|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1998-1999, 1999-2000, 2000-2001, 26 523.
Handelingen II 2000-2001, blz. 2818.
Kamerstukken I 2000-2001, 26 523 (151, 151a, 151b, 151c); 2001-2002, 26
523 (72, 72a).
Handelingen I 2001-2002, zie vergadering d.d. 22 januari 2002.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 24 januari 2002, Stb.
2002, 53, tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht en enkele
aanverwante wetten naar aanleiding van de evaluatie van de Algemene wet
bestuursrecht (Eerste evaluatiewet Awb). Inwerkingtreding: 1
april 2002, zie artikel VIII.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
naar aanleiding van de evaluatie van de Algemene wet
bestuursrecht wenselijk is
gebleken de Algemene wet bestuursrecht en enkele aanverwante wetten op
een aantal punten te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
[MvT]
De Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 4:11, onderdeel b,
komt te luiden:
b. de belanghebbende reeds
eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
voorgedaan; of.
B. [MvT]
In artikel 4:13, tweede lid,
wordt na "artikel 4:14" ingevoegd: , derde lid,.
C. [MvT]
Artikel 4:14 wordt gewijzigd
als volgt:
1. De bestaande tekst wordt
aangeduid als derde lid.
2. Voor het derde lid worden
een eerste en tweede lid ingevoegd, luidende:
-1. Indien een beschikking
niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden
gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt
het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij
wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.
D. [MvT]
In artikel 4:35, tweede lid,
onderdeel a, wordt "zouden" vervangen door: zou.
E. [MvT]
Artikel 6:15, derde lid,
komt te luiden:
-3. Het tijdstip van
indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het
bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van
kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
F. [MvT]
Artikel 7:13, tweede lid,
komt te luiden:
-2. Indien een commissie over
het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo
spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.
G. [MvT]
Artikel 8:5 wordt gewijzigd
als volgt:
1. Voor de bestaande tekst
wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Toegevoegd wordt een
tweede lid, luidende:
-2. Bij een wijziging van de
bijlage blijft de bijlage zoals deze luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van de wijziging van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid
om beroep in te stellen tegen een besluit dat vóór dat tijdstip is
bekendgemaakt.
H. [MvT]
Artikel 8:7, eerste lid,
komt te luiden:
-1. Indien beroep wordt
ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een
gemeente, een waterschap of een regio als bedoeld in artikel 21 van de
Politiewet 1993 dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan
of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met
toepassing van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, is de rechtbank
binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd.
I. [MvT]
Artikel 8:13 wordt gewijzigd
als volgt:
1. Aan het eerste lid wordt
een volzin toegevoegd, luidende: Zij kan een bij haar aanhangig gemaakte
zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank indien
naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van
die zaak door een andere rechtbank gewenst is.
2. In het tweede lid wordt "daartoe" vervangen door: tot verwijzing.
J. [MvT]
Artikel 8:18 wordt gewijzigd
als volgt:
1. In het eerste lid wordt
na "zo spoedig mogelijk" ingevoegd: ter zitting.
2. In het derde lid wordt na
de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende: De rechtbank
spreekt de beslissing in het openbaar uit.
K. [MvT]
Aan artikel 8:29, vijfde
lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien de toestemming wordt
geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
L. [MvT]
Aan artikel 8:72, vijfde
lid, wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd:
alsmede zo nodig een voorlopige voorziening treffen. In het laatste
geval bepaalt de rechtbank het tijdstip waarop de voorlopige voorziening
vervalt.
M. [MvT]
Na artikel 8:73 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 8:73a.
-1. In geval van intrekking
van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan
de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank, op verzoek
van de indiener, de door haar aangewezen rechtspersoon bij
afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 veroordelen tot
vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Het verzoek wordt
gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet
is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
-2. De rechtbank stelt de
verzoeker zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te
lichten en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een
verweerschrift in te dienen. Zij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het
verzoek
mondeling wordt gedaan, kan de rechtbank bepalen dat het toelichten
van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk mondeling
geschieden.
-3. Indien het toelichten van
het verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied,
sluit de rechtbank het onderzoek. In de overige gevallen zijn de afdelingen
8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.
N. [MvT]
Artikel 8:75a wordt
gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. Artikel 8:73a, tweede en
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het derde lid vervalt.
O. [MvT]
Aan artikel 8:81 wordt een
vijfde lid toegevoegd, luidende:
-5. Indien een verzoek om
voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt
beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de verzoeker in de
gelegenheid gesteld beroep bij de rechtbank in te stellen. Het verzoek om
voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan
hangende het beroep bij de rechtbank.
P. [MvT]
De bijlage wordt gewijzigd
als volgt:
1. Het opschrift van
onderdeel B komt te luiden: B. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
2. Onderdeel I vervalt.¹
1. Ingevolge artikel 25,
tweede lid, van de Bankwet 1998
(Stb. 1998, 200) is het bij artikel
25, eerste lid, van die wet ingevoegde onderdeel I van de bijlage
vóór inwerkingtreding van die wet komen te vervallen, zodat volgens de
redactie onderdeel P, onder 2, alsmede de aanduiding
"1." dienen te vervallen.
Art. II.
[MvT]
In artikel 39a, tweede lid,
van de Wet op
de Raad van State wordt "Artikel
8:75a" vervangen
door: Artikel 8:73a.
Art. III.
[MvT]
De Beroepswet wordt
gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 21a, tweede lid,
wordt "Artikel 8:75a" vervangen door:
Artikel 8:73a.
B.
[MvT]
In titel III wordt voor
artikel 29 een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 28a.
Bij een wijziging van de
bijlage die bij deze wet behoort, blijft de bijlage zoals deze luidde
vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van toepassing ten aanzien
van:
a. de mogelijkheid om hoger
beroep in te stellen tegen een uitspraak die vóór dat tijdstip is
gedaan;
b. de in artikel 19 bedoelde
gevolgen van dat hoger beroep;
c. de hoogte van het
griffierecht bij hoger beroep tegen een uitspraak inzake een besluit als
bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel
a, onder 1º, dat vóór dat tijdstip
is bekendgemaakt.
C.
[MvT]
De
bijlage wordt gewijzigd
als volgt:
1. Onderdeel A wordt
gewijzigd als volgt:
a. In onderdeel 6 wordt "- de artikelen 38, 39, tweede lid, 43,
43a, 153, tweede lid, en 173 van de Wet
op het voortgezet onderwijs," vervangen door: - de artikelen
38a,
153, tweede lid, en 173 van de Wet
op het voortgezet onderwijs,.
b. In onderdeel 6 wordt na "- de artikelen 2.45 en 2.46 van de Wet op
het cursorisch beroepsonderwijs," ingevoegd: - de artikelen 4.1.2, 4.1.4 en
4.3.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs,.
c. Na onderdeel 6 wordt een
onderdeel 6a ingevoegd, luidende:
6a. Artikel B2 van de Wet
van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het
basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs en de Wet
op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding
(regeling schoolbegeleiding) (Stb. 1997, 252) en artikel 13 van de
Wet
subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in samenhang met de in
onderdeel 6 bedoelde algemene maatregelen van bestuur, voor zover het
besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen dan wel Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij betreft.
2. In onderdeel B wordt na
onderdeel 18 een onderdeel 19 toegevoegd, luidende:
19. Uitkeringswet
KNIL-beroepsmilitairen.
3. Onderdeel C wordt
gewijzigd als volgt:
a. Na onderdeel 3b wordt een
onderdeel 3c ingevoegd, luidende:
3c. Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
b. Na onderdeel 8 worden de
onderdelen 8a, 8b en 8c, ingevoegd, luidende:
8a. Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, voor zover het besluiten van Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan wel Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreft.
8b. Tijdelijk besluit ziekte
en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, voor
zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen dan wel Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij betreft.
8c. Artikel B2 van de Wet
van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het
basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs en de Wet
op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding
(regeling schoolbegeleiding) (Stb. 1997, 252) en artikel 13 van de
Wet
subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in samenhang met de onder
8a
en 8b bedoelde algemene maatregelen van bestuur, voor zover het
besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dan wel Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij betreft.
c. Het tweede onderdeel 24a (Wet inkomensvoorziening
kunstenaars) wordt vernummerd tot 24b.
Art. IV.
[MvT]
De Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
In artikel 20 wordt, onder
vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid, een lid
ingevoegd, luidende:
-2. Bij een wijziging van de
bijlage blijft de bijlage zoals deze luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van de wijziging van toepassing ten aanzien van de mogelijkheid
om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak die vóór dat
tijdstip is gedaan.
B. [MvT]
In artikel 23, tweede lid,
wordt "Artikel
8:75a" vervangen
door: Artikel 8:73a.
C.
Artikel 24 wordt gewijzigd
als volgt:
1. Het tweede lid wordt
gewijzigd als volgt:
a. In onderdeel a wordt "ƒ300,00" vervangen door:
ƒ340,00.
b. In onderdeel b wordt "ƒ600,00" vervangen door:
ƒ675,00.
2. In het derde lid wordt "ƒ600,00" vervangen door:
ƒ675,00.
Art. V.
[MvT]
De Algemene
wet inzake rijksbelastingen wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
Artikel 27b, eerste lid,
onderdeel c, komt te luiden:
c. ƒ450,00 indien anders dan
door een natuurlijk persoon beroep is ingesteld.
B. [MvT]
Artikel 29a wordt gewijzigd
als volgt:
1. Het tweede lid wordt
gewijzigd als volgt:
a. In onderdeel a wordt "ƒ160,00" vervangen door:
ƒ170,00.
b. In onderdeel b wordt "ƒ315,00" vervangen door:
ƒ340,00.
c. In onderdeel c wordt "ƒ630,00" vervangen door:
ƒ675,00.
2. In het derde lid wordt "ƒ630,00" vervangen door:
ƒ675,00.
C. [MvT]
In artikel 29f, derde lid,
wordt "artikel
8:75a" vervangen
door: artikel 8:73a.
Art. VI.
[MvT]
De onderdelen h en i van
artikel 14 van de Wet
Nationale ombudsman komen te luiden:
h. ten aanzien van de
gedraging anders dan ingevolge een wettelijk geregelde
administratiefrechtelijke voorziening door een rechterlijke instantie uitspraak is
gedaan;
i. niet is voldaan aan het
vereiste van artikel 12, tweede lid, tenzij van de verzoeker redelijkerwijs
niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de behandeling van de
klacht door het bestuursorgaan verder afwacht;.
Art. VII.
-1. Ten aanzien van de
doorzending van een bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat vóór
de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft
artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht zoals dat
luidde vóór dat tijdstip van toepassing.
-2. Ten aanzien van de
bevoegdheid van de rechtbank inzake een beroep tegen een besluit dat
vóór
de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft artikel
8:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
zoals dat
luidde vóór dat tijdstip van toepassing.
-3. Indien op de dag waarop
deze wet in werking treedt een griffierecht verschuldigd of voldaan is,
blijft hierop het oude recht van toepassing.
Art.
VIII.*
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij
wordt geplaatst, met uitzondering van artikel V, onderdeel
A, dat in
werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1
september 1999, en met uitzondering van artikel VI, dat in werking
treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 juli 1999.
* Gewijzigd ingevolge
artikel VI, onderdeel C, van de Wet van 12
december 2001, Stb. 2001, 664. Op grond van artikel 12,
tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet is de inwerkingtreding van artikel
VI opgeschort. Artikel VI treedt in werking met
ingang van 12 maart 2002.
[Redactie: het bovenstaande is een voetnoot van de wetgever.
Artikel VI, aanhef en onderdeel C, van de Wet van
12 december 2001, Stb. 2001, 664 luidt:
Indien het bij koninklijke boodschap van 10 mei 1999 ingediende voorstel
van wet houdende wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht en enkele aanverwante wetten naar aanleiding van de
evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (Eerste evaluatiewet Awb)
(Kamerstukken I 2000-2001, 26 523, nr. 151) tot wet wordt verheven en na
1 januari 2002 in werking treedt, wordt die wet als volgt gewijzigd:
(...)
C.
Artikel VIII komt te luiden:
Art. VIII.
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel VI,
dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van
het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerkt tot
en met 1 juli 1999.]
Art.
IX.
Deze wet wordt aangehaald als: Eerste evaluatiewet Awb.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
24 januari 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de twaalfde
februari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|