|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 2000-2001, 27 023.
Handelingen II 2000-2001, blz. 2818.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 023 (177, 177a, 177b, 177c).
Handelingen I 2001-2002, zie vergadering d.d. 22 januari 2002.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 24 januari 2002, Stb.
2002, 54, tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht, de Provinciewet
en
de Gemeentewet in verband met de samenvoeging van de afdelingen 3.4 en
3.5 van de
Algemene wet bestuursrecht tot één uniforme openbare
voorbereidingsprocedure (Wet uniforme openbare
voorbereidingsprocedure Awb). Inwerkingtreding: 1 juli 2005 (Stb.
2005, 320).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de afdelingen 3.4 en 3.5 van de
Algemene wet
bestuursrecht samen te voegen tot
één uniforme openbare voorbereidingsprocedure, waarbij de
bezwaarschriftprocedure uit die wet buiten toepassing blijft, en in
verband daarmee de inspraakbepalingen in de Provinciewet
en de Gemeentewet te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
[MvT]
De
Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:
A. [MvT]
De afdelingen 3.4 en
3.5 worden
vervangen door een afdeling, luidende:
AFDELING 3.4. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Art. 3:10.
[MvT]
-1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk
voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
-2. Afdeling 4.1.1 is mede
van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen indien deze
op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze
afdeling.
Art. 3:11. [MvT]
-1. Het bestuursorgaan legt
het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking
hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het
ontwerp, ter inzage.
-2. Artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond
daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt
daarvan mededeling gedaan.
-3. Tegen vergoeding van ten
hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage
gelegde stukken.
-4. De stukken liggen ter
inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid,
bedoelde termijn.
Art. 3:12. [MvT]
-1. Voorafgaand aan de
terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in één of meer dag-, nieuws-
of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van
het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke
inhoud.
-2. Indien het een besluit
van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft,
wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst,
tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-3. In de kennisgeving wordt
vermeld:
a. waar en wanneer de
stukken ter inzage zullen liggen;
b. wie in de gelegenheid
worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;
c. op welke wijze dit kan
geschieden;
d. indien toepassing is
gegeven aan artikel 3:18, tweede lid, de termijn
waarbinnen het besluit zal
worden genomen.
Art. 3:13. [MvT]
-1. Indien het besluit tot één of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan
voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder
wie begrepen de aanvrager.
-2. Artikel 3:12, derde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
Art. 3:14. [MvT]
-1. Het bestuursorgaan vult
de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en
gegevens.
-2. Artikel 3:11, tweede tot
en met vierde lid, is van toepassing.
Art. 3:15. [MvT]
-1. Belanghebbenden kunnen
bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling
hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.
-2. Bij wettelijk voorschrift
of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen
de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te
brengen.
-3. Indien het een besluit op
aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de
gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
-4. Indien het een besluit
tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het
bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht
zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte
zienswijzen.
Art. 3:16. [MvT]
-1. De termijn voor het naar
voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als
bedoeld in afdeling 3.3 bedraagt zes weken,
tenzij bij wettelijk
voorschrift een langere termijn is bepaald.
-2. De termijn vangt aan met
ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
-3. Op schriftelijk naar
voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9
en 6:10 van overeenkomstige toepassing.
Art. 3:17. [MvT]
Van hetgeen overeenkomstig
artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag
gemaakt.
Art. 3:18. [MvT]
-1. Indien het een besluit op
aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
-2. Indien de aanvraag een
zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het
bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na
ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een
redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit
tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn
zienswijze daarover naar voren te brengen.
-3. In afwijking van het
eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de
terinzagelegging van het ontwerp indien het een besluit betreft:
a. inzake intrekking van een
besluit;
b. inzake wijziging van een
besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het
te wijzigen besluit is gericht.
-4. Indien geen zienswijzen
naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk
nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is
verstreken mededeling op de wijze, bedoeld in artikel
3:12, eerste en
tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het
besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het
naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.
B. [MvT]
In artikel 3:43 vervalt het
tweede lid en wordt het derde lid vernummerd tot tweede lid.
C. [MvT]
Artikel 3:44 komt te luiden:
Art. 3:44.
-1. Indien bij de
voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling
3.4, geschiedt de
mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:
a. met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste
of tweede lid, en derde lid,
onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen
totdat de beroepstermijn is verstreken; en
b. door toezending van een
exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het
besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.
-2. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel b, kan het bestuursorgaan:
a. indien de omvang van het
besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar
bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen;
b. indien een zienswijze
door meer dan vijf personen naar voren is gebracht bij hetzelfde
geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf
personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld;
c. indien een zienswijze
naar voren is gebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde
geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan
met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste
in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit;
d. indien toezending zou
moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending
achterwege laten.
D. [MvT]
Artikel 4:10 vervalt.
E. [MvT]
Aan artikel 6:8 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-4. De termijn voor het
indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met
toepassing van afdeling 3.4 vangt aan met ingang
van de dag na die waarop het
besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste
lid, onderdeel a, ter inzage
is gelegd.
F. [MvT]
Artikel 7:1, eerste lid,
onderdeel d, komt te luiden:
d. is voorbereid met
toepassing van afdeling 3.4.
Art. II.
[MvT]
Artikel 147 van de Provinciewet
komt te luiden:
Art. 147.
-1. Provinciale staten
stellen een verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot
de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van
provinciaal beleid worden betrokken.
-2. De in het eerste lid
bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4
van de
Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de verordening niet anders is
bepaald.
Art. III.
[MvT]
Artikel 150 van de Gemeentewet
komt te luiden:
Art. 150.
-1. De raad stelt een
verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van
gemeentelijk beleid worden betrokken.
-2. De in het eerste lid
bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de verordening niet anders is
bepaald.
Art. IV.
[MvT]
-1. Ten aanzien van het nemen
van besluiten die zijn aangevraagd vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet en ambtshalve te nemen besluiten die binnen dertien
weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt, blijft het recht zoals het
gold vóór dat tijdstip van toepassing.
-2. Artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht vindt geen toepassing ten aanzien van geschillen
die betrekking hebben op besluiten die zijn voorbereid met toepassing
van afdeling 3.5 van die
wet, zoals die afdeling luidde vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet, en zijn bekendgemaakt op of na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
-3. Artikel 7:1 van de
Algemene wet bestuursrecht, zoals dit luidde vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing ten aanzien van geschillen die
betrekking hebben op besluiten die zijn voorbereid met toepassing
van afdeling 3.4 van die
wet, zoals die afdeling luidde vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet, en zijn bekendgemaakt op of na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Art. V.
[MvT]
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met uitzondering
van de artikelen II en III, die in werking treden
met ingang van één jaar na
het in dit koninklijk besluit bepaalde tijdstip.¹
1. Ingevolge hoofdstuk
8, artikel 1, aanhef en onder a, van het Aanpassingsbesluit uniforme
openbare
voorbereidingsprocedure Awb is het tijdstip van inwerkingtreding
bepaald op 1 juli 2005, red.
Art. VI.
[MvT]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
24 januari 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de twaalfde
februari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|