|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2002-2003, 28 978
Wijziging
van een aantal socialeverzekeringswetten
(Verzamelwet
sociale verzekeringen 2003)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
|
xArtikelsgewijs |
| 2.1 |
Inleiding |
| 2.2 |
Wijziging in verband
met een wijziging van de (voormalige) Vreemdelingenwet (inmiddels de
Vreemdelingenwet 2000) (de artikelen 53, eerste lid, aanhef, van de WW,
71, eerste lid, van de WAZ, 81, tweede lid, aanhef, van de WAO en
64,
tweede lid, aanhef, van de ZW) |
| 2.3 |
Overige
artikelsgewijze toelichtingen |
| xxx |
Artikelen
I t/m XXVII |
Algemeen
Met
dit wetsvoorstel worden in diverse
socialeverzekeringswetten
verbeteringen aangebracht. Het betreft onder meer taalkundige
verbeteringen, correcties van onjuiste verwijzingen, alsmede het laten
vervallen van artikelleden of onderdelen daarvan die als gevolg van
eerdere wetswijzigingen overbodig zijn geworden.
De voorgestelde technische wijzigingen worden nader toegelicht
in het artikelsgewijze gedeelte van deze memorie. Naast deze
verbeteringen worden ook enkele beleidsinhoudelijke voorstellen gedaan, die
kort in het navolgende worden toegelicht. Voor een meer uitvoerige
toelichting op deze voorstellen wordt verwezen naar het
artikelsgewijze gedeelte van deze memorie. Deze wijzigingen zijn te kenschetsen als
"klein beleid" nu het hier niet om majeure beleidswijzigingen gaat.
Om redenen van "wetgevingseconomie" heeft de regering dan ook besloten
de voorgestelde wijzigingen niet in meerdere separate wetsvoorstellen
aan het parlement aan te bieden, maar samen te voegen tot één
wetsvoorstel.
Wat betreft de
Algemene
Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet
(Anw) en
de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt voorgesteld wijzigingen
op te nemen om op een aantal punten reeds bestaande beleidsregels
van de Sociale verzekeringsbank (SVB) om te zetten in wetgeving.
Naar aanleiding van
enkele recente wijzigingen van de Pensioen-
en spaarfondsenwet (PSW) is
nagegaan in hoeverre deze wijzigingen consequenties zouden moeten hebben voor
een aantal bepalingen in de PSW die verband houden met
het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer op de
pensioenuitvoerders. In dit wetsvoorstel wordt alsnog geregeld of het aanwijzingsrecht
van de minister moet gelden en voor welke overtredingen een
dwangsom en/of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Tevens worden enkele
correcties voorgesteld in de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) en in de Wet
betreffende verplichte
deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet Bpr). Door middel van een
algemene maatregel van bestuur zullen voorts rblz.|2|
nog enkele noodzakelijke
aanpassingen worden geëffectueerd van de bij de PSW, de Wet Bpf 2000 en
de Wet Bpr behorende bijlagen inzake de boetes, met daarin de indeling
van overtredingen in tariefnummers.
Met
dit wetsvoorstel ¹ wordt bovendien gerealiseerd dat ook voor pensioenaanspraken die vóór
1 januari 2002 zijn opgebouwd sekseneutrale uitruil mogelijk is. Tevens
wordt verduidelijkt wat de consequenties zijn bij premievrije
voortzetting. Tot slot wordt een omissie hersteld die betrekking heeft op
de datum waarop de afkoop van kleine pensioenen sekseneutraal moet
gebeuren. Als gevolg van de voorgestelde wijziging hoeft dit pas te
gebeuren per 2005, in plaats van 1 januari 2002. Voorgesteld wordt
voorts om de Ziektewet (ZW) zodanig te wijzigen dat
artikel 29b van deze
wet - waarin geregeld is dat de arbeidsgehandicapte die binnen vijf
jaar na aanvang van zijn dienstbetrekking ziek wordt in aanmerking komt
voor een ZW-uitkering - ook van toepassing is op personen die
voorafgaande aan die dienstbetrekking werkzaam waren in een
dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw).
Hierdoor wordt de arbeidsmarktpositie van Wsw-ers versterkt.
1. Door middel van een
wijziging van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze
voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke
behandeling van mannen en vrouwen) (Stb. 200, 625).
In de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt een wijziging voorgesteld
die verband houdt met de Wet verbetering
poortwachter. Evenals de
werkgever dient, op grond van de voorgestelde wijziging, ook het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) het plan van aanpak
- dat in overeenstemming met de zieke "ZW-vangnetwerknemer" is
opgesteld - periodiek te evalueren. Daarnaast zijn de bepalingen over
de verplichtingen die aan uitkeringsgerechtigden kunnen worden opgelegd,
aangepast aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever en het
UWV, zoals die met de totstandkoming van de Wet SUWI in de
socialeverzekeringswetten is opgenomen.
Voorgesteld wordt voorts
om in de WAO te regelen dat een Wsw-bedrijf geen eigenrisicodrager voor
de WAO kan worden. Over het loon uit een Wsw-dienstbetrekking wordt geen
gedifferentieerde WAO-premie geheven, maar een vervangende premie ter
hoogte van de rekenpremie. Een Wsw-bedrijf (in feite een bedrijf waarop
werknemers op dienstbetrekking met de gemeente werkzaam zijn) kan
derhalve voor de werknemer met een Wsw-dienstbetrekking het premierisico
niet beïnvloeden.
Ook worden wijzigingen
voorgesteld in de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ). Ten aanzien van de situatie waarin tegelijkertijd WAZ- en WAO-verzekerde werkzaamheden worden verricht, wordt de wijze waarop de
grondslag van de WAZ-uitkering wordt bepaald, verduidelijkt. Daarnaast
worden anticumulatieregelingen getroffen voor verschillende situaties
waarin de WAZ-uitkering samenloopt met een WAO-uitkering. In deze
gevallen wordt de WAZ-uitkering uitbetaald voor zover deze de
WAO-uitkering overtreft.
Voorgesteld wordt voorts
om in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) een dienstbetrekking ingevolge de Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw) van bepaalde jongeren gelijk te stellen met een
dienstbetrekking ingevolge de Wsw. Evenals thans reeds geldt voor de
Wsw, kan de betrokkene hierdoor na drie jaar niet worden (af)geschat op
deze werkzaamheden, maar kan de anticumulatie (van de inkomsten met de
uitkering) voor die jongeren ook nog na die drie jaar worden toegepast.
Tevens wordt een
wijziging voorgesteld in de Werkloosheidswet (WW). Voorgesteld wordt om
het ontvangen van een uitkering op grond van de WAZ en de Wajong niet
langer aan te merken als uitsluitingsgrond voor het ontvangen van een
WW-uitkering. Anders dan destijds (tot 1 januari rblz.|3|
1998) gold voor het
ontvangen van een uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), vloeit het ontvangen van een WAZ- of Wajong-uitkering namelijk niet voort uit het werken in dienstbetrekking.
Ook in de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) worden enkele wijzigingen
voorgesteld. Wanneer iemand met terugwerkende kracht als
arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt, blijft deze vaststelling gelden
gedurende vijf jaar na de datum van ingang van de arbeidshandicap en
niet na de datum van vaststelling. De Wet Rea
wordt op dit punt
verduidelijkt. Daarnaast wordt voorgesteld de regeling om loonsuppletie
toe te kennen te verduidelijken. Verduidelijkt wordt dat het voor de
toekenning van loonsuppletie niet noodzakelijk is dat het moment waarop
de aangepaste arbeid wordt aanvaard, gelegen is na het moment van de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Verder wordt een aantal
wijzigingen voorgesteld van het Belastingplan
2002 V - Socialezekerheidswetgeving.¹ Na de
inwerkingtreding van deze wet per 1 januari 2002 is
gebleken dat deze
wet verduidelijking behoeft op een aantal punten. Tevens zijn enkele
uitvoeringstechnische problemen naar voren gekomen. Om deze reden worden
in dit wetvoorstel enkele technische en redactionele wijzigingen van het
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving voorgesteld. Onder meer wordt voorgesteld om de
administratieve lasten voor het UWV en voor werkgevers te verminderen,
door middel van een aanpassing van de regeling met betrekking tot de
premiekorting voor werkgevers van oudere werknemers.² Voorts wordt nog
verduidelijkt hoe het wettelijk minimumloon wordt bepaald bij de
premiekorting. Tevens is alsnog voorzien in de mogelijkheid een verzoek
tot premiekorting niet in behandeling te nemen bij het te laat aanvragen
van subsidies. Tot slot is er overgangsrecht getroffen voor het
aanvragen van subsidies die met ingang van 1 januari 2002 zijn
vervallen.
1. De Wet van 14 december
2001 tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten
(Belastingplan
2002 V - Socialezekerheidswetgeving), Stb. 2001, 644.
2. Artikel 79a WAO.
Tot slot wordt een aantal
wijzigingen voorgesteld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen (Wet SUWI).
In het belang van het
verminderen van lasten voor werkgevers is de gegevensverstrekking door
het UWV aan verzekeraars nader geregeld. Daarbij is aangesloten bij de
regeling die geldt voor het verstrekken van gegevens aan
pensioenfondsen en bij CAO opgerichte instellingen. Daarnaast is een
aantal technische en redactionele correcties aangebracht in de Wet SUWI
en de
Invoeringswet Wet uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Invoeringswet SUWI), alsmede een daaruit voortvloeiende aanvulling van
de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht. Voorts worden enkele
aanpassingen van (ondergeschikte) inhoudelijke aard voorgesteld. De
voorgestelde wijzigingen hangen nauw samen met reeds ten aanzien van een
aantal socialeverzekeringswetten voorgestelde aanpassingen.
Ter zake van het
concept-wetsvoorstel is uitvoeringstechnisch commentaar gevraagd aan de SVB, de Pensioen- en Verzekeringskamer en het UWV. Aan de
Inspectie Werk
en Inkomen (IWI) is verzocht commentaar te leveren met betrekking tot de
toezichtbaarheidsaspecten van het concept-wetsvoorstel. Deze organisaties
hebben het gevraagde commentaar geleverd. Deze commentaren kunnen als
volgt worden samengevat.
De IWI heeft aangegeven
geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen met betrekking tot
de toezichtbaarheid. Ook de SVB voorziet geen uitvoeringstechnische
problemen ten aanzien van de in het concept-voorstel voorgestelde
wijzigingen. Het commentaar van de Pensioen- en Verzekeringskamer is
voornamelijk van wettechnische aard, hetgeen heeft geleid tot enkele
aanpassingen van het voorstel. Het commentaar van het UWV heeft
betrekking op de uitvoeringstechnische gevolgen van de voorgestelde
wijzigingen. Daarnaast heeft het UWV erop gewezen dat er naar rblz.|4|
zijn
oordeel een aantal
wijzigingen ontbreekt. Naar aanleiding van dit commentaar van het UWV zijn wettekst en memorie op enkele punten aangepast.
Gezien de aard van de
wijzigingen brengt het wetsvoorstel geen (substantiële) financiële
gevolgen met zich mee.
Artikelsgewijs
2.1. Inleiding
In het hierna
volgende
worden per materiewet de gewijzigde artikelen nader toegelicht. In één
geval wordt een aantal materiewetten op eenzelfde wijze gewijzigd. De
toelichting daarop staat vermeld in paragraaf 2.2, waarnaar in
voorkomende gevallen wordt verwezen. Volledigheidshalve wordt erop
gewezen dat een toelichting achterwege blijft bij die onderdelen van
artikelen tot wijziging van de verschillende materiewetten die strekken
tot correctie van onjuiste verwijzingen, onjuiste benamingen of fouten
in de schrijfwijze of interpuncties in artikelen van die wetten.
2.2. Wijziging in verband
met een wijziging van de (voormalige) Vreemdelingenwet (inmiddels de Vreemdelingenwet
2000) (de artikelen 53, eerste lid, aanhef, van de
WW, 71, eerste lid, van de
WAZ, 81, tweede lid, aanhef, van de
WAO en 64,
tweede lid, aanhef, van de ZW)
Bij de inwerkingtreding
van de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en
enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens
bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen,
ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van
de vreemdeling in Nederland (Stb. 1998, 203) zijn ook de WW,
WAZ, WAO en de ZW gewijzigd (bij de
Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen). Eén van de wijzigingen is de
invoeging in ieder van de genoemde wetten van het huidige artikel 3,
derde lid. Per abuis is echter vergeten de verwijzing naar dit artikel
in bovengenoemde artikelen aan te passen.
2.3. Overige
artikelsgewijze toelichtingen
Artikel
I. Wijziging van
de AKW
Onderdeel A (artikel
7,
achtste lid, van de AKW)
Voor een kind van 16 of
17 jaar bestaat recht op kinderbijslag als dit kind werkloos is. Op
grond van jurisprudentie (zie uitspraken in RSV 1988/29 en 1991/68 [RSV:
Rechtspraak Sociale Verzekering (maandblad), red.])
dient voor het begrip werkloosheid aangesloten te worden bij de WW. In
die wet is er pas sprake van werkloosheid indien in casu het kind
feitelijk beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Dit zou inhouden dat
indien een kind dat op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c,
kinderbijslag ontvangt en vervolgens ziek wordt, niet langer voor
kinderbijslag in aanmerking zou komen, aangezien het niet beschikbaar is
voor de arbeidsmarkt. De regering acht deze interpretatie van de wet
voor de toepassing van de AKW niet juist aangezien het hier gaat om een
uitkering aan de ouders/verzorgers van het kind als tegemoetkoming in de
onderhoudskosten voor dit kind. Er wordt dan ook aansluiting gezocht bij
het bestaande beleid, zoals dit door de SVB wordt gevoerd. Als gevolg
hiervan heeft artikel 7, achtste lid, naast een aanpassing van
redactionele aard ook een wijziging ondergaan. Het recht op
kinderbijslag blijft in het voorgestelde voortduren indien de
onderbreking van de werkloosheid als rblz.|5|
gevolg van ziekte niet langer dan
zes maanden duurt, mits uiteraard aan de overige voorwaarden voor
kinderbijslag wordt voldaan.
Onderdeel B (artikel 15
van de AKW)
Met de
Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid is per 1 augustus
1996 een stelsel van administratieve sancties en regels tot
terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering
daarvan in de socialezekerheidswetgeving neergelegd.
Voor die gevallen waarin
een belanghebbende zijn rechtsplicht tot het verstrekken van
inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of
de hoogte daarvan niet of niet behoorlijk is nagekomen, is de boete
geïntroduceerd.
Verder is met deze wet de
tot dan bestaande bevoegdheid van de uitvoeringsorganen tot sanctioneren
omgezet in een verplichting.
De verplichting tot het
tijdig verstrekken van inlichtingen is in de AKW
neergelegd in artikel 15. Eén van de omstandigheden die het recht op
kinderbijslag kunnen
beïnvloeden, is het gaan ontvangen van studiefinanciering. In artikel 7a
van de AKW is geregeld dat een verzekerde geen recht op kinderbijslag
voor een kind heeft indien dat kind recht heeft op studiefinanciering.
Als een kind derhalve recht krijgt op studiefinanciering, is de
verzekerde op grond van artikel 15 verplicht dit te melden aan de
Sociale verzekeringsbank (SVB). Doet hij dit niet, dan zal de SVB - naast het stopzetten van de uitbetaling van kinderbijslag
- betrokkene
op grond van artikel 17a van de AKW
een boete opleggen, dan wel een
schriftelijke waarschuwing geven.
Sinds enige tijd evenwel
kan de SVB beschikken over elektronische gegevens van de Informatie
Beheer Groep (IBG) met betrekking tot het volgen van onderwijs door 16-
en 17-jarige kinderen en het door hen ontvangen van studiefinanciering.
De verplichting voor de verzekerde om het recht op studiefinanciering
van een kind tijdig aan de SVB te melden, is hiermee in een ander
daglicht komen te staan.
De bestanden van de IBG
zijn namelijk dermate betrouwbaar dat vergelijking met een door de
verzekerde gedane melding over het ontvangen van studiefinanciering
overbodig en dus inefficiënt is geworden.
Daarbij komt dat in die
gevallen waarin de verzekerde nalaat tijdig te melden dat aan zijn kind
studiefinanciering is toegekend, de SVB een waarschuwing moet geven of
een boete moet opleggen. Dit terwijl de SVB reeds van dit feit in
kennis is gesteld door de IBG. Sanctionering in een dergelijke situatie
streeft zijn doel (namelijk optreden tegen onregelmatigheden en een
preventieve werking) voorbij.
Om die reden voorziet dit
wetsvoorstel in een uitzondering op de meldingsplicht van artikel
15
voor de situatie waarin een kind recht krijgt op studiefinanciering en
dit feit door de IBG wordt gemeld. Hierdoor hoeft de SVB ook geen boete
op te leggen of waarschuwing te geven als dit feit niet door verzekerde
aan de SVB wordt gemeld. Het gaat in totaal om de meldingsplicht met
betrekking tot ruim 8000 kinderen. De SVB boekt hiermee een
efficiencywinst van naar schatting €|165 000,- (overeenkomend met een
vrijkomende capaciteit van 5 fte) die op andere werkterreinen kan worden
ingezet.
Onderdeel C (artikel 21a
van de AKW)
Overeenkomstig staand
beleid zoals dit vorm is gegeven door de SVB wordt met dit artikel aan
de voorschotverstrekking thans, gelijk aan de andere socialeverzekeringswetten, een wettelijke basis gegeven. Voorschotten
(door de uitvoering ook wel terugvorderbare voorschotten genoemd) worden
in de praktijk verstrekt, indien:
- eigen kinderen in het
huishouden van vluchtelingen in Nederland waarvan de vluchteling nog
niet met de vereiste brondocumenten rblz.|6|
heeft kunnen aantonen dat het een
eigen kind betreft. In afwachting van deze brondocumenten of een bij de
gemeente afgelegde zogeheten "beëdigde eigen
verklaring" verleent de
SVB een voorschot.
- internationale samenloop: als het recht op kinderbijslag
wel vaststaat, maar de verdeling tussen de
lidstaten c.q. de aanvulling door Nederland nog niet vaststaat.
De beslissing om een
voorschot te verlenen, is een beschikking in de zin van artikel 1:3 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het tweede lid is bepaald dat
een voorschot wordt beschouwd als kinderbijslag. Hierdoor zijn onder
meer ook de bepalingen ten aanzien van verrekening en terugvordering van
toepassing.
Onderdeel D (artikel 37
van de AKW)
Dit is een technische
wijziging. Artikel 37 kan vervallen, omdat het daarin bepaalde (opsporing
van strafbare feiten) thans is geregeld in artikel 85 van de
Wet SUWI.
Artikel
II. Wijziging van
de Anw
Onderdeel A (artikel
4,
onderdeel b, van de Anw)
Artikel 4 van de
Anw regelt de situatie dat onder de nabestaande mede verstaan kan worden de
gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde ten behoeve van wie
(naast andere voorwaarden) een alimentatieverplichting bestond. Die
alimentatieverplichting kan worden aangetoond middels overlegging van
een overeenkomst die vastgelegd is in een akte die mede ondertekend is
door een advocaat. Gebleken is echter dat een advocaat een dergelijke
overeenkomst tussen beide partijen zelden ondertekent, aangezien de
advocaat zelf geen partij is bij de overeenkomst. De SVB
accepteert voor
de vaststelling van een alimentatieverplichting een overeenkomst indien
aannemelijk wordt gemaakt dat de advocaat bij de totstandkoming hiervan,
in het kader van de scheiding, betrokken is geweest. Die betrokkenheid
kan door de gewezen echtgenoot aannemelijk worden gemaakt doordat dit
blijkt uit door advocaten ondertekende stukken waarin het recht op
alimentatie ter gelegenheid van de echtscheiding is opgenomen. Tevens
dient uit die stukken naar voren te komen dat de omvang en de duur van
de alimentatieverplichting, neergelegd in het echtscheidingsconvenant,
overeenstemmen met hetgeen daarover in de voorafgaande onderhandelingen
tussen de betrokken advocaten is overeengekomen. Deze praktijk van de
SVB is vastgelegd in een beleidsregel. Onderdeel b van artikel
4 van
de Anw wordt conform deze beleidsregel van de SVB, met het voorgestelde,
gewijzigd. Langs deze wijze wordt nu meer recht gedaan aan hetgeen met
de huidige bepaling is beoogd.
Onderdeel B (artikel
18,
tweede lid, onderdeel a, van de Anw)
Dit betreft een
technische wijziging. Op grond van artikel 3 van het Besluit van 23
december 1999 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 2000 en de
overhevelingstoeslag 2001 (Stb. 1999, 599) is de Wet overhevelingstoeslag
opslagpremies met ingang van 1 januari 2001 vervallen. Verwijzingen
naar die wet en naar de overhevelingstoeslag kunnen derhalve ook (met
terugwerkende kracht tot en met die datum) vervallen.
Onderdeel E (artikel 48
van de Anw)
Bij de
Wet van 13
december 2000, houdende wijziging van de Wet van 22 december 1994 tot
nadere wijziging van de AKW, de ZW
en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1994, 957) in verband met de verhoging van de
kinderbijslag met ingang van 1 januari 2000 alsmede wijziging van een aantal andere
wetten (Stb. 2000, 593), rblz.|7|
wordt artikel 48 met ingang van 1 januari 2002
gewijzigd. Het tweede en derde lid van dit artikel komen bij die
wijziging te vervallen. Abusievelijk is de aanduiding van het eerste lid
blijven staan. Dit kan, aangezien het artikel dan slechts uit één lid
meer bestaat, uiteraard komen te vervallen.
Onderdeel G (artikel 72
van de Anw)
Artikel 72 bevat een
verwijzing naar artikel 68, dat echter vervallen is met de
inwerkingtreding van de Veegwet SZW 1999 (Stb. 1999, 564). Omdat artikel
72 geen nadere bepalingen bevat, kan het eveneens vervallen.
Onderdeel H (artikel
103,
vierde lid, van de Anw)
Dit betreft een
technische wijziging. Op grond van artikel 3 van het Besluit van 23
december 1999 tot vaststelling van de overhevelingstoeslag 2000 en de
overhevelingstoeslag 2001 (Stb. 1999, 599) is de Wet aanpassing
uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies met ingang van 1 januari
2001 vervallen. Verwijzingen naar die wet kunnen derhalve ook (met
terugwerkende kracht tot en met die datum) vervallen.
Onderdeel I (artikel 106
van de Anw)
De wijziging betreft een
aanpassing van de slotbepaling op het punt van de wettelijke grondslag
voor de lagere regelgeving, die voorheen getroffen was op grond van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet. Het huidige artikel 106 rept nog over
besluiten en regelingen die inmiddels zijn vervangen door recentere
besluiten. Een redactionele aanpassing is derhalve op zijn plaats:
- het Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen is inmiddels vervangen
door het gelijknamige besluit van 1999;
- tevens is inmiddels een
nieuw Besluit vrijwillige verzekering AOW en
Anw 2001 getroffen;
-
de regeling met als
wettelijke grondslag het huidige artikel 48 van de
Anw
(betaalbaarstelling door andere organen) komt geheel te vervallen met
ingang van 1 januari 2002, aangezien dat artikel met ingang van die
datum geen delegatiebevoegdheid meer kent;
- de bestaande Regeling
uitbetaling vakantie-uitkering is op grond van artikel
50, tweede lid,
van de Anw
vastgesteld na de inwerkingtreding van de Anw
(daarbij is de
voorheen - middels het overgangsrecht op artikel
50, tweede lid, gebaseerde - bestaande regeling ingetrokken).
Blijft slechts over de
regeling "Regelen vermoedelijk overlijden ex artikel 4 Algemene
Weduwen- en Wezenwet" van 13 juli 1959 op grond van artikel 8 van de
Anw
[zie Regeling vermoedelijk overlijden, red.].
Artikel
III. Wijziging
van de AOW
Onderdeel A (artikel
10,
derde lid, van de AOW)
Dit onderdeel betreft een
technische aanpassing. In artikel 10, derde lid, wordt abusievelijk nog
verwezen naar artikel 72. Dit artikel is bij de
Wet van 30 juni 1994, Stb. 1994, 496 vervallen. De verwijzing in artikel 10, derde lid, wordt
derhalve hierop aangepast.
Onderdeel B (artikel 21
van de AOW)
Overeenkomstig staand
beleid zoals dit vorm is gegeven door de SVB wordt met dit artikel aan
de voorschotverstrekking thans, gelijk aan de andere
socialeverzekeringswetten, een wettelijke basis gegeven. De beslissing om
een voorschot te verlenen, is een beschikking in de zin van artikel 1:3
rblz.|8|
van de Awb. In het tweede lid is bepaald dat een voorschot wordt
beschouwd als een uitkering in de zin van de AOW. Hierdoor zijn onder
meer ook de bepalingen ten aanzien van verrekening en terugvordering van
toepassing.
Onderdeel C (artikel
29,
eerste, tweede en zevende lid, van de AOW)
In de
koppelingssystematiek van het gehuwdenpensioen AOW
met toeslag wordt ten
aanzien van de vakantie-uitkering een andere systematiek gehanteerd dan
voor het maandelijkse gehuwdenpensioen. Het gehuwdenpensioen wordt
vastgesteld door nettokoppeling op grond van 50% van het nettominimumloon, waarna brutering plaatsvindt. De toeslag is gelijk aan
het brutogehuwdenpensioen.
Omdat er niet gesproken
wordt over vakantie-uitkering over de toeslag, maar over
gehuwdenpensioen plus de toeslag, vindt hier een afwijkende
koppelingssystematiek plaats.
Voor de
vakantie-uitkering over het gehuwdenpensioen met de toeslag geldt
namelijk in tegenstelling tot het maandelijkse gehuwdenpensioen met
toeslag een nettokoppeling aan het minimumloon. Indien de
nettovakantie-uitkering van het minimumloon op een oneven bedrag (in centen) uitkomt,
heeft dit tot gevolg dat er een verschil ontstaat tussen de
vakantie-uitkering voor AOW-gehuwdenpensioen met volledige toeslag en
tweemaal de vakantie-uitkering voor het individuele gehuwdenpensioen.
Weliswaar bedraagt dit verschil nooit meer dan 1 cent, maar levert in
die gevallen wel uitvoeringstechnische complicaties op.
In navolging van de brutokoppeling van de AOW-toeslag aan de
brutomaanduitkering van het
AOW-gehuwdenpensioen is in dit wetsvoorstel voor de vaststelling van de
vakantie-uitkering gekozen voor dezelfde systematiek als die behorende
bij het AOW-gehuwdenpensioen met een volledige toeslag. Voor betrokkenen
levert dit ten opzichte van de huidige situatie eens in de paar jaar
gedurende een halfjaar 1 cent meer vakantie-uitkering per maand op.
In het zevende lid is een
vernummering als gevolg van de Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting
2001 (Aanpassingswet Wet IB 2001) doorgevoerd.
Onderdeel D (artikel
30,
eerste en derde lid, van de AOW)
Als gevolg van een
vernummering in de leden van artikel 29 van de
AOW, die heeft
plaatsgevonden bij de Aanpassingswet Wet IB 2001, behoeft een tweetal
verwijzingen in artikel 30 naar dat artikel nog aanpassing. Dit
onderdeel voorziet daarin.
Artikel
IV. Wijziging van
de Wet financiering volksverzekeringen
Onderdeel A
(artikel 39,
eerste lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen)
De wijziging in dit
artikellid betreft slechts het herstel van een technische omissie,
begaan als gevolg van het gelijktijdig inwerken van verschillende
wijzigingen op dit artikellid door een tweetal wetten (de Veegwet
Wet inkomstenbelasting 2001 en de - inwerkingtreding van een artikel van
de - Overgangswet verzorgingshuizen) met ingang van 1 januari 2001.
Onderdeel B
(artikel 52,
derde lid, van de Wet financiering
volksverzekeringen)
Dit artikellid kan
vervallen omdat het verwijst naar een aantal inmiddels vervallen
artikelen in de Algemene Ouderdomswet.
rblz.|9|
Artikel
V. Wijziging van
de PSW
Onderdeel A (artikel 4,
vierde en vijfde lid, van de PSW)
Artikel 4, vierde lid,
van de PSW
Bij de invoering van de
Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf
2000) per 1 januari 2001 is ten onrechte het woord "betreffende"
blijven staan in de tekst van artikel 4, vierde lid.
Artikel 4, vijfde lid,
van de PSW
De statuten en
reglementen van pensioenfondsen moeten tevens bepalingen gaan inhouden
die beantwoorden aan de voorschriften van de artikelen 2c, 6a,
6b en 6c,
eerste lid en tiende lid, van de PSW. Deze aanpassing is ten onrechte
achterwege gebleven bij de invoering van artikel 2c (Stb. 2000, 625) en
de wijziging van de artikelen 6a, 6b en 6c (Stb. 2000, 256). Daarmee
wordt aangesloten bij de huidige praktijk waarbij het voor specifieke
bepalingen zinvol wordt geacht dat zij ook in de statuten en reglementen
worden neergelegd. Overigens moet hier, evenals bij de behandeling van
de Wet van 22 december 1999, houdende een wijziging van de PSW in verband
met toezicht, verbod op uitstelfinanciering en waardeoverdracht (Stb.
1999, 592), al is opgemerkt, op worden gewezen dat in het kader van de
nieuwe pensioenwet zal worden bezien of dergelijke overschrijfbepalingen
ook in de nieuwe pensioenwet moeten worden gehandhaafd (zie Kamerstukken
II 1998-1999, 26 415, nr. 6, blz. 22).
Onderdeel B (artikel 6a
van de PSW)
Bij de wijziging van de
PSW (Stb. 2000, 256) is verzuimd artikel 6e toe te voegen aan de
opsomming in artikel 6a, derde lid, van de PSW. Bovendien is aan artikel
6a een nieuw vijfde lid toegevoegd waarin aan de minister
de bevoegdheid
wordt toegekend om aan verenigingen vrijstelling te verlenen van de
elders in het artikel opgenomen representativiteitseisen. Een dergelijke
bepaling was eerder opgenomen in onderdeel III van de Wet van 25 mei
2000 tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet met betrekking
tot de medezeggenschap van gepensioneerde en de gelijkstelling in
pensioenregelingen van geregistreerde partners met gehuwden (Stb 2000,
256). Daarbij ging het echter om een tijdelijke bevoegdheid die van
kracht was tot 1 januari 2001. In het door de Stichting van de Arbeid en
het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties d.d. 28
februari 2003 gesloten convenant is verzocht deze bepaling opnieuw van
kracht te laten zijn gedurende de looptijd van dat convenant. In plaats
van opnieuw een tijdelijke bevoegdheid voor de minister te creëren om
vrijstellingen te verlenen, is thans gekozen voor een structurele basis
in de wet. Aan deze bepaling is terugwerkende kracht verleend tot de
datum van inwerkingtreding van het convenant (zie artikel
XXIX, onder 4)
Onderdeel C (artikel 6ca
van de PSW)
Dit artikel vloeit voort
uit het eerder genoemde convenant van de Stichting van de Arbeid en het
Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties. In dat convenant
is de wens van de partijen opgenomen om in bepaalde situaties ook
geledingen van de deelnemersraad de mogelijkheid te geven om beroep in
te stellen. Voor een dergelijke uitbreiding van het in artikel 6c
opgenomen beroepsrecht is een wijziging van de wet noodzakelijk. Dit
artikel 6ca strekt daartoe. De bepaling maakt het mogelijk voor een
geleding van de deelnemersraad om bij gehele of gedeeltelijke overdracht
van de verplichtingen van het pensioenfonds of de liquidatie van het
pensioenfonds beroep in te stellen bij de ondernemingskamer van rblz.|10|
het
gerechtshof te Amsterdam. Met een geleding van de deelnemersraad wordt
gedoeld op een bepaalde groep binnen de deelnemersraad, bijvoorbeeld de
vertegenwoordigers van de actieve deelnemers of de vertegenwoordigers
van de gepensioneerden. Dit heeft tot gevolg dat ook een minderheid
binnen de deelnemersraad, mits deze een bepaalde groep vertegenwoordigt,
in de genoemde situaties gebruik kan maken van het beroepsrecht.
Onderdeel D (artikel 20,
tweede lid, van de PSW)
Op grond van artikel 20
PSW kan de minister aan de Pensioen- & Verzekeringskamer een
aanwijzing geven met betrekking tot de in dit artikel genoemde
bepalingen. Deze bevoegdheid bestond al met betrekking tot artikel 6c,
maar doordat het klachtrecht van de deelnemersraad door de wijziging van
de PSW per 23 juni 2000 (Stb. 2000, 256) niet meer geregeld is in
artikel 6c, maar in artikel 6d, is de onderhavige wijziging
noodzakelijk. Dit betekent het schrappen van artikel 6c en het opnemen
van artikel 6d in de opsomming van artikel 20.
In verband met de
invoering van artikel 2b en 2c inzake het keuzerecht (voor
ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen) per 1 januari 2002
is het wenselijk dat het aanwijzingsrecht van de minister
ook met
betrekking tot deze artikelen wordt ingevoerd. Omdat bij het per 1
januari 2001 laten vervallen van het "oude" artikel 2b verzuimd is
artikel 2b uit de opsomming van artikel 20 te schrappen, staat artikel
2b nog steeds in artikel 20 vermeld en kan hier nu volstaan worden met
het opnemen van artikel 2c.
In verband met
implementatie van Richtlijn nr. 98/50/EG van de Raad van de Europese
Unie van 29 juni 1998 tot wijziging van de Richtlijn 77/187/EEG inzake
de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende
het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen,
vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen is artikel 3b
in de PSW
opgenomen bij Wet van 18 april 2002 (Stb. 2002, 215). Dat
artikel ziet op de situatie dat er sprake is van een overgang van een
onderneming en de vervreemdende onderneming geen pensioenregeling heeft,
maar de verkrijgende onderneming wel. In dat geval wordt de
pensioenregeling bij de verkrijger ook van toepassing op de overgaande
werknemers. In het kader van de implementatie van Richtlijn nr. 98/49/EG
van de Raad van de Europese Unie betreffende de bescherming van de
rechten van aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich
binnen de Gemeenschap verplaatsen, zijn de artikelen 32e tot en met
32h in de PSW
opgenomen bij Wet van 21 juni 2001 (Stb. 2001, 314). Deze
artikelen hebben betrekking op het behoud van opgebouwde aanspraken,
grensoverschrijdend betalingsverkeer, de voortzetting van de
pensioenregeling voor gedetacheerde werknemers en de informatie aan
deelnemers. Het is wenselijk dat het aanwijzingsrecht van de minister
zich ook tot deze bepalingen gaat uitstrekken. Omdat het bieden van een
aanwijzingsrecht aan de minister op grond van de richtlijnen niet
vereist is, staat de inwerkingtreding van deze wijziging los van de
implementatietermijn van deze richtlijnen.
Onderdeel E (artikel 23a,
eerste lid, van de PSW)
De wijzigingen in dit
onderdeel hebben betrekking op de artikelen waarvoor op grond van
artikel 23a PSW
bij overtreding een dwangsom kan worden opgelegd.
Voorgesteld wordt om artikel 2c op te nemen om de Pensioen- &
Verzekeringskamer de mogelijkheid te bieden om bij overtreding van het
eerste lid of van voorschriften in een op dit artikel gebaseerde
algemene maatregel van bestuur (zie tweede lid) een dwangsom rblz.|11|
op te
leggen. Het aanpassen van dit artikel is tevens noodzakelijk omdat door
de inwerkingtreding van de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 artikel 4, derde lid, van de PSW
is komen
te vervallen, maar deze wijziging nog niet in de opsomming van artikel
23a was verwerkt. Bij de wijziging van de PSW
(Stb. 2000, 256) is de
inhoud van artikel 6b, tweede lid, gewijzigd door daaraan toe te voegen
dat bij het vragen van advies aan de deelnemersraad een overzicht wordt
verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen
die het besluit naar te verwachten valt voor de belanghebbenden bij het
fonds zal hebben. Het is wenselijk dat bij niet-naleving van deze
verplichting de mogelijkheid bestaat om een dwangsom op te leggen. Omdat
de inhoud van artikel 6c, vijfde lid, met ingang van 23 juni 2000 door
de wijziging van de PSW (Stb. 2000, 256) is opgenomen in artikel 6d,
derde lid, wordt voorgesteld artikel 23a aan te passen, door artikel
6c,
vijfde lid, te schrappen en artikel 6d, derde lid, toe te voegen. Bij
overtreding van het bepaalde in artikel 6d, derde lid, kan een dwangsom
worden opgelegd aan het bevoegde orgaan van het fonds. In artikel 23a is
nu al geregeld dat de mogelijkheid bestaat om bij overtreding van
artikel 10 een dwangsom op te leggen. Dit wordt nader gespecificeerd tot
artikel 10, derde lid.
Onderdeel F (artikel 23b,
eerste lid, van de PSW)
De wijzigingen in dit
onderdeel hebben betrekking op de artikelen waarvoor op grond van
artikel 23b PSW
bij overtreding daarvan een bestuurlijke boete kan
worden opgelegd. Met dit wetsvoorstel wordt naast de mogelijkheid om bij
overtreding van artikel 2c een dwangsom om te leggen, ook de bevoegdheid
voor de Pensioen- & Verzekeringskamer gecreëerd om een bestuurlijke
boete op te leggen. Het eerste lid van artikel 2c wordt opgenomen in de
bijlage bij de PSW
inzake de boetes, hetgeen door middel van een
algemene maatregel van bestuur zal worden geëffectueerd. Van de in het
tweede lid van artikel 2c geboden mogelijkheid om bij of krachtens een
algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen inzake de
keuzemogelijkheid is gebruik gemaakt door de vaststelling van het Besluit
gelijke behandeling bij pensioenen (Stb. 2002, 101). Op grond
van artikel 23c zal na toevoeging van artikel 2c, tweede lid, aan
artikel 23c gelden dat bij overtreding van voorschriften gesteld bij
het Besluit gelijke behandeling bij pensioenen het bedrag van de boete
[wordt, red.] bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage behorend bij het Besluit
gelijke behandeling bij pensioenen. Aan het Besluit gelijke behandeling
bij pensioenen wordt een dergelijke bijlage toegevoegd.
Het aanpassen van artikel
23b is tevens noodzakelijk omdat door de inwerkingtreding van de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 artikel 4,
derde lid, van de PSW
is komen te vervallen, maar deze wijziging nog
niet in de opsomming van artikel 23b was verwerkt. Bij de wijziging van
de PSW met ingang van 23 juni 2000 (Stb. 2000, 256) is de inhoud van
artikel 6b, tweede lid, gewijzigd door toe te voegen dat bij het vragen
van advies aan de deelnemersraad een overzicht wordt verstrekt van de
beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit
naar te verwachten valt voor de belanghebbenden bij het fonds zal
hebben. Het is wenselijk dat bij niet-naleving van deze verplichting
naast de mogelijkheid om een dwangsom op te leggen, ook de mogelijkheid
bestaat om een bestuurlijke boete op te leggen. Aangezien de inhoud van
artikel 6c, vijfde lid, bij voornoemde wijziging van de PSW is opgenomen
in artikel 6d, derde lid, wordt voorgesteld artikel 23b in die zin aan
te passen. In artikel 23b is nu al geregeld dat de mogelijkheid bestaat
om bij overtreding van artikel 10 een bestuurlijke boete op te leggen.
Er was echter verzuimd om dit artikel in de bijlage te vermelden. Tevens
wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de vermelding van artikel 10
in artikel 23b te specificeren tot artikel 10, derde rblz.|12|
lid. Dit artikellid
zal in de bijlage worden opgenomen in tabel 1, omdat deze bepaling zich
uitsluitend richt tot pensioenuitvoerders.
Onderdeel G (artikel 23c,
vijfde lid, van de PSW)
De wijzigingen in dit
onderdeel hebben betrekking op de opsomming in artikel 23c, vijfde lid,
van de PSW. Voorgesteld wordt om aan artikel 23c, vijfde lid, artikel
2c, tweede lid, en artikel 32, negende lid, toe te voegen. Artikel
2c,
tweede lid, en artikel 32, negende lid, hebben betrekking op de
mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen.
Onderdeel H (artikel 23l
PSW)
Artikel 23l van de
PSW regelt de stille curatele. De Pensioen- & Verzekeringskamer heeft op
grond van dit artikel de bevoegdheid het bestuur van een pensioenfonds
de aanzegging te doen dat het fonds zijn bevoegdheden slechts mag
uitoefenen na toestemming van één of meer door de Pensioen- &
Verzekeringskamer aangewezen personen. In dit artikel ontbreekt een
bepaling waarmee de Pensioen- & Verzekeringskamer de bevoegdheid
krijgt om de kosten van een stille curator ten laste te laten komen van
het fonds of de onderneming waaraan het fonds is verbonden. In artikel
23m, betreffende het aanstellen van een bewindvoerder, is (in de laatste
zin van het derde lid) wel een bepaling opgenomen om dergelijke kosten
ten laste van het fonds of de onderneming te laten komen. Door het
toevoegen van een vergelijkbare bepaling aan artikel 23l is in deze
omissie voorzien.
Onderdeel I (artikel 35
PSW)
In dit artikel wordt
bepaald dat pensioenfondsen hun statuten en reglementen binnen twee jaar
na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming
dienen te brengen met de genoemde bepalingen van de PSW. Voor de goede
orde wordt opgemerkt dat dit niet impliceert dat deze bepalingen van de
PSW pas werken vanaf het moment dat de statuten en reglementen daaraan
zijn aangepast. Het artikel staat slechts toe dat de statuten en
reglementen gedurende een periode van maximaal twee jaar afwijken van de
regels in de wet. De reden daarvan is dat pensioenfondsen een termijn
moet worden gegund om hun statuten en reglementen te kunnen wijzigen.
Doet iemand in de periode van twee jaar een beroep op de wettelijke
bepalingen terwijl de statuten en reglementen nog niet zijn aangepast,
dan kan het feit dat de statuten en reglementen anders luiden hem niet
worden tegengeworpen. Overigens moet ten aanzien van de artikelen 6a,
6b
en 6c worden opgemerkt dat deze artikelen al met ingang van 23 juni 2000
in werking getreden zijn, zodat verondersteld mag worden dat eventueel
noodzakelijke aanpassingen van statuten en reglementen inmiddels zijn
geschied.
Artikel
VI. Wijziging van de Wet
van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en
spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor
ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke
behandeling van mannen en vrouwen)
1º. Uitruil van pensioen
opgebouwd vóór 1 januari 2002
Met de nu voorliggende
wijziging wil het kabinet realiseren dat sekseneutrale uitruil ook voor
pensioenaanspraken opgebouwd vóór 1 januari 2002 mogelijk wordt. Het
kabinet heeft daaraan invulling gegeven door vast te leggen dat in geval
van uitruil de hoofdregel is dat ten aanzien van de pensioenaanspraken
die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002 de actuariële waarde van het
in te kopen pensioen ten minste gelijk dient te zijn rblz.|13|
aan de op dezelfde
grondslagen berekende actuariële waarde van het af te kopen pensioen of
de af te kopen aanspraken op pensioen (individuele actuariële
gelijkwaardigheid ofwel seksespecifieke uitruil). Alleen als de
pensioenuitvoerder in zijn statuten of reglementen heeft gekozen voor
toepassing van artikel 32ba, eerste lid, onderdeel d en e,
PSW bij
uitruil, geldt dat het in te kopen pensioen collectief actuarieel
gelijkwaardig kan zijn aan het af te kopen pensioen (sekseneutrale
uitruil). Dit betekent derhalve dat sekseneutrale uitruil van
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002 mogelijk is,
mits dit in statuten of reglementen van de pensioenuitvoerder is
aangegeven.
Aanleiding voor de nu
voorliggende wijziging is het feit dat gebleken is dat er in de praktijk
behoefte bestaat aan uitruil van pensioen(soorten) op basis van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid met betrekking tot perioden
van pensioenopbouw vóór 1 januari 2002. Dit heeft voor
pensioenuitvoerders als voordeel dat zij geen knip hoeven aan te brengen
tussen pensioenaanspraken opgebouwd vóór 1 januari 2002 en
pensioenaanspraken opgebouwd ná 1 januari 2002. Op grond van artikel IX
van de Wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor
ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke
behandeling van mannen en vrouwen) (Stb. 2000, 625), moet er conform artikel 32a
PSW bij uitruil van pensioenaanspraken die zijn opgebouwd vóór 1
januari 2002 namelijk sprake zijn van individuele actuariële
gelijkwaardigheid, terwijl voor pensioenaanspraken die zijn opgebouwd
ná 1 januari 2002 op grond van artikel 32ba PSW
bij uitruil sprake
dient te zijn van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Het kabinet vindt het een
goede zaak dat pensioenuitvoerders de gelijke behandeling van mannen en
vrouwen - door toepassing van sekseneutrale ruilfactoren - ook al
willen realiseren bij uitruil die betrekking heeft op pensioenaanspraken
die zijn opgebouwd vóór 1 januari 2002. Gezien het feit dat het gaat
om een "keuze" is er in de ogen van het kabinet geen sprake van
aantasting van reeds opgebouwde (oude) rechten. Toepassing van
sekseneutrale uitruil van pensioen opgebouwd vóór 1 januari 2002
heeft weliswaar betrekking op oude aanspraken (op ouderdomspensioen en
nabestaandenpensioen) van deelnemers, maar tast deze niet aan. Het is
immers aan de deelnemer zelf om te bepalen of hij gebruik maakt van de
mogelijkheid van uitruil. Indien sekseneutrale uitruil voor de deelnemer
minder gunstig uitpakt dan seksespecifieke uitruil, is de deelnemer
vrij om af te zien van de uitruil. Het feit dat er sprake is van een
nieuw recht rechtvaardigt in de ogen van het kabinet dan ook dat er door
pensioenuitvoerders gekozen kan worden voor sekseneutrale uitruil.
2º. Consequenties
premievrije voortzetting
Het onderhavige lid ziet
op de toepasselijkheid van de genoemde artikelen in relatie tot het
tijdstip van ontstaan van een recht op premievrije voortzetting (zie
toelichting bij tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 1999-2000, 26
711, nr. 12, blz. 5). In die toelichting is aangegeven dat de zinsnede
"voor zover de deelnemer is opgehouden aan de onderneming verbonden te
zijn" is opgenomen om te regelen dat zogenaamde premieholidays niet
onder deze bepaling vallen. De toevoeging van deze zinsnede blijkt
echter bij nader inzien niet noodzakelijk, maar bovendien ook niet
wenselijk. In de praktijk wordt met het begrip "premievrije
voortzetting" niet gedoeld op de situatie van premieholiday. Een
premieholiday houdt in dat gedurende een bepaalde periode geen premie
betaald hoeft te worden aan de pensioenuitvoerder, omdat de premies uit
het behaalde rendement wordt gefinancierd. Premievrije voortzetting
heeft betrekking rblz.|14|
op voortzetting van de pensioenopbouw van een
individuele werknemer, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid
of op grond van de FVP-regeling [FVP: Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering, red.]. Het handhaven van de zinsnede "voor
zover de deelnemer is opgehouden aan de onderneming verbonden te zijn"
is tevens onwenselijk, omdat het mogelijk is dat er premievrije
voortzetting plaatsvindt, terwijl de werknemer nog wel aan de
onderneming verbonden is. In dat geval moet hetgeen is bepaald inzake de
toepasselijkheid van de genoemde artikelen ook gelden.
3º. Afkoop kleine
pensioenen
Op grond van de Wet van
21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet en enige andere wetten (recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats
van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen) (Stb.
2000, 625), is artikel 32, zevende lid, van de Pensioen-
en spaarfondsenwet (PSW) gewijzigd. Het gewijzigde artikel 32, zevende lid,
PSW bepaalt dat
de afkoopsom voor zogenaamde kleine pensioenen (pensioen dat op het
tijdstip van ingang niet hoger is dan €|332,29 per jaar (bedrag
vastgesteld voor het jaar 2002)) voor mannen en vrouwen gelijk dient te
zijn. Bij Besluit van 3 december 2001 tot vaststelling van het tijdstip
van inwerkingtreding van de Wet van 21 december 2000 is vastgelegd dat
de artikelen van de Wet van 21 december 2000 met ingang van 1 januari
2002 in werking treden.
Daarbij
is voor een aantal onderdelen een uitzondering gemaakt voor zover het
beschikbare premieregelingen betreft. In het Besluit van 3 december 2001
is echter ten onrechte bepaald dat de bepaling dat er in geval van
afkoop van kleine pensioenen op grond van artikel 32 PSW
voor
pensioenregelingen waarbij een periodieke uitkering wordt toegezegd
sprake dient te zijn van gelijke uitkeringen voor mannen en vrouwen al
per 1 januari 2002 in werking is getreden. Zoals blijkt uit de Wet van
21 december 2000, alsook uit de parlementaire behandeling (zie
Kamerstukken II 1999-2000, 26 711, nr. 28 en nr. 29, blz. 2), is beoogd te
regelen dat afkoop op grond van artikel 32 PSW
voor alle soorten
pensioenregelingen pas per 2005 tot sekseneutrale uitkomsten zou hoeven
te leiden. Met de onderhavige wijziging wordt deze omissie hersteld.
Deze omissie betekent dat
het voorschrift tot het vaststellen van een sekseneutrale afkoopsom voor
pensioenregelingen waarin een periodieke uitkering wordt toegezegd al
geldt vanaf 1 januari 2002. Pensioenuitvoerders moeten vanaf 1 januari
2002 voor deelnemers in pensioenregelingen waarin een periodieke
uitkering wordt toegezegd met een pensioen dat op het tijdstip van
ingang niet hoger is dan €|332,29 per jaar (bedrag vastgesteld voor het
jaar 2002), voor mannen en vrouwen een gelijke afkoopsom vaststellen
voor zover het pensioen betreft dat is opgebouwd vanaf 1 januari 2002.
De inwerkingtreding van
dit voorschrift voor pensioenregelingen waarbij een periodieke uitkering
wordt toegezegd per 1 januari 2002 in plaats van 1 januari 2005 heeft in
de praktijk slechts een beperkt materieel effect:
• het betreft alleen de
pensioenaanspraken die het in artikel 32, vijfde lid, PSW
genoemde bedrag
(€|332,29, bedrag vastgesteld voor het jaar 2002) niet te boven gaan, de
zogenoemde kleine pensioenen;
• het betreft alleen afkoop
van kleine pensioenen gebaseerd op pensioenregelingen waarin een
periodieke uitkering wordt toegezegd;
• het betreft alleen dat
gedeelte van de pensioenaanspraken die zijn opgebouwd tussen 1 januari
2002 en januari 2005;
Met de nu voorliggende
wijziging wil het kabinet deze omissie met terugwerkende kracht herstellen en
realiseren dat ook voor afkoop van kleine pensioenen voor zover het pensioenregelingen betreft waarbij een periodieke
uitkering wordt
toegezegd, de bepalingen betreffende gelijke behandeling rblz.|15|
van mannen en
vrouwen op 1 januari 2005 in werking treden. Het kabinet acht het
gerechtvaardigd deze wijziging met terugwerkende kracht in werking te laten
treden, daar er geen enkele twijfel bestaat over de bedoeling van het uitstel
van de inwerkingtreding van het voorschrift tot gelijke afkoopsommen bij
de afkoop van kleine pensioenen tot 1 januari 2005.
De voorgestelde
aanpassingen hebben geen (substantiële) kosten voor de pensioenfondsen tot
gevolg, aangezien het aan henzelf is ervoor te zorgen dat ze er niet op
achteruitgaan (uitruil), er sprake is van uitstel van inwerkingtreding van een bestaande
bepaling (afkoop kleine pensioenen) dan wel van verduidelijking
van bestaande wetgeving (premievrije voortzetting).
Artikel
VII. Wijziging
van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling
Onderdeel A (artikel 3,
onderdeel c, van de Wet Bpr)
In het kader van de
Wet
van 16 december 1993 inzake voltooiing van de eerste fase herziening
van de rechterlijke organisatie (Stb. 1993, 650) [Wet
voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie, red.]
is verzuimd de terminologie
aan te passen met betrekking tot de verklaring van geen bezwaar. Deze
moet worden aangeduid als een verklaring van geen bedenkingen.
Onderdeel B (artikel 18b,
tweede lid, van de Wet Bpr)
Met de inwerkingtreding
van de Wet van 22 december 1999 tot wijziging van de PSW
en enkele
andere wetten onder meer met het oog op verbetering van het toezicht op de
uitvoering van aanvullende pensioenregelingen, invoering van een verbod
op uitstelfinanciering van pensioenaanspraken en verduidelijking van de
regels inzake waardeoverdracht van pensioen en aanspraken op
pensioen (wijziging PSW in verband met toezicht, verbod op
uitstelfinanciering en waardeoverdracht, Stb. 1999, 592) is artikel 18b ingevoegd,
maar wordt in het tweede lid per abuis gesproken over pensioen- en
spaarfondsen in plaats van over beroepspensioenfondsen.
Onderdeel C (artikel 21a,
eerste lid, 21b, eerste lid, van de Wet Bpr)
Met de hiervoor genoemde
Wet wijziging PSW in verband met toezicht, verbod op
uitstelfinanciering en waardeoverdracht (Stb. 1999, 592) is artikel 9 van de Wet betreffende
verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling komen te vervallen. Bij
deze wijziging was verzuimd dit artikel in de opsomming van de
artikelen 21a en 21b te schrappen.
Artikel
VIII. Wijziging
van de Wet Bpf 2000
Onderdeel A (artikel 11,
tweede en derde lid, van de Wet
Bpf 2000)
Een
bedrijfstakpensioenfonds kan de pensioenregeling uitvoeren van meerdere bedrijfstakken.
In het geval van meerdere bedrijfstakken zal de belangrijke meerderheid
die ook bij een verzoek om intrekking zal worden beoordeeld, worden
getoetst per bedrijfstak. In het geval van meerdere bedrijfstakken is het ook
mogelijk om intrekking van de verplichtstelling te vragen voor één of
meerdere bedrijfstakken. De wijziging van artikel 11, tweede lid, heeft hierop
betrekking.
Ook is het mogelijk om
intrekking voor een deel van de bedrijfstak of van één van de bedrijfstakken
te vragen. Als dit het geval is, wordt gekeken naar de belangrijke
meerderheid ten aanzien van het geheel van de bedrijfstak waarvoor de
aanvraag tot intrekking van een deel van de rblz.|16|
verplichtstelling is
gedaan. De wijziging van artikel 11, derde lid, heeft hierop betrekking.
Onderdeel B (artikel 12,
vijfde lid, van de Wet
Bpf 2000)
In het geval van een
bedrijfstakpensioenfonds voor meerdere bedrijfstakken zal de periodieke representativiteitstoets worden uitgevoerd per
bedrijfstak. Indien één
van de bedrijfstakken binnen het bedrijfstakpensioenfonds niet voldoet aan het
vereiste, zal de verplichtstelling voor die bedrijfstak worden ingetrokken. Het is niet de bedoeling geweest dat
dan de verplichtstelling
voor alle bedrijfstakken in het bedrijfstakpensioenfonds komt te vervallen.
Daartoe vindt deze wijziging plaats.
Artikel
IX. Wijziging van
de ZW
Onderdeel A (artikel
29,
eerste, derde en vierde lid, van de ZW)
In verband met het feit
dat artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim de tegenhanger is van
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek voor het gehele
overheidspersoneel wordt artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de
ZW redactioneel aangepast. De overheidswerknemer die recht heeft op
bezoldiging uit hoofde van zijn dienstbetrekking heeft geen recht op ZW-uitkering, behoudens de in de aanhef van
artikel 29, eerste lid, van de ZW
genoemde uitzonderingen. Indien een overheidswerknemer op grond van artikel
XV,
tweede lid, derde volzin, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim recht heeft op bezoldiging bij ziekte na ontslag, vormt artikel
29,
eerste lid, van de ZW overigens geen belemmering om ZW-uitkering toe te
kennen, nu er in die situatie geen sprake is van recht op bezoldiging
"uit hoofde van de dienstbetrekking krachtens welke hij arbeid behoort
te verrichten".
De voorgestelde
aanpassing in het derde lid van onderdeel B vloeit voort uit het feit dat in het
kader van de Wet arbeid en zorg - ten onrechte
- geen regeling is
getroffen bij samenloop van de uitkering in verband met adoptie en pleegzorg en ziekengeld.
Onderdeel B (artikel 29b,
eerste lid en vijfde lid, onderdeel b, van de ZW)
Eén van de doelstellingen
van de Wsw is doorstroom van werknemers, die daarvoor in
aanmerking komen, naar reguliere arbeidsplekken. Met de wijziging van artikel
29b ZW wordt beoogd eventuele belemmeringen weg te nemen voor werkgevers
om mensen vanuit de Wsw aan te nemen.
Een Wsw-er is uitgesloten
van het arbeidsgehandicaptebegrip in de zin van de Wet
Rea. Dit is
terecht, omdat voor deze groep werknemers immers al de
voorzieningen op grond van de Wsw openstaan. Een onbedoeld gevolg hiervan is echter
dat de werkgever die een ex-Wsw-er in dienst neemt ook
uitgesloten is van de toepassing van artikel 29b
ZW. Duidelijk zal echter zijn
dat Wsw-ers net als arbeidsgehandicapten een bijzondere positie
innemen op de reguliere arbeidsmarkt. Met de voorgestelde wijziging van artikel
29b ZW wordt de arbeidsmarktpositie van
Wsw-ers - net als die
van arbeidsgehandicapte - versterkt, omdat de werkgever die de Wsw-er
in dienst neemt de eerste vijf jaar geen risico loopt op loondoorbetaling
gedurende ziekteperioden.
Door deze wijziging van
artikel 29b ZW
bestaat ook recht op ziekengeld indien een verzekerde
onmiddellijk voorafgaand aan de dienstbetrekking werkzaam was als
werknemer in de zin van de Wsw of op een arbeidsovereenkomst in de zin van
artikel 7
van de Wsw. Wijziging van artikel 29b
ZW
daartoe is noodzakelijk omdat artikel 2, vijfde lid, van de
Wet Rea
thans bepaalt dat een Wsw-er geen arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet
Rea. Door deze
wijziging van het eerste lid ontstaat géén strijdigheid rblz.|17|
met het vijfde lid
van artikel 29b, omdat het vijfde lid bepaalt dat het artikel geen toepassing
vindt indien de dienstbetrekking waarin de werknemer werkzaam is geen
dienstbetrekking in de zin van de Wsw mag zijn, terwijl de
onderhavige wijziging betrekking heeft op de periode direct voorafgaand aan het
aanvaarden van die dienstbetrekking.
Indien voor jongeren die
geïndiceerd zijn voor de Wsw geen Wsw-dienstbetrekking kan
worden aangeboden, kunnen deze jongeren op grond van artikel 10
Wiw voor een Wiw-dienstbetrekking in aanmerking komen. In dit artikel,
maar ook in artikel 2, vijfde lid, Wet
Rea wordt de persoon die op zo’n
dienstbetrekking werkzaam is met een persoon die op een Wsw-dienstbetrekking werkzaam is, gelijkgesteld (zie ook de wijziging van
artikel 50 Wajong,
artikel XII, onderdeel C)
Bij de wijziging van de
Wet Rea met ingang van 1 januari 2002 in het kader van het Belastingplan
V [Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving, red.] is
de Wiw-dienstbetrekking gelijkgesteld met andere
dienstbetrekkingen waar
het gaat over voorzieningen voor werkgevers bij het in dienst nemen van
arbeidsgehandicapten. De uitzondering op de werking van artikel 29b
in het vijfde lid moet daarom ook vervallen. Ook
de werkgever van de Wiw-werknemer die arbeidsgehandicapte is, komt in aanmerking voor
ziekengeld. De aanpassing in het vijfde lid, onderdeel b, beoogt deze
gelijkstelling alsnog tot stand te brengen.
Onderdeel C (artikel 31
van de ZW)
Met de
Invoeringswet
arbeid en zorg (Stb. 2001, 568) is in artikel 31 van de
ZW een verwijzing naar
een aantal bepalingen van de Wet arbeid en zorg opgenomen. Ten onrechte
is daarbij niet verwezen naar de bepalingen inzake een uitkering ter
zake van adoptie en pleegzorg. Voorgesteld wordt deze alsnog op te nemen.
Onderdeel F (artikel
64,
tweede lid, aanhef, van de ZW)
Zie voor een toelichting
op dit onderdeel paragraaf 2.2.
Onderdelen G tot en met N
(de artikelen 75 tot en met 75l van de
ZW) [zie onderdelen G tot en met
O, red.]
Op 1 maart 2003 is de
Wet eigen risico dragen ZW in werking getreden. Voor eigenrisicodragers
is in de artikelen 75 e.v. ZW
een regeling opgenomen over hoe omgegaan moet
worden met medische gegevens.
In een aantal uitspraken
van 24 september 2002 (onder meer gepubliceerd in RSV 2002/288) heeft de
Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat werkgevers ten aanzien
van een besluit omtrent aanspraken van een werknemer op ziekengeld
als belanghebbende dienen te worden beschouwd. Als gevolg van
deze uitspraken kunnen ook andere werkgevers dan eigenrisicodragers
belanghebbende zijn bij besluiten waaraan een beoordeling van
medische gegevens ten grondslag ligt. Als gevolg hiervan dient de medische
besluitenregeling ook op deze groep werkgevers van toepassing te worden
verklaard. De wijzigingen in de artikelen 75,
75a, 75c
en
75d ZW strekken daartoe.
Tevens is van de
gelegenheid gebruik gemaakt om de bepalingen van paragraaf
2 van de derde afdeling in een meer
logische volgorde te zetten en een aparte paragraaf te creëren voor
geschillen van geneeskundige aard.
Artikel X.
Wijziging van
de WAO
Onderdeel C
(artikel 19,
zevende lid, van de WAO)
Na een verlenging van de
wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, kan door de werknemer of de
werkgever om verkorting worden gevraagd. Daarbij geldt dat de
wachttijd dan niet eerder eindigt dan vijftien weken na dat rblz.|18|
verzoek. Niet geregeld is
dat de verlengde wachttijd eindigt indien de loondoorbetalingsverplichting
eindigt wegens beëindiging van het dienstverband. De voorgestelde aanvulling beoogt hierin te voorzien.
Onderdeel D
(artikel 19a,
tweede lid, van de WAO)
Artikel 19a, tweede lid,
regelt dat op een persoon na beëindiging van detentie de bepalingen
van de WAO worden toegepast als nam zijn verzekering opnieuw een aanvang. In
de derde volzin worden de artikelen 18, tweede tot en met vierde
lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, niet van toepassing verklaard. Dat
betekent dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
geen rekening wordt gehouden met reeds bestaande gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid. Het niet van toepassing verklaren van de genoemde
artikelen gaat niet zover dat geen rekening moet worden gehouden met
al vóór de detentie bestaande arbeidsongeschiktheid. De bestaande formulering
impliceert dit wel. Wanneer ook in dat geval artikel 18, tweede tot en met vierde lid, niet zou worden toegepast,
zou de persoon die uit
detentie komt in een gunstiger positie verkeren dan de persoon
die voorafgaand aan de verzekering reeds gedeeltelijk
arbeidsongeschikt was. Door de wijziging van artikel 19a, tweede lid, wordt bereikt
dat artikel 18, tweede tot en met vierde lid, wel van toepassing is indien
betrokkene voordat hij in detentie ging en voordat hij ging werken
in dienstbetrekking (en dus verzekerd werd voor de WAO) al (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikt was.
Onderdelen E en
F (artikelen 24 en
28 van de WAO)
Naast een enkele
technische wijziging in de aanduiding van het UWV
en de CWI [Centrale organisatie werk en inkomen,
red.] zijn deze
artikelen aangepast om duidelijk te maken dat de bevoegdheid voorschriften
voor de reïntegratie te geven in artikel 24 voor het UWV alleen aan de
orde zijn indien de reïntegratie tot de verantwoordelijkheid van het UWV
behoort. De
verantwoordelijkheidsverdeling met betrekking tot
reïntegratie van arbeidsongeschikte werknemers die een WAO-uitkering ontvangen,
vloeit voort uit artikel 8 (taak werkgever) en
10 (taak UWV). Daarnaar
wordt nu in artikel 24 en ook in artikel
28, onderdeel g, verwezen.
Onderdelen G en
H (artikelen 34, zevende lid, en
36, derde lid, van de WAO)
In deze artikelen is
geregeld dat het UWV (onder goedkeuring van
Onze Minister) kan afwijken
van de aanvraagtermijn respectievelijk de herbeoordeling na één
jaar. Het uitgangspunt bij regelgevende bevoegdheid is dat regelgeving die
organisatorisch of technisch van aard is of specifieke terreinen
betreft, bij de uitvoeringsorganisatie dient te blijven. Het opstellen van
algemene, niet specifieke, regelingen waarbij het recht op, de hoogte of de duur
van uitkeringen dan wel verstrekkingen wordt geregeld, betreft een beleidsmatig punt van een dermate groot belang dat
dit door de minister dient te geschieden. Afwijkingen van de aanvraagtermijn kunnen niet worden
aangemerkt als organisatorische of technische onderwerpen. Daarom
behoort de regelgevende bevoegdheid op dit punt bij de minister te
liggen. De genoemde artikelen zijn hiermee in overeenstemming gebracht.
Onderdeel I
(artikel 37, tweede lid, van de WAO)
De voorgestelde zinsnede
dient te vervallen, omdat die ziet op verzekering voor de WAO
op grond van
het ontvangen van een uitkering ingevolge het eerste lid van het - sinds de Wet terugdringing ziekteverzuim
- niet meer bestaande artikel 57
ZW.
rblz.|19|
Onderdelen J en
K (artikelen 43, vierde lid, en
43a, derde lid, van de WAO)
Deze artikelen bevatten
onjuiste verwijzingen, reden waarom ze zijn aangepast.
Onderdeel M
(artikel 71b,
eerste lid, van de WAO)
Ten aanzien van het
opstellen van een plan van aanpak geldt in principe dezelfde regeling voor
het UWV en de werknemer die geen dienstbetrekking (meer) heeft
- en die
om deze reden geen recht heeft op doorbetaling van loon, maar recht
heeft op ziekengeld op grond van de ZW
(de zogeheten "vangnetgevallen") - als tussen de werkgever en de werknemer, zoals die is neergelegd
in artikel 71a, tweede lid. Om die reden wordt in
artikel 71b, eerste lid,
opgenomen dat ook door het UWV en de werknemer het plan van aanpak
periodiek wordt geëvalueerd.
Onderdeel N
(artikel 75,
vijfde en negende lid, van de WAO)
Artikel
75, vijfde lid
Onderdeel b van het
vijfde lid van artikel 75 kan vervallen, omdat het verwijst naar het
inmiddels vervallen artikel 75e, vijfde lid.
Artikel
75, negende lid
Wsw-ondernemingen (in
feite de gemeenten) betalen, op grond van artikel
78, zevende lid,
over het loon van Wsw-werknemers geen gedifferentieerde premie, maar een
vervangende premie. Een Wsw-werkgever kan voor deze werknemers
het premierisico dus niet beïnvloeden. Dit bedrijf (de gemeente) kan
thans formeel wel eigenrisicodrager worden.
Het is echter niet
gewenst dat deze mogelijkheid feitelijk benut wordt. Er is immers geen afweging
mogelijk tussen twee kostenposten die het bedrijf kan beïnvloeden. Daarom
wordt voorgesteld de gemeente voor de Wsw-werknemers niet de
mogelijkheid te bieden om eigenrisicodrager te worden.
Voor alle duidelijkheid
wordt erop gewezen dat deze uitzondering uitsluitend betrekking heeft op de
gemeenten (die immers de enige formele Wsw-werkgevers zijn) en
niet op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 2, derde lid,
Wsw (bijvoorbeeld
reïntegratiebedrijven).
Onderdeel O
(artikel 76a van de WAO)
In
artikel 79a van de WAO
staat dat de ouderenkorting een korting is op de basispremie WAO.
Abusievelijk wordt dit artikel in artikel 76a, eerste lid, onderdeel
b, van de WAO genoemd in het rijtje van artikelen met betrekking tot de gedifferentieerde
premie. Dit onderdeel corrigeert dit.
Onderdeel Q
(artikel 76d,
eerste lid, onderdeel e, van de WAO)
Aangezien de schade die
door het UWV wordt vergoed aan een eigenrisicodrager
(artikel 76d, eerste lid,
onderdeel e) altijd tevens gekwalificeerd kan worden als kosten
die verbonden zijn aan de uitvoering van de WAO
(zie hetzelfde
artikellid, maar dan in onderdeel b), is besloten deze schade als een in dit
artikellid van de WAO opgenomen bijzondere categorie kosten - die ten laste
van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen - te schrappen.
Onderdeel S
(opschrift
paragraaf 4 van hoofdstuk IV van de WAO)
Als gevolg van aangenomen
amendementen op de oorspronkelijke artikelen 79a
en 79b van de WAO
tijdens de behandeling van het toen nog wetsvoorstel zijn er in de genoemde artikelen thans
rblz.|20|
geen bepalingen meer met
betrekking tot premievrijstelling. In verband daarmee wordt de term premievrijstelling met ingang van 1 januari 2002
(de
inwerkingtredingsdatum van Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving) in het opschrift van
paragraaf 4 van hoofdstuk IV geschrapt.
Onderdeel T
(artikel 79a van de WAO)
In
artikel 79a WAO
is na
de inwerkingtreding van
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving de premiekorting voor
werkgevers van oudere werknemers geregeld. De uitvoering van het tweede
en derde lid van dit artikel leidt tot administratieve lasten voor het UWV
en
voor werkgevers. Het eerste lid is verduidelijkt. Met de bestaande formulering zou de premiekorting ook kunnen
worden toegepast door het
UWV, die premie inhoudt op de uitkeringen en daarmee ook werkgever is.
Het gaat hier alleen om werknemers die in dienstbetrekking werkzaam
zijn.
Met het vervallen van het
tweede lid vervalt het onderscheid tussen de hoogte van de premie over
loon en via de werkgever betaalde uitkering. Het UWV vergoedt over de
uitkering die via de werkgever wordt betaald voor oudere werknemers de
premie over de uitkering met inachtneming van de premiekorting. De
werkgever draagt die verlaagde premie weer af aan het UWV op dezelfde
wijze als de verlaagde premie over het loon. Daarmee wordt materieel
hetzelfde bereikt als voordien in de wet geregeld, namelijk dat de werkgever
alleen premiekorting geniet over het werkelijk betaalde loon
en niet over de uitkering.
Het derde lid zondert een
aantal werknemers in dienst van een reguliere werkgever met bijzondere dienstbetrekkingen uit van de premiekorting
voor oudere werknemers.
Reden voor de uitzondering was dat de werkgever voor deze personen andere
tegemoetkomingen ontvangt. Gebleken is dat het hier gaat om slechts een kleine groep werknemers. Omdat het
UWV deze groepen niet als
zodanig heeft geregistreerd in zijn verzekerdenadministratie,
zou het UWV alle werkgevers opgave moeten vragen of oudere
werknemers een dienstbetrekking als hier bedoeld hebben. Controle van die
opgave is alleen mogelijk door individuele controle bij werkgevers.
Gezien het geringe aantal werknemers en de hoge administratieve
lasten voor het UWV en de werkgever is besloten de uitzondering alsnog te
laten vervallen. Het vorenstaande geldt niet voor personen die arbeid
verrichten als bedoeld in artikel 2 Wsw
of artikel 4 Wiw; voor hen blijft de
uitzondering wel van toepassing.
Onderdeel U
(artikel 79b van de WAO en de artikelen 82, 82a
en 97c van de WW)
De genoemde artikelen die
bij
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn opgenomen in de WAO
en de WW
hebben betrekking op de premiekorting voor arbeidsgehandicapten.
In alle vier de genoemde
artikelen worden dezelfde wijzigingen aangebracht.
Vooruitlopende op de voorgestelde wijzigingen wordt door het UWV
al op de voorgestelde wijze gewerkt. In verband
hiermee kunnen de
wijzigingen met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2002 in werking
treden. De premiekorting wordt op aanvraag verstrekt. In de verschillende artikelen is een aanvraagtermijn opgenomen
van binnen één jaar na
aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk binnen één jaar nadat
de werknemer zijn eigen arbeid of een andere functie bij dezelfde
werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat dan wel binnen één jaar nadat
de arbeidsplaats is aangepast. Het UWV gaf in een uitvoeringscommentaar
aan dat niet duidelijk is hoe gereageerd dient te worden op aanvragen die
binnen deze indieningstermijn worden ingediend. Deze termijnen zijn te beschouwen als wettelijke voorschriften
voor het in aanmerking
kunnen komen voor de premiekorting: uiterlijk binnen die termijn moet
de aanvraag worden ingediend. Indien de aanvraag niet binnen de
termijn wordt gedaan, is het UWV bevoegd de rblz.|21|
aanvraag niet in
behandeling te nemen, omdat niet aan de voorwaarden voor toekenning van de
premiekorting kan worden voldaan. Door in de wet een duidelijke termijn te het stellen, is dit voldoende duidelijk.
- Voor de hoogte van de
premiekorting is relevant of de werknemer meer of minder loon
ontvangt dan 50% van het wettelijk minimumloon
(WML). In de praktijk
blijkt het bepalen hiervan naar de letter van de wet, zonder nadere
regeling als voorgesteld, een behoorlijke administratieve belasting te zijn, omdat
het WML tweemaal per jaar wordt herzien en omdat het loon
dat een werknemer per maand ontvangt, kan fluctueren, waardoor hij
de ene maand meer en de andere maand minder dan 50% WML
ontvangt. Hierdoor zou ook de premiekorting per maand verschillend
zijn. Ter vermindering van de administratieve belasting voor de werkgever en het UWV wordt voorgesteld dat de
korting op jaarbasis
wordt vastgesteld en dat daarbij bepalend is hetgeen de werknemer in
een hele kalenderjaar verdient. De hoogte van de korting sluit daarmee aan bij het werkelijk verloonde bedrag
van de werkgever en dus
bij de werkelijke verdiencapaciteit van de werknemer. Door voor het
hele jaar aan te sluiten bij het bedrag per 1 januari hoeft niet
halverwege het jaar met een andere norm gewerkt te worden.
- In de diverse
artikelen bestaat de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen
omtrent de verdeling van de premiekorting over de verschillende
fondsen. In de artikelen 82, 82a
en 97c van de WW
staat echter al
aangegeven ten laste van welk fonds de premiekorting dient te komen. Bedoelde
delegatiebepaling is daarmee overbodig geworden.
- Een drietal leden in
de artikelen met betrekking tot de premiekorting (bijvoorbeeld het
eerste tot en met derde lid van artikel 79b van de
WAO) vormen een onlosmakelijke
eenheid. De nog op te stellen ministeriële regeling in verband met
een goede uitvoering van de premiekorting (op basis van
bijvoorbeeld artikel 79b, zevende lid, van de
WAO) dient dan ook op al die leden
betrekking te hebben. De voorgestelde wijziging voorziet daarin.
- In een beperkt aantal
gevallen kan het voorkomen dat de premiekorting(en) hoger zijn dan de
door een werkgever voor die werknemer te betalen premie. In
dergelijke situaties is het niet de bedoeling dat de werkgever
premierestitutie ontvangt; hij ontvangt immers een korting op de verschuldigde
premie. Ter voorkoming van misverstanden is in verband daarmee een nieuw
lid aan de diverse artikelen toegevoegd.
- Ten slotte wordt
voorzien in een taalkundige verbetering in bedoelde WAO en WW-artikelen.
In aanvulling op het
voorgaande wordt in de onderdelen J en K van artikel XIII (artikelen 82 en
82a WW)
nog voorzien in een tweetal andere wijzigingen. In de artikelen 82 en
82a van de WW
stond abusievelijk dat de daar bedoelde premiekorting
ten gunste van een bepaald fonds komt. Dit wordt gecorrigeerd in ten
laste van het aldaar genoemde fonds. Ten slotte wordt een
overbodige passage in het tweede lid van artikel 82 geschrapt.
Onderdeel V
(artikel 81,
tweede lid, aanhef, en derde lid, van de WAO)
Zie voor een toelichting
op dit onderdeel paragraaf 2.2.
Artikel
XI. Wijziging van
de WAZ
Onderdeel A
(artikel 2,
achtste lid, onderdeel b, van de WAZ)
In
artikel 2, achtste
lid, van de WAZ, is geregeld dat de voordracht tot vaststelling, wijziging
of intrekking van een algemene maatregel van rblz.|22|
bestuur als bedoeld in
het achtste lid, onderdeel a, van artikel 2
van de WAZ
(Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten) niet wordt gedaan en de vaststelling,
wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in het
achtste lid, onderdeel
b, van artikel 2
van de WAZ (een regeling getroffen op grond van het
eerder genoemde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten) niet eerder geschiedt dan tien
weken nadat mededeling
hieromtrent in de Staatscourant is gedaan, zijn verstreken. Deze termijn
komt niet overeen met de termijn zoals die is opgenomen in artikel
18,
negende lid, van de WAO, te weten acht weken. Besloten is de termijn genoemd in de
WAZ aan te passen aan die in de WAO. Hetzelfde gebeurt in
dit wetsvoorstel in de overeenkomstige bepaling van de Wajong.
Onderdeel D
(artikel 8,
twaalfde en dertiende lid, van de WAZ)
Op grond van
artikel 73
van de WAZ geldt met betrekking tot de premieheffing een franchise. Indien een
verzekerde naast zijn WAZ-inkomsten inkomsten uit
dienstbetrekking (in de zin van de WAO) geniet, gelden deze laatste inkomsten als
franchise bij de premieheffing, tenzij deze inkomsten lager liggen dan de
algemene franchise, in welk geval de algemene franchise geldt. Nu voor de
premieheffing de inkomsten uit dienstbetrekking in aanmerking worden
genomen, wordt in de uitkeringssfeer ook rekening gehouden met de
premieheffingskant. Het elfde tot en met zeventiende en negentiende lid van artikel 8
WAZ strekken ertoe te regelen dat op de grondslag van de WAZ-uitkering de
inkomsten uit dienstbetrekking in mindering worden gebracht. Deze leden
hebben betrekking op de situatie dat iemand zowel verzekerde is in de zin
van de WAZ als in de zin van de WAO, ofwel omdat hij loon uit
dienstbetrekking geniet, ofwel omdat hij recht heeft op een
loondervingsuitkering,
zijnde een uitkering op grond van de WAO, op grond van de ZW
of op
grond van de WW.
In die leden ontbreekt
evenwel een regeling voor de situatie dat degene die tegelijkertijd WAZ-
en WAO-verzekerde werkzaamheden verricht eerst arbeidsongeschikt wordt
in de zin van de WAO en in de wachttijd voor de WAO arbeidsongeschikt
wordt in de zin van de WAZ (met uitzondering van de situatie dat deze
in de wachttijd voor de WAO recht heeft op ziekengeld; dat is
geregeld in het dertiende lid). Met subonderdeel 1 wordt het twaalfde lid van
artikel 8 WAZ zodanig aangepast dat daarin ook de situatie is geregeld dat
betrokkene op het moment dat hij arbeidsongeschikt wordt reeds
arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Tevens wordt met de wijziging
verduidelijkt dat als betrokkene, op het moment dat hij arbeidsongeschikt
wordt in de zin van de WAZ, (nog) niet arbeidsongeschikt is of wordt in de zin van
de WAO, het WAO-dagloon moet worden vastgesteld dat
zou hebben gegolden als betrokkene wél op dezelfde dag arbeidsongeschikt in de zin van de WAO zou zijn geworden
als waarop hij
arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is geworden. Met subonderdeel 2 en
subonderdeel 3 wordt geregeld dat indien zowel artikel
8, twaalfde of dertiende
lid, van de WAZ als artikel
59, eerste of tweede lid, van die wet van
toepassing kan zijn, artikel 59, eerste en tweede lid, prevaleert boven
artikel 8, twaalfde
en dertiende lid, (zie ook de voorgestelde wijziging met betrekking
tot artikel 59, eerste en tweede lid, WAZ).
Onderdeel J
(artikel 59,
eerste, tweede lid en vijfde lid, van de WAZ)
Noch
artikel 8 noch
artikel 59 van de WAZ voorziet in de anticumulatie van de grondslag van de
WAZ-uitkering of de WAZ-uitkering als zodanig, in de situatie van de
toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a
van die wet aan de
persoon die laatstelijk slechts WAZ-verzekerde arbeid verricht. Het in
dit onderdeel voorgestelde artikel 59, tweede lid, van de
WAZ is evenwel
niet alleen van toepassing in die situatie, maar ook in de situatie dat
die persoon laatstelijk zowel WAZ- als WAO-verzekerde arbeid
verricht. Artikel 8, twaalfde en dertiende lid, van
rblz.|23|
de
WAZ wordt evenwel zo
aangepast dat in die situatie alleen het hier voorgestelde artikel
59,
tweede lid, van toepassing zal zijn (zie onderdeel D). In de situatie van
volgtijdelijke samenloop, waar wegens het intreden van arbeidsongeschiktheid
een WAZ-uitkering wordt toegekend op grond van artikel 20 van de
WAZ alsmede een WAO-uitkering, is thans artikel
8, twaalfde of dertiende
lid, WAZ van toepassing. Systematisch hoort die situatie evenwel thuis in
de regeling van artikel 59, eerste lid, van de
WAZ. De hier voorgestelde
aanpassing van dat lid voorziet daarin. Artikel
8, twaalfde en dertiende
lid, van de WAZ wordt zo aangepast dat in die situatie alleen het hier
voorgestelde artikel 59, eerste lid, van toepassing zal zijn (zie
onderdeel D). Ten slotte wordt met de hier voorgestelde aanpassing van artikel
59, eerste en tweede lid, geregeld dat die leden een regeling bevatten met
betrekking tot volgtijdelijke samenloop in de situatie dat
WAZ-verzekerde werkzaamheden zijn aangevangen tijdens de wachttijd voor de WAO
alsmede in de situatie dat WAO-verzekerde werkzaamheden zijn aangevangen
tijdens
de wachttijd voor de WAZ. Ook voor deze situatie geldt de
voorrangsregeling die wordt neergelegd in artikel
8, twaalfde en dertiende
lid, van de WAZ (zie onderdeel D).
Onderdeel L
(artikel 71,
eerste lid, van de WAZ)
Zie voor een toelichting
op dit onderdeel paragraaf 2.2.
Onderdeel M
(artikel 72,
derde lid, van de WAZ)
In dit onderdeel wordt
voorgesteld artikel 72, derde lid, van de WAZ
te laten vervallen. Deze
bepaling ziet op de gebruikelijkloonbepaling voor
aanmerkelijkbelanghouders.
Voor de WAZ worden de door een aanmerkelijkbelanghouder
genoten zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige
arbeid bij fictie gesteld op ten minste €|38
118,-.
Hiervan kan worden
afgeweken indien de aanmerkelijkbelanghouder aannemelijk maakt dat dit
in soortgelijke arbeidsverhoudingen waarin geen sprake is van
aanmerkelijk belang een lager bedrag is. Artikel 12a van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB) kent een soortgelijke bepaling.
Het feit dat er een
tweetal regelingen bestaan die nagenoeg hetzelfde regelen, vindt zijn
oorzaak in het feit dat er op het moment dat een dergelijke bepaling in het
wetsvoorstel WAZ werd opgenomen, er in de inkomstenbelasting, noch indirect via het aan
de loonbelasting ontleende loonbegrip, een wettelijke mogelijkheid bestond om belasting te kunnen
heffen over fictief
salaris van een aanmerkelijkbelanghouder. Het was derhalve voor een
effectieve premieheffing WAZ in die situatie niet mogelijk aan te sluiten bij een
inkomen in de inkomstenbelasting.
Toch vond de wetgever het
uit het oogpunt van rechtsgelijkheid tussen winstgenieters in de inkomstenbelasting en aanmerkelijkbelanghouders
wenselijk dat ook deze
laatste categorie verzekerd is voor de WAZ en dus premie WAZ moeten
betalen. Daarom werden de inkomsten van de aanmerkelijkbelanghouder
uit zijn arbeidsverhouding forfaitair ten minste gesteld op het maximumpremie-inkomen dat voor de WAZ wordt vastgesteld.
Met de invoering van de
gebruikelijkloonregeling is de noodzaak van artikel
72, derde lid,
van de WAZ komen te vervallen. Dit houdt in dat dan ook conform de bedoeling
van de wetgever bij de aanmerkelijkbelanghouder met een fictief
gebruikelijk loon de hoofdregel van artikel 72, eerste lid, van de
WAZ kan worden toegepast ter bepaling van het
premie-inkomen
WAZ. Conform artikel 1,
eerste lid, onderdeel l, van de WAZ moet
rblz.|24|
voor de bepaling van het
belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid worden uitgegaan van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Onderdeel P
(artikel 101
van de WAZ)
Bij de inwerkingtreding
met ingang van 1 juli 2000 van (enige artikelen van) de Wet van 20
januari 2000 tot wijziging van het Wetboek
van Strafrecht en andere wetten met het
oog op de opneming in het Wetboek van Strafrecht van eenvormige
strafbepalingen inzake het verstrekken van onware gegevens en het
nalaten te voldoen aan wettelijke verplichtingen om tijdig gegevens te
verstrekken (concentratie strafbaarstelling frauduleuze gedragingen
(Stb. 2000, 40)) zijn tegelijkertijd de artikelen 99a,
99b en
99c van de WAZ
en
de artikelen 73a, 73b
en 73c van de Wajong
vervallen. Dit is bepaald
in artikel XXXVII, tweede lid, van de Aanpassingswet nieuwe en
gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Met het laten vervallen
van de artikelen 99a tot en met 99c
van de
WAZ en 73a
tot en met 73c van de Wajong
is
verzuimd de tekst van de artikelen 101 van de
WAZ en 75 van de
Wajong
aan te passen in die zin dat geen verwijzing naar de vervallen
artikelen meer voorkomt.
Artikel
XII. Wijziging
van de Wajong
Onderdeel A (artikel
2, negende lid, onderdeel b, van de Wajong)
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op artikel XI, onderdeel
A (eenzelfde wijziging als in dit onderdeel wordt voorgesteld in de WAZ).
Onderdelen B en
C (de
artikelen 11, vijfde lid, en 17, tweede lid, van de
Wajong)
Met de inwerkingtreding
van de Wet verbetering poortwachter (Stb. 211, 628) is artikel
8, derde
lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) vervallen. Reden hiervoor was dat in plaats van de bijzondere
bepaling omtrent herschatting (van de mate van arbeidsongeschiktheid)
bij het weigeren mee te werken aan scholing, werd aangesloten bij de
algemene sanctie, bedoeld in artikel 38, onderdeel g,
juncto 37 van de Wajong.
Deze algemene sanctie houdt de tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering in.
Abusievelijk zijn in de
Wet verbetering poortwachter de artikelen 11, vijfde lid, en
17, tweede lid,
van de Wajong, waarin naar
artikel 8, derde lid, wordt verwezen, niet aangepast. Deze verwijzing wordt met onderhavige
aanpassing gecorrigeerd.
Onderdeel F (artikel
50,
derde lid, van de Wajong)
Derde lid
Voor de jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer geldt het volgende. In artikel 10
van de Wiw is geregeld dat de gemeente de
jongere die op grond van
de Wsw is geïndiceerd voor het verrichten van arbeid onder aangepaste
omstandigheden, doch voor wie nog geen Wsw-dienstverband
beschikbaar is, een dienstbetrekking wordt aangeboden ingevolge de Wiw. In een
dergelijke dienstbetrekking wordt arbeid verricht onder aangepaste omstandigheden, als bedoeld in de
Wsw.
Achtergrond van deze
bepaling is dat het niet zinvol is de jongere in afwachting van een
plaatsingsmogelijkheid in de Wsw, werkloos thuis te laten zitten. De
plaatsing in de Wiw is dan ook slechts aan te merken als een plaatsing in
afwachting van een arbeidsovereenkomst ingevolge de Wsw.
rblz.|25|
Hoewel er dus feitelijk
(nog) geen sprake is van een arbeidsovereenkomst ingevolge Wsw
komt dat er
wel op neer. Slechts het enkele feit dat nog geen mogelijkheid tot
plaatsing in de Wsw beschikbaar is, is afwijkend van de
arbeidsovereenkomst ingevolge de Wsw.
De inkomsten van de
jonggehandicapten worden dan voor de duur van drie jaar geanticumuleerd. Een
Wiw-dienstbetrekking, in afwachting van een Wsw-plaatsing, kan echter
langer dan drie jaar duren. Na ommekomst van deze drie jaar mag
deze jonggehandicapte op grond van artikel 2, zevende lid, van de
Wajong niet geschat worden op werk in het kader van de
Wsw. Ingevolge het
thans luidende artikel 50, derde lid, van de
Wajong mag de
anticumulatie evenmin langer worden toegepast; het betreft immers geen Wsw-dienstverband
(hoofdstuk 2), evenmin gaat het
om een Wsw-geïndiceerde
die bij een werkgever een dienstverband aangaat en waarvoor de
werkgever ingevolge hoofdstuk 3 van de Wsw
subsidie krijgt.
Met de onderhavige
aanpassing in het derde lid wordt door toevoeging van onderdeel b beoogd in
deze specifieke situaties de dienstbetrekking ingevolge de Wiw, voor de
toepassing van de Wajong, gelijk te trekken met arbeidsovereenkomsten
als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de
Wsw.
Onderdeel H (artikel 75
van de Wajong)
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op artikel XI, onderdeel
P (eenzelfde wijziging als in dit onderdeel wordt voorgesteld in de WAZ).
Artikel
XIII. Wijziging
van de WW
Onderdeel C (artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, van de WW)
In
artikel 19, eerste
lid, onderdeel b, onder 1º, van de WW is onder andere bepaald dat de werknemer die een
uitkering ontvangt op grond van de Wajong, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, geen recht heeft op WW-uitkering. In
artikel 19, eerste lid, onderdeel b, onder 2º, van de WW
is hetzelfde bepaald voor de
werknemer die een volledige uitkering op grond van de WAZ
ontvangt, tenzij hij werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die hij,
voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de
WAZ,
vervulde naast de werkzaamheden waarin hij WAZ-verzekerd
was.
Voor de invoering van de
WAZ en de Wajong gold een uitsluitingsgrond bij het ontvangen van een volledige uitkering op grond van de
AAW. Bij
het intrekken van de AAW
is deze uitsluitingsgrond vervangen door de bovengenoemde
uitsluitingsgronden. Bij nader inzien is dit niet terecht. Werknemers waren zowel
verzekerd op grond van de AAW als verzekerd op grond van de WAO. De
uitsluitingsgrond was er om te voorkomen dat werknemers uit dezelfde
dienstbetrekking zowel recht op een volledige AAW(/WAO)-uitkering als
recht op een WW-uitkering konden krijgen. Sedert de intrekking van
de AAW kan bij volledige arbeidsongeschiktheid uit een dienstbetrekking
alleen nog maar recht op WAO-uitkering ontstaan.
Voor jongeren en
zelfstandigen is de AAW vervangen door de Wajong en de WAZ. Het ontvangen
van een Wajong- of WAZ-uitkering vloeit niet voort uit het werken in
dienstbetrekking. Er is dus ook geen reden om het ontvangen van een
dergelijke uitkering aan te merken als een uitsluitingsgrond voor het ontvangen van
WW-uitkering.
Onderdeel D (artikel
26,
eerste lid, onderdeel e, van de WW)
Artikel 69 van de
WW is
bij de Invoeringswet SUWI komen te vervallen.
rblz.|26|
De
verwijzing naar dat
artikel in artikel 26 dient derhalve te vervallen.
Artikel 26 is
dienovereenkomstig aangepast.
Onderdeel E (artikel
27,
derde en vijfde lid, van de WW)
Op grond van de
artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de
Wet SUWI dient de aanvrager
van een uitkering op grond van de WW gegevens, bewijsstukken en overige
relevante informatie aan de CWI te verstrekken. Uit de Wet
boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb.
1996, 248) vloeit voort dat wanneer deze verplichting niet tijdig (dat
wil zeggen niet
binnen de daarvoor gestelde termijn) wordt nagekomen, een maatregel
moet worden opgelegd (zie Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr.
13, blz. 12). Wordt een inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk nagekomen,
dan dient boeteoplegging te volgen. De oude tekst van artikel
27,
derde lid, was hiermee niet in overeenstemming. Door de nieuwe formulering
van
dit artikellid wordt duidelijk dat een maatregel opgelegd dient te worden
wanneer de verplichting, bedoeld in de artikelen
28, tweede lid, en 29, eerste
lid, van de Wet SUWI, niet binnen de door de CWI daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen. Uit
artikel
27a
vloeide reeds voort dat
bij niet- of niet-behoorlijke nakoming van genoemde
inlichtingenverplichting een boete opgelegd dient te worden. De aanpassing van
artikel 27, derde lid, werkt ook door in het vijfde lid.
Onderdeel H (artikel
53,
eerste lid, aanhef, van de WW)
Zie voor een toelichting
op dit onderdeel paragraaf 2.2.
Onderdelen J,
K en N (artikelen
82, 82a en 97c
van de WW)
Zie de
toelichting bij
artikel X, onderdeel U (artikel 79b van de
WAO)
Onderdeel M (artikel 97b,
zesde, zevende en achtste lid, van de WW)
Artikel 97b
van de WW is
ingevoegd bij de Aanpassingswet OOW. Het artikel bepaalt dat het UWV
op de (gewezen) overheidswerkgever verhaalt: de WW-uitkering, de niet op de uitkering in mindering te brengen premies, de
tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de
Wet arbeid en zorg en de
vergoeding aan het Rijk van remigratiebijdragen door het Rijk aan de
remigrerende werknemer. In het vijfde tot en met zevende lid van artikel
97b van de WW zijn bepalingen opgenomen over het besluit tot verhaal.
Doordat de term "vergoeding" daarin niet is opgenomen, zou ten onrechte de
indruk kunnen ontstaan dat die leden niet van toepassing zouden zijn op
het besluit waarbij de vergoeding aan het Rijk in verband met remigratie
op de (gewezen) overheidswerkgever verhaalt. Teneinde op dat punt
volstrekt helder te zijn, wordt met dit onderdeel alsnog de term "vergoeding" in genoemde leden van
artikel
97b van de WW opgenomen.
Onderdeel O (artikel 97d,
eerste lid, van de WW)
Artikel 97d, eerste lid,
van de WW is laatstelijk gewijzigd bij Wet
van 20 december 2001, houdende wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en enige andere wetten
in verband met de invoering van een zelfstandigheidsverklaring en de
uitsluiting van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen van
de verzekering voor de werknemersverzekeringen (Stb. 2001, 695). De
wijzigingsopdracht in die wet is, gelet op de verschillende wijzen van verwerking
daarvan in verscheidene uitgaven, niet volstrekt helder geweest. Gelet
hierop wordt met dit onderdeel de tekst van artikel 97d, eerste lid, van de
WW opnieuw vastgesteld.
rblz.|27|
Onderdeel R (artikel
130,
eerste lid, van de WW)
De in
artikel 43,
onderdeel ZZ, onder 2, van de Invoeringswet
SUWI
opgenomen wijziging van artikel 130, eerste lid, van de
WW heeft geen doorgang kunnen vinden vanwege de
volgorde van inwerkingtreding van de Invoeringswet
SUWI
en de
Wet verzelfstandiging reïntegratiediensten
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Gelet hierop wordt die wijziging alsnog doorgevoerd. Voor alle
duidelijkheid geschiedt dat door het opnieuw vaststellen van de tekst
van artikel 130, eerste lid, van de WW.
Artikel
XIV. Wijziging
van de TW
Onderdeel A (artikel
1,
eerste lid, onderdeel d, g en h, van de TW)
De aanpassing van
onderdeel d (van artikel 1, eerste
lid) vloeit voort uit het feit dat, naar analogie van de
destijds op grond van de ZW en WAZ
verstrekte zwangerschaps- en
bevallingsuitkeringen, ook een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg
moet worden aangemerkt als een loondervingsuitkering (waarop een toeslag kan
worden verstrekt).
Onderdeel g verwijst naar
een niet (meer) bestaand artikel en dient te vervallen.
Onderdeel h bevat een
definitie, terwijl het gedefinieerde begrip slechts één keer (artikel
15a,
eerste lid) in de TW (en niet in lagere regelgeving) voorkomt. Het kan daarom
vervallen. Zie ook onderdeel E.
Onderdeel C (artikel
11,
achtste lid, van de TW)
Met dit onderdeel wordt
geregeld dat de aanvraag van een toeslag op een WW-uitkering wordt
ingediend bij het UWV indien de aanvraag van de WW-uitkering reeds
behandeld wordt door het UWV of indien het UWV reeds eerder beslist
heeft op de aanvraag WW. In het geval de cliënt die toeslag tegelijkertijd
met de WW-uitkering aanvraagt, leidt de aanvraag via de Centrale
organisatie werk en inkomen voor hem tot minder loketten en minder administratieve
lasten. Dat is anders indien de toeslag wordt aangevraagd op het moment dat de aanvraag voor de WW-uitkering door
de Centrale organisatie
werk en inkomen reeds is overgedragen aan het UWV of de WW-uitkering al
is vastgesteld. Voor de volledigheid zij vermeld dat dit ook geldt
indien het een toeslag betreft op een WW-uitkering die op grond van artikel
22 WW direct bij het UWV aangevraagd wordt. Het betreft de
WW-uitkeringen in het kader van een faillissement, onwerkbaar weer of werktijdverkorting.
Onderdeel D (artikel
14,
eerste en derde lid, van de TW)
Zie voor de toelichting
op dit onderdeel de toelichting op de aanpassing van artikel
27, derde en
vijfde lid, van de WW.
Daarnaast wordt er nog
een aanpassing van artikel 14, derde lid, van de
TW voorgesteld. In
artikel 14, derde lid, van de TW wordt bepaald wanneer kan worden
afgezien van een maatregel en volstaan kan worden met een schriftelijke
waarschuwing. Dat is mogelijk ten aanzien van een aantal in specifiek in
artikel 14, derde lid, genoemde verplichtingen. Daarbij was ten onrechte
ook de verplichting van artikel 55, tweede lid, van de
Wet SUWI genoemd.
Deze verplichting betreft het verstrekken van inzage in een
identiteitsdocument en geldt eveneens in het kader van de WW,
ZW, WAO, WAZ, Wajong,
Abw, AOW, Anw
en AKW. In geen van deze wetten is voorzien
in de mogelijkheid om bij overtreding van de verplichting van artikel
55, tweede lid, van de Wet SUWI te volstaan met een schriftelijke
waarschuwing. Daarom is het ook niet logisch om die mogelijkheid wel ten
aanzien van de TW te bieden.
rblz.|28|
Onderdeel E (artikel 15a,
eerste lid, van de TW)
Dit onderdeel is een
gevolg van het laten vervallen van onderdeel h van het eerste lid van
artikel 1 TW (zie onderdeel
A)
Artikel
XV. Wijziging van
de Wet Rea
Onderdeel A (artikel
2,
vierde en vijfde lid, van de Wet Rea)
In
artikel 2, vierde lid,
van de wet is bepaald dat degene ten aanzien van wie is vastgesteld dat
hij arbeidsgehandicapte is, dit blijft gedurende een periode van vijf jaar na
de datum van vaststelling. Doel van deze bepaling is bevordering van de
reïntegratie. Doordat de betrokkene langer als arbeidsgehandicapte wordt
beschouwd, zijn de instrumenten uit de Wet Rea immers langer van
toepassing. Dat geldt tevens voor het reïntegratie-instrument dat is opgenomen in
artikel 29b van de ZW (overname loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte
arbeidsgehandicapte).
Het is mogelijk dat op de
datum van vaststelling vaststaat dat de betrokkene al arbeidsgehandicapte
was met ingang van een eerdere datum dan de datum van de
vaststelling. Thans bestaat theoretisch al de mogelijkheid een werknemer met
terugwerkende kracht, dus vóór het moment van vaststelling, bedoeld in artikel
2, vierde lid, aan te merken als arbeidsgehandicapte
(tot 1 juli 1998; moment
van het in werking treden van de Wet Rea).
Het is wenselijk dat het
moment waarop de periode van vijf jaar, bedoeld in artikel
2, vierde lid,
aanvangt niet de datum van vaststelling is, maar de datum van ingang van de
arbeidshandicap. Daarmee wordt bereikt dat voor alle
arbeidsgehandicapten van wie is vastgesteld dat ze arbeidsgehandicapt
zijn, de periode
waarvoor
die vaststelling geldt vijf jaar is. Op grond van de huidige
tekst kan een persoon namelijk theoretisch gedurende de periode voorafgaande
aan de datum van vaststelling en gedurende nog eens vijf jaar vanaf
die datum als arbeidsgehandicapte worden aangemerkt, terwijl van
de betrokkene van wie de vaststelling niet met terugwerkende kracht
geschiedde, de periode slechts vijf jaar is. Een dergelijke mogelijke
interpretatie is niet door de wetgever bedoeld. De voorgestelde
wijziging
biedt ook op dit punt een verduidelijking.
In
artikel 2, vijfde lid,
onderdeel b, is bepaald dat een Wsw-werknemer of iemand die werkzaam is op
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7
Wsw niet als
arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt in de zin van de Wet
Rea. In samenhang met
de voorgestelde aanpassing van artikel 50, derde lid,
Wajong (zie
artikel XII, onderdeel F) voor Wajong-ers die zijn geïndiceerd voor de
Wsw en in afwachting van een Wsw-dienstbetrekking een Wiw-betrekking
krijgen aangeboden, wordt voorgesteld die categorie ook onder die
uitzondering te laten vallen.
Onderdeel B (artikel
10,
eerste lid, van de Wet Rea)
Bij de wijziging van de
Wet Rea in het kader van Belastingplan 2002
V - Socialezekerheidswetgeving is
de uitzondering van de dienstbetrekking in de zin van de Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) in de Wet Rea komen te vervallen. De
bedoeling van die wijziging is dat de Wiw-dienstbetrekking voor
de toepassing van de Wet Rea wordt gezien als een gewone
dienstbetrekking (wat het juridisch ook is) en de Wiw-werknemers als gewone
werknemers. Op de werknemer in de Wiw-dienstbetrekking is
artikel 31 van de Wet Rea van toepassing. De taak van het
UWV ten
opzichte van deze werknemers vloeit daarmee voort uit het wettelijk stelsel
en hoeft dus niet apart geregeld te worden. Dit is echter wel gedaan door
aan artikel 10 een nieuw onderdeel e toe te voegen. Daarmee wordt
geregeld dat het UWV een taak heef ten aanzien rblz.|29|
van de
arbeidsgehandicapte die in dienstbetrekking staat als bedoeld in
de Wiw. Deze toevoeging
past echter niet in het stelsel van de Wet Rea en kan daarom beter
vervallen. Dit onderdeel voorziet daarin.
Onderdeel C (artikel
16,
eerste lid, van de Wet Rea)
Dit artikel bevat een
taalkundige verbetering van artikel 16, eerste lid,
Wet Rea.
Onderdeel D (artikel 20
van de Wet Rea)
Abusievelijk is verzuimd
bij Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving
een opschrift aan het nieuwe artikel 20
Wet Rea toe te voegen. Dit artikel voorziet daarin.
Onderdeel E (artikel 22a,
eerste lid, van de Wet Rea)
Op het moment van
inwerkingtreding van artikel 22a van
de Wet Rea was de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen nog niet in werking getreden.
Derhalve gold op dat moment nog niet de verplichting voor het UWV, bedoeld in artikel 10, derde lid, van de
Wet Rea, om de werkzaamheden
waarmee de taak tot bevordering van de inschakeling in het
arbeidsproces van de arbeidsgehandicapte ten aanzien van wie de werkgever geen
reïntegratieverplichting heeft te laten verrichten door een natuurlijk persoon
dan wel rechtspersoon die, in het kader van de uitoefening
van beroep of bedrijf, de inschakeling van personen in de arbeid
bevordert. Sinds de inwerkingtreding van de Invoeringswet
SUWI
(en de
wijziging van artikel 10 van de Wet
Rea) oefent het UWV zijn in
artikel 10 bedoelde taak met name uit door reïntegratietrajecten
bij reïntegratiebedrijven in te kopen. Niet alle arbeidsgehandicapten die
zo’n traject volgen, krijgen ook een voorziening op grond van artikel 22
of verrichten werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel
23. Omdat deze personen niet onder de doelgroep van artikel 22a
vallen,
kan het UWV hun eventuele kosten van kinderopvang niet financieren. Omdat
het gewenst is dat ook de kosten van kinderopvang van arbeidsgehandicapten
die een reïntegratietraject volgen maar geen voorzieningen op grond van
artikel 22 ontvangen of die werkzaamheden
verrichten op een
proefplaats als bedoeld in artikel 23, gefinancierd kunnen worden, wordt de
doelgroep met artikel 10, eerste lid, van de
Wet Rea
uitgebreid.
De wijziging van artikel
22a van de Wet
Rea werkt terug tot en met 1 juli 2003. Met ingang van deze
datum zijn de contracten met reïntegratiebedrijven van kracht op basis van
de nieuwe aanbestedingsprocedure van het UWV. Aan
arbeidsgehandicapte cliënten die in het kader van een reïntegratietraject op
basis van het bestek van deze procedure een opleiding of scholing gaan volgen,
zal geen vergoeding van de kosten worden verstrekt op grond van
artikel 22, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Wet
Rea. Aan het reïntegratiebedrijf zal vergoeding voor de kosten van
de opleiding of scholing
worden verstrekt via de trajectprijs, op grond van artikel 10 van de
Wet Rea. De cliënt op wie deze regeling van toepassing is, is dus niet aan te
merken als een arbeidsgehandicapte aan wie een voorziening op grond van
artikel 22 van de Wet
Rea is toegekend.
Onderdeel F (artikel
24,
eerste lid, van de Wet Rea)
In het huidige
artikel 24, eerste lid, wordt voorgeschreven dat een aanvraag voor toekenning
van een reïntegratie-uitkering moet worden ingediend vóór aanvang
van onbeloonde werkzaamheden, scholing of opleiding. Het komt
echter voor dat een reïntegratiebedrijf, handelend in opdracht van het UWV, al
begint met een scholing die gewenst is om iemand te kunnen
plaatsen, terwijl er nog geen aanvraag voor een rblz.|30|
reïntegratie-uitkering is
ingediend. Om dergelijke praktische problemen te voorkomen, wordt
voorgesteld te bepalen dat een aanvraag voor een reïntegratie-uitkering
niet alleen kan worden ingediend vóór de aanvang van de onbeloonde
werkzaamheden, scholing of opleiding, maar ook binnen één maand daarna.
Onderdeel G (artikel 25
van de Wet Rea)
Door de technische
wijziging in het eerste lid wordt, net als bij de WW-uitkering, de
vakantietoeslag op de reïntegratie-uitkering maandelijks gereserveerd en in mei of
bij het einde van de uitkering (in plaats van vierwekelijks)
uitbetaald.
Onderdeel H (artikel 32
van de Wet Rea)
Door toevoeging van het
woord "verricht" aan artikel 32 ontstaat de mogelijkheid
loonsuppletie toe te kennen aan de arbeidsgehandicapte werknemer die binnen de
bestaande dienstbetrekking bij zijn eigen werkgever de arbeid hervat, zonder
dat hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend dan wel zo’n uitkering is herzien. Hiermee wordt
duidelijk gemaakt dat het
voor de toekenning van loonsuppletie geen noodzakelijke
verstrekkingsvoorwaarde is dat het aanvaarden van de aangepaste arbeid gelegen
moet zijn na de schatting.
Overigens betekent dit
niet dat meteen bij de aanvaarding van de arbeid ook loonsuppletie kan
worden toegekend. Dit komt eerst aan de orde na afloop van het wachtjaar
en na het moment waarop is vastgesteld dat de nieuwe arbeid wordt
verricht tegen een lager loon dan theoretische verdiencapaciteit (zie
ook de toelichting op artikel 17 van het
Reïntegratieinstrumentenbesluit Wet Rea).
Onderdeel I (artikel 33a
van de Wet Rea)
De wijziging van het
eerste lid van artikel 33a, eerste lid, is nodig omdat het na inwerkingtreding
van de Wet eigen risico dragen Ziektewet mogelijk is dat een werkgever
verantwoordelijk is voor de reïntegratie van een (ex-)werknemer wiens
dienstbetrekking is beëindigd. Hierbij kan gedacht worden aan flexibele
arbeidskrachten die hebben gewerkt voor ondernemingen in de uitzendbranche. Het
is de bedoeling dat ook aan deze persoon een
persoonsgebonden reïntegratiebudget kan worden verstrekt.
In het oude
artikel 33a,
derde lid, werden het tweede tot en met het vijfde lid van artikel 33 van de
Wet Rea van overeenkomstige toepassing verklaard. Bedoeling van
de wetgever was hiermee te verwijzen naar artikel
33, tweede tot en
met vijfde lid, zoals dat zou luiden na inwerkingtreding van artikel 57, onderdeel
V, van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen. Omdat dit artikel uit de Invoeringswet
SUWI
nog
niet in werking is getreden en artikel 33 van de
Wet Rea nog niet is
aangepast, verwijst artikel 33a, derde lid, naar het verkeerde artikel.
Derhalve is de tekst van de desbetreffende leden van artikel 33 opgenomen in
artikel 33a. Deze wijziging werkt terug tot en met 1 januari 2002, omdat dit
artikel vanaf die datum in de Wet Rea is opgenomen.
Onderdelen J en
K (artikel
34, tweede lid, en 35, tweede lid, van de
Wet Rea)
Met de inwerkingtreding
van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Invoeringswet SUWI) is in de Wet Rea een artikel 33a
opgenomen. Op
grond van dit artikel kan aan een arbeidsgehandicapte werknemer een persoonlijk
reïntegratiebudget in de vorm rblz.|31|
van een subsidie worden verstrekt. Dit artikel is in de Invoeringswet SUWI
abusievelijk niet
opgenomen in de artikelen 34 en 35 van de
Wet Rea. Deze artikelen regelen de
intrekking, herziening en wijziging en terugvordering van onder andere op grond
van die wet verstrekte subsidies. Met de onderhavige wijziging
wordt artikel 33a aan artikel
34, tweede lid, en artikel 35, tweede lid,
van de Wet Rea toegevoegd.
Deze wijziging van de Wet Rea houdt niet in dat tot het moment van inwerkingtreding van deze
onderdelen van de wet de subsidies, verstrekt op grond van artikel 33a
van de Wet Rea, niet kunnen worden ingetrokken, gewijzigd of
teruggevorderd. Dat kan immers rechtstreeks op grond van de artikelen
4:49 en 4:57 van de Algemene wet
bestuursrecht. Met de onderhavige
wijziging wordt dus slechts de systematiek van de Wet Rea gecomplementeerd.
Onderdeel L (artikel 39
van de Wet Rea)
Op grond van
artikel II,
onderdeel Ib, van het Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving is in artikel 39 van de
Wet Rea
de bevoegdheid voor de minister opgenomen regels te stellen omtrent de aanvraag van de instrumenten,
bedoeld in hoofdstuk 3 en 4 van
die wet, en de termijn waarbinnen die aanvraag wordt ingediend. Genoemde bepaling
biedt evenwel niet de
mogelijkheid om tevens regels te stellen met betrekking tot de consequenties van
een overschrijding van de door de minister vastgestelde aanvraagtermijn. Deze mogelijkheid wordt thans toegevoegd.
Onderdeel M (artikel
44,
vierde lid, van de Wet Rea)
Het is gewenst dat het
UWV bij de subsidieverlening op grond van artikel 44 van de
Wet Rea verplichtingen aan de scholingsinstituten kan opleggen. Sommige
verplichtingen kunnen reeds op grond van artikel 4:37 van de
Algemene wet
bestuursrecht (Awb) opgelegd worden. Op grond van artikel 4:38
Awb kunnen, wanneer het een subsidie betreft die op een wettelijk
voorschrift berust, doelgebonden verplichtingen die niet in artikel 4:37
Awb
worden genoemd slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening worden opgelegd. Op grond van
4:39 Awb kunnen
niet-doelgebonden verlichtingen worden opgelegd voor zover dit bij wettelijk
voorschrift is bepaald.
De wijziging van
artikel
44 strekt ertoe het UWV in de gelegenheid te stellen andere dan de in
artikel 4:37 van de Awb genoemde verplichtingen op te leggen aan de
subsidieontvanger.
In het nieuwe derde lid
van artikel 44 van de Wet
Rea wordt met verplichtingen omtrent vermogensvorming
bijvoorbeeld gedoeld op beleggingsvoorschriften of de wijze van
bekostiging van een reorganisatie. Verder kan bij "registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is
bereikt" gedacht worden
aan het gebruik door de scholingsinstituten van het cliëntvolgsysteem.
Ten slotte is, gelet op
artikel 4:41 van de Awb, geregeld dat het UWV verplichtingen kan
opleggen met betrekking tot de "vergoeding van met subsidie behaald
vermogensvoordeel". Hierbij wordt bijvoorbeeld de "terugstorting" naar
het UWV van de opbrengst van bepaalde, gedeeltelijk met publiek geld
gefinancierde, activa bedoeld.
Onderdeel N (artikel 49b
van de Wet Rea)
Artikel 49b
van de Wet Rea zal per 1 januari 2004 worden gewijzigd. De oorsprong van deze
wijziging is gelegen in artikel XVI van de
Wet beslistermijnen sociale verzekeringen. Vervolgens hebben de
Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, het rblz.|32|
Belastingplan 2002 V
- Socialezekerheidswetgeving en de Verzamelwet SZW-wetten 2001
dit
artikel respectievelijk artikel 49b
van de Wet
Rea (per 1 januari 2004) weer gewijzigd.
Om te voorkomen dat al deze wijzigingen op 1 januari 2004 tot
verwarring leiden, vervallen die wijzigingsartikelen in genoemde wetten op grond
van deze wet en wordt met dit voorstel in de
Wet
Rea de tekst van
artikel 49b van de Wet
Rea per 1 januari 2004 opgenomen.
Onderdeel O (artikel 87b
van de Wet Rea)
In Belastingplan 2002 V
-
Socialezekerheidswetgeving is overgangsrecht getroffen voor de voorheen bestaande subsidies op
grond van artikel 15 van de Wet
Rea. Op grond van de huidige tekst van
artikel 87b van de Wet Rea zullen deze subsidies nog onbeperkt van
toepassing blijven. Dit heeft tot gevolg dat er nog lange tijd twee systemen
van subsidiëring naast elkaar zullen blijven bestaan. Dit wordt
onwenselijk geacht. Voorgesteld wordt artikel 87b
van de Wet Rea zodanig te
wijzigen dat aanvragen op grond van het oude artikel 15 van de
Wet Rea nog tot 1 januari 2004 kunnen worden ingediend.
Worden er nadien door de
werkgever nog kosten gemaakt, dan kan de werkgever aanspraak maken
op de subsidie, bedoeld in het nieuwe artikel 16 van de
Wet Rea.
Artikel
XVI. Wijziging
van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
In
artikel XV van de Wet
terugdringing ziekteverzuim is de loondoorbetalingsplicht geregeld bij ziekte van
overheidspersoneel als equivalent van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 62, derde lid, van de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW), dat genoemd
artikel XV niet van toepassing is [verklaart, red.] op de overheidswerknemer die op
of na 1 januari 2001 recht krijgt op ziekengeld, is in dat verband
onlogisch. Bovendien kan aldus een cirkelredenering ontstaan, omdat in artikel
29, eerste lid, onderdeel b, van de ZW
is bepaald dat, behoudens een aantal
aangewezen situaties, geen ziekengeld wordt uitgekeerd als de
verzekerde recht heeft op bezoldiging. Het onderhavige artikel
62, derde lid, van de OOW kan, gezien het doel van de
OOW, nu vervallen.
Artikel XVII.
Wijziging
Wet beslistermijnen sociale verzekeringen
In de
Wet beslistermijnen
sociale verzekeringen is bepaald dat voor de
eindewachttijdbeoordeling
van de WAO, WAZ en Wajong de beslistermijn van
dertien weken per 1
januari 2004 wordt verkort tot acht weken. De Wet beslistermijnen
sociale verzekeringen is op 1
januari 2001 in werking getreden. Vervolgens is op 1 april 2002 de Wet
verbetering poortwachter van kracht geworden. Sinds die datum dient het
UWV voor de eindewachttijdbeoordeling binnen de beslistermijn niet alleen
een claimbeoordeling uit te voeren, maar moet het ook een beoordeling van het reïntegratieverslag geven. Voor een
gedegen beoordeling van
zowel het reïntegratieverslag als de claimbeoordeling is veel meer tijd nodig
dan acht weken.
Met deze wijziging wordt
de huidige beslistermijn van dertien weken voorlopig gehandhaafd. Bij de
herziening van het gehele WAO-complex wordt nader bezien welke
beslistermijn voor de eindewachttijdbeoordeling zal gaan gelden.
Het spreekt voor zich dat
deze wijziging voor de cliënt geen nadelige gevolgen heeft. Omdat
uiterlijk binnen negen maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid een
aanvraag moet worden gedaan, is ook met een rblz.|33|
beslistermijn van dertien weken gewaarborgd dat uiterlijk op de eerste dag waarop de wachttijd
eindigt duidelijkheid bestaat over het recht op uitkering.
Artikel
XIX. Wijziging
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering
Per 1 december 2001 zijn
de uitkering in verband met zwangerschaps- en bevallingsverlof en de tegemoetkoming bij onderbreking van de arbeid
ten behoeve van zorg of
educatie overgeheveld van de Ziektewet respectievelijk de
Wet financiering
loopbaanonderbreking naar hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en
zorg. Bovendien zijn in hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg uitkeringen geregeld bij
verlof in verband met adoptie en in verband met pleegzorg.
Gelet op het feit dat de
Wet arbeid en zorg zich niet onmiddellijk aandient als een
socialeverzekeringswet, wordt artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de
Coördinatiewet
sociale verzekering aangepast, teneinde te expliciteren dat de aanspraak op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, en de aanspraak op grond van
hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg
- evenals voorheen de
aanspraak op grond van de Ziektewet in verband met zwangerschaps- en
bevallingsverlof en de aanspraak op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking
- niet tot het loon behoort.
Artikel XX.
Wijziging van
de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
Onderdeel C (wijziging
van artikel XIII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen)
Op grond van het tweede
lid van artikel XIII van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Invoeringswet) blijft
artikel 36a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing op personen
die in het eerste lid van bedoeld artikel van de Invoeringswet worden
genoemd. Gevolg hiervan is dat een persoon die naast een WAO-uitkering
als zelfstandige arbeid blijft verrichten, bij een toegenomen
arbeidsongeschiktheid na 1 januari 1998, als gevolg van het van toepassing blijven
van artikel 36a AAW
(op grond waarvan de AAW
uitkering niet wordt uitbetaald als tevens recht bestaat op een
WAO-uitkering) geen WAZ-uitkering wordt betaald, ook al is deze hoger dan zijn WAO-uitkering.
Ook verhoging van de
WAO-uitkering op grond van artikel VI van de
Invoeringswet is niet
altijd mogelijk, omdat daarin is bepaald dat dat artikel slechts van
toepassing is indien artikel 46a van de
WAO op 31 december 1997 al werd
toegepast.
Het bij toegenomen
arbeidsongeschiktheid na 1 januari 1998 van toepassing blijven van artikel
36a
van de AAW
zonder dat de WAO-uitkering kan worden verhoogd, is
strijdig met het uitgangspunt van de Invoeringswet dat het vervallen van de
AAW geen negatieve gevolgen zou mogen hebben voor degenen die op dat moment al uitkeringsgerechtigd zijn. In
verband daarmee wordt in
dit artikel voorgesteld artikel 36a van de AAW
niet van toepassing te
laten zijn voor zover er sprake is van een hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de WAZ als de WAO, tenzij de WAO-uitkering verhoogd
wordt op grond van artikel VI van de Invoeringswet. Dit heeft
tot gevolg dat dat deel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering toch tot uitbetaling
komt.
Onderdelen C en
D
(wijziging van de artikelen XIII en XXIV van de
Invoeringswet nieuwe en
gewijzigde ongeschiktheidsregelingen)
De
artikelen XIII en XXIV
zouden zo kunnen worden geïnterpreteerd dat de rblz.|34|
met de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden geïntroduceerde
uitsluitingsgronden niet
gelden voor personen die hun recht op uitkering ontlenen aan het
overgangsrecht. Dit effect is ongewenst en onbedoeld. Om die reden zijn die
artikelen aangevuld met de desbetreffende WAZ-
respectievelijk Wajong-bepalingen.
Artikel
XXIII. Wijziging
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel D (artikel
16,
zevende lid, van de Wet SUWI)
Gebleken is dat de
grondslag voor ministeriële regeling van de rechtspositie van voorzitter en leden
van de Raad voor werk en inkomen [RWI, red.]
te beperkt is omschreven; de nu
voorgestelde ruimere formulering is gelijk aan die voor regeling van de
rechtspositie van de leden van de Raden van bestuur en Raden van advies,
opgenomen in artikel 5, eerste lid, van de Wet
SUWI.
Onderdeel E, onder 1 (artikel
28, eerste lid, van de Wet SUWI)
Bij
artikel XIV,
onderdeel C, wordt in een nieuw artikel 11, achtste lid, van de
Toeslagenwet geregeld
in welke gevallen een aanvraag van een toeslag in aanvulling op
een WW-uitkering, in afwijking van artikel
11, tweede lid, van die wet,
niet bij het CWI [Centrum voor werk en inkomen, red.]
maar bij het UWV moet worden ingediend; het gaat
daarbij om gevallen waarin de aanvraag van de WW-uitkering al behandeld
wordt door het UWV of het UWV al eerder beslist heeft op de
aanvraag WW. Als complement op deze bepaling wordt voorgesteld in de Wet
SUWI te bepalen dat de aanvraag van een toeslag alleen bij het
CWI wordt ingediend indien het betreft een aanvraag in aanvulling op een
WW-uitkering als bedoeld in artikel 11, tweede lid,
Toeslagenwet. Bij wijze
van overgangsmaatregel was hierin ook al voorzien door artikel 7.3a
van de
Regeling SUWI (daarin opgenomen bij Ministeriële Regeling van 2 april
2002, Stcrt. 2002, 66); met de inwerkingtreding van de onderhavige wijziging
en van de bedoelde wijziging van de Toeslagenwet kan dit
artikel van de
Regeling SUWI vervallen.
Onderdeel G (artikel 30
van de Wet SUWI)
De
Wet eigen risico dragen
Ziektewet (Stb. 2002, 584) bevat in artikel V, onderdeel
A, de opdracht
tot wijziging van artikel 18, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet SUWI. Die
opdracht kan niet worden uitgevoerd omdat het betreffende artikel in de
loop van het wetgevingsproces artikel 30 van de
Wet SUWI is geworden (artikel 18 van de
Wet SUWI bevat ook geen onderdelen). Met het
onderhavige artikel wordt de betrokken wijziging alsnog aangebracht in
artikel 30 van de Wet SUWI.
Onderdeel I (artikel 43
van de Wet SUWI)
Het is ten behoeve van
het toezicht wenselijk ook met betrekking tot nader aan te wijzen besluiten
van het Inlichtingenbureau (IB) voor te schrijven dat deze ter kennis
worden gebracht van de Inspectie Werk en
Inkomen. Hiervoor wordt alsnog een
wettelijke basis gecreëerd.
Onderdeel J (artikel
46,
derde lid, van de Wet SUWI)
Dit onderdeel stelt
buiten twijfel dat de op grond van artikel 46
Wet SUWI te stellen ministeriële
regels niet alleen op de indiening van de begroting, het jaarplan en het
meerjarenbeleidsplan betrekking kunnen hebben, maar ook op de inhoud van
die stukken.
rblz.|35|
Onderdeel K (artikel
54,
derde lid, van de Wet SUWI)
De
Sociale
verzekeringsbank dient in verband met de uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet
te allen tijde te kunnen beschikken over gegevens betreffende studiefinanciering; daarom wordt de IBG toegevoegd aan de instellingen die
op grond van artikel 54, derde lid, Wet
SUWI een informatieplicht hebben.
Uit de formulering van de aanhef van het derde lid volgt dat de
verplichting geldt jegens de SVB, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van
aan de SVB opgedragen wettelijke taken (lees: de AKW), en jegens
de toezichthouder, de Inspectie Werk en Inkomen. De bepaling
vormt het complement op artikel 9e, derde lid, van de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank.
Het voorgaande geldt
mutatis mutandis ook voor het verstrekken van gegevens door het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) aan de Sociale
verzekeringsbank. De SVB heeft die gegevens nodig om in het kader van de
uitvoering van (artikel 7 van) de AKW
te kunnen beoordelen of
kinderbijslagaanvragers hebben voldaan aan hun in dat artikel neergelegde
onderhoudsverplichting. Zonder wettelijke basis voor deze informatieverstrekking
zou een betrokkene telkens om toestemming moeten worden gevraagd,
wat een te grote belemmering vormt voor de voortgang van het
onderzoek door de SVB. Om die reden is bepaald dat ook het LBIO een
informatieplicht heeft op grond van artikel 54, derde lid,
Wet SUWI.
Onderdeel L (artikel
55,
tweede lid, van de Wet SUWI)
De omschrijving van het
begrip rijbewijs wordt in overeenstemming gebracht met die in
andere wetgeving, waaronder de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (zie artikel 47b, tweede lid)
Onderdeel M (artikel
62,
derde lid, van de Wet SUWI)
Hierdoor wordt het
imperatieve karakter aan artikel 62, derde lid,
Wet SUWI ontnomen; dit
overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling van deze delegatiebepaling.
Onderdeel N (artikel
63,
derde lid, van de Wet SUWI)
Dit onderdeel heeft
betrekking op het Inlichtingenbureau. Met betrekking tot een aantal
belangrijke besluiten van dit bureau is voorafgaande ministeriële goedkeuring vereist; dit
is geregeld door de vanovereenkomstigetoepassingverklaring van
artikel 19 van de Wet SUWI in het (bij de
Verzamelwet SZW-wetten
2001 ingevoegde) tweede lid van artikel 63 van
die wet. Die
overeenkomstige toepassing kon niet omvatten dat bij ministeriële regeling van het
goedkeuringsvereiste worden uitgezonderd de besluiten die zijn
opgenomen in het door de minister
goedgekeurde jaarplan. Reden daarvoor is dat
goedkeuring van het jaarplan van het IB in de Wet
SUWI niet is geregeld
en ook niet in de AMvB op grond van artikel 63 van de
Wet SUWI (het
Besluit Inlichtingenbureau gemeenten) kon worden geregeld, omdat daarvoor - gelet
op artikel 10:26 van de Awb
- een wettelijke basis nodig is. De met
onderdeel J voorgestelde aanvulling van artikel
63, tweede lid, Wet SUWI voorziet alsnog in die wettelijke basis (tevens voor goedkeuring van de met
het jaarplan nauw verbonden begroting). Hierdoor wordt het mogelijk in het
Besluit Inlichtingenbureau gemeenten deze goedkeuringsvereisten
alsnog op te nemen en vervolgens in artikel 1.4 van de
Regeling SUWI ook
voor het Inlichtingenbureau te bepalen (evenals al is geschied
voor CWI, UWV,
SVB en RWI) dat geen ministeriële goedkeuring is vereist
voor besluiten die zijn opgenomen in het door de minister goedgekeurde
jaarplan.
rblz.|36|
Onderdeel P (artikel
73,
eerste lid, van de Wet SUWI)
In
artikel 73 van de Wet
SUWI wordt geregeld aan welke instanties het UWV
op verzoek gegevens
verstrekt uit zijn administratie. De gegevensverstrekking aan andere
bestuursorganen voor door die bestuursorganen uit te voeren taken wordt
nader geregeld in het Besluit SUWI. Daarin is
onder meer bepaald in
welke gevallen aan de gegevensverstrekking kosten zijn verbonden (artikel
5.9). De bevoegdheid tot het verstrekken van gegevens aan private instanties op
verzoek wordt geregeld in artikel 73, eerste lid, van de
Wet SUWI. De gegevensverstrekking die daarin nu is opgenomen,
betreft
gegevensverstrekking aan CAO-fondsen of stichtingen die belast zijn met
bovenwettelijke in CAO’s geregelde regelingen (inclusief pensioenfondsen). De
verzekering van de risico’s van werkgevers die voortvloeien uit de wet
(loonbetaling bij ziekte, verhogingen gedifferentieerde-premie
of betaling WAO-uitkering bij eigen
risico dragen (Pemba)) betreft een
private uitvoering, omdat werkgevers hier individueel voor kunnen kiezen. Zo’n
verzekering kan ook uit een CAO voortvloeien. De gegevensverstrekking
aan de verzekeraar is vergelijkbaar met de andere gegevensverstrekkingen die al geregeld zijn in
artikel 73, eerste
lid.
De wenselijkheid van
regeling van deze gegevensverstrekking in dit wetsvoorstel is gelegen in het
volgende.
Werkgevers die hun risico
op grond van de socialeverzekeringswetten, te weten de doorbetaling van
loon bij ziekte van de werknemer, en Pemba-verzekeringen, bij particuliere
verzekeraars hebben verzekerd, dienen in verband daarmee aan de
verzekeraar, afhankelijk van de soort verzekering, onder andere loongegevens, dienstverbandgegevens en gegevens met betrekking
tot zichzelf te
verstrekken. Dit zijn alle gegevens waarover ook het UWV al beschikt en verwerkt in
de verzekerdenadministratie op basis van opgaven van de werkgever. Het UWV
is echter niet bevoegd deze aan een verzekeraar te verstrekken, tenzij
met uitdrukkelijke schriftelijke machtiging van de betrokkene op grond
van artikel 73, zesde lid, van de Wet
SUWI. Het structureel werken met
machtigingen als hier bedoeld zou bij het UWV tot een - kostenverhogende
- registratie van die machtigingen moeten leiden. Ter voorkoming
van onwenselijke lasten wordt daarom voorgesteld het UWV bevoegd te maken
deze door de werkgever aan het UWV gemelde gegevens te
verstrekken aan verzekeraars voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van de
uitvoering van overeenkomsten tot verzekering van genoemde socialeverzekeringsrisico’s.
Artikel
XXIV. Wijziging
van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen
De onderdelen van dit
artikel bevatten alleen technische en redactionele verbeteringen van de Invoeringswet
SUWI.
Artikel
XXV. Wijzigingen
in verband met de Wet tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen)
Indien het bij
koninklijke boodschap van 16 december 2002 ingediende voorstel van wet tot
wijziging van de Pensioen-
en spaarfondsenwet (bestuursstructuur
pensioenfondsen), Kamerstukken II 2002-2003, 28 354, eerder in werking
is getreden dan de onderhavige wet, dan dienen diverse bepalingen van
artikel V daaraan aangepast te worden. Dit artikel strekt daartoe.
Artikel
XXVII. Wijziging
van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van
artikel 27,
tweede lid, van de Invoeringswet SUWI zijn een aantal artikelen van de
(overigens in te trekken) Arbeidsvoorzieningswet rblz.|37| 1996
nog niet vervallen,
aangezien in het kader van de verzelfstandiging van onderdelen van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie is besloten die organisatie nog tijdelijk
in stand te laten (zie daaromtrent de nota van toelichting bij artikel
2, onderdeel a, van het Koninklijk besluit van 13 december 2001,
Stb. 2001, 682, alsmede het Koninklijk besluit van 12 juni 2002,
Stb. 2002, 310, waarbij
het vervallen van enige artikelen van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 is geregeld). Onder de gehandhaafde artikelen van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 is artikel 42, dat voorziet in een wettelijke
ontslagbescherming van werknemers van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Besluiten van de
ontslagcommissie die voor het ontslag van dergelijke werknemers
voorafgaande toestemming moet verlenen, waren - door vermelding
op de bijlage van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) - van bezwaar en
beroep op grond van die wet uitgezonderd. De werknemer kan een hem
onwelgevallig advies immers zo nodig in het kader van een vordering
bij de sector kanton van de rechtbank aanvechten. Deze
vermelding is - bij artikel 92, onder 1, van de
Invoeringswet SUWI
- komen te vervallen. Met de (tijdelijke) handhaving van artikel 42 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 dient echter de uitzondering van het bezwaar en beroep
op grond van de Awb eveneens te worden gehandhaafd en dus
dit artikel weer in de bijlage te worden vermeld; hierin voorziet
dit artikel.
Het herstel van de
vermelding op de bijlage geschiedt met terugwerkende kracht tot 1 januari
2002. Dit is verantwoord omdat de burger geen rechtsbescherming wordt ontnomen, maar
slechts een kennelijke omissie van de wetgever wordt
hersteld om te voorkomen dat onbedoeld een bestuursrechtelijke
rechtsgang wordt geopend die het stelsel van het arbeidsrecht zou
doorkruisen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|