|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 27 024
Wijziging
van de Algemene wet
bestuursrecht met betrekking tot
de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten
bestuurlijke voorprocedures)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Strekking van het wetsvoorstel |
| 2 |
Voorbereiding van dit
wetsvoorstel |
| 3 |
Het huidige recht |
| 4 |
Noodzaak van een
nieuwe regeling; beperkte aansprakelijkheid |
| 5 |
De omvang van de
vergoeding: forfaitair tarief |
| 6 |
Uitsluitende
bevoegdheid van de bestuursrechter |
| 7 |
Procedurele aspecten |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Strekking van het wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel
strekt tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een
regeling inzake de vergoeding van de kosten die een belanghebbende maakt
in verband met de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of
administratiefberoepschrift. In het kabinetsstandpunt over de evaluatie van de
Awb (Kamerstukken II 1997-1998, 25 600 VI, nr. 46) heeft het
kabinet reeds aangekondigd een dergelijke regeling te overwegen.
Thans is er inderdaad
aanleiding de vergoeding van kosten gemaakt in zogenaamde bestuurlijke voorprocedures (bezwaar of administratief
beroep) wettelijk te
regelen. Als gevolg van uiteenlopende jurisprudentie bestaat in de praktijk
onduidelijkheid over de vraag in hoeverre deze kosten voor vergoeding in
aanmerking komen. Volgens de burgerlijke rechter is dit in
beginsel wel het geval, volgens de hoogste bestuursrechters in beginsel niet. Het is
derhalve gewenst dat de wetgever duidelijkheid schept.
In dit wetsvoorstel is
aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de bestuursrechters:
voorgesteld wordt te bepalen dat het bestuursorgaan de kosten van de
bestuurlijke voorprocedure (in de praktijk gaat het vooral om kosten van
rechtsbijstand) uitsluitend vergoedt indien het bestreden besluit onrechtmatig
blijkt en het bestuursorgaan in ernstige mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Een
verdergaande aansprakelijkheid van bestuursorganen voor de
kosten van de bestuurlijke voorprocedure zou tot een ongewenste
juridisering van deze voorprocedures leiden.
Voor zover de kosten van
de bestuurlijke voorprocedure voor vergoeding in aanmerking komen,
wordt deze vergoeding beperkt door toepassing van een forfaitair
tarief, in opzet vergelijkbaar met het tarief dat thans reeds geldt voor de
kosten van het beroep bij de bestuursrechter. Ten slotte stellen wij,
eveneens in aansluiting op de huidige regeling voor de kosten van het beroep
bij de rechter, voor de bevoegdheid om een bestuursorgaan in de
kosten van de voorprocedure te veroordelen bij uitsluiting toe te kennen
aan de bestuursrechter. Dit voorkomt dat de burgerlijke rechter moet
oordelen over de kosten van bestuursrechtelijke procedures.
rblz.|2|
De
in dit wetsvoorstel
voorgestelde regeling voor de vergoeding van de kosten van de
bestuurlijke voorprocedure vormt een aanvulling op artikel
8:75 Awb dat een
specifieke en eigensoortige op het bestuursrecht toegesneden regeling voor vergoeding
van proceskosten bevat. Als gevolg hiervan is er op het door
deze regeling bestreken terrein van het bestuursrecht geen plaats meer voor
toepassing van artikel 6:96 van het Burgerlijk
Wetboek.
Dit voorstel bevat alleen
een regeling voor de vergoeding van kosten gemaakt in verband met
bezwaar en administratief beroep. Overwogen is of er ook zou moeten
worden voorzien in een bijzondere regeling voor de vergoeding van kosten die
zijn gemaakt in het kader van openbare voorbereidingsprocedures.
Daarvan is afgezien. In het arrest van 26 november 1999 (RvdW 1999,
184) heeft de Hoge Raad overwogen dat kosten die een
belanghebbende maakt om in de voorprocedure zijn standpunt aan het bestuursorgaan
kenbaar te maken, in de regel voor zijn rekening moeten blijven. Dat is
ook de opvatting van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(ABRvS 8 december 1997, Gst. 7076, 7). Van uiteenlopende jurisprudentie, die tot een wettelijke regeling zou
nopen, is op dit punt dus
geen sprake. Beide colleges oordelen voorts dat in bijzondere gevallen
wel aanleiding voor vergoeding kan bestaan. De Hoge Raad wijst daarbij
op het geval dat door het ter inzage leggen van een ontwerp-besluit de
belangen van een belanghebbende zodanig worden veronachtzaamd
dat sprake is van een onrechtmatige daad. Dat geval kan zich echter in
beginsel bij iedere handeling van een bestuursorgaan ter voorbereiding van een
besluit voordoen. Het ligt dan niet voor de hand om voor één
bepaald type voorbereidingshandeling - het inleiden van een openbare
voorbereidingsprocedure - een bijzondere wettelijke regeling te
treffen.
2. Voorbereiding van dit
wetsvoorstel
In het bovengenoemde
kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Awb
heeft het kabinet
aangekondigd dat het de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht
zou verzoeken te adviseren over eventuele codificatie van de
jurisprudentie van de bestuursrechter inzake vergoeding van kosten in de
bezwaarfase. Op 17 september 1998 bood de Commissie haar advies ¹ aan
de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties aan.
Het voorontwerp is vervolgens aan enkele instanties voor advies toegezonden.
Op het voorontwerp zijn reacties ontvangen van de Nederlandse
Vereniging van Rechtspraak (NVvR), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de
Klankbordgroep bestuursprocesrecht die medio 1997 vanuit de met bestuursrechtspraak belaste colleges is gevormd. De
noodzaak en de strekking
van een wettelijke regeling als deze worden onderschreven. In
navolging van onder meer het NVvR-advies is het wetsvoorstel in procedureel opzicht
aangescherpt ten opzichte van het voorontwerp. Op de in de adviesronde
gemaakte opmerkingen wordt elders in deze toelichting
ingegaan.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
3. Het huidige recht
Op grond van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter een
partij (in de praktijk veelal: het verwerende bestuursorgaan) veroordelen in de
proceskosten van een andere partij (in de praktijk: de burger die met succes
in beroep is gegaan). Proceskosten zijn in dit verband slechts kosten
die zijn gemaakt in de fase van het beroep bij de rechter. De wetgever
heeft destijds bewust geen regeling getroffen voor kosten die een
belanghebbende maakt voor de behandeling van het bezwaar of administratief
beroep dat doorgaans aan het beroep op de rechter voorafgaat (zie Kamerstukken II
1991-1992, 22 495, nr. 3, blz. 153). Daarbij is erop gewezen
dat volgens de civielrechtelijke jurisprudentie de rblz.|3|
kosten van rechtsbijstand
in de voorprocedure onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt
als vermogensschade voortvloeiend uit een onrechtmatige
overheidsdaad. Volgens HR 17 november 1989, AB 1990, 81
(Velsen/De Waard),
recent bevestigd in HR 20 februari 1998, RvdW 1998, 59C; JB 1998, 73, m.n.
HJS; AB 1998, 247 m.n. ThGD (Pink Art Productions), kan het
bestuur in dat geval gehouden zijn deze schade te vergoeden, voor zover
zowel het inroepen van rechtsbijstand als de hoogte van de daarvoor
gemaakte kosten als redelijk kunnen worden beschouwd. In beginsel
kan de belanghebbende naar keuze bij de burgerlijke rechter (artikel 6:162
BW)
of bij de bestuursrechter (artikel 8:73 Awb) schadevergoeding
vorderen. De wetgever was
echter van oordeel dat zo’n vordering slechts bij
uitzondering zou moeten worden toegewezen. Als regel verzet het karakter
van de voorprocedure - verlengde besluitvorming en een eenvoudige,
informele vorm van rechtsbescherming - zich tegen vergoeding van
kosten van rechtsbijstand.
In overeenstemming met
deze wetsgeschiedenis hebben de hoogste bestuursrechters in het
kader van artikel 8:73 Awb
een vaste jurisprudentie gevestigd, die inhoudt
dat de kosten van de voorprocedure slechts in bijzondere gevallen
als vermogensschade worden vergoed (zo reeds vóór de Awb
CBb 14 mei
1993, AB 1993, 581, m.n. JHvdV; CRvB 24 januari 1995, AB 1995, 233
m.n.
PvB en RH; ABRvS 12 december 1996, JB 1997, 83). In de woorden van de
Centrale Raad van Beroep is daartoe slechts aanleiding "...indien de
primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat
gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een
onrechtmatig besluit ten aanzien van appellant heeft genomen" (CRvB 24
januari 1995, AB 1995, 233).
De Hoge Raad,
daarentegen, aanvaardt een aanzienlijk verdergaande aansprakelijkheid van het
bestuursorgaan voor de kosten van de voorprocedure. Volgens HR 20 februari
1998, JB 1998, 72, m.n. HJS; AB 1997, 231, m.n. ThGD, NJ 1998,
526, m.n. ARB; BNB 1998, 207, m.n. P.J. Wattel (Staat/Broeder) dient een
besluit dat in bezwaar wordt herroepen in ieder geval als een
onrechtmatige daad aan het bestuursorgaan te worden toegerekend indien dit
besluit berustte op een onjuiste wetsuitleg. Derhalve dient het bestuursorgaan in dat geval de door het herroepen
besluit veroorzaakte
schade te vergoeden, naar het zich laat aanzien inclusief eventuele kosten van de
voorprocedure. Dit betekent dat op bestuursorganen aansprakelijkheid rust
voor onrechtmatige besluiten, ook als de onrechtmatigheid nog in
de bezwaarschriftprocedure wordt weggenomen, welke aansprakelijkheid
mede de schade bestaande uit de kosten van de voorprocedure
omvat. Overigens laat het arrest de mogelijkheid open dat er situaties
zijn, zoals door de burger aangedragen nieuwe feiten, waarin de
onrechtmatigheid en daarmee de schade die uit de intrekking van een
besluit kan voortvloeien, niet aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend.
De Hoge Raad heeft zijn standpunt inmiddels herhaald in HR
17-12-1999, RvdW 2000, 5 (Groningen/Raatgever).
4. Noodzaak van een
nieuwe regeling; beperkte aansprakelijkheid
Door het uiteenlopen van
de jurisprudentie van de burgerlijke rechter en de bestuursrechter is
thans voor zowel burgers als bestuursorganen onduidelijk in hoeverre
de kosten van de bestuurlijke voorprocedure behoren te worden
vergoed. Deze onduidelijkheid kan slechts door een wettelijke regeling
worden weggenomen. Uitgangspunt van de wettelijke regeling dient te zijn
dat het bestuursorgaan in beginsel niet aansprakelijk kan worden gesteld voor
de kosten die een burger maakt in verband met de behandeling van zijn
bezwaar of administratief beroep, tenzij het bestuursorgaan ernstige
onzorgvuldigheid kan worden verweten.
Dit uitgangspunt vloeit
in de eerste plaats voort uit het karakter van de bestuurlijke
voorprocedure. Naar algemeen wordt aanvaard, is de bezwaarschriftprocedure
niet alleen een vorm van rechtsbescherming, rblz.|4|
maar ook een vorm van
verlengde besluitvorming. Of wellicht nog beter: de
bezwaarschriftprocedure biedt rechtsbescherming door verlengde besluitvorming. De kern
van de bezwaarschriftprocedure is dat het bestreden besluit
volledig wordt heroverwogen (artikel 7:11 Awb). Daarbij
behoort centraal te staan
of, binnen de grenzen van de wet en gelet op alle betrokken belangen,
aan de bezwaren van de burger tegemoet kan worden gekomen. Een
wijziging van het bestreden besluit in bezwaar betekent daarom geenszins
zonder meer dat dit besluit onjuist was. Er kunnen allerlei redenen
zijn om een op zichzelf juist besluit te vervangen door een bij nader inzien
beter besluit.
Indien het bestreden
besluit wel juridisch onjuist was, biedt de bezwaarschriftprocedure de mogelijkheid de
gemaakte fouten snel en eenvoudig te herstellen. Als dat
gebeurt, kan eigenlijk ook niet worden gesproken van een achteraf onjuist
gebleken besluit, omdat de bezwaarschriftprocedure deel uitmaakt van de bestuurlijke besluitvorming en het
bestuur dus uiteindelijk
geen onjuist besluit heeft genomen. De evaluatie van de Awb
heeft uitgewezen dat vooral bij de "beschikkingenfabrieken" in de sfeer van het
financiële bestuursrecht, waar fouten door de massaliteit van het
besluitvormingsproces onvermijdelijk zijn, de bezwaarschriftprocedure juist als mechanisme voor
de correctie van fouten onmisbaar is.
Daarbij gaat het
overigens lang niet altijd om fouten waarvan de oorzaak bij het bestuur ligt. Het
komt regelmatig voor dat de belanghebbende zich eerst na ontvangst van de
primaire beschikking, zoals een belastingaanslag, realiseert dat hij
beschikt over nog niet aan het bestuur overgelegde gegevens die een voor
hem gunstiger besluit rechtvaardigen. Wanneer hij deze gegevens
in bezwaar overlegt, zal het bezwaar gegrond worden verklaard, omdat
het bestreden besluit onjuist was. Uiteraard is het evenzeer mogelijk dat
de oorzaak van de fout bij het bestuur ligt, terwijl ook een
communicatiestoornis tussen bestuur en burger de aanleiding tot de onjuiste
beslissing kan zijn. Omdat de bezwaarschriftprocedure gericht is op het
tot stand brengen van een juist besluit, behoeft daarin geen
oordeel gegeven te worden over de vraag aan wie de onjuistheid in eerste
instantie lag. Het aansprakelijk stellen van het bestuur voor gemaakte
fouten in het primaire besluit zou daarin verandering brengen.
Ook indien wel duidelijk
zou zijn dat het bestuur een fout heeft gemaakt, zou de bereidheid van het
bestuursorgaan om dit te erkennen, afnemen als deze erkenning
onmiddellijk ook een beslissing omtrent de vergoeding van kosten van de
voorprocedure zou impliceren. Daardoor zal vaker beroep worden ingesteld
om de fouten alsnog hersteld te krijgen. Nu een beroepsprocedure
doorgaans langer duurt en voor zowel bestuur als burger duurder is dan de
bezwaarschriftprocedure, is dit een weinig doelmatige gang van zaken.
Meer in het algemeen zou
een verplichting om steeds wanneer het primaire besluit
onrechtmatig blijkt, de kosten van de voorprocedure te vergoeden, tot verdere
juridisering van de voorprocedure leiden. Dat zou een hoogst ongewenste
ontwikkeling zijn. Uit de evaluatie van de Awb is gebleken dat op sommige
deelterreinen van het bestuursrecht de bezwaarschriftprocedure
nu reeds te veel wordt verengd tot een toetsing van de rechtmatigheid van
het bestreden besluit. De discussie in bezwaar concentreert zich dan op juridische vragen, terwijl eventuele andere
mogelijkheden om het
gerezen geschil op te lossen naar de achtergrond verdwijnen. In het eerder
genoemde kabinetsstandpunt over de evaluatie van de Awb heeft het kabinet bestuursorganen daarom juist opgeroepen
om de
bezwaarschriftprocedure waar mogelijk te dejuridiseren en de oplossing van gerezen
conflicten meer centraal te stellen.
Een vérgaande
aansprakelijkheid voor de kosten van de bestuurlijke voorprocedure bij onrechtmatige
besluiten zou deze ontwikkeling in ernstige mate doorkruisen, doordat
zij het belang van de rechtmatigheidsvraag rblz.|5|
weer zou doen toenemen.
Tot voor kort was het belang van de rechtmatigheidsvraag in
ieder geval beperkt in de gevallen waarin het bestuursorgaan geheel of
grotendeels aan het bezwaarschrift tegemoet kwam. Als bijvoorbeeld
met een beroep op de Wet
openbaarheid van bestuur gevraagde
documenten na bezwaar alsnog (grotendeels) werden verstrekt, kon veelal in
het midden blijven of de aanvankelijke weigering nog juist wel of net niet
meer door de juridische beugel kon. Evenzo: als in een fiscale zaak in
bezwaar een compromis wordt gesloten, hoeft het debat over de
rechtmatigheid van de oorspronkelijke aanslag niet meer op het scherp van de snede
te worden gevoerd. Zodra deze rechtmatigheid echter beslissend wordt
voor het al dan niet moeten vergoeden van de kosten van de voorprocedure, zal de neiging bestaan om de discussie
daarover wel voort te
zetten, zelfs al is het materiële geschil al opgelost. Hoewel dit voor de
individuele belanghebbende soms tot een gunstiger financieel resultaat kan
leiden, worden naar onze stellige overtuiging de belangen van burgers in
het algemeen door een dergelijke juridisering van de voorprocedure niet
gediend. Als het debat in bezwaar zich meer en meer gaat concentreren op
juridische vragen en bestuursorganen er meer en meer belang bij
krijgen om de rechtmatigheid van het primaire besluit zo lang mogelijk te
verdedigen, draagt dat immers niet bij aan de bereidheid om compromissen te
sluiten. Aldus zou het conflictoplossend vermogen van de
voorprocedure afnemen, terwijl het uit een oogpunt van het tegengaan van
onnodige juridisering nu juist zaak is dit conflictoplossend vermogen te vergroten;
niet voor niets pleit ook het rapport "Bestuur in geding" van
de werkgroep-Van Kemenade voor dit laatste. Tenslotte zou een
vergaande aansprakelijkheid voor de kosten van de bestuurlijke
voorprocedure, inclusief eventuele kosten van rechtsbijstand, voor bestuursorganen
aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Het gaat daarbij niet alleen om de
kosten van de vergoedingen zelf, maar ook om de kosten van de
besluitvorming. Een vergaande aansprakelijkheid impliceert immers dat het
bestuursorgaan bij iedere beslissing op bezwaar of administratief beroep
moet vaststellen of aan het primaire besluit een juridisch gebrek kleefde,
alsmede, zo dit het geval is, of de belanghebbende in de voorprocedure
kosten heeft gemaakt, hoe hoog deze kosten zijn en of deze kosten
als redelijkerwijs gemaakt kunnen worden beschouwd. Dit zou de
afhandeling van bezwaar- en beroepschriften aanzienlijk bewerkelijker
maken. Het roept bovendien nieuwe geschillen over de hoogte van de
vergoeding op. Daarmee zouden de bestuurslasten flink stijgen.
Gelet op deze argumenten
is het wenselijk om, in aansluiting op de jurisprudentie van de bestuursrechters,
de aansprakelijkheid van het bestuursorgaan voor de kosten van de
bestuurlijke voorprocedure te beperken. Er is echter geen aanleiding
om deze aansprakelijkheid geheel uit te sluiten. Waar het om gaat is,
eenvoudig gezegd, dat het bestuur gewoon zijn werk moet kunnen doen. Dat
daarbij af en toe fouten worden gemaakt, is, als bij ieder mensenwerk, nu
eenmaal onvermijdelijk. De voorprocedure is juist bedoeld om deze fouten
op
relatief eenvoudige wijze te kunnen herstellen. Daarbij past geen
kostenvergoeding.
De zaak ligt echter
wezenlijk anders indien door ernstige onzorgvuldigheid van het bestuursorgaan
een onrechtmatig besluit is genomen. In dat geval brengt het
bestuursorgaan de belanghebbende geheel onnodig in de positie dat hij een
bezwaar- of administratiefberoepschrift moet indienen. Het zou
onredelijk zijn de kosten van de bestuurlijke voorprocedure ook dan geheel ten laste
van de belanghebbende te laten. Dat is ook niet nodig, want
bestuursorganen moeten geacht worden te allen tijde te kunnen voorkomen
dat een situatie ontstaat waarin het verwijt van ernstige
onzorgvuldigheid
op zijn plaats is. Derhalve stellen wij voor in de artikelen
7:15, 7:28 en
8:75 te bepalen dat voor de kosten van de voorprocedure slechts een vergoeding
wordt gegeven indien het bestreden besluit door ernstige
onzorgvuldigheid in strijd met het recht is genomen.
rblz.|6|
Het moge duidelijk
zijn
dat lang niet ieder juridisch gebrek ernstige onzorgvuldigheid
oplevert. Als bijvoorbeeld een naar achteraf blijkt onjuist, maar
verdedigbaar juridisch standpunt is ingenomen, behoeft afhankelijk van
omstandigheden van het specifieke geval van ernstige onzorgvuldigheid nog geen
sprake te zijn. Als in een besluit bijvoorbeeld een rekenfout is gemaakt
of bij vergissing van verkeerde feiten is uitgegaan, als het feitenonderzoek
niet volledig is geweest, een advies onvoldoende is meegewogen, een minder
bekende of recente rechterlijke uitspraak of wetsbepaling
over het hoofd is gezien, de voorgeschreven voorbereidingsprocedure
niet helemaal correct is gevoerd, termijnen niet strikt zijn nageleefd,
een mandaat niet toereikend blijkt of in een complex geval de kring van
belanghebbenden iets te nauw is getrokken, behoort dit op zichzelf nog niet
te leiden tot aansprakelijkheid voor de kosten van de voorprocedure. Deze
opsomming is niet uitputtend; uiteindelijk zal de rechter moeten uitmaken
wanneer de besluitvorming ernstig onzorgvuldig is geweest. Daarbij
kunnen onder meer ook de complexiteit van het geval - waaronder de
complexiteit van de toepasselijke regelgeving - en de opstelling van het
bestuursorgaan een rol spelen.
Bij ernstige
onzorgvuldigheid dient vooral gedacht te worden aan besluiten die inhoudelijk
evident onverdedigbaar zijn: een evident onhoudbare wetsuitleg,
duidelijke strijd met sedert lang gevestigde jurisprudentie, het blijven toepassen van
een reeds bij onherroepelijke uitspraak onverbindend
verklaarde verordening, en dergelijke. In bijzondere gevallen is voorts
denkbaar dat een motiveringsgebrek of een procedurele fout zo ernstig is dat
van ernstige onzorgvuldigheid moet worden gesproken. Men denke bij wijze van voorbeeld aan het geval dat in strijd
met artikel 4:8 Awb
bestuursdwang wordt toegepast zonder de overtreder in de gelegenheid te
stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, terwijl de overtreder bij het
bestuursorgaan bekend is en van spoedeisendheid geen sprake is. Ook
langdurig stilzitten van een bestuursorgaan waardoor termijnen stelselmatig
aanzienlijk worden overschreden, kan leiden tot de conclusie dat er sprake
is van ernstige onzorgvuldigheid. Overigens zal aan de term "ernstige
onzorgvuldigheid" in de rechtspraak nader inhoud moeten worden gegeven.
In de reacties op het
voorontwerp van de NVvR en de eerder genoemde Klankbordgroep
bestuursprocesrecht is opgemerkt dat het voor vergoeding voorgestelde criterium
tot misverstand kan leiden. Gedacht zou namelijk kunnen worden
dat bedoeld is de nadruk te leggen op zorgvuldigheidseisen; dat het bestreden
besluit
onrechtmatig is wegens ernstige schending van het
zorgvuldigheidsbeginsel. Bij wijze van alternatief is voorgesteld om te spreken
over "door een ernstige tekortkoming in strijd met het recht (...)
genomen" of "op ernstig onzorgvuldige wijze in strijd met het recht
(...)
genomen" of zelfs om de voorwaarde dat het bestreden besluit in strijd met het
recht is genomen te laten vallen. Tegen deze laatste suggestie pleit onder
andere dat het IPO juist heeft aangedrongen op een verdere aanscherping van
het criterium ("door onmiskenbare ernstige onzorgvuldigheid in
strijd met het recht (...) genomen"). De NVvR acht de term "ernstig
onzorgvuldig" een hanteerbare maatstaf voor een beoordeling van de vraag of moet
worden overgegaan tot (veroordeling tot) vergoeding van de kosten
van de bestuurlijke voorprocedure. Wij stellen voor het in het
voorontwerp van de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht
opgenomen "dubbele" criterium (onrechtmatig én ernstig onzorgvuldig)
te handhaven, aangezien daarmee naar ons oordeel het meest
duidelijk en objectiverend is aangegeven onder welke omstandigheden de
belanghebbende op kostenvergoeding aanspraak kan maken.
rblz.|7|
5. De omvang van de
vergoeding: forfaitair tarief
Indien een vergoeding
voor de kosten van de voorprocedure moet worden gegeven, rijst
vervolgens de vraag welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en
hoe hoog de vergoeding moet zijn. Het ligt in de rede daarvoor aansluiting
te zoeken bij de regeling van de vergoeding van de kosten van het beroep
bij de rechter, zoals neergelegd in het Besluit proceskosten
bestuursrecht.¹ Dit besluit somt limitatief op welke kosten voor vergoeding in
aanmerking komen. Het gaat vooral om kosten van door een derde
beroepsmatig verleende rechtsbijstand en daarnaast onder meer om kosten van
door een partij zelf meegebrachte getuigen en deskundigen en reis-,
verblijf- en verletkosten. Voor de kosten van professionele rechtsbijstand is
in het besluit een forfaitair tarief neergelegd, dat aanknoopt bij de
proceshandelingen die zijn verricht. Deze regeling zal worden aangevuld met een
tarief voor de belangrijkste handelingen in de voorprocedure, zoals het
indienen van een bezwaar- of beroepschrift en verschijnen op een
hoorzitting.
De keuze voor een
forfaitair tarief brengt met zich dat niet alle kosten volledig worden vergoed.
Dit is in overeenstemming met de keuze die is gemaakt voor de kosten
van het beroep bij de rechter, alsook met de regeling voor de kosten
van civiele procedures. Een forfaitair tarief heeft bovendien het
voordeel
dat het eenvoudig kan worden toegepast en tot minder geschillen over de
hoogte van de vergoeding leidt.
Er zij overigens op gewezen dat artikel
2, derde lid, van het Besluit proceskosten
bestuursrecht de rechter de bevoegdheid biedt om in bijzondere gevallen van het
forfaitaire tarief af te wijken. Het is denkbaar dat deze bevoegdheid in zeer
schrijnende gevallen wordt gebruikt om een hogere vergoeding toe te
kennen.
In alle gevallen is de
vergoeding overigens beperkt tot de kosten die de belanghebbende
redelijkerwijs in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief
beroep heeft moeten maken. Daarmee is, in aansluiting op het
huidige artikel 8:75 en de jurisprudentie van de civiele
kamer van de Hoge Raad
(HR 17 november 1990, AB 1990, 81 (Velsen/De Waard), de zogenaamde
"dubbele redelijkheidstoets" gecodificeerd: zowel het inroepen van
rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn.
Aan dit vereiste is bijvoorbeeld niet voldaan indien de bijstand van een
belastingadviseur wordt ingeroepen om een evidente rekenfout in een
belastingaanslag te herstellen. Het is immers algemeen bekend dat een eenvoudig
telefoontje naar de belastingdienst daartoe ook volstaat.
1. Het Besluit
proceskosten fiscale procedures is hierin opgegaan (Stb.
1999, 51; inwerkingtreding per 1 september 1999).
6. Uitsluitende
bevoegdheid van de bestuursrechter
Geschillen over de
vergoeding van de kosten van de voorprocedure kunnen het beste door de bestuursrechter worden beslist. De situatie
waarin de burgerlijke
rechter kan worden geroepen te oordelen over de kosten van
bestuursrechtelijke procedures heeft reeds op zichzelf iets ongerijmds. Dat geldt nog
sterker als, zoals voorgesteld, het antwoord op de vraag óf de kosten
moeten worden vergoed afhankelijk wordt van een oordeel over de ernst van
de gebreken in het primaire besluit, een oordeel dat uitsluitend de bestuursrechter toekomt. Daarbij
komt dat de bestuursrechter
reeds gewend is te werken
met het forfaitaire tarief dat ook voor de kosten van de
voorprocedure zal gaan gelden. Het onderhavige wetsvoorstel kent daartoe aan de
bestuursrechter een exclusieve bevoegdheid toe om te beslissen over
geschillen over vergoeding van de kosten van de bestuurlijke
voorprocedure. Voor de goede orde zij opgemerkt dat dit betekent dat als dit
wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, de burgerlijke
rechter niet meer tot oordelen geroepen zal zijn over de vergoeding van de
kosten van de bestuurlijke voorprocedure, zoals in rblz.|8|
het eerder genoemde arrest
van de Hoge Raad van 17 december 1999, RvdW 2000, 5
(Groningen/Raatgever).
7. Procedurele aspecten
De regel dat de
bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is het bestuursorgaan in de kosten van de
voorprocedure te veroordelen, betekent dat andere rechters daartoe
niet bevoegd zijn. Zij staat er niet aan in de weg dat het
bestuursorgaan,
dan wel, in administratief beroep, het beroepsorgaan, tot vergoeding van de
kosten besluit. Het zou immers ongerijmd zijn als het
bestuursorgaan zelf niet bevoegd zou zijn tot iets waartoe het door de rechter wel
veroordeeld kan worden. In de opzet van het wetsvoorstel neemt het bestuursorgaan
- desverzocht - in beginsel (eerst) zelf een beslissing omtrent
vergoeding van kosten, en wel in de beslissing op het bezwaar- of
beroepschrift. Daarom is het criterium voor vergoeding ook in de eerste plaats
neergelegd in de artikelen 7:15 en 7:28, die zien op
de
bezwaarschriftprocedure respectievelijk het administratief beroep.
Op het eerste gezicht
lijkt het wellicht onwaarschijnlijk dat het bestuursorgaan zelf tot vergoeding zou
besluiten, omdat het daarmee zichzelf ernstige onzorgvuldigheid
zou verwijten. Men bedenke echter dat het gros van de besluiten in
mandaat door ambtenaren wordt genomen. Het is denkbaar dat het
bestuursorgaan zelf, dan wel een hoger geplaatste ambtenaar, bij de
toetsing van zo’n besluit in bezwaar tot de conclusie komt dat de gemandateerde
niet alleen onjuist, maar ook ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld.
Een belangrijk
uitgangspunt is voorts dat - evenals bij artikel 8:75 van de
Awb het geval is - het
wettelijk stelsel voorziet in concentratie van rechtsgangen en leidt tot beperking
van procedures. Daartoe stellen wij een stelsel voor waarin het
toekennen van een vergoeding voor de kosten van de bestuurlijke
voorprocedure alleen mogelijk is indien de belanghebbende in de voorprocedure
daarom verzoekt. In dat geval zal daarop door het bestuursorgaan bij de
beslissing op het bezwaar of administratief beroep een uitdrukkelijke beslissing moeten worden gegeven. De beslissing
op een dergelijk verzoek
is daarmee onderdeel van de beslissing op bezwaar of beroep. Tegen
die beslissing kan vervolgens desgewenst op de gewone wijze beroep
bij de bestuursrechter worden ingesteld. De belanghebbende kan in
zijn beroepschrift zo nodig aangeven dat het beroep tot de beslissing
omtrent de vergoeding wordt beperkt.
Indien de rechter van
oordeel is dat een verzoek om vergoeding ten onrechte is afgewezen,
zal hij het beroep gegrond verklaren en het besluit waartegen beroep is
ingesteld, vernietigen. Vervolgens kan hij op basis van artikel
8:72, vierde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht het
bestuursorgaan opdragen
een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak, dan wel
in de uitspraak zelf het bestuursorgaan op grond van artikel
8:75, eerste
lid, in de kosten van de bestuurlijke voorprocedure veroordelen. In de meeste
gevallen zal dit laatste het meest praktisch zijn. Het in dit wetsvoorstel
voorgestelde stelsel wijkt in procedureel opzicht af van het voorontwerp. In
het stelsel van het voorontwerp was een uitdrukkelijk verzoek van de
belanghebbende gedurende de voorprocedure niet vereist om tot
(veroordeling tot) vergoeding van de kosten van de bestuurlijke
voorprocedure te komen. Dit had verschillende gevolgen. In de eerste plaats
kon het
bestuursorgaan ook ambtshalve besluiten tot vergoeding van kosten
over te gaan. Dit zou het risico van (extra) procedures met zich kunnen brengen.
Deze procedures zouden uitsluitend gaan over het ten onrechte
niet ambtshalve toekennen van een kostenvergoeding (bijvoorbeeld indien het
bezwaarschrift gegrond is verklaard, maar in de bezwaarfase niet om
vergoeding van kosten is verzocht). In de tweede plaats kon een
belanghebbende die gedurende de voorprocedure niet om vergoeding van kosten had
verzocht en die vervolgens beroep instelde, in die fase alsnog een
verzoek tot veroordeling in de kosten tot de rechter rblz.|9|
richten. Ten slotte kon
een belanghebbende die gedurende de voorprocedure niet om vergoeding van de
kosten had verzocht ook na afsluiting van de voorprocedure nog
een dergelijk verzoek tot het bestuursorgaan richten. Zo’n "nagekomen" verzoek zou neerkomen op een
verzoek tot het nemen van
een zogenoemd zuiver schadebesluit (de schade vloeit immers
voort uit het primaire besluit), waartegen vervolgens op de gewone wijze
bezwaar en beroep openstaan. De mogelijkheid om na afloop van de voorprocedure alsnog om een vergoeding te vragen,
was niet aan een
uitdrukkelijke wettelijke termijn gebonden. Omdat het belastingrecht de figuur
van het zuiver schadebesluit niet kent, zou een afzonderlijke bepaling in
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen nodig zijn. In het licht van
het uitgangspunt van concentratie van rechtsgangen en beperking van
procedures is in het wetsvoorstel gekozen voor een minder open stelsel.
Vergoeding van kosten van de bestuurlijke voorprocedure is alleen mogelijk indien
de belanghebbende daarom in de voorprocedure (en wel
voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist) heeft gevraagd.
Wanneer tijdens de voorprocedure niet om een vergoeding is gevraagd,
staat ook de weg naar de burgerlijke rechter niet meer open; de
bestuursrechter is op grond van artikel 8:75 exclusief
bevoegd in geschillen als
deze.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdelen A en
C
De
artikelen 7:8, tweede
lid, en 7:22, tweede lid, bepalen thans dat de
kosten van door een
belanghebbende naar een hoorzitting meegebrachte getuigen of deskundigen
voor rekening blijven van de belanghebbende die deze heeft
meegebracht. Dat blijft de hoofdregel, maar deze volgt voortaan uit de in de
artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, neergelegde
meer algemene regel dat
de kosten van de voorprocedure slechts worden vergoed indien het
bestreden besluit door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht
is genomen.
Indien echter wel een
kostenvergoeding wordt toegekend, is er geen reden waarom deze niet mede
betrekking zou kunnen hebben op de kosten van meegebrachte
getuigen of deskundigen. Ook voor de fase van het beroep bij de rechter
geldt thans dat een proceskostenveroordeling mede een vergoeding van
de kosten van getuigen of deskundigen kan behelzen (artikel 1
Besluit
proceskosten bestuursrecht). Nu voor de voorprocedure niet langer onverkort de
regel geldt dat ieder zijn eigen kosten draagt, ligt het in de
rede daarbij aan te sluiten.
Overigens geldt ook voor
de kosten van getuigen en deskundigen dat zij in alle gevallen worden
vergoed volgens een vast tarief (in dit geval gelijk aan het tarief in
strafzaken) en slechts voor zover de belanghebbende de desbetreffende kosten
redelijkerwijs heeft moeten maken.
Onderdeel B
In de huidige tekst van
artikel 7:15 is reeds tot uitdrukking gebracht dat het bestuursorgaan een
belanghebbende geen vergoeding in rekening mag brengen voor de
kosten van het behandelen van een bezwaarschrift. In aanvulling daarop
wordt, om redenen die in het algemene gedeelte van deze toelichting zijn
uiteengezet, in een nieuw tweede lid nu ook de keerzijde daarvan onder woorden
gebracht: in beginsel mag de belanghebbende van het bestuursorgaan
evenmin een vergoeding van zijn kosten verlangen. Voor de
bezwaarschriftprocedure geldt dus als hoofdregel dat alle partijen hun eigen
kosten dragen.
rblz.|10|
Het tweede lid bevat
tevens de in het algemeen deel van deze memorie van toelichting reeds
besproken uitzondering op deze hoofdregel. Het bestuursorgaan vergoedt
de kosten van een belanghebbende wél indien - maar ook uitsluitend
indien - het bestreden besluit door ernstige onzorgvuldigheid in
strijd met het recht is genomen. Het is derhalve niet voldoende dat het
bestreden besluit onrechtmatig is; het bestuursorgaan dient daarbij ernstig
onzorgvuldig handelen te kunnen worden verweten. Voor een nadere toelichting op dit criterium zij verwezen naar
paragraaf 4 van het algemeen deel van
deze memorie. De woorden "redelijkerwijs heeft moeten maken" in
de eerste volzin komen overeen met de in artikel
8:75 gebruikte
bewoordingen. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten
zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar
ook dat bijvoorbeeld het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn
geweest. Uit het tweede en derde lid vloeit in samenhang voort dat de vergoeding alleen kan worden toegekend indien
daarom op enig moment in
de bezwaarschriftprocedure uitdrukkelijk wordt gevraagd. Het
verzoek kan bijvoorbeeld in het bezwaarschrift of (mondeling) tijdens de
hoorzitting worden gedaan. Het derde lid bepaalt tevens dat het
bestuursorgaan in de beslissing op het bezwaarschrift tevens uitspraak doet op
een verzoek om vergoeding van de kosten. Het vierde lid bepaalt dat de
omvang van de vergoeding bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld; als gezegd, ligt het in de bedoeling daartoe het Besluit
proceskosten bestuursrecht aan te vullen. Een (aparte) wettelijke voorziening
in geval van intrekking van het bezwaarschrift (vgl. artikel
8:75a in geval van
intrekking van een beroepschrift) is niet nodig. Als het bestuursorgaan een
nieuw besluit neemt dat aan het bezwaar tegemoet komt, zonder echter de
gevraagde vergoeding toe te kennen, zal de belanghebbende die
hierover een uitspraak van de rechter verlangt niet tot intrekking van zijn
bezwaarschrift overgaan.
Artikel 57b, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering is ingevolge het tweede
lid van overeenkomstige toepassing. In gevallen waarin op grond van de Wet
op de rechtsbijstand voor het bezwaar een toevoeging is verleend,
vindt uitbetaling van de kostenvergoeding aan de griffier plaats. In
gevallen waarin geen beroep op de rechter wordt ingesteld na de beslissing op het
bezwaar of beroep is het het meest praktisch dat het bestuursorgaan
handelt op de manier waarop de griffier wordt verondersteld te handelen. Het is dan het meest praktisch dat het
bestuursorgaan de
kostenvergoeding naar de advocaat overmaakt, zodat die kan zorgen voor
verrekening met de eigen bijdrage.
Onderdeel D
De hiervoor gegeven
argumenten om de kosten van de bestuurlijke voorprocedure slechts in uitzonderingsgevallen te vergoeden, gelden niet
alleen voor de
bezwaarschriftprocedure, maar evenzeer voor het administratief beroep; aldus ook
CRvB 24
januari 1995, AB 1995, 233. Derhalve is in artikel 7:28 een
regeling opgenomen voor de vergoeding van de kosten van het administratief
beroep, die zoveel mogelijk gelijkluidend is aan de regeling voor de kosten
van het bezwaar in artikel 7:15. Op één punt is er
echter een verschil: in
bezwaar is het het bestuursorgaan zelf dat omtrent de vergoeding beslist, in
beroep is dat het beroepsorgaan. Voor alle duidelijkheid is dit in
de tweede volzin van het tweede lid expliciet bepaald.
Onderdeel E
Dit onderdeel betreft een
tweetal wijzigingen van artikel 8:75. De bestuursrechter
is thans ingevolge het
eerste lid reeds bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in
de kosten van het beroep bij de rechter. Het eerste onderdeel breidt deze
uitsluitende bevoegdheid uit tot de kosten van de rblz.|11|
bestuurlijke
voorprocedure. Verwezen zij naar het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Ter zake van de kosten van het beroep bij de rechter is een ambtshalve
kostenveroordeling mogelijk. Ter zake van de kosten van de bestuurlijke voorprocedures kan de rechter evenwel slechts
tot een kostenvergoeding
besluiten indien het verzoek daartoe is gedaan voordat het
bestuursorgaan op het bezwaar, dan wel het beroepsorgaan op het beroep, heeft
beslist. In artikel 8:75, eerste lid, is derhalve een
verwijzing naar de
artikelen 7:15, derde lid, en 7:28, derde lid, van
de Algemene wet
bestuursrecht opgenomen.
Hier zij nog opgemerkt
dat door deze wijziging ook het toepassingsbereik van artikel
8:75a wordt
uitgebreid tot de kosten van de bestuurlijke voorprocedure. Laatstgenoemd artikel
regelt de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling "met toepassing van
artikel 8:75" in geval van intrekking van het
beroep. Het tweede lid van artikel 8:75 bevat een regeling
voor het geval de Staat
wordt veroordeeld in de proceskosten van een burger die door de
Staat gefinancierde rechtsbijstand ontvangt. In dat geval wordt het bedrag
van de kosten betaald aan de griffier, die het bedrag vervolgens
overeenkomstig de volgorde van artikel 57 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering verdeelt. Het tweede onderdeel breidt deze regeling uit
tot een veroordeling in de kosten van de bestuurlijke voorprocedure.
Artikel
II
De
Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bevat in de artikelen
13a en 13b een regeling voor de vergoeding van kosten, die
identiek is aan de
artikelen 8:75 en 8:75a van de
Algemene wet bestuursrecht. Om te bewerkstelligen dat
beide regimes gelijk blijven, wordt artikel 13a van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften aangepast aan het in dit
wetsvoorstel te wijzigen artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Artikelen
III, IV en
V
Gelet op de thans
bestaande rechtsonzekerheid (zie paragraaf 4 van het
algemene gedeelte van
deze toelichting) is het gewenst dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk in
werking treedt. Het voorstel zal voorts onmiddellijke werking hebben. Dat wil
zeggen dat de nieuwe norm voor de aansprakelijkheid van de
kosten van de bestuurlijke voorprocedure ook geldt voor voorprocedures
die op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds aanhangig zijn.
Deze onmiddellijke werking geldt in beginsel ook voor de uitsluitende bevoegdheid van de bestuursrechter. Slechts in
die gevallen waarin
reeds op het bezwaar of beroep is beslist, blijft de regeling zoals deze
thans geldt van toepassing. Op grond van de nieuwe regeling kan in die gevallen geen verzoek om kostenvergoeding meer
worden gedaan, omdat dat vóór de beslissing op bezwaar of beroep had moeten gebeuren. Het
overgangsrecht voor de regeling in artikel 13a van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is
identiek.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
A. Peper
|
|