St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

BESLUIT  INDEXERING  GRIFFIERECHTEN  BESTUURSRECHTELIJKE  EN  CIVIELRECHTELIJKE  WETTEN
 
  

14 januari 2003, Stb. 2003, 20
Inwerkingtreding: 1 februari 2003
(T.a.v. o.a. 8:41:5 Awb en 22:6 Bw)

 

  
•
•
•
•
 

 

 
BESLUIT van 14 januari 2003 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 december 2002, nr. 5198838/02/6;
     Gelet op artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 27b, tweede lid, en artikel 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 40, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken;
     De Raad van State gehoord (advies van 20 december 2002, nr. W03.02.0548/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 10 januari 2003, nr. 5204897/03/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. I.
In de in de kolommen C tot en met E van onderstaande tabel aangeduide bepalingen van de in kolom B genoemde wetten wordt de in kolom F opgenomen tekst telkens vervangen door de in kolom G opgenomen tekst.Ή

MINISTERIE VAN JUSTITIE
A B C D E F G
Nr.

Wet

Artikel Lid Onderdeel Huidigertekst Nieuwertekst
1 Awb 8:41 3 a €|v29,00 €|v31,00
2 Awb 8:41 3 b €|109,00 €|116,00
3 Awb 8:41 3 c €|218,00 €|232,00
4 Bw 22 2 a €|v82,00 €|v87,00
5 Bw 22 2 b €|165,00 €|175,00
6 Bw 22 2 c €|327,00 €|348,00
7 Bw 22 3   €|327,00 €|348,00

1. In de tabel zijn enkel de voor de socialezekerheidswetgeving relevante wetten opgenomen, red.

 

Art. II.
-1. Ten aanzien van rechten die verschuldigd zijn geworden vσσr de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het recht zoals het vσσr die datum gold van toepassing.
-2. Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van toepassing.
-3. Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een uitspraak van een administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger beroep van toepassing.

 

Art. III.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 februari 2003.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 14 januari 2003

 

BEATRIX

 

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

Uitgegeven de eenentwintigste januari 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[14 januari 2003]

 

Algemeen


     Dit besluit strekt ertoe de griffierechten in de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op de Raad van State, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de rechtsbijstand en de tarieven in de Wet tarieven in burgerlijke zaken te verhogen met het percentage waarmee het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie vanaf 31 december 2000 tot en met 31 augustus 2002 is gestegen.

     In eerste instantie was deze indexering opgenomen in het voorstel van wet houdende wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van griffierechten) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 740, nrs. 1-2). Zoals aangegeven in het nader rapport bij het voornoemde wetsvoorstel heeft de regering besloten om de indexering los te koppelen van de generieke verhoging en de indexering tot stand te brengen met het onderhavige besluit. Op deze wijze wordt de indexering op de gebruikelijke wijze tot stand gebracht.

     Ingevolge de artikelen 8:41, vijfde lid, van de Awb, 27b, tweede lid, en 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, 22, zesde lid, van de Beroepswet, 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, 40, zesde lid, van de Wet op de Raad van State en 7:67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kunnen de griffierechten zoals vermeld in voornoemde wetten bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd indien het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) kunnen de bedragen, genoemd in de eerste titel van die wet, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd indien het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.

     De griffierechten zoals vermeld in de hiervoor genoemde (bestuursrechtelijke) wetten zijn naar aanleiding van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor de laatste maal aangepast bij Besluit van 5 november 2001 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele aanverwante wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke wetten) (Stb. 2001, 538). Daarnaast zijn de griffierechten in artikel 24 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en 29a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verhoogd met de Eerste evaluatiewet Awb. De tarieven in de Wtbz zijn naar aanleiding van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie voor de laatste maal aangepast bij Besluit van 26 september 2001 tot wijziging van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (indexering civiele griffierechten).

     Volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedragen de consumentenprijsindexcijfers totalen (alle huishoudens afgeleid), 1995 = 100, voor december 2000 110,2 en voor augustus 2002 117,2. Gedurende de hiervoor genoemde periode is de bedoelde index derhalve met 6,35% gestegen. Met deze stijging van het prijsindexcijfer wordt in dit besluit rekening gehouden door elk bedrag aan griffierecht en elk bedrag aan vast recht met 6,35% te verhogen. De bedragen die op deze wijze worden verkregen, worden afgerond op hele euro’s.

     Artikel 46 van de Wet op de rechtsbijstand kent in het artikel zelf geen indexeringsbepaling. Indexering van de bedragen in het tweede en derde lid is echter wel mogelijk. In het tweede lid wordt bepaald dat er wordt afgeweken van artikel 8:41, derde lid, onderdeel b en c, van de Algemene wet bestuursrecht. Er wordt echter niet afgeweken van het vijfde lid van artikel 8:41 Algemene wet bestuursrecht, zodat indexering van het bedrag in het tweede lid van artikel 46 van de Wet op de rechtsbijstand mogelijk is. In het derde lid wordt bepaald dat er wordt afgeweken van artikel 40, tweede lid, onderdeel a en b, van de Wet op de Raad van State. Er wordt echter niet afgeweken van het zesde lid van artikel 40 van de Wet op de Raad van State, zodat indexering van het bedrag in artikel 46 van de Wet op de rechtsbijstand mogelijk is.

 

Overgangsrecht


     In artikel II is het overgangsrecht opgenomen. Uitgangspunt is daarbij dat indien op de dag waarop dit besluit in werking is getreden een griffierecht verschuldigd is, het oude recht (lees: het lagere griffierecht) van toepassing is. Dat betekent ook dat in geval van een kostenveroordeling alleen het griffierecht dat daadwerkelijk is betaald in rekening zal worden gebracht. Wordt vervolgens hoger beroep ingesteld, dan wordt daarvoor het nieuwe recht gehanteerd.

     Bij de bestuursrechtelijke zaken is een aanvullende regeling nodig voor de besluiten die (uiterlijk) op de dag waarop dit besluit in werking is getreden bekend zijn gemaakt, ten aanzien waarvan op die dag de beroepstermijn van zes weken nog openstaat en waartegen nog geen beroepschrift is ingediend. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de beroepstermijn zes weken, te rekenen vanaf de dag waarop het besluit bekendgemaakt wordt. Eenvoudigheidshalve wordt bepaald dat ten aanzien van besluiten die (uiterlijk) op de dag van inwerkingtreding van dit besluit bekendgemaakt zijn en waartegen bij een administratieve rechter (zie artikel 1:4 Awb) nog tijdig in beroep kan worden gekomen, het oude recht van toepassing blijft. In het derde lid is een vergelijkbare bepaling opgenomen ten aanzien van het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van een administratieve rechter.

 

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x