|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2002-2003, 28 740
Wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de
griffierechten (verhoging van de opbrengst van
griffierechten)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Algemeen
Dit
wetsvoorstel strekt ertoe de griffierechten in de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere
wetten met 15% te verhogen. In deze memorie van toelichting wordt gemakshalve steeds de
term griffierechten gebruikt, ook indien daarmee tevens het vast recht en
het overig recht in de Wet tarieven in burgerlijke zaken wordt bedoeld. Met
de hierboven genoemde verhoging wordt een extra opbrengst van de
griffierechten met circa €|17 miljoen gerealiseerd.
Het kabinet is zich ervan
bewust dat het van belang is dat met de verhoging van de griffierechten het
recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6
EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, red.] niet in het geding mag komen. Volgens vaste jurisprudentie van
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [EHRM, red.] is het recht op toegang
tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM geen absoluut
recht. Er zijn beperkingen mogelijk. Het onderwerp is zelfs bij uitstek
voorwerp van regulering door de verdragsstaten. Een beperking is niet verenigbaar met artikel 6 EVRM wanneer het recht op
toegang tot de rechter in
de kern wordt aangetast, de beperking geen legitiem doel dient of er
geen redelijke verhouding bestaat tussen het nagestreefde doel en de
gebruikte middelen (onder andere Fogarty versus Verenigd Koninkrijk, EHRM
uitspraak 21 november 2001, ongepub.).
Hoewel de griffierechten
met dit wetsvoorstel substantieel worden verhoogd, is er geen
sprake van een aantasting van de essentie van het recht op toegankelijke
rechtspraak. Het stelsel van griffierechten kent immers een differentiatie
naar zaakscategorieën en naar natuurlijke en rechtspersonen. Dit
systeem blijft intact. Daardoor blijft het systeem ook na de verhoging rekening
houden met de positie van minvermogenden. Hogere rechten worden
geheven in die zaken waarin enerzijds de belangen om te procederen
doorgaans groter zijn, maar waar anderzijds de keuze voor
alternatieven als arbitrage of mediation aanwezig is. Daarnaast blijft het voor burgers
onder een bepaalde inkomensgrens mogelijk om een beroep te doen op
het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand of op de indebetstelling
(een regeling voor korting op het griffierecht).
rblz.|2|
Het kabinet
acht de onderhavige verhoging gelegitimeerd. De belangrijkste reden voor
het heffen van griffierecht is dat de burger hiermee een tegenprestatie
levert voor het gebruik dat hij maakt van de rechtspraak. De burger heeft een eigen
verantwoordelijkheid om te proberen een conflict zonder tussenkomst van
de rechter op te lossen. Wanneer hij overweegt om een conflict aan de
rechter voor te leggen, dient hij zich rekenschap te geven van de
mogelijkheid om dit conflict zonder beroep op de rechter op te lossen.
Het belang van een slagvaardige rechtspraak wordt door een ieder
onderschreven. Rechtspraak is echter kostbaar. Teneinde slagvaardige
rechtspraak te waarborgen, is het van belang dat de burger hier
zorgvuldig gebruik van maakt. Om die reden worden de griffierechten over
de hele linie verhoogd. Daarbij is het echter nog steeds zo dat de
burger slechts een bijdrage levert aan de kosten van de rechtspraak,
zonder dat die kostendekkend is. Om dit zuiver tot uitdrukking te
brengen, is de prijsindexering die nog wel in het wetsvoorstel was
opgenomen zoals dit voor advies aan de Raad van State is gezonden, uit
het wetsvoorstel gelicht. Het kabinet wijst er volledigheidshalve nog op
dat het naast het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van de
burger ook inzet op alternatieven voor de rechtspraak als mediation.
Een concept van dit (nadien bijgestelde) wetsvoorstel is in september
2002 voor schriftelijke consultatie verzonden aan de Hoge
Raad, de Raad
voor de rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak. De
Hoge Raad heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van
het concept-wetsvoorstel. De Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak hebben in hun adviezen ¹ aandacht gevraagd
voor de toegankelijkheid van de rechter. Daar deze opmerkingen
overeenkomen met een opmerking van de Raad van State op grond waarvan de
toelichting is aangepast, wordt op dit punt op deze adviezen niet
afzonderlijk ingegaan. De Raad voor de rechtspraak geeft in zijn advies
in overweging om het stelsel van griffierechten te herbezien nu met name
de Wet
tarieven in burgerlijke zaken een complex systeem van
griffierechten kent. Mede naar aanleiding van deze aanbeveling zal het ministerie van Justitie een onderzoek starten om te bezien of de
structuur van de griffierechten kan worden vereenvoudigd.
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Korte beschrijving van
het voorstel
Voor een goed
begrip van het voorstel wordt hierbij opgemerkt dat in dit voorstel
naast de verhoging van de griffierechten een tweetal correcties
plaatsvinden. In enkele bestuursrechtelijke wetten kon bij de laatste
indexering van de griffierechten in 2001 en bij de op het moment van
indienen van dit wetsvoorstel voorgenomen indexering (Besluit van ...
2003 [30 januari 2004, red.] tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere
wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en
civielrechtelijke wetten) geen indexering plaatsvinden aangezien een
daartoe strekkende bepaling ontbreekt. Daar het de intentie is om de
wijze waarop de indexering plaatsvindt te wijzigen, is ervoor gekozen om
in de desbetreffende wetten geen indexeringsbepaling op te nemen, maar
om met dit wetsvoorstel de bedragen in deze wetten te indexeren. In de
Wet tarieven in burgerlijke zaken is het in twee gevallen mogelijk dat
bij een hogere vordering een lager griffierecht is verschuldigd dan bij
een lagere vordering. Met dit wetsvoorstel wordt aan deze situatie een
einde gemaakt. Beide correcties worden in de artikelsgewijze toelichting
afzonderlijk toegelicht.
rblz.|3|
Artikelsgewijs
Artikel
I
In de rijen 1 tot en met 14, 16 tot en met 23, 27, 31 en 35 tot en met
64 worden de onder F opgenomen bedragen en percentages telkens met 15%
verhoogd. Het griffierecht in rij 15 is na de verhoging op €|90,- gesteld
teneinde dit af te stemmen op de minimumgeldsom in het in rij 15
genoemde artikel.
In de rijen 24 tot en met 26, 28 tot en met 30 en 32 tot en met 34
worden de onder F opgenomen percentages telkens met 15% verhoogd, waarna
wordt afgerond op het meest nabijgelegen veelvoud van €|5,-. Deze
afronding vloeit voort uit de afrondingsregel zoals opgenomen in de
desbetreffende artikelen.
In de rijen 53 en 65 tot en met 69 vindt een correctie plaats van het
griffierecht zoals dat is opgenomen in artikel 9c van de Garantiewet
Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, artikel 38 van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 45 van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet, artikel 34 van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 56 van de
Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 en artikel 44 van de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Bij Besluit van 5
november 2001 tot wijziging van de Algemene wet
bestuursrecht en enkele aanverwante wetten (indexering
griffierechten bestuursrechtelijke wetten) (Stb. 2001, 538) zijn de
griffierechten in bestuursrechtelijke wetten geïndexeerd. Bij deze
indexering bleek het niet mogelijk om ook de griffierechten in de
hiervoor genoemde wetten mee te nemen. De reden hiervoor is dat in de
hiervoor genoemde wetten geen bepaling is opgenomen die indexering bij
algemene maatregel van bestuur mogelijk maakt. Teneinde de
griffierechten in de hiervoor genoemde wetten in de pas te laten lopen
met de griffierechten in de andere bestuursrechtelijke wetten, wordt van
de gelegenheid gebruik gemaakt om de griffierechten in de rijen 53 en 65
tot en met 69 in dit wetsvoorstel naast de 15% verhoging alsnog te
indexeren over de periode als opgenomen in het hiervoor genoemde besluit
en de periode zoals opgenomen in het ontwerp-besluit. Voor een nadere
toelichting omtrent deze indexering wordt hierbij verwezen naar de nota
van toelichting bij het hiervoor genoemde besluit en het
ontwerp-besluit.
Artikel
II
In artikel II vindt, naast de 15% verhoging van de bedragen en
percentages, een correctie plaats van artikel 2, tweede lid, onderdeel 2º,
onder d, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken. Bij het
navolgende voorbeeld wordt uitgegaan van de bedragen zoals deze luidden
vóór 1 januari 2003. In artikel 2, tweede lid, onderdeel 2º, onder c,
is bepaald dat wanneer de eis of het verzoekschrift strekt tot betaling
van een bepaalde geldsom van meer dan €|4538,- en niet meer dan
€|11 345,-
in hoofdsom, het griffierecht €|230,- bedraagt. In artikel 2, tweede lid,
onderdeel 2º, onder d, wordt vervolgens bepaald dat wanneer de
eis of het verzoekschrift strekt tot betaling van een bepaalde geldsom
van meer dan €|11 345,-, het griffierecht 1,9% van die geldsom bedraagt.
Dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om bij een geldsom van
meer dan €|11 345,- een hoger griffierecht voor te schrijven dan bij een
geldsom onder de €|11 345,- hoeft geen betoog. In de praktijk is bij het
percentage van 1,9% tot een geldsom van €|12 105,- het griffierecht lager
of gelijk aan het genoemde griffierecht van €|230,-. Een voorbeeld: de
vordering bedraagt €|11 400,-. Het griffierecht bedraagt 1,9% van deze
geldsom en komt neer op €|217,- (€|216,60). Met het opnemen van een
minimumbedrag in artikel 2, tweede lid, onderdeel rblz.|4|
2º, onder d.
wordt dit ongewenste gevolg gecorrigeerd. Een vergelijkbare correctie
vindt plaats in artikel 2, derde lid, onderdeel d.
Artikel
III
In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen. Uitgangspunt is daarbij
dat indien op de dag waarop dit wetsvoorstel in werking zal treden een
griffierecht verschuldigd is, het oude recht (lees: het lagere
griffierecht) van toepassing is. Dat betekent ook dat in geval van een
kostenveroordeling alleen het griffierecht dat daadwerkelijk is betaald
in rekening zal worden gebracht. Wordt vervolgens hoger beroep
ingesteld, dan wordt daarvoor het nieuwe recht gehanteerd.
Bij de bestuursrechtelijke zaken is een aanvullende regeling nodig voor
de besluiten die (uiterlijk) op de dag waarop deze wet in werking zal
treden bekend zijn gemaakt, ten aanzien waarvan op die dag de
beroepstermijn van zes weken nog openstaat en waartegen nog geen
beroepschrift is ingediend. Ingevolge artikel
6:7 van de Awb bedraagt de
beroepstermijn zes weken, te rekenen vanaf de dag waarop het besluit
bekendgemaakt wordt. Eenvoudigheidshalve stellen wij voor dat ten
aanzien van besluiten die (uiterlijk) op de dag van inwerkingtreding van
deze wet bekendgemaakt zijn en waartegen bij een administratieve rechter
(zie artikel 1:4 Awb)
nog tijdig in beroep kan worden gekomen, het oude recht van toepassing
blijft. In het derde lid is een vergelijkbare bepaling opgenomen ten
aanzien van het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van een
administratieve rechter.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|