St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

BESLUIT  INDEXERING  GRIFFIERECHTEN  BESTUURSRECHTELIJKE  EN  CIVIELRECHTELIJKE  WETTEN
 
  

30 januari 2004, Stb. 2004, 37
Inwerkingtreding: 1 februari 2004
(T.a.v. o.a. 8:41:5 Awb en 22:6 Bw)

 

  
 

 

 
BESLUIT van 30 januari 2004 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 10 december 2003, nr. 5258657/03/6;
     Gelet op artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 27b, tweede lid, en artikel 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 40, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken;
     De Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2004, nr. W0.03.0539/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 29 januari 2004, nr. 5268249/04/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. I.
In de in de kolommen C tot en met E van onderstaande tabel aangeduide bepalingen van de in kolom B genoemde wetten wordt de in kolom F opgenomen tekst telkens vervangen door de in kolom G opgenomen tekst.¹

MINISTERIE VAN JUSTITIE
A B C D E F G
Nr.

Wet

Artikel Lid Onderdeel Huidigertekst Nieuwertekst
1 Awb 8:41 3 a |v36,00 |v37,00
2 Awb 8:41 3 b |133,00 |136,00
3 Awb 8:41 3 c |267,00 |273,00
4 Bw 22 2 a |100,00 |102,00
5 Bw 22 2 b |201,00 |205,00
6 Bw 22 2 c |400,00 |409,00
7 Bw 22 3   |400,00 |409,00

1. In de tabel zijn enkel de voor de socialezekerheidswetgeving relevante wetten opgenomen, red.

 

Art. II.
-1. Ten aanzien van rechten die verschuldigd zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het recht zoals dat vóór die datum gold van toepassing.
-2. Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van toepassing.
-3. Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een uitspraak van een administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger beroep van toepassing.

 

Art. III.
Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2004.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 30 januari 2004

 

BEATRIX

 

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

Uitgegeven de dertigste januari 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[30 januari 2004]

 

Algemeen


     Dit besluit strekt ertoe de griffierechten in de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op de Raad van State, de Wet op de rechtsbijstand, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de tarieven in de Wet tarieven in burgerlijke zaken te verhogen met het percentage waarmee de consumentenprijsindex (CPI) vanaf 31 augustus 2002 tot en met 31 augustus 2003 is gestegen.

     Ingevolge de artikelen 8:41, vijfde lid, van de Awb, 27b, tweede lid, 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, 22, zesde lid, van de Beroepswet, 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, 40, zesde lid, van de Wet op de Raad van State en 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kunnen de griffierechten zoals vermeld in voornoemde wetten bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd indien het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) kunnen de bedragen, genoemd in de eerste titel van die wet, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd indien het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.

     De griffierechten zoals vermeld in de hiervoor genoemde wetten zijn naar aanleiding van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor de laatste maal geïndexeerd bij Besluit van 14 januari 2003 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten) (Stb. 2003, 20). Deze indexering had betrekking op de periode 31 december 2000 tot en met 31 augustus 2002. De huidige indexering ziet op het tijdvak 1 september 2002 tot en met 31 augustus 2003.

     Volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek bedragen de consumentenprijsindexcijfers totalen (alle huishoudens afgeleid), 2000 = 100, voor augustus 2002: 107,7 en voor augustus 2003: 110. Gedurende de hiervoor genoemde periode is de bedoelde index derhalve met 2,14% gestegen (110 : 107,7 * 100 = 102,13556 - 100 = 2,13556, afgerond 2,14%). Met deze stijging van het prijsindexcijfer wordt in dit besluit rekening gehouden door elk bedrag aan griffierecht en elk bedrag aan vast recht met 2,14% te verhogen. De bedragen die op deze wijze worden verkregen, worden afgerond op hele euro’s.

     De indexering wordt gebaseerd op de griffierechten zoals deze komen te luiden nadat de Wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van griffierechten) in werking is getreden. Op grond van deze wet worden de griffierechten met 15% verhoogd. In de inwerkingtredingsbepaling van dit besluit is hiermee rekening gehouden door de inwerkingtreding van het onderhavige besluit te koppelen aan de inwerkingtreding van de voornoemde wet. Het gevolg van deze koppeling is dat de gerechten en de justitiabelen niet binnen korte tijd met twee wijzigingen van het griffierecht worden geconfronteerd. Het overgangsrecht in artikel III [artikel II, red.] is identiek aan het overgangsrecht in het voornoemde wetsvoorstel. Op deze wijze is verzekerd dat één overgangsrecht geldt.

     Ten opzichte van de laatste indexering is de wijze van berekening gewijzigd. Bij de huidige indexering wordt uitgegaan van een nieuw basisjaar. De consumentenprijsindex (CPI) geeft het prijsniveau weer van een selectie van producten (het zogenaamde mandje) ten opzichte van de gemiddelde prijs in een bepaald jaar: het zogenoemde basisjaar. Vanaf 2003 is dat basisjaar 2000 (het basisjaar was 1995). De uitgaven van huishoudens kunnen in de loop van de tijd veranderen, bijvoorbeeld doordat er nieuwe producten op de markt komen of omdat de samenstelling van de bevolking anders wordt. Ook een verandering in het welvaartsniveau kan een ander aankooppatroon tot gevolg hebben. Wanneer het mandje van de CPI niet meer aansluit bij het bestedingspatroon van de consument, kiest het CBS een recenter basisjaar.

     Uit analyse van het CBS is gebleken dat de uitkomsten ten aanzien van de prijsindex over de periode juni 2002 tot en met juni 2003 niet correct zijn. De gepubliceerde prijsontwikkeling bleek te hoog te zijn ingeschat ten opzichte van de werkelijke prijsontwikkeling. Voor de griffierechten heeft dit tot gevolg dat bij de laatste indexering van de griffierechten achteraf bezien van een te hoog indexatiepercentage is uitgegaan. De omissie betrof een afwijking met enkele tientallen van een procentpunt. Met de huidige indexering wordt dit hersteld, aangezien het CBS de voornoemde omissie in de huidige prijsindexcijfers heeft gecorrigeerd.

     Artikel 46 van de Wet op de rechtsbijstand kent in het artikel zelf geen indexeringsbepaling. Indexering van de bedragen in het tweede en derde lid is echter wel mogelijk. In het tweede lid wordt bepaald dat er wordt afgeweken van artikel 8:41, derde lid, onderdeel b en c, van de Algemene wet bestuursrecht. Er wordt echter niet afgeweken van het vijfde lid van artikel 8:41 Algemene wet bestuursrecht, zodat indexering van het bedrag in het tweede lid van artikel 46 van de Wet op de rechtsbijstand mogelijk is. In het derde lid wordt bepaald dat er wordt afgeweken van artikel 40, tweede lid, onderdeel a en b, van de Wet op de Raad van State. Er wordt echter niet afgeweken van het zesde lid van artikel 40 van de Wet op de Raad van State, zodat indexering van het bedrag in artikel 46 van de Wet op de rechtsbijstand mogelijk is.

     Het griffierecht zoals dat is opgenomen in artikel 2, tweede lid, onderdeel 1º, onder c, [van de Wtbz, red.] is in navolging van het wetsvoorstel tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten ter verhoging van de opbrengst van de griffierechten (verhoging van de opbrengst van griffierechten) (Kamerstukken II 2002-2003, 28 740) niet geïndexeerd. Indexering is achterwege gebleven aangezien het griffierecht anders hoger zou zijn dan de minimumgeldsom zoals in het artikel vermeldt. De griffierechten zoals deze zijn opgenomen in het zevende en achtste lid van artikel 13 van de Wtbz zouden ook na de indexering €|15,- bedragen. Daartoe zijn deze griffierechten niet in dit besluit vermeld.

 

Overgangsrecht


     In artikel II is het overgangsrecht opgenomen. Uitgangspunt is daarbij dat indien op de dag waarop dit besluit in werking is getreden een griffierecht verschuldigd is, het oude recht (lees: het lagere griffierecht) van toepassing is. Dat betekent ook dat in geval van een kostenveroordeling alleen het griffierecht dat daadwerkelijk is betaald in rekening zal worden gebracht. Wordt vervolgens hoger beroep ingesteld, dan wordt daarvoor het nieuwe recht gehanteerd.

     Bij de bestuursrechtelijke zaken is een regeling opgenomen voor de besluiten die (uiterlijk) op de dag vóór de dag waarop dit besluit in werking is getreden bekend zijn gemaakt, ten aanzien waarvan op die dag de beroepstermijn van zes weken nog openstaat en waartegen nog geen beroepschrift is ingediend. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de beroepstermijn zes weken, te rekenen vanaf de dag waarop het besluit bekendgemaakt wordt. Eenvoudigheidshalve wordt bepaald dat ten aanzien van besluiten die (uiterlijk) op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit besluit bekendgemaakt zijn en waartegen bij een administratieve rechter (zie artikel 1:4 Awb) nog tijdig in beroep kan worden gekomen, het oude recht van toepassing blijft. In het derde lid is een vergelijkbare bepaling opgenomen ten aanzien van het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van een administratieve rechter.

 

De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x