|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1998-1999, 26 523
Wijziging
van de Algemene wet
bestuursrecht en enkele aanverwante wetten naar aanleiding van de
evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (Eerste
evaluatiewet Awb)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
1.
Inleiding
Op
grond van artikel 9:1 (sedert 1 januari 1998 vernummerd tot
artikel 11:1) Awb bestond de verplichting om binnen drie jaren na de
inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een
verslag te zenden aan de
Staten-Generaal over de wijze waarop de Awb is toegepast. Dit verslag,
getiteld "Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 1994-1996",
is op 21 december 1996 aan de beide kamers der
Staten-Generaal aangeboden.
Dit verslag was opgesteld
door de Commissie evaluatie Algemene wet bestuursrecht (hierna: de
Commissie), onder voorzitterschap van oud-staatsraad mr. J.M.
Polak. Naast een grondige analyse van de werkwijze van de Awb op
diverse deelterreinen van het bestuursrecht heeft de Commissie ook
veel aanbevelingen gedaan, die gericht waren aan de rechter, het
bestuur en de wetgever.
In het kabinetsstandpunt
over de evaluatie van de Awb, dat op 18 februari 1998 aan de
Staten-Generaal is aangeboden (Kamerstukken II 1997-1998, 25 600 VI, nr. 46), heeft
het vorige kabinet zijn reactie gegeven op de analyse en de
aanbevelingen van de Commissie. Het kabinetsstandpunt is op 9 september 1998
besproken in een algemeen overleg met de leden van de Vaste Commissie
voor Justitie. In het kabinetsstandpunt is gemotiveerd aangegeven
welke aanbevelingen al dan niet zouden worden overgenomen. De
aanbevelingen aan de wetgever die zijn overgenomen, vallen uiteen in een
tweetal categorieën. De ene categorie omvat voornemens die nader
onderzoek of overleg vergen, dan wel waarvan de uitvoering anderszins
meer tijd neemt; te denken valt aan de samenvoeging van afdeling 3.4 en
3.5
of de mogelijkheid van prorogatie. Voor een overzicht van de
wetsvoorstellen die daarmee gemoeid zijn, verwijzen wij naar het overzicht
dat op 25 augustus 1998 aan de Tweede Kamer is toegezonden (Kamerstukken
II 1997-1998, 26 024, nr. 11). De andere categorie omvat enkele relatief
technische en algemeen wenselijk geachte kleine wijzigingen en aanvullingen van de Awb.
Dit wetsvoorstel heeft betrekking
op laatstgenoemde
categorie. Daarnaast hebben wij in dit wetsvoorstel rblz.|2|
technische wijzigingen
opgenomen waarvan de noodzaak op andere wijze onder onze aandacht
is gebracht.
De opbouw van deze
toelichting is als volgt. Na deze inleiding geven wij een beknopte opsomming
van de inhoudelijke wijzigingen, vervolgens wordt aangegeven hoe het
wetsvoorstel is voorbereid, alvorens over te gaan tot de
artikelsgewijze toelichting.
2. Inhoud van de
wijzigingen
De in het wetsvoorstel
opgenomen wijzigingen en aanvullingen betreffen de volgende aspecten:
- versoepeling van de
hoorplicht met het oog op gevallen waarin vóór de aanvraag om de
beschikking reeds voldoende is gehoord en er zich geen nieuwe feiten of
omstandigheden hebben voorgedaan (artikel I, onderdeel
A; artikel 4:11 Awb);
- uitbreiding van de
gevallen van kennisgeving van termijnoverschrijding (onderdelen B en
C;
artikelen
4:13 en 4:14 Awb);
- verruiming van de
regeling inzake de tijdigheid van indiening van bezwaar- of
beroepschriften in geval van doorzending na indiening bij een onbevoegd orgaan
(onderdeel D [onderdeel E, red.]; artikel 6:15 Awb);
- creëren van meer
tijdsruimte voor bestuursorganen voor de beoordeling of een bezwaarschrift aan
een artikel-7:13-adviescommissie zal worden voorgelegd
(onderdeel E [onderdeel
F, red.]; artikel 7:13 Awb);
- opnemen van een
overgangsbepaling voor wijzigingen in de negatieve lijst (onderdeel
F [onderdeel
G, red.];
artikel 8:5 Awb);
- opname van
politieregio’s in het artikel dat de relatieve competentie van rechtbanken bepaald
voor besluiten van decentrale overheden (onderdeel
G [onderdeel
H, red.]; artikel 8:7 Awb);
- aanvulling van de
mogelijkheid tot verwijzing van een zaak naar een andere rechtbank (onderdeel
H [onderdeel
I, red.]; artikel 8:13 Awb);
- regeling van de
openbaarheid van de behandeling van en beslissing op wrakingsverzoeken (onderdeel
I [onderdeel
J, red.], artikel 8:18 Awb);
- de regeling van
verwijzing van een zaak naar een andere kamer in geval van een beroep op
geheimhouding van inlichtingen of stukken (onderdeel
J [onderdeel
K, red.], artikel 8:29 Awb);
- regeling van de
bevoegdheid voor de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen ingeval een uitspraak tot vernietiging
[leidt, red.] (onderdeel
K [onderdeel L, red.]; artikel 8:72 Awb);
- regeling van de
mogelijkheid van schadevergoeding bij intrekking van een beroep indien het
bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het
beroepschrift is tegemoet gekomen (onderdeel L en M [onderdeel
M en N, red.], artikelen
8:73a en 8:75a Awb);
- vereenvoudiging van
de mogelijkheid een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen (onderdeel
N [onderdeel O, red.]; artikel 8:81 Awb);
- aanpassingen in de Wet
op de Raad van State, de Beroepswet, de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en de Algemene
wet inzake rijksbelastingen in verband met wijziging schadevergoedingsartikelen (artikelen
II, III, onderdeel A, IV,
onderdeel B en artikel V);
- opname van een
overgangsregeling voor wijzigingen in de bijlage bij de
Beroepswet respectievelijk de
Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (artikel III, onderdeel B
en artikel IV, onderdeel A); en
- actualisering van de bijlage bij de
Beroepswet (artikel III, onderdeel
C).
3. Voorbereiding
wetsvoorstel
Vanuit de met
bestuursrechtspraak belaste colleges is medio 1997 een ad-hocklankbordgroep
gevormd, die nauw betrokken is geweest bij het opstellen van het
kabinetsstandpunt, in het bijzonder bij de beleidsvoornemens op het gebied van het
bestuursprocesrecht. In deze rblz.|3|
klankbordgroep is op 17
september 1998 ook een concept-voorstel van de Eerste evaluatiewet
Awb besproken. Tijdens die vergadering zijn waardevolle suggesties gedaan, die
dankbaar zijn verwerkt in het voorstel. Het concept-voorstel is
daarna op 28 september 1998 besproken in de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht (commissie-Scheltema). Het advies
van de commissie-Scheltema is verwerkt in de tekst van het voorstel en
de memorie van toelichting.
Artikelsgewijs
Artikel I
A
Ingevolge de
artikelen
4:7 en 4:8 is het bestuursorgaan verplicht in de primaire fase, dat wil
zeggen tijdens de voorbereiding van besluiten, de belanghebbende "in de
gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen" (de
zogenaamde
hoorplicht). Uitzonderingen op deze hoorplicht zijn geregeld in de artikelen
4:11 en 4:12, bijvoorbeeld voor (massale) financiële beschikkingen
en voor het geval dat de vereiste spoed zich tegen horen verzet.
Uit de evaluatie is
gebleken dat bestuursorganen in de praktijk belanghebbenden vaker in de gelegenheid
stellen hun mening te geven dan de Awb strikt genomen
voorschrijft. Het onderzoek "Gemeenten en de invoering van de Awb, tweede
meting" (SGBO [Onderzoeks- en Adviesbureau van de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten BV, red.], Gemeenten en de invoering van de Awb, tweede meting, ’s-Gravenhage
1997) constateert eveneens dat gemeentebesturen sedert
de invoering van de Awb bij kennelijk omstreden beschikkingen
vaker belanghebbenden daartoe de gelegenheid bieden. Ook
uit het onderzoek "De bestuurslasten en -baten van de Awb in
personeelsaangelegenheden van het Rijk" (P. Albers, W.J.M. Voermans,
B.W.N. de Waard, De bestuurslasten en -baten van de Awb in personeelsaangelegenheden van het
Rijk, Tilburg 1997) blijkt dat
men vaker in de
gelegenheid wordt gesteld zijn mening te geven dan op grond van de artikelen
4:7 en 4:8 strikt genomen nodig is. Vanuit een oogpunt van zorgvuldige
voorbereiding van besluitvorming is dit op zich niet onwenselijk. Het
gaat hier veelal om informeel contact c.q. informeel vooroverleg vóór er
formeel een aanvraag is ingediend, hetgeen derhalve niet kan worden beschouwd
als "horen" in de zin van de
artikelen 4:7 en 4:8. Na de indiening van
een aanvraag wordt dan ook nog de formele "zienswijzeprocedure"
gevolgd, omdat de tekst van de artikelen 4:7 en
4:8 geen ruimte lijkt te
laten voor de redenering dat het horen al vóór de indiening van de aanvraag
heeft plaatsgevonden. Inhoudelijk is daarentegen wel reeds voldaan aan de
bedoelingen van de wetgever. Dergelijke doublures zijn
inefficiënt en moeten naar onze mening zoveel mogelijk worden vermeden (zie ook
het kabinetsstandpunt: blz. 14 en 15). Ook de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) is deze mening toegedaan (brief van 18 juni 1997,
nr. AJZ/703 466).
Dit onderdeel wijzigt
artikel 4:11 zodanig dat het ook geldt in situaties waarin vóór de formele
indiening van een aanvraag om een beschikking reeds gehoord is. In dat
geval vervalt de hoorplicht na de indiening van de aanvraag. De
belanghebbende moet dan wel bij die eerdere gelegenheid zijn zienswijze voldoende
naar voren hebben kunnen brengen. Wij willen benadrukken dat deze
versoepeling van de hoorplicht uitdrukkelijk wel op het bestuursorgaan de
verantwoordelijkheid legt om na te gaan of het informele contact c.q.
het vooroverleg inderdaad inhoudelijk heeft voldaan aan de strekking
van de hoorplicht. Alleen dan is sprake van het voldoen aan het vereiste
van zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming. Ook mogen er zich later
geen nieuwe feiten of omstandigheden rblz.|4|
hebben voorgedaan. Doen
zich nieuwe feiten of omstandigheden voor, dan zal wel moeten worden
gehoord.
B en
C
Voor het geven van
beschikkingen worden in beginsel door de bijzondere wetgever in de wet
beslistermijnen opgenomen. Voor die gevallen waarin geen beslistermijn bij
wettelijk voorschrift is voorgeschreven, regelt de Awb
in artikel 4:13 dat
dan binnen een redelijke termijn moet worden beslist. Onder "redelijke
termijn" wordt in ieder geval een termijn van acht weken na ontvangst
van de aanvraag verstaan.
Artikel 4:14 schrijft
voor dat bij dreigende overschrijding van de redelijke termijn van acht weken de
aanvrager daarvan in kennis moet worden gesteld en dat daarbij
een andere redelijke termijn moet worden genoemd. Deze bepaling
geldt dus alleen indien de bijzondere wetgeving zelf geen termijn heeft
gesteld.
Uit de evaluatie is
evenwel gebleken dat in de praktijk het beleid bestaat om, hoewel de Awb daartoe
niet verplicht, belanghebbenden ook in kennis te stellen van
dreigende overschrijdingen van uit de bijzondere wet voortvloeiende
beslistermijnen.
Deze handelwijze verdient
naar onze mening navolging. Het is een leemte dat de Awb beperkt is tot
de situatie waarin geen bij wettelijk voorschrift bepaalde beslistermijn
geldt (zie ook het kabinetsstandpunt: blz. 19 en 20).
Onderdeel C voegt aan
artikel 4:14 een nieuw eerste en tweede lid toe. Het nieuwe eerste lid regelt
dat de verplichting tot kennisgeving van dreigende
termijnoverschrijding en mededeling van de (nieuwe) termijn waarbinnen het besluit is
te verwachten ook geldt voor de situatie waarin een bij bijzondere
wetsbepaling vastgestelde beslistermijn geldt. Hiermee willen wij overigens
geenszins aangeven dat wij het overschrijden van wettelijke termijnen
sanctioneren. Naar onze mening zullen bestuursorganen er altijd naar moeten
streven binnen de wettelijke termijnen besluiten te nemen. Om
die reden hebben wij dan ook het woord "redelijke" vervangen
door "zo kort
mogelijke", omdat wij van mening zijn dat de termijn na
het verstrijken van de wettelijke beslistermijn door bestuursorganen zo kort
mogelijk dient te worden gehouden.
In aansluiting op het
nieuwe eerste lid is een tweede lid geformuleerd. Sommige wettelijke
beslistermijnen zijn namelijk fatale termijnen. Aan de overschrijding van die
termijnen zijn door de wetgever gevolgen verbonden, zoals
bijvoorbeeld het verval van de bevoegdheid voor een bestuursorgaan om een
besluit te nemen. Uit dit voorbeeld volgt dan ook dat het dan geen zin meer
heeft om een kennisgeving van verlate besluitvorming te zenden.
Voorbeelden van dergelijke fatale termijnen zijn te vinden in artikel 16,
vijfde lid, van de Monumentenwet
1988 en artikel 46, vierde lid, van de Woningwet; indien burgemeester en wethouders de beslistermijn laten
verstrijken, wordt de monumentenvergunning respectievelijk de bouwvergunning geacht
(van rechtswege) te zijn verleend.
De bestaande tekst van
artikel 4:14 is opgenomen als derde en laatste lid, omdat wij het wenselijk
vinden dat de meest voorkomende situatie, die van de wettelijke
beslistermijn, voorop staat.
Wij tekenen overigens
uitdrukkelijk aan dat de tekst van het eerste lid van artikel 4:14 onverlet
laat dat de aanvrager van het besluit c.q. de indiener van een bezwaarschrift
bij overschrijding van de wettelijke termijn bezwaar kan maken c.q.
beroep kan instellen zodra het orgaan in gebreke is tijdig een besluit te
nemen (artikel 6:12, tweede lid).
In
onderdeel B wordt een
wijziging van artikel 4:13, tweede lid, voorgesteld die samenhangt met de
wijziging van artikel 4:14. Anders dan voor de huidige onder
artikel
4:14 vallende beschikkingen het geval is - waarbij rblz.|5|
de achtwekentermijn kan
worden verlengd en daarmee ook de termijn voor bezwaar en beroep
wordt opgeschort - heeft voor gevallen waarin wel een wettelijke
beslistermijn geldt artikel 4:14 niet het gevolg dat de beslistermijn wordt
verlengd. Slechts de kennisgeving op grond van het nieuwe derde lid van
artikel 4:14 heeft derhalve het rechtsgevolg dat de beslistermijn wordt
verlengd. Ook al zullen naar onze mening - evenals hierboven is
aangegeven
voor de wettelijke beslistermijnen - bestuursorganen er altijd naar moeten
streven binnen de achtwekentermijn besluiten te
nemen en zullen verlengingen zoveel mogelijk moeten worden vermeden.
D
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om een redactionele misstelling in artikel
4:35, tweede lid,
te herstellen.
E
Artikel 6:15 regelt de
zogenaamde doorzendplicht. Indien een bezwaar- of beroepschrift wordt
ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of onbevoegde
administratieve rechter, moet het ingevolge het eerste lid van artikel 6:15
"zo spoedig
mogelijk" worden doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder
gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Ingevolge het derde lid
van artikel 6:15 is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan
bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend,
indien:
a. geen juiste toepassing
aan artikel 3:45 (vermelding rechtsmiddelen door bestuursorgaan) of
artikel 6:23 (vermelding mogelijkheid van beroep) is gegeven;
b. het bezwaar of beroep
is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit; of
c. de onbevoegdheid van
het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond
onduidelijk kon zijn.
In de jurisprudentie is
de plicht om zo spoedig mogelijk door te zenden een centrale rol gaan
spelen bij de vraag of een beroep tijdig is ingediend, althans een
termijnoverschrijding verschoonbaar is, en wordt onder zo spoedig mogelijk
verstaan: doorzending binnen twee weken na ontvangst (Vz. ABRvS
4 januari 1996,
AB 1996, 213, en ABRvS 24 april 1996, JB 1996, 156). De Commissie beval
aan om met het oog op de kenbaarheid de jurisprudentiële
invulling van het begrip "zo spoedig mogelijk" in het eerste lid van artikel 6:15
Awb te codificeren door die woorden aan te vullen met
", maar in elk geval
binnen veertien dagen".
In het kabinetsstandpunt
is deze aanbeveling van de Commissie niet overgenomen, maar gekozen
voor een verdergaande oplossing. Artikel 6:15 Awb
is destijds
opgenomen om de burger niet het slachtoffer te laten worden van de vaak
ingewikkelde bevoegdheidsregelingen op het terrein van de rechtsbescherming.
De aanbeveling van de Commissie zou de werking van dit artikel
verduidelijken en past daardoor op zichzelf in deze gedachtegang, maar geeft
aanleiding voor nieuwe complicaties (zie: N. Verheij, "Over snel
doorzenden en snel appelleren", annotatie bij ABRvS 24-4-1996, in: L.J.A.
Damen e.a. (red.), Rechtspraak bestuursrecht: de annotaties 1995/1996, Den
Haag 1997, blz. 121). Het is bij nader inzien beter de onderdelen a tot
en met c van het derde lid van artikel 6:15 te laten vervallen, hetgeen
via de thans voorgestelde wijziging wordt geregeld (zie ook het
kabinetsstandpunt: blz. 43 en 44).
Dit
onderdeel laat de
onderdelen a tot en met c van het derde lid van artikel 6:15 vervallen.
Hierdoor wordt het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan zonder
meer bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is
ingediend, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk rblz.|6|
gebruik van procesrecht.
Wij achten deze verruiming verantwoord, omdat uit de praktijk blijkt
dat het merendeel van de bezwaar- en beroepschriften wordt ingediend bij het
juiste orgaan. Voor de veel kleinere restcategorie vinden wij het niet noodzakelijk om de strikte formulering van de gronden
in artikel 6:15, derde
lid, te handhaven.
Het bezwaar- of
beroepschrift zal na wijziging dus bijna altijd ontvankelijk zijn, tenzij er sprake is
van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Voor dit laatste kan
bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie dat bij herhaling en willens en
wetens een bezwaar- of beroepschrift bij het verkeerde orgaan wordt ingediend. De term
"kennelijk onredelijk gebruik
van procesrecht" is
ontleend aan artikel 8:75 en is opgenomen als een soort veiligheidsklep om
misbruik van de geboden verruiming in artikel 6:15 Awb
tegen te gaan.
Wij achten deze wijziging
voorts verantwoord in verband met de verplichting voor
bestuursorganen om de rechtsmiddelen te vermelden op hun besluiten
(waaronder het juiste orgaan waar een bezwaar- of beroepschrift kan worden
ingediend; artikel 3:45 Awb), waarbij volgens de
Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State deze rechtsmiddelverwijzing zo concreet mogelijk moet
zijn (ABRvS 19-12-1997, nr. H01.96 1212). Hierdoor
kan het aantal ingediende bezwaar- of beroepschriften bij onbevoegde organen
gering zijn en zal niet vaak een beroep hoeven te worden gedaan
op het (gewijzigde) derde lid van artikel 6:15 Awb. Een enkele keer gaat
het ondanks de juiste rechtsmiddelvermelding fout, bijvoorbeeld indien
in de haast de stukken in verkeerde enveloppen worden gestopt.
F
Ingevolge
artikel 6:14,
eerste lid, bevestigt het orgaan waarbij een bezwaar- of beroepschrift
is ingediend de ontvangst daarvan (aan de indiener). Ten behoeve
van de beslissing op het bezwaar kan het bestuursorgaan ingevolge
artikel 7:13, eerste lid, een adviescommissie instellen. Het
bestuursorgaan is hier niet toe verplicht; het kan ook zonder een adviescommissie een
beslissing op het bezwaar nemen, mits dit op consistente - niet-willekeurige
- wijze gebeurt. Het bestuursorgaan kan
zijn vrijheid daartoe
overigens hebben beperkt in eventuele, de Awb
aanvullende, regelingen.
Indien door een bestuursorgaan een adviescommissie is ingesteld die voldoet
aan de vereisten van het eerste lid van artikel
7:13, dan zijn de
overige leden van artikel 7:13 van toepassing op de behandeling van het
bezwaar. In dat geval dient ingevolge het tweede lid van artikel 7:13 bij
het bericht van ontvangst (van artikel 6:14) te worden vermeld dat een
commissie over het bezwaar zal adviseren. In de praktijk blijkt het niet
altijd mogelijk om reeds bij binnenkomst van een bezwaarschrift aan te
geven of het noodzakelijk is een bezwaar voor de adviescommissie te
brengen. Sommige bezwaarschriften kunnen bij nadere bestudering een
eenvoudiger procedure volgen dan de vrij "zware"
adviesprocedure. Dit geldt bijvoorbeeld voor bezwaarschriften die kennelijk ongegrond
of kennelijk niet-ontvankelijk zijn, maar ook voor bezwaarschriften waarover
reeds eerder in soortgelijke gevallen is geadviseerd door de
desbetreffende adviescommissie. De huidige formulering van artikel
7:13 biedt niet de mogelijkheid om meer tijd te nemen voor de beoordeling
of een bezwaarschrift aan een adviescommissie moet worden voorgelegd;
daarom stellen wij daartoe een wijziging voor (zie ook het
kabinetsstandpunt: blz. 29).
Dit onderdeel wijzigt
artikel 7:13, tweede lid, zodanig dat de verplichting vervalt om reeds bij de
ontvangstbevestiging te melden of een bezwaarschrift al dan niet door een
adviescommissie zal worden behandeld. Daarvoor in de plaats
komt de verplichting dat het bestuursorgaan de rblz.|7|
inschakeling van een adviescommissie zo spoedig mogelijk mededeelt
aan de indiener van het
bezwaarschrift.
G
Artikel 8:5 van de
Awb regelt de zogenaamde "negatieve
lijst". Deze
bijlage bij de Awb somt
een aantal wettelijke voorschriften op. Tegen besluiten genomen op
grond van deze voorschriften staat om uiteenlopende reden geen beroep bij de
algemene bestuursrechter open. In de praktijk moet deze opsomming veelvuldig worden aangepast aan
wijzigingen in de
desbetreffende regelgeving. Vaak gaat het daarbij niet zozeer om veranderde
inzichten omtrent de vatbaarheid voor beroep, maar om meer technische wijzigingen. Het komt bijvoorbeeld voor dat
een wetsartikel waarin de
bevoegdheid om een bepaald type besluiten te nemen, wordt vernummerd,
of dat bij het opnieuw redigeren van een aantal wetsbepalingen de bevoegdheidsgrondslag in een ander artikel
terechtkomt. Ook in die
gevallen moet op de negatieve lijst de oude bevoegdheidsgrondslag
worden vervangen door de nieuwe.
Helaas vergeet de
bijzondere wetgever bij dergelijke aanpassingen soms om overgangsbepalingen op
te nemen. Daardoor kan onduidelijk worden of een besluit nu wel of
niet voor beroep vatbaar is. Dit doet zich met name voor als na het
tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging van de bijlage beroep wordt
ingesteld tegen een besluit dat vóór dat tijdstip is genomen op basis van een
artikel dat in de bijlage
werd genoemd, maar dat inmiddels uit die
bijlage is geschrapt. Volgens de - overigens ongeschreven - hoofdregel van overgangsrecht zou dit beroep strikt genomen ontvankelijk
zijn, omdat het voorschrift waarop het bestreden besluit berust, ten tijde
van het instellen van het beroep niet meer op de bijlage staat. Omgekeerd
zou een aanhangig beroep dat ten tijde van het instellen ontvankelijk
is, strikt genomen niet-ontvankelijk kunnen worden, omdat het voorschrift
waarop het bestreden besluit berust inmiddels op de negatieve lijst is beland. In het gros van de gevallen heeft de wetgever
geen van beide gevolgen
beoogd. De rechtspraak pleegt dergelijke onbedoelde gevolgen ook
wel te voorkomen met een beroep op de bedoeling van de wetgever, maar het is beter om die rechtspraak van een
uitdrukkelijke wettelijke
basis te voorzien.
Gelet hierop stellen wij
voor om in artikel 8:5, tweede lid, een vaste overgangsbepaling voor
wijzigingen in de bijlage op te nemen. Dit voorkomt leemten in het
overgangsrecht. Bovendien hoeft de bijzondere wetgever niet meer
telkens dezelfde overgangsbepaling op te nemen. Mocht in een concreet
geval behoefte bestaan aan een afwijkend overgangsregime, dan kan
de bijzondere wetgever daarin voorzien door uitdrukkelijk
andersluidende overgangsbepalingen vast te stellen.
Voor de algemene
overgangsbepaling is gekozen voor het regime van de eerbiedigende werking:
het oude recht blijft van toepassing op beroepen tegen besluiten die vóór
inwerkingtreding van de wijziging zijn bekendgemaakt. Dit is bij wijzigingen in
rechtsbeschermingsbepalingen het meest gebruikelijk en veelal
het meest praktisch. Aangeknoopt is bij de bekendmaking van het besluit en niet
bij het indienen van het beroepschrift, omdat het laatste zou
kunnen resulteren in verschillende regimes voor beroepen tegen hetzelfde
besluit. Als een besluit minder dan zes weken vóór de inwerkingtreding
van een wijziging van de bijlage wordt bekendgemaakt, is immers
denkbaar dat de ene belanghebbende nog juist vóór die inwerkingtreding beroep
instelt en de andere belanghebbende
juist daarna, maar nog
altijd binnen de beroepstermijn.
Hiervoor is
kortheidshalve steeds gesproken over beroep. Omdat in het stelsel van de
Awb de
mogelijkheid om bezwaar te maken voortvloeit uit de mogelijkheid om beroep
in te stellen (artikel 7:1 Awb), geldt het bovenstaande ook voor het maken van
bezwaar.
rblz.|8|
H
In
artikel 8:7 wordt de
relatieve competentie van de bestuursrechter bij de rechtbanken geregeld. In
het eerste lid van dit artikel wordt voor de competentie van de
rechtbank voor beroepen tegen besluiten van decentrale overheden
aangesloten bij de zetel van het bestuursorgaan. In het tweede lid wordt voor
de competentie van de rechtbank voor beroepen tegen besluiten
van de centrale overheid aangesloten bij de woonplaats van de
indiener in Nederland. Het uitgangspunt voor deze tweedeling is geweest dat
de appellerende burger in beide gevallen zoveel mogelijk bij de
rechtbank in zijn eigen arrondissement moet kunnen procederen.
Per 1 april 1994 zijn
- op basis van de nieuwe Politiewet
- regionale politiekorpsen ingesteld.
In de praktijk blijken veelvuldig zaken aanhangig te worden gemaakt waarvan
de samenhang besloten ligt in de omstandigheid dat de indieners bij
dezelfde politieregio werkzaam zijn. Daarbij kan gedacht worden aan besluiten in het kader van functiewaarderingsoperaties,
reorganisaties en, meer
in het algemeen, besluiten over meerdere ambtenaren, die
voortvloeien uit een binnen de betreffende organisatie genomen (beleids)beslissing.
Wij achten het wenselijk dat zaken uit één politieregio door één rechtbank in samenhang kunnen worden behandeld.
Momenteel biedt de Awb die mogelijkheid niet. Ook de
president van de
Centrale Raad van Beroep en de voorzitters van de sectoren bestuursrecht
hebben de wens van behandeling door één rechtbank uitgesproken.
Dit onderdeel zorgt
ervoor dat (politie)regio’s als bedoeld in artikel 21 van de Politiewet
1993 in de
opsomming van artikel 8:7, eerste lid, worden opgenomen. Hierdoor wordt
voor de competentie van de rechtbank voortaan aangesloten bij
de zetel van de politieregio’s. De kans op verspreiding van met
elkaar samenhangende zaken over verschillende rechtbanken wordt
daardoor geminimaliseerd. De relatieve competentie voor het beroep tegen
besluiten ten aanzien van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) blijft bepaald aan de hand van het tweede lid van
artikel 8:7. De
ambtenaren werkzaam bij het KLPD worden derhalve niet anders behandeld dan de
overige rijksambtenaren.
Los daarvan hebben wij
van de gelegenheid gebruik gemaakt om een onnauwkeurigheid in de
redactie van het eerste lid te herstellen. Door invoeging van "bestuursorgaan" wordt duidelijk gemaakt dat beroep kan worden ingesteld tegen
besluiten van bestuursorganen binnen een provincie, een
gemeente,
een waterschap of een politieregio.
I
De wijziging in dit
artikel is ingegeven door een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep
(hierna: de Raad). Op 22 januari 1998 (nr. 96/6246 AW; TAR 1998, 60)
heeft de Raad uitspraak gedaan in een zaak tussen de Kroon,
vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, en een voormalige
gerechtsauditeur bij de rechtbank te Amsterdam. Het bestreden besluit in deze
zaak was een koninklijk besluit waarmee aan gedaagde eervol ontslag
werd verleend als gerechtsauditeur bij de rechtbank te Amsterdam.
Tegen dit besluit was gedaagde in beroep gegaan bij de rechtbank
te Amsterdam, die bevoegd was op basis van de geldende regeling voor
relatieve competentie. De rechtbank te Amsterdam heeft deze zaak
ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank
te ’s-Gravenhage,
die in deze zaak uitspraak heeft gedaan (vernietiging van het
ontslagbesluit). De Kroon heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de
Raad, die - alvorens op de inhoud van de zaak in te gaan - constateerde
dat voor de verwijzing van de zaak door de rblz.|9|
rechtbank te Amsterdam
naar de rechtbank te ’s-Gravenhage geen rechtvaardiging kon
worden gevonden in de wettelijke voorschriften inzake de relatieve
competentie. Hieraan verbindt de Raad de conclusie dat de rechtbank te ’s-Gravenhage
onbevoegdelijk heeft beslist. Gegeven de omstandigheden
verklaart de Raad - met toepassing van artikel 28 van de
Beroepswet - die
onbevoegdheid evenwel voor gedekt en merkt hij de uitspraak aan als
bevoegdelijk gedaan. De omstandigheden waar hier door de Raad op wordt
gedoeld, zien op de situatie dat gedaagde werkzaam is geweest bij
de rechtbank te Amsterdam en vervolgens bij deze rechtbank in beroep
moest gaan tegen een besluit waar de rechtbank - als dagelijkse "werkgever"
- bij de totstandkoming van dat besluit betrokken was geweest.
Wij zijn van mening dat
de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan in bovengenoemde zaak in de
toekomst moet worden voorkomen, onder meer ter voorkoming van situaties
die strijdig zouden kunnen zijn met artikel 6 van het Europese Verdrag
voor de Rechten van de Mens (EVRM) [Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
red.]. Wij achten het dan ook wenselijk
artikel 8:13 aan te vullen met een extra verwijzingsmogelijkheid. Deze wens wordt gedeeld
door het landelijk overleg van de voorzitters van de
sectoren bestuursrecht.
In dit onderdeel wordt
artikel 8:13, eerste lid, dan ook aangevuld met de mogelijkheid voor een
rechtbank om een zaak die bij haar aanhangig is gemaakt te verwijzen naar
een andere rechtbank indien door betrokkenheid van de rechtbank de zaak
niet geschikt is voor behandeling door de rechtbank zelf. Deze mogelijkheid ziet bijvoorbeeld op arbeidsrechtelijke
geschillen zoals in de
zaak van 22 januari 1998. Andere voorbeelden uit de
praktijk zijn een geschil over de aanvraag van een bouwvergunning voor een
rechtbank bij de gemeente waarin de rechtbank is gelegen
alsmede een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank
pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft.
De redactionele wijziging
in artikel 8:13, tweede lid, strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat
het aldaar bedoelde verzoek betrekking heeft op beide gevallen uit het eerste
lid.
J
Bij invoering van de
Awb is niet alleen in de Awb, maar ook in het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering een voor alle
rechtsgebieden uniforme regeling inzake de wraking van rechters opgenomen.
Uit de praktijk van de sector bestuursrecht van de rechtbanken is
inmiddels gebleken dat enige onduidelijkheid bestaat over de vraag in hoeverre
een verzoek tot wraking in het openbaar dan wel in raadkamer moet
worden behandeld en in het openbaar moeten worden uitgesproken.
In het kabinetsstandpunt
is aangegeven dat bezien zal worden of de praktijk op dit punt, ook
op andere rechtsgebieden, verandering behoeft (zie het
kabinetsstandpunt: blz. 46).
Dit onderzoek heeft
inmiddels plaatsgevonden. De conclusie van het onderzoek luidt dat de
hoofdregel moet zijn dat wrakingsverzoeken in het openbaar worden behandeld
en worden uitgesproken.
Bij wraking is de
rechterlijke onpartijdigheid - in de zin van artikel 6 EVRM - in het geding. Het
uitgangspunt, zoals neergelegd in artikel 121 van de
Grondwet en artikel 8:62
van de Awb, dat de behandeling van en uitspraak in een zaak in beginsel
openbaar zijn, moet naar onze mening juist vanwege die rechterlijke onpartijdigheid worden toegepast op
wrakingsverzoeken. Een zorgvuldige
rechtspleging is ermee gediend dat het verhoor van de verzoeker
en de rechter wiens wraking wordt verzocht alsmede het uitwisselen
van standpunten publiekelijk kan plaatsvinden.
rblz.|10|
In
artikel 8:18 Awb is de
behandeling en beslissing van wrakingsverzoeken geregeld. Dit onderdeel
voegt de woorden "ter
zitting" aan het eerste lid van
artikel 8:18 toe. Uit
artikel 8:62 Awb, eerste lid, volgt dan dat de zitting openbaar is. Bovendien
volgt uit het tweede lid van dat artikel dat de zitting op grond van de
daar genoemde gronden geheel of gedeeltelijk kan plaatshebben met
gesloten deuren. Het wrakingsverzoek volgt qua openbaarheidsregime de
hoofdzaak. Dit laatste laat de mogelijkheid onverlet dat de
hoofdzaak in het openbaar wordt behandeld en het wrakingsverzoek achter
gesloten deuren, of juist andersom.
Voorts wordt aan het
derde lid van artikel 8:18 toegevoegd dat de
rechtbank de beslissing
in het openbaar uitspreekt. Deze beslissing zal in de uiteindelijke
einduitspraak worden opgenomen. Op grond van het vijfde lid van artikel
8:18 staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open. Mocht degene die de
wraking verzoekt het niet eens zijn met de beslissing over de
openbaarheid of beslotenheid van de zitting dan wel over de beslissing op het
wrakingsverzoek, dan kan hij in het kader van het hoger beroep tegen de
rechterlijke (eind)uitspraak ook die beslissingen ter discussie stellen.
Een soortgelijke
wijziging zal door ons worden voorgesteld voor de wrakingsregeling in het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering.
K
Artikel
8:29, eerste lid,
maakt het voor partijen mogelijk om in geval van gewichtige redenen
stukken of inlichtingen achter te houden of alleen aan de rechtbank
te
verschaffen. Ingevolge het derde lid van dat artikel beslist de rechtbank of die
weigering dan wel de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De
redactie van het derde lid maakt het momenteel mogelijk dat de rechter
die reeds kennis heeft genomen van stukken in het kader van de beoordeling
van artikel 8:29, tevens de rechter is die de inhoudelijke beslissing
in de zaak neemt. Hierdoor zou de mogelijkheid van onjuiste
beïnvloeding van die rechter zich kunnen voordoen.
De Commissie heeft daarom
aanbevolen om artikel 8:29, derde lid, Awb zo te wijzigen dat de
beslissing of een weigering van inlichtingen of stukken gerechtvaardigd is, wordt
genomen door een andere rechter dan de rechter die de zaak
behandelt of zal behandelen. Het vorige kabinet deelde de redengeving voor deze
aanbeveling, maar meende dat zij iets te ver ging en daardoor onnodige
werklast voor de gerechten zou creëren. Daarom werd een minder
vergaande wijziging voorgesteld (zie ook het kabinetsstandpunt: blz.
45).
In dit onderdeel stellen
wij voor - in aansluiting op het kabinetsstandpunt - artikel
8:29, vijfde
lid, zodanig te wijzigen dat de zaak naar een andere kamer moet worden
verwezen indien de rechtbank heeft besloten dat het beroep op
geheimhouding van stukken gerechtvaardigd is én de partij die de stukken
niet kent vervolgens geen toestemming geeft om mede op die stukken recht
te doen. Slechts dan doet zich het probleem voor dat de rechter
stukken buiten beschouwing zou moeten laten waarvan hij inmiddels in
het kader van de beoordeling van het verzoek tot geheimhouding wel heeft
kennisgenomen. Voordat de verwijzing plaatsvindt, zullen de "geheime" stukken uit het dossier moeten worden gehaald. Door voor deze
variant te kiezen, wordt voorkomen dat er bij de gerechten onnodige
werklast wordt gecreëerd.
Door te spreken van "verwijzing naar een andere
kamer" sluiten wij aan bij de redactie van
artikel 8:10, waar de bevoegdheid in het algemeen is geregeld voor de
verwijzing van zaken binnen een rechtbank.
rblz.|11|
L
Artikel 8:72 regelt de
bevoegdheden van de rechter indien deze een beroep gegrond verklaart
en het besluit geheel of gedeeltelijk vernietigt. Zo kan de rechter na
vernietiging aan het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen
van een nieuw besluit. Indien de rechter alleen de beslissing op bezwaar
vernietigt, kan in de periode totdat het bestuur opnieuw op het bezwaar
heeft beslist onduidelijkheid ontstaan over de status van het primaire
besluit. De vraag kan rijzen of van dit primaire besluit - bijvoorbeeld
een bouwvergunning - nog gebruik mag worden gemaakt. Juridisch is het
antwoord op deze vraag wel duidelijk - ja, maar voor eigen risico -
maar praktisch bestaat daarover vaak onzekerheid.
De Commissie heeft
aanbevolen om in artikel 8:72 te voorzien in een bevoegdheid voor de
rechter om, waar nodig, bij vernietiging een conservatoire voorziening
te treffen voor het primaire besluit, totdat alsnog op het bezwaar is
beslist. Ook de VNG heeft om dezelfde redenen een dergelijke
bevoegdheid voor de rechter aanbevolen.
In het kabinetsstandpunt
is geoordeeld dat een afzonderlijke bevoegdheid tot het treffen van een conservatoire voorziening niet nodig was. Het
probleem kan in het
systeem van de Awb beter worden opgelost door te voorzien in een
bevoegdheid voor de rechter om de door de Commissie bedoelde conservatoire
voorziening te treffen met toepassing van de regels inzake de
voorlopige voorziening, met dien verstande dat deze voorziening dan tegelijk
met de einduitspraak kan worden getroffen. Dit heeft het voordeel dat
voor de conservatoire voorziening slechts een beperkt aantal regels
behoeven te worden getroffen, terwijl bovendien de praktijk zich niet hoeft
in te stellen op een geheel nieuwe rechtsfiguur, maar slechts op een
beperkte uitbreiding van een sedert lang vertrouwde figuur (zie het
kabinetsstandpunt: blz. 42).
Wij
zijn van mening dat
onduidelijkheid bij zowel het bestuursorgaan als de appellant over de
status van het primaire besluit na vernietiging van de beslissing op het bezwaar
moet worden voorkomen. Wij kiezen eveneens voor de oplossing die
aansluit bij de systematiek van de Awb.
Artikel
8:72, vijfde lid,
eerste volzin, wordt door dit onderdeel onder meer aangevuld met de zinsnede
"alsmede zo nodig een voorlopige voorziening
treffen".
Hierdoor krijgt de rechter de bevoegdheid om, tegelijkertijd met de
einduitspraak en met toepassing van de regels inzake een voorlopige
voorziening, zo nodig een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het
primaire besluit. Een dergelijke voorziening kan ook iets anders behelzen dan
een schorsing en hoeft dus niet altijd een conservatoir karakter te
hebben. Daarnaast is een tweede volzin toegevoegd waardoor de rechtbank
verplicht wordt het tijdstip te bepalen waarop deze voorlopige
voorziening vervalt. Het verval van "gewone" voorlopige voorzieningen
is geregeld in artikel 8:72, zesde lid, en
artikel 8:85. Het van
overeenkomstige toepassing verklaren van één van deze bepalingen zou
onvoldoende zijn toegesneden op deze situatie. Artikel
8:72, zesde lid, ziet
namelijk op de situatie dat de rechtbank in de bodemprocedure uitspraak
doet en daarbij aangeeft hoe met de - eerder door de president gegeven -
voorlopige voorziening moet worden omgegaan. Artikel 8:85
regelt de bevoegdheid tot vervallenverklaring uitsluitend voor de
president. Derhalve is gekozen voor het toevoegen van een tweede volzin in
artikel 8:72, vijfde lid.
Bij de
beoordeling van de
vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, zal de
rechtbank op dezelfde wijze te werk gaan als de president bij zijn
beoordeling in het kader van de toepassing van artikel
8:81. De jurisprudentie
met betrekking tot titel 8.3 zal dus ook van grote
rblz.|12|
betekenis zijn voor de
rechtbank bij gebruikmaking van haar nieuwe bevoegdheid. Het (nieuwe)
artikel 8:72, vijfde lid, houdt in dat in dat geval de rechtbank de bevoegde
rechter is voor het treffen van een voorlopige voorziening in plaats van
de president. Voor het toetsingskader maakt dit echter geen verschil.
Wellicht ten overvloede
wijzen wij erop dat ook de president bevoegd blijft een voorlopige
voorziening ten aanzien van het primaire besluit te treffen na vernietiging
van de beslissing op bezwaar of administratief beroep. Dat kan indien de
president met toepassing van artikel 8:86 onmiddellijk uitspraak in
de hoofdzaak heeft gedaan (zie bijvoorbeeld Pres. Rb. Utrecht 31-8-1994, JB
1994, 225; Pres. Rb. Zutphen 21-12-1995, JB 1996, 64; Pres.
Rb. Leeuwarden
11-4-1996, JB 1996, 163). Ook kan na vernietiging van een besluit door de
rechtbank hangende de nieuwe beslissing op het bezwaar of
administratief beroep een (nieuw) verzoek om voorlopige voorziening
worden gedaan.
De
rechtbank kan ook
ambtshalve tot het treffen van een voorziening op grond van artikel
8:72,
vijfde lid, overgaan. Het treffen van deze voorziening is derhalve
niet afhankelijk van een verzoek van één van de procespartijen. De regels
over de wijziging of opheffing van een voorlopige voorziening (artikel
8:87 Awb) zijn niet van toepassing, omdat de voorziening onderdeel
uitmaakt van de einduitspraak. Deze kwesties kunnen wel aan de orde
worden gesteld in hoger beroep. Er hoeft bovendien geen apart
griffierecht te worden betaald voor deze voorziening, het is
immers nog steeds een uitspraak in de bodemprocedure.
M en
N
Artikel 8:73 biedt de
mogelijkheid tot het toekennen van een schadevergoeding door de bestuursrechter.
Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij,
indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen
rechtspersoon veroordelen tot schadevergoeding die de verzoekende partij
lijdt. In de praktijk blijkt het als een probleem te worden ervaren dat de mogelijkheid van schadevergoeding ontbreekt bij
tegemoetkoming van het bestuursorgaan naar aanleiding van het beroep. Er kan
immers reeds (rente)schade zijn ontstaan, die aan het gedrag van het
bestuursorgaan te wijten is.
Wij willen voorzien in de
mogelijkheid van een afzonderlijk verzoek tot schadevergoeding ingeval
het beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of
gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, en
wel naar analogie van artikel 8:75a
(veroordeling
proceskosten bij intrekking beroep). Hierdoor wordt namelijk voorkomen dat de
indiener voor het verkrijgen van schadevergoeding alsnog een procedure bij
het bestuur moet volgen (zo nodig gevolgd door een
procedure in twee rechterlijke instanties). Dit laatste levert onnodig gebruik
van (gerechtelijke) procedures op en onnodig tijd- en geldverlies voor het
bestuur, de rechter en de indiener(s) (zie ook het kabinetsstandpunt: blz.
39 en 40).
In deze onderdelen worden
overeenkomstig het kabinetsstandpunt een nieuw artikel 8:73a
en
een nieuwe tekst voor artikel 8:75a
voorgesteld. Voor de redactie van het
nieuwe artikel 8:73a is aangesloten bij de tekst en daarmee bij de procedures
van artikel 8:73 (eerste lid) en artikel 8:75a
(tweede en derde lid).
Als gevolg hiervan kan de tekst van artikel 8:75a
worden vereenvoudigd door
het tweede en derde lid van het nieuwe artikel 8:73a
van
overeenkomstige toepassing te verklaren.
rblz.|13|
O
Op grond van
artikel 8:81
kan aan de president van de bevoegde rechtbank
een voorlopige
voorziening worden gevraagd indien een bezwaar- of beroepschrift
is ingediend (dit laatste wordt het connexiteitsvereiste genoemd). In het algemeen
levert dit connexiteitsvereiste in de praktijk geen problemen
op. Er kunnen echter complicaties ontstaan als vlak vóór de behandeling
van een verzoek om voorlopige voorziening de beslissing op het
bezwaarschrift afkomt. Formeel houdt het verzoek om voorlopige voorziening
dan geen verband meer met het bezwaarschrift. Appellanten moeten - indien de beslissing op het bezwaarschrift niet (volledig) tegemoet komt
aan hun bezwaren - in een dergelijk geval hun verzoekschrift intrekken,
een beroepschrift tegen de beslissing op het bezwaar indienen en
vervolgens een nieuw verzoek tot voorlopige voorziening indienen. Dat
is erg omslachtig.
Wij willen in titel 8.3
de mogelijkheid vastleggen om, indien het verzoek om voorlopige voorziening
is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is
ingesteld, en op dat bezwaar of beroep wordt beslist voordat de
mondelinge behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening
heeft plaatsgevonden, beroep in te kunnen stellen bij de rechtbank tijdens
de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Deze
mogelijkheid wordt in de praktijk door de rechtbanken al geboden aan de verzoekers van een voorlopige voorziening. Door deze
praktijk te legaliseren,
wordt naar onze mening de procesvoering vereenvoudigd en kan de
bestuursrechter de zaak eenvoudiger afdoen (zie het kabinetsstandpunt:
blz. 45 en 46).
Dit onderdeel voegt met
het oog daarop aan artikel 8:81 een vijfde lid toe waardoor verzoeker in de
gelegenheid wordt gesteld beroep bij de rechtbank
in te stellen
indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is
gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep
wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden. De verzoeker is niet
verplicht van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het kan zijn dat
iemand meer tijd wil besteden aan het opstellen van zijn beroepschrift.
De laatste volzin van het
vijfde lid is opgenomen om zodoende de connexiteit met de
bodemprocedure vast te leggen. De procedureregels van titel 8.3
zijn
overigens van overeenkomstige toepassing. Er hoeft evenwel geen apart
griffierecht te worden betaald voor deze voorziening; er is immers al
griffierecht betaald ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorlopige
voorziening annex aan het indienen van het bezwaarschrift bij het
bestuursorgaan (artikel 8:82, eerste lid).
Naast bovengenoemde
situatie vinden wij het van belang te wijzen op een mogelijke samenloop met
artikel 8:86, waarin de bevoegdheid voor de president is geregeld om
onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Deze bevoegdheid tot het
zogenaamd kortsluiten kan de president uitoefenen indien hij van oordeel is
dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de
beoordeling van de zaak (artikel 8:86, eerste lid). Op die bevoegdheid worden
partijen in de uitnodiging voor de zitting gewezen (artikel
8:86, tweede lid).
Ook in de situatie dat
iemand gebruik maakt van de mogelijkheid die het vijfde lid van artikel
8:81 biedt, komt deze bevoegdheid aan de president toe, waardoor de
mogelijkheid bestaat dat na de beslissing op het bezwaarschrift meteen een
uitspraak in de bodemprocedure volgt. Doorgaans zal er als
gevolg van tijdgebrek geen afzonderlijke uitnodiging voor de zitting meer
volgen, zodat het voorschrift van artikel
8:86, tweede lid, inhoudende dat
partijen in de uitnodiging voor de zitting worden gewezen op de bevoegdheid
van de president om ook de hoofdzaak af te doen, niet kan worden
toegepast. Dit betekent dat de president zich er in rblz.|14|
dit geval ter zitting van
zal moeten vergewissen dat alle partijen instemmen met toepassing
van artikel 8:86. Partijen mogen immers niet tegen hun wil plotseling
worden geconfronteerd met een beslissing in de hoofdzaak indien zij
slechts zijn uitgenodigd voor een zitting ter behandeling van een verzoek om
voorlopige voorziening.
P
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om twee kleine technische correcties in de bijlage
aan te brengen. Het opschrift van onderdeel B is in overeenstemming gebracht
met de nieuwe naam van het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Onderdeel I (ministerie van
Financiën) bestaat
uitsluitend nog uit een opschrift en kan derhalve vervallen.
Artikel II
De wijziging van artikel
39a, tweede lid, van de Wet
op de Raad van State brengt de verwijzing naar
artikel 8:75a, tweede en derde lid, Awb
in overeenstemming met de
overbrenging van hetgeen daarin is geregeld naar artikel 8:73a,
tweede en derde lid, Awb.
Artikel III
Op grond van
artikel 8:41
Awb wordt van de indiener van een beroepschrift door de griffier van een
rechtbank griffierecht geheven. De hoogte van het griffierecht kan
verschillen afhankelijk van de hoedanigheid van de indiener (al dan niet
een natuurlijk persoon) en van het besluit waartegen beroep wordt
ingesteld. Voor een natuurlijk persoon kan een laag tarief en een hoog
tarief gelden. Het lage tarief geldt indien door een natuurlijk persoon
beroep is ingesteld tegen onder andere een besluit genomen op grond van een
wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de onderdelen B en
C, onder 1 tot en
met 25 en 29, van de bijlage bij de
Beroepswet. In deze onderdelen zijn
voornamelijk pensioenregelingen en socialezekerheidsregelingen
opgenomen. Van degenen die op basis van één van deze regelingen in beroep
gaan, wordt minder financiële draagkracht verwacht, vandaar dat
voor hen het lage tarief geldt.
De wijzigingen die door
onderdeel C van dit artikel worden aangebracht in de
bijlage bij de Beroepswet worden onder
meer ingegeven door (nieuwe) wetgeving op het
terrein van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De inhoud van deze (nieuwe)
wetgeving leent zich voor toepassing van het lage tarief; opname van
deze wetgeving in de bijlage wordt door ons om die reden wenselijk
geacht. Deze mening wordt gedeeld door het Landelijk overleg van de
voorzitters van de sectoren bestuursrecht.
A
De wijziging van
artikel
21a, tweede lid, van de Beroepswet brengt de verwijzing naar
artikel
8:75a, tweede en derde lid, Awb in overeenstemming met de overbrenging van
hetgeen daarin is geregeld naar artikel 8:73a, tweede en
derde lid, Awb.
B
Bij de
Beroepswet behoort
een bijlage, die enkele tientallen wetten opsomt. Deze bijlage
heeft drie functies:
a. zij bepaalt mede in
welke gevallen tegen een uitspraak van de rechtbank
hoger beroep
openstaat op de Centrale Raad van Beroep, in
rblz.|15|
plaats van op de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel
18, eerste lid,
onderdeel b, van de Beroepswet);
b. zij bepaalt in welke
gevallen dit hoger beroep, in afwijking van de hoofdregel (artikel 6:24
juncto
artikel 6:16 Awb), schorsende werking heeft
(artikel 19 Beroepswet);
c. zij bepaalt zowel
voor het beroep als voor het hoger beroep in welke gevallen het lage
griffierecht van toepassing is (artikel 8:41, derde lid, onderdeel a,
onder 1º, van
de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel
22, tweede lid, onderdeel a, onder 1º, van de Beroepswet).
Bij deze
bijlage doen
zich in de praktijk vergelijkbare problemen voor als bij de bijlage bij de
Awb; verwezen zij naar de toelichting op artikel I, onderdeel
F. Daarom
stellen wij voor ook in de Beroepswet een vaste overgangsbepaling voor
wijzigingen van de bijlage op te nemen. In deze bepaling is wederom gekozen voor het regime van eerbiedigende
werking. Dit geldt voor
alle drie de rechtsgevolgen waarop de bijlage betrekking heeft: de
vraag bij welk college het hoger beroep moet worden ingesteld ("de mogelijkheid van hoger
beroep"), de vraag of dit beroep
schorsende werking heeft ("de gevolgen van het hoger
beroep") en
ten slotte de vraag welk
griffierecht verschuldigd is ("de hoogte van het
griffierecht").
C
De voorgestelde
wijzigingen onder 1 beogen onderdeel A van de
bijlage aan te passen aan een
wijziging van de grondslag van de rechtspositieregeling in het voortgezet
onderwijs en de totstandkoming van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, de Wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het
basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs en de Wet
op het voortgezet onderwijs inzake schoolbegeleiding (regeling schoolbegeleiding, Stb. 1997, 252) en de
Wet
subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten.
Onder 2 is toegevoegd de
Uitkeringswet
KNIL-beroepsmilitairen, die voorziet in een eenmalige
uitkering van ƒ7500,- voor bepaalde gewezen KNIL-militairen.
Voor ambtenaren en
werknemers in het bedrijfsleven geldt het lage tarief indien zij beroep
instellen tegen een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid en ziekte.
Voor werknemers in het bijzonder onderwijs geldt in die gevallen geen
verlaagd tarief. Het onder 3 toevoegen van de onderdelen 8a tot en met
8c aan onderdeel C van de bijlage beoogt aan dit verschil een einde te
maken.
Daarnaast hebben wij de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
in onderdeel C van de bijlage, alsmede een foutje in de nummering,
hersteld.
Artikel IV
A
Artikel 20, eerste lid,
van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie maakt beroep mogelijk op
het College van Beroep voor het bedrijfsleven tegen
besluiten genomen
op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage
die bij die
wet behoort. Bij deze bijlage kunnen zich vergelijkbare
problemen voordoen als bij de bijlage bij de Awb; verwezen zij naar de
toelichting op artikel I, onderdeel F.
rblz.|16|
Daarom stellen wij ook in
dit onderdeel voor in artikel 20 van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie een vaste overgangsbepaling op te nemen voor wijzigingen
van de bijlage. In deze bepaling is wederom gekozen voor het regime
van eerbiedigende werking.
B
De wijziging van artikel
23, tweede lid, van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie brengt de verwijzing naar artikel 8:75a, tweede en derde lid, Awb
in
overeenstemming met de overbrenging van hetgeen daarin is geregeld naar
artikel 8:73a, tweede en derde lid, Awb.
Artikel V
De wijziging van artikel
29f, derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr)
brengt de verwijzing naar artikel 8:75a, tweede en derde lid, Awb
in
overeenstemming met de overbrenging van hetgeen daarin is geregeld naar
artikel 8:73a, tweede en derde lid, Awb.
Artikel 29f, derde lid,
wordt aan de Awr
toegevoegd ingevolge de Wet van 29 oktober 1998 tot
aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet
bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van
het fiscale procesrecht) (Stb. 1998, 621).
Artikel VI
De meeste wijzigingen in
dit wetsvoorstel krijgen vanaf het moment van inwerkingtreding
onmiddellijke werking. Dit laatste geldt niet voor de wijzigingen van artikel
I, onderdelen D en G.
Ten aanzien van artikel
6:15, derde lid, Awb (onderdeel D [onderdeel
E, red.]) wordt aldus voorkomen dat
bestuursorganen op basis van het oude recht een bezwaarschrift terecht
niet-ontvankelijk hebben verklaard, maar dat de bestuursrechter in beroep
deze beslissing op het bezwaarschrift - de niet-ontvankelijkheidsverklaring
- moet vernietigen op basis van het dan geldende nieuwe recht.
Indien de wijziging van
artikel 8:7, eerste lid, Awb (onderdeel
G [onderdeel H, red.]) onmiddellijke werking zou krijgen, zou
dit tot gevolg hebben dat beroepen tegen besluiten van een politieregio die
vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn
ingesteld of op basis van een alsdan onjuiste rechtsmiddelvermelding
bij de verkeerde rechtbank nog zouden worden ingesteld, alsnog naar
andere rechtbanken zouden moeten worden verwezen. Dit laatste
komt de behandeling van die - reeds lopende - zaken niet ten goede.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
|
|