|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 897
Enkele
wijzigingen in wetten op het terrein van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(Verzamelwet SZW-wetten 2001)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Met
dit wetsvoorstel wordt allereerst uitvoering gegeven aan de motie-Schimmel
(Kamerstukken II 2000-2001, 27 248, nr. 10), zoals die aanvaard is bij de parlementaire
behandeling van de Wet beslistermijnen sociale
verzekeringen. Ter
uitvoering van deze motie wordt een wijziging voorgesteld in de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea) waardoor de
beslistermijn voor verlening van subsidie door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV) aan niet-scholingsinstituten wordt gesteld op een
"redelijke termijn" (maximaal acht weken). In verband
met deze wijziging is bij dit wetsvoorstel in de Wet Rea
tevens een
overgangsbepaling opgenomen.
Met dit wetsvoorstel
wordt tevens in de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW)
voorgesteld het inkomensbegrip te herdefiniëren. Gelijktijdig wordt ook in zowel de AOW
als in de Algemene nabestaandenwet (hierna: de
Anw) de
bestaande delegatiebepaling herzien op grond waarvan nader bepaald kan
worden wat onder inkomen uit of in verband met arbeid moet worden
verstaan.
Voorts worden in dit
wetsvoorstel ook wijzigingen aangebracht in de Werkloosheidswet (hierna:
de WW). De vrijwillige verzekering WW wordt losgekoppeld van de
vrijwillige verzekering Ziektewet (hierna: de ZW) indien er een
loondoorbetalingsplicht bij ziekte geldt. Tevens wordt het voor het UWV mogelijk
gemaakt om één landelijk premiepercentage voor de vrijwillige
verzekering WW vast te stellen.
In dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld een technische wijziging aan te brengen in artikel IX van
de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor
ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling
van mannen en vrouwen) (Stb. 2000, 625).
De Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000)
wordt gewijzigd op het punt van het gebruik van namen of merken.
Voorgesteld wordt het
wetsvoorstel Wet arbeid en zorg (Kamerstukken II
1999-2000, 27 207) te
wijzigen. Deze wijziging heeft betrekking op de verrekening van
vakantiedagen met calamiteiten- kort verzuim-, kraam- en rblz.|2|
kortdurend zorgverlof.
Voor het opnemen van deze wijziging in onderhavig wetsvoorstel is gekozen
teneinde te voorkomen dat de invoering van de Wet arbeid en zorg
ongewenste vertraging oploopt.
De voorgestelde
wijzigingen zijn te rangschikken onder de categorie "klein beleid" en dienen met
ingang van 1 januari 2002 in werking te treden. De overige in dit
wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen zijn van technische aard die evenwel geen
uitstel vermogen op het punt van de beoogde inwerkingtreding van deze
wet. Voor een meer diepgaande beschouwing
van de hiervoor genoemde
voorstellen wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting.
Voordat de artikelen in
dit wetsvoorstel nader worden toegelicht, wil de regering nog het volgende
opmerken. Overwogen is de hier voorgestelde onderwerpen in meerdere
separate wetsvoorstellen aan het parlement aan te bieden. Op grond
van argumenten die samengevat zouden kunnen worden onder de algemene noemer van de
"wetgevingseconomie" is
echter besloten dit niet
te doen, maar deze onderwerpen samen te voegen tot één wetsvoorstel.
Dit zal, naar de mening van de regering, uiteraard niets mogen afdoen aan de
kwaliteit van het voorgestelde.
Bij de voorgestelde
wijzigingen is de nieuwe structuur inzake de uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen als vertrekpunt genomen. Om die reden zijn in dit
wetsvoorstel enkele technische wijzigingen opgenomen in het voorstel van
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (zie Kamerstukken I
2000-2001, 27 588, nr. 339, hierna: Wet SUWI) en de wetten die bij het
wetsvoorstel Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen
(Kamerstukken I 2000-2001, 27 655, nr. 340, hierna: Invoeringswet SUWI) worden gewijzigd. Het betreft wijzigingen
die noodzakelijk zijn om
de voorgestelde artikelen in de Wet SUWI en de Invoeringswet
SUWI met
ingang van de datum van inwerkingtreding van die wetten, waarbij uitgegaan wordt van
1 januari 2002, op enkele onderdelen te
laten werken als beoogd.
Het betreft onduidelijkheden die verbetering behoeven, maar geen
wijzigingen die aan de essentie van de voorstellen raken.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van
de Algemene Ouderdomswet
Onderdeel A (artikel 4
van de AOW)
In lijn met de wijze
waarop in de Toeslagenwet is gekozen voor een definitiebepaling voor
het inkomensbegrip wordt in artikel 4 van de
AOW het inkomensbegrip
beschreven. In navolgende artikelen in die wet kan dan worden volstaan met
de verwijzing naar dat "inkomen". Tevens is de wettelijke grondslag voor
het stellen van (nadere en zo nodig afwijkende) regels uitgebreid, op
grond waarvan na inwerkingtreding van deze wet beter bepaald kan worden
wat onder inkomen uit of in verband met arbeid moet worden
verstaan. Daarbij is aangesloten bij (de redactie van artikel 6 van) de
Toeslagenwet. De Toeslagenwet biedt immers nu al de mogelijkheid om nadere en
zo nodig afwijkende regels te stellen.
Het treffen van
afwijkende regels moet mogelijk maken om inkomenselementen aan te wijzen die in
strikte zin niet zijn te vatten onder inkomen uit of in verband met
arbeid. Dit betreffen overigens inkomenselementen die ook nu al zijn
opgenomen in het Inkomensbesluit AOW 1996 (op grond van het huidige artikel
10, vierde lid, van de AOW). Het gaat in ieder geval om uitkeringen op grond
van de Anw, de diverse uitkeringen/pensioenen voor oorlogsslachtoffers
(op grond van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, e.d.) en de Wet
studiefinanciering 2000. Overigens ligt het in rblz.|3|
de bedoeling om, in lijn
met de andere inkomensbesluiten (op grond van de Anw, de Toeslagenwet,
de Ioaw en de Ioaz) het
Inkomensbesluit AOW 1996, nu nog een ministeriële regeling, eveneens op het niveau van
een algemene maatregel
van bestuur (hierna: AMvB) te gaan treffen. De regering acht het
wenselijk dat het regelen van de onderhavige materie niet op het niveau van
een ministeriële regeling plaatsvindt. Hiermee wordt tevens bereikt dat
indien wijzigingen in alle inkomensbesluiten worden doorgevoerd, dit
gelijktijdig in één AMvB kan gebeuren. Het ligt overigens in de bedoeling
de inkomensbesluiten op nog een aantal punten te actualiseren en
daar waar noodzakelijk in lijn te brengen met de jurisprudentie.
Het opnemen van de
mogelijkheid afwijkende regels te stellen, is noodzakelijk geworden doordat in
recente jurisprudentie de rechter blijk heeft gegeven van een beperkte
uitleg van het begrip inkomen uit of in verband met arbeid (CRvB, 21 juni
2000, nr. 99/1641 AOW, Pensioen Jurisprudentie, september 2000, nr. 57).
Op grond van deze uitspraak mag een Antilliaanse algemene ouderdomsverzekeringsuitkering, die niet op arbeid maar op
ingezetenschap berust, niet meer in mindering worden gebracht op de
AOW-toeslag. De uitspraak kan behalve voor buitenlandse uitkeringen ook tot
gevolg hebben dat eerder genoemde uitkeringen, die door aanwijzing in het
Inkomensbesluit AOW 1996 nu in mindering worden gebracht op de
AOW-toeslag, niet meer gekort mogen worden. Aangezien de regering de
huidige kortingsmogelijkheden wil handhaven, is een verruiming van de
delegatiebevoegdheid noodzakelijk. Hiertoe is een bepaling conform aan
die in de Toeslagenwet opgenomen.
Onderdeel B (artikel 8,
eerste lid, van de AOW)
Daar het inkomen reeds in
artikel 4 (zie onderdeel A) is gedefinieerd, kan in
artikel 8 met een
eenvoudige verwijzing naar dat inkomen worden volstaan.
Onderdeel C (artikel 10
van de AOW)
Het vierde lid van
artikel 10 kan vervallen. Het voorgestelde in onderdeel A
(artikel 4, tweede lid,
van de AOW) voorziet immers reeds hierin.
Onderdeel D (artikel 11,
onderdeel 2º, van de AOW)
Dit onderdeel brengt
slechts een redactionele, niet-inhoudelijke, wijziging aan in artikel
11,
onderdeel 2º.
Onderdeel E (artikel 22
van de AOW)
De redactie van
artikel
22 van de AOW is aangepast. Dit artikel vormt de wettelijke grondslag voor
het stellen van regels bij AMvB in die situaties waarin samenloop van
ouderdomspensioen met buitenlandse wettelijke uitkeringen plaatsvindt.
De regering beoogt binnenkort daadwerkelijk van deze bevoegdheid tot het
stellen van regels gebruik te maken. De aanpassing in dit onderdeel betreft
derhalve met name een modernisering. Naast het benoemen van
uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere mogendheid is
namelijk nu ook voorzien in het benoemen van uitkeringen op grond van
wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van een
volkenrechtelijke organisatie. Dit in analogie met hetgeen in artikel 20 van de
Anw is
geregeld. De op grond van artikel 22 van de
AOW te stellen regels
zullen met de (voornamelijk reeds bestaande) regels op grond van het
voorgestelde artikel 4 (het huidige artikel
10, vierde lid, van de AOW) samengevoegd
worden in een nog te ontwerpen AMvB
"Inkomens- en
samenloopbesluit AOW".
rblz.|4|
Artikel
II. Wijziging van
de Algemene nabestaandenwet
Onderdeel A
(artikel 10,
tweede lid, van de Anw)
Dit lid wordt gewijzigd
conform het voorgestelde onder artikel I, onderdeel
A (artikel 4, tweede
lid, van de AOW). Voor een toelichting wordt naar dat artikelonderdeel
verwezen.
Onderdeel B (artikel 20
van de Anw)
De redactie van
artikel
20 van de Anw wordt in dit onderdeel afgestemd op de redactie van het in
artikel I, onderdeel E, voorgestelde artikel 22 van de
AOW. Voor een
toelichting wordt naar dat artikelonderdeel verwezen.
Artikel
III. Wijziging
van de Werkloosheidswet
Onderdeel A
(artikel 24,
zesde lid, van de WW)
In
artikel 24, zesde lid,
van de WW is de benadelingshandeling opgenomen. De verzekerde is
verplicht te voorkomen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen
Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen benadelen.
De WW-uitkeringen van overheidswerknemers worden echter niet betaald uit deze fondsen, maar uit het Uitvoeringsfonds
voor de overheid (die de
uitkering vervolgens verhaalt op de gewezen
overheidswerkgever). Er bestaat derhalve een leemte in deze bepaling die zo
spoedig
mogelijk moet worden opgevuld. Het onderhavige artikel voorziet daarin.
Onderdeel B
(artikel 55
van de WW) en onderdeel C
(artikel 58, derde lid, van de WW)
De premies voor de
vrijwillige verzekering ZW en WW
worden jaarlijks door het UWV vastgesteld.
Binnen beide verzekeringen wordt een groot aantal premiegroepen
onderscheiden. De vrijwillige verzekering ZW kent 22 premiegroepen. Voor de
vrijwillige verzekering WW worden wel 60 sectorale premiegroepen onderscheiden. De huidige differentiatie naar
sector (of groep van
sectoren) heeft tot gevolg dat het aantal verzekerden per premiegroep beperkt
is. Hierdoor kan de premie van jaar tot jaar sterk fluctueren. Om de uitvoering van de vrijwillige verzekering voor de verzekerden
en de
uitvoeringsinstellingen te vereenvoudigen en de uitvoeringskosten te verminderen, heeft het
UWV voorgesteld over te gaan op landelijk uniforme premies voor de
vrijwillige verzekering ZW en WW. Het advies van het UWV wordt
door de regering onderschreven.
De in dit wetsartikel
voorgestelde wijzigingen van de WW leiden tot de gewenste vereenvoudiging
van de premievaststelling van de vrijwillige verzekeringen. De premies
voor de vrijwillige verzekeringen worden vóór 1 januari van een
kalenderjaar vastgesteld, omdat wijzigingen in de hoogte van de premiepercentages
lopende een kalenderjaar leiden tot extra administratieve lasten voor zowel de
verzekerden als de uitvoeringsinstellingen. Het is derhalve wenselijk
dat de voorgestelde wijzigingen met ingang van 1 januari 2002
in werking treden.
Artikel 55 van de WW
In het huidige
artikel 55, tweede lid, van de WW
is bepaald dat toelating tot de vrijwillige
verzekering WW uitsluitend plaatsvindt indien tevens een vrijwillige verzekering
krachtens de ZW wordt afgesloten. Deze koppeling is opgenomen om mogelijk
misbruik van de regeling tegen te gaan. Het is immers mogelijk dat het werkloosheidsrisico in zekere zin door de betrokkene
kan worden beïnvloed.
Nadeel van deze koppeling is echter dat ook rblz.|5|
een vrijwillige
verzekering ZW moet worden afgesloten indien voor de verzekerde een loondoorbetalingsplicht bij ziekte geldt. Dit betekent dat
een verzekering moet
worden afgesloten waarop de verzekerde nimmer een beroep kan doen. Om
deze situatie te beëindigen, wordt thans voorgesteld artikel 55 (daarbij
impliciet rekening houdende met een andere onderhanden wijziging van
dit artikel ten aanzien van het eerste lid: zie de Invoeringswet
SUWI)
zodanig te wijzigen dat de vrijwillige verzekering WW niet wordt gekoppeld
aan een vrijwillige verzekering ZW indien er een
loondoorbetalingsplicht bij ziekte geldt. Zoals hiervoor is gesteld, zou
dit - in theorie - tot oneigenlijk gebruik van de regeling kunnen leiden. In de praktijk is het risico
naar alle waarschijnlijkheid te verwaarlozen. De wet stelt namelijk nog
additionele voorwaarden aan toetreding tot de vrijwillige verzekering
WW, waaronder indiening van een aanvraag binnen vier weken na
beëindiging van de verplichte verzekering (artikel 54 van de
WW). Daar komt bij dat
reeds nu voor een deel van de verzekerden geldt dat de premie voor de
vrijwillige verzekering ZW nihil is, vanwege het feit dat zij recht hebben op
doorbetaling van loon tijdens ziekte (sector Baggerbedrijf).
Artikel
58, derde lid,
van de WW
Het premiepercentage van
de vrijwillige werkloosheidsverzekering mag niet meer bedragen dan
het premiepercentage voor de verplichte verzekering WW. Dit betekent dat de
hoogte van dat percentage afhankelijk is van de premie voor het
Algemeen Werkloosheidsfonds en van de sectorale wachtgeldpremie. Deze
systematiek heeft als nadeel dat er een groot aantal (sectorale)
premiepercentages voor de vrijwillige verzekering WW geldt. Omdat het aantal
verzekerden per sector beperkt is, kan dit leiden tot aanzienlijke premiefluctuaties. Om aan deze situatie een einde te
maken, wordt thans
voorgesteld het derde lid van artikel 58 zodanig te wijzigen dat het voor het
UWV mogelijk wordt één landelijk premiepercentage voor de vrijwillige
verzekering WW vast te stellen. Dat premiepercentage wordt dan vastgesteld op
de som van het premiepercentage voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (zowel het werkgevers- als het werknemersdeel van dit premiepercentage)
en het percentage van de vervangende wachtgeldpremie (die op
grond van artikel 85, derde lid, van de WW
wordt vastgesteld). Bij
de vaststelling van het percentage voor de vrijwillige verzekering WW houdt het
UWV rekening met het feit dat voor de verplicht verzekerden bij
de premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds een franchise geldt.
Onderdeel D (artikel
72a,
derde lid, van de WW)
In
artikel 72a, derde
lid, van de WW wordt bepaald (bij de Invoeringswet
SUWI) dat op verzoek van
een overheidswerkgever het UWV de taak om de inschakeling in de
arbeid te bevorderen van zijn werknemers kan overdragen aan die
overheidswerkgever. Hierbij wordt niet alleen verwezen naar de in artikel 130
van de WW genoemde sluitende aanpak, maar eveneens naar de zogenoemde kleine
experimenten (van hoofdstuk Xa) die het UWV extra
mogelijkheden bieden voor de inschakeling van werklozen zoals de loonsuppletie,
proefplaatsing en de preventieve inzet van geld uit het Uitvoeringsfonds voor
de overheid, dat wil zeggen voor reïntegratiemaatregelen voorafgaand aan het
werkloos worden. Onbedoeld is hiermee de mogelijkheid geschapen
dat de overheidswerkgever verantwoordelijk is deze instrumenten voor
zijn werknemers in te zetten. Dit is ongewenst gezien het experimentele
karakter van deze instrumenten. Deze onbedoelde wijziging wordt met
bijgaand voorstel tot aanpassing van het betreffende artikel 72a
ongedaan gemaakt.
rblz.|6|
Artikel
IV. Wijziging van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
Onderdeel A (artikel
49b,
vierde lid, van de Wet Rea)
Bij de parlementaire
behandeling van de Wet beslistermijnen sociale verzekeringen (hierna:
Wbsv) is de motie-Schimmel (Kamerstukken II 2000-2001, 27 248, nr. 10)
aanvaard. Deze motie verzoekt de regering om vóór 1 januari 2002 met
een voorstel te komen tot bekorting van de beslistermijn voor de
verlening van subsidie aan niet-scholingsinstituten. Artikel
49b, vierde lid,
onderdeel a, van de Wet Rea stelt deze (bijzondere) beslistermijn op maximaal
zeventien weken. Ter uitvoering van de motie wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld de beslistermijn voor verlening van
subsidie door het UWV
aan
niet-scholingsinstituten te wijzigen in de redelijke termijn (maximaal acht
weken). Het ligt daarbij in de rede om tevens de beslistermijn voor de
vaststelling van de subsidie (op grond van artikel
49b, vierde lid,
onderdeel b, van de Wet Rea; maximaal dertien weken) te bekorten. Voorgesteld
wordt derhalve deze beslistermijn voor de vaststelling van de subsidie eveneens
te wijzigen in de redelijke termijn. Dit wordt bereikt door artikel
49b,
vierde lid, van de Wet Rea te laten vervallen. Daarmee vervalt de
bijzondere beslistermijn en is artikel 49a
van de Wet Rea automatisch op de
hier bedoelde beschikkingen van toepassing. Dat artikel stelt de
beslistermijn voor beschikkingen op de redelijke termijn. De gewijzigde
beslistermijnen zijn afgestemd met het UWV. Het UWV heeft aangegeven geen
bezwaren te hebben tegen de bekorting van genoemde beslistermijnen.
Onderdeel B (artikel
49b,
vierde lid, van de Wet Rea met ingang van 1 januari 2004)
In
onderdeel A wordt
voorgesteld artikel 49b van de Wet
Rea te wijzigen. Deze wijziging heeft
tevens gevolgen voor het bij artikel XVI van de
Wet beslistermijnen sociale
verzekeringen vastgestelde artikel 49b
van de Wet Rea, zoals dit met ingang
van 1 januari 2004 komt te luiden. Dit dient derhalve tevens aanpassing. Dit onderdeel voorziet in die wijziging.
Onderdeel C
(artikel
87a van de Wet Rea)
De in de
onderdelen A en
B voorgestelde wijzigingen in artikel 49b
van de Wet Rea maken een overgangsrechtelijke bepaling wenselijk. Zie hiertoe
het eerste lid. Tevens
wordt het overgangsrecht inzake artikel 49b, zoals dit op dit moment is
opgenomen in artikel XXI van de Wet beslistermijnen sociale
verzekeringen, voor zover relevant, geïntegreerd in dit overgangsrechtelijk artikel. Als gevolg van
dit samenvoegen wordt laatstgenoemde wet tevens gewijzigd (zie
artikel IX [artikel VIII, red.]).
Artikel
V. Wijziging van
de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
2000
Onderdeel A (artikel 5
van de Wet Bpf 2000)
In de met ingang van 1
januari 2001 in werking getreden Wet
Bpf 2000 is in artikel 5 een regeling
opgenomen ten aanzien van gebruik van naam, beeldmerk en handelsmerk.
Met die bepaling is invulling gegeven aan de aanbeveling van de
werkgroep Markt en Overheid inzake het gebruik van naam, beeldmerk of handelsmerk van het bedrijfstakpensioenfonds,
waarbij de aanbeveling
zich richtte tot de verzekeringsdochter van het pensioenfonds. De Wet Bpf
2000 biedt evenwel niet het geschikte kader voor nadere voorwaarden
ten aanzien van anderen dan de bedrijfstakpensioenfondsen. Dit is toen ondervangen
door de constructie dat het rblz.|7|
bedrijfstakpensioenfonds
niet dezelfde naam, hetzelfde handelsmerk of beeldmerk mag gebruiken
als een rechtspersoon waarin het bedrijfstakpensioenfonds aandelen houdt die
meer
dan 30% van het geplaatste kapitaal
vertegenwoordigen.
De bedoeling van artikel
5 was en is dat de naam van verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen
niet ten gunste van en door derden mag worden gebruikt. Het
overheidsbesluit tot verplichtstelling brengt met zich mee dat de
naamsbekendheid in de gehele bedrijfstak wordt bevorderd. Bedrijfstakpensioenfondsen
hebben in Nederland een goede naam. Gebruik van de naam van
het bedrijfstakpensioenfonds door derden zou daarom een enorm
concurrentievoordeel opleveren en daarmee leiden tot oneerlijke concurrentie.
Bij de inwerkingtreding
van de Wet
Bpf 2000 is bepaald dat artikel 5 per 1 januari 2002 in werking
zal treden.
Nog voor het zover is,
wordt hier voorgesteld deze bepaling te wijzigen. Gebleken is dat artikel 5
onvoldoende strikt geformuleerd is. Zo is het op basis van de tekst van
artikel 5 nog wel mogelijk om de naam van het bedrijfstakpensioenfonds
in licentie te verstrekken aan derden, waarin het bedrijfstakpensioenfonds
geen deelneming heeft. Ook dit is nimmer de bedoeling geweest, omdat
ook dan gebruik gemaakt wordt van de goede naam van het fonds,
hetgeen kan leiden tot oneerlijke concurrentie. Daarom wordt met de hier
voorgestelde wijziging van artikel 5 de ruimte verder ingeperkt. Hiermee
wordt beoogd te voorkomen dat de ruimte die het huidige artikel biedt,
zal worden benut om in ieder geval in strijd met de strekking van die
bepaling te handelen. Daarbij is van de gelegenheid gebruik gemaakt om meer
aan te sluiten bij de relevante wetgeving op het gebied van het gebruik
van merken en handelsnamen. Dit laatste is ook van belang omdat een
bedrijfstakpensioenfonds in een uiterst geval van deze wetgeving gebruik
moet maken om zijn in artikel 5 neergelegde verplichting na te komen.
In de voorgestelde wijziging wordt het bedrijfstakpensioenfonds
opgedragen te voorkomen dat zijn naam, merk of een daarmee
overeenstemmend teken door derden, al dan niet tegen betaling, wordt gebruikt
op zodanige wijze dat het publiek de naam of het merk of het teken van de
derde kan associëren met de naam of het merk van het bedrijfstakpensioenfonds.
Hiermee wordt het gebruik
van de naam van het bedrijfstakpensioenfonds alleen mogelijk door het bedrijfstakpensioenfonds zelf, tenzij er van enig
associatiegevaar geen
sprake is. In dat geval doet zich echter ook niet het gevaar voor van
oneerlijke concurrentie, zodat er in dat geval voor het verbod geen reden is.
Het
bedrijfstakpensioenfonds moet in eerste instantie zelf voorkomen dat de naam door derden wordt
gebruikt. Het toezicht op de uitvoering van deze bepaling wijkt, net
als de andere bepalingen betreffende een gelijkwaardige concurrentieverhouding,
in karakter af van het gebruikelijke toezicht door de
Pensioen- & Verzekeringskamer. Er is hier sprake van een meer passief toezicht,
waarbij de Pensioen- & Verzekeringskamer veelal zal reageren op door
derden, bijvoorbeeld verzekeraars, gemelde vermeende overtredingen
van deze regels door de bedrijfstakpensioenfondsen. Naar aanleiding van een
dergelijke melding zal de Pensioen- & Verzekeringskamer dan
beoordelen in hoeverre een bedrijfstakpensioenfonds daadwerkelijk in strijd
handelt met het bepaalde.
Indien het
bedrijfstakpensioenfonds toch toestaat dat derden de naam gebruiken, kan het
bedrijfstakpensioenfonds worden beboet conform hetgeen hierover reeds is
bepaald in de bijlage als bedoeld in artikel 20 van de Wet
Bpf 2000.
Onderdeel B
(artikel 39,
zevende lid, van de Wet Bpf 2000)
Het overgangsrecht zoals
opgenomen in artikel 39, zevende lid, van de rblz.|8|
Wet
Bpf 2000 komt te
vervallen. Ervan uitgaande dat deze wijziging met ingang van 1 januari 2002
in werking zal treden en de termijn zoals genoemd in artikel 39,
zevende lid, Wet
Bpf 2000 zal zijn verstreken, is deze bepaling niet langer
nodig. Nieuw overgangsrecht voor wat betreft het aangescherpte artikel
5 is niet nodig en niet gewenst. Het is altijd al duidelijk geweest wat de
strekking was van artikel 5 van de Wet
Bpf 2000. Met deze wijziging wordt
slechts die strekking strikter in artikel 5 vastgelegd.
Artikel
VI. Wijziging van
de Ziektewet
Onderdeel A (de artikelen
19, derde lid, 29, eerste lid, en 69, tweede lid, van de ZW)
In
artikel IX, onderdeel A, van het wetsvoorstel
Invoeringswet arbeid en zorg (Kamerstukken I
2000-2001, 27 208, nr. 273) wordt in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, onder vernummering van de daaropvolgende leden, een nieuw
vierde lid ingevoegd. In het eerste lid van artikel 29 van de
ZW wordt verwezen naar enkele van de aldus te vernummeren leden. Na de
inwerkingtreding van genoemd artikel IX, onderdeel
A, is de verwijzing - deels - niet meer juist. Aldus zou onbedoeld recht op ziekengeld kunnen
ontstaan.
Het onderhavige onderdeel
voorziet erin dat, indien artikel IX, onderdeel
A, van de Invoeringswet
arbeid en zorg in werking treedt nadat het onderhavige onderdeel in werking is
getreden, artikel 29, eerste lid, van de ZW
aan de vernummering wordt
aangepast op het moment dat bedoeld artikel IX, onderdeel
A,
in werking treedt. Indien artikel IX, onderdeel A, van de
Invoeringswet arbeid en
zorg eerder in werking is getreden dan het onderhavige onderdeel, wordt
artikel 29, eerste lid, van de ZW
aangepast op het moment dat het onderhavige onderdeel in werking treedt. Aldus wordt
voorkomen dat de onjuiste
verwijzing ontstaat respectievelijk wordt deze zoveel mogelijk in de
tijd beperkt.
Met artikel XVI,
onderdeel C, [artikel XXVI, onderdeel C, red.] van het wetsvoorstel Invoeringswet arbeid en zorg wordt in
artikel
19 van de ZW
een derde lid ingevoegd. Artikel XVI, onderdeel
K, [artikel XXVI, onderdeel K, red.]
van dat
wetsvoorstel wijzigt artikel 69, tweede lid, van de
ZW. Met die leden wordt
bewerkstelligd dat de vrouwelijke verzekerde geen recht heeft op
ziekengeld gedurende de periode dat zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt
genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de
Wet
arbeid en zorg. Met het onderhavige onderdeel wordt geregeld dat ook geen recht op ziekengeld bestaat gedurende de
periode dat uitkering in
verband met zwangerschap of bevalling wordt genoten op grond van
artikel 3:8 van de Wet arbeid en zorg.
Onderdeel B (artikel 45,
eerste lid, onderdeel j, van de ZW)
In
artikel 45, eerste
lid, onderdeel j, van de ZW is de benadelingshandeling opgenomen. De verzekerde
is verplicht te voorkomen dat hij door zijn doen en laten het
Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen
benadelen. De ZW-uitkeringen van overheidswerknemers worden echter niet
betaald uit deze fondsen, maar uit het Uitvoeringsfonds voor de
overheid. Er bestaat derhalve een leemte in deze bepaling die zo
spoedig mogelijk moet worden opgevuld. Het onderhavige artikel voorziet daarin.
rblz.|9|
Artikel
VII. Wijziging
van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de
Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten
(recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van
mannen en vrouwen) (Stb. 2000, 625)
In de Wet van 21 december
2000, houdende wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en enige
andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van
nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) (Stb.
2000, 625) is in het overgangsrecht sprake van een omissie. In
artikel IX is bedoeld te regelen dat de collectieve actuariële gelijkwaardigheid en de
gelijke behandeling alleen moet gelden voor over te dragen
pensioen dat is opgebouwd vanaf de datum van inwerkingtreding van
artikel 2b van de Pensioen-
en spaarfondsenwet. De onderhavige wijziging
beoogt dit alsnog correct te formuleren. Artikel IX is nog niet in werking
getreden.
Artikel
VIII. Wijziging
overgangsrecht Wet beslistermijnen sociale verzekeringen
Met het in
dit
wetsvoorstel voorgestelde artikel 87a
van de Wet Rea (zie artikel
IV, onderdeel
C)
wordt overgangsrecht geïntroduceerd op artikel
49b van de Wet Rea.
Aangezien er in de Wbsv reeds overgangsrecht op datzelfde artikel is
geformuleerd, dienen beide artikelen beter op elkaar afgestemd te worden. Deze
afstemming krijgt vorm door in het voorgestelde artikel IX [artikel
VIII, red.] van dit voorstel de Wbsv te wijzigen in die zin dat het overgangsrecht op artikel
49b in laatstgenoemde wet komt te vervallen.
Omtrent het geven van
duidelijkheid inzake het van toepassing zijnde recht bij beslistermijnen
voor subsidieaanvragen op grond van artikel 44, tweede lid, van de
Wet Rea wordt het volgende opgemerkt.
a. Voor de periode van 1
januari 2001 tot en met 31 december 2001 voorziet het huidige
artikel 49b,
vierde lid, van de Wet Rea in duidelijkheid inzake de van toepassing
zijnde beslistermijnen voor deze subsidieaanvragen, te weten een
beslistermijn van maximaal zeventien weken (verlening van subsidie) dan wel maximaal
dertien weken (vaststelling van subsidie).
In beide gevallen is
sprake van een bijzondere beslistermijn op grond van artikel 49b.
b. Op diezelfde
subsidieaanvragen die op 1 januari 2002 nog in behandeling zijn, dienen deze
"oude/bijzondere" beschikkingstermijnen nog een tijdje van toepassing
te blijven (zie het bij dit wetsvoorstel opgenomen artikel
87a, eerste lid,
van de Wet Rea).
c. Voor aanvragen
ingediend na 1 januari 2002, maar vóór 1 januari 2004 dient de redelijke
termijn van maximaal acht weken (de algemene beslistermijn) te gaan
gelden; zie daartoe het in dit voorstel opgenomen artikel
IV, onderdeel
A.
Aangezien het
overgangsrecht op grond van de Wbsv voor deze periode uitgaat van de
bijzondere beslistermijnen wordt dat overgangsrecht voor deze beschikkingen
met het onderhavige artikel IX [artikel VIII,
red.] "uitgeschakeld".
d. Voor de periode vanaf
1 januari 2004 voorziet het aangepaste artikel
49b, zoals dat artikel op
die datum luidt, in de algemene (redelijke) beslistermijn; zie
daartoe het in dit voorstel opgenomen artikel
IV, onderdeel B
(artikel
49b,
zoals dit zal gaan luiden met ingang van 1 januari 2004).
rblz.|10|
Artikel
IX. Wijziging van
de Wet arbeid en zorg
Onderdelen
A, B en
F (de
artikelen 3:1, derde lid, 3:8, derde lid, en 3:19, derde lid, van de Wet
arbeid en zorg)
Op grond van
artikel 3:1,
derde lid, van het wetsvoorstel Wet arbeid en zorg gaat het
bevallingsverlof in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aangesloten weken of
zoveel meer als het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof minder dan
zes weken heeft
bedragen. Een overeenkomstige regeling is opgenomen in de uitkeringsregeling in de
artikelen 3:8,
derde lid, en 3:19, derde
lid, van de Wet arbeid en zorg. Deze regeling vormt onbedoeld een
verslechtering ten opzichte van de regeling zoals die thans geldt op grond van
artikel 29a van de ZW in bepaalde situaties dat een vrouw bevalt na de
vermoedelijke bevallingsdatum. Als een vrouwelijke werknemer haar
zwangerschapsverlof doet ingaan vier weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum en
één week na de vermoedelijke bevallingsdatum
bevalt, duurt haar
zwangerschapsverlof vijf weken (artikel 3:1 Wet arbeid en
zorg). Het
bevallingsverlof bedraagt elf weken (artikel 3:1, derde lid,
Wet arbeid en zorg)
en de totale verlofperiode derhalve zestien weken. Volgens de bestaande
regeling bedraagt de totale verlofperiode zeventien weken. Ter illustratie: als de
betrokken vrouw haar zwangerschapsverlof had doen ingaan zes weken vóór
vermoedelijke bevallingsdatum had haar zwangerschapsverlof zeven weken geduurd en het
totale verlof (7 + 10 = ) zeventien weken. Teneinde te
bewerkstelligen dat het totale zwangerschaps- en bevallingsverlof in beide situaties gelijk
is (en wel zeventien weken) respectievelijk dat de periode waarover
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling wordt betaald op grond
van de artikelen 3:8 en 3:19 in overeenkomstige situaties gelijk is,
worden de artikelen 3:1, derde lid, 3:8, derde lid, en
3:19, derde lid, van de Wet
arbeid en zorg in de onderhavige onderdelen aangepast.
Onderdeel C (artikel 3:10
van de Wet arbeid en zorg)
Waar in de verschillende
artikelen van de Wet arbeid en zorg het opnemen van een pleegkind als
bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van
die wet gelijkgesteld
wordt met adoptie is dat in artikel 3:10 niet het geval. Met dit onderdeel wordt
hierin alsnog voorzien.
Onderdeel D (artikel 3:13
van de Wet arbeid en zorg)
Voor degene die recht
heeft op ziekengeld in verband met bevalling op grond van nawerking (artikel 46 van de
ZW) geldt dat het ZW-dagloon gelijk is aan het
WW-dagloon (artikel 13 van de
Algemene dagloonregelen ZW).
Artikel 3:13, vierde
lid, van de Wet arbeid en zorg kan de indruk wekken dat dat niet
langer het geval zou moeten zijn. Om die onjuiste indruk weg te nemen,
vervalt met dit onderdeel dat vierde lid en wordt het tweede lid van artikel
3:13 van de Wet arbeid en zorg aangepast.
Onderdeel E (artikel
3:16, eerste lid, onderdeel c, van de Wet arbeid en zorg)
In
artikel 3:16, eerste
lid, onderdeel c, van de Wet arbeid en zorg wordt
artikel 36 van de ZW
van
overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan artikel 35 van de
ZW - dat eveneens van overeenkomstige toepassing is verklaard
- ziet
artikel 36 ZW
op de overlijdensuitkering indien de verzekerde op de dag van overlijden
geen recht op ziekengeld heeft omdat hij niet ongeschikt is.
Artikel 36 van de ZW
is derhalve ook van toepassing op de werknemer en de
gelijkgestelde, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet
arbeid en zorg, die op de dag van overlijden geen recht heeft op uitkering
op grond van die paragraaf. Gelet hierop is artikel 36
rblz.|11|
van de ZW
ten onrechte
opgenomen in artikel 3:16, eerste lid, onderdeel
c, van de Wet arbeid en zorg. Aangezien dit aanleiding kan geven tot misverstanden wordt dit
met het onderhavige onderdeel rechtgezet.
Onderdeel G (artikel 4:2
van de Wet arbeid en zorg)
In het voorlopig verslag
van de Eerste Kamer over het wetsvoorstel Wet arbeid en zorg is onder meer
gevraagd of het ontstaan van het recht op kraamverlof vanaf de eerste dag dat
het kind feitelijk op hetzelfde adres woont als de werknemer die het
kind erkent, niet tegenstrijdig is met de bedoeling ook vaders die elders
wonen kraamverlof te verlenen.
De bedoelde
tegenstrijdigheid doet zich inderdaad voor bij de niet-samenwonende
vader, die het kind heeft
erkend. Om dit te verhelpen, wordt de tweede zin van artikel
4:2 gewijzigd en gaat het recht op kraamverlof in vanaf het verblijf van
het kind bij de moeder.
Er zij op gewezen dat
deze wijziging alleen relevant is voor de werknemer die het kind erkent en
niet met de moeder gehuwd is, geregistreerd is als partner of ongehuwd
samenwoont. De vader die het kind niet erkent en niet met de moeder
samenwoont, voldoet immers niet aan het bepaalde in de eerste zin van
artikel 4:2 en komt derhalve niet voor het recht op kraamverlof in
aanmerking.
Onderdelen H en
I (de
artikelen 4:7 en 5:10 van de Wet arbeid en zorg)
In
de
artikelen 4:6 en
5:9 van de Wet arbeid en zorg is een regeling opgenomen over de compensatie met
vakantieaanspraken waar het gaat om het calamiteiten-, kort
verzuim- en kraamverlof respectievelijk het kortdurend zorgverlof. In de
artikelen 4:7 en 5:10 is de mogelijkheid gecreëerd om via een collectieve
arbeidsovereenkomst of schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de
ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging af te wijken van de
gegeven regeling over de compensatie van vakantieaanspraken. Bij
deze afwijkingsmogelijkheid is het onbedoeld mogelijk geworden dat het
wettelijk minimum aan vakantiedagen per jaar aangetast kan worden. Dit
wettelijke minimum aan vakantieaanspraken op jaarbasis wordt
gegarandeerd door de EG-richtlijn organisatie van de arbeidstijd. Artikel 7
van deze richtlijn schrijft voor dat een ieder ten minste recht heeft op
vier weken vakantie per jaar. De voorgestelde wijziging in de onderdelen H en
I
zorgt ervoor dat de minimumvakantie op jaarbasis ook bij het
gebruiken van de geboden afwijkingsmogelijkheid bij bijvoorbeeld de
collectieve arbeidsovereenkomst te allen tijde blijft gegarandeerd.
Onderdeel J (artikel 7:16
van de Wet arbeid en zorg)
De tekst van
artikel 7:16
van de Wet arbeid en zorg is ontleend aan artikel
27a van de WW. Per 1
februari 2001 is de bepaling in het zevende lid van artikel
27a van de WW,
dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen nadere regels stelt met
betrekking tot het eerste en tweede lid, vervangen door de bepaling dat bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden
gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid. Die algemene
maatregel van bestuur is het Boetebesluit
socialezekerheidswetten. Daarin zijn niet alleen
nadere regels gesteld met betrekking tot de op te leggen
boetes op grond van de WW, maar ook op grond van de andere
socialezekerheidswetten. Gelet hierop ligt het in de rede dat de nadere regels op
grond van artikel 7:16 van de Wet arbeid en zorg niet worden vastgesteld
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen respectievelijk het UWV,
doch eveneens worden neergelegd in het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
In verband hiermee dient artikel 7:16, zevende lid, van de
Wet
arbeid en zorg zo spoedig mogelijk te worden aangepast.
rblz.|12|
Artikel
X. Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel A (artikel 13,
vierde lid, van de Wet SUWI)
De
Centrale organisatie
werk en inkomen, het UWV en de Sociale verzekeringsbank (hierna:
SVB) verstrekken
op grond van artikel 13, vierde lid, van de
Wet SUWI gegevens op
verzoek aan een derde indien deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van taken door die derde en deze taken gelijk zijn aan de door het zelfstandige bestuursorgaan verrichte
andere taken. Het betreft
hier de bij de uitvoering van de andere taken verwerkte gegevens. De
hier voorgestelde toevoeging is noodzakelijk om te kunnen regelen dat de
zelfstandige bestuursorganen een vergoeding van de kosten voor deze
gegevensverstrekking kunnen vragen.
Onderdelen
B, C en E
[F] (de
artikelen 37, onderdeel a, 41, 42, eerste lid, 63, tweede lid, 72, eerste
volzin, 76, 77, derde lid, 78, eerste en tweede lid, en 81, eerste en tweede lid,
van de Wet SUWI)
Gelet op het feit dat aan
het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63, publieke middelen ter
beschikking worden gesteld voor de uitvoering van zijn taken alsmede op het
karakter van die taken (die van rechtstreeks belang zijn voor een
goede uitvoering van de betrokken wetten), is het gewenst het toezicht op
het Inlichtingenbureau en een aantal daarmee samenhangende
bevoegdheden te regelen. Bij de oprichting van de Stichting Inlichtingenbureau
(Kamerstukken 27 635, nrs. 1-2) gaf de minister al aan dat hij toezicht zou
gaan houden op het Inlichtingenbureau. In het aanhangige wetsvoorstel Wet
SUWI
is daarin nog niet voorzien; met de onderhavige voorstellen
gebeurt dat alsnog. De financiële en verantwoordingsvoorschriften voor het
Inlichtingenbureau worden op grond van artikel
63, tweede lid,
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld (waartoe zal
worden aangesloten bij de artikelen 45 tot en
met 49 van hoofdstuk 8 van de Wet
SUWI). In
artikel 37 wordt het Inlichtingenbureau
toegevoegd aan de organen
waarop de Inspectie Werk en Inkomen, onder gezag van de minister,
toezicht houdt. In verband daarmee wordt voorzien in een inlichtingenplicht
jegens de Inspectie Werk en Inkomen ten behoeve van het toezicht
(in artikel 42). De toevoeging van het Inlichtingenbureau aan
artikel 72, regelende
de algemene inlichtingenplicht jegens de minister, is gewenst
omdat de taak van het Inlichtingenbureau meebrengt dat de minister
aan het bureau ook beleidsinformatie moet kunnen vragen. Gezien het
werkterrein van het Inlichtingenbureau wordt ook de verplichting tot
beveiliging van gegevens (artikel 76) van toepassing ten aanzien van dat
bureau. Het bereik van de delegatiebepaling met betrekking tot de
inlichtingenverplichting (artikel 77, derde lid) wordt uitgebreid tot het
Inlichtingenbureau. Ten slotte wordt, gelet op de taak van het
Inlichtingenbureau, voorzien in een aanwijzingsbevoegdheid van de minister
(artikel 78)
en in een taakverwaarlozingsregeling (artikel 81).
De toevoeging aan artikel
41 voorziet erin dat de Inspectie Werk en Inkomen ook een
toezichtbaarheidstoets zal verrichten ten aanzien van voornemens die het
terrein van het Inlichtingenbureau raken. Voor het Inlichtingenbureau gaat
ook het vereiste gelden van ministeriële goedkeuring van een aantal besluiten
die belangrijke financiële gevolgen kunnen hebben. Het tweede lid
van het daartoe van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 19
maakt het mogelijk bij ministeriële regeling te bepalen wanneer de goedkeuring niet is vereist.
rblz.|13|
Onderdeel D
(artikel 55,
tweede lid, van de Wet
SUWI) [zie
art. X, onderdeel E, van de
wet, red.]
Met deze wijziging wordt
een onjuiste verwijzing hersteld.
Onderdeel F
(artikel 70
van de Wet SUWI) [zie
art. X, onderdeel G, van de
wet, red.]
Ten onrechte werd niet
verwezen naar artikel 62, tweede lid, dat bij
vanovereenkomstigetoepassingverklaring ervan op de SVB, dit orgaan zou verplichten bij de
SUWI-gegevensuitwisseling gebruik te maken van
Suwinet. De verwijzing
naar de artikelen 63 (Inlichtingenbureau) en
65 (de SVB heeft geen reïntegratietaken) is bij nader inzien niet nodig.
Artikel
XI. Wijziging van
de Algemene bijstandswet
Met deze wijzigingen
wordt op drie plaatsen het technisch onjuiste gebruik van het woord
"en" hersteld door dit te vervangen door "of".
Artikel
XII. Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Met deze wijzigingen
wordt de onjuiste verwijzing naar de leden van artikel 11a
hersteld.
Artikel
XIII. Wijziging
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
In
onderdeel A wordt een
taalkundige fout hersteld, waarmee het lid gelijkluidend wordt aan
de vergelijkbare bepalingen in de Abw en de
Ioaw. Met de wijzigingen
in de onderdelen B en C wordt de onjuiste verwijzing naar de leden
van artikel 11a hersteld.
Artikel
XIV. Wijziging
van de Wet inschakeling werkzoekenden
Deze wijzigingen betreft
een correctie van de verwijzing naar de Wet
SUWI.
Artikel
XV. Wijziging van
de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen
Deze wijzigingen
betreffen correcties van de verwijzingen naar de Wet
SUWI.
Artikel
XVI. Wijziging
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A (artikel 19
van de WAO)
In
artikel XXI, onderdeel
H, van het wetsvoorstel Invoeringswet arbeid en zorg (Kamerstukken I
2000-2001, 27 208, nr. 273) wordt aan artikel 19, vierde lid, van de
WAO een
zinsnede toegevoegd teneinde te bewerkstelligen dat de periode dat een
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling wordt genoten op grond
van de Wet arbeid en zorg niet meetelt voor de wachttijd van 52 weken
voor de WAO. Door de toevoeging van die zinsnede aan het vierde
lid kan evenwel de situatie ontstaan dat de vrouw die een dienstbetrekking
heeft en daarnaast een WAO-uitkering, op het moment dat zij recht op
een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling krijgt uit
hoofde van haar dienstbetrekking haar recht op WAO-uitkering verliest
(volledigheidshalve: de WAO-gerechtigde valt uit rblz.|14|
hoofde van de
WAO-uitkering niet onder het begrip werknemer of gelijkgestelde in de zin van
artikel 3:6
van de Wet arbeid en zorg). Teneinde dit te voorkomen, komt met dit
onderdeel die zinsnede te vervallen en wordt - teneinde het met die
zinsnede beoogde doel te bereiken - aan artikel
19, vijfde lid, van de WAO
een zinsnede toegevoegd, inhoudende dat bij de vaststelling van het
tijdvak van 52 weken perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7, eerste lid,
3:8 of 3:10, eerste
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing blijven.
Onderdeel B (artikel
71a
van de WAO)
De laatste zin van
artikel 71a, eerste lid, van de WAO kan vervallen. De afbakening tussen
artikel
71a en 71b is geregeld via artikel 71b. Daarbij wordt verwezen naar de
ZW. Aangezien de overheidswerknemers sinds 1 januari 2001 onder de
ZW vallen, is ook ten aanzien van die werknemers de afbakening voldoende
geregeld en ligt het in de rede geen onderscheid meer te maken tussen
overheidswerknemers en andere werknemers.
Artikel
XVII. Wijziging
van de Invoeringswet arbeid en zorg
Met het tweede lid van
artikel I van de Invoeringswet arbeid en zorg is beoogd te bereiken dat op
de vrouw die op de datum van inwerkingtreding van de Wet arbeid en zorg
een bevallingsuitkering op grond van de ZW
ontvangt de
wachttijdregeling van de WAO van toepassing blijft zoals deze geldt
vóór die
datum. Aangezien de tekst van artikel I, tweede lid, van de
Invoeringswet
arbeid en zorg nu reeds door de uitvoeringsorganen als onduidelijk wordt
ervaren en anderzijds in artikel 19 van de WAO zowel
vóór als na de
inwerkingtreding van de Invoeringswet arbeid en zorg geregeld
is dat
voor het bepalen van de wachttijd steeds tijdvakken in aanmerking worden
genomen gedurende welke aanspraak bestaat op ZW-uitkering, kan het
tweede lid van artikel I van de Invoeringswet arbeid en zorg vervallen. De
zwangerschaps- en bevallingsuitkering die onder artikel
I, eerste lid,
van de Invoeringswet arbeid en zorg valt, blijft immers een uitkering op grond
van de ZW (en telt derhalve mee voor de wachttijd WAO).
Artikel
XVIII.
Inwerkingtreding [zie
art. XXII van de wet,
red.]
Het tweede lid van dit
artikel houdt rekening met de mogelijkheid dat de Tijdelijke referendumwet
(Kamerstukken II 1999-2000, 27 034, hierna Trw) in werking treedt voordat
de Verzamelwet SZW-wetten 2001 (hierna: de Verzamelwet) is
bekrachtigd en derhalve (op grond van artikel 169 van de Trw) ten aanzien van
de
Verzamelwet van toepassing is. Dat zou meebrengen dat bij de
vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet de
zeswekentermijn van artikel 12, eerste lid, Trw in acht genomen moet worden.
Uitgaande van de voorgenomen inwerkingtreding van de Verzamelwet op 1
januari 2002 kán dat problematisch zijn; of dat ook daadwerkelijk
het geval zal zijn, en in het verlengde daarvan, of met het oog daarop
behoefte zal bestaan aan een mogelijkheid om van genoemde termijn af te
wijken, hangt af van enkele nu nog onzekere factoren (met name de
datum van bekrachtiging van de Verzamelwet en de datum van
inwerkingtreding van de Trw). Om echter op deze eventualiteit voorbereid te zijn,
gezien het spoedeisende karakter van de diverse onderdelen van de
Verzamelwet, wordt voorgesteld de Kroon de bevoegdheid te verlenen om zo nodig
bij de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding rblz.|15|
van de Verzamelwet af te wijken van de artikelen 12 en 13 van
de Trw; het in de
bepaling genoemde artikel 16 van de Trw regelt de gevolgen van zo’n
afwijking.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.E. Verstand-Bogaert
|