|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 228
Wijziging
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
teneinde onduidelijkheid omtrent het rechtsgevolg van door
indicatieorganen te stellen indicaties op te heffen, alsmede wijziging
van de Ziekenfondswet
teneinde enkele technische verbeteringen aan te brengen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
In december 2000
heeft de Centrale Raad van Beroep Ή uitgesproken dat een positief of
negatief advies van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel
9a van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (verder: AWBZ) niet kan worden
aangemerkt als een beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in
artikel 1:3, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, oftewel als een besluit in de zin van
laatstgenoemde wet. De Centrale Raad kwam tot dit oordeel omdat noch in de tekst,
noch in de geschiedenis van totstandkoming van de artikelen
9a en 9b van de AWBZ dwingende aanwijzingen waren te
vinden voor een ander
oordeel omtrent het rechtskarakter van het advies van het indicatieorgaan.
1. Centrale Raad van
Beroep, 19 december 2000, RZA 2001, 34.
Het ten aanzien van de
indicatiestelling in de AWBZ gevoerde beleid is er
altijd op gericht geweest
een scheiding aan te brengen tussen enerzijds de taken van de
indicatieorganen, als instanties die de indicatie vaststellen, en anderzijds die van de
zorgverzekeraars, die ervoor verantwoordelijk zijn dat de verzekerden
hun aanspraken op zorg tot gelding kunnen brengen. Tot eerder
bedoelde uitspraak heerste de opvatting dat een indicatieadvies van een
indicatieorgaan in het kader van de AWBZ, ondanks het gebruik van
het woord advies in artikel 9b van de
AWBZ, als een besluit moest worden
aangemerkt. Die opvatting, gebaseerd op de bewoordingen van artikel
9b, eerste lid, van de AWBZ, werd onderschreven
door de Raad van State in
zijn advies Ή dat bij de totstandbrenging van het
Zorgindicatiebesluit is uitgebracht.
Voor handhaving van het,
naar thans is komen vast te staan, verwarrende gebruik van het woord
"advies" in artikel 9b van de
AWBZ werd destijds gekozen in het licht van
het gegeven dat werd beoogd het oordeel van de indicatieorganen tevens
een rol te doen spelen bij de toekenning door het gemeentebestuur van
bepaalde voorzieningen in het kader van de Wet voorzieningen
gehandicapten (verder: Wvg) en eventueel nog aan te wijzen andere
voorzieningen. Daarbij werd echter aan een niet-beslissende, adviserende rol gedacht.
Het gebruik van de term "besluit" voor het oordeel van het indicatieorgaan zou, zo werd gevreesd, verwarring
hebben opgeleverd in
relatie tot artikel 8 van de Wvg.
Er werd van rblz.|2|
uitgegaan dat uit de
formulering van artikel 9b van de AWBZ
respectievelijk artikel 8 van de Wvg
voldoende duidelijk zou blijken dat het oordeel van het indicatieorgaan in
het ene geval rechtsgevolg heeft en in het andere geval (niet meer dan) een
advies behelst.
1. Advies Raad van State
van 214 [24, red.] september 1997, nr. W13.97.0470.
Er is geen aanleiding het
beleid ten aanzien van de scheiding van verantwoordelijkheden tussen indicatieorganen
en zorgverzekeraars te wijzigen. Daarom is het
noodzakelijk de wet zodanig aan te passen dat komt vast te staan dat het oordeel van
een indicatieorgaan voor de toepassing van de AWBZ
een besluit is
waarin naar aard, inhoud en omvang wordt vastgesteld op welke zorg de
verzekerde is aangewezen. Deze wetswijziging strekt daartoe.
In
artikel 9a, tweede
lid, van de AWBZ (oud) is destijds opgenomen dat bij
algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over door de indicatieorganen te
verrichten heroverwegingen. Die bepaling was voor de Centrale Raad van
Beroep mede aanleiding om het indicatieoordeel niet als besluit, maar
als een advies aan te merken. Bij de totstandbrenging van het
Zorgindicatiebesluit is het inzicht ontstaan dat de term "advies" geen
recht doet aan het karakter van de indicatiestelling. Omdat sprake is van een
bestuursorgaan dat door die indicatie een rechtsgevolg in het leven roept, dient
die indicatie immers als besluit te worden gekwalificeerd.
In de nieuwe wettekst is
voorts, explicieter dan voorheen, bepaald dat regels kunnen worden
gesteld met betrekking tot de geldigheidsduur van indicatiebesluiten.
Uitgangspunt is dat
indicatieorganen slechts bij of krachtens de wet opgedragen taken verrichten. In
het
wetsvoorstel is opgenomen dat aan de indicatieorganen bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur naast het vaststellen van
indicatiebesluiten (en ingevolge andere wetten: -adviezen) werkzaamheden
kunnen worden opgedragen die verband houden met bij enige wet
opgedragen taken; hierbij kan gedacht worden aan het geven van
voorlichting aan verzekerden over de wijze waarop met hun persoonsgegevens
wordt omgegaan. Tevens is bepaald dat burgemeester en wethouders aan het
indicatieorgaan advies kunnen vragen omtrent de toekenning van
voorzieningen waarbij de gezondheid of het maatschappelijk
functioneren van een persoon van belang is. Gedacht kan worden aan de advisering
in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten
over woonvoorzieningen
die minder kosten dan |20 420,- zolang nog geen gebruik is
gemaakt van de in artikel 8, tweede lid, van
die wet vervatte mogelijkheid om
advisering ook in die gevallen verplicht te stellen. Artikel
8,
eerste lid, Wet voorzieningen gehandicapten legt slechts
een verplichting tot
advisering door indicatieorganen op voor voorzieningen van |20 420,-
of meer;
burgemeester en wethouders kunnen van oordeel zijn dat ook
advisering bij andere voorzieningen gewenst is.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt een aantal redactionele aanpassingen aan te brengen.
Artikelsgewijs
Artikel I
A
In
het eerste lid is
thans opgenomen dat het indicatieorgaan bij besluit vaststelt of iemand is
aangewezen op een bepaalde vorm van zorg waarop ingevolge de AWBZ
aanspraak bestaat. Door te spreken over rblz.|3|
"besluiten" wordt
benadrukt dat hier een rechtsgevolg in het leven wordt geroepen.
Het tweede lid verschaft
een expliciete delegatiebasis voor regeling in de algemene maatregel van
bestuur van een geldigheidsduur van een indicatiebesluit. In
artikel 15 van het
Zorgindicatiebesluit is thans reeds geregeld dat
indicatiebesluiten in beginsel een geldigheidsduur moeten vermelden. Dat vindt
zijn
verklaring in het gegeven dat het wenselijk wordt geacht periodiek te
herbezien of de gestelde indicatie nog ongewijzigd aanwezig is. Aangezien
het daarbij in feite gaat om een impliciete verplichting na die
periode een nieuw indicatiebesluit aan te vragen, zou kunnen worden gesteld dat
de delegatiebasis, welke slechts spreekt over regels inzake de "werkwijze", daarvoor onvoldoende is. Met de
voorgestelde wijziging wordt elke
discussie daaromtrent vermeden.
Het derde en vierde lid
maken duidelijk dat indicatieorganen slechts in een beperkt aantal gevallen
andere dan de bij de wet opgedragen taken mogen verrichten. Een
algeheel verbod op het verrichten van andere werkzaamheden zou
bijvoorbeeld tot het ongewenste gevolg leiden dat niet geadviseerd mag worden in het kader van de
Wet voorzieningen gehandicapten, voor zover
die wet daartoe niet verplicht.
B
Artikel
9b van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten brengt thans tot uitdrukking dat zonder
een positief besluit van een indicatieorgaan geen aanspraak bestaat op de
in het
Zorgindicatiebesluit aangewezen zorg. De wijziging van het derde
lid is van redactionele aard.
C
Door deze wijziging wordt
bewerkstelligd dat de verplichting om inlichtingen te verstrekken ook geldt
ten aanzien van de indicatieorganen.
D
De wijziging van
artikel 58, eerste lid, verzekert dat een afwijzende beslissing
van een indicatieorgaan
op een bezwaar van een belanghebbende tegen de
indicatiebeslissing, zoals dat ook reeds geldt ten aanzien van beslissingen van het
uitvoeringsorgaan inzake een aanspraak, niet kan worden genomen dan na inschakeling van het
College voor zorgverzekeringen.
Voor het tijdstip van de
hiervoor genoemde uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep werd in de rechtspraak reeds ervan uitgegaan dat artikel 58
van de AWBZ ook gold ten aanzien van zodanige
beslissingen. Met een
expliciete bepaling wordt dit thans bevestigd.
Artikel II
Een aantal onderdelen van
de Wet van 16 juli 2001, houdende wijziging van de Ziekenfondswet in
verband met samentelling van uitkeringstijdvakken ingevolge de
Werkloosheidswet voor de toepassing van artikel
3, eerste lid, onder a,
van die wet, administratieve vereenvoudiging van
de overgang van een particuliere ziektekostenverzekering naar de ziekenfondsverzekering en
afschaffing van de nominale ziekenfondspremie voor personen jonger dan
18 jaar (knelpunten Ziekenfondswet) (Stb.
2001, 386) strekt ertoe kleine foutjes in de Ziekenfondswet te
herstellen. Doordat die wet, anders dan bij het opstellen ervan beoogd,
later in werking is getreden dan de Wet van 21 december 2000 tot
wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
in verband met de
invoering van het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer in die wet alsmede enkele
wijzigingen van de Ziekenfondswet en enige
andere wetten (Stb. 2001, 50) en de Wet van rblz.|4|
13 december 2000 tot
wijziging van de Ziekenfondswet en enige andere wetten in verband met de
instelling van een onafhankelijk College van toezicht op de zorgverzekeringen
(instelling College van toezicht op de
zorgverzekeringen) (Stb.
2001, 23) konden enkele van deze reparaties geen effect hebben. De in de
onderdelen B, C en E van artikel II voorgestelde
wijzigingen strekken ertoe de Ziekenfondswet op deze punten alsnog te verbeteren. Ook artikel
II, onderdeel D, betreft reparatie van een technische onjuistheid. Deze is het
gevolg van het feit dat artikel II, onderdeel G,
van eerdergenoemde wet
over het sociaal-fiscaal nummer later in werking is getreden dan artikel
I, onderdeel HH1, van de wet waarmee het College van toezicht op de
zorgverzekeringen werd ingesteld. Onderdeel A, ten
slotte, betreft herstel
van twee redactionele misslagen die zijn opgetreden bij de wijziging van
artikel 3 van de Ziekenfondswet via artikel XXV van de
Invoeringswet arbeid en zorg.
Artikel III
Het is de bedoeling
het
wetsvoorstel na aanvaarding zo spoedig mogelijk in werking te doen
treden. Door te bepalen dat de oude artikelen
9a, 9b en 58 van de
AWBZ van
toepassing blijven ten aanzien van vσσr de inwerkingtreding uitgebrachte
indicatieadviezen wordt voor uitgebrachte indicatieadviezen het
oude recht gehandhaafd. Aldus wordt voorkomen dat voor de verzekerde
onhelderheid bestaat over de vraag welke rechtsgang hij moet volgen indien
hij zich niet kan vinden in een dergelijk indicatieadvies. Zonder deze bepaling zou mogelijk onduidelijkheid
ontstaan, omdat de
verzekerde in dat geval bij het uitbrengen van het advies ervan uit diende
te gaan dat hij zijn zorgverzekeraar moet aanspreken indien hij
zich niet in de vaststelling van de zorgvraag kan vinden, terwijl
tengevolge van deze wetswijziging daartegen bezwaar bij het indicatieorgaan zou
moeten worden ingediend. Overigens laat ιιn en ander onverlet dat de
verzekerde een nieuwe aanvraag kan doen bij het indicatieorgaan en dan
desgewenst bezwaar kan indienen en (hoger) beroep kan instellen
tegen het alsdan door het indicatieorgaan te nemen besluit. Tevens is aldus
zeker gesteld dat (in afwijking van het gewijzigde artikel
9b) zorg die nu
reeds of later verleend wordt op basis van het overleggen van een advies als
hiervoor bedoeld, in overeenstemming met de wet wordt verleend.
De terugwerkende kracht
voor enkele onderdelen van artikel II hangt
samen met de tijdstippen
waarop de bedoelde verbeteringen in werking hadden moeten treden
ingevolge de wetten waarin zij oorspronkelijk waren opgenomen.
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A.M. Vliegenthart
|