|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2002-2003, 28
740.
Handelingen II 2002-2003, blz. 4620.
Kamerstukken I 2002-2003, 28 740 (266); 2003-2004, 28 740 (A, B, C, D, E).
Handelingen I 2003-2004, zie vergadering d.d. 2 december 2003.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 4 december 2003, Stb.
2003, 500, tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van
de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van
griffierechten). Inwerkingtreding: 1 februari 2004 (Stb.
2004, 7).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de opbrengst van de verschillende vast rechten en
griffierechten te doen verhogen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
Art. I.
[MvT]
In de in de kolommen C tot
en met E van onderstaande tabel aangeduide bepalingen van de in kolom B
genoemde wetten wordt de in kolom F opgenomen tekst telkens
vervangen door de in kolom G opgenomen tekst.Ή
| MINISTERIE
VAN JUSTITIE |
| A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
| Nr. |
Wet |
Artikel |
Lid |
Onderdeel |
Huidigertekst |
Nieuwertekst |
| 1 |
Awb |
8:41 |
3 |
a |
|v31,00
|
|v36,00 |
| 2 |
Awb |
8:41 |
3 |
b |
|116,00 |
|133,00 |
| 3 |
Awb |
8:41 |
3 |
c |
|232,00 |
|267,00 |
| 4 |
Bw |
22 |
2 |
a |
|v87,00 |
|100,00 |
| 5 |
Bw |
22 |
2 |
b |
|175,00 |
|201,00 |
| 6 |
Bw |
22 |
2 |
c |
|348,00 |
|400,00 |
| 7 |
Bw |
22 |
3 |
|
|348,00 |
|400,00 |
1. In de tabel zijn enkel de
voor de socialezekerheidswetgeving relevante wetten opgenomen, red.
Art. II.
[MvT]
De Wet
tarieven in burgerlijke zaken wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 2, tweede lid,
onderdeel 2Ί, onder d, komt de eerste volzin te luiden: Wanneer de eis of het
verzoekschrift strekt tot een betaling van een bepaalde geldsom van meer
dan |11 345,00, 2,2 procent van die geldsom, met een minimum van
|285 en
een maximum van |4440,00 en met een minimum van
|285,00 en een maximum van |1065,00 voor de gedaagde of
verweerder indien deze een natuurlijk persoon is.
2. In artikel 2, derde lid,
onderdeel d, komt de eerste volzin te luiden: Wanneer de eis of het
verzoekschrift strekt tot betaling van een bepaalde geldsom van meer
dan |11
345,00, 3 procent van die geldsom, met een minimum van |380,00 en
een maximum van |5550,00 en met een minimum van
|380,00 en een
maximum van |1065,00 voor de gedaagde of verweerder in hoger beroep
indien deze een natuurlijk persoon is.
Art. III.
[MvT]
-1. Ten aanzien van rechten
die verschuldigd zijn geworden vσσr de datum van inwerkingtreding
van deze wet blijft het recht zoals dat vσσr die datum gold van
toepassing.
-2. Indien op de dag waarop
deze wet in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op
een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van
toepassing.
-3. Indien op de dag waarop
deze wet in werking treedt tegen een uitspraak van een
administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger
beroep van toepassing.
Art. IV.
Deze wet treedt in werking
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.Ή
1. Bij Besluit
van 19 december 2003, Stb. 2004, 7, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 februari 2004, red.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te s-Gravenhage,
4 december 2003
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de elfde
december
2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|