|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 1999-2000, 27 023
Wijziging
van de Algemene wet
bestuursrecht, de Provinciewet
en de Gemeentewet in
verband met de samenvoeging van de afdelingen 3.4
en
3.5 van de
Algemene wet bestuursrecht tot één uniforme openbare
voorbereidingsprocedure (Wet uniforme openbare
voorbereidingsprocedure Awb)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Dejuridisering |
| 2 |
Bevindingen naar
aanleiding van de evaluatie van de Awb |
| 3 |
Uitgangspunten van de
nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure |
| 4 |
Essentie van de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure |
| 5 |
Verantwoording van de
gemaakte keuzen op basis van een vergelijking tussen de
huidige afdelingen 3.4 en 3.5 Awb |
| 5.1 |
Toegang tot de
procedure |
| 5.2 |
Besluiten op aanvraag
en ambtshalve te nemen besluiten; wijzigings- en intrekkingsbesluiten |
| 5.3 |
Termijnen |
| 5.4 |
Interbestuurlijk
verkeer |
| 5.5 |
Provinciale
kennisgevingen |
| 5.6 |
Ontwerp-besluit als
voorwerp van de procedure |
| 5.7 |
Geheimhouding en
anonimiteit |
| 5.8 |
Ontvangstbevestigingen |
| 5.9 |
Niet behandelen van
onvolledige aanvraag |
| 5.10 |
Opsomming van de ter
inzage te leggen stukken |
| 5.11 |
Plaats van
terinzageligging |
| 5.12 |
Tijdstippen van
terinzageligging; mondelinge toelichting |
| 5.13 |
"Zienswijzen" en
"bedenkingen" |
| 5.14 |
Transponeringstabel |
| 6 |
Provinciale en
gemeentelijke inspraakprocedures |
| 7 |
Aanpassingswetgeving |
|
xArtikelsgewijs |
| xxxr |
Artikelen
I t/m VI |
Algemeen
1.
Dejuridisering
Het onderhavige
wetsvoorstel is onderdeel van het pakket aan maatregelen dat bedoeld is
om de juridisering van het openbaar bestuur terug te dringen. Een aantal
van deze maatregelen vloeit voort uit het regeerakkoord. Dat geldt ook voor dit
wetsvoorstel. In het regeerakkoord is namelijk vastgelegd dat "procedures worden vereenvoudigd en versneld door
de verschillende in de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) en elders opgenomen openbare
voorbereidingsprocedures te vervangen door één enkele, niet-gedetailleerde, procedure in de
Awb" (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10,
blz. 77). Het regeerakkoord voegt daaraan toe dat van deze procedure niet
meer kan worden afgeweken in bijzondere wetten. Op deze wijze
moet een vereenvoudiging en versnelling worden bereikt van procedures
die leiden tot het nemen van zogenaamde primaire besluiten, zoals
vergunningen, ontheffingen en andere besluiten, die zowel op aanvraag als
ambtshalve kunnen worden genomen.
Het regeerakkoord plaatst
de totstandbrenging van een dergelijke uniforme openbare voorbereidingsprocedure ook in het kader van de
coördinatie van
besluitvormingsprocedures. Met een eenduidige, vaste voorbereidingsprocedure
wordt bereikt dat verschillende vergunningen, ontheffingen en andere
besluiten die gelijktijdig voor een bepaalde activiteit moeten worden
vastgesteld, gezamenlijk in eenzelfde procedure aan de orde kunnen worden
gesteld, in gevallen waarin een dergelijke coördinatie door de wetgever is
voorgeschreven of door bestuursorganen wenselijk wordt geacht.
In het regeerakkoord is
verder vastgelegd dat na het volgen van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure de bezwaarschriftprocedure
komt te vervallen, zodat
rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter openstaat.
Het onderhavige
wetsvoorstel geeft aan het vorenstaande uitvoering. Het voorstel heeft geen
financiële gevolgen voor het Rijk en evenmin voor lagere openbare lichamen.
Het kader waarbinnen dit wetsvoorstel valt - de terugdringing van de
juridisering in het openbaar bestuur - is uitgebreid belicht in de op 21
december 1998 door de tweede ondergetekende mede namens de eerste
ondergetekende aan de Tweede Kamer toegezonden
rblz.|2|
notitie "Juridisering in het openbaar
bestuur" (Kamerstukken II 1998-1999, 26 360, nr. 1).
Ook in die notitie hebben wij het belang van het onderhavige wetsvoorstel
nog eens willen benadrukken. Voor algemenere beschouwingen over het
vraagstuk van de juridisering in het openbaar bestuur verwijzen wij
naar de genoemde notitie.
Dit wetsvoorstel is
gebaseerd op een op 15 maart 1999 aan de ondergetekenden aangeboden ontwerp van
de
Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht,¹ welk ontwerp was voorbereid door de door die commissie ingestelde
subcommissie coördinatie besluitvormingsprocedures. Dit ontwerp is nagenoeg
ongewijzigd overgenomen.
Over het wetsvoorstel is
advies gevraagd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG) en het
Interprovinciaal Overleg (IPO). Het IPO heeft afgezien van het
uitbrengen van een advies. De VNG heeft in haar advies ² met instemming
geconstateerd dat voortvarend is gewerkt aan het wetsvoorstel, dat
voldoet aan de door de VNG onderschreven dejuridiseringsgedachte. De VNG merkt op
voorstander te zijn van vereenvoudiging en versnelling van
procedures en meent dat het wetsvoorstel hieraan zal kunnen bijdragen. De
VNG hoopt dat het wetsvoorstel op korte termijn in werking kan treden. De
beoogde datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 januari
2001. Hierbij is mede van belang dat uit het wetsvoorstel nog de nodige
aanpassingswetgeving voortvloeit (zie hierover hoofdstuk 7 van deze memorie).
Wij constateren met genoegen dat de VNG de hoop uitspreekt dat het
wetsvoorstel zo mogelijk nog eerder dan die datum in werking kan
treden, maar achten dit in het perspectief van de nog op te stellen aanpassingswetgeving moeilijk haalbaar.
Hieronder gaan wij nader
in op de inhoud en achtergronden van de in dit wetsvoorstel opgenomen samenvoeging van de beide openbare
voorbereidingsprocedures
uit de Awb. Bij de desbetreffende onderdelen wordt tevens ingegaan op
het advies van de VNG op enkele specifieke punten van dit wetsvoorstel.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
2. Advies van 19 mei 1999,
kenmerk AJZ/19999002363.
2. Bevindingen naar
aanleiding van de evaluatie van de Awb
De passages in het
regeerakkoord over een uniforme openbare voorbereidingsprocedure
in de Awb bouwen voort op de aankondiging van het vorige kabinet
dat de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb
en de
uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.5 Awb
in
elkaar worden geschoven. Uiteenzettingen hieromtrent zijn opgenomen in 4.4 van
het op 18 februari 1998 uitgebrachte kabinetsstandpunt over de
evaluatie van de Awb (Kamerstukken II
1997-1998, 25 600 VI, nr. 46, blz.
16-19).
In paragraaf 5.4 van het verslag
van de Commissie evaluatie Algemene wet bestuursrecht ¹ is gewag
gemaakt van problemen waarmee in het bijzonder provincies in
de praktijk worden geconfronteerd, doordat in bijzondere wetten nu eens
voor de procedure van afdeling 3.4 wordt gekozen en dan weer voor
de procedure van afdeling 3.5. Deze problemen hangen onder meer samen
met het verschil in omvang van de kring van degenen die zienswijzen
of bedenkingen naar voren kunnen brengen. Dit geeft extra complicaties
in situaties waarin in het kader van dezelfde activiteit verschillende besluiten
moeten worden genomen, terwijl voor het ene besluit toepassing
van afdeling 3.4 is voorgeschreven en voor een ander besluit toepassing
van afdeling 3.5 (vgl. de hiervoor in hoofdstuk
1 aangesneden problematiek van de
coördinatie van besluitvorming). Nog een extra complicatie daarbij
is dat toepassing van afdeling 3.5 tot gevolg heeft dat na het nemen
van het besluit geen bezwaarschriftprocedure behoeft te worden gevoerd
alvorens beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter, terwijl
bij toepassing van afdeling 3.4 de bezwaarschriftprocedure wél verplicht blijft.
Ook is gebleken dat er in de jurisprudentie geen eenduidig antwoord
is gegeven op de belangrijke vraag in welke gevallen een in de
bijzondere wetgeving opgenomen voorbereidingsprocedure rblz.|3|
materieel
gelijkgesteld kan worden aan de procedure van afdeling 3.5 Awb, zodat een
bezwaarschriftprocedure achterwege kan blijven.²
1. Toepassing en effecten
van de Algemene wet bestuursrecht 1994-1996.
Verslag van de Commissie evaluatie
Algemene wet bestuursrecht. Sdu, Den Haag 18 december
1996, blz. 43-44.
2. De evaluatiecommissie
wees in dit verband op ABRvS 27 juni 1995, JB
1995, 205, AB 1996, 107 m.nt. I.C. van der
Vlies en Gst. 1995, 7025, 2 m.nt. H.Ph.J.A.M.
Hennekens (Wet op de bejaardenoorden), en op ABRvS 22 augustus 1996, nr. E04.94.0309.
Hier moeten ook nog worden genoemd ABRvS 27
november 1996, AB 1997, 76 m.nt. P.J.J. van Buuren en Bouwrecht 1997, 318
m.nt.
A A.J.
de Gier, respectievelijk ABRvS 19 november 1998, AB
1999, 72 m.nt. F.C.M.A.
Michiels en Gst. 1999, 7095, 5 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens, waarin de
Afdeling
bestuursrechtspraak uitsprak dat de voorbereidingsprocedure
voor een streekplan uit de Wet
op de Ruimtelijke Ordening respectievelijk de procedure in artikel 3
van de Wet
gemeenschappelijke regelingen voor de wijziging van de gebiedsindeling
van een gemeenschappelijke regeling, niet met die van (de paragrafen 3.5.2 tot en
met 3.5.5 van) afdeling 3.5 Awb gelijk kunnen
worden gesteld.
De evaluatiecommissie
vond dat de geschetste problemen vooral voortkomen uit de bijzondere
wetgeving en minder uit de Awb. Hoewel deze problemen wel de vraag
opriepen of er wel behoefte is aan twee openbare voorbereidingsprocedures,
vond de commissie het nog wat te vroeg om reeds een
wetswijziging aan te bevelen.
In het kabinetsstandpunt
is echter geconcludeerd dat het beter is om toch op korte termijn de beide
voorbereidingsprocedures te integreren in één uniforme procedure.
Doorslaggevend argument daarvoor was dat het naast elkaar bestaan van
de twee voorbereidingsprocedures in de weg staat aan één van de belangrijkste doelstellingen van de Awb, te weten
vereenvoudiging en
harmonisatie van de bestuursrechtelijke wetgeving. Vanuit het grote belang
van voor zowel burger als bestuur overzichtelijke besluitvormings- en
rechtsbeschermingsprocedures en het tegengaan van onnodige juridisering is
dit een reëel probleem.
Ook de reacties van het
IPO en de VNG op het evaluatieverslag gaven het vorige kabinet aanleiding
tot de constatering dat niet eerst nog nader onderzoek noodzakelijk is
alvorens tot wetswijziging zou kunnen worden overgegaan. Daarbij is
ook in de beschouwingen betrokken dat het nut van twee naast elkaar bestaande voorbereidingsprocedures reeds bij de
totstandkoming van de Awb
ter discussie is gesteld. Zoals de evaluatiecommissie in haar verslag heeft
uiteengezet, was het aanvankelijk de bedoeling om in de Awb te
volstaan met de huidige afdeling 3.4 en deze afdeling ook van
toepassing te laten zijn op de voorbereiding van milieuvergunningen en andere besluiten in
het kader van de Wet
milieubeheer. Voor de voorbereiding van
deze besluiten gold echter reeds een uitgebreide openbare
voorbereidingsprocedure, die uiteindelijk in een afzonderlijke afdeling 3.5 van de
Awb is neergelegd (zie de Wet van 14 oktober 1993,
Stb. 1993, 581, en de
daarop betrekking hebbende Kamerstukken 22 601).
In het genoemde
kabinetsstandpunt is het vorige kabinet voorts tot het oordeel gekomen dat zodra
in de Awb één uniforme voorbereidingsprocedure zal zijn opgenomen, voor
besluiten waarbij die procedure is toegepast, de
bezwaarschriftprocedure dient te worden uitgesloten. Thans geldt dit reeds voor de
procedure van afdeling 3.5, maar niet voor die van
afdeling 3.4. Uitsluiting
van de bezwaarschriftprocedure ligt in de rede, aangezien belanghebbenden
bij toepassing van een openbare voorbereidingsprocedure ruim de gelegenheid hebben om zienswijzen
naar voren te brengen.
Een daaropvolgende bezwaarschriftprocedure zal doorgaans niet veel meer
toevoegen aan hetgeen reeds bekend is en dus ook niet snel tot
heroverweging leiden. In het rapport "Bestuur in
geding" van de werkgroep inzake
terugdringing van de juridisering in het openbaar bestuur (werkgroep-Van
Kemenade) is eveneens op dit aspect gewezen.¹
Praktisch gezien betekent
het kabinetsstandpunt dat de bezwaarschriftprocedure vervalt voor alle
besluiten waarbij thans afdeling 3.4 wordt toegepast.
1. Bestuur in geding,
Provinciehuis Noord-Holland, november 1997,
blz. 49-51.
In de bespreking van het
kabinetsstandpunt op 9 september 1998 met de vaste Tweede-Kamercommissies voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (Kamerstukken II 1998-1999, 25 383, nr. 2) werd de voorgenomen
samenvoeging van de afdelingen 3.4 en 3.5 aldaar algemeen als nuttig en voor de
hand liggend gezien. Ook het voornemen om bij toepassing van deze
nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure de toepasbaarheid van de
bezwaarschriftprocedure uit te sluiten, kon op brede steun rekenen.
rblz.|4|
3. Uitgangspunten van de
nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Dit wetsvoorstel bevat de
nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals deze is
aangekondigd in het regeerakkoord en het kabinetsstandpunt over de
evaluatie van de Awb. Bij het opstellen van de nieuwe
voorbereidingsprocedure is ernaar gestreefd het juiste midden te vinden tussen de globale
procedure van de huidige afdeling 3.4 en de meer gedetailleerde
procedure van de huidige afdeling 3.5 (hierna kortheidshalve verder aangeduid als
respectievelijk de huidige 3.4- en de huidige
3.5-procedure). Daarbij is nadrukkelijk acht geslagen op het in het
regeerakkoord vastgelegde
uitgangspunt dat er een "niet-gedetailleerde" procedure moet komen. Dit
heeft in zoverre geleid tot een versobering dat een aantal details uit de
huidige 3.5-procedure niet zijn overgenomen. Dit betekent dat een aantal
onderwerpen uitdrukkelijk ongeregeld blijft en er derhalve het één en ander
aan de prudentie van de betrokken bestuursorganen wordt overgelaten.
Voorbeelden hiervan zijn het versturen van een ontvangstbevestiging aan degene die schriftelijk zijn zienswijze naar
voren heeft gebracht, het
aantekenen van de datum van ontvangst op deze stukken, een
gedetailleerde opsomming van ter inzage te leggen stukken, de tijdstippen
waarop stukken kunnen worden ingezien, etc. Het ongeregeld blijven van
deze onderwerpen heeft echter geenszins als oogmerk de toepassing van
de huidige procedures op deze punten te veranderen. Integendeel,
wij zijn van oordeel dat de betrokken bestuursorganen, ook zonder dat deze
onderwerpen stuk voor stuk voorwerp zijn van wettelijke
regulering, de voorbereidingsprocedure moeten en zullen blijven toepassen op een
wijze die recht doet aan het uitgangspunt dat besluiten op een
zorgvuldige wijze worden voorbereid. De ervaringen met de toepassing van de
huidige 3.4-procedure, die reeds een zodanig sober karakter kent, geven geen
aanleiding om te veronderstellen dat aan de nu voorgestelde nieuwe
procedure een invulling zal worden gegeven die aan dat uitgangspunt afbreuk
doet.
Dit neemt niet weg dat
een aantal zorgvuldigheidswaarborgen uit de huidige 3.5-procedure
zodanig belangrijk moet worden geacht dat deze naar ons oordeel ook een
plaats moeten krijgen in de wettelijke regeling van de nieuwe
voorbereidingsprocedure. Ook de nieuwe procedure moet immers de essentiële
waarborgen bevatten die nodig zijn voor een behoorlijke inbreng van
belangen van aanvragers en derden-belanghebbenden bij de afweging over de
te nemen beslissing. Dit is mede van belang omdat de nieuwe
voorbereidingsprocedure tot gevolg heeft dat de verplichte
bezwaarschriftprocedure na het nemen van het besluit vervalt. In verband daarmee is ook
bezien welke elementen uit de bezwaarschriftprocedure (dus in het bijzonder de
bepalingen van hoofdstuk 6 en afdeling 7.2 Awb) tevens van
belang kunnen zijn voor de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Hierna wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan op de verschillen tussen de
nieuwe voorbereidingsprocedure en de huidige 3.4- en
3.5-procedures.
Bij de vormgeving en
reikwijdte van de nieuwe voorbereidingsprocedure is nadrukkelijk onder
ogen gezien dat zij ook geschikt moet zijn voor regelingen die voorzien in de
coördinatie van besluitvorming. Zoals bekend bereidt de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht thans een regeling voor
over dit onderwerp. Het is de bedoeling dat voor de zogenaamde procedurele
coördinatie van besluiten aansluiting wordt gezocht bij de nieuwe uniforme
openbare voorbereidingsprocedure. Dit betekent onder meer dat zowel besluiten op aanvraag als ambtshalve te nemen
besluiten gelijktijdig
moeten kunnen worden voorbereid via de thans voorgestelde procedure.
Hetzelfde geldt voor coördinatieregelingen in bijzondere wetgeving. De
gebundelde voorbereiding van besluiten in het kader van de voorgenomen
rijksprojectenprocedure in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de
nieuwe Tracéwetprocedure (zie Kamerstukken II rblz.|5|
1998-1999, 26 343, nrs. 1-3)
en de soortgelijke procedure die zal worden opgenomen in de nieuwe Wet
luchtvaart zal gaan verlopen op basis van toepasselijkheid van de
thans voorgestelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Voorts zij erop gewezen
dat de nieuwe procedure - evenals overigens de beide huidige openbare voorbereidingsprocedures
- in beginsel ook
toepasbaar zal zijn op
andere handelingen dan besluiten. De schakelbepaling van artikel
3:1, tweede
lid, Awb
geeft hiervoor de juridische basis.
Ten slotte merken wij nog
op dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State en van de Hoge Raad blijkt dat kosten van het naar voren
brengen van zienswijzen in de regel niet voor vergoeding in aanmerking
komen. Op dit onderwerp is nader ingegaan in het nader rapport (punt
7) en de memorie van toelichting (hoofdstuk 1 van het
algemeen deel) van
het tegelijkertijd met het onderhavige wetsvoorstel ingediende wetsvoorstel
kosten bestuurlijke voorprocedures, waarnaar wij kortheidshalve mogen
verwijzen.
4. Essentie van de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure
De voorgestelde
procedure, zoals neergelegd in de nieuwe afdeling
3.4, verloopt in essentie als
volgt.
De procedure begint met
een openbare kennisgeving van het desbetreffende bestuursorgaan in een
dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. In de kennisgeving wordt
mededeling gedaan van het feit dat een ontwerp-besluit en daarop betrekking
hebbende stukken ter inzage zullen worden gelegd. In die kennisgeving wordt de zakelijke inhoud van het
ontwerp-besluit
vermeld. Verder blijkt
uit de kennisgeving waar en wanneer de stukken ter inzage
liggen, wie er zienswijzen over het ontwerp-besluit naar voren kunnen brengen en
op welke wijze dat kan gebeuren. Het bestuursorgaan stelt eventuele
geadresseerden van het te nemen besluit persoonlijk op de hoogte van het
ontwerp-besluit en van de gegevens die ook in de openbare kennisgeving
zijn vermeld.
Daarna legt het
bestuursorgaan het ontwerp-besluit ter inzage. Daarbij moeten ook de op het
ontwerp-besluit betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd,
voor zover die stukken redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van
het ontwerp-besluit. Het bestuursorgaan houdt het ter inzage gelegde
dossier actueel met eventuele nieuwe stukken. Met een beroep op de
uitzonderingen, genoemd in de Wet
openbaarheid van bestuur, kan de
openbaarmaking van bepaalde stukken achterwege blijven. De stukken
kunnen worden ingezien gedurende de termijn waarbinnen zienswijzen over het
ontwerp-besluit naar voren kunnen worden gebracht. Tegen
vergoeding kan men een afschrift van de stukken krijgen. Vanaf het tijdstip waarop
het ontwerp-besluit ter inzage is gelegd, kunnen gedurende zes weken
mondeling en schriftelijk zienswijzen over het ontwerp-besluit naar
voren worden gebracht. De eventuele aanvrager of andere concrete
geadresseerden van het besluit kunnen reageren op de naar voren gebrachte
zienswijzen. Van hetgeen mondeling naar voren wordt gebracht, wordt een
verslag gemaakt.
Als het gaat om een
besluit op aanvraag, moet het bestuursorgaan binnen zes maanden na ontvangst
van de aanvraag een definitief besluit nemen. Bij zeer ingewikkelde of
omstreden onderwerpen kan deze termijn met een redelijke termijn
worden verlengd. Voor (het merendeel van) op aanvraag te nemen
wijzigings- of intrekkingsbesluiten geldt een specifieke beslistermijn van twaalf
weken na de terinzagelegging van het ontwerp. Voor ambtshalve te nemen
besluiten geldt geen algemene beslistermijn. Het definitieve besluit
moet worden bekendgemaakt aan de geadresseerden. Ook aan degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht,
wordt mededeling gedaan
van het besluit. Als het gaat om een grote groep van personen die
zienswijzen naar voren hebben gebracht, geldt rblz.|6|
een vereenvoudigd regime voor het doen van die mededeling. Verder
moet ook van het
definitieve besluit een openbare kennisgeving worden gedaan in een dag-,
nieuws- of huis-aan-huisblad. Het definitieve besluit en de daarop betrekking
hebbende stukken kunnen worden ingezien gedurende de termijn
waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld.
Belanghebbenden die zich
niet met het besluit kunnen verenigen, kunnen binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit beroep instellen bij
de bestuursrechter. De
verplichting om eerst bezwaar te maken bij het bestuursorgaan zelf
blijft buiten toepassing.
5. Verantwoording van de
gemaakte keuzen op basis van een vergelijking tussen de
huidige afdelingen 3.4 en 3.5 Awb
5.1.
Toegang tot de
procedure
De huidige 3.4-procedure
kent de hoofdregel dat "belanghebbenden" kunnen deelnemen aan de voorbereidingsprocedure. In de wettelijke
regeling of het besluit
waarin de 3.4-procedure van toepassing is verklaard, kan de kring
van inspraakgerechtigden echter worden uitgebreid (zie het huidige artikel
3:13, eerste en tweede lid). De huidige 3.5-procedure bevat een
hoofdregel die precies andersom is. Ingevolge de huidige artikelen
3:24,
eerste lid, en 3:25, eerste lid, kan "een
ieder" deelnemen aan de voorbereidingsprocedure. In de wettelijke regeling of het
besluit waarin de 3.5-procedure van toepassing is verklaard, kan de kring van inspraakgerechtigden
worden beperkt, met als "ondergrens" de belanghebbenden in de zin
van de Awb.
Materieel behoeft er dus
geen verschil te bestaan. De wet sluit zelfs niet uit dat in specifieke
situaties een beperktere kring van personen toegang heeft tot de huidige
3.5-procedure dan tot de huidige 3.4-procedure. De huidige
3.4-procedure
sluit aan op het in de Awb centraal gestelde begrip "belanghebbende", dat
in artikel 1:2 Awb is gedefinieerd. Omdat wij het van belang achten zoveel
mogelijk aan te sluiten bij de systematiek van de Awb, stellen wij voor om
ook voor de toegang tot de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit te gaan van toegang tot de procedure
voor "belanghebbenden",
maar daarbij de mogelijkheid te openen dat in de wettelijke
regeling of het besluit waarin de voorbereidingsprocedure van toepassing is
verklaard, een ruimere kring van personen als inspraakgerechtigden
wordt aangemerkt. Dit is vastgelegd in het nieuwe artikel
3:15,
tweede lid. De bepaling dat de procedure openstaat voor "belanghebbenden"
is daarmee van regelend recht. Indien in bijzondere wetgeving voor een
ruimere kring van inspraakgerechtigden wordt gekozen, is dus geen
sprake van een afwijking van de Awb waarbij uitdrukkelijk moet worden
aangegeven dat de regeling geldt "in afwijking
van" de Awb.
Dit wetsvoorstel brengt
geen wijziging in de omvang van de kring van inspraakgerechtigden voor
besluiten die onder de werkingssfeer van de huidige 3.4- of
3.5-procedure vallen. Ook de aanpassingswetgeving zal hierin als regel geen
verandering brengen. In de bijzondere wetgeving zal de bestaande kring van
inspraakgerechtigden worden gehandhaafd. Dit betekent onder andere dat
voor milieubesluiten de situatie zal blijven bestaan dat "een
ieder"
toegang heeft tot de voorbereidingsprocedure. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de vraag wie kunnen deelnemen aan
de openbare
voorbereidingsprocedure in beginsel een andere is dan de vraag wie gerechtigd zijn
tot het instellen van beroep bij de administratieve rechter. De kring van
beroepsgerechtigden kan kleiner zijn dan de kring van
inspraakgerechtigden; het omgekeerde is echter onwenselijk. Bezwaar en beroep staan,
overeenkomstig de artikelen 8:1 juncto 7:1 Awb, open voor
"belanghebbenden". In wetgeving op het terrein van ruimtelijke
ordening en milieu is
indertijd echter gekozen voor een ruimere kring rblz.|7|
van beroepsgerechtigden.
Daar heeft de reikwijdte van de kring van degenen die aan de
voorbereidingsprocedure deelnemen wél betekenis voor de reikwijdte van de
kring van beroepsgerechtigden. Zo is bijvoorbeeld in de artikelen 20.6 en
20.10 van de Wet
milieubeheer vastgelegd dat beroep tegen met
toepassing van de huidige 3.5-procedure genomen besluiten kan worden ingesteld door al degenen die bedenkingen hebben
ingebracht tegen het
ontwerp van het besluit. Omdat de 3.5-procedure voor een ieder openstaat,
heeft via die constructie dus in beginsel een ieder het recht om beroep
bij de administratieve rechter in te stellen tegen de desbetreffende
milieubesluiten (actio popularis). In het regeerakkoord is vastgelegd dat
rechtsbescherming in beginsel alleen moet openstaan voor belanghebbenden en
dat in dat kader de actio popularis nader zal worden bezien (Kamerstukken II
1997-1998, 26 024, nr. 10, blz. 77). Met het oog daarop is een
onderzoek gedaan naar de praktische consequenties van de actio popularis
voor de belangenbescherming en de kwaliteit van de besluitvorming op het
terrein van de ruimtelijke ordening en het milieu.¹
1. Zie hierover de
kabinetsnotitie Juridisering in het openbaar bestuur (Kamerstukken II
1998-1999, 26 360, nr. 1, blz. 29-30) en mededelingen ter zake van de Minister
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer bij
de schriftelijke voorbereiding van de VROM-begroting
1999 (Kamerstukken II 1998-1999,
26 200 XI, nr. 5, blz. 12, antwoord 46). Het
door de Universiteit Utrecht opgestelde onderzoeksrapport is door voornoemde minister aan
de Tweede Kamer toegezonden bij brief van
17 maart 1999, nr. M 101.
5.2. Besluiten op aanvraag
en ambtshalve te nemen besluiten; wijzigings- en intrekkingsbesluiten
De huidige 3.4-procedure
bevat een regeling die geldt voor de voorbereiding van zowel besluiten op
aanvraag als ambtshalve te nemen besluiten. De huidige 3.5-procedure
kent afzonderlijke procedures voor beide categorieën van besluiten: paragrafen
3.5.2
tot en met 3.5.5 voor besluiten op aanvraag en 3.5.6 voor ambtshalve
te nemen besluiten (waarbij moet worden aangetekend dat op
verzoek genomen wijzigings- en intrekkingsbesluiten ook onder de procedure
van paragraaf 3.5.6 vallen).
In de nieuwe uniforme
openbare voorbereidingsprocedure is ernaar gestreefd het systeem van
de huidige 3.4-procedure te volgen, dat wil zeggen één uniforme
procedure voor besluiten op aanvraag en ambtshalve te nemen besluiten.
Alleen voor bepaalde besluiten inzake intrekking of wijziging van een
eerder besluit zijn in de nieuwe artikelen
3:15, vierde lid, en 3:18,
derde lid, nog enkele nadere voorzieningen getroffen, die zijn ontleend aan
paragraaf 3.5.6 van de huidige 3.5-procedure.
De bepalingen in de
huidige paragraaf 3.5.6 zijn destijds overgenomen van de toenmalige afdeling 13.3
van de Wet milieubeheer, die handelde over beschikkingen inzake
wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing. De procedure
was dus oorspronkelijk bedoeld voor het - al dan niet op verzoek -
eventueel wijzigen of intrekken van op aanvraag genomen besluiten die
zelf voorbereid waren met toepassing van de openbare
voorbereidingsprocedure (in de systematiek van de Wet
milieubeheer betroffen deze besluiten
vergunningen of ontheffingen). Bij de totstandbrenging van de
huidige 3.5-procedure is de werkingssfeer van
paragraaf 3.5.6 uitgebreid tot
alle ambtshalve te nemen besluiten. Gebleken is echter dat, onder andere
op het punt van de termijnen, de regeling in paragraaf
3.5.6 minder geschikt
is voor ambtshalve te nemen besluiten, waardoor daarop in de bijzondere
wetgeving afwijkingen en aanvullingen moesten worden geregeld. Ook leverde de toepasselijkheid van twee
procedures
fricties op in gevallen
waarin het wenselijk bleek om met het oog op coördinatie van besluitvorming
besluiten op aanvraag en ambtshalve te nemen besluiten gelijktijdig voor te bereiden. Voorts blijkt het bestaan van
twee specifieke
voorbereidingsprocedures binnen de 3.5-procedure soms te leiden tot
onduidelijkheid over de vraag welke van beide procedures moet worden
toegepast.¹
1. Vgl. ABRvS 5 maart 1998,
ABKort 1998, 188 en M en R 1998/5, nr. 70K
(Gennep); ABRvS 6 april 1998, ABkort 1998,
327 en M en R 1998/6, nr. 104K (Tubbergen); ABRvS 29 september 1998, ABKort 1998, 618 en
M en R 1999/7/8, nr. 59 m.nt. A. Freriks (Ermelo).
Uit het oogpunt van
vereenvoudiging van de regelgeving en om geen onnodige wettelijke
belemmeringen op te werpen voor een gecoördineerde voorbereiding van
ambtshalve te nemen besluiten en besluiten op aanvraag, stellen wij
thans voor om de afzonderlijke procedure voor rblz.|8|
ambtshalve te nemen
besluiten en wijzigings- en intrekkingsbesluiten te laten opgaan in de
algemene regeling. Dit draagt ook bij aan een grotere doorzichtigheid en
toegankelijkheid van de voorbereidingsprocedure. Deze keuze heeft tot
gevolg dat enkele specifieke onderdelen uit de huidige paragraaf
3.5.6 komen te
vervallen ten faveure van de algemene bepalingen. Dit betreft de volgende
onderwerpen.
1. Terinzagelegging
Het huidige
artikel 3:30,
eerste lid, geeft als hoofdregel dat van een ontwerp-besluit alleen
wordt kennisgegeven in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad of op
een andere geschikte wijze c.q. in de Staatscourant. Terinzagelegging blijft
in beginsel achterwege, tenzij in het wettelijk voorschrift of in het besluit waarin de voorbereidingsprocedure van
toepassing wordt verklaard uitdrukkelijk ook terinzagelegging van de stukken is
voorgeschreven. In de praktijk wordt nogal eens aan laatstgenoemde mogelijkheid toepassing
gegeven (zie bijvoorbeeld artikel 7 van de Tracéwet). Hiervoor
zijn ook goede redenen, aangezien de terinzagelegging van stukken - en
daarmee de mogelijkheid om kennis daarvan te nemen - een essentiële
voorwaarde is om zienswijzen naar voren te kunnen brengen. Wij geven
er dan ook de voorkeur aan om ook bij ambtshalve te nemen besluiten en
wijzigings- en intrekkingsbesluiten aan te sluiten bij de algemene
regel dat terinzagelegging steeds behoort plaats te vinden. Het nieuwe
artikel 3:11 zal dus onverkort van toepassing zijn.
2. De voornemenprocedure
In het huidige
artikel 3:30, tweede lid, is vastgelegd dat, voordat een ontwerp van een
wijzigings- of intrekkingsbesluit wordt opgesteld, degene tot wie het te wijzigen
of in te trekken besluit was gericht (hierna eenvoudigheidshalve
verder aan te duiden als de vergunninghouder) daarvan schriftelijk in
kennis moet worden gesteld. De vergunninghouder moet daarbij in de
gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze over het voornemen naar voren
te brengen. Het huidige artikel 3:30, derde lid, bepaalt verder dat ook
degene die eventueel heeft verzocht om de intrekking of wijziging van het
voornemen op de hoogte moet worden gebracht. Het betreft hier in wezen
een wettelijke vastlegging van vooroverleg, voorafgaand aan de
opstelling van een ontwerp-besluit. Vanzelfsprekend kunnen aan een dergelijk
vooroverleg voordelen zijn verbonden. Daarmee kan worden voorkomen dat
een ontwerp-besluit wordt opgesteld dat onjuist of onvoldragen
is. Ook is het mogelijk dat het bestuursorgaan op basis van het vooroverleg
concludeert dat intrekking of wijziging niet in de rede ligt, zodat geheel
wordt afgezien van het opstellen van een ontwerp-besluit. Echter, ook zonder een
wettelijke verplichting is het mogelijk - en vaak wenselijk - om
vooroverleg te voeren. Anderzijds zijn ook gevallen denkbaar waarin
vooroverleg niet gewenst is, maar meteen de procedure wordt gestart om een
ontwerp-besluit op te stellen en ter inzage te leggen. Het huidige artikel 3:30, tweede lid, geeft dit overigens ook al aan, doordat deze bepaling van
regelend recht is. Bij wettelijk voorschrift of in het besluit waarbij de
3.5-procedure van toepassing wordt verklaard, kan van de voornemenprocedure
worden afgezien.
In paragraaf
5.2 van het
evaluatieverslag van de Awb
is uitgebreid ingegaan op de voor- en nadelen van
wettelijke structurering van vooroverleg.¹ Geconcludeerd is dat een wettelijke
regeling van vooroverleg leidt tot onnodige formalisering van
informele procedures. De evaluatiecommissie concludeert dat wettelijk verplicht
vooroverleg toch weer leidt tot informeel vooroverleg voorafgaand
aan het wettelijk verplichte vooroverleg, omdat juist de behoefte aan
informeel contact blijft bestaan. Het vorige kabinet heeft in paragraaf
4.2 van het
kabinetsstandpunt over de evaluatie de conclusies van de evaluatiecommissie
onderschreven (Kamerstukken II 1997-1998, 25 600 VI, nr. 46, blz.
13-14). Op basis hiervan stellen wij voor om de voornemenprocedure uit de
huidige paragraaf 3.5.6 niet meer te vervatten in een rblz.|9|
expliciete wettelijke
regeling. Ook naar ons oordeel heeft het de voorkeur om aldus het informele
karakter van het vooroverleg tot uitdrukking te brengen. De complexiteit
van de regeling wordt hierdoor ook aanmerkelijk verminderd. Deze keuze
laat de rechtswaarborgen voor een zorgvuldige voorbereiding van beschikkingen onverlet. In dit verband kan worden
gewezen op artikel 4:10 Awb, waaruit voortvloeit dat de de geadresseerde van de te nemen
beschikking ook bij de hoorprocedure volgens de nieuwe openbare voorbereidingsprocedure
- die immers strekt tot uitvoering van
de algemene hoorplicht in
de artikelen 4:7 en 4:8
Awb - persoonlijk op de hoogte moet worden
gesteld van de hoorprocedure.
Voortaan zal over de hele
linie de eenvoudige en duidelijke regel gelden dat de eerste formele
stap de publicatie van een ontwerp-besluit is. Op de daarvoor in aanmerking
komende plaatsen van deze memorie wordt ingegaan op de specifieke
gevolgen die uit deze keuze voortvloeien.
1. Toepassing en effecten
van de Algemene wet bestuursrecht 1994-1996.
Verslag van de Commissie evaluatie
Algemene wet bestuursrecht. Sdu, Den Haag 18 december
1996, blz. 41-42.
3. Termijn voor het naar
voren brengen van zienswijzen
Het huidige
artikel 3:32,
eerste lid, geeft een standaardtermijn van twee weken voor het inbrengen
van bedenkingen tegen het ontwerp-besluit. Dit is een zeer korte
termijn, die in de praktijk lang niet altijd wordt aangehouden. In artikel 7, derde lid,
van de Tracéwet is bijvoorbeeld een van artikel 3:32 afwijkende termijn van acht weken opgenomen. Met het oog
op de gewenste
vereenvoudiging en uniformiteit in de procedure stellen wij thans voor ook hier
de standaardtermijn aan te houden van het nieuwe artikel
3:16, te weten een termijn van zes weken, te rekenen vanaf
het tijdstip van
terinzagelegging (zie paragraaf 5.3 hierna).
4. Mondeling naar voren
brengen van zienswijzen
Het huidige
artikel 3:32,
eerste lid, biedt alleen de mogelijkheid om schriftelijke bedenkingen in te
brengen. Deze beperking doet afbreuk aan de waarborgen om tot een
zorgvuldige besluitvorming te komen. Bij besluiten op aanvraag is het
mogelijk om ook mondelinge bedenkingen in te brengen, bijvoorbeeld via
een hoorzitting. Ook voor het bestuursorgaan kunnen hier uit het
oogpunt van efficiency duidelijke voordelen aan zijn verbonden. Er is geen
reden om deze mogelijkheid voor andere besluiten categorisch uit te
sluiten.
5.3. Termijnen
De huidige 3.4-procedure
is noch als geheel, noch voor onderdelen daarvan aan enige
maximumtermijn gebonden. De enige wettelijke termijn is die in het
huidige artikel 3:13, derde lid, in verbinding met het huidige
artikel 3:11,
eerste lid. Daaruit volgt dat de termijn om zienswijzen naar voren te brengen ten
minste vier weken bedraagt. Dit is dus een minimumtermijn.
Bij de huidige 3.5-procedure is dit anders. Voor het nemen van besluiten op aanvraag geldt in de
eerste plaats een beslistermijn van maximaal zes maanden, te rekenen vanaf
de ontvangst van de aanvraag (zie het huidige artikel
3:28). Deze
termijn kan ingevolge het huidige artikel 3:29 voor besluiten over zeer ingewikkelde of omstreden onderwerpen met een
redelijke termijn worden
verlengd. Voor besluiten tot wijziging of intrekking van een besluit geldt
krachtens het huidige artikel 3:32 een beslistermijn van maximaal zestien
weken, te rekenen vanaf de kennisgeving van een voornemen, of van
acht weken, te rekenen vanaf de publicatie van een ontwerp-besluit als
geen toepassing is gegeven aan de "voornemenprocedure".
In de tweede plaats kent
de huidige 3.5-procedure nog bepalingen met diverse deeltermijnen
voor bepaalde stappen binnen de totale procedure. De
belangrijkste zijn:
- Artikel 3:18, eerste lid. Bestuursorgaan moet binnen acht weken na
rblz.|10|
ontvangst van de aanvraag
de aanvrager in de gelegenheid stellen om een onvolledige aanvraag
aan te vullen.
- Artikel 3:19, eerste
lid. Twaalf weken na ontvangst van de aanvraag moet het ontwerp-besluit
worden toegezonden aan de aanvrager en de andere betrokken
bestuursorganen. Voor besluiten over zeer ingewikkelde of omstreden besluiten
kan deze termijn met een redelijke termijn worden verlengd.
- Artikel 3:19, tweede
lid. Twee weken na die toezending moet terinzagelegging en openbare kennisgeving
van het ontwerp-besluit plaatsvinden.
- Artikel 3:22, eerste
lid. "Uitgebreid" inzagerecht gedurende vier weken.
- Artikel 3:23, eerste
lid. Adviserende bestuursorganen moeten binnen vier weken na de dag
waarop het ontwerp ter inzage is gelegd hun advies uitbrengen.
- Artikel 3:24, eerste
lid. Schriftelijke bedenkingen moeten worden ingebracht binnen vier weken na de
dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
Wij achten het van belang
dat de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoveel mogelijk duidelijkheid verschaft over de vraag hoe
lang de totale procedure
ten hoogste kan duren. Verder komt het de duidelijkheid en
rechtszekerheid ten goede als in beginsel een vaste termijn gaat gelden voor
het naar voren brengen van zienswijzen. Het ontbreken van enige
termijnstelling op deze punten, zoals nu nog in de huidige 3.4-procedure het
geval is, doet afbreuk aan de rechtszekerheid van de betrokkenen bij
deze procedure. Andere "deeltermijnen" voor verschillende fasen in de
procedure maken de regeling echter onnodig gedetailleerd en maken de
toepassing van de voorbereidingsprocedure ook te weinig flexibel.
Daarom is er in de de
nieuwe opzet van de voorbereidingsprocedure in de eerste plaats voor
gekozen om één algemene beslistermijn op te nemen voor de procedure inzake
het nemen van besluiten op aanvraag. Deze termijn is,
overeenkomstig de huidige 3.5-procedure, zes maanden, met de mogelijkheid van
verlenging voor besluiten over zeer ingewikkelde of omstreden onderwerpen
(zie het nieuwe artikel 3:18, eerste en tweede lid). Overeenkomstig de
procedure van de huidige paragraaf
3.5.6 is daarbij voorzien in een kortere beslistermijn
voor het (op aanvraag) nemen van enkele categorieën van wijzigings- en
intrekkingsbesluiten. Het gaat hier om de categorieën wijzigings- en
intrekkingsbesluiten waarop thans krachtens afdeling 8.1.2 (Wijziging of
intrekking van vergunningen) van de Wet
milieubeheer de huidige paragraaf
3.5.6 van
de Awb van toepassing is verklaard, voor zover het geen ambtshalve
te nemen besluiten betreft. Ten aanzien van deze categorieën van
besluiten is gekozen is voor een beslistermijn van twaalf weken, te rekenen
vanaf de terinzagelegging van het ontwerp-besluit (zie het nieuwe artikel
3:18, derde lid). In verband met de thans voorgestelde vaste
inspraaktermijn van zes weken (zie hierna) zijn de in het huidige artikel 3:33
genoemde beslistermijnen van zestien weken (na het volgen van de zogenaamde
voornemenprocedure) onderscheidenlijk acht weken (zonder de zogenaamde
voornemenprocedure) niet meer bruikbaar. De nu voorgestelde termijn van
twaalf weken betekent de facto dat de termijn als regel gelijk is
verdeeld over de inspraakperiode (ingevolge artikel
3:16 doorgaans zes weken) en
de periode die het bestuursorgaan daarna nog heeft om het definitieve
besluit te nemen. Gelet op het voorstel om de voornemenprocedure niet
meer wettelijk te regelen (zie paragraaf 5.2), behoeft geen specifieke
beslistermijn meer te worden geregeld voor de situatie waarin eerst van een
voornemen is kennisgegeven.
Voor ambtshalve te nemen
besluiten is geen termijn opgenomen, dus ook niet meer voor ambtshalve
te nemen wijzigings- en intrekkingsbesluiten. Het karakter van dit
soort besluiten brengt met zich dat het regelen van rblz.|11|
een uniforme termijn in
de Awb niet goed mogelijk is. Zo nodig dient de bijzondere wetgever in
termijnen te voorzien voor het nemen van specifieke ambtshalve te nemen
besluiten. Wat de Wet milieubeheer betreft, zal in de op basis van de
artikelen 8.22 en 8.25 Wet
milieubeheer te nemen ambtshalve besluiten, waarop thans paragraaf
3.5.6 van de Awb van toepassing is verklaard, worden aangesloten bij de
in het nieuwe artikel 3:18, derde lid, neergelegde beslistermijn.
Overschrijding van de
beslistermijnen uit het nieuwe artikel 3:18 heeft tot gevolg dat rechtstreeks
beroep openstaat bij de administratieve rechter. Het niet tijdig beslissen
op een aanvraag waarop met toepassing van de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure zou moeten worden beslist, moet blijkens de op de
huidige 3.5-procedure betrekking hebbende jurisprudentie worden gelijkgesteld met
een beslissing waarop de voorbereidingsprocedure is toegepast. Dit
betekent dat ook dan gelet op artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d,
de bezwaarschriftprocedure niet van toepassing is en rechtstreeks beroep
openstaat bij de administratieve rechter.¹
1. Zie ABRvS
29 augustus
1996, AB 1997, 137 m.nt. G.T.J.M. Jurgens.
In de tweede plaats wordt
als termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen een termijn
van zes weken voorgesteld (zie het nieuwe artikel
3:16, eerste lid).
Aangezien de nieuwe voorbereidingsprocedure volledig in de plaats zal treden
van de huidige bezwaarschriftprocedure, is enerzijds aangesloten bij de termijn die geldt voor het maken van bezwaar.
Deze termijn bedraagt zes
weken (vgl. artikel 6:7 Awb). Ten opzichte van de huidige
3.5-procedure,
die een inspraaktermijn kent van ten hoogste vier weken, is dit dus een verruiming van twee weken. Ten opzichte van
de huidige 3.4-procedure,
die een inspraaktermijn kent van ten minste vier weken, levert dit in
sommige gevallen een kortere en in andere gevallen een langere termijn op.
Rekening houdend met de omstandigheid dat de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure anderzijds niet in alle opzichten vergelijkbaar
is met de bezwaarschriftprocedure, opent het nieuwe artikel
3:16,
eerste lid, overigens de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift een langere
termijn te regelen. Daarbij moet echter wel rekening worden gehouden met de
vaste beslistermijn voor de duur van de gehele procedure. De
nieuwe vaste termijn van zes weken heeft als belangrijk voordeel dat,
specifieke uitzonderingen daargelaten, burgers uit kunnen gaan van een
termijn van zes weken voor het ageren tegen een (ontwerp-)overheidsbesluit,
ongeacht of sprake is van een voorbereidingsprocedure, een bezwaarschriftprocedure of een beroepsprocedure. Dit
komt de rechtszekerheid
en inzichtelijkheid van het recht ten goede.
De VNG bepleit in haar
advies om een inspraaktermijn van vier weken aan te houden of, als een
termijn van zes weken toch wenselijk is, een evaluatiebepaling op te
nemen ten aanzien van het hanteren van deze termijn. De argumenten
van de VNG om de termijn van vier weken op vier weken te stellen, achten
wij minder zwaarwegend dan het belang van het gaan gelden van een vaste
inspraak-, bezwaar- en beroepstermijn van zes weken, te meer omdat de nu
voorgestelde voorbereidingsprocedure in de plaats treedt van de
bezwaarschriftprocedure. Bij de periodieke evaluatie van de Awb, verplicht
gesteld ingevolge artikel 11:1 Awb, zal de zeswekentermijn worden betrokken. Een
afzonderlijke evaluatiebepaling is gelet op artikel 11:1 Awb
niet
nodig. Evenmin hebben wij het voorstel van de VNG overgenomen om voor
bijzondere of spoedeisende gevallen een mogelijkheid tot verkorting van de
termijn op te nemen. Ook voor de bezwaarschriftprocedure bestaat die mogelijkheid
thans niet, zonder dat hier in de praktijk sprake lijkt te zijn van enig probleem. De tijdwinst die een kortere
inspraaktermijn zou
opleveren, zou hooguit twee tot vier weken bedragen. De betekenis hiervan is
naar ons oordeel te gering om een afwijkingsmogelijkheid in de wet te
rechtvaardigen.
In verband met de nu
voorgestelde vaste inspraaktermijn is het wel van belang dat duidelijk is
wanneer zienswijzen nog als tijdig naar voren gebracht kunnen worden
beschouwd. Thans bestaat hierover geen volledige rblz.|12|
duidelijkheid.¹ Ook
is gewenst dat de wetgever duidelijkheid verschaft over de vraag
hoe moet worden gehandeld indien al vóór de feitelijke
terinzagelegging van het ontwerp-besluit zienswijzen naar voren worden gebracht. Dit
laatste kan zich voordoen, aangezien voor de feitelijke terinzagelegging reeds
een openbare kennisgeving geschiedt van het ontwerp-besluit (zie het
nieuwe artikel 3:12). Met het oog hierop zijn in het voorgestelde
artikel 3:16
enkele voorzieningen getroffen, waarin onder andere de op die materie
betrekking hebbende artikelen 6:9 en 6:10 Awb
betreffende de
bezwaarschriftprocedure van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Uitdrukkelijk is afgezien van het van overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 6:11 Awb (verschoonbare termijnoverschrijding), aangezien het karakter
van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure - met vaste beslistermijnen
- zich moeilijk verdraagt met de situatie
dat in een later stadium alsnog rekening moet (of had moeten) worden
gehouden met zienswijzen van personen die deze pas na afloop van de
inspraakperiode naar voren hebben gebracht (vgl. ook de in de toelichting
op artikel 3:16 aangehaalde jurisprudentie inzake de
toelaatbaarheid
van pro-formabedenkingen). Voor zover het gaat om
beroepsgerechtigden, zullen deze personen hun zienswijze eventueel aan de orde
kunnen stellen in een beroepsprocedure tegen het definitieve
besluit.
1. Vgl. T&C Awb
(Van Buuren), aant. 2 bij artikel 3:24, waarin analoge
toepassing van artikel 6:9 Awb wordt aangenomen.
Als gezegd, is het niet
nodig en ook niet wenselijk om naast de termijn voor de totale procedure
en de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen nog andere
onderdelen van de procesgang van een afzonderlijke termijn te voorzien. Dit
betekent onder andere dat ook is afgezien van enkele deeltermijnen die
nu nog zijn opgenomen in de 3.5-procedure.
5.4. Interbestuurlijk
verkeer
Anders dan de huidige
afdeling 3.4 bevat de huidige afdeling 3.5 een aantal bepalingen die
kunnen worden gebracht onder de noemer "interbestuurlijk
verkeer". Het gaat dan
met name om bepalingen die voorschrijven dat het ene
bestuursorgaan andere betrokken bestuursorganen in kennis stelt van de ontvangst van bepaalde documenten of van
bepaalde stappen in de
procedure. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de huidige artikelen
3:17, derde lid, 3:19, eerste lid, tweede volzin,
3:20, tweede lid, 3:23,
3:24,
derde lid, 3:29, tweede lid, 3:31, tweede lid,
3:32, tweede lid, en 3:44,
eerste lid. Onder deze noemer valt ook het huidige artikel
3:15, dat het aan
de bijzondere wetgever of het desbetreffende bestuursorgaan overlaat
om bestuursorganen aan te wijzen die via advisering of op andere wijze bij de
besluitvorming worden betrokken.
Deze bepalingen zijn niet
overgenomen in de thans voorgestelde regeling. Van bestuursorganen mag worden verwacht dat zij elkaar ook zonder
dergelijke wettelijke
regels op de hoogte stellen indien dat voor een goed verloop van de procedure
noodzakelijk is. Het is aan de bestuursorganen zelf om, zo nodig in voorafgaand bestuurlijk overleg, te bepalen hoe deze
interbestuurlijke
informatievoorziening het beste kan verlopen. Het niet opnemen van dergelijke
regels betekent dus niet dat aan de inbreng van andere bestuursorganen
geen gewicht wordt toegekend of een gewicht dat volstrekt
vergelijkbaar is met de inbreng van elke belanghebbende burger. De betrokkenheid
van bestuursorganen is een onderwerp dat naar ons oordeel echter niet
in een regeling op wetsniveau thuishoort, maar kan beter in onderling
afspraken worden geregeld. Een wettelijke regeling maakt de regeling van de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure evenwel onnodig complex
en beneemt het zicht op de essentie van de procedure: een heldere
beschrijving van de rechtsbetrekkingen tussen bestuursorganen en
burgers op het punt van de voorbereiding van besluiten. De VNG
is op
dit punt een andere mening toegedaan. Wij menen echter, om de
hiervoor aangegeven redenen, dat voor het waarborgen rblz.|13|
van de positie van
betrokken andere bestuursorganen een wettelijke verplichting niet de
meest aangewezen oplossing is. Bestuursorganen moeten in staat worden
geacht ook zonder wettelijke verplichtingen waar dat wenselijk is
elkaar van informatie te voorzien. Wettelijke regulering op dit punt verdraagt zich ook niet met het streven om tot een
globale en sobere
regeling te komen.
Uit praktische
overwegingen wordt in één onderdeel van de voorgestelde regeling wel op indirecte
wijze gerefereerd aan het interbestuurlijk verkeer. Dit betreft het
nieuwe artikel 3:16, waarin de termijn voor het naar voren brengen van
zienswijzen is neergelegd. In deze bepaling is opgenomen dat deze termijn tevens
geldt voor het uitbrengen van eventuele adviezen. Op die wijze is
gewaarborgd dat de eventuele advisering door andere betrokken
bestuursorganen niet leidt tot nodeloze vertragingen. Het stellen van een
termijn voor advisering door het bestuursorgaan zelf is dan ook niet meer
nodig (vgl. artikel 3:6, eerste lid, Awb).
5.5. Provinciale
kennisgevingen
In de huidige 3.5-procedure is voorgeschreven dat de kennisgeving van
ontwerp-besluiten moet
worden gepubliceerd in de Staatscourant indien het desbetreffende
bestuursorgaan behoort tot de rijksoverheid of de provinciale overheid (zie
het huidige artikel 3:19, tweede lid, onderdeel c). De huidige
3.4-procedure
beperkt deze verplichting daarentegen tot gevallen waarin het
desbetreffende bestuursorgaan behoort tot de rijksoverheid (zie het huidige
artikel 3:12, tweede lid).
Er moet derhalve een
keuze worden gemaakt of in de nieuwe voorbereidingsprocedure
verplicht moet worden gesteld dat aankondigingen van provinciale
ontwerp-besluiten ook steeds in ieder geval in de Staatscourant moeten
worden gepubliceerd. Naar aanleiding van de evaluatie van de Awb
is
door de provincies naar voren gebracht dat de daartoe strekkende
verplichting uit de huidige 3.5-procedure voor de provincies relatief veel
kosten met zich meebrengt, welke uiteindelijk worden doorberekend in de
leges. Voor provinciale publicaties in de Staatscourant worden
namelijk door de NV Sdu advertentietarieven in rekening gebracht. Verder
betwijfelen de provincies of deze publicaties wel zinvol zijn in het
licht van hetgeen daarmee wordt beoogd, aangezien de doelgroep zelden of
nooit de Staatscourant zou raadplegen. Het voorstel van de provincies is dan
ook om de verplichting tot publicatie in de Staatscourant voor de provincies te schrappen. Daarmee wordt bereikt dat
voor de decentrale
overheden één uniforme regeling geldt, in die zin dat die overheden zelf de
wijze van kennisgeven kunnen kiezen die naar hun oordeel het daarmee
beoogde doel zo goed mogelijk bereikt.
In het kabinetsstandpunt
over de evaluatie van de Awb heeft het vorige kabinet gemeld oog te
hebben voor de bezwaren van de provincies (Kamerstukken II 1997-1998,
25 600 VI, nr. 46, blz. 20). Aangekondigd is dat in het kader van het
onderhavige wetsvoorstel deze problematiek zou worden bezien.
Naar ons oordeel zijn de
bezwaren van de provincies reëel, al zijn wij het niet eens met de
opvatting dat de Staatscourant als zodanig geen geschikt medium is voor
raadpleging door burgers. Wat betreft het doorbereken van publicatiekosten in
de leges wijzen wij er overigens nog op dat dit bij een relatief groot aantal
kennisgevingen sinds kort niet meer mogelijk is. Sinds 1 januari 1998 is
namelijk artikel 15.34a van de Wet
milieubeheer van kracht (ingevoegd bij
de Wet van 18 december 1997, Stb. 1997, 730), dat een verbod bevat op het
heffen van rechten voor de verlening, wijziging of intrekking van
vergunningen en ontheffingen krachtens de Wet
milieubeheer.
Ook in verband met het
uitgangspunt om een sobere regeling tot stand te brengen, ligt het in de
rede niet langer uitdrukkelijk voor te schrijven dat ontwerp-besluiten van
provinciale bestuursorganen altijd in de Staatscourant rblz.|14|
moeten worden
gepubliceerd. De praktijk met de huidige 3.4-procedure, waarin dit
voor provinciale bestuursorganen niet uitdrukkelijk is voorgeschreven, geeft
geen aanleiding tot de veronderstelling dat daarmee de kenbaarheid
van provinciale voornemens in het gedrang komt. Wij stellen daarom
voor om aan de provincie zelf de beoordeling over te laten van de
opportuniteit om kennisgevingen (tevens) in de Staatscourant te
plaatsen. Met het oog daarop is in het nieuw voorgestelde artikel
3:12, tweede lid,
de verplichte kennisgeving in de Staatscourant beperkt tot
bestuursorganen van de centrale overheid. Voor provinciale bestuursorganen geldt de
in het eerste lid neergelegde verplichting om een kennisgeving te
publiceren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan- huisbladen of op een
andere geschikte wijze. Daarbij moet uiteraard worden voldaan aan de
voorwaarde dat de kennisgeving daadwerkelijk al diegenen kan bereiken die
naar verwachting bedenkingen kunnen hebben tegen het ontwerp-besluit;
het ambtsgebied van de betreffende provincie of
gemeente geldt daarbij
niet als criterium.¹ Mutatis mutandis geldt het bovenstaande ook voor de
mededeling van het definitieve besluit na het doorlopen van de
voorbereidingsprocedure (zie artikel 3:44, zoals te wijzigen ingevolge dit
wetsvoorstel).
1. Vgl. ABRvS
1 november
1994, AB 1995, 221 m.nt. F.C.M.A.
Michiels en Bouwrecht 1995, 224 (Stadsdeel Buitenveldert) en Vz. ABRvS 20 juli 1998, nr.
E03.97.0003, nieuwsbrief Stichting Advisering
Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke
Ordening, nr. 98-88 (Oegstgeest).
5.6. Ontwerp-besluit als
voorwerp van de procedure
De huidige 3.5-procedure
gaat uit van het ter inzage leggen van en het inbrengen van bedenkingen
tegen een ontwerp-besluit. De huidige 3.4-procedure geeft aan
het bestuursorgaan de keuze om de inspraak betrekking te laten
hebben op een ontwerp-besluit of op een aanvraag. Terinzagelegging van een
ontwerp-besluit geeft de meeste rechtswaarborgen, omdat de naar voren te
brengen zienswijzen in dat geval concreter kunnen worden toegespitst. Terinzagelegging van een
ontwerp-besluit is over het algemeen ook
doelmatiger, omdat daarmee bedenkingen tegen een aanvraag die in
het ontwerp-besluit geen rol meer spelen niet onnodig
voorwerp van de procedure behoeven te worden. Indien slechts een
aanvraag ter inzage is gelegd, kan de discussie minder gestructureerd verlopen,
omdat noch de aanvrager, noch derden-belanghebbenden en wellicht evenmin het
bestuursorgaan zelf zich al een duidelijk beeld hebben kunnen vormen van het standpunt van het
bestuursorgaan.
Anderzijds kan het naar voren brengen van zienswijzen tijdens de aanvraag het
voordeel opleveren dat daarmee reeds in een vroegtijdig stadium rekening kan worden gehouden, zodat de procedure
wellicht sneller kan
verlopen.
De voor- en nadelen
afwegend, geven wij er de voorkeur aan de procedure betrekking te laten
hebben op een concreet ontwerp-besluit. Een belangrijke reden
hiervoor is dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in de plaats treedt van
de bezwaarschriftprocedure, waarin anders een concreet besluit zou kunnen worden aangevochten. Op dit
punt stellen wij dus voor
het systeem van de huidige 3.5-procedure over te nemen.
5.7. Geheimhouding en
anonimiteit
In de huidige 3.4- en
3.5-procedures is artikel 10 van de Wet
openbaarheid van bestuur (Wob) van
overeenkomstige toepassing verklaard op de terinzagelegging van
stukken (zie de huidige artikelen 3:11, tweede lid, en
3:21, derde lid).
Daarnaast is in de huidige 3.5-procedure nog geregeld dat de persoonlijke
gegevens
van degene die schriftelijke bedenkingen heeft ingebracht niet worden
bekendgemaakt indien hij daarom verzoekt (artikel
3:24, vierde
lid).
In de nieuwe opzet van de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure is dit laatste niet meer
expliciet geregeld. Aangesloten is bij de systematiek van de huidige 3.4-procedure, waarin is volstaan met de overeenkomstige
rblz.|15|
toepassing van artikel 10 Wob. Dit artikel stelt bestuursorganen in staat, al dan niet op verzoek, het
verstrekken van informatie in bepaalde gevallen achterwege te laten.
Degene die niet wenst dat zijn persoonlijke gegevens in ter inzage te leggen
of aan andere toe te zenden stukken worden bekendgemaakt, kan dit
derhalve ook onder het regime van de nieuwe procedure aan het
betrokken bestuursorgaan verzoeken, waarna het bestuursorgaan beoordeelt
of er reden is dit verzoek te honoreren. In dit verband zijn in het
bijzonder van belang de onderdelen e onderscheidenlijk g van het tweede lid van
dat artikel. Deze bepalingen voorzien erin dat het verstrekken van
informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt
tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
onderscheidenlijk het belang van onevenredige bevoordeling of
benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel derden.
Naar ons oordeel moet
artikel 10 Wob - en in het bijzonder de genoemde onderdelen - het
afwegingskader bieden voor de vraag of de vermelding van persoonlijke gegevens
in ter inzage gelegde of aan anderen toegezonden stukken achterwege kan
blijven. Een ongeclausuleerd recht op anonimiteit, zoals nu nog voorzien in
artikel 3:24, vierde lid, doet afbreuk
aan de belangenafweging
die ingevolge de Wob in dit soort gevallen dient te worden gemaakt. In dit
verband achten wij ook van betekenis dat in de regeling over de bezwaarschriftprocedure in de
Awb evenmin sprake is
van een dergelijk
ongeclausuleerd recht op anonimiteit. Hiervoor biedt artikel
7:4, zesde tot en
met achtste lid, Awb een regeling, die er in essentie eveneens toe
strekt dat voor geheimhouding van gegevens een sterkere grond aanwezig
moet zijn dan de redenen om welke krachtens de Wob een verzoek om
informatie kan worden geweigerd (artikel 7:4, zevende lid, Awb).
De onverkorte toepassing
van de Wob als algemeen afwegingskader tijdens de uniforme
openbare voorbereidingsprocedure is voorts van belang omdat de Wob ook
al van toepassing is na afloop van de voorbereidingsprocedure. Het komt de eenheid en
inzichtelijkheid van het recht ten goede als in
beide fasen voor dezelfde vragen hetzelfde afwegingskader geldt.
5.8.
Ontvangstbevestigingen
Anders dan in de huidige
3.4-procedure is in de huidige 3.5-procedure uitdrukkelijk
voorgeschreven dat het bestuursorgaan onverwijld de datum van ontvangst van een
aanvraag op het desbetreffende document aantekent en een
ontvangstbevestiging met vermelding van die datum toezendt aan de aanvrager
(artikel 3:17, eerste en tweede lid). Overwogen is beide elementen over te nemen
in de nieuwe afdeling 3.4. Gezien het uitgangspunt van het regeerakkoord dat
in de wettelijke regeling van de nieuwe voorbereidingsprocedure
details moeten worden vermeden, is hiervan uiteindelijk afgezien.
Een wettelijke regulering van deze vormvoorschriften zou naar het oordeel van
de regering leiden tot een te grote juridificering van de
voorbereidingsprocedure. Het argument dat de datum van ontvangst van een
aanvraag bepalend is voor termijnen (termijn voor het naar voren brengen van
zienswijzen en beslistermijn) is als zodanig niet doorslaggevend voor een
wettelijke regeling van dit onderwerp. Ook bij de "gewone" voorbereiding van beschikkingen, zoals deze in
afdeling
4.1.1 van de Awb is
geregeld, is geen sprake van een wettelijke verplichting tot aantekening van de
datum van ontvangst en verzending van een ontvangstbevestiging,
hoewel ook daar dergelijke termijnen (kunnen) gelden.
Dit betekent geenszins
dat wij de aantekening van de datum van ontvangst en de
verzending van een ontvangstbevestiging niet zinvol vinden. Integendeel,
zoals ook in het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Awb
is uiteengezet (Kamerstukken II 1997-1998, 25 600 VI, nr. 46, blz. rblz.|16|
22), heeft het verzenden
van een ontvangstbevestiging duidelijke voordelen. Maar in het
kabinetsstandpunt is ook de naar ons oordeel nog steeds terechte keuze
gemaakt om de afweging tussen de voordelen en de kosten van het verzenden
van een ontvangstbevestiging aan de afzonderlijke bestuursorganen over te
laten. Indien sprake is van toepassing van de nieuwe afdeling
3.4,
mag worden verondersteld dat bestuursorganen als regel de datum van
ontvangst van een aanvraag zullen aantekenen en een ontvangstbevestiging
zullen sturen. Ook bestuursorganen zelf hebben daar immers baat bij om
bewijsproblemen achteraf te voorkomen.
Een bijkomend argument
van meer praktische aard voor het afzien van deze vormvoorschriften is
nog dat bij het indienen van een aanvraag niet altijd reeds vaststaat of
afdeling 3.4 zal worden toegepast. Artikel
3:10, eerste lid, laat immers
de mogelijkheid dat het bestuursorgaan hiertoe zelf besluit in gevallen
waarin de toepassing niet wettelijk is voorgeschreven. In dat geval zal dan
wellicht niet altijd meer kunnen worden voldaan aan de genoemde
verplichtingen.
Afgezien van
laatstgenoemd argument geldt hetgeen hierboven ten aanzien van de ontvangst
van aanvragen is vermeld mutatis mutandis ook voor de ontvangst van
schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen. In de huidige 3.4-procedure ontbreken voorschriften over aantekening van de datum van ontvangst en
over een ontvangstbevestiging. De huidige 3.5-procedure bevat
alleen de verplichting om de datum van ontvangst aan te tekenen (zie het
huidige artikel 3:24, tweede lid), maar kent evenmin een verplichting tot het
versturen van een ontvangstbevestiging. Weliswaar geldt voor
bezwaarschriften wél de verplichting om de ontvangst daarvan
schriftelijk te bevestigen (artikel 6:14, eerste lid, Awb), maar een belangrijke
reden voor die verplichting is gelegen in het feit dat het niet tijdig beslissen
op een bezwaarschrift de weg naar de rechter vrijmaakt. Het is dan van
groot belang te weten op welke dag het bezwaarschrift door het bestuursorgaan
is ontvangen. Bij schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen in
het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is dit niet aan de orde.
Er is dus geen reden om artikel 6:14, eerste lid, Awb
van overeenkomstige toepassing te verklaren.
Evenmin is er voldoende
reden om het in de huidige 3.5-procedure opgenomen voorschrift over te nemen
dat op het "bedenkingengeschrift" de datum van ontvangst moet worden aangetekend. Vanzelfsprekend is het
wel verstandig om dit te
doen, maar een wettelijke verplichting gaat vanuit het oogpunt van
sobere regelgeving naar ons oordeel te ver. Van belang is wel dat
duidelijkheid bestaat over de vraag of een schriftelijke naar voren gebrachte
zienswijze nog binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend. Zoals
aangegeven in paragraaf 5.3 is wat dat betreft aangesloten bij de regeling van de
bezwaarschriftprocedure in artikel 6:9 Awb.
5.9. Niet behandelen van
onvolledige aanvraag
Anders dan de huidige
3.4-procedure bevat de huidige 3.5 procedure in artikel 3:18 een tamelijk
complexe regeling voor het niet in behandeling nemen van een onvolledige
aanvraag. Aan de in dit artikel opgenomen aanvullende regeling ten
opzichte van artikel 4:5 Awb bestaat bij nadere overweging geen reële
behoefte. In de nieuwe afdeling 3.4 is deze bepaling derhalve niet
overgenomen, hetgeen een aanmerkelijke vereenvoudiging oplevert. Voortaan zal
kunnen worden volstaan met hantering van de algemene regeling van artikel 4:5
Awb.
5.10. Opsomming van de ter
inzage te leggen stukken
De huidige 3.4-procedure
beperkt zich in artikel 3:11, eerste lid, tot het voorschrift dat de
aanvraag of het ontwerp-besluit met "de daarop betrekking hebbende
stukken" ter
inzage moet worden gelegd (zie over het rblz.|17|
onderscheid tussen
aanvraag en ontwerp-besluit paragraaf 5.6 hierboven). De huidige 3.5-procedure
bevat in artikel 3:21 een aanzienlijk uitgewerktere regeling. Naast het
ontwerp-besluit zijn daarin expliciet als tevens ter inzage te leggen stukken
genoemd:
a. een exemplaar van de
aanvraag met de daarbij behorende stukken;
b. indien vooroverleg
over de aanvraag heeft plaatsgehad, een verslag daarvan;
c. de rapporten en
adviezen die in verband met het ontwerp zijn uitgebracht, voor zover deze
redelijkerwijs nodig kunnen zijn voor een beoordeling van het
ontwerp;
d. een overzicht van de
niet ter inzage gelegde rapporten en adviezen en, voor zover
redelijkerwijs
nodig voor een beoordeling van het ontwerp, van de eerder genomen,
nog van kracht zijnde besluiten die hetzelfde onderwerp betreffen,
waarbij vermeld wordt waar en wanneer deze stukken kunnen worden ingezien.
Voorts vloeit nog uit
artikel 3:29, derde lid, voort dat ook een eventueel besluit tot verlenging
van de beslistermijn ter inzage moet worden gelegd. Gelet op het in hoofdstuk
1
besproken uitgangspunt van het regeerakkoord dat de nieuwe regeling niet te
gedetailleerd moet zijn, wordt voorgesteld om in de nieuwe afdeling 3.4 af
te zien van een opsomming als thans nog neergelegd in artikel
3:21 en dus
aan te sluiten bij de systematiek van de huidige 3.4-procedure.
Wel is in het nieuwe artikel 3:11, eerste lid, met het oog op het bovenstaande
als criterium toegevoegd dat ter inzage moeten worden gelegd de stukken
"die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp". Dit
criterium is ontleend aan de hierboven geciteerde onderdelen c en
d van het
huidige artikel 3:21. Op die wijze is in onze ogen afdoende
gewaarborgd dat de stukken die thans nog in artikel 3:21 expliciet worden
genoemd ook onder het regime van de nieuwe afdeling 3.4 ter inzage
worden gelegd. Ook een eventueel besluit tot verlenging van de
beslistermijn als bedoeld in het nieuwe artikel
3:18, tweede lid, zal op basis
van het nieuwe artikel 3:11, eerste lid, ter inzage moeten worden gelegd.
Voorts verdient het aanbeveling om in het dossier een kopie op te nemen van
de in artikel 3:12 bedoelde openbare kennisgeving van het
ontwerp-besluit,
zodat ook op het moment van raadpleging van de ter inzage gelegde
stukken voor betrokkenen duidelijk is wat de procedure is met betrekking tot het naar voren brengen van zienswijzen.
5.11. Plaats van
terinzageligging
Anders dan in de huidige
3.5-procedure is in de huidige 3.4-procedure uitdrukkelijk geregeld
dat de ter inzage gelegde stukken in ieder geval ter inzage liggen ten kantore
van het bestuursorgaan (zie het huidige artikel
3:11, vierde lid). Dit is
overigens geen dwingende bepaling; bij wettelijk voorschrift kan anders
worden bepaald.
In de nieuwe afdeling 3.4
is een dergelijke bepaling niet meer opgenomen. Wat dat betreft, wordt aangesloten bij de systematiek van de
huidige 3.5-procedure,
die terinzagelegging bij het desbetreffende bestuursorgaan als
vanzelfsprekend veronderstelt, maar ruimte laat om daarvan af te wijken. Zo’n
afwijking zou bijvoorbeeld denkbaar kunnen zijn in geval van
gecoördineerde besluitvorming, waarbij een aantal ontwerp-besluiten voor
dezelfde activiteit bij één bestuursorgaan ter inzage liggen. De
kenbaarheid van de plaats van terinzageligging is in elk geval verzekerd door het
voorschrift dat in de openbare mededeling vooraf duidelijk moet
worden gemaakt waar het ontwerp-besluit en de bijbehorende stukken ter
inzage zullen liggen (zie het nieuwe artikel
3:12, derde lid).
5.12. Tijdstippen van
terinzageligging; mondelinge toelichting
In de huidige 3.4-procedure is niet uitdrukkelijk geregeld op welke
tijdstippen rblz.|18|
de stukken ter
inzage moeten liggen. De huidige 3.5-procedure bevat daarentegen een
gedetailleerde regeling op dit punt. In het huidige artikel
3:22, eerste lid,
is namelijk vastgelegd dat de stukken kunnen worden ingezien "tijdens
de werkuren" en bovendien "desgevraagd ten minste drie
aaneengesloten uren per week buiten de werkuren". Voorgesteld wordt in de
nieuwe afdeling 3.4 te volstaan met een globale regeling overeenkomstig
de huidige 3.4-procedure. Van bestuursorganen mag worden verwacht dat
zij de tijdstippen van terinzagelegging zodanig kiezen dat de
toegankelijkheid van de stukken in voldoende mate is gewaarborgd. Voor een
gedetailleerde regulering als thans is geschied in artikel
3:22, eerste lid,
is naar ons oordeel onvoldoende reden. In dit verband is ook van belang
dat in de openbare kennisgeving moet worden vermeld op welke tijdstippen de stukken kunnen worden ingezien (zie het
nieuwe artikel 3:12,
derde lid). Hiermee wordt voorkomen dat burgers een vergeefse gang maken naar
de desbetreffende overheidsinstantie. Evenmin is in de nieuwe
regeling overgenomen het in het huidige artikel
3:22, eerste lid,
opgenomen voorschrift dat op de uren van terinzageligging een kosteloze mondelinge
toelichting wordt verstrekt. Naar ons oordeel mag het als
vanzelfsprekend worden beschouwd dat burgers bij het inzien van stukken
desgewenst mondeling te woord worden gestaan door een ambtenaar. Ook
in de huidige 3.4-procedure bleven deze onderwerpen ongeregeld. Specifieke
wettelijke voorschriften op dit punt leiden tot onnodige detaillering
van de regeling. Uit het niet overnemen van deze bepaling uit de huidige
3.5-procedure mag derhalve niet worden afgeleid dat voortaan kosten in
rekening kunnen worden gebracht voor het ter inzage geven van stukken,
het geven van een toelichting en andere direct uit de toepassing van de
voorbereidingsprocedure voortvloeiende prestaties. Wél is het op grond van
artikel 3:11, derde lid, toegestaan om maximaal de werkelijke kosten voor
het maken van afschriften in rekening te brengen. Hieronder vallen
niet alleen de directe kosten van een fotokopie (papierkosten en
afschrijvingskosten fotokopieerapparaat). Ook de arbeidskosten van de fotokopiërende ambtenaar mogen worden doorberekend
(vgl. Kamerstukken II 1992-1993, 22 601, nr. 6, blz. 7).
Mutatis mutandis geldt
hetzelfde voor de soortgelijke voorschriften in artikel
3:44, zesde lid,
die de terinzageligging van het definitieve besluit betreffen.
5.13.
"Zienswijzen" en "bedenkingen"
In de huidige 3.4-procedure, die zowel betrekking kan hebben op aanvragen als op concrete
ontwerp-besluiten, wordt gesproken over het naar voren brengen van
"zienswijzen"; de huidige
3.5-procedure spreekt over het inbrengen van
"bedenkingen". De terminologie van de huidige
3.4-procedure sluit aan
op die van de bepalingen inzake de "gewone" voorbereiding van
beschikkingen, zoals die zijn opgenomen in afdeling 4.1.2 van de Awb. De term
"bedenkingen" in de huidige 3.5-procedure is geïntroduceerd bij de
overbrenging van de voorbereidingsprocedure uit de Wet
milieubeheer naar
afdeling 3.5 van de Awb. In de Wet milieubeheer werd de term
"bezwaar"
gebruikt. Die term kon echter niet worden gehandhaafd, aangezien
artikel 1:5, eerste lid, van de Awb daarmee de procedure aanduidt
waarmee na het nemen van het besluit een voorziening bij het desbetreffende
bestuursorgaan kan worden gevraagd. Anders dan in het
voorontwerp van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht
is in de nieuwe uniforme voorbereidingsprocedure gekozen voor de term
"zienswijzen" ter aanduiding van hetgeen omtrent het
ontwerp-besluit naar voren kan worden gebracht. Hiervoor geldt in de
eerste plaats het wetssystematische argument dat op deze wijze de
terminologie voor de fase van de voorbereiding van besluiten in de Awb
wordt geüniformeerd. Zoals aangegeven in artikel 4:10 Awb
dient de
toepassing van de openbare voorbereidingsprocedures rblz.|19|
mede ter uitvoering van
de artikelen 4:7 en 4:8 Awb
- de algemene bepalingen over de hoorplicht vóór
het geven van een beschikking - waarin de term "zienswijze" is
gebruikt. Het ligt dan in de rede om ook in de openbare voorbereidingsprocedure
die terminologie aan te houden. Het gebruik van verschillende
termen voor dezelfde fase in het besluitvormingsproces werkt onnodig verwarrend
(vgl. aanwijzing 57, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de
regelgeving). In de tweede plaats kan worden opgemerkt dat de term
"bedenkingen" naar de letter ziet op een situatie waarin de belanghebbende
niet (geheel) kan instemmen met het (ontwerp-)besluit,
terwijl de term "zienswijze" een neutrale lading heeft. In de praktijk blijkt er
overigens nauwelijks een zinvol onderscheid te maken tussen het naar
voren brengen van "zienswijzen" en het inbrengen van "bedenkingen". Het
inspraakkarakter van de voorbereidingsprocedure komt naar ons oordeel het
beste tot zijn recht bij het gebruik van de term "zienswijze". Hierdoor
wordt duidelijk dat de inbreng van betrokkenen in de
voorbereidingsprocedure in beginsel vormvrij is. Soms kan hij het karakter hebben van het
- naar aanleiding van het ontwerp-besluit - aandragen van ideeën
voor een beter definitief besluit, zonder dat deze ideeën direct hun
grondslag vinden in overwegende bezwaren tegen het ontwerp-besluit. In
andere gevallen kan hij de vorm aannemen van concrete bezwaren tegen
een ontwerp-besluit. Gebruikmaking van de neutrale term "zienswijze" draagt er aldus aan bij dat de voorbereidingsprocedure zo min mogelijk wordt
gejuridificeerd.
5.14. Transponeringstabel
Om een vergelijking met
corresponderende bepalingen uit de huidige afdelingen 3.4 en
3.5 te vergemakkelijken, volgt hieronder ten slotte een
transponeringstabel.
| Nieuwe
afdeling 3.4 |
Huidige
afdeling 3.4 |
Huidige
afdeling 3.5 |
| 3:10,
eerste lid |
3:10,
eerste lid |
3:14 |
| 3:10,
tweede lid |
3:10,
tweede lid |
3:16 |
| 3:11,
eerste lid |
3:11,
eerste lid |
3:19,
tweede lid, onderdeel a; 3:21, eerste lid (gedeeltelijk);
3:29, derde lid (gedeeltelijk); 3:30, eerste lid, tweede zin |
| 3:11,
tweede lid |
3:11,
tweede lid |
3:21,
derde lid; 3:24, vierde lid; 3:30, eerste lid, tweede zin;
3:32,
eerste lid, tweede zin |
| 3:11,
derde lid |
3:11,
derde lid |
3:22,
derde lid |
| 3:11,
vierde lid |
3:11,
eerste lid |
3:22,
tweede lid |
| 3:12,
eerste lid |
3:12,
eerste lid |
3:19,
tweede lid, onderdeel b en c; 3:20, eerste lid,
onderdeel a; 3:30, eerste lid, eerste zin;
3:31, eerste lid |
| 3:12,
tweede lid |
3:12,
tweede lid |
3:19,
tweede lid, onderdeel c; 3:30, eerste lid, eerste zin;
3:31,
eerste lid |
| 3:12,
derde lid |
3:12,
derde lid |
3:20, eerste lid, onderdeel b en c;
3:29, derde lid (gedeeltelijk); 3:30,
eerste lid, eerste zin; 3:31, eerste lid |
| 3:13,
eerste lid |
---xxxxxxxxxxxxxxxxx |
3:19,
eerste lid (gedeeltelijk); 3:31, tweede lid |
| 3:13,
tweede lid |
--- |
3:20,
tweede lid; 3:31, tweede lid |
| 3:14xxxxxxxxxxxxx |
--- |
3:21,
tweede lid; 3:30, eerste lid, tweede zin |
| 3:15,
eerste lid |
3:13,
eerste lid |
3:24, eerste lid; 3:25, eerste lid, eerste zin;
3:32, eerste lid, eerste zin |
| 3:15,
tweede lid |
3:13,
tweede lid |
3:26; 3:32, eerste lid, tweede zin |
| 3:15,
derde lid |
3:13,
vierde lid |
3:24, derde lid; 3:25, eerste lid, tweede zin |
| 3:15,
vierde lid |
--- |
3:32,
tweede lid |
| 3:16,
eerste lid |
3:13,
derde lid |
3:24, eerste lid; 3:25, eerste lid, eerste zin;
3:32, eerste lid, eerste zin |
| 3:16,
tweede lid |
--- |
3:24,
eerste lid 3:25, eerste lid, eerste zin;
3:32, eerste lid, eerste zin |
| 3:16,
derde lid |
--- |
--- |
| 3:17 |
3:13,
vijfde lid |
3:25,
tweede lid |
| 3:18,
eerste lid |
--- |
3:28 |
| 3:18,
tweede lid |
--- |
3:29,
eerste lid |
| 3:18,
derde lid |
--- |
3:33 |
| --- |
3:11,
vierde lid |
--- |
| --- |
--- |
3:15 |
| --- |
--- |
3:17 |
| --- |
--- |
3:18 |
| --- |
--- |
3:20,
eerste lid, onderdeel d |
| --- |
--- |
3:22,
eerste lid |
| --- |
--- |
3:23 |
| --- |
--- |
3:24,
tweede lid |
| --- |
--- |
3:25,
derde lid |
| --- |
3:12,
derde lid, onderdeel d |
3:29, derde lid (gedeeltelijk) |
| --- |
--- |
3:29,
tweede en derde lid |
| --- |
--- |
3:30,
tweede en derde lid |
| 3:46
tot en met 3:48 |
--- |
3:27 |
rblz.|20|
6. Provinciale en
gemeentelijke inspraakprocedures
Twee hoofddoelstellingen
van de Algemene wet bestuursrecht zijn het bevorderen van eenheid in
de wetgeving en het systematiseren en vereenvoudigen van
wetgeving. Wat de nieuwe uniforme voorbereidingsprocedure betreft, kunnen deze
doelstellingen worden bereikt door daarmee vergelijkbare procedures zoveel mogelijk toe te snijden op de
algemene regels in de Awb. Krachtens artikel 147 van de Provinciewet
respectievelijk artikel
150 van de Gemeentewet zijn provinciale staten respectievelijk de gemeenteraad verplicht om een inspraakverordening
vast te stellen.¹ Met het
oog op genoemde doelstellingen is het van belang dat de in die
verordening vastgelegde procedureregels zoveel mogelijk het stramien
volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb. Ook de
aankondiging in het regeerakkoord dat van de nieuwe uniforme
openbare voorbereidingsprocedure niet mag worden afgeweken, is hier van
betekenis. Overigens is het van belang dat de modelinspraakverordening
van de VNG reeds de huidige afdeling 3.4 van de Awb
van
overeenkomstige toepassing verklaart.²
Om deze redenen wordt in
de artikelen II en III van
dit wetsvoorstel voorgesteld om in het tweede lid van
de artikelen 147 van de Provinciewet
en 150 van de Gemeentewet
uitdrukkelijk als hoofdregel vast te leggen dat de voorbereiding van de
beleidsvoornemens waarop de provinciale en gemeentelijke
inspraakverordeningen betrekking hebben, geschiedt overeenkomstig de nieuwe uniforme
openbare voorbereidingsprocedure. Deze in de nieuwe afdeling 3.4 Awb
neergelegde procedureregels kunnen in de plaats treden van de
regels die thans ingevolge de onderdelen a, b en c van het tweede lid in de
inspraakverordeningen moeten worden opgenomen.
Het blijft overigens ter
volledige beoordeling van provinciale staten respectievelijk de
gemeenteraad ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend.
Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen
zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht
bij staten- of raadsvergaderingen, blijft de mogelijkheid bestaan dat in de
inspraakverordening voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van
inspraak wordt geregeld. Aldus wordt ook recht gedaan aan het indertijd aan deze artikelen ten grondslag
liggende uitgangspunt dat
niet bij alle verschillende bestuurshandelingen altijd op dezelfde wijze
inspraak moet worden verleend (vgl. Kamerstukken II 1988-1989, 19 403, nr.
10, blz. 59 en 203). De harmonisatie en coördinatie van de inspraakregelingen
is er echter mee gediend dat als hoofdregel zal gelden dat de nieuwe 3.4-procedure uit de Awb wordt
toegepast. Deze procedure is in ieder
geval toepasbaar ten aanzien van ontwerp-besluiten. Gelet op de
schakelbepaling van artikel 3:1, tweede lid, Awb
is de procedure echter ook toepasbaar op
andere handelingen dan besluiten, voor zover de aard van van de
handelingen zich daartegen niet verzet.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om tevens onderdeel d van het tweede lid van de
artikelen 147 Provinciewet
en 150 Gemeentewet te schrappen. Aan de
verplichting om in de verordening te regelen op welke wijze ingezetenen en
(andere) belanghebbenden hun beklag kunnen doen rblz.|21|
over de uitvoering van de
inspraakverordening is niet langer behoefte in het licht van de op 1
juli 1999 in werking getreden regeling over het intern klachtrecht in hoofdstuk
9 van de Awb (Wet van 12 mei 1999, Stb.
1999, 214) en de effectuering van de
voornemens inzake het extern klachtrecht, zoals uiteengezet in de notitie
van de toenmalige Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken Kohnstamm van 22
januari 1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 25 854, nrs. 1-2).
Gelet op het belang en de
reikwijdte van deze wijzigingen is ervoor gekozen om deze
aanpassingen op te nemen in het onderhavige wetsvoorstel en deze niet onder te
brengen in de nog in te dienen aanpassingswet. Evenals het geval was
voor de totstandbrenging van de huidige inspraakverordeningen op basis van de huidige artikelen 147
Provinciewet en 150 Gemeentewet
is
voorzien in een overgangstermijn van één jaar voor het aanpassen van de
inspraakverordeningen aan de thans voorgestelde wijzigingen. Deze overgangstermijn vloeit voort uit de inwerkingtredingsbepaling
van dit wetsvoorstel (artikel V).
1. De huidige tekst van
deze artikelen luidt:
-1. Provinciale staten
stellen/De raad stelt een verordening vast, waarin
regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze waarop ingezetenen en in de provincie/gemeente een belang hebbende
natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van provinciaal/gemeentelijk beleid
worden betrokken.
-2. In deze verordening
worden ten minste geregeld:
a. de wijze waarop van de
beleidsvoornemens waarop inspraak zal
worden verleend, openbaar wordt kennis gegeven;
b. de wijze waarop
ingezetenen en in de provincie/gemeente een
belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in staat worden gesteld hun mening
omtrent de onder a bedoelde
beleidsvoornemens kenbaar te maken;
c. rapportering over de
onder b bedoelde inspraak en over de
uitkomsten daarvan;
d. de wijze waarop
ingezetenen en in de provincie/gemeente een
belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen in de gelegenheid worden gesteld hun beklag
te doen over de uitvoering van de verordening.
2. De Gemeentewet van oud
naar nieuw, 1993, blz. 224.
7. Aanpassingswetgeving
De samenvoeging van de
afdelingen 3.4 en 3.5 heeft tot gevolg dat diverse bijzondere
wetten, waarin nu nog wordt verwezen naar (bepalingen uit) de huidige
afdelingen 3.4 en 3.5, moeten worden aangepast. Het is daarbij in het
bijzonder van belang dat de hand wordt gehouden aan het in het regeerakkoord
neergelegde uitgangspunt dat van de nieuwe uniforme openbare
voorbereidingsprocedure niet wordt afgeweken in bijzondere wetten.
Hierdoor kan onder meer worden voorkomen dat wederom onduidelijkheid
ontstaat over de vraag of een afwijkende voorbereidingsprocedure in een bijzondere wet
materieel gelijkgesteld kan worden aan de Awb-procedure, die tot gevolg heeft dat de bezwaarschriftprocedure
niet geldt (vgl. noot 1 bij hoofdstuk 2).
Met het opstellen van een
aanpassingswet op het niveau van de formele wetgeving is inmiddels
een begin gemaakt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat overal waar in de
wetgeving thans de huidige 3.4- of 3.5-procedure van toepassing wordt
verklaard, deze wordt vervangen door het van toepassing verklaren van de nieuwe
afdeling 3.4.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
(nieuwe afdeling 3.4)
Artikel 3:10
(toepasselijkheid)
Het eerste lid van dit
artikel regelt in welke gevallen de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
gevolgd moet worden. De schakelbepaling van het tweede lid
bewerkstelligt dat afdeling 4.1.1 Awb, dat alleen van toepassing is op op
aanvraag te geven beschikkingen, ook van toepassing wordt op andere op aanvraag te nemen
besluiten indien de voorbereidingsprocedure
van afdeling 3.4 van
toepassing is.
De inhoud van het nieuw
voorgestelde artikel 3:10 is identiek aan die van de huidige
artikelen 3:10
(huidige 3.4-procedure) en 3:14 en 3:16 (huidige
3.5-procedure). Slechts
in redactioneel opzicht zijn enkele vereenvoudigingen aangebracht.
Uit de formulering van
het eerste lid volgt dat de nieuwe afdeling 3.4 van toepassing is op zowel
besluiten op aanvraag als ambtshalve te nemen besluiten. Tenzij
uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt ook in de verdere bepalingen van de nieuwe
afdeling 3.4 telkens op beide categorieën van besluiten gedoeld.
rblz.|22|
Artikel 3:11
(terinzagelegging)
Het eerste tot en met
derde lid komen goeddeels overeen met het eerste tot en met derde lid van
het huidige artikel 3:11 zoals dat is opgenomen in de huidige
3.4-procedure.
Wel moet daarbij worden aangetekend dat de nieuwe bepaling alleen
uitgaat van de terinzagelegging van een ontwerp-besluit en dus niet de mogelijkheid biedt om in plaats daarvan de
aanvraag ter inzage te
leggen. Op dit verschil is ingegaan in paragraaf 5.6 van het
algemeen deel van deze
memorie. Verder is niet meer overgenomen de bepaling uit de huidige 3.5-procedure
(artikel 3:22, eerste lid) betreffende
de tijdstippen van
terinzageligging en het verstrekken van een kosteloze mondelinge toelichting.
Hiervoor zij verwezen naar paragraaf 5.12 van het algemeen
deel van deze memorie.
Evenmin is in het nieuwe
eerste lid de thans nog in artikel 3:11,
eerste lid opgenomen clausule
overgenomen dat de terinzagelegging plaatsvindt voor degenen die
zienswijzen naar voren kunnen brengen. Deze beperking lijkt in het bijzonder
van belang indien dit recht niet aan een ieder toekomt, maar bijvoorbeeld
alleen
aan belanghebbenden. In de praktijk is een dergelijke beperking
echter niet of nauwelijks hanteerbaar en ook niet wenselijk. Juist de
mogelijkheid om het ontwerp-besluit en de bijbehorende stukken in te zien, stelt
burgers immers in staat om te beoordelen of zij al dan niet
gerechtigd zijn om hun zienswijze naar voren te brengen. Dit brengt met zich mee dat
het inzagerecht de facto aan een ieder toekomt. In paragraaf
5.10 van het algemeen deel
van deze memorie is ingegaan op de betekenis van de woorden
"die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp" in het
nieuwe eerste lid.
Het vierde lid geeft aan
dat de stukken ter inzage moeten liggen gedurende de termijn voor het
inbrengen van zienswijzen, in beginsel dus zes weken. Hierbij hebben wij
het advies van de VNG overgenomen om de inzageverplichting niet
nog na die termijn te laten doorlopen, zoals in het huidige artikel 3:22 nog
is voorgeschreven. Pas op het tijdstip waarop het definitieve besluit wordt
genomen, moeten dat besluit, het ontwerp-besluit en de andere relevante
stukken opnieuw ter inzage worden gelegd, ditmaal met het oog op het eventueel instellen van beroep (zie het nieuwe
artikel 3:44, eerste lid,
onderdeel a).
Artikel 3:12 (openbare
kennisgeving)
Dit artikel strekt ertoe
algemene bekendheid te geven aan het feit dat een besluit met toepassing
van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt voorbereid. De
tekst komt nagenoeg letterlijk overeen met het in de huidige 3.4-procedure opgenomen artikel 3:12. Wel moet daarbij worden
aangetekend dat ten opzichte van het huidige eerste lid van artikel 3:12 de
woorden "van de aanvraag of" zijn geschrapt. Dit is een sequeel van de
gemaakte keuze om steeds een ontwerp-besluit als object van de nieuwe voorbereidingsprocedure te nemen en dus niet
meer de mogelijkheid te
bieden dat kan worden volstaan met een procedure over de aanvraag (zie paragraaf
5.6 van het algemeen deel van deze memorie). Een aanvulling
ten opzichte van het huidige artikel 3:12 is nog het voorschrift in het
nieuwe onderdeel d van het derde lid. Daarin is bepaald dat ook
mededeling moet worden gedaan van de nieuwe beslistermijn die is gaan
gelden tengevolge van een eventuele verlenging in gevallen waarin de
aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft. Uit
wetssystematisch oogpunt is dit voorschrift, dat in de huidige 3.5-procedure
een
element is van huidige artikel 3:29, derde lid, overgeheveld naar het
nieuwe artikel 3:12.
In de huidige 3.5-procedure wordt de openbare kennisgeving geregeld in de artikelen 3:19 en
3:20, eerste lid. Het nu voorgestelde artikel brengt een zekere versobering aan
ten opzichte van laatstgenoemde bepaling. Zo wordt niet meer
uitdrukkelijk voorgeschreven dat ook de zakelijke inhoud rblz.|23|
van de aanvraag moet
worden vermeld. Naar ons oordeel kan worden volstaan met een
verplichting tot vermelding van de zakelijke inhoud van het
ontwerp-besluit, te meer ook omdat het ontwerp-besluit voorwerp is van de
voorbereidingsprocedure. Voorts zal uit de omschrijving van de zakelijke inhoud van het
ontwerp-besluit als regel de strekking van de aanvraag kunnen worden
afgeleid. De aanvraag als zodanig behoort uiteraard wel tot de op het ontwerp-besluit betrekking hebbende stukken die
ingevolge het nieuwe
artikel 3:11 ter inzage moeten worden gelegd.
Verder wordt in de
voorgestelde bepaling, duidelijker dan thans in artikel 3:19 het geval is,
geregeld dat de openbare kennisgeving voorafgaat aan de terinzagelegging. Dat
is ook de meest logische werkwijze. Tegelijkertijd wordt daarmee een einde
gemaakt aan een inconsistentie in het huidige artikel
3:20, dat de terinzagelegging beschouwt als een
"mededeling" in
de zin van artikel 3:19,
welk artikel op zijn beurt veronderstelt dat in die "mededeling" wordt
vermeld waar de terinzagelegging heeft plaatsgevonden.
Een ander verschil met de
huidige 3.5-procedure betreft nog de procedure inzake kennisgeving van provinciale
ontwerp-besluiten. Zie hierover
paragraaf 5.5
van het algemeen deel van
deze memorie.
Artikel 3:13
(kennisgeving aan belanghebbenden)
Dit artikel waarborgt dat
de aanvrager en eventuele andere belanghebbenden tot wie het te nemen
besluit zal zijn gericht, vooraf op de hoogte worden gesteld van het
ontwerp en van de procedure rond de terinzageligging daarvan. Op deze wijze is
de aanvrager ook in staat, indien hij dat niet reeds bij het indienen van zijn aanvraag had gedaan, om aan het
bestuursorgaan te
verzoeken om bepaalde stukken niet openbaar te maken (vgl. de regeling
in het nieuwe artikel 3:11, tweede lid). Van het stellen van een vaste termijn tussen de mededeling aan de aanvrager en
de openbare kennisgeving,
zoals in de huidige 3.5-procedure nog het geval is (artikel
3:19,
tweede lid), hebben wij met het oog op het tegengaan van onnodige detaillering
afgezien. Verwezen zij naar onze beschouwingen in paragraaf
5.3 van het algemeen deel over de termijnen in de procedure. De terminologie "tot
één
of meer belanghebbende (...) gericht (...), onder wie begrepen de
aanvrager" is ontleend aan artikel
3:41, eerste lid,
Awb en heeft dezelfde
betekenis als in die bepaling. Het gaat daarbij kort gezegd om degenen die als
geadresseerden van het besluit kunnen worden beschouwd.
Derden-belanghebbenden, zoals bijvoorbeeld belangenorganisaties,
vallen daar dus niet onder. Het artikel verplicht er dus niet toe dat aan alle
belanghebbenden een afschrift van het ontwerp-besluit moet worden toegezonden.
Voor een deel komt de
inhoud van dit artikel overeen met de in de huidige 3.5-procedure opgenomen
artikelen 3:19, eerste lid, en 3:20, tweede lid, die onder andere
voorschrijven dat het ontwerp-besluit (met de gegevens over de te volgen
procedure) moet worden toegezonden aan de aanvrager. Een wijzigings- of intrekkingsbesluit is in de eerste plaats gericht tot
degene tot wie het te
wijzigen of in te trekken besluit was gericht. Indien het wijzigings- of
intrekkingsbesluit is genomen op basis van een verzoek tot wijziging of intrekking, is tevens de verzoeker de geadresseerde van
het besluit. Eén en ander
betekent dat aan een afzonderlijke bepaling als thans nog is vervat in
het huidige artikel 3:31, tweede lid, eerste volzin, geen behoefte meer
bestaat.
Opgemerkt zij nog dat in
de huidige 3.4-procedure een dergelijke bepaling ontbreekt. De
kennisgeving aan belanghebbenden is naar ons oordeel echter een zodanig
essentiële rechtswaarborg dat deze in de nieuwe uniforme openbare
voorbereidingsprocedure niet mag ontbreken.
rblz.|24|
Artikel 3:14
(actualisering van het dossier)
Dit artikel strekt ertoe
dat het (externe) dossier actueel wordt gehouden. Het artikel komt overeen
met het huidige artikel 3:21, tweede lid, opgenomen in de huidige
3.5-procedure. Anders dan in die bepaling is echter niet meer uitdrukkelijk
bepaald dat in ieder geval de "ingebrachte adviezen en bedenkingen
en de verslagen van de mondeling ingebrachte bedenkingen en
gedachtewisselingen over het ontwerp" aanvullend ter inzage moeten worden
gelegd. Het mag als vanzelfsprekend worden verondersteld dat
dergelijke stukken in beginsel gerekend moeten worden tot de "nieuwe relevante
stukken en gegevens" in de zin van dit artikel. Aangezien deze stukken
als regel eerst bij of na het einde van de voorbereidingsprocedure ter beschikking
komen,
zullen deze stukken voor de voorbereidingsprocedure
geen rol spelen. Wat dit betreft, is artikel 3:14 derhalve met name van
betekenis voor het inzien van het dossier ten behoeve van een eventuele beroepsprocedure
(vgl. de toelichting op het
nieuwe artikel 3:11,
vierde lid).
De VNG heeft schrapping
bepleit van de in dit artikel opgenomen verplichting om het dossier up-to-date
te houden. Wij achten dit evenwel niet aangewezen, aangezien het
van wezenlijk belang is dat inspraakgerechtigden deelnemen aan de
voorbereidingsprocedure op basis van een compleet en actueel dossier. Het door de VNG aangevoerde argument
dat het niet eenvoudig is
om dossiers die op meerdere plaatsen ter inzage liggen steeds op
elke plaats van dezelfde inhoud te voorzien, vinden wij niet overtuigend. Naar ons oordeel moet het via een efficiënte
organisatie mogelijk zijn
om te voorzien in identieke dossiers. Voorts merken wij op dat de door
de VNG aangesneden moeilijkheden voor een aanzienlijk deel worden
gereduceerd nu wij het voorstel van de VNG hebben overgenomen om de
termijn van de terinzageligging te beperken tot de inspraaktermijn
van zes weken (zie de toelichting op artikel
3:11, vierde lid).
Artikel 3:15 (naar voren
brengen van zienswijzen)
Dit artikel
- en in het
bijzonder het eerste lid - vormt het hart van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
In het eerste
lid staan
drie elementen centraal:
- Zienswijzen kunnen
naar voren worden gebracht door belanghebbenden.
- De zienswijzen
richten zich op een ontwerp-besluit.
- Zienswijzen kunnen
schriftelijk of mondeling naar voren worden gebracht.
Op de eerste twee
elementen is ingegaan in paragrafen 5.1 en 5.6 van het
algemeen deel van deze memorie.
Over de vrijheid voor de belanghebbende om schriftelijk of mondeling
zienswijzen naar voren te brengen, wordt het volgende opgemerkt. In de
huidige 3.4-procedure is in het huidige artikel 3:13 vastgelegd dat belanghebbenden hun zienswijze naar keuze schriftelijk
of mondeling naar voren
kunnen brengen. De huidige 3.5-procedure kent een wat
ingewikkelder systeem, dat uiteindelijk echter materieel niet veel verschilt. In het
huidige artikel 3:24, eerste lid, is namelijk bepaald dat bedenkingen schriftelijk
moeten worden ingebracht, terwijl in het huidige artikel
3:25, eerste lid,
voorts het recht wordt toegekend om desgevraagd een gedachtewisseling te
hebben over het ontwerp-besluit en daartegen mondeling bedenkingen in
te brengen. In de nieuwe opzet van de voorbereidingsprocedure
is gekozen voor de eenvoudige hoofdregel dat zienswijzen schriftelijk
of mondeling naar voren kunnen worden gebracht. De "gedachtewisseling"
uit het hiervoor genoemde huidige artikel 3:25 keert in de nieuwe opzet
niet terug. Tussen het mondeling naar voren brengen van een
zienswijze en het voeren van een gedachtewisseling is in rblz.|25|
de praktijk geen
noemenswaardig verschil. Voor het naar voren brengen van zienswijzen wordt
veelal een hoorzitting georganiseerd, waarin diverse belanghebbenden
tegelijk hun reactie kunnen geven. In dat geval zal als regel ook tekst
en uitleg worden verschaft van de zijde van het bestuursorgaan. Er zij op
gewezen dat in de regels in de Awb over het horen in de
bezwaarschriftprocedure evenmin expliciet een "gedachtewisseling" is geregeld, terwijl
ook daar de bedoeling van de wetgever is geweest dat vanzelfsprekend niet kan worden volstaan met het enkel
aanhoren van de
belanghebbende (vgl. Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 145-146).
Of een hoorzitting met diverse belanghebbenden tegelijk wordt
georganiseerd, is ter beoordeling van het bestuursorgaan. Hiervoor geldt niet de
noodzakelijke voorwaarde dat belanghebbenden vooraf te kennen hebben
gegeven dat zij mondeling zienswijzen naar voren willen brengen. Het
element "desgevraagd", dat nog wel een rol speelt in de
gedachtewisselingsprocedure uit het huidige
artikel 3:25
(vgl. ABRvS 20 april 1998, Gst.
1998, 7078, 3 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (Tiel)), heeft in de nieuwe
procedure derhalve geen betekenis meer.
Het tweede
lid komt
overeen met het huidige artikel 3:13, tweede lid, uit de huidige
3.4-procedure.
Voor een nadere toelichting zij verwezen naar paragraaf 5.1 van het algemeen deel van deze memorie. In de nieuwe tekst is niet het element "naar keuze
schriftelijk of mondeling" herhaald, aangezien dit in het verband met het
eerste lid reeds vanzelfsprekend is.
Het derde
lid komt overeen
met het huidige artikel 3:13, vierde lid, uit de huidige
3.4-procedure.
Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis bij die bepaling (Kamerstukken II
1990-1991,
21 221, nr. 5, antwoord 2.88) betekent het woord "zo nodig" niet
dat het bestuursorgaan vrij is naar believen al of niet toepassing te geven
aan deze bepaling. Met de bedoelde zinsnede wordt slechts aangegeven
dat er gevallen kunnen zijn waarin toepassing duidelijk niet nodig is.
Dat is bijvoorbeeld het geval als de zienswijzen overeenkomen met die van
de aanvrager of als het bestuursorgaan voornemens is de aanvraag in te
willigen, ondanks tegengestelde zienswijzen, bijvoorbeeld omdat deze
niet ter zake doende zijn. De clausule "zo nodig" dient dus om onnodige
bestuurslasten te vermijden.
Om van het recht op het
geven van een reactie gebruik te kunnen maken, dient de aanvrager
uiteraard eerst kennis te kunnen nemen van de naar voren gebrachte
zienswijze. Het in het derde lid opgenomen voorschrift impliceert dan ook dat de
aanvrager op de hoogte moet worden gebracht van de naar voren
gebrachte zienswijze. In dit licht is een bepaling waarin aan het bestuursorgaan
nog eens uitdrukkelijk wordt opgedragen om de aanvrager een afschrift
van iedere schriftelijk naar voren gebrachte zienswijze, zoals in de huidige
3.5-procedure nog is opgenomen (artikel 3:24, derde lid), overbodig.
Indien een hoorzitting wordt gehouden, impliceert het derde lid dat de
aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om daarbij aanwezig te zijn, hetgeen
thans nog voor de huidige 3.5-procedure expliciet is voorgeschreven in het
huidige artikel 3:25, eerste lid, tweede volzin. Op beide punten kan naar
ons oordeel derhalve worden volstaan met de globalere regeling uit de
huidige 3.4-procedure, waarin deze onderwerpen niet uitdrukkelijk zijn
geregeld, maar een logisch sequeel zijn van het reactierecht van de
aanvrager.
Het vierde
lid bevat een
specifieke voorziening voor wijzigings- en intrekkingsbesluiten. Op
dezelfde wijze als het derde lid dat regelt voor aanvragers waarborgt het
vierde lid dat degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is
gericht zo nodig kan reageren op naar voren gebrachte zienswijzen.
Met "degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is
gericht"
wordt bedoeld degene die op het tijdstip van vaststelling van het
wijzigings- of
intrekkingsbesluit de geadresseerde is van het te wijzigingen of in te
trekken besluit, dus de houder van de vergunning, rblz.|26|
ontheffing e.d. Dat is
dus niet altijd degene aan wie oorspronkelijk de desbetreffende
vergunning, ontheffing e.d. is verleend, maar dat kan ook diens rechtsopvolger
zijn. De in dit lid geboden voorziening gaat verder dan het huidige artikel
3:32, tweede lid, dat slechts voorziet in het toezenden van de
bedenkingen aan deze persoon. Een zorgvuldige voorbereiding vergt echter dat deze
persoon ook uitdrukkelijk in staat wordt gesteld om op de naar
voren gebrachte zienswijzen te reageren.
Artikel 3:16 (termijn
voor het naar voren brengen van zienswijzen)
Voor een toelichting op
het eerste lid van dit artikel, waarin een inspraaktermijn van zes weken is
opgenomen, wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 5.3 van het
algemeen deel van deze memorie.
In de huidige 3.4-procedure is niet uitdrukkelijk geregeld wanneer de inspraaktermijn begint te
lopen. In de huidige 3.5-procedure is dit wel geregeld (artikel
3:24,
eerste lid). Aangezien het naar voren brengen van zienswijzen thans geheel
in de plaats zal treden van het maken van bezwaar, ligt het in de
rede niet alleen het eind, maar ook het begin van de inspraaktermijn duidelijk
af te grenzen. Het voorgestelde tweede lid maakt daarom duidelijk wanneer
de inspraaktermijn begint te lopen, namelijk op de dag van de terinzagelegging van het ontwerp-besluit en de bijbehorende
stukken. Vóór die dag
zijn belanghebbenden ingevolge het voorgestelde artikel
3:12, eerste lid, via de openbare kennisgeving op de hoogte gebracht van de
terinzagelegging. Om die reden is het niet noodzakelijk om, zoals nu in artikel
3:24, eerste lid, nog is geregeld, de termijn pas te laten beginnen op de dag
na de terinzagelegging.
Vanwege hetzelfde
rechtszekerheidsmotief als aan het tweede lid ten grondslag ligt, is in het
voorgestelde derde lid geregeld dat ook in de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure voor schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen de
"gemitigeerde verzendtheorie" geldt, net zoals dat het geval is voor het
indienen van bezwaar- en beroepschriften. Met het oog hierop is artikel
6:9 Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze
benadering sluit aan op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State, die ten aanzien van de ontvankelijkheid van
schriftelijke bedenkingen wat de termijnen betreft dezelfde maatstaven lijkt
te hanteren als voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van
bezwaar- en beroepschriften.¹ Niet tijdig naar voren gebrachte zienswijzen
worden door het bestuursorgaan niet-ontvankelijk verklaard.
In het derde lid is ook
artikel 6:10 Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betreft
het naar voren brengen van een "premature" zienswijze. Een zodanige zienswijze
moet in behandeling worden genomen als het ontwerp-besluit wel
reeds tot stand is gekomen (maar dus nog niet ter inzage is gelegd) of in
gevallen waarin er weliswaar nog geen ontwerp-besluit is, maar degene die zijn
zienswijze naar voren heeft gebracht redelijkerwijs kon menen dat dit wel
reeds het geval was. Het bestuursorgaan kan in deze situaties de behandeling van de zienswijze aanhouden tot het
moment waarop het
ontwerp-besluit ter inzage wordt gelegd.
Volgens vaste
jurisprudentie brengt het karakter van de huidige 3.5-procedure voor zover het gaat om
besluiten op aanvraag (paragrafen 3.5.2 tot en met
3.5.5) met zich dat het
indienen van zgn. pro-formabedenkingen niet toelaatbaar is.² Dit is
dus anders dan de praktijk in de bezwaarschriftprocedure en beroepsprocedures,
waarin gelet op artikel 6:6 Awb de indiening van
pro-formabezwaar- en -beroepschriften wel mogelijk is. Volgens de Afdeling
bestuursrechtspraak moet bij het indienen van bedenkingen ten minste
beknopt worden aangegeven waarom de indiener zich niet met
het ontwerp kan verenigen en verdraagt het indienen van gemotiveerde
bedenkingen buiten de inspraaktermijn van het huidige artikel
3:24,
eerste lid, in aanvulling op binnen deze termijn ingediende pro-formabedenkingen
zich niet met deze bepaling en het rblz.|27|
systeem van afdeling 3.5 Awb. Het staat het bestuursorgaan dan ook niet vrij een termijn voor het
aanvullen van louter pro forma ingediende bedenkingen te gunnen
die de termijn gesteld bij artikel 3:24, eerste lid, overschrijdt. Voornaamste
reden voor dit verbod op het inbrengen van pro-formabedenkingen is
dat anders het gevaar bestaat dat de beslistermijn van het huidige artikel
3:28 zou worden overschreden.
Voor ambtshalve te nemen
besluiten ligt dit anders. Hiervoor geldt geen beslistermijn en het
inbrengen van pro-formabedenkingen is hier dus wel mogelijk.³
Het ligt in de rede dat
bovenvermelde jurisprudentie ook toepasbaar zal zijn ten aanzien van het
naar voren brengen van zienswijzen in de nieuwe uniforme openbare
voorbereidingsprocedure, aangezien in het regime van de beslistermijnen
wat dat betreft geen wijziging wordt aangebracht (vgl. paragraaf
5.3 van het algemeen deel van deze memorie).
1. Zie ABRvS
3 april 1998, nr. E03.970785, nieuwsbrief Stichting Advisering
Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening 1998, K12
(Putten).
2. Zie ABRvS 14 februari
1995, NJB-katern 1995, blz. 284, nr. 21 (Wish); ABRvS 15 augustus 1995, Gst. 1996, 7035, 7 m.nt. C.P.J. Goorden (Boarnsterhim);
ABRvS 2
januari 1996, AB 1996, 181 m.nt. F.C.M.A.
Michiels en M en R 1997, 78 m.nt. C. Backes
(Waalwijk); ABRvS 19 augustus 1996, AB 1996, 442 m.nt.
A. van Hall; ABRvS 12 juni 1997, M en R
1997/10, nr. 43K (Nederlek); ABRvS 3 juli 1997, Gst.
1998, 7075, 3 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (Heerde); ABRvS 20 april 1998,
Gst. 1998,
7078, 3 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (Tiel); Vz. ABRvS 10 augustus 1998, M en R
1999/10, nr. 83 m.nt. A. Freriks (Voorburg); ABRvS
21 januari 1999, M en R 1999/10, nr. 85 m.nt.
A. Freriks (Flevoland); ABRvS 19 april 1999, M en
R 1999/9 m.nt. A. ten Veen
(Noord-Brabant). Zie ook de noot van P.J.J. van Buuren
onder ABRvS 1 februari 1996, AB 1997, 333.
3. Zie Vz. ABRvS
2 april
1996, AB 1997, 12 m.nt. G.T.J.M. Jurgens (Udenhout).
Artikel 3:17 (verslag)
Dit artikel komt overeen
met het huidige artikel 3:13, vijfde lid, uit de huidige
3.4-procedure.
Uit de verwijzing naar artikel 3:15 als geheel blijkt reeds dat het verslag
betrekking moet hebben op de mondeling naar voren gebrachte
zienswijzen én op de eventuele reactie die de aanvrager ingevolge artikel
3:15,
derde lid, daarop heeft gegeven.
Ook de huidige 3.5-procedure bevat een soortgelijk voorschrift (artikel
3:25, tweede lid). Met
het oog op de gewenste versobering zijn niet de bepalingen overgenomen
die voorschrijven dat in het verslag de inhoud van iedere bedenking moet
worden weergegeven en de naam en het adres moeten worden
vermeld van degene die de bedenking heeft ingebracht. Nu in artikel 7:7 Awb
voor het horen in de bezwaarschriftprocedure evenmin is voorgeschreven
in welke vorm het verslag moet worden gegoten en hoe uitgebreid het verslag moet zijn, is er geen reden
om zulks wel voor het
verslag van de voorbereidingsprocedure voor te schrijven. Bij de
regeling van het verslag over het horen in de bezwaarschriftprocedure
is indertijd bewust gekozen voor een niet-gedetailleerde regeling (zie Kamerstukken
II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 151). Uit de evaluatie van de
Awb is op dit punt niet van enig probleem gebleken.
Hetzelfde geldt voor de
in de huidige 3.5-procedure opgenomen verplichting om het verslag steeds toe
te sturen aan - onder anderen - de aanvrager en degenen die
mondeling bedenkingen hebben ingebracht (artikel
3:25, derde
lid). Ook deze bepaling is niet overgenomen, omdat wij er ook hier de voorkeur
aan geven aan te sluiten bij de systematiek van de verslagleggingsplicht in
de bezwaarschriftprocedure. Hoewel het in de meeste gevallen de
voorkeur zal hebben dat het verslag als afzonderlijk document wordt opgesteld
en aan de betrokkenen wordt toegezonden, is het toegelaten dat het
verslag van het horen in de bezwaarschriftprocedure is geïntegreerd in de
beslissing op het bezwaar (vgl. de hierboven aangehaalde passage uit
de memorie van toelichting bij de Awb). Mede om die reden is in
de regeling van de bezwaarschriftprocedure niet uitdrukkelijk
voorgeschreven dat het verslag steeds moet worden toegezonden aan degenen die zijn
gehoord. Deze lijn doortrekkend naar de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure menen wij dat het onder omstandigheden ook
mogelijk moet zijn om de neerslag van hetgeen overeenkomstig het nieuwe
artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht op te nemen in (de
motivering bij) het definitieve besluit.
Artikel 3:18
(beslistermijnen)
In
paragraaf 5.3 van het algemeen deel van deze memorie is ingegaan op het belang van
beslistermijnen. Het eerste en tweede lid van het nieuwe artikel 3:18 sluiten aan
op de huidige artikelen 3:28 en 3:29 uit de
3.5-procedure. In laatstgenoemd artikel
is ook een verlengingsmogelijkheid opgenomen voor zeer ingewikkelde of omstreden onderwerpen. In het
voorgestelde rblz.|28|
tweede lid is
duidelijkheidshalve bepaald dat zo’n verlengingsbesluit moet worden genomen
voordat er een ontwerp ter inzage wordt gelegd. Dit is ook de
praktijk, gelet ook op het voorschrift dat een verlengingsbesluit reeds
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag moet zijn
genomen. Voorts is geregeld dat de aanvrager eerst over een
verlengingsbesluit moet worden gehoord. Verder moet van een verlengingsbesluit
melding worden gemaakt bij de kennisgeving van het ontwerp. Dit laatste
wordt geregeld in het nieuwe artikel 3:12, derde lid. Zoals reeds vermeld in
paragraaf 5.10 van het algemeen deel van deze
memorie moet een
verlengingsbesluit ook worden gerekend tot de stukken die op basis van het nieuwe
artikel 3:11, eerste lid, ter inzage moeten worden gelegd. Gelet op het
voorgaande behoeft het huidige artikel 3:29, derde lid, waarin de openbare
mededeling en terinzagelegging van het verlengingsbesluit zijn
geregeld, niet in het nieuwe artikel 3:18 te worden overgenomen.
Volledigheidshalve zij nog vermeld dat een verlengingsbesluit op de gebruikelijke, in
artikel 3:41 Awb geregelde wijze aan de aanvrager moet worden
bekendgemaakt.
Het derde lid van het
nieuwe artikel 3:18 sluit aan op artikel 3:33 uit de huidige
3.5-procedure met
inachtneming van de vereenvoudigingen die voortvloeien uit ons
voorstel om de zogenaamde voornemenprocedure niet meer wettelijk te regelen en
de keuze om voor ambtshalve te nemen besluiten het opnemen van beslistermijnen aan de bijzondere wetgever over te
laten. Hierop is in paragraaf 5.2 onderscheidenlijk paragraaf
5.3 van het algemeen deel van deze memorie reeds
ingegaan. De afwijkende, immers kortere beslistermijn in het derde lid heeft
als reden dat de geadresseerde van het eventueel te wijzigen of in te
trekken besluit (meestal de houder van een vergunning) snel
duidelijkheid krijgt over de beslissing van het bestuursorgaan op een aanvraag die
strekt tot wijziging of intrekking van zijn vergunning. Alleen als
het gaat om een aanvraag tot wijziging die door de vergunninghouder zelf
wordt gedaan, is het aangewezen om deze te behandelen als ware het
een aanvraag om een nieuw besluit, dus met inachtneming van de
reguliere beslistermijn van maximaal zes maanden. In zo’n geval is een
wijzigingsbesluit namelijk materieel gelijk te stellen met een geheel nieuw
besluit. De hier gekozen systematiek komt overeen met die van afdeling
8.1.2 van de Wet
milieubeheer (Wijziging of intrekking van vergunningen). In de
overige gevallen waarin sprake is van een ambtshalve te nemen
besluit tot wijziging of intrekking is uiteraard evenzeer zo snel mogelijkheid
duidelijkheid gewenst over de door het bestuursorgaan te nemen beslissing.
Zoals aangegeven in paragraaf 5.3 van het algemeen
deel van deze memorie is
het voor het nemen van ambtshalve besluiten niet goed mogelijk om een
vaste beslistermijn in de Awb op te nemen. Het moet aan de bijzondere
wetgever worden overgelaten om te bepalen voor welke gevallen ambtshalve
te nemen besluiten aan een beslistermijn kunnen worden gebonden.
De in het derde lid nieuw
gekozen beknoptere formulering "een besluit inzake wijziging of
intrekking" komt inhoudelijk overeen met hetgeen in het huidige
artikel 3:33
is aangeduid als "een besluit tot wijziging of intrekking of een besluit inhoudende
de beslissing dat niet tot wijziging of intrekking wordt overgegaan". Voor
de betekenis van de zinsnede "degene tot wie het te wijzigen
besluit is gericht" wordt verwezen naar de
toelichting op artikel 3:15, vierde lid.
Artikel I, onderdeel B
(wijziging artikel 3:43)
Artikel
3:43, tweede lid,
Awb regelt de openbare kennisgeving van besluiten die met
toepassing van de huidige 3.4-procedure zijn genomen. Deze bepaling kan
vervallen, aangezien het hierna toe te lichten gewijzigde artikel 3:44 daarvoor in
de plaats komt.
rblz.|29|
Artikel I, onderdeel C
(wijziging artikel 3:44)
Artikel 3:44
Awb regelt
de mededeling aan derden van besluiten die zijn voorbereid met toepassing
van de huidige 3.5-procedure (de officiële bekendmaking valt onder
het regime van de artikelen 3:41 en 3:42 Awb). Via de voorgestelde
wijzigingen wordt dit artikel aangepast aan de systematiek van de nieuwe uniforme
openbare voorbereidingsprocedure. Het artikel bevat aldus een
verbijzondering van het algemenere artikel
3:43, eerste lid, dat bepaalt
dat van het besluit mededeling moet worden gedaan aan degenen die
bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Het artikel laat ook het nieuwe tweede lid (huidig derde lid) van artikel
3:43 onverlet, waarin is voorgeschreven dat bij de mededeling tevens moet
worden vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft
plaatsgevonden.
In de nieuwe opzet kent
artikel 3:44 nog slechts twee leden. Deze leden bevatten, met enkele
hierna toe te lichten wijzigingen, de inhoud van het huidige tweede en derde
lid. De overige leden die dit artikel thans nog bevat (eerste en vierde
tot en met zevende lid), kunnen om de volgende redenen vervallen.
Het huidige eerste
lid kan
vervallen, omdat deze bepaling louter ziet op interbestuurlijk verkeer (vgl.
paragraaf 5.4 van
het algemeen deel van deze memorie).
In onderdeel a van het
huidige vierde lid is bepaald dat in de diverse kennisgevingen mededeling
moet worden gedaan van tijdstip en plaats van de terinzagelegging.
Dit onderdeel kan vervallen, omdat hierin reeds wordt voorzien doordat in
het eerste lid (nieuw) ook artikel 3:12, derde lid, onderdeel a, van
toepassing is verklaard. Onderdeel b van het huidige vierde lid schrijft voor
dat tevens moet worden vermeld of in het besluit wijzigingen zijn
aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Deze bepaling wordt met het oog op de
gewenste vereenvoudiging geschrapt, aangezien zulks uit de inhoud van
het besluit in samenhang met de motivering reeds voldoende duidelijk zal
zijn. Onderdeel c van het huidige vierde lid schrijft voor dat als de afwijkende mededelingswijze voor besluiten met een grote
hoeveelheid insprekers is
toegepast, dit onder opgave van redenen moet worden vermeld in de
diverse kennisgevingen. Met het oog op de gewenste versobering in
de regelgeving stellen wij voor ook deze bepaling te laten vervallen.
Het huidige vijfde lid geeft personen het recht alsnog om toezending van een exemplaar van het
besluit te verzoeken in gevallen waarin de mededeling op grond van het huidige
derde lid wegens een grote hoeveelheid insprekers achterwege is
gebleven. Het huidige vijfde lid geeft daarbij ook het recht aan het bestuursorgaan om aan het verzoek niet te
voldoen
indien toezending
redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Ook deze bepaling kan vervallen in het
licht van de gewenste versobering. Ook zonder een dergelijke bepaling
zullen dergelijke verzoeken kunnen worden gedaan, waaraan
bestuursorganen met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur
als regel tegemoet zullen komen.
De eerste en vierde
volzin van het huidige zesde lid bepalen dat de stukken zes weken ter
inzage liggen en dat tegen een vergoeding van ten hoogste de kosten een
afschrift wordt verstrekt. Deze bepalingen kunnen vervallen omdat dit reeds
is geregeld doordat in het eerste lid (nieuw) mede artikel
3:11, derde
en vierde lid, van toepassing is verklaard. De tweede en derde volzin
van het huidige zesde lid bevatten voorschriften over terinzageligging
buiten kantooruren en het verstrekken van een kostenloze mondelinge
toelichting. De schrapping van deze bepalingen is reeds toegelicht in paragraaf
5.12 van het algemeen deel van deze memorie.
Het huidige zevende lid bevat een specifieke voorziening voor gevallen waarin een bestuursorgaan
naar aanleiding van een verzoek tot wijziging of intrekking besluit om
niet tot wijziging of intrekking over te gaan en rblz.|30|
geen ontwerp-besluit ter
inzage legt. Deze voorziening is in de nieuwe opzet van de uniforme
openbare voorbereidingsprocedure niet meer nodig, omdat de
toepasselijkheid van artikel 3:44 in dat geval niet aan de orde is.
Over de wijzigingen die
in de twee overgebleven artikelleden worden voorgesteld, wordt het
volgende opgemerkt.
In de aanhef van het
nieuwe eerste lid (huidige tweede lid) wordt expliciet tot uitdrukking gebracht
dat artikel 3:44 een verbijzondering is van
artikel 3:43. Onderdeel b is
ongewijzigd. Via een aanpassing van de verwijzing in onderdeel a is verzekerd
dat er een openbare kennisgeving wordt gepubliceerd van het besluit en dat
het besluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende de
beroepstermijn ter inzage ligt. Dit is van belang voor het maken van de
keuze om al dan niet beroep in te stellen en ten behoeve van het opstellen
van een mogelijk beroepschrift. Onder de op grond van artikel 3:11 en
3:12 in verband met artikel 3:44 ter inzage te leggen stukken die
redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het besluit moeten in
ieder
geval worden begrepen het dossier van het ontwerp-besluit dat
tijdens de voorbereidingsprocedure ter inzage heeft gelegen alsmede de van
belang zijnde stukken die pas na afloop van de inspraaktermijn van artikel
3:16, eerste lid, ter beschikking zijn gekomen.
In het nieuwe tweede lid (huidige derde lid) is de enige wijziging dat in de onderdelen a en
c de
zinsnede "en (van) hetgeen omtrent zijn/hun bedenkingen is
overwogen" is
geschrapt. Deze wijziging vloeit voort uit de omstandigheid dat het
huidige artikel 3:27 in de nieuwe regeling niet is overgenomen. Het huidige
artikel 3:27 bepaalt dat het bestuursorgaan bij de bekendmaking van
besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de huidige 3.5-procedure
zijn overwegingen vermeldt omtrent de ingebrachte bedenkingen. Deze
bepaling is in de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure
niet meer overgenomen, aangezien dit reeds voortvloeit uit de motiveringsplicht, die sedert de inwerkingtreding van de
derde tranche van de Awb voor alle besluiten geldt en bij die gelegenheid is opgenomen in
artikel
3:46 Awb. Indien naar voren gebrachte zienswijzen buiten beschouwing zijn
gelaten omdat zij evident buiten de orde zijn, zal dat in het
algemeen in de motivering bij het besluit in een korte passage kunnen worden
vermeld. Als sequeel van deze keuze wordt in artikel 3:44 ook niet
meer expliciet voorgeschreven dat aan betrokkenen mededeling moet worden
gedaan van hetgeen omtrent hun zienswijze is overwogen.
Artikel I, onderdeel D
(wijziging artikel 4:10)
Deze wijziging is van
louter wetstechnische aard. Nu de afdelingen 3.4 en
3.5 worden samengevoegd
in een nieuwe afdeling 3.4, moet de verwijzing naar
afdeling 3.5 in
artikel 4:10 Awb vervallen.
Artikel I, onderdeel E
(wijziging artikel 6:8)
Tussen enerzijds het
tijdstip waarop het definitieve besluit wordt bekendgemaakt aan de
geadresseerde(n)
en anderzijds de tijdstippen waarop van het besluit mededeling
wordt gedaan aan derden door terinzagelegging en toezending van een
exemplaar aan degenen die in de voorbereidingsprocedure zienswijzen naar voren
hebben gebracht, kan enige tijd zitten (als regel enkele dagen).
Artikel 3:43, eerste lid, Awb bepaalt immers dat die mededelingen moeten
worden gedaan "tegelijkertijd of zo spoedig mogelijk na de
bekendmaking". Om te voorkomen dat derden worden geconfronteerd met een
kortere beroepstermijn - de beroepstermijn zou immers op grond van
artikel 6:8, eerste lid, reeds aanvangen op de dag nadat het besluit wordt
bekendgemaakt aan de geadresseerde(n) - is in het voorgestelde vierde
lid van artikel 6:8 een voorziening opgenomen die
rblz.|31|
waarborgt dat ook derden
de volle beroepstermijn van zes weken kunnen benutten. Voorgesteld
wordt dat de beroepstermijn voor besluiten die worden voorbereid volgens
de nieuwe voorbereidingsprocedure ingaat op de dag nadat het
besluit ter inzage is gelegd. Het tijdstip van terinzagelegging moet worden vermeld in de
openbare kennisgeving van het besluit in de
Staatscourant of een ander blad (zie de nieuwe artikelen
3:44, eerste lid, onderdeel
a, juncto artikel 3:12, derde lid, onderdeel a). Met deze aanvulling van
artikel
6:8 wordt het systeem overgenomen dat reeds bestaat in de Wet
milieubeheer (artikelen 20.7 en 20.11, eerste lid).
Besluiten die worden
voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
hebben gemeen dat daarbij derden-belanghebbenden (kunnen) zijn betrokken.
Om die reden is een algemene uitzondering op de
hoofdregel van de aanvang van de beroepstermijn gerechtvaardigd.
Artikel I, onderdeel F
(wijziging artikel 7:1)
Zoals reeds is
uiteengezet in het algemeen deel van deze memorie moet het volgen van de
uniforme openbare voorbereidingsprocedure tot gevolg hebben dat na het nemen
van het besluit rechtstreeks beroep openstaat bij de bestuursrechter,
zonder voorafgaande bezwaarschriftprocedure. Dit is thans reeds het systeem dat geldt voor de huidige
3.5-procedure. In
artikel 7:1, eerste lid,
onderdeel d, dat de niet-toepasselijkheid van de verplichte
bezwaarschriftprocedure regelt, moet derhalve worden voorzien in een vervanging van de
verwijzing naar de huidige 3.5-procedure door een verwijzing naar
de nieuwe afdeling 3.4. Artikel I, onderdeel E, strekt daartoe, waarbij
tevens ten opzichte van de huidige tekst enkele redactionele
vereenvoudigingen zijn aangebracht.
Artikelen II en
III.
(Wijziging Provinciewet en Gemeentewet)
Deze onderdelen zijn
reeds toegelicht in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze memorie.
De vervanging van de
woorden "in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
rechtspersonen" door
"belanghebbenden" in het eerste lid strekt ertoe aan te
sluiten bij het begrip "belanghebbende" zoals dat in
artikel 1:2
Awb is gedefinieerd en welke definitie in beginsel ook geldt voor de wetgeving buiten
de Awb.
Duidelijkheidshalve wordt ten slotte opgemerkt dat de zinsnede "voor zover in de verordening
niet anders is bepaald" betekent dat in de provinciale of gemeentelijke
verordening niet alleen geheel, maar ook gedeeltelijk kan worden afgezien van
toepassing van afdeling 3.4. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden
in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te
leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren dan via
het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met andere termijnen.
Artikel IV.
(Overgangsrecht)
Het eerste
lid van dit
artikel waarborgt dat vóór de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
openbare voorbereidingsprocedure aangevraagde besluiten worden
afgehandeld overeenkomstig de huidige 3.4- en
3.5-procedure. Voor
ambtshalve te nemen besluiten geldt een overgangstermijn van dertien weken. Deze
bepaling komt overeen met het standaardovergangsrecht
zoals dat indertijd is opgenomen in artikel I, eerste lid, van de
Wet
voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650).
Het tweede lid bewerkstelligt dat ook tegen besluiten die nog met toepassing van de huidige
3.5-procedure worden voorbereid, maar worden bekendgemaakt na de
inwerkingtreding van de nieuwe uniforme openbare rblz.|32|
voorbereidingsprocedure, geen bezwaar kan worden gemaakt. Dit is
wenselijk nu ingevolge
het huidige artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, Awb
de
bezwaarschriftprocedure voor deze besluiten is uitgesloten. De redactie van deze
bepaling is ontleend aan het met dit geval vergelijkbare artikel I van hoofdstuk
13 van de Leemtewet Awb (Stb. 1995, 250).
Het derde lid stelt buiten
twijfel dat tegen besluiten die nog met toepassing van de huidige 3.4-procedure worden voorbereid, maar worden bekendgemaakt na de
inwerkingtreding van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure,
nog steeds wél bezwaar kan worden gemaakt. De
bezwaarschriftprocedure is ook thans op deze besluiten van toepassing. Het
opnemen van deze bepaling is gewenst, omdat na de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, Awb
een verwijzing zal
bevatten naar afdeling 3.4 Awb, waarbij uiteraard wordt gedoeld op de
nieuwe afdeling 3.4 en niet op de huidige afdeling 3.4
Artikel V.
(Inwerkingtredingsbepaling)
In
hoofdstuk 7 van het algemeen deel van deze memorie is ingegaan op de uit
dit wetsvoorstel
voortvloeiende aanpassingswetgeving. Zoals gebruikelijk bij de wetgeving op het
terrein van de Algemene wet bestuursrecht zullen de hoofdwet en de
bijbehorende aanpassingswetgeving op hetzelfde tijdstip in werking moeten
treden.
Het streven is gericht op inwerkingtreding per 1 januari 2001.
Het voorgestelde artikel
creëert een overgangstermijn van één jaar voor het aanpassen van
provinciale en gemeentelijke inspraakverordeningen, hetgeen nader is
toegelicht in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze memorie.
Artikel VI.
(Citeertitel)
Uit praktische
overwegingen wordt aan de wet een citeertitel gegeven, aangezien verwacht mag
worden dat de wet in diverse stukken - bijvoorbeeld in het kader van de
aanpassingswetgeving - veelvuldig zal worden aangehaald.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
|
|