|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 193
Wijziging
van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
met betrekking tot scholingsmogelijkheden voor uitkeringsgerechtigden
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
[Inleiding,
red.] |
| 2 |
Voorgestelde
wijzigingen |
| 1 |
Aantoonbare inspanning
tot het vinden van werk |
| 2 |
Beoordeling
van de noodzaak van de scholing |
| 3 |
Maatwerk
ten aanzien van de arbeidsverplichtingen |
| 4 |
Criteria
voor de scholing |
| 5 |
Financiering
van de scholing |
| 6 |
Invoering
meldingsplicht |
| 3 |
Budgettaire
effecten |
| 4 |
Monitoring
en evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m III |
Algemeen
[Inleiding,
red.]
De huidige regeling met
betrekking tot scholingsmogelijkheden voor bijstandsgerechtigden met
een arbeidsverplichting is complex en voor meerdere uitleg vatbaar.
Bovendien biedt deze regeling onvoldoende mogelijkheden voor maatwerk.¹ De voorgestelde wijzigingen beogen aan deze bezwaren tegemoet te
komen. Het gaat daarbij om wijzigingen van de artikelen 9 en
114 van
de Algemene bijstandswet (Abw). In het voorstel
is tevens rekening
gehouden met recente jurisprudentie over het volgen van universitair (deeltijd)onderwijs door bijstandsgerechtigden.
In het verlengde van de
wijziging van artikel 114 Abw wordt
artikel 37 van de Wet
inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) en artikel 37 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en arbeidsgehandicapte zelfstandigen (Ioaz) op overeenkomstige wijze veranderd.
1. Zie motie van het lid
Bussemaker, Kamerstukken II 1999-2000, 26 800 XV, nr. 33, en de gewijzigde motie van de
leden Bussemaker en Schimmel, Kamerstukken II
1999-2000, 26 447, nr. 27.
Voorgestelde wijzigingen
1. Aantoonbare inspanning
tot het vinden van werk
Bij de reïntegratie van
bijstandsgerechtigden dient arbeidsinschakeling en arbeidsbemiddeling voorop
te staan. Een zo spoedig mogelijke terugkeer naar de arbeidsmarkt
staat ook voorop in de afspraken die met de gemeenten zijn gemaakt in
het kader van de Agenda voor de Toekomst. Wanneer vastgesteld wordt
dat arbeidsinschakeling niet of nog niet mogelijk is, omdat de betrokkene
niet over de noodzakelijke kwalificaties beschikt, kan aanvullende
scholing noodzakelijk zijn. Deze scholing kan, naar de opvatting van het
kabinet, pas aan de orde komen nadat er door de betrokkene een
aantoonbare inspanning is verricht tot het vinden van passende arbeid en deze
arbeid ondanks deze inspanningen niet voorhanden is. Het vereiste van een
"aantoonbare inspanning tot het vinden van werk" is thans niet
in de wet geregeld en wordt nu door de wijziging van artikel 114 in de
Abw, van artikel 37
Ioaw en van artikel 37
Ioaz wettelijk vastgelegd.
Scholing is een
instrument dat op maat ingezet moet worden; het betreft een op de persoon
toegesneden aanpak die niet langer dan noodzakelijk rblz.|2|
moet duren. Als
voorwaarde voor scholing geldt dat deze gericht is op een snelle
terugkeer naar de arbeidsmarkt en beoogt het aanvaarden van passende
arbeid te bevorderen.
2. Beoordeling van de
noodzaak van de scholing
Indien, zoals
hiervoor is beschreven, vastgesteld is dat betrokkene, ondanks
aantoonbare inspanningen tot het vinden van passende arbeid, daarin niet
slaagt, kan scholing aan de orde komen.
Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van
de scholing staat de arbeidsmarktrelevantie van de voorgenomen scholing
voorop. De scholing moet immers de kansen op deelname aan het
arbeidsproces verhogen. De gemeente zal over de arbeidsmarktrelevantie
van de scholing advies inwinnen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(na 1 januari 2002 is dit de Centrale organisatie voor werk en
inkomen).
Omdat werk voorop staat, zal in de Regeling noodzakelijke scholing worden
opgenomen dat gemeenten aan de mogelijkheden van werkend leren de
voorkeur moeten geven. Dit werkend leren kan in bepaalde situaties ook
toegepast worden in de dienstbetrekking in het kader van de Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) en het Besluit
in- en doorstroombanen.
3. Maatwerk
ten aanzien van de
arbeidsverplichtingen
Voor degenen
voor wie de verplichtingen, bedoeld in artikel 113,
eerste lid, Abw, gelden en voor wie is
vastgesteld dat de scholing noodzakelijk is, is in het huidige artikel
114, eerste lid, Abw bepaald dat de
bijstandsgerechtigde gedurende de duur van de scholing is ontheven van
de plicht om te solliciteren en om passende arbeid te aanvaarden,
ongeacht de studiebelasting die voortvloeit uit de noodzakelijk geachte
scholing of opleiding. Een bepaling met gelijkluidende strekking is
opgenomen in artikel 37, eerste lid, Ioaw
en artikel 37, eerste lid, Ioaz.
Deze bepalingen zijn in het licht van het huidige aanbod van
scholingsmogelijkheden die sterk variëren in studiebelasting niet
voldoende toegesneden op de praktijk, die uitdrukkelijk om maatwerk
vraagt. De voorgestelde wijziging van artikel 114,
eerste lid, Abw, artikel
37, eerste lid, Ioaw en artikel
37, eerste lid, Ioaz strekken ertoe dat de
gemeente op de betrokkene toegesneden verplichtingen op kan leggen.
Uitgangspunt daarbij is dat in beginsel alle arbeidsverplichtingen
onverkort van toepassing blijven. De gemeente heeft echter de
mogelijkheid om, afwegende de individuele situatie van de cliënt, een
ontheffing van één of meer arbeidsverplichtingen te verlenen. Dit
betekent dat de gemeente, indien men dit in het individuele geval
noodzakelijk vindt, bijvoorbeeld in het geval een scholing gedurende zes
maanden drie dagen in de week in beslag neemt, een ontheffing van
bovenvermelde verplichtingen kan verlenen voor drie dagen per week
gedurende zes maanden. Daarmee wordt bereikt dat betrokkene, naast de
tijd die voor noodzakelijke scholing nodig is, voor de overige uren
arbeid kan verrichten.
In de circulaire aan gemeenten betreffende
activering en uitstroom van bijstandsgerechtigden wordt de directe
bemiddeling naar werk en de toepassing van de arbeidsverplichtingen
nader toegelicht.
4. Criteria voor de
scholing
Voor alle
noodzakelijke scholing die tijdens de bijstand gevolgd mag worden, geldt
dat deze gericht moet zijn op werk en dat deze in de regel maximaal twee
jaar mag duren.
Het criterium dat de scholing gericht moet zijn
op werk en het criterium rblz.|3|
dat de scholing niet langer mag duren dan twee jaar zullen gelden voor alle scholingsniveaus.
Scholing waarvan bekend is dat deze meer dan
twee jaar beslaat, wordt in beginsel niet toegestaan. In die gevallen kan
nauwelijks meer worden beoordeeld of de desbetreffende scholing aansluit
bij de concrete behoefte van de arbeidsmarkt. Het is niet mogelijk dat
bijstandsgerechtigden die een arbeidsverplichting hebben tijdens de Abw
volledige, langdurige studies die het algemene scholingsniveau verhogen,
kunnen volgen. Algemeen vormende opleidingen die na afronding niet
leiden tot een concreet uitzicht op toetreding tot de arbeidsmarkt in
een specifiek beroep of specifieke functie vallen dus buiten dit bestek.
Als voorwaarde voor het toestaan van scholing dient een snelle terugkeer
naar de arbeidsmarkt te worden gehanteerd.
Gemeenten kunnen een reguliere (beroeps)opleiding slechts bij wijze
van uitzondering als noodzakelijk aanmerken. Het is dus niet de
bedoeling dat een initiële opleiding vanzelfsprekend met bijstand kan
worden afgerond nadat de studiefinancieringsrechten zijn verlopen. Het
zou juist moeten gaan om het opfrissen van een eerder afgeronde scholing
(bijvoorbeeld een applicatiecursus), om de erkenning van een elders
behaald diploma of bij zij-instromers die op grond van een ander diploma
in korte tijd kunnen worden omgeschoold tot een ander beroep,
bijvoorbeeld leraar. Dit wordt vastgelegd in de Regeling noodzakelijke
scholing.
In de Regeling noodzakelijke scholing
zal overeenkomstig het verzoek van de Tweede Kamer (Kamerstukken II
1999-2000, nr. 26 800 XV, nr. 83) een bepaling worden opgenomen die
aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om in uitzonderlijke
gevallen van de tweejaarstermijn af te wijken. Van deze bevoegdheid mag
de gemeente uitsluitend gebruik maken als vastgesteld is dat er voor
betrokkene beslist geen passende arbeid beschikbaar is en er geen
andere, snellere weg naar reïntegratie mogelijk is dan via de
noodzakelijk geachte scholing.
In de Regeling noodzakelijke scholing zullen de
criteria dat de scholing moet worden gegeven in een specifiek op
werklozen gericht project vervallen. Ook zal de bepaling worden
geschrapt dat een eventuele praktijkcomponent niet meer dan de helft van
het programma mag uitmaken.¹ De gemeenten moeten de voortgang van de
deelname aan de scholing in heronderzoeken zeer regelmatig volgen.
1. De eis dat de
praktijkcomponent niet meer dan 50% van de scholing mag bevatten, werd
volgens het onderzoek Scholing van werkzoekenden als belemmerend ervaren
en aanpassing van de regeling werd op dit gebied wenselijk geacht. Het
onderzoek Scholing van werkzoekenden van mei 1999 werd bij brief van 1
juli 1999 (SOZA 99/55) aangeboden door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer.
5. Financiering van de
scholing
De kosten
verbonden aan een noodzakelijke scholing kunnen door de gemeente
worden
vergoed uit het scholings- en activeringsbudget van de Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw). Voor bekostiging vanuit het
scholings- en activeringsbudget Wiw geldt de algemene voorwaarde dat de
scholing moet zijn gericht op het verbeteren van de perspectieven op
arbeidsinschakeling. Kosten die verband houden met het volgen van een
scholing, zoals bijvoorbeeld reiskosten, kunnen eveneens uit de Wiw-middelen worden vergoed. In geval van scholing van alleenstaande
ouders met een bijstandsuitkering kan de gemeente - op basis van de
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
- zo nodig ook kinderopvang financieren.
Scholing op eigen initiatief die niet aan de
voorwaarden voldoet, wordt door de gemeente niet gefinancierd.
6. Invoering
meldingsplicht
Analoog aan artikel
115 Abw is in artikel
114 Abw, vierde lid, een meldingsplicht
opgenomen voor bijstandsgerechtigden die op eigen initiatief scholing
of opleiding willen gaan volgen. De meldingsplicht geeft de gemeente
de
gelegenheid om na te gaan of een beoordeling moet rblz.|4|
plaatsvinden van een voor
de arbeidsinschakeling noodzakelijke scholing. Tevens is de
meldingsplicht opgenomen om de gemeente in staat te stellen om zich een
oordeel te kunnen vormen over de voornemens tot scholing en de
vorderingen te kunnen blijven volgen met het oog op de integratie in de
arbeidsmarkt in de toekomst en hierover desgewenst afspraken vast te
leggen in het trajectplan. Bovendien kan dit moment voor de gemeente
aanleiding zijn om alsnog een individuele ontheffing om te zetten in
één of meerdere arbeidsverplichtingen.
Deze meldingsplicht is aanvullend op de
meldingsplicht van artikel 65 op grond waarvan
de gemeente kan nagaan of voor betrokkene recht op studiefinanciering of
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten bestaat en of er
zodoende sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel
17 van de Abw.
Een gelijkluidende meldingsplicht is opgenomen
voor de Ioaw- en Ioaz-gerechtigden.
Budgettaire
effecten
In het kader van
de afspraken die met gemeenten zijn gemaakt via de Agenda voor de
Toekomst, waarbij een sluitende aanpak en maatwerk centraal staan, zal
maatwerk op het terrein van de scholing bijdragen aan de
uitstroomkansen. Op termijn kan dit leiden tot een besparing op de
bijstandslasten.
Monitoring
en evaluatie
Het gebruik van
het scholingsinstrument zal worden gevolgd in de Monitor Scholing en
Activering die per 1 januari 2002 voor de G86 en per 1 januari 2003 voor
alle gemeenten zal gelden. Op deze wijze kan halfjaarlijks worden
nagegaan voor hoeveel bijstandsgerechtigden sprake is van een door de
gemeente bekostigd (scholings)traject en op welk niveau deze scholing
plaatsvindt, alsmede de duur. Het voornemen is om daarnaast in het kader
van de Monitor Scholing en Activering dan wel in aanvulling daarop, na
verloop van langere tijd, de gevolgen en effecten van het
scholingsinstrument in termen van in- en uitstroom te onderzoeken.
Artikelsgewijs
Artikel
I, onderdeel A
Het opheffen van de uitsluitingsgrond, genoemd in artikel
9, tweede lid, onderdeel b, van de Abw,
betekent dat alle onderwijsniveaus voor bijstandsgerechtigden in
principe toegankelijk worden. Dit laat onverlet dat ingeval een
bijstandsgerechtigde een beroep kan doen op de WSF
2000 of de WTOS, geen
recht op bijstand op grond van de Abw
bestaat, omdat er alsdan sprake is van een voorliggende voorziening als
bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Abw.
Artikel
I, onderdeel B, II
en III
De wijziging van onderscheidenlijk artikel 114,
eerste lid, van de Abw, artikel
37, eerste lid, van de Ioaw en artikel
37, eerste lid, van de Ioaz voorziet erin
dat burgemeester en wethouders de belanghebbende die een scholing of
opleiding gaat volgen die noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling
in de arbeid ontheffing kunnen verlenen van de verplichting om naar
vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, en de
verplichting om passende arbeid te aanvaarden. Aldus wordt gebroken met
het stelsel dat belanghebbende automatisch van deze verplichtingen
ontheven wordt. Het toekennen van een bevoegdheid rblz.|5|
om in individuele
gevallen ontheffing te verlenen, leidt ertoe dat ook op dit vlak
maatwerk geboden kan worden. Besluiten burgemeester en wethouders om van
het algemene uitgangspunt dat belanghebbende arbeid moet trachten te
verkrijgen en passende arbeid dient te aanvaarden af te wijken door van
deze verplichtingen ontheffing te verlenen, dan geldt die ontheffing
uitsluitend voor de duur en de omvang van de noodzakelijk geachte
scholing. Indien er derhalve sprake is van een niet-voltijdse opleiding,
betekent dit dat de ontheffing uitsluitend betrekking heeft op de voor
de opleiding noodzakelijke uren. Voor de resterende tijd in de week
blijven de verplichtingen van de Abw, de Ioaw
en de Ioaz onverkort gelden. Op deze manier
wordt aangesloten bij de praktijk waarin sprake is van een zeer divers
aanbod van scholing en opleidingen die niet meer dan enkele dagen per
week in beslag nemen. Scholing of opleiding kan - zo is inmiddels,
teneinde elk misverstand hierover uit te sluiten, ook uitdrukkelijk in
het eerste lid van onderscheidenlijk artikel 114
Abw, 37 Ioaw
en 37 Ioaz
opgenomen - alleen dan noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in
de arbeid indien aantoonbare inspanningen van belanghebbende om arbeid
te verkrijgen zonder resultaat zijn gebleven.
Verder wordt er naar analogie van het bepaalde
in artikel 115, eerste lid, van de Abw
en artikel 38, eerste lid, van de Ioaw
en artikel 38, eerste lid, van de Ioaz
aan artikel 114 van de Abw,
artikel 37 van de Ioaw
en artikel 37 van de Ioaz
een nieuw vierde lid toegevoegd. Teneinde, zoals hiervoor is aangegeven,
de gemeente
onder meer in staat te stellen te controleren of voor de
belanghebbende een beoordeling moet plaatsvinden van een voor de
arbeidsinschakeling noodzakelijke scholing, is een verplichting
opgenomen die erin voorziet dat de belanghebbende, voordat hij aan de
scholing of opleiding begint, dit meldt bij de gemeente.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|
|