|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 370
Wijziging
van de Beroepswet in verband met het
openstellen van hoger beroep bij de Centrale
Raad van Beroep tegen uitspraken
omtrent besluiten van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting
Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de
Stichting Het Gebaar
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Dit wetsvoorstel strekt tot het openstellen van hoger beroep bij de
Centrale Raad van Beroep tegen uitspraken van de sectoren bestuursrecht
van de rechtbanken inzake besluiten van de Stichting Maror-gelden
Overheid, de Stichting Joods
Humanitair Fonds en de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma,
respectievelijk de Stichting Het Gebaar. Bij brieven van 21 september 2000
(Kamerstukken I/II 2000-2001, 27 420, nr. 1) en 9 oktober 2001 (Kamerstukken
I/II 2001-2002, 28 038, nr. 1) heeft het kabinet de Staten-Generaal geïnformeerd
over de oprichting van deze stichtingen. Daarbij is aangegeven dat de
verdeling door deze stichtingen van de gelden die beschikbaar zijn gesteld
aan respectievelijk de joodse gemeenschap, de gemeenschappen van Sinti
en Roma en de Indische gemeenschap dient plaats te vinden in een
publiekrechtelijk kader. Tevens is daarbij aangegeven dat dit meebrengt dat
tegen besluiten van de stichtingen bezwaar en beroep zullen openstaan overeenkomstig het stelsel van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit betekent dat tegen
besluiten van de stichtingen bezwaar kan worden gemaakt bij de
stichtingen zelf (artikel 7:1 Awb). Tegen de beslissing op het
bezwaarschrift kan
vervolgens beroep worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de
rechtbank (artikel 8:1 Awb). Tegen de uitspraak van de
rechtbank staat in
beginsel hoger beroep open. Het wettelijk stelsel (artikel 37 Wet
op de Raad van State) is dan dat dit hoger beroep in beginsel openstaat bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij de wet in formele
zin een andere appelrechter aanwijst. Nu dit laatste tot dusver niet
is geschied, zou derhalve de Afdeling bestuursrechtspraak op
het onderhavige terrein de hoogste rechter worden.
Bij nader inzien is dit
gelet op de aard van de materie minder wenselijk. De onderhavige materie
sluit veel beter aan bij het werkterrein van de Centrale Raad van Beroep.
Geschillen over besluiten van de genoemde stichtingen zijn te
kenschetsen als financiële tweepartijengeschillen. Dat is het type
bestuursrechtelijk geschil dat sedert vele decennia de hoofdmoot van het werkterrein van
de Centrale Raad van Beroep vormt. Belangrijker nog is dat
de Centrale Raad van Beroep sedert jaar en dag in hoogste instantie
oordeelt over besluiten van de Pensioen- en Uitkeringsraad op grond van de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, rblz.|2|
de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 en aanverwante wetten. Uit dien hoofde
beschikt het college over een ruime expertise op een beleidsterrein dat
nauw aan het onderhavige verwant is en deels dezelfde doelgroepen
betreft. Om deze redenen is het kabinet van oordeel dat aanwijzing van de
Centrale Raad van Beroep als hoogste rechter zal bijdragen aan de
kwaliteit en de doelmatigheid van de rechtspraak inzake besluiten van de
stichtingen. De betrokken stichtingen en de beide betrokken appelcolleges
onderschrijven dit oordeel.
De gevolgen van dit
wetsvoorstel voor de werklast van de Centrale Raad van Beroep en derhalve
ook de financiële gevolgen zijn zeer beperkt. Naar verwachting zal het in
hoger beroep gaan om niet meer dan enkele tientallen zaken, op een gemiddelde
jaarlijkse instroom van ongeveer 6500 zaken.
Met uitzondering van de
Stichting Het Gebaar en de Stichting Joods Humanitair Fonds zijn de
betrokken stichtingen al weer enige tijd geleden met hun werkzaamheden
begonnen. Bij de rechtbanken zijn thans reeds de eerste beroepszaken
tegen besluiten van de stichtingen aanhangig. Daarom is het gewenst dat
dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking treedt.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel A
Artikel I, onderdeel
A,
vormt de kern van het wetsvoorstel. Artikel 18 van
de Beroepswet bepaalt
dat hoger beroep bij de
Centrale Raad van Beroep onder meer openstaat
tegen uitspraken omtrent besluiten genomen op grond van de in de
bijlage bij de wet opgesomde voorschriften. De aanwijzing van de
Centrale Raad van Beroep als hoogste rechter kan dus eenvoudig geschieden door
de reglementen van de betrokken stichtingen aan deze bijlage toe te
voegen. Er is voor gekozen de reglementen toe te voegen aan onderdeel B
van de
bijlage, waar zij systematisch het best passen. Dit heeft tevens
tot gevolg dat voor beroepen tegen besluiten van de stichtingen het lage
griffierechttarief zal gaan gelden (zie artikel
8:41, derde lid, onderdeel a,
van de Algemene wet bestuursrecht en artikel
22, tweede lid, onderdeel a,
van de Beroepswet). Gelet op de aard van de zaken is dat ook passend.
Onderdeel B
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in de
bijlage bij de Beroepswet
een onjuiste vermelding
van een tweetal wetten, alsmede een onjuistheid in de nummering, te
corrigeren.
Artikel II
Dit artikel bevat het
overgangsrecht. Bij de op 1 april 2002 in werking getreden Eerste
Evaluatiewet Awb (Stb. 2002, 53) is in de Beroepswet een
artikel 28a ingevoegd,
dat bepaalt dat een wijziging van de
bijlage in beginsel eerbiedigende
werking heeft, dat wil zeggen: alleen geldt voor nieuwe zaken. In dit
geval is er aanleiding van deze hoofdregel af te wijken. Niet kan worden
uitgesloten dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
reeds hoger beroepen aanhangig zijn gemaakt; in hoeverre dit daadwerkelijk het geval zal zijn, is uiteraard mede afhankelijk
van de voortgang van dit
wetsvoorstel. Het is dan uiteraard niet gewenst dat deze eerste
hoger beroepen nog door de Afdeling bestuursrechtspraak zouden moeten worden afgedaan. Daarom is
rblz.|3|
bepaald dat de
Centrale Raad van Beroep ook in lopende zaken bevoegd zal worden (eerste en
tweede lid).
Zoals hiervoor
uiteengezet, zal voor beroepen tegen besluiten van de stichtingen het lage
tarief voor het griffierecht gaan gelden. Voor (hoger) beroepen die reeds
vóór
de inwerkingtreding van deze wet zijn ingesteld, geldt bij gebrek aan een
andersluidende wettelijke regeling echter nog het gewone tarief. Het in aanhangige zaken gedeeltelijk restitueren van reeds
betaalde griffierechten
brengt onevenredig veel administratieve lasten met zich. Daarom is
bepaald dat het lage tarief slechts geldt voor nieuwe beroepen.
Artikel III
Zoals hiervoor
uiteengezet, is het wenselijk dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in
werking treedt. Daarom wordt de "spoedclausule" van artikel 16 van de
Tijdelijke referendumwet toegepast. Dit betekent dat de termijn van zes weken
gedurende welke een inleidend verzoek tot het houden van een referendum
kan worden gedaan niet behoeft te worden afgewacht alvorens het
voorstel in werking kan treden. Dit laat de juridische mogelijkheid om zo’n
inleidend verzoek te doen overigens onverlet.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|