigd, maar het
CBA moet voor de uitvoering van deze taken
een (wettelijk te verplichten) opdracht aan de NV geven. Deze
constellatie geldt in principe voor een beperkte periode, namelijk totdat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt opgeheven en de taakverdeling in het
kader van SUWI is gewijzigd. Wel ligt het in de rede in die periode al
stapsgewijs de prestatiebijdrage te verminderen en een groot deel van de
prestatiebijdrage (namelijk de middelen die bestemd zijn voor reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden) over te hevelen naar gemeenten en (voorlopig)
naar het Lisv. Deze keuze impliceert dat het CBA (en daarmee ook
de sociale partners) tot de inwerkingtreding van de SUWI-wetgeving
(mede)verantwoordelijk blijft voor het Arbeidsvoorzieningsbeleid (waaronder de sectorale
invalshoek) en de advisering aan de minister
daarover. Op dezelfde wijze kan het CBA ook zijn verantwoordelijkheid rblz.|8|
om een bijdrage
te leveren bij het oplossen van de vacatureproblemen blijven uitoefenen. De
huidige constellatie wordt derhalve zoveel mogelijk intact gelaten. Het verschil met de huidige situatie is dat
het CBA anders dan bij de
basisdienstverlening geen invloed heeft op en toezicht houdt op de
uitvoering van de werkzaamheden door de NV.
Deze keuze heeft tot
gevolg dat zowel in dit wetsvoorstel (hoofdstuk
3 [vervallen, red.]) één en ander wordt
geregeld als dat ook de Arbeidsvoorzieningswet 1996 op een aantal punten moet
worden gewijzigd.
• De taakomschrijving
van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(artikel 4 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996) blijft ongewijzigd. Het
CBA houdt zijn taken, dat wil zeggen vaststellen van het algemene beleid (beleidsplan) en opstellen begroting,
etc. Bepaald wordt dat de uitvoering van de taken gefinancierd uit
de prestatiebijdrage (artikel 4, eerste lid, onderdeel b en c, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996), door het CBA wordt uitbesteed bij de
NV. Bij ministeriële regeling wordt het mogelijk om het CBA op te dragen
een deel van de prestatiebijdrage niet bij de NV te besteden, maar
anderszins. Met name valt hierbij te denken aan besteding bij de Centra
Vakopleiding, die vooralsnog een onderdeel blijven vormen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, maar
mogelijk ook na enige
tijd extern worden verzelfstandigd.
• De RBA’s [Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening, red.] houden
alleen als taak om beleid te ontwikkelen en een begroting in te dienen
betrekking hebbend op de basisdienstverlening: taken omschreven in
artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Arbeidsvoorzieningswet
1996. Daarmee wordt wettelijk geregeld wat in het kader van de
interne ontvlechting binnen Arbeidsvoorziening de praktijk zal zijn.
• De regeling die
betrekking heeft op het verrichten van reïntegratiediensten in opdracht van
gemeenten
en Lisv (artikel 9 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996) kan vervallen, omdat dit soort diensten in opdracht van derden
niet meer door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verricht zal worden. Het
extern verzelfstandigde bedrijf kan wel in opdracht van
gemeenten en Lisv werken. Dit betreft echter geen wettelijke
taakopdracht voor de NV.
• De bepaling die
betrekking heeft op het verrichten van diensten tegen een kostendekkende
vergoeding wordt aangepast (artikel 5 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996) aan de situatie dat het reïntegratiebedrijf geen onderdeel meer
uitmaakt van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Omdat de Centra Vakopleiding die ook diensten voor derden verrichten nog
onderdeel uitmaken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
blijft de bepaling nog wel noodzakelijk. Ook door het onderdeel Facilitair bedrijf zullen mogelijk diensten in opdracht van derden,
namelijk de NV, worden verricht.
6. Bestuurlijke
verhoudingen
Relatie minister-CBA
Na de overheveling van de
reïntegratieactiviteiten van Arbeidsvoorziening
naar de NV zal het
bestuurlijk overleg tussen de Minister van SZW en het
CBA in grote lijnen
worden voortgezet conform de bepalingen hierover in de
Arbeidsvoorzieningswet 1996. Ten aanzien van de reïntegratietaak zal het bestuurlijk
overleg zich in de komende jaren vooral richten op de overeenkomst tussen
het CBA en de NV. Daarnaast zullen ook andere onderwerpen zoals de
inzet door de Centra
Vakopleiding worden besproken.
De
Minister van SZW houdt
toezicht op de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De gebruikelijke
instrumenten zoals goedkeuring van de begroting en het
beleidsplan staan hem daarbij ten dienste. Het grote rblz.|9|
verschil met de huidige
situatie is dat het
CBA niet meer in directe zin verantwoordelijk is voor
de uitvoering van een groot deel van de diensten die gefinancierd worden
uit de prestatiebijdrage. Het CBA blijft wel verantwoordelijk voor een rechtmatige en
doelmatige besteding van de rijksbijdrage, waaronder ook de prestatiebijdrage. Het CBA kan die verantwoordelijkheid
echter alleen waarmaken
voor zover dat past in de contractuele verhouding met de NV. Het
toezicht van de minister heeft dan ook betrekking op het contract dat het
CBA afsluit met de NV. Belangrijkste toetspunt hierbij is of het
contract past binnen de beleidslijnen zoals die zijn afgesproken in het bestuurlijk
overleg en zijn neergelegd in het beleidsplan. Deze zullen onder andere
betrekking hebben op de doelgroep waarvoor inspanningen geleverd
moeten worden, aantal trajecten en gemiddelde prijzen. Daarnaast dienen
in het contract afspraken te worden gemaakt over de informatievoorziening door de NV aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
mede ten behoeve van de informatievoorziening aan de minister. De
informatievoorziening aan de minister loopt dus primair via de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In aanvulling hierop is voor
uitzonderingssituaties
waarin de informatievoorziening via de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
niet toereikend is in dit wetsvoorstel geregeld dat de minister
rechtstreeks inlichtingen kan vragen aan en onderzoek kan doen bij de
NV. Dit betreft de besteding van publieke middelen in het kader van deze wet
(dat wil zeggen in het proces van externe verzelfstandiging
tot op het moment van inwerkingtreding van
SUWI) en geen andere
beleidsinformatie. Deze verplichting geldt voor zolang de Staat
aandeelhouder van de NV is.
Relatie CBA-NV
De NV is vanaf de
oprichting een volledig zelfstandige juridische entiteit, zodat het Centraal
Bestuur geen bevoegdheden of directe verantwoordelijkheden heeft voor de NV. Vanaf
het moment van externe ontvlechting bestaat er alleen nog een
civielrechtelijke relatie tussen Arbeidsvoorziening
en de NV.
Middelen voor de
reïntegratie van moeilijk plaatsbare werkzoekenden en arbeidsgehandicapten en
voor diensten ten behoeve van moeilijk vervulbare vacatures zullen aan het
CBA worden toegekend onder de bepaling dat deze bij de NV zullen
worden aanbesteed. Het CBA zal op basis van de bestuurlijke afspraken met de
Minister van SZW een civielrechtelijk overeenkomst
sluiten met de NV over
(onder andere) de te leveren prestaties en de verantwoording
hierover. Bij een onverhoopt niet (volledige) nakoming van de
overeenkomst zal
het CBA zijn verantwoordelijkheid kunnen vormgeven door via de
rechter passende maatregelen te vragen. Het is vanzelfsprekend dat de
Algemene Directie het CBA bij de uitvoering van zijn taak blijft
ondersteunen en ook de dagelijkse leiding voert bij het tot stand brengen van de
overeenkomst en verantwoordelijk is voor het goede financieel beheer
van de uitgaven ten laste van de prestatiebijdrage.
De raad van bestuur van
de NV is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de
overeenkomst en andere opdrachten die de NV verkrijgt. De raad van
commissarissen houdt toezicht op het beleid en op de algemene gang van
zaken in de vennootschap. Bij het optreden van de raad van commissarissen
staat het bedrijfsbelang voorop. Dit is ook het leidend principe voor de
Staat in zijn rol van aandeelhouder.
Ingeval door gebrek aan
overeenstemming tussen partijen er onverhoopt geen overeenkomst tussen
het
CBA en de NV tot stand komt, bestaat er bij de NV niet
automatische aanspraak op de middelen uit de prestatiebijdrage. De Minister van SZW
kan
in dat geval het CBA opdragen de prestatiebijdrage op
andere wijze in te zetten en/of bij derden te besteden.
rblz.|10|
7. Gegevensverstrekking
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
In dit wetsvoorstel is
geregeld dat de NV gegevens mag gebruiken van Arbeidsvoorziening.
Deze gegevens hebben
betrekking op de overeenkomst die het
CBA met de NV gaat afsluiten en
ook op de contracten die vóór de externe verzelfstandiging door KLIQ (op dat moment
nog behorend tot de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie)
zijn afgesloten. De informatie die de NV voor de uitvoering van de overeenkomst en voor de inkoopcontracten met
gemeenten en Lisv nodig
heeft, zoals informatie over cliënten, gaat dus over naar de NV. Hiermee
wordt voorkomen dat op het moment van externe verzelfstandiging
een breuk in de dienstverlening optreedt of opnieuw informatie over
en bij cliënten moet worden opgevraagd. De regeling van de
verwerking van de gegevens door de NV betreft een tijdelijke regeling, omdat de
overeenkomst tussen Arbeidsvoorziening en de NV betreffende de
uitbesteding aan de NV van de uitvoering van publieke taken en andere
werkzaamheden slechts tijdelijk is.
De uitwisseling van
gegevens over werkzoekenden is nog niet zodanig vormgegeven dat
opdrachtgevers altijd zelf in staat zijn om op een gestructureerde manier
informatie over arbeidsmarktkenmerken van werkzoekenden aan te
leveren aan een reïntegratiebedrijf. Indien de NV een overeenkomst afsluit
met gemeenten of het Lisv,
wil het ook gebruik kunnen maken van deze
informatie die in het informatiesysteem van Arbeidsvoorziening
(PGI [Primair Gemeenschappelijk Informatiesysteem, red.])
zit. Vanuit een oogpunt van reïntegratie, dienstverlening en klantvriendelijkheid
is dit wenselijk. Daarom is bepaald dat het Arbeidsvoorziening is
toegestaan om aan de NV maar ook aan derden (andere
reïntegratiebedrijven) gegevens te verstrekken voor zover die nodig zijn voor het
uitvoeren van contracten in opdracht van gemeenten en Lisv om
reïntegratieactiviteiten te verrichten ten behoeve van personen die uitkeringen
ontvangen van gemeenten en het Lisv.
Binnen de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt momenteel gewerkt met een informatiesysteem
(PGI)
dat ontworpen is ter ondersteuning van een ongedeelde organisatie.
Dit systeem bevat informatie over werkzoekenden, werkgevers en vacatures.
In opdracht van SZW is een onderzoek verricht naar de verschillende technische mogelijkheden om de gegevensverstrekking
van Arbeidsvoorziening
aan NV KLIQ vorm te geven. Resultaat van dit onderzoek is dat
de optimale vorm van gegevensverstrekking bestaat uit het eenmalig
aan de NV KLIQ ter beschikking stellen van een kopie van het PGI-systeem,
gevolgd door (selectieve) verstrekking van gegevens die nodig zijn
voor de uitvoering van de overeenkomst die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
met de NV KLIQ gaat afsluiten. De te verstrekken kopie van het
PGI-systeem betreft zowel het systeem als alle daarin opgeslagen
informatie over werkzoekenden, werkgevers en vacatures. Dit verdient de voorkeur
boven varianten waarin zowel de NV KLIQ als Arbeidsvoorziening
van hetzelfde (ongedeelde) systeem en/of database gebruik maken.
Een deel van de gegevens
in het gekopieerde PGI-systeem (waarvan vele gegevens overigens snel
hun waarde en actualiteit verliezen aangezien er geen sprake zal zijn van
een directe koppeling tussen de informatiesystemen van KLIQ en
Arbeidsvoorziening) is niet nodig voor KLIQ. Deze gegevens zal KLIQ ook niet mogen gebruiken.
Voor zover het mogelijk is
om deze gegevens op een
simpele manier te verwijderen, zal dit door KLIQ in de loop van 2001
worden gedaan.
Van de in de van
Arbeidsvoorziening verkregen kopie van het PGI-systeem opgeslagen
gegevens
mogen uitsluitend die gegevens worden gebruikt waarvan het gebruik
wettelijk is toegestaan. Tussen SZW en NV KLIQ zullen nadere afspraken
worden gemaakt over de wijze waarop dit zal worden gecontroleerd.
rblz.|11|
De NV KLIQ zal naar verwachting per 2002 over een nieuw, beter op
het bedrijf toegesneden, automatiseringssysteem beschikken. Dit systeem zal
het PGI-systeem van NV KLIQ gaan vervangen. De in het PGI-systeem van NV
KLIQ opgeslagen
gegevens zullen, voor zover ze nodig zijn voor NV KLIQ, naar dit nieuwe
systeem worden overgebracht.
8. Financiële gevolgen
Het omvangrijke proces
van privatisering van KLIQ heeft natuurlijk financiële gevolgen. Allereerst gaat
het om uitgaven die samenhangen met de reorganisatie die nodig
is om tot vorming en oprichting van de NV te komen, zoals het sociaal
plan, scholing van medewerkers, investeringen in huisvesting en ICT e.d.
Het Rijk vergoedt deze uitgaven, rekening houdend met mogelijke
concurrentieverstoring.
Bij de vormgeving van de
inbrengbalans van de nieuwe NV (rond april 2001) zal het Rijk
afspraken maken of en in hoeverre een eventuele vermogensinjectie nodig
is voor het garanderen van de continuïteit van de organisatie.
Uitgangspunt is dat de NV in de eindsituatie een levensvatbaar bedrijf wordt dat
volledig financieel onafhankelijk van het Rijk kan opereren. Voor de kosten
van de overgang en de eventuele vermogensinjectie zijn aparte bedragen
gereserveerd op de begroting. Dit gaat niet ten koste van de rijksbijdrage voor de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
9. Opvatting CBA
(uitvoeringstoets)
Het
CBA heeft kennis
genomen van het wetsvoorstel. Met een brief van 25 augustus 2000 heeft
het Bestuur zijn opvatting kenbaar gemaakt en in een overleg op 4
september 2000 heeft het Bestuur vervolgens nog een toelichting op de
schriftelijke reactie gegeven.
Het
CBA acht externe
verzelfstandiging per 1 april 2001 haalbaar en onderschrijft de noodzaak KLIQ zo snel
mogelijk als een privaat bedrijf te positioneren.
Het
CBA is van mening dat
de rol van de Staat zich dient te beperken tot de rol van aandeelhouder
en dat de Staat niet op de stoel van de ondernemer moet gaan zitten. Deze
rol van aandeelhouder dient ook niet vermengd te worden met de
wetgevende, toezichthoudende rol. Verder is het bestuur van mening
dat de NV vanaf het begin een structuur-NV moet zijn. De opvatting van
het CBA over de rol van de Staat ten aanzien van de NV is in lijn met het
beleid inzake staatsdeelnemingen. In lijn met dit beleid is echter ook dat
gedurende de eerste jaren de invloed van de aandeelhouder niet wordt
beperkt. Zoals ook in hoofdstuk 3 staat aangegeven, zullen de statuten van de
NV zijn ingericht volgens het regime van een gewone vennootschap.
Het is daarbij echter niet de bedoeling dat de Staat zich met de
dagelijkse gang van zaken in de onderneming bemoeit. Wel zal hij als
aandeelhouder de mogelijkheid hebben invloed uit te oefenen op strategische
beslissingen.
Het
CBA is van mening dat
de verantwoordelijkheid ten aanzien van de prestatiebijdrage zuiver
dient te worden geformuleerd. Tussen het CBA en KLIQ bestaat na
implementatie van de wet slechts een civielrechtelijke relatie. Dit betekent
voor wat betreft de uitbesteding aan KLIQ dat het CBA zich slechts verantwoordelijk acht voor het afsluiten van een goed en
zorgvuldig (in overleg
met Onze Minister) opgesteld contract, het toezien op de uitvoering van dit
contract en het informeren van het ministerie over die uitvoering. Voor
het deel van de prestatiebijdrage dat door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zelf wordt uitgevoerd, is het CBA wel verantwoordelijk voor de
dienstverlening. Deze opvatting van het CBA rblz.|12|
wordt onderschreven en in
de toelichting zijn enkele verduidelijkingen aangebracht over de
bestuurlijke verhoudingen inzake de prestatiebijdrage.
Het
CBA is van mening dat
artikel 17 van het wetsvoorstel [zie artikel
14 van de
wet, red.], waarin geregeld is dat de
minister
rechtstreeks informatie kan vragen aan de NV, dient te vervallen, omdat de
minister geen direct toezicht houdt op de NV KLIQ. Dat is inderdaad
het geval voor zover het de uitvoering van de werkzaamheden betreft. Zolang de
Staat
aandeelhouder is, is het gewenst dat de Minister van SZW
informatie kan vragen betreffende de besteding van publieke middelen. De
Algemene Rekenkamer heeft op basis van de Comptabiliteitswet [zie Comptabiliteitswet
2001, red.] ook toegang tot informatie van de NV. Het ligt dan in
de rede voor de minister
een vergelijkbare bevoegdheid te regelen.
Artikelsgewijs
Artikel 1.
Begripsbepalingen
Onderdeel
b. Definitie
naamloze vennootschap
Aan de beide kamers van
de Staten-Generaal is overeenkomstig artikel 59 van de Comptabiliteitswet
gemeld dat de Minister van SZW namens de Staat de NV heeft
opgericht en dat de Staat daarin deelneemt via aandelen. Het doel van
deze NV is in ieder geval reïntegratiediensten aan te bieden, die de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van de
Arbeidsvoorzieningswet
1996 verricht ten behoeve van moeilijk plaatsbare werkzoekenden. Voorts
verricht deze NV diensten ten behoeve van de arbeidsintegratie van
arbeidsgehandicapten, die nu uitgevoerd worden door het onderdeel
Arbeidsintegratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Daarnaast zal de NV ook
dienstverlening aan werkgevers en sectoren in het kader van
de personeelsvoorziening gaan verrichten. De NV zal zich ook richten
op de reïntegratieactiviteiten ten behoeve van de uitvoeringsinstanties van
de socialezekerheidsuitkeringen, die nu worden ingekocht bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Zoals in het algemene
deel van toelichting is aangegeven, wordt de NV niet direct een
structuur-NV. Het aandeel van de Staat zal nog nader worden vastgesteld. Bij
de oprichting van de NV heeft de Staat in ieder geval een
meerderheidsbelang, vermoedelijk is de Staat op dat moment enig aandeelhouder. De
hoogte van het kapitaal bij oprichting wordt door de minister vastgesteld.
Eén en ander wordt nader uitgewerkt in de statuten en in de
oprichtingsakte.
Artikel 2.
Overgang
vermogensbestanddelen
Dit artikel regelt de
overgang van de vermogensbestanddelen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie naar de NV. In het kader van de oprichting wordt de beschrijving
vastgesteld van de activa, waaronder de materiële activa, de
gebruiksrechten met betrekking tot de onroerende zaken, de rechten en vorderingen uit
onderhanden werken, opdrachten en projecten, en de passiva, waaronder
verplichtingen jegens derden en jegens de werknemers. In het eerste lid wordt
bepaald hoe de vermogensbestanddelen worden gewaardeerd om als
inbreng van de Staat bij de oprichting te dienen. De storting op
aandelen geschiedt door inbreng van de activa (zie ook het derde lid).
Vandaar dat in het eerste lid wordt verwezen naar artikel 94a Boek
2 BW [Burgerlijk Wetboek, red.],
dat betrekking heeft op de beschrijving van de inbreng en de waardering
van de vermogensbestanddelen, omdat bij oprichting een inbreng
anders dan in geld wordt overeengekomen. Dit artikel 94a schrijft voor
dat de toegepaste waarderingsmethoden moeten voldoen aan de normen die
in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar rblz.|13|
worden beschouwd. In
dat verband zal van de mate waarin de NV in staat zal zijn ten
opzichte van andere marktpartijen de concurrentie te kunnen aangaan een
inschatting worden gemaakt.
Als onderdeel van het
verzelfstandigingsproces zal een openingsbalans worden voorbereid.
Bij het opstellen van de
openingsbalans zal worden bezien of op grond van het tweede lid nog
nadere regels moeten worden gesteld over de vermogensbestanddelen van
de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie die bij de overgang worden
betrokken. Dit is met name van belang omdat de Centra
Vakopleiding (CV)
en het Facilitair bedrijf vooralsnog onderdeel blijven uitmaken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en niet naar de NV overgaan. Onder andere
om die reden is in dit tweede lid bepaald dat de minister na overleg
met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bepaalde vermogensbestanddelen van
de overgang kunnen worden uitgezonderd, ook al kunnen ze worden
toegerekend aan de taken en diensten die in het eerste lid worden genoemd.
De datum van oprichting
wordt voor de inbrengbalans als peildatum genomen. De inbrengbalans
(als onderdeel van de openingsbalans) zal pas enige tijd daarna
worden opgeleverd. Op dat moment bestaat ook duidelijkheid over de
definitieve afhandeling van de overgang van vermogensbestanddelen en
kan worden bepaald of op grond van dit tweede lid regels moeten
worden gesteld. Op het moment van oprichting staat de inbreng van de
Staat als storting op de aandelen vast. Nadere regels kunnen nog worden
gesteld voor zover het betreft de definitieve afhandeling van de
overdracht, maar niet voor zover de waardering van de vermogensbestanddelen
van belang is voor de storting op de aandelen. Eén en ander
zal ook nog bij de oprichting in een overeenkomst worden neergelegd.
De financiële
startpositie en startpositie op de markt wordt aldus bezien. In dat kader zal worden
onderzocht wat het benodigd eigen vermogen is en het benodigd vreemd
vermogen. Aan de hand van de uitkomst van dit proces zal op grond van
het derde lid van dit artikel worden bepaald voor welk bedrag door het Rijk
op de aandelen zal worden gestort en welk bedrag dan nog overblijft dat als extra bijdrage van het Rijk op de aandelen wordt gestort.
De verwachting is dat er niet een zodanig verschil zal ontstaan
dat het saldo hoger is dan de stortingsplicht van het Rijk. Om die reden is in
regeling daarvan niet voorzien.
Zoals gebruikelijk is bij
verzelfstandiging van (onderdelen) van publiekrechtelijke rechtspersonen blijft de
heffing van overdrachtsbelasting achterwege. Het vierde
lid voorziet daarin.
Artikel 3.
Verandering
tenaamstelling in registers
De verzelfstandiging zal
tot gevolg hebben dat de tenaamstelling in de registers zal moeten
worden gewijzigd, voor zover het vermogensbestanddelen betreft die overgaan
naar de NV. Omdat het om een afsplitsing van het zelfstandig
bestuursorgaan
Arbeidsvoorzieningsorganisatie gaat, wordt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie belast met het doen van
de nodige opgaven aan de
bewaarders van de registers.
Artikel 4.
Overgang
pensioenrechten personeel
Als gevolg van de
verzelfstandiging gaan de medewerkers van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie over naar de NV. De bepalingen over de rechten van de werknemer
bij de overgang van een onderneming in het Burgerlijk Wetboek
(artikelen 662 e.v. Boek
7 BW) zijn daarop van toepassing. Omdat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de externe verzelfstandiging
blijft bestaan, zal er
geen sprake zijn van overgang van de lopende rblz.|14|
wachtgeldverplichtingen.
In hoeverre voor de werknemers van de NV een aanvullende,
bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid wordt overeengekomen, is een onderdeel van het
arbeidsvoorwaardenpakket. Dit onderwerp behoeft in dit
wetsvoorstel niet geregeld te worden. In het BW wordt nog een uitzondering
gemaakt voor de overgang van verplichtingen die voortvloeien uit de pensioentoezegging (artikel 664,
tweede lid, Boek 7 BW).
Daarom bevat dit artikel
daarvoor een bijzondere regeling (eerste lid). Geregeld wordt dat bij
overgang van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie naar de NV de pensioentoezegging aan de werknemers naar de NV overgaat.
Het gevolg hiervan is
dat de NV vanaf dat moment een pensioenregeling kan overeenkomen en die
kan onderbrengen bij een pensioenfonds of een verzekeringsbedrijf. De pensioenwetgeving is hierop van
toepassing.
In het tweede lid is
voorts geregeld dat de inhoud van de pensioenregeling in ieder geval het eerste
jaar na overgang van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie naar de NV overeenkomt
met die gold op de laatste dag van de kalendermaand
voorafgaand aan het tijdstip van de overgang.
Deze
periode geeft de NV voldoende gelegenheid met de werknemers een nieuwe pensioenregeling
overeen te komen.
Artikel 5.
Uitbesteding
aan de naamloze vennootschap [vervallen,
red.]
In dit artikel wordt
bepaald dat met handhaving van de verantwoordelijkheid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de taken en dienstverlening
op grond van de in het
eerste lid genoemde artikelen in de Arbeidsvoorzieningswet 1996 de
uitvoering van de dienstverlening wordt uitbesteed aan de NV. In beginsel is
hierbij sprake van een alleenrecht van de NV voor het verrichten
van de diensten in opdracht van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In het artikel wordt
gesproken over de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, omdat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de rechtspersoon is. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie bestaat op grond van artikel 12 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 uit een Centraal
Bestuur, een Algemene Directie,
Regionale Besturen en Regionale Directie. Omdat het
CBA heeft besloten de reïntegratieactiviteiten die bekostigd worden uit het prestatiebijdrage
onder te brengen in het landelijk gepositioneerde reïntegratiebedrijf (KLIQ),
zijn de RBA’s niet langer meer verantwoordelijk voor deze activiteiten en
de uitgaven ten laste van de prestatiebijdrage. Het
gevolg daarvan is dat deze "prestatiemiddelen" geen deel meer uitmaken van de
regionale
beleidsplannen en begrotingen. Wel behouden de RBA’s in
het kader van de "concernplanningscyclus" een adviesrol voor de
inrichting van de reïntegratiediensten in de regio. Dit betekent dat daar waar
in dit artikel verwezen wordt naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in feite het CBA wordt bedoeld en in samenhang daarmee de
Algemene Directie.
In het eerste lid van dit
artikel krijgt dit alleenrecht van de NV een wettelijke basis. De verplichte
uitbesteding is tijdelijk (tot een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip) en wordt gerechtvaardigd omdat daardoor gewaarborgd wordt dat de
reïntegratieactiviteiten die behoren tot de publieke taak van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden voortgezet.
Dit geldt met name voor
de arbeidsbemiddeling van de groep moeilijk plaatsbare werkzoekenden
met grote afstand tot de arbeidsmarkt en arbeidsgehandicapten.
Deze taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn de beschouwen als een instrument van
economisch sociaal beleid; er wordt een algemeen economisch belang mee
gediend. De bevoorrechte positie ten opzichte van andere marktpartijen
leidt wel tot concurrentieverstoring. Wegens dit algemene belang is de concurrentiebeperking te rechtvaardigen. In dit
artikel en het volgende
artikel zijn daarnaast bepalingen opgenomen die rblz.|15|
de positie van de NV op
de reïntegratiemarkt en de machtspositie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
ten opzichte van de NV en andere marktpartijen nader begrenzen. Dit
wordt bereikt door de gedragsregels die in deze wet
zijn opgenomen
over de vaststelling van de prijzen (zie bij het tweede lid) en de toegang
tot de gegevens (zie artikel 8 [zie
artikel 5 van de wet,
red.]).
Op deze wijze is deze
uitbesteding in overeenstemming gebracht met het Europese
mededingingsrecht. Immers artikel 86, tweede lid, EG-verdrag staat de
lidstaten
toe
aan ondernemingen die zij belasten met het beheer van diensten van algemeen
economisch belang alleenrechten te verlenen die de toepassing van de mededingingsregels kunnen belemmeren, voor
zover beperkingen van de
mededinging - of zelfs een uitsluiting van elke mededinging - van
andere marktdeelnemers noodzakelijk zijn om te verzekeren dat de houders van de alleenrechten de hun opgedragen
bijzondere taak kunnen
vervullen. Voor de niet-toepasselijkheid van de overige verdragsregels op
een onderneming belast met een dienst van algemeen economisch
belang volstaat dat de toepassing van die regels de vervulling, in feite of
in rechte, van de aan die onderneming toevertrouwde bijzondere taak
verhindert.
De aan de NV
in het
wetsvoorstel opgedragen dienstverlening moet worden aangemerkt als een
dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 86,
tweede lid, EG-verdrag. Daardoor is artikel 86, tweede lid, van het EG-verdrag
van toepassing en kan de bijzondere positie van de NV
ontstaan die
toepassing van mededingingsregels mag belemmeren.
Op grond van artikel 86,
eerste lid, EG-verdrag mogen de lidstaten met betrekking tot de
openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of
uitsluitende rechten verlenen geen maatregelen nemen of handhaven welke in strijd
zijn met de regels betreffende de mededinging van het verdrag. In het onderhavige geval betreft dit met name
artikel 82 EG-verdrag.
Aan de NV
wordt in het
wetsvoorstel dus een uitsluitend recht verleend, namelijk het met overheidsbijdragen verrichten van diensten inzake de
reïntegratie en de
arbeidsbemiddeling. Dit uitsluitend recht kan leiden tot een tijdelijke
machtspositie op de Nederlandse markt voor reïntegratie- en bemiddelingsactiviteiten.
Deze positie is als zodanig echter niet in strijd artikel 82 van het
EG-verdrag. Er is geen grond om aannemelijk te achten dat de NV
misbruik van haar
machtspositie zal maken. Een garantie hiervoor wordt gevormd door de
artikelen inzake de voor de dienstverlening te betalen vergoeding en
inzake de toegang tot de informatie.
Wat betreft de artikelen
87 tot en met 89 EG-verdrag over steunmaatregelen kan het volgende worden
opgemerkt.
Indien steun wordt
verleend aan ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen
economisch belang, is aanmelding noodzakelijk. De verlening van steun
kan voor goedkeuring in aanmerking komen indien de steun slechts
beoogt de meerkosten te compenseren die ontstaan door de vervulling van de bijzondere taak die is toevertrouwd
aan de onderneming die
met het beheer van diensten van algemeen economisch belang is
belast, en mits de toekenning van de steun noodzakelijk is om de betrokken
onderneming in staat te stellen haar verplichtingen als openbare
dienstverlener in economisch evenwichtige omstandigheden te vervullen.
De bepaling in het tweede
lid inzake de voor de dienstverlening te betalen vergoeding beoogt in
ieder geval tot een prijsstelling te komen die reëel kan worden aangemerkt.
Het is dan ook niet aannemelijk dat deze prijsstelling als een steunmaatregel
kan worden aangemerkt.
De uitvoering van de
taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie die worden uitbesteed, betreft
de arbeidsbemiddeling voor moeilijk plaatsbare werkzoekenden (de taak in
artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Arbeidsvoorzieningswet
1996), de uitvoering van activiteiten die door de rblz.|16|
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
worden verricht ter ondersteuning van werkgevers bij het
vervullen van moeilijk vervulbare vacatures (artikel 4, eerste lid, onderdeel
c)
en de verantwoordelijkheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de
arbeidsgehandicapten die geen uitkering ontvangen of geen
werknemer zijn (artikel 13 van de Wet
Rea en artikel 4, tweede lid). Voor deze
activiteiten voor arbeidsgehandicapten geldt dat de beslissingsbevoegdheid
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie blijft. De NV verricht de
uitvoerende werkzaamheden. Dit gebeurt ook voor de werkzaamheden voor de
verlening van subsidies aan werkgevers die arbeidsgehandicapten in dienst
nemen als geregeld in artikel
81a van de
Arbeidsvoorzieningswet
1996.
De reïntegratieactiviteiten voor gemeenten en het
Lisv voor de
werkzoekende uitkeringsgerechtigden en
de arbeidsgehandicapten worden direct ingekocht bij de NV. Dit
artikel heeft daarop geen betrekking.
Het betreft taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie die bekostigd worden uit de
prestatiebijdrage (als onderdeel van de rijksbijdrage), met uitzondering van de
subsidies op grond van artikel 81a, die worden gefinancierd uit de basisbijdrage.
Het tweede lid
regelt
dat de vergoeding die de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de dienstverlening
betaalt ten minste gelijk is aan de daaraan toe te rekenen
kosten. Dit betekent dat de prijs moet overeenkomen met die gebruikelijk is
in het handelsverkeer. De kosten betreffen de kostprijs met een winstopslag. De prijs moet dus in eerste instantie
kostendekkend zijn. Er is
niet gekozen voor marktconformiteit, omdat dit ook door een accountant
moeilijk is vast te stellen. Immers de dienstverlening van de NV is op dit
moment moeilijk te vergelijken met die op de markt, omdat die qua
inhoud en omvang niet op die wijze op de markt wordt aangeboden. Het
betreft een markt in ontwikkeling. Met deze bepaling in het derde lid wordt
voorkomen dat via de betaling van de vergoeding steunverlening of
kruissubsidiëring optreedt. Het gaat er ook om te voorkomen dat door een te
hoge vergoeding door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (steunverlening) te lage
tarieven in rekening worden gebracht door de NV voor
dienstverlening die niet uit de bedragen, genoemd in artikel 6
[vervallen, red.], worden betaald.
Dit zou tot concurrentievervalsing kunnen leiden.
Het
derde lid bepaalt
dat in beperkte mate kan worden afgeweken van het alleenrecht en dat
sommige diensten kunnen worden uitbesteed aan anderen dan de NV.
Daarbij wordt met name gedacht aan het verrichten van scholing door de CV,
die geen onderdeel uitmaken van de NV en nog deel uitmaken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, en aan middelen
voor sectorale projecten. Eén en ander zal geregeld worden bij ministeriële regeling.
Artikel 6.
Aanwending
publieke middelen voor uitbesteding [vervallen,
red.]
In dit artikel wordt
bepaald dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de prestatiebijdrage
aanwendt voor betaling aan de NV voor de uitbestede dienstverlening. Ook de
subsidies afkomstig van het ESF zijn bestemd voor
reïntegratieactiviteiten, met name scholing. Die kunnen ook worden gebruikt voor betaling
aan de NV. Het betreft hier de ESF-subsidies, die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
als inkomsten heeft en kan aanwenden voor eigen activiteiten.
De wijze van besteding van de ESF-gelden is vastgelegd in het communautaire
bestek, het operationeel programma en het enkelvoudig
programmeringsdocument. Hiernaar verwijst het tweede lid. In het geval de
Centra Vakopleiding extern worden verzelfstandigd, zal het
CBA ook middelen
(moeten) kunnen uitbesteden bij dit bedrijf. Ook kan het noodzakelijk
zijn dat nader geregeld wordt dat een deel van prestatiebijdrage nog
wordt besteed door het CBA. Op grond van het derde lid kan dit bij
ministeriële regeling nader worden geregeld. Eventueel rblz.|17|
bevat deze regeling
ook nadere bepalingen voor andere aanwending van de ESF-subsidies dan
ten behoeve van betaling aan de NV.
Artikel 7.
Verantwoording
en overleg [vervallen,
red.]
Het
CBA verantwoordt de
besteding van de prestatiebijdrage en de ESF-subsidies naar het
Rijk toe in algemene zin. Met de oprichting van de NV kunnen bij wet geen
verplichtingen aan de NV worden opgelegd voor de inrichting van de
administratie. Wel kan worden bepaald dat in de overeenkomst van opdracht
als bedoeld in dit artikel wordt bepaald welke verantwoordingsgegevens
de NV aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie moet verstrekken. Dit is
voorgeschreven in het eerste lid.
Zoals gebruikelijk stelt
de minister de hoogte van de prestatiebijdrage vast. Vervolgens zal de
besteding daarvan in de begroting en het beleidsplan moeten zijn neergelegd.
Daarover vindt dan bestuurlijk overleg plaats met de minister.
In dat kader kan door het
CBA een beeld worden gegeven van welk deel van
de prestatiebijdrage wordt bestemd voor de uitbesteding aan de NV.
Wanneer daarover overeenstemming bestaat met de minister, zal dit in de
ministeriële regeling op grond van artikel 6 [vervallen, red.], derde lid, worden bepaald.
In
die zin kan het overleg over de inhoud van deze regeling, zoals in het
tweede lid wordt voorgeschreven, worden ingepast in het reguliere overleg
over begroting en beleidsplan.
Evenals over de inhoud
van de ministeriële regeling, bedoeld in de artikelen 5 en 6
[vervallen, red.], zal de minister
over de inhoud van het contract, waarin de uitbesteding van de
dienstverlening door het CBA aan de NV is neergelegd, bestuurlijk overleggen
met het CBA (het tweede lid).
Artikel 8.
Verwerking van
gegevens [zie art.
5 van de wet, red.]
Bij de uitbesteding van
taken zal de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie ervoor dienen zorg te dragen dat de NV de beschikking heeft over de gegevens van
werkzoekenden en vacatures die bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn geregistreerd.
Op grond van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 kan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gegevens ter
beschikking
stellen aan de NV indien dit noodzakelijk is voor een
goede vervulling van de publieke taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
dat wil zeggen dat de verstrekking dan verstrekking
overeenkomstig het doel van de registratie is. De taak de prestatiebijdrage te
besteden, blijft bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie berusten, maar de
uitvoering moet worden uitbesteed. Die uitvoering kan niet goed plaatsvinden
als de Arbeidsvoorzieningsorganisatie niet de daarbij behorende
gegevens mee verstrekt of de toegang daarvoor mogelijk maakt. Het eerste lid
regelt dat de NV die gegevens dan mag verwerken (onderdeel a).
Verwerken betekent in dit verband hetgeen daaronder in de Wet
bescherming persoonsgegevens wordt verstaan. Dit betekent dat de NV de
gegevens die geregistreerd zijn bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
mag verzamelen, ordenen, bijwerken, wijzigingen, opvragen,
raadplegen, gebruiken, verstrekken door doorzending, verspreiden of op enig
andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen met elkaar
in verband brengen e.d. Dat de NV op deze wijze toegang heeft tot
de gegevens, voor zover ze betrekking hebben op het contract, bedoeld in
artikel 5 [vervallen, red.], terwijl dat voor andere bedrijven niet geldt, wordt
gerechtvaardigd op de zelfde wijze als het alleenrecht van de NV bij de uitbesteding.
De regeling in het eerste lid (onderdeel a) dient om dit gebruik duidelijk te
maken.
Gegevens die
noodzakelijk zijn voor uitvoering van diensten ten behoeve van de gemeenten en het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen door de NV zullen in eerste
instantie verstrekt moeten worden door die instanties. De rblz.|18|
gegevensverstrekking door
die instanties wordt beheerst door de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) en de Algemene bijstandswet
(Abw), die
uitgaan van een gesloten systeem. Dit houdt in dat de gegevens slechts
verstrekt worden indien die wetten dat toestaan. Op grond van artikel 92
[Arbeidsvoorzieningswet 1996, red.] zijn de gemeenten verplicht desgevraagd aan
de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie alle gegevens van
uitkeringsgerechtigden te verstrekken die Arbeidsvoorziening nodig heeft voor de
uitvoering van taken. Hetzelfde wordt geregeld in artikel 95 van de
Osv 1997.
Voor zover deze gegevens bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geregistreerd zijn, is
het de vraag of de verstrekking daarvan door
Arbeidsvoorziening aan de NV in overeenstemming is met de doeleinden waarvoor ze
zijn verkregen. Het doel van de registratie bij Arbeidsvoorziening is
registratie van werkzoekenden, de beoordeling van afstand tot de
arbeidsmarkt (fasering) en, indien Lisv en gemeenten diensten inkochten bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de noodzaak voor de uitvoering van deze inkoopcontracten. Deze gegevens zijn zo toegankelijk
voor de gemeenten en Lisv mede ten behoeve van taken waarvoor de gemeenten en
Lisv de
dienstverlening uitbesteden aan de NV. Daarom wordt in onderdeel b van
het eerste lid geregeld dat de NV de algemene toegang tot de gegevens
van de gemeente- en Lisv-klanten heeft, voor zover het gegevens betreft die bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn geregistreerd op basis
van inkoopcontracten die gemeenten en het Lisv hebben afgesloten met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vóór de datum van de externe
verzelfstandiging.
Het onderscheid tussen de
NV en andere reïntegratiebedrijven met betrekking tot de toegang tot de
gegevens die geregistreerd zijn bij de publiekrechtelijke rechtspersoon
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt gerechtvaardigd door de tijdelijkheid van
de situatie van overgang, op weg naar de eindsituatie waarin
de basisdienstverlening als publieke taak door een publiekrechtelijke
rechtspersoon wordt uitgevoerd, duidelijk gescheiden van het verrichten van
reïntegratiediensten door private partijen.
De regeling in dit
artikel past bij de regeling in de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) en
is in overeenstemming met de opvatting van de Registratiekamer [zie College
bescherming persoongegevens, red.].
Uitgangspunt van de regeling in artikel 8, eerste lid,
[zie artikel 5, eerste lid, van de
wet, red.] is dat de NV de gegevens die de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft verkregen met het oog op
de uitvoering van zijn wettelijke taken mag verwerken in
overeenstemming het doel waarvoor die gegevens zijn verkregen. Hiermee wordt
voldaan aan artikel 9 Wbp. Ook door het gebruik van het woord
verwerken is al vooruitgelopen op de terminologie van die Wbp.
De Registratiekamer heeft
in zijn commentaar op de
SUWI-wet aandacht gevraagd voor de gegevenstromen die ontstaan bij het uitbesteden van
reïntegratieactiviteiten
door de opdrachtgevers (gemeenten en Lisv) aan reïntegratiebedrijven,
zoals de NV. Hij waarschuwt vooral voor het risico dat de
reïntegratiebedrijven de persoonsgegevens voor andere doelen gaan gebruiken dan
waarvoor ze verkregen zijn. Hij bepleit een zorgvuldige uitwisseling van
gegevens. Met ditzelfde doel is artikel 8, tweede lid, [zie
artikel 5, tweede lid, van de
wet, red.] opgenomen. Dit artikel
heeft betrekking op persoonsgegevens die bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zijn geregistreerd in de registratie van werkzoekenden die van
belang kunnen zijn voor reïntegratiebedrijven die opdrachten verkrijgen van
gemeenten en het Lisv. Het betreft dan vooral reïntegratie van
uitkeringsgerechtigden die zijn geregistreerd bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Die registratie kan op grond van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 ook inhouden de fase-indeling en gegevens bevatten over opleiding,
ervaring en bekwaamheden. Dit soort gegevens zijn van belang voor de
uitvoering van de opdracht van gemeenten en het Lisv, maar zijn niet
altijd aanwezig bij de gemeenten en het Lisv. De verstrekking door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is in
overeenstemming rblz.|19|
met het doel
waarvoor ze door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van de betrokkene zijn
verkregen: immers vast te stellen welke reïntegratieactiviteiten
noodzakelijk zijn voor toeleiding naar de arbeidsmarkt. Alleen met het doel
reïntegratieactiviteiten in opdracht van gemeenten en het Lisv uit
te voeren kunnen de reïntegratiebedrijven de gegevens verkrijgen, niet
met een ander doel. De bedrijven kunnen die gegevens dan ook niet met
een ander doel gebruiken.
Deze toegang tot de
gegevens betekent ook dat de NV het sofinummer kan gebruiken (het derde
lid). Het betreft immers diensten die ondersteunend zijn aan publieke taken
en verantwoordelijkheden binnen het sofidomein. De verzekerden
(werknemers), uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden worden geregistreerd
op sofinummer. Voor die diensten kan dan het sofinummer
worden gebruikt. In de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (artikel 70, tweede lid)
is het gebruik van het sofinummer beperkt tot het registreren van werkzoekenden en bij het verstrekken van gegevens,
voor zover
de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie daartoe verplicht is. Dit betreft vooral de
gegevensverstrekking aan gemeenten en uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen
(als geregeld in de Abw en de Osv
1997). Het gebruik van het sofinummer als geregeld in het derde lid is beperkt tot de
reïntegratiediensten ten behoeve van uitkeringsgerechtigden. Dit is het gebruik dat
binnen
het sofidomein valt. Verdergaand gebruik voor diensten ten behoeve van
werkgevers, bijvoorbeeld voor werknemers, is niet toegestaan en zal in
het kader van deze wet
ook niet nader geregeld worden.
Artikel 9.
Wijziging
Arbeidsvoorzieningswet 1996 [zie
art. 6 van de wet,
red.]
Onderdeel A [zie
art. 6, onderdeel A, van de
wet, red.]
Artikel 5
[vervallen, red.] is
geherformuleerd. Het artikel biedt nu in meer algemene zin de bevoegdheid aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie om de in dit artikel genoemde diensten te
verrichten tegen vergoeding, de zogenaamde commerciële
dienstverlening. Hierbij wordt overigens met name gedacht aan scholing en aan
facilitaire dienstverlening. Het is niet de bedoeling dat de onderdelen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie die de basisdiensten verrichten nieuwe
commerciële dienstverlening gaat ontwikkelen.
In het tweede en derde
lid wordt aangegeven onder welke voorwaarden, ter voorkoming van concurrentievervalsing, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
hiertoe kan overgaan.
Deze vereisten stonden overigens ook al, maar dan anders
geformuleerd, in artikel 5 [vervallen. red.]. Het feit dat het
CBA regels stelt voor de bepaling
van de prijzen die in rekening worden gebracht en waarbij dus het element
van kostendekkendheid bepalend is, was al geregeld. Deze regels behoeven de
goedkeuring van de minister (artikel 87). Daarmee kan de minister
toezicht houden op de wijze waarop deze commerciële
dienstverlening wordt uitgevoerd, zonder dat sprake is van
kruissubsidiëring.
Onderdelen B en D
[zie art.
6, onderdeel B en D, van de
wet, red.]
Omdat de verplichte
inkoop bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie is komen te vervallen en het
contracteren van reïntegratiebedrijven door de uitvoeringsorganisaties
van sociale zekerheidsuitkeringen niet meer via de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
zal verlopen, kan artikel 9 vervallen. Die inkomsten hoeven daarom
ook niet meer genoemd te worden in artikel 45.
rblz.|20|
Onderdeel C [zie
art. 6, onderdeel C, van de
wet, red.]
Het is niet noodzakelijk
in het kader van deze wet de algemene
bepaling dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan deelnemen in stichtingen of
vennootschappen te laten
vervallen. Voor de uitvoering van bepaalde taken die niet aan de NV
worden uitbesteed, moet deze mogelijkheid blijven bestaan. Artikel
10 is alleen aangepast om dit in algemene zin onder voorwaarde van
goedkeuring van de minister mogelijk te maken. Niet meer is
voorgeschreven dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dergelijke samenwerking
moet nastreven als bepaald was in het eerste lid van dit artikel en
daartoe haar takenpakket regelmatig doorlicht op de mogelijkheid van
uitbesteding.
Onderdeel E [vervallen,
red.]
De inhoud van de
uitbestedingsovereenkomst is onderwerp van bestuurlijk overleg met de minister.
Handvat voor dat overleg is het beleidsplan van het
CBA. Om die reden
wordt de omschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de taken
die zijn uitbesteed bij de NV als onderwerp van het landelijk beleidsplan
opgenomen.
Onderdeel F [vervallen,
red.]
Besteding van de
prestatiebijdrage is geen verantwoordelijkheid meer van het Regionaal
Bestuur.
Dit kan dus als onderwerp van de regionale begroting vervallen. Met dit
artikel wordt de inmiddels gewijzigde verantwoordelijkheidsverdeling tussen
RBA’s en
CBA wettelijk geregeld.
Onderdeel G [zie
art. 6, onderdeel F, van de
wet, red.]
De uitbesteding van de
reïntegratietaken aan de NV heeft gevolgen voor de administratie. In
artikel 67 wordt geregeld dat de administratie moet worden opgesplitst naar
uitgaven voor basisdienstverlening en andere activiteiten. Daarnaast
is artikel 67 zo ingericht dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zich niet in detail kan
verantwoorden over de uitgaven door toerekening aan
activa en passiva en de baten en lasten voor werkzaamheden die door een private
onderneming, de NV, worden uitgevoerd. De inkomsten en uitgaven voor het verrichten van dienstverlening tegen
vergoeding op grond van
artikel 5 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 dienen ook afzonderlijk
te worden geadministreerd. Uitgangspunt bij dit artikel is dat de
transparantie in de administratie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt bevorderd door de
verschillende vormen van uitvoering afzonderlijk
te verantwoorden.
Artikelen 10 tot en met
14 [zie artt.
7-11 van de wet, red.]
De artikelen in de
verschillende wetten die in deze artikelen worden gewijzigd, hadden nog betrekking op
de verplichte inkoop bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie of het noemen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie als instantie waarbij
dienstverlening kan worden ingekocht. De artikelonderdelen die daarop betrekking
hebben, kunnen vervallen, omdat de verplichte inkoop is
komen te vervallen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie niet langer meer apart
kan worden genoemd als onderneming waarbij de reïntegratiediensten kunnen worden ingekocht, omdat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
op grond van deze wet dergelijke dienstverlening ook niet meer uitvoert.
De wijzigingen zijn met name van belang voor de inkoop voor WW-gerechtigden en
arbeidsgehandicapten die onder de
verantwoordelijkheid vallen van het Lisv. In ieder geval betreffen ze de
afschaffing van de mogelijkheid van regeling tot inkoop bij rblz.|21|
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (vergelijkbare artikelen in de
Algemene bijstandswet, Ioaw en
Ioaz zijn al eerder komen te vervallen).
Bij artikel 10, onderdeel
A, en artikel 13, onderdeel A [zie
artt. 7, onderdeel A,
en 10,
onderdeel A, van de wet, red.]
Het
derde en vierde lid
van artikel 72 (en artikel
93a) van de Werkloosheidswet zijn nooit in werking
getreden, omdat de inhoud ervan enerzijds door de Veegwetartikelen (dat
zijn de artikelen, bedoeld in artikel 11 [zie
artikel 8 van de
wet, red.]) wordt bepaald en anderzijds
(als experiment door de artikelen 130 en 130c
van de WW). Artikel 72 en
artikel 93a zijn in de WW opgenomen via
artikel 22
van de Invoeringswet
Arbeidsvoorzieningswet 1996 (onderdeel D respectievelijk
onderdeel E). Artikel
72,
eerste en tweede lid, WW is bij inwerkingtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 inwerking getreden.
Overigens
zijn al deze artikelen in
de Invoeringswet Osv 1997 in hun geheel gewijzigd
(artikel 42, onderdeel C
als wijziging van artikel 22 van de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996). Artikel 93a WW kan nu als onderdeel
van de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen (artikel 8, onderdeel
A [zie artikel 7, onderdeel A, van de
wet, red.]). Het laten vervallen
van de nooit eerder ingevoerde leden van artikel 72
WW vindt
plaats in artikel 11 [zie artikel 10 van de
wet, red.], als wijziging van de WW (onderdeel
A). Eén en ander komt
uiteindelijk terug in de WW via de structurele regeling van de
artikelen
130 e.v (de wijzigingen in artikel 13, onderdeel B en C [zie artikel
10, onderdeel B en C, van de
wet, red.], hebben daarop
betrekking). De nooit in werking getreden artikelen gingen uit van een keuze
van inkoop bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en derden. Ze zullen
altijd aangepast dienen te worden met de overweging als hiervoor bij
wijzigingen van de andere artikelen gemeld. Ook om die reden kunnen deze
artikelen nu beter vervallen.
Artikelen 15 en
16.
Fiscale aspecten [zie
art. 12 en 13
van de wet, red.]
In verband met de
verzelfstandiging van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt de op te richten
vennootschap met ingang van de oprichtingsdatum
belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Dit volgt uit artikel
15 [zie artikel 12 van de
wet, red.]. Het
fiscale beleid met betrekking tot (indirecte) overheidsbedrijven die bij wet in de
belastingplicht worden betrokken, is erop gericht de lichamen
waarin die bedrijven zullen worden ondergebracht marktconform te
behandelen en daarbij zoveel mogelijk incidenteel fiscaal voor- en nadeel
tengevolge van de overgang te voorkomen. Het laatste houdt in dat het
verkrijgende lichaam ter zake van die inbreng geen goodwill op de fiscale
openingsbalans mag opvoeren en geen recht kan doen gelden op investeringsaftrek of willekeurige afschrijving. Voorts blijft een
eventuele heffing van
overdrachtsbelasting bij de verkrijger achterwege. De voorgestelde artikelen
3, vierde lid, 15 en 16 [zie artikelen 2,
vierde lid, 12 en 13 van de
wet, red.] strekken ertoe dit beleid ook toe te passen op de
NV KLlQ.
Artikel 17.
Informatieverstrekking aan de minister [zie
art. 14 van de wet,
red.]
In verband met de
verantwoordelijkheid van de minister voor de uitvoering van de
reïntegratieactiviteiten die tot de taak van
Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoren, maar op grond
van deze wet wordt uitbesteed aan de NV, kan de minister
gegevens nodig hebben die direct verkregen moeten worden van de NV.
Het gaat hierbij om eventuele ad-hoc-informatie die niet direct via de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan worden verkregen (het eerste
lid). Tevens wordt bepaald dat degene aan wie het verzoek is gedaan
verplicht is die gegevens te verstrekken en medewerking te verlenen (het tweede
lid). Deze mogelijkheid doet niet af aan de verplichting van het
CBA inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van
de uitvoering van Arbeidsvoorzieningswet 1996. Het CBA verstrekt de
gegevens over de prestatiedienstverlening. Het zal in dit artikel gaan om
gegevens die betrekking hebben op het proces van de externe verzelfstandiging
van de reïntegratieactiviteiten die eerder door rblz.|22|
een publiekrechtelijk
orgaan werden uitgevoerd en nu door een NV waarin de Staat
aandeelhouder is. Het is niet de bedoeling op grond van dit artikel reguliere
informatievoorziening tussen de minister en NV tot stand te brengen. Dit
komt tot uitdrukking in het eerste lid, dat beperkt is tot de informatie die
noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet.
Op grond van de
Comptabiliteitswet (artikel 59) kan de Algemene Rekenkamer (ARK) onderzoek doen bij
het CBA en de NV. Deze bevoegdheid geldt in ieder geval tot
het moment dat de Staat een belang heeft in de NV. Het regelen van
dezelfde bevoegdheden voor de minister en de ARK ligt dan in de rede. De
bevoegdheid geldt zolang de aandelen van de NV niet vervreemd zijn (het
derde lid). Er is voor gekozen deze beperking voor de bevoegdheid van de
minister nadrukkelijk te regelen, ondanks het feit dat de ARK meent ook een
controletaak te hebben zolang de minister de financieringswijze
beïnvloedt door de inzet van publieke middelen als wordt geregeld in artikel
6 [vervallen, red.].
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|