|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2002-2003, 28 983
Wijziging
van enkele
socialeverzekeringswetten inzake verlenging van het bij de Wet beperking
export uitkeringen behorende
overgangsrecht en enkele andere wijzigingen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
|
x[Inleiding,
red.] |
| 1.1 |
Eerste
wijziging: wijziging overgangsrecht middels verlenging
overgangstermijn |
| 1.1.1 |
Uitvoeringstechnisch
commentaar SVB/UWV |
| 1.1.2 |
Financiële
consequenties |
| 1.2 |
Tweede
wijziging: vervallen driemaandstermijn |
| 1.2.1 |
Uitvoeringstechnisch
commentaar SVB/UWV |
| 1.3 |
Derde
wijziging: wijziging heropeningsbepaling bij latere
totstandkoming van verdrag |
| 1.4 |
Vierde
wijziging: redactionele wijziging |
| 1.5 |
Vijfde
wijziging: wijziging bekendmakingsbepaling landenlijst |
| 1.6 |
Zesde
wijziging: wijziging koppelingswetbepaling |
|
xArtikelsgewijs |
| xxxx |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
[Inleiding,
red.]
Met ingang van 1 januari 2000 zijn de Wet beperking export uitkeringen
(Wet BEU) en de Wijzigingswet beperking export uitkeringen
(Wijzigingswet BEU) in werking getreden. Op grond van deze wetten heeft
de verzekerde geen recht op een socialeverzekeringsuitkering gedurende
de periode dat hij, of degene ten behoeve van wie de uitkering wordt
verstrekt, niet in Nederland woont. Deze exportbeperking geldt niet
indien de betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag
of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een
uitkering kan bestaan.
Achtergrond van deze wetgeving is de
omstandigheid dat de rechtmatigheid van de
socialeverzekeringsuitkeringen die over de grens worden verstrekt niet
afdoende kan worden gewaarborgd. Het doel van de Wet BEU is om de
rechtmatigheid van de uitkeringen te verbeteren door de handhaafbaarheid
van de
socialeverzekeringswetten over de grens te versterken. Het middel
hiertoe is om met de landen waar Nederlandse uitkeringen worden betaald,
bij verdrag afspraken te maken die ten aanzien van dat land de
handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten, en daardoor de
rechtmatigheid van de uitkeringen, verbeteren. Op grond van de wet
kunnen uitkeringen alleen worden geëxporteerd naar landen waarmee
Nederland een verdrag heeft gesloten met handhavingsafspraken als
hiervoor bedoeld. De Wet BEU voorziet echter in een overgangstermijn van
drie jaar voor diegenen die bij de inwerkingtreding van de wet reeds
niet in Nederland woonden en een Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering ontvingen.
In de
Wet BEU is een
bepaling opgenomen op basis waarvan de wet na twee jaar geëvalueerd
diende te worden. Het verslag van de evaluatie werd op 20 december 2001
(griffienummer: SZW 00-1084) aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit
evaluatieverslag is besproken in een algemeen overleg dat de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 27 maart 2002 voerden. Naar
aanleiding van de evaluatie worden de bij de Wet BEU gewijzigde
socialeverzekeringswetten op een aantal punten aangepast. Dit wetsvoorstel voorziet
hierin. Tevens voorziet dit wetsvoorstel in een aantal technische wijzigingen.
Deze wijzigingen zijn in een eerder traject reeds rblz.|2|
door de Raad van State
bezien (advies van de Raad van State van 17 februari 2003, nr. W12.02
0521/IV, inzake het voorstel van wet tot wijziging van een aantal
socialeverzekeringswetten (Verzamelwet sociale verzekeringen
2003, Kamerstukken II 2002-2003, ... [28 978, red.]).
1.1.
Eerste wijziging: wijziging overgangsrecht middels verlenging
overgangstermijn
(De in dit voorstel opgenomen artikelen 68
van de Algemene nabestaandenwet (Anw), 62
van de Algemene Ouderdomswet (AOW), 91b
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en
102a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ))
Naar aanleiding van
het verstrijken van de overgangstermijn van de Wet
BEU met ingang van 1 januari 2003 heeft de Tweede Kamer een tweetal
moties aangenomen (de motie-Van Loon-Koomen/Noorman-den Uyl,
Kamerstukken II 2002-2003, 17 050, nr. 238, en de motie-Noorman-den
Uyl/Van Loon-Koomen, Kamerstukken II 2002-2003, 17 050, nr. 239). Naar
aanleiding van deze moties heeft de regering besloten de
overgangstermijn van de Wet BEU met twaalf maanden te verlengen voor
uitkeringsgerechtigden die nu reeds onder het overgangsrecht van de Wet
BEU vallen en die in een land wonen waarmee verdragsonderhandelingen
gaande zijn, of die in een land wonen dat positief heeft gereageerd op
het verzoek van Nederland om een handhavingsverdrag te sluiten. De
desbetreffende landen zijn: Armenië, Barbados, Belize, Benin, Burkina
Faso, Botswana, China, Colombia, Dominicaanse Republiek, Eritrea,
Ethiopië, Gambia, Ghana, Guatemala, Honduras, Jamaica, Japan, Kenia,
Koeweit, Madagaskar [Malagasië,
red.], Maleisië, Mali, Mauritius, Nicaragua, Nigeria, Oekraïne,
Pakistan, Russische Federatie, Sri Lanka, St. Vincent & Grenadines,
Swaziland, Tanzania, Togo, Venezuela, Verenigd Koninkrijk van
Groot-Britannië en Noord-Ierland, uitsluitend voor zover het de
Baljuwschappen Jersey en Guernsey betreffen, Vietnam en Zimbabwe.
Daarnaast wordt de overgangstermijn verlengd voor Servië en Montenegro,
echter uitsluitend voor uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ). De export van de overige
socialeverzekeringsuitkeringen heeft plaats op grond van verdrag met de
voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië.
De
regering heeft besloten de verlenging van de overgangstermijn te
beperken tot uitkeringen op grond van de AOW,
de Anw, de WAO en de WAZ.
Dit zijn inkomensdervingsuitkeringen waarvan mensen voor hun
levensonderhoud afhankelijk zijn. De verlenging van de overgangstermijn
geldt daarom niet voor de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW). De Tweede Kamer is hierover ingelicht bij brief van 20 december
2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 17 050, nr. 243). De verlenging van de
overgangstermijn voor de Ziektewet is niet aan
de orde, aangezien de maximale uitkeringsduur op grond van de Ziektewet
52 weken is. In 2002 werd al geen ziekengeld meer geëxporteerd op grond
van het overgangsrecht van de Wet BEU.
Opgemerkt wordt nog dat ten aanzien van een twintigtal andere landen de
verdragsonderhandelingen ultimo 2002 in een dusdanig afrondend stadium
zijn gekomen dat deze verdragen voorzien zijn van een
terugwerkendekrachtbepaling tot en met 1 januari 2003. Aan de Sociale
verzekeringsbank (SVB) en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) werd verzocht om, anticiperend op de
inwerkingtreding van deze verdragen, uitvoering te geven aan de
terugwerkendekrachtbepaling. De betaling van de uitkeringen aan de
betrokken uitkeringsgerechtigden is gecontinueerd na 1 januari 2003. De
Tweede Kamer is hierover ingelicht bij brief van 23 september 2002
(Kamerstukken II 2002-2003, 17 050, nr. 236).
rblz.|3|
1.1.1.
Uitvoeringstechnisch commentaar SVB/UWV
Aan de SVB
en het UWV is om uitvoeringstechnisch
commentaar gevraagd. Met betrekking tot het verlengen van de
overgangstermijn van de Wet
BEU stuit de uitvoering niet op problemen. De SVB en het UWV zijn
eind 2002 op de hoogte gesteld van het kabinetsbesluit om de
overgangstermijn voor 36 landen te verlengen. Hen werd verzocht om,
anticiperend op het wetsvoorstel, al
uitvoering te geven aan het verlengen van de overgangstermijn. De
betaling van de uitkeringen aan de betrokken uitkeringsgerechtigden is
gecontinueerd na 1 januari 2003. De SVB en het UWV geven beide aan dat
ze geen toename voorzien van het aantal handhavingsrisico’s met
betrekking tot de desbetreffende landen. Wél is het zo dat de reeds
bestaande handhavingsrisico’s worden gecontinueerd.
Zoals hiervoor opgemerkt, waren in september 2002 met betrekking tot
twintig landen de onderhandelingen al dusdanig gevorderd dat de
uitbetaling aan de uitkeringsgerechtigden in die landen na 1 januari
2003 is gecontinueerd. Hierover merkt de SVB op dat dit in het bijzonder
consequenties heeft voor de export van kinderbijslag, die wel wordt
geëxporteerd naar deze twintig landen, maar niet naar de landen
waarvoor de wettelijke overgangstermijn wordt verlengd. Het bestaan van
verschillende regimes leidt, naar de mening van de SVB, tot onderscheid
in behandeling van verschillende groepen burgers, al naargelang de
vraag of een verdrag, de speciale regeling voor twintig landen, de
verlenging van het overgangsrecht of geen enkele regeling van toepassing
is. De SVB stelt in haar uitvoeringstechnisch commentaar de vraag aan de
orde of dit vanuit een oogpunt van rechterlijke toetsing rechtvaardig
wordt geacht.
Anders dan de SVB stelt, is het gehanteerde onderscheid naar de mening
van de regering juist wel terug te voeren tot de opzet en doelstellingen
van de Wet BEU. Bij de groep van twintig landen
was in september 2002 reeds overeenstemming bereikt over
handhavingsafspraken waarop de Wet BEU is gericht. Omdat de formele
afhandeling van het verdrag niet rond was vóór 1 januari 2003, werd een
exportgarantie gegeven vanaf deze datum. Omdat de gemaakte
handhavingsafspraken tevens betrekking hebben op de AKW, was het geen
bezwaar om de exportgarantie ook voor die wet te laten gelden. De
uitgangspositie van de groep van landen waarop dit wetsvoorstel ziet, is
een andere. Met deze landen is nog geen overeenstemming over de
handhaving. Om niettemin gelegenheid te bieden om eventueel tot een
verdrag te komen, wordt de beëindiging van de langlopende uitkeringen
een jaar opgeschoven. De keuze voor alleen deze uitkeringen en niet de
AKW wordt ingegeven door de ingrijpende gevolgen die de beëindiging van
de inkomensdervingsuitkeringen voor betrokkenen zou hebben. De
uitvoeringskosten van de SVB en het UWV op dit punt zijn gering.
1.1.2.
Financiële consequenties
De verlenging van
de overgangstermijn van de Wet BEU met één
jaar betekent dat de export van de AOW-, Anw-,
WAO- en WAZ-uitkeringen
naar de betrokken 36 landen ten minste één jaar langer doorlopen. De
verlenging van de overgangstermijn geldt niet voor het recht op kinderbijslag.
Eerder is aan de Tweede Kamer meegedeeld (in de hiervoor aangehaalde
brief van 20 december 2002) dat deze verlenging €|2,3
miljoen extra uitkeringslasten met zich meebrengt. Op basis van de
uitvoeringstoetsen van het UWV en de SVB
moet deze raming worden bijgesteld naar €|2,6
miljoen. In de voorjaarsnota zal worden aangegeven hoe deze kosten
zullen worden gefinancierd. De verdeling van de extra uitkeringslasten
in 2003 naar wet ziet er als volgt uit:
rblz.|4|
Tabel. Raming extra
uitkeringslasten als gevolg van verlenging overgangstermijn:
| Wet |
Uitkeringslasten
(€ mln) |
| AOW |
0,8 |
| Anw |
0,7 |
| WAO/WAZ |
1,1 |
| Totaal |
2,6 |
Het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in het kader van de
inventarisatie van budgettaire knelpunten 2003 ook de aanpassing van de Wet
BEU in beeld gebracht. Dit ministerie heeft daarbij een aantal
oplossingen voorgesteld. Een deel van de voorgestelde oplossingen zal
worden benut voor de dekking van de extra uitgaven Wet BEU in 2003 die
uit dit wetsvoorstel voortvloeien. Eén en ander zal formeel in het kader
van de voorjaarsnota worden afgewikkeld.
1.2.
Tweede wijziging: vervallen driemaandstermijn
(De vervallen artikelleden c.q.
gewijzigde artikelen 7b, vijfde lid, van de
AKW, 32a, zesde
lid, en wijziging van artikel 32b, vierde
lid, van de Anw, 8a,
vijfde lid, en wijziging van artikel 9a,
tweede lid, van de
AOW, 19a, vijfde
lid, van de Ziektewet (ZW), 20,
zesde lid, en wijziging van artikel 43b
en 47a, eerste lid, laatste volzin, van de
WAO, 7a, zesde
lid, en wijziging van artikel 19a en
21a, eerste lid, laatste volzin, van de WAZ
en 4a, derde lid, van de
Toeslagenwet
(TW))
De exportbeperking
van de Wet BEU geldt niet alleen voor personen
die in niet-verdragslanden wonen, maar ook voor personen die langer dan
drie maanden in niet-verdragslanden verblijven (driemaandstermijn). Bij
de evaluatie van de Wet BEU zijn bezwaren gebleken tegen de
driemaandstermijn. De driemaandstermijn is moeilijk te handhaven, omdat
de SVB en het UWV
vrijwel uitsluitend zijn aangewezen op informatie die de betrokkene zelf
verschaft over een tijdelijk verblijf in het buitenland. De ingrijpende
gevolgen van een verblijf buiten Nederland gedurende langer dan drie
maanden staan een actief meldingsgedrag van de betrokkenen in de weg.
Bovendien is de driemaandstermijn te kort voor een groot aantal
migranten dat ervoor kiest heen en weer te pendelen tussen Nederland en
het land van herkomst in plaats van te remigreren, en voor studenten
waarvoor recht op kinderbijslag op grond van
de AKW
bestaat en die in het kader van internationale uitwisselingsprogramma’s
voor een langere periode in het buitenland gaan studeren.
Eén van de conclusies bij de evaluatie was dan
ook om de driemaandstermijn te vervangen door een verwijzing naar de
uitschrijftermijn van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA).
Aansluiting bij de systematiek en termijn van de Wet GBA blijkt echter
nieuwe bezwaren op te leveren. Het belangrijkste bezwaar is dat de
woonfictie van de Wet GBA afwijkt van de woonfictie van de Wet BEU.
Vanaf het moment van uitschrijving uit dan wel inschrijving in de GBA
wordt men geacht buiten dan wel in Nederland te wonen. Op grond van de
Wet BEU geldt deze woonfictie echter pas na afloop van de vastgestelde
verblijfstermijn. Pas dan wordt men geacht buiten Nederland te wonen.
Het volgen van de systematiek van de Wet GBA zou dus betekenen dat
uitschrijving uit dan wel inschrijving in de GBA direct gevolgen zou
hebben voor de uitkering in plaats van na drie maanden, zoals thans het
geval. Een ander bezwaar is dat de uitschrijftermijn van de GBA acht
maanden is, terwijl de inschrijftermijn vier maanden bedraagt. Een
verschil in termijnen voor in- en uitschrijving zijn niet te
rechtvaardigen gezien de gevolgen hiervan voor het recht op uitkering.
De regering heeft daarom besloten tot het
geheel schrappen van de driemaandstermijn uit de diverse materiewetten.
Dit is vanuit handhavingsoogpunt rblz.|5|
de meest doelmatige oplossing. Het
enige relevante criterium is nu immers het al of niet wonen in
Nederland, hetgeen mede aan de hand van de GBA kan worden vastgesteld.
Bovendien zal het verruimen van de mogelijkheden tot verblijf het
frauderisico ten aanzien van (wijziging inzake) adresgegevens - die
uitkeringsgerechtigden geacht worden door te geven aan UWV/SVB - verminderen.
Ook aan de andere twee genoemde bezwaren ten
aanzien van migranten en studenten wordt volledig tegemoet gekomen: wie
niet buiten Nederland woont, behoudt immers het recht op uitkering. Het
begrip "wonen" is uitgewerkt in beleidsregels van de
uitvoeringsorganen gebaseerd op jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep.
1.2.1.
Uitvoeringstechnisch commentaar SVB/UWV
Wat betreft het
vervallen van de driemaandstermijn voorzien de SVB
en het UWV geen uitvoeringstechnische
problemen. Het UWV geeft in het uitvoeringstechnisch commentaar aan dat
een invoeringstermijn van ten minste drie maanden, gerekend vanaf
publicatie in het Staatsblad, problemen voorkomt bij de overgang
van het oude naar het nieuwe regime. De SVB verwacht geen grote toename
van het aantal handhavingsrisico’s. Het UWV signaleert dat de
handhavingsrisico’s bij de uitvoering van de
TW toenemen. De toeslag moet na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
ook worden uitbetaald bij een verblijf van langer dan drie maanden in
het buitenland, zolang de toeslaggerechtigde in Nederland woont. Met het
oog op een rechtmatige uitvoering van de TW zullen extra
handhavingsactiviteiten moeten worden ondernomen. Deze zullen met het
oog op een doelmatige uitvoering moeten worden afgestemd op de risico’s
voor het misbruik en oneigenlijk gebruik. De uitvoeringskosten van de
SVB en het UWV op dit punt zijn gering.
1.3.
Derde wijziging: wijziging heropeningsbepaling bij latere totstandkoming
van verdrag
(De artikelen 32a,
vierde lid, en 32b, derde lid, van de
Anw, 8a, derde lid, onderdeel
b,
van de AOW, 7a, derde lid, onderdeel
b, en
21a,
eerste lid, van de WAZ, 20, derde lid, onderdeel
b, van de
WAO en
19a, derde lid, onderdeel b, van de ZW)
Op 1 januari 2000 is de Wet BEU in werking
getreden. Op grond van deze wet heeft een verzekerde geen recht op een
socialeverzekeringsuitkering gedurende de periode dat hij, of degene ten
behoeve van wie de uitkering wordt verstrekt, niet in Nederland woont.
Dit geldt evenwel niet indien de betrokkene woont in een land waarin op
grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op uitkering kan bestaan. Als gevolg van de Wet BEU
bestaat niet zonder meer recht op (heropening van de) uitkering als er
met een land een handhavingsverdrag wordt gesloten. Tijdens de
parlementaire behandeling van de Wet BEU heeft het kabinet toegezegd om
een dergelijke bepaling alsnog in de wet op te nemen (Handelingen I, nr.
31, 9 juni 1999, blz. 1420). Op grond van de Wijzigingswet
BEU (Wet van
22 december 1999, Stb. 1999, 594) zijn hiertoe respectievelijk artikel 19a
van de ZW, de artikelen 20 en
47a van de WAO, de
artikelen 7a,
19a en 21a van de WAZ, de
artikelen 8a en 9a
van de AOW en de artikelen 32a
en 32b van de Anw vervangen.
Voorgaande artikelen van de
Wijzigingswet BEU bepalen dat het recht op een
socialeverzekeringsuitkering dat is beëindigd op grond van de Wet BEU
kan worden heropend vanaf de dag waarop een verdrag in werking is
getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van
kracht is geworden in het land waar betrokkene woont, op grond waarvan
recht op uitkering kan bestaan. Deze bepalingen zijn bedoeld voor het
geval waarin de betrokkene woont in een land waarmee Nederland geen
handhavingsverdrag heeft gesloten. Er kan dan recht op heropening van rblz.|6|
de
uitkering bestaan vanaf het moment dat er met dat land alsnog een
handhavingsverdrag in werking treedt. De bepalingen kunnen tevens van
toepassing zijn in het geval waarin de betrokkene gaat wonen in een land
waarmee Nederland een handhavingsverdrag heeft gesloten. In dat geval
kan recht op heropening van de uitkering bestaan vanaf het moment dat
betrokkene in dat land is gaan wonen. Feitelijk kan deze situatie zich
alleen voordoen als betrokkene vanuit een niet-verdragsland verhuist
naar een verdragsland. Indien hij namelijk vanuit Nederland naar een
verdragsland verhuist, heeft dit geen gevolgen voor het recht op
uitkering.
De Wijzigingswet BEU zou echter zo gelezen
kunnen worden dat voor de betrokkene die gaat wonen in een land waarmee
Nederland een handhavingsverdrag heeft gesloten, recht op heropening van
de uitkering kan bestaan vanaf het moment dat het handhavingsverdrag in
werking is getreden. Er zou dan recht op heropening van de uitkering
kunnen bestaan vanaf een eerder tijdstip dan dat waarop de betrokkene in
dat land woont. Peildatum voor heropening van het recht op uitkering
moet in dit geval niet het moment waarop het verdrag tot stand is
gekomen zijn, maar het moment waarop de betrokkene in dat land woont. In
het onderhavige wetsvoorstel is de formulering van de desbetreffende
bepalingen hieraan aangepast.
1.4.
Vierde wijziging: redactionele wijziging
(De artikelen 7b,
vierde lid, onderdeel b, van de AKW, 32a,
vijfde lid, onderdeel b, van de Anw, 8a,
vierde lid, onderdeel b, en 9a, derde lid,
onderdeel b, van de AOW, 7a,
vijfde lid, onderdeel b, van de
WAZ, 20, vijfde
lid, onderdeel b, van de WAO en 19a,
vierde lid, onderdeel b, van de ZW)
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet BEU
is in de diverse (artikelen in de) materiewetten de uitdrukking
opgenomen: op de Nederlandse Antillen en Aruba. Het voorzetsel "op"
verwijst naar het feit dat de Nederlandse Antillen en Aruba in
geografische zin eilanden zijn. Beoogd is evenwel de Nederlandse
Antillen en Aruba in staatkundige zin aan te duiden. In dat verband is
het juister om het voorzetsel "in" te gebruiken. Het
voorgestelde strekt daartoe. Als gevolg hiervan zijn de desbetreffende
artikelen in de AKW, de Anw, de
AOW, de WAO, de WAZ en de
ZW gewijzigd.
1.5.
Vijfde wijziging: wijziging bekendmakingsbepaling landenlijst
(De artikelen 7b, zesde lid, van
de AKW, 32a, zevende lid, van de Anw,
8a, zesde lid, van de AOW, 7a, zevende lid, van de
WAZ, 20, zevende lid, van de
WAO en 19a, zesde lid, van de
ZW)
De huidige redactie van het te wijzigen artikellid verplicht de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bekend te maken in welke landen
recht op een uitkering bestaat op grond van een verdrag of een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie (lees voor het laatste:
Verordening (EEG) 1408/71). Sinds de totstandkoming van de Wet
BEU wordt daartoe gemiddeld eenmaal per jaar een bekendmaking
geplaatst in de Staatscourant. Tevens geeft de minister daarmee
impliciet aan hoe de onderhandelingen inzake het afsluiten van
bilaterale socialezekerheids- c.q. handhavingsverdragen vordert.
Ter vergroting van de kenbaarheid van het recht
op een uitkering is het wenselijk bij die bekendmaking tevens de
vindplaats van het verdrag in het Tractatenblad te vermelden. In
incidentele gevallen kan het tevens wenselijk zijn dieper in te gaan op
de eventueel in het desbetreffende verdrag aangebrachte beperkingen. Bij
deze beperkingen kan men denken aan - de in incidentele gevallen
aanwezige - beperkingen ten aanzien van de kring van personen die
recht hebben op een uitkering. De voorgestelde rblz.|7|
wijzigingen voorzien in
een wettelijke grondslag voor zowel het opnemen in de bekendmaking van
de vindplaats van het verdrag als van aanwezige beperkingen. Tevens is
bij de redactie van de desbetreffende artikelleden aandacht geschonken
aan het advies van de Raad van State van 17 februari 2003, nr.
W12.02.0521/IV, inzake het voorstel van wet tot wijziging van een aantal
socialeverzekeringswetten (Verzamelwet sociale verzekeringen
2003,
Kamerstukken II 2002-2003, ... [28 978, red.]). Als gevolg hiervan is overal daar waar
voorheen sprake was van de term "bekendmaken" en "bekendmaking"
dit vervangen door de term "mededelen" en "mededeling".
1.6.
Zesde wijziging: wijziging koppelingswetbepaling
(Artikel 15a,
tweede lid, van de TW)
Artikel 15a, tweede lid,
van de Toeslagenwet bepaalt dat de uitbetaling van de
toeslag wordt hervat bij vertrek uit Nederland indien de uitkering is
beëindigd als gevolg van onrechtmatig verblijf in Nederland. De
bepaling is abusievelijk niet geschrapt bij het invoeren van het
exportverbod in de Toeslagenwet. Van deze gelegenheid wordt gebruik
gemaakt dit alsnog te doen.
Artikelsgewijs
Artikel
I. (AKW)
Zie voor een toelichting op dit artikel de toelichting zoals die is
opgenomen in het algemene deel in de paragrafen 1.2,
1.4 en 1.5.
Artikel
II (Anw), onderdeel A
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen
1.3, 1.4 en 1.5.
Artikel
II (Anw), onderdeel B
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen 1.2 en
1.3.
Artikel
II. (Anw), onderdeel C, artikel III (AOW), onderdeel
C, artikel V
(WAO), onderdeel D en artikel VI (WAZ), onderdeel D
Deze artikelen regelen de verlenging van de overgangsbepaling in de Anw,
de AOW, de WAO en de WAZ
(zie paragraaf 1.1 van het algemene deel van de
toelichting). In de Wet beperking export uitkeringen zijn per wet
overgangsbepalingen opgenomen, waardoor voor de persoon die op de dag
voorafgaande aan de inwerkingtreding van die wet
(dat wil zeggen 31 december
1999) gedurende drie jaar na inwerkingtreding geen toepassing wordt
gegeven aan de exportbepalingen. Dit betekent dat pas vanaf1 januari
2003 voor die personen getoetst wordt of het recht op uitkering bestaat
op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie. Bestaat dat recht niet, omdat er geen verdrag is of omdat
het verdrag geen bepalingen bevat voor die specifieke uitkering, dan
wordt de uitkering met ingang van 1 januari 2003 beëindigd. Vanaf 1
januari 2003 worden alle uitkeringsrechten getoetst aan het bestaan van
of de inhoud van een verdrag. De overgangsbepalingen in de Wet
BEU zijn uitgewerkt. Voor 36 landen met name genoemd in dit
wetsvoorstel wordt de datum van 1 januari 2003 verschoven naar 1
januari 2004.
In de aangeduide onderdelen wordt in de Anw,
AOW, WAO en WAZ de verlenging van de overgangstermijn geregeld. De
bepalingen zijn in die wetten zelf opgenomen vanwege de kenbaarheid. De
verlenging houdt in rblz.|8|
dat de exportbepalingen voor de persoon die al op
31 december 1999 een uitkering had en die in één van de genoemde
landen woont nog tot 1 januari 2004 buiten toepassing blijven. Het
uitkeringsrecht van die personen loopt door tot 1 januari 2004 en er
wordt tot die tijd niet getoetst aan het bestaan of de inhoud van een
verdrag.
Door de bepaling dat de artikelen 68
van de Anw, 62 van de
AOW, 91b van de
WAO en 102a van de
WAZ vervallen met ingang van 1 januari 2004
wordt aangegeven dat vanaf dat moment geen overgangsrecht meer geldt en
de exportbepalingen onverkort van toepassing zijn. Deze bepaling is
vermeld in het slotlid van genoemde artikelen.
Artikel
III (AOW), onderdeel A
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen
1.3, 1.4 en 1.5.
Artikel
III (AOW), onderdeel B
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen
1.2, 1.4 en 1.5.
Artikel
IV. (ZW)
Zie voor een toelichting op dit artikel de toelichting zoals die is
opgenomen in het algemene deel in de paragrafen 1.3,
1.4 en 1.5.
Artikel
V (WAO), onderdeel A
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen
1.3, 1.4 en 1.5.
Artikel
V (WAO), onderdeel B
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in paragraaf 1.2.
Artikel
V (WAO), onderdeel C
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in paragraaf 1.2.
Artikel
VI (WAZ), onderdeel A
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen
1.2, 1.3, 1.4 en 1.5.
Artikel
VI (WAZ), onderdeel B
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in paragraaf 1.2.
Artikel
VI (WAZ), onderdeel C
Zie voor een toelichting op dit artikelonderdeel de toelichting zoals
die is opgenomen in het algemene deel in de paragrafen 1.2 en
1.3.
Artikel
VII (TW), onderdeel A
Zie voor een toelichting op dit artikel de toelichting zoals die is
opgenomen in het algemene deel in paragraaf 1.2.
rblz.|9|
Artikel
VII (TW), onderdeel B
Zie voor een toelichting op dit artikel de toelichting zoals die is
opgenomen in het algemene deel in paragraaf 1.6.
Artikel
VIII. (Inwerkingtredingsbepaling)
Bij het treffen van het inwerkingtredingsbesluit zal rekening worden
gehouden met de Tijdelijke referendumwet.
Aan de artikelonderdelen aangaande het
verlengen van het overgangsrecht inzake de Wet BEU
wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2003. Aangezien
het hier een voor de uitkeringsgerechtigde begunstigende regeling
betreft en de Sociale verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bij de uitvoering van de desbetreffende
socialeverzekeringswetten reeds rekening houden met deze terugwerkende
kracht behoeft dit artikel geen nadere toelichting.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
|
|