|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 442
Verklaring
dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering
in de Grondwet
van de bepalingen over het binnentreden in woningen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| 1 |
Algemeen |
| 2x |
"Tegen de wil van de
bewoner" |
| 3x |
Verstrekking
schriftelijk verslag |
1.
Algemeen
Artikel
12,
eerste lid, van de Grondwet bepaalt thans dat het binnentreden in een
woning tegen de wil van de bewoner alleen geoorloofd is in de gevallen
bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn
aangewezen. Deze formulering kan aanleiding geven tot onzekerheid over de
vraag of de grondwettelijke bescherming van de woning zich tevens
uitstrekt tot situaties waarbij van overheidswege binnengetreden wordt in
een woning en geen sprake is van een expliciete weigering dan wel de
bewoner afwezig is en derhalve zijn wil niet kenbaar kan maken. Er zou evenwel
geen twijfel over dienen te bestaan dat een grondrecht dat de
onschendbaarheid van de woning als waarborg voor de persoonlijke vrijheid
beoogt te garanderen, bescherming biedt in alle gevallen dat het
binnentreden in woningen van overheidswege niet door een vrijelijk genomen
beslissing van de betrokken burger gelegitimeerd wordt. Dit wetsvoorstel
beoogt genoemde onzekerheid weg te nemen.
Voorts beoogt het
wetsvoorstel het vereiste dat aan de bewoner een schriftelijk verslag van
het binnentreden wordt verstrekt, dat thans in de laatste volzin van het
tweede lid is opgenomen, in een nieuw derde lid op te nemen en voor bepaalde
doeleinden in een beperkingsmogelijkheid door de formele wetgever
te voorzien. De huidige formulering is in de praktijk te absoluut
gebleken.
Uitzondering op dit
vereiste wanneer het belang van de Staat zulks dringend vereist, moet
echter mogelijk zijn.
2.
"Tegen de wil van de bewoner"
In de Algemene
wet op het binnentreden wordt niet gesproken van binnentreden "tegen de
wil van de bewoner", maar van binnentreden "zonder toestemming van
de bewoner". Het grondwettelijk begrip "tegen de wil van de
bewoner"
kan tot onzekerheid leiden over de rechtmatigheid van het binnentreden bij
gebrek aan expliciete weigering of afwezigheid van de
bewoner. Uit een oogpunt van rechtsbescherming voor de bewoner en uit
een oogpunt van zekerheid omtrent het rechtmatig binnentreden voor de
ambtenaar heeft de wetgever het wenselijk gevonden om in de
desbetreffende wet het scherpere criterium "zonder toestemming van de
bewoner" te hanteren. De regering was blijkens de rblz.|2|
memorie van toelichting
ook van mening dat het voorgestelde criterium beter overeenkwam met de
strekking van het grondrecht inzake de onschendbaarheid van de
woning als waarborg voor de persoonlijke vrijheid. Het gaat erom
dat de toestemming van de bewoner een voor de ambtenaar kenbare uiting
moet zijn van zijn vrijelijk genomen beslissing om de ambtenaar binnen te
laten. Deze toestemming ontbreekt bij afwezigheid van de
bewoner, wanneer de bewoner toestemming tot binnentreden weigert dan
wel hij niet in de gelegenheid is zijn toestemming al dan niet
te geven (Kamerstukken II 1984-1985, 19 073, nrs. 1-3, blz. 9 en 10). Het
is wenselijk om deze inconsistentie tussen de grondwetsbepaling en de
uitvoeringswetgeving op te heffen en de tekst van artikel
12 Grondwet
meer in overeenstemming te brengen met de strekking van het
grondrecht op onschendbaarheid van de woning, door het meer duidelijkheid
scheppende criterium "zonder toestemming van de bewoner" ook in de
grondwetsbepaling op te nemen. Met deze wijziging wordt de reikwijdte van
artikel 12 Grondwet
enigszins opgerekt en valt ook het heimelijk
binnentreden zonder meer onder de grondrechtsnorm.
3. Verstrekking
schriftelijk verslag
Op de huidige eis van
artikel 12, tweede lid, tweede volzin, van de Grondwet, tot
verstrekking van een schriftelijk verslag aan de bewoner achteraf na het
binnentreden is niet in een uitzonderingsmogelijkheid voorzien. Met het oog op
een effectief optreden van inlichtingen- en veiligheidsdiensten is
het echter, wanneer het belang van de Staat zulks dringend vordert,
noodzakelijk dat het binnentreden geheim zal dienen te blijven. Deze diensten
kunnen immers hun wettelijke raak uitsluitend binnen een zekere mate
van geheimhouding effectief uitvoeren. Geheimhouding van onder andere de
werkwijze in een concreet geval, waartoe ook ook het heimelijk
binnentreden in een woning kan worden gerekend, is cruciaal voor een minimale mate van geheimhouding, waarbij de
langetermijndoeleinden
die tot het desbetreffende binnentreden hebben geleid niet in gevaar
worden gebracht (zie ook Kamerstukken II 1994-1995, 22 036, nr. 6, blz. 11).
Dit impliceert dat actieve notificatie ten aanzien van het heimelijk
binnentreden van een woning door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
zonder uitzondering achterwege dient te blijven.
In artikel 12 is de eis
tot verstrekking van een schriftelijk verslag van het binnentreden niet aan een
bepaalde termijn gebonden. Artikel 11, tweede lid, van de Algemene
wet op het binnentreden, dat uitvoering beoogt te geven aan de onderhavige
grondwettelijke eis, kent de hoofdregel dat het verslag uiterlijk binnen
vier dagen na de dag van het binnentreden voor de bewoner beschikbaar
wordt. In de tweede en derde volzin van artikel 11, tweede lid, wordt
vervolgens in de mogelijkheid voorzien dat, indien het doel waartoe wordt
binnengetreden daartoe noodzaakt, de uitreiking of de toezending kan
worden uitgesteld. Uitreiking of toezending geschiedt in dat geval
zodra het belang van dit doel dit toelaat.
Deze mogelijkheid van
uitstel kan - gelet op het feit dat aan de verplichting tot
kennisgeving geen termijn is verbonden - de constitutionele toets nog wel doorstaan.
Het geheel achterwege blijven van de kennisgeving is evenwel
in strijd met de huidige grondwetsbepaling en is als zodanig dan ook niet
voorzien in artikel 11 van de Algemene
wet op het binnentreden.
Zoals hierboven reeds is
betoogd, is het soms in het belang van de Staat noodzakelijk om af te
kunnen wijken van de grondwettelijke eis dat van het binnentreden een
schriftelijk verslag moet worden verstrekt. Het is evenzeer noodzakelijk om
deze beperkingsmogelijkheid strikt te binden aan voorwaarden die
betrekking hebben op de aard en de ernst van het doel waarvoor wordt
binnengetreden. De mogelijkheid om af te wijken rblz.|3|
van de
kennisgevingsverplichting in de Grondwet is in
dit voorstel
derhalve beperkt tot
één doelcriterium: het belang van de Staat.
In afwijking van de niet
nader door middel van doelcriteria geclausuleerde uitzonderingsmogelijkheid
op de in het tweede lid van artikel 12
van de Grondwet opgenomen
verplichting tot legitimatie en mededeling van het doel van het
binnentreden is ter zake van de beperkingsmogelijkheid van de
kennisgevingsverplichting in het derde lid wel een doelcriterium opgenomen.
De reden hiervoor is dat in tegenstelling tot de gevallen waarin de
legitimatie- en mededelingsplicht beperkt moet kunnen worden - die te
uiteenlopend zijn om op voorhand te beperken tot bepaalde
binnentredingsdoeleinden - het ter zake van de kennisgevingsverplichting
wel mogelijk en ook
wenselijk is om de beperkingsmogelijkheid aan het bovengenoemde
doelcriterium te binden. Op voorhand is gebleken dat
het niet noodzakelijk is om voor andere doeleinden waarvoor mag
worden binnengetreden af te wijken van de kennisgevingsverplichting.
De in het derde lid
genoemde uitzonderingsmogelijkheid wordt ook gesanctioneerd door het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In de Klass-zaak (arrest van
6 september 1978, Series A no. 28, par. 58) heeft het Hof ten aanzien van
de activiteiten van geheime inlichtingendiensten ("secret
surveillance")
overwogen dat in bepaalde gevallen het achterwege blijven van
notificatie in het stadium na observatie niet in strijd kan komen met
artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden,¹ gelet op
het feit dat juist deze geheimhouding de effectiviteit van de maatregel
waarborgt.
1. Artikel 8 EVRM luidt:
-1. Een ieder heeft recht
op respect voor zijn privéleven, zijn
familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
-2. Geen inmenging van
enig openbaar gezag is toegestaan in de
uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet
is voorzien en in een democratische samenleving
noodzakelijk is in het belang van de
nationale veiligheid, de openbare veiligheid of
het economisch welzijn van het land, het
voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de
bescherming van de gezondheid of de goede
zeden of voor de bescherming van de
rechten en vrijheden van anderen.
Samenvattend verdient het
derhalve aanbeveling om de huidige ongeclausuleerde kennisgevingsverplichting apart in een
nieuw derde lid
van artikel 12 Grondwet
op te nemen, voorzien van een beperkingsmogelijkheid voor de formele wetgever,
zoals hierboven uiteengezet.
De Minister-President,
Minister van Algemene
Zaken,
W. Kok
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|