|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 686
Wijziging
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en enige andere wetten
in verband met de invoering van een zelfstandigheidsverklaring en de
uitsluiting van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen
van de verzekering voor de werknemersverzekeringen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Doel van het
wetsvoorstel |
| 3 |
Uitvoering en
handhaving |
| 4 |
Financiële aspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Aanleiding
Een
toenemend aantal personen kiest voor het zelfstandig ondernemerschap.
Het aantal startende ondernemers is gestegen van 25 000 in 1987 naar 40
000 in 1997. Tegelijkertijd is binnen het zelfstandig ondernemerschap
sprake van een toenemende diversiteit, bijvoorbeeld in de vorm van franchise- en
deeltijdondernemerschap en zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers). De
toegenomen diversiteit aan arbeidsrelaties en vormen van zelfstandig
ondernemerschap maakt het moeilijker om een scherpe scheidslijn te
trekken tussen arbeid die wordt verricht in het kader van een
dienstbetrekking
en werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of de
zelfstandige uitoefening van een beroep. Dit heeft tot gevolg dat personen
die hun
arbeid anders dan als werknemer willen aanbieden alsmede hun
opdrachtgevers vaak in onzekerheid verkeren over de beoordeling van hun arbeidsrelatie
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) in het kader van
de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Het Economisch Instituut
voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM) schat in dat
maximaal 100 000 ZZP-ers werken in sectoren waarin de afbakening tussen
zelfstandigen en werknemers in de praktijk een probleem vormt. Deze afbakening vormt onder meer een probleem in de
bouwsector, het
transport, de zakelijke en persoonlijke dienstverlening (onder andere
interimmanagers,
organisatieadviseurs, IT-specialisten), de journalistiek en de paramedische
sector.
In het kader van het
project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) heeft het kabinet
een werkgroep onder leiding van prof. dr. L.G.M. Stevens
opgedragen de problematiek rond de afbakening van het zelfstandigenbegrip
te inventariseren, te analyseren en er oplossingen voor aan te dragen. In
haar rapport "Begrip voor ondernemers" concludeert de MDW-werkgroep
Harmonisatie Ondernemers- en Zelfstandigenbegrip (werkgroep HOZ) dat de
belangrijkste problemen ten aanzien van de begrippen ondernemer
en werknemer zich voordoen in de sfeer van de rblz.|2|
loon- en
inkomstenbelasting en in de sfeer van de sociale verzekeringen. De belastingwetten en de
werknemersverzekeringen kennen hun eigen, niet op elkaar afgestemde
begrippen ondernemer respectievelijk zelfstandige. Verder bestaan er op
uitvoeringsniveau (in casu de belastingdienst
en de uitvoeringsinstellingen) verschillen in de interpretatie en hantering van deze begrippen. De
verschillende rechtsgang tussen belastinggeschillen en geschillen in de sfeer
van de werknemersverzekeringen draagt bij aan een
uiteenlopende interpretatie van de begrippen.
Het gebrek aan afstemming
van de wettelijke begrippen en van de hantering daarvan op
uitvoeringsniveau leidt in de praktijk tot knelpunten. De werkgroep HOZ noemt als
belangrijkste knelpunten:
1. De onzekerheid bij de
opdrachtnemer en diens opdrachtgever(s) over de beoordeling van de
arbeidsrelatie door de uitvoeringsinstelling.
2. Een verschillende
beoordeling van de arbeidsrelatie door de uitvoeringsinstelling en de belastingdienst.
De onzekerheid over het
bestaan van verzekeringsplicht, en daarmee van de verschuldigdheid van
premies voor de werknemersverzekeringen, veroorzaakt extra
administratieve lasten bij opdrachtnemers en opdrachtgevers. Het bepalen van de
juridische status - per arbeidsrelatie - kost beiden tijd en geld. De
rechtsonzekerheid leidt verder tot terughoudendheid bij het verstrekken van
opdrachten aan ZZP-ers, met als gevolg een verstoring van de
concurrentieverhoudingen en gemist ondernemerschap.
Het kabinet heeft het
rapport van de werkgroep HOZ op 16 mei 2000 aan de Tweede Kamer
aangeboden en daarbij zijn reactie gegeven op de bevindingen.¹ De regering
onderschrijft de inventarisatie en de analyse van de problematiek door
de werkgroep HOZ. De in het rapport opgenomen aanbevelingen worden in
grote lijnen overgenomen. Om tijdwinst te boeken ten opzichte
van het door de werkgroep voorgestelde tijdpad wil het kabinet twee van
de voorgestelde maatregelen tegelijkertijd ter hand nemen. Dat betreft
enerzijds de verplichting voor het Lisv om vooraf
- op verzoek van de
(verondersteld) zelfstandige - beschikkingen af te geven over de
verzekeringsplicht op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) en
anderzijds de harmonisatie van het
zelfstandigheidsbegrip in de werknemersverzekeringen en de WAZ. Beide maatregelen zijn in
dit wetsvoorstel opgenomen.
1. Kamerstukken II 1999-2000,
24 036, nr. 161.
De werkgroep HOZ heeft
eveneens voorgesteld in de belastingwetgeving een verplichting voor de belastingdienst
op te nemen om op verzoek van
belanghebbende een
beschikking te geven over de zelfstandigheid van de aanvrager in fiscale zin.
Een dergelijke verplichting is inmiddels opgenomen in artikel 3.156 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet
IB 2001). Met de in onderhavig
wetsvoorstel opgenomen regeling voor de afgifte van
zelfstandigheidsverklaringen, de regeling van de afgifte van (fiscale) beschikkingen
arbeidsrelatie in de Wet
IB 2001 en de afstemming van de wettelijke begrippen
ondernemer en zelfstandige wordt een groot deel van de aanbevelingen van
de werkgroep HOZ verwezenlijkt. De resterende aanbevelingen kunnen - na de evaluatie van de voorgestelde maatregelen
- in een volgende fase
van het harmonisatieproces worden gerealiseerd.
Het wetsvoorstel voorziet
verder in de uitsluiting van de Nationale ombudsman
en de substituut-ombudsman van verzekering op grond van de Ziektewet (ZW), de
Werkloosheidswet
(WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Thans zijn zij op
grond van twee aparte wettelijke regelingen verzekerd
tegen het risico van arbeidsongeschiktheid en rblz.|3|
werkloosheid. Een
combinatie van wettelijke regelingen tegen hetzelfde risico wordt onwenselijk
geacht.
2. Doel van het
wetsvoorstel
Het onderhavige
wetsvoorstel heeft tot doel om ZZP-ers en hun opdrachtgevers meer rechtszekerheid te
bieden over de verzekeringsplicht van hun arbeidsrelaties op grond
van de WAZ en de werknemersverzekeringen. Hiertoe wordt in de WAZ
een verplichting voor het Lisv opgenomen om, op verzoek van de
verondersteld zelfstandige, een beschikking te geven over diens
zelfstandigheid. Een positieve beschikking (zelfstandigheidsverklaring) merkt de aanvrager aan
als zelfstandige in de zin van de WAZ. In de
werknemersverzekeringen wordt geregeld dat degene aan wie een zelfstandigheidsverklaring
is verstrekt, gedurende de looptijd van die beschikking is
uitgezonderd van verzekeringsplicht voor arbeid die hij - anders dan op grond van
een arbeidsovereenkomst - verricht. De opdrachtgevers van
betrokkene zijn als gevolg hiervan gevrijwaard van premieheffing uit dien
hoofde. Voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid ontstaan uit de arbeid
waarvoor een zelfstandigheidsverklaring is verstrekt, bestaat geen aanspraak op een uitkering op grond van de
ZW,
WAO of WW. De persoon aan
wie een zelfstandigheidsverklaring is verstrekt, komt bij
arbeidsongeschiktheid wel in aanmerking voor een uitkering op grond van de
WAZ.
De
werknemersverzekeringen bieden op dit moment geen ruimte voor een standpuntbepaling
vooraf over zelfstandigheid. Per individuele arbeidsrelatie wordt aan
de hand van de concrete feiten en omstandigheden vastgesteld of sprake is
van werknemerschap, dan wel van zelfstandigheid. Wel wordt in enkele
sectoren al enige tijd geëxperimenteerd met het vooraf verstrekken
van zelfstandigheidsverklaringen. Uit evaluaties van de experimenten in de
audiovisuele en de paramedische sector blijkt dat de afgifte van zelfstandigheidsverklaringen in een behoefte voorziet.
Bij de beoordeling van
arbeidsrelaties in het kader van de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen kunnen twee rechtsvragen
worden onderscheiden.
De eerste rechtsvraag
heeft betrekking op het bestaan van een (feitelijke) dienstbetrekking, als
bedoeld in de artikelen 3 van de ZW,
WAO en WW. Het gaat daarbij om
arbeid in het kader van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst of op grond van een
publiekrechtelijke aanstelling. Voor het bestaan van een dienstbetrekking is van doorslaggevende betekenis of de
opdrachtgever de
bevoegdheid heeft om de ZZP-er aanwijzingen en regels te geven voor de
wijze waarop hij de werkzaamheden dient uit te oefenen. De arbeidsrelatie waarin een zodanige gezagsverhouding tussen
partijen voorkomt, is een
dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de
werknemersverzekeringswetten.
De tweede rechtsvraag
heeft betrekking op arbeidsrelaties die niet voldoen aan de kenmerken
van een feitelijke dienstbetrekking, maar daar maatschappelijk wel mee
kunnen worden vergeleken. Dergelijke arbeidsrelaties worden, indien zij
voldoen aan een aantal voorwaarden, voor de verzekeringsplicht op
grond van de werknemersverzekeringen gelijkgesteld met een dienstbetrekking.
Bedoelde voorwaarden zijn opgenomen in de artikelen 4 en
5 van
de werknemersverzekeringswetten en in het Besluit van 24 december 1986 houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 5 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 5 van de
Ziektewet en artikel 5 van de Werkloosheidswet
(Besluit aanwijzing gevallen waarin
arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd) (Stb.
1986, 655). Deze arbeidsrelaties worden verder aangeduid
als fictieve dienstbetrekkingen. Arbeid die rblz.|4|
wordt verricht in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening
van een beroep is
uitgezonderd van verzekeringsplicht op grond van een fictieve
dienstbetrekking. Dergelijke arbeid leidt niet tot verzekering op grond van de
werknemersverzekeringen, maar op grond van de WAZ.
Zowel de feitelijke als
de fictieve dienstbetrekking leidt tot een verplichte verzekering voor de
werknemersverzekeringen. Bij beide categorieën dienstbetrekkingen is de
(fictieve) werkgever gehouden over het loon van de werknemer de premies
voor de WW, de
WAO en de Ziekenfondswet af te dragen. De rechtszekerheid die met
dit wetsvoorstel wordt geboden,
heeft betrekking op de
tweede rechtsvraag. De aanvrager van een zelfstandigheidsverklaring
krijgt vooraf uitsluitsel over de vraag of hij als zelfstandige is uitgezonderd van de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.
De
zelfstandigheidsverklaring heeft geen gevolgen voor arbeid die wordt verricht in het kader van
een (feitelijke) dienstbetrekking, als bedoeld in de artikelen 3 van de
ZW,
WAO en WW. Het gaat daarbij om arbeid in het kader van een
privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling.
Dergelijke
arbeid leidt onverkort van rechtswege tot een verzekering op grond
van de werknemersverzekeringen. De "hybride" ondernemer die - naast
zijn werkzaamheden als zelfstandige - tevens arbeid verricht op basis
van een arbeidsovereenkomst blijft voor die arbeid derhalve van
rechtswege verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Er ontstaat eveneens van
rechtswege een verzekering voor de werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een
zelfstandigheidsverklaring is verstrekt een arbeidsovereenkomst aangaat. De
zelfstandigheidsverklaring
biedt derhalve geen optie om als werknemer buiten de verplichte
werknemersverzekering te opereren.
De zelfstandigheid van de
aanvrager wordt beoordeeld aan de hand van fiscale criteria. Indien
de belastingdienst verklaart dat de voordelen die de aanvrager uit zijn
arbeidsrelaties geniet of zal gaan genieten, worden beschouwd als winst uit
onderneming, wordt betrokkene als zelfstandige aangemerkt. Belangrijke
elementen van het fiscale ondernemerschap, en daarmee van
zelfstandigheid in de zin van de WAZ, zijn:
• de duurzaamheid van
de activiteiten van de onderneming;
• de mate van
afhankelijkheid van één opdrachtgever (de zelfstandigheid);
• de mate waarin
debiteuren- en andere ondernemersrisico’s worden gelopen;
• de vraag of winst het
doel van de onderneming is en ook redelijkerwijs valt te verwachten;
• de mate waarin in de
onderneming is geïnvesteerd.
De elementen van het
zelfstandigheidsbegrip worden uitgewerkt tot een set (of enkele sets) van
criteria, waaraan de concrete aanvragen worden getoetst.
Indien geen
zelfstandigheidsverklaring wordt verstrekt, betekent dit overigens niet dat betrokkene
automatisch als werknemer wordt aangemerkt. Indien zijn
arbeidsrelaties niet als feitelijke dienstbetrekking, noch als fictieve dienstbetrekking
zijn aan te merken, leiden zij niet tot verzekeringsplicht voor
de werknemersverzekeringen, ook als geen sprake is van zelfstandigheid.
Degene die noch als werknemer, noch als zelfstandige wordt aangemerkt, wordt
in het kader van de sociale verzekeringen beschouwd als beroepsbeoefenaar in de zin van
artikel 5 van de WAZ. Het
verkrijgen van een
zelfstandigheidsverklaring is overigens geen voorwaarde om te worden uitgezonderd
van de verzekering voor de werknemersverzekeringen op grond van fictieve
dienstbetrekking. De zelfstandigheidsverklaring
geeft daarover slechts op voorhand duidelijkheid. rblz.|5|
Degene die arbeid
als zelfstandige verricht, blijft dus ook zonder zelfstandigheidsverklaring
buiten de werknemersverzekeringen.
De
zelfstandigheidsverklaring geldt in beginsel voor alle arbeidsrelaties die gedurende de
geldigheidsduur van de beschikking worden aangegaan. Wel dient de aanvrager
van de zelfstandigheidsverklaring een omschrijving te geven van
de door hem als zelfstandige te verrichten arbeid. Indien de
daadwerkelijk te verrichten arbeid in betekenende mate afwijkt van de bij de
aanvraag omschreven arbeid, kunnen de betrokkene en zijn opdrachtgevers
aan de beschikking geen rechten ontlenen. Degene die voor zijn arbeid als
interimmanager een zelfstandigheidsverklaring heeft verkregen, kan zich
derhalve niet daarop beroepen indien hij andersoortige werkzaamheden,
bijvoorbeeld als journalist, gaat verrichten. Hij kan wel ook voor de andersoortige arbeid een zelfstandigheidsverklaring
aanvragen.
Bij de aanvraag geeft de
betrokkene aan voor welke duur een zelfstandigheidsverklaring wordt aangevraagd.
Gedurende deze periode is hij in beginsel niet verzekerd
voor de ZW, de
WAO en de WW. Tijdens de looptijd van de
zelfstandigheidsverklaring kan uitsluitend bij het tot stand komen van een feitelijke
dienstbetrekking verzekering op grond van deze wetten ontstaan. De
zelfstandigheidsverklaring heeft een maximumduur van twee jaar. Bij
regeling van de Minister van Financiën in overeenstemming met de
Minister
van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal voor bepaalde categorieën
zelfstandigen een kortere maximale geldigheidsduur worden vastgesteld. In
deze regeling wordt in ieder geval een kortere maximumduur bepaald voor
de zelfstandigheidsverklaringen voor personen die bij de
aanvraag nog in de startfase verkeren. Bij startende zelfstandigen is in het
algemeen de onzekerheid over de feitelijke omstandigheden waaronder de arbeid zal
worden verricht nog zo groot dat de periode waarin de
zelfstandigheid wordt aangenomen niet te lang mag zijn. De afloopdatum van
de zelfstandigheidsverklaring wordt afgestemd op de beschikking
arbeidsrelatie op grond van artikel 3.156 van de Wet
IB 2001.
Een verzekering voor de
werknemersverzekeringen ontstaat van rechtswege. Bepalend daarvoor zijn de
feitelijke omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht.
Dit wetsvoorstel maakt een beperkte inbreuk op deze systematiek. Voor
arbeidsrelaties die tijdens de geldigheidsduur van de
zelfstandigheidsverklaring worden aangegaan, wordt immers uitgegaan van zelfstandigheid,
tenzij sprake is van een arbeidsovereenkomst. De regering acht deze
inbreuk noodzakelijk vanuit het doel om meer rechtszekerheid voor
ZZP-ers en hun opdrachtgevers te creëren. Van belang is dat de kern van
de kring van verzekerden voor de werknemersverzekeringen, de verzekerden op grond
van een feitelijke dienstbetrekking, door dit wetsvoorstel
niet wordt aangetast.
3. Uitvoering en
handhaving
Het Lisv
verstrekt, als
uitvoerder van de WAZ, de zelfstandigheidsverklaringen. Een finale bevoegdheid
van het Lisv is van belang, nu de zelfstandigheidsverklaring - onder meer
- uitsluiting van fictieve dienstbetrekkingen van de verzekeringsplicht
voor de werknemersverzekeringen tot gevolg heeft. Over de beloning van de persoon aan wie een zelfstandigheidsverklaring
is verstrekt, behoeft het
Lisv geen premies vast te stellen, tenzij
betrokkene zijn arbeid verricht op grond van een arbeidsovereenkomst. Bij
arbeidsongeschiktheid
of werkloosheid ontstaan uit de arbeid waarvoor een
zelfstandigheidsverklaring is verstrekt, bestaat geen aanspraak op een
uitkering op grond van de werknemersverzekeringen.
rblz.|6|
De
zelfstandigheidsverklaring wordt via de belastingdienst
aangevraagd,
al dan niet gecombineerd
met de aanvraag van een beschikking arbeidsrelatie op grond van artikel
3.156 van de Wet
IB 2001. De aanvrager verstrekt de voor de
beoordeling van zijn zelfstandigheid benodigde gegevens aan de belastingdienst.
De belastingdienst beoordeelt de fiscale status van het inkomen
van de aanvrager op basis van deze gegevens en verklaart aan het Lisv
of
dat inkomen wordt aangemerkt als winst uit onderneming, als
resultaat uit overige werkzaamheden of loon uit dienstbetrekking. Indien het inkomen van de
aanvrager wordt aangemerkt als winst uit onderneming,
verstrekt het Lisv een zelfstandigheidsverklaring. Wanneer het Lisv vragen
heeft over de verklaring omtrent de zelfstandigheid van de aanvrager, zal hij
hierover met de belastingdienst in overleg treden. In de
samenwerkingsovereenkomst over de uitvoering van de WAZ
leggen het Lisv en
de belastingdienst de wederzijdse informatieverstrekking in dit kader vast.
Het oordeel van de
belastingdienst over het fiscale ondernemerschap is uiteindelijk
doorslaggevend. Hiermee is verzekerd dat beide uitvoeringsorganen te allen tijde tot een
zelfde conclusie komen over de zelfstandigheid van de aanvrager.
De
zelfstandigheidsverklaring kan niet worden gewijzigd of ingetrokken. In het wetsvoorstel zoals
dat voor advies aan de Raad van State was gezonden, was nog wel
voorzien in een bevoegdheid van het Lisv tot wijziging of intrekking
van de beschikking. De Raad wijst er in zijn advies op dat de praktische
betekenis van de zelfstandigheidsverklaring sterk afneemt indien
opdrachtgevers daar niet volledig op kunnen afgaan. De Raad adviseert daarom de
mogelijkheid van intrekken of herzien achterwege te laten, tenzij een
eenvoudig en kosteloos te raadplegen, dagelijks te actualiseren, register
van intrekkings- of herzieningsbesluiten wordt ingericht. Naar
aanleiding van dit advies is besloten om af te zien van een bevoegdheid van het Lisv
om zelfstandigheidsverklaringen te wijzigen of in te trekken. Daarbij is
overwogen dat de mogelijkheid van intrekking van de
zelfstandigheidsverklaring afbreuk doet aan één van de hoofddoelen van het wetsvoorstel, het
vergroten van de rechtszekerheid. Opdrachtgevers behoren gedurende de
volledige looptijd te kunnen vertrouwen op de geldigheid van de
zelfstandigheidsverklaring.
De beschikking
arbeidsrelatie op grond van artikel 3.156 van de Wet
IB 2001 kan wel worden
gewijzigd of ingetrokken. Indien achteraf wordt vastgesteld dat degene
aan wie een beschikking is afgegeven werkzaam was in een
dienstbetrekking, is de opdrachtgever (in casu de werkgever) beschermd doordat de
loonbelasting niet bij hem wordt ingevorderd, maar bij de werknemer.
Een wijziging of intrekking van de beschikking arbeidsrelatie heeft geen
gevolgen voor de geldigheid van de zelfstandigheidsverklaring.
Tegen een beschikking van
het Lisv inzake zelfstandigheid in de zin van de WAZ kan de betrokkene bezwaar maken. Indien het Lisv de beschikking
ondanks het bezwaar
handhaaft, kan betrokkene in beroep gaan bij de rechtbank en - eventueel
- in hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep. Tegen uitspraken
van de Centrale Raad van Beroep over zelfstandigheid in de zin van de WAZ kan
beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad geeft daarmee
het eindoordeel over zowel het fiscale ondernemersbegrip als
over het zelfstandigheidsbegrip in de sociale verzekeringen.
Het
Lisv is verzocht een
concept voor dit wetsvoorstel op uitvoeringsaspecten te becommentariëren.
Naar aanleiding van het commentaar van het Lisv is duidelijker
aangegeven dat de kwalificatie van het inkomen door de belastingdienst
doorslaggevend is voor het besluit om een zelfstandigheidsverklaring
te verstrekken. Hiermee is tegemoet gekomen rblz.|7|
aan het bezwaar dat het
Lisv genoodzaakt is om, na de belastingdienst, op eigen gronden een
beoordeling uit te voeren. Verder is voor de duur van de
zelfstandigheidsverklaring volledig aangesloten bij de regeling van de beschikking
arbeidsrelatie in artikel 3.156 van de Wet
IB 2001. De regeling van de verkorte
maximumtermijn door de Minister van Financiën, in overeenstemming met de
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wordt - overeenkomstig
het commentaar - bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van deze wet.
Naast het
uitvoeringstechnisch commentaar presenteert het Lisv
- op beleidsmatige
overwegingen - een alternatief voor de in dit wetsvoorstel opgenomen regeling. In
dit alternatief verstrekt niet het Lisv, maar de belastingdienst
de
beschikking over zelfstandigheid in de zin van de WAZ
en de
werknemersverzekeringen. Deze beschikking leidt gedurende de looptijd tot een
volledige uitsluiting van verzekering voor de werknemersverzekeringen.
Het Lisv noemt als
voordeel van zijn alternatieve voorstel dat geen discoördinatie optreedt
tussen fiscus en werknemersverzekeringen. Verder zou het
alternatief de beoogde doelstelling van het wetsvoorstel, rechtszekerheid met
betrekking tot de verzekeringsplicht van de door opdrachtnemers te
verrichten arbeid, beter realiseren.
Naar het oordeel van de
regering heeft het voorstel van het Lisv - ten opzichte van het
onderhavige wetsvoorstel - slechts beperkte voordelen, die niet opwegen tegen de
daaraan verbonden nadelen. Ook in het onderhavige wetsvoorstel is
discoördinatie tussen de beoordeling door het Lisv en de belastingdienst
over de zelfstandigheid van de aanvrager uitgesloten. Het Lisv volgt immers de
verklaring van de belastingdienst omtrent de fiscale status
van het inkomen van de aanvrager. De regering acht het daarbij van belang dat het voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen
en de WAZ
verantwoordelijke orgaan, het Lisv, betrokken blijft bij de
afgifte van beschikkingen over de verzekeringsplicht voor genoemde sociale
verzekeringen.
Het wetsvoorstel creëert
zekerheid voor de aanvrager en diens opdrachtgevers over de zelfstandigheid
van eerstgenoemde. Het biedt een oplossing voor de door de werkgroep
HOZ geconstateerde problematiek, zonder inbreuk te maken
op de kern van de kring van verzekerden voor de werknemersverzekeringen,
de werknemers in loondienst. De extra zekerheid die het alternatief van
het Lisv biedt, maakt een vergaande inbreuk op het uitgangspunt dat
de verzekeringsplicht wordt ontleend aan de feitelijke omstandigheden
van de arbeidsrelatie. Personen aan wie een zelfstandigheidsverklaring
is verstrekt, kunnen volledig buiten de werknemersverzekeringen opereren. Daarmee kunnen
zij hun arbeid goedkoper aanbieden, ook als werknemer in loondienst. Dit kan ertoe leiden
dat op werknemers druk
wordt uitgeoefend om een zelfstandigheidsverklaring te bemachtigen, ook als
van feitelijke zelfstandigheid geen sprake is. Uiteindelijk kunnen hierdoor risico’s ontstaan voor het draagvlak
van de
werknemersverzekeringen.
De regering heeft er
bewust voor gekozen de kern van de kring van verzekerden voor de werknemersverzekeringen, de werknemers in loondienst,
niet aan te tasten. Het
wetsvoorstel maakt daarom onderscheid tussen de feitelijke
dienstbetrekking (arbeidsovereenkomst) en de fictieve dienstbetrekking. Een
feitelijke
dienstbetrekking leidt onverkort tot verzekering voor de
werknemersverzekeringen, ook al is eerder een zelfstandigheidsverklaring
afgegeven.
Het alternatief van het
Lisv biedt ten slotte geen soelaas voor personen die soortgelijke
werkzaamheden deels als ondernemer verrichten en deels als werknemer in een
dienstbetrekking. De bescherming tegen sociale risico’s die deze
"hybride"
ondernemers aan de werknemersverzekeringen ontlenen, valt in dit
alternatief weg. Dit is bij uitstek nadelig voor startende rblz.|8|
ondernemers, die vanwege
de behoefte aan inkomenszekerheid hun dienstbetrekking veelal
nog enige tijd aanhouden.
Het
College van toezicht
sociale verzekeringen (Ctsv) stelt in zijn commentaar op het wetsontwerp dat de
voorgestelde koppeling van de verzekeringsplicht aan
het fiscale ondernemersbegrip onbedoeld een keuzemogelijkheid
introduceert voor het al dan niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen.
Het ruime ondernemersbegrip zou, volgens het Ctsv, kunnen leiden
tot oneigenlijk gebruik van deze verzekeringen. Het Ctsv wijst er daarbij
op dat zijn toezichtstaak niet mede omvat de beoordeling van de arbeidsrelatie door de
belastingdienst. Ook het Lisv
stelt in zijn commentaar
dat belastingplichtigen kunnen sturen in de kwalificatie van het inkomen als winst
uit onderneming. Door de in dit wetsvoorstel gekozen structuur is,
aldus het Lisv, de kwalificatie van het inkomen van belang
voor de beoordeling van de verzekeringsplicht voor de WAZ.
Bij de invoering van de
WAZ in 1998 is al besloten om degenen die winst uit onderneming genieten
aan te merken als zelfstandigen op grond van de WAZ. Daarbij is
vastgesteld dat het niet bezwaarlijk is om voor de regeling van de
verzekeringsplicht aan te sluiten bij het fiscale begrippenapparaat. Een keuzemogelijkheid
met
betrekking tot het ondernemerschap, respectievelijk het
werknemerschap, ligt daarin niet besloten. Op de wetstoepassing door de
belastingdienst wordt toegezien door de Staatssecretaris van
Financiën. Dit toezicht omvat mede de taken van de belastingdienst ten
behoeve van de uitvoering van de WAZ. Het besluit van het Lisv op grond van
de verklaring van de belastingdienst valt onder het toezicht van het
Ctsv.
4. Financiële aspecten
Het wetsvoorstel beoogt
geen wijziging aan te brengen in de verhouding tussen de kring van
verzekerden voor de werknemersverzekeringen en die van de WAZ. Arbeid
verricht in het kader van een dienstbetrekking blijft verzekerd ingevolge de
werknemersverzekeringen. Degene die arbeid als zelfstandige verricht, is
en blijft verzekerd ingevolge de WAZ. Het wetsvoorstel brengt ook geen wijziging
aan in de criteria voor zelfstandigheid in de zin van de WAZ. Wel
zal de mogelijkheid om over de zelfstandigheid van de opdrachtnemer
vooraf duidelijkheid te verkrijgen opdrachtgevers stimuleren om meer
opdrachten aan ZZP-ers te gunnen. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor
ondernemerschap.
Ook zal de uitsluiting
van personen aan wie een zelfstandigheidsverklaring is gegeven van de
verzekering op grond van een fictieve dienstbetrekking enige
afname van het aantal verzekerden voor de werknemersverzekeringen tot gevolg hebben,
alsmede een evenredige toename van het aantal
verzekerden voor de WAZ. Op basis van de bestaande gegevens valt
niet te becijferen in welke mate dit wetsvoorstel leidt tot een toename van
de premiegrondslag van de WAZ, respectievelijk een afname van de
premieloonsom voor de werknemersverzekeringen. Gelet op het feit dat het
overgrote deel van de verzekerde werknemers werkzaam is in een
(feitelijke) dienstbetrekking, is het effect van dit wetsvoorstel op het draagvlak van de
sociale verzekeringen naar verwachting beperkt.
De ontwikkeling van de
premiegrondslagen van de sociale verzekeringen zal worden onderzocht.
De verstrekking door het
Lisv van beschikkingen over zelfstandigheid leidt in eerste instantie
tot extra uitvoeringskosten in het kader van de WAZ. Nu de
uitvoeringsinstellingen geen zelfstandig feitenonderzoek behoeven in te stellen,
zullen de kosten per aanvraag relatief gering zijn. Van het aantal aanvragen
is op voorhand geen goede schatting te maken.
rblz.|9|
Het
EIM schat het aantal
ZZP-ers werkzaam in sectoren waarin de problematiek van de afbakening tussen
zelfstandigen en werknemers een rol speelt op maximaal 100
000. Een onbekend deel hiervan zal echter geen behoefte hebben aan een
zelfstandigheidsverklaring, omdat zij thans ook al probleemloos als zelfstandige wordt aangemerkt.
De vooraf te verstrekken
duidelijkheid over de juridische status van de arbeidsrelatie zal, in
combinatie met de harmonisatie van het zelfstandigheidsbegrip in de fiscale en de
sociale wetgeving en in de uitvoeringspraktijk, naar verwachting leiden
tot een daling van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures over de
verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. De voor deze procedures
te maken uitvoeringskosten zullen in dat geval afnemen. Het is
op voorhand niet mogelijk een verantwoorde raming te maken van het
effect dat dit wetsvoorstel per saldo heeft op de uitvoeringskosten voor de
sociale verzekeringen. Dit effect zal worden onderzocht.
De regering gaat ervan
uit dat het wetsvoorstel een afname van de administratieve lasten voor burgers en
bedrijven tot gevolg heeft. Dit is ook de conclusie van het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal). De lastendaling is het
gevolg van het tot stand brengen van een eenduidige procedure voor de beoordeling van zelfstandigheid, waarmee voor een
periode van (maximaal)
twee jaar zekerheid over de juridische status kan worden verkregen en van
de afstemming van het zelfstandigheidsbegrip in de sociale verzekeringen op de fiscale criteria.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I. Wijziging Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Het
Lisv is gehouden aan
de verondersteld zelfstandige, in de zin van artikel 4 van de
WAZ, een
beschikking te geven inzake diens status in een door hem geschetste
arbeidssituatie (een zogenaamde zelfstandigheidsverklaring). Bepalend voor deze status
is of het inkomen dat de betrokkene met de bij de aanvraag
aangegeven arbeid zal gaan genieten, wordt aangemerkt als winst uit
onderneming. De belastingdienst, bij wie de aanvraag moet worden
ingediend, geeft het Lisv een verklaring over de fiscale status van dat
inkomen.
Het
Lisv dient de
beschikking binnen een redelijke termijn (acht weken) af te geven. Dit volgt uit
artikel 95 van de WAZ.
Artikel
II. Wijziging
Werkloosheidswet [zie
toelichting op art. IV, red.]
Artikel
III. Wijziging
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering [zie
toelichting op art. IV, red.]
Artikel
IV. Wijziging
Ziektewet
Onderdeel A
Met de hierbij
voorgestelde wijziging in artikel 4, eerste lid, onderdeel
a, van de WW, WAO en
ZW
wordt bereikt dat geen sprake is van een dienstbetrekking op grond van dat
onderdeel als sprake is van zelfstandigheid in de zin van artikel 4 van
de WAZ. In artikel 8 van het
Besluit van 24 december 1986 houdende
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 5 van de
Ziektewet en artikel 5 van de Werkloosheidswet
rblz.|10|
(Besluit aanwijzing gevallen waarin
arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd) (Stb.
1986, 655) zal de zinsnede "in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep" op overeenkomstige wijze worden vervangen.
Datzelfde geldt voor artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de
Regeling de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 23
december 1986, nr. SZ/SVW/86/10 693, houdende aanwijzing als werkgever
en uitzondering verzekeringsplicht werknemersverzekeringen (Stcrt.
1986, 238 [251, red.]).
Met de wijziging van
artikel 4, tweede lid, van de WW,
WAO en ZW wordt bereikt dat geen sprake
is van een dienstbetrekking op grond van artikel
4, eerste lid, onderdeel a
en b, indien de betrokkene beschikt over een geldende beschikking op
grond van het voorgestelde artikel 4a
van de WAZ, die inhoudt dat hij zelfstandige is als bedoeld in
artikel 4 van die wet
(zelfstandigheidsverklaring).
Dit geldt ook als achteraf blijkt dat betrokkene geen zelfstandige was als
bedoeld in artikel 4 van de WAZ. De beschikking wordt immers niet herzien
of ingetrokken. Voornoemd besluit en voornoemde regeling zullen
overeenkomstig worden aangepast.
Onderdeel B
Op grond van
artikel 3
van de ZW, de WW en de
WAO is degene die werkzaam is in een
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking verplicht verzekerd. Op
deze regel worden een aantal uitzonderingen gemaakt. Zo wordt onder
andere niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsrelatie van de
persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet. Het
gaat hierbij om ministers en staatssecretarissen. De reden voor deze
uitzondering is dat deze politieke ambtsdragers een beroep kunnen doen op
de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA). De APPA biedt een
toereikende voorziening tegen het risico van loonderving
wegens werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Omdat een combinatie van
wettelijke regelingen tegen hetzelfde risico onwenselijk wordt geacht,
zijn zij uitgesloten van verzekering voor de ZW, de
WW en de
WAO. Om
dezelfde reden zijn ministers en staatssecretarissen eveneens uitgesloten van
WAZ-verzekering. Dit is geregeld in het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden WAZ.
De
Nationale ombudsman en
de substituut-ombudsman zijn eveneens werkzaam op grond van een publiekrechtelijke dienstbetrekking en
daarmee verzekerd voor de ZW, de WW
en de
WAO. In de Wet
Nationale ombudsman is echter
geregeld dat de bepalingen van de APPA
van overeenkomstige toepassing zijn op de
(substituut-)ombudsman.
Voor de toepassing van de APPA
wordt de (substituut-)ombudsman gelijkgesteld met een lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal. Zonder nadere regeling is dus ook de (substituut-)ombudsman
op grond van twee wettelijke regelingen verzekerd
tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Gezien
het uitgangspunt dat een combinatie van wettelijke regelingen
tegen hetzelfde risico onwenselijk wordt geacht, wordt de (substituut-)ombudsman uitgesloten van verzekering op grond van de ZW, de WW en
de WAO. Dit wordt vormgegeven op dezelfde wijze als dit voor ministers en staatssecretarissen is gedaan,
namelijk door de
arbeidsrelatie van de ombudsman niet langer te beschouwen als
dienstbetrekking. Door deze wijziging zal de ombudsman, in beginsel, tot de
doelgroep van de WAZ gaan behoren. Om, eveneens ongewenste, samenloop met
de WAZ te voorkomen, zal het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden WAZ worden gewijzigd.
rblz.|11|
Artikel
V.
Inwerkingtreding [zie
art. IX van de wet,
red.]
Met uitzondering van de
onderdelen B van de artikelen II, III en
IV treedt deze wet in werking op
een bij koninklijk besluit te bepalen datum. In het kabinetsstandpunt inzake
het rapport van de werkgroep HOZ was uitgegaan van inwerkingtreding per
1 januari 2001, gelijk met de afgifte van de beschikkingen
arbeidsrelatie door de belastingdienst op grond van artikel 3.156
Wet IB 2001. Dit is
echter niet haalbaar gebleken. De regering is van oordeel dat de periode
waarin wel een beschikking over de fiscale status kan worden verkregen,
maar nog geen beschikking over zelfstandigheid op grond van de WAZ, zo
kort mogelijk dient te zijn. Zij heeft het vaste voornemen deze wet per 1
juli 2001 in werking te laten treden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|