|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 483
Aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht met
regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en
bestuursorganen (Wet elektronisch bestuurlijk
verkeer)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Noodzaak en doelstellingen van het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Reikwijdte van dit
wetsvoorstel |
| 1.3 |
Voorbereiding van dit
wetsvoorstel |
| 1.4 |
De situatie tot
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel |
| 2 |
Uitgangspunten van dit
wetsvoorstel |
| 2.1 |
De begrippen
"schriftelijk" en "elektronisch" |
| 2.2 |
Functionele
equivalenten |
| 2.3 |
Techniekonafhankelijke voorschriften |
| 2.4 |
Nevenschikking |
| 2.5 |
Facultatieve aard |
| 2.6 |
Het besluit |
| 2.7 |
Bestuursrechter |
| 3 |
Verkeer langs
elektronische weg |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Bereikbaarheid van de
burger |
| 3.3 |
Bereikbaarheid van
het bestuur |
| 4 |
Beveiliging |
| 4.1 |
Betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid |
| 4.2 |
Mate van
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid |
| 4.3 |
De richtlijn inzake
elektronische handtekeningen |
| 4.4 |
De regeling van het
Burgerlijk Wetboek en de Telecommunicatiewet |
| 4.5 |
De verhouding tussen
de norm van voldoende betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid en de
elektronische handtekening |
| 5 |
De betekenis van dit
wetsvoorstel voor verzending langs elektronische weg op
grond van de Awb |
| 6 |
De weigering een
bericht te aanvaarden |
| 7 |
Aanpassingswetgeving |
| 8 |
Uitvoering en
bedrijfseffecten |
| 8.1 |
Eenvormige uitvoering |
| 8.2 |
Bestuurslasten |
| 8.3 |
Bedrijfseffecten |
| 9 |
Notificatie |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I en III |
Algemeen
1. Inleiding
1.1. Noodzaak en doelstellingen van het wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel strekt ertoe regels te stellen voor het
verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen en tussen
bestuursorganen onderling. De snelle opkomst van de
informatietechnologie roept vragen op over de mogelijkheden die het openbaar bestuur
heeft om gebruik te maken van elektronisch verkeer en over de
voorwaarden waaraan daarbij moet worden voldaan. Bijvoorbeeld:
• Kan een bestuursorgaan zijn besluiten ook in
elektronische vorm vastleggen en bekendmaken?
• Kan een burger per e-mail een vergunning aanvragen?
• Kan een
gemeentebestuur een ontwerp-bestemmingsplan
ter inzage leggen door het op zijn website te plaatsen?
De huidige wetgeving geeft geen expliciet antwoord op
deze vragen, omdat daarin nog geen rekening is gehouden met
elektronisch verkeer. Elektronisch verkeer tussen bestuursorganen en burgers
kan een belangrijke bijdrage leveren aan het streven naar een toegankelijke
en beter presterende overheid. Door de Minister voor
Grotesteden- en Integratiebeleid worden op dit moment voorbereidingen getroffen om
betrouwbare elektronische communicatie met de overheid op grote
schaal feitelijk mogelijk te maken. Het kabinet heeft bepaald dat in het
jaar 2002 minimaal 25% van de publieke dienstverlening elektronisch afgehandeld moet
kunnen worden (zie onder meer Kamerstukken II 1999-2000,
26 387, nr. 8). Dit streven krijgt onder meer inhoud met behulp van het
programma Overheidsloket 2000. Het doel van dit programma is te komen tot een
landelijk dekkend netwerk van virtuele en fysieke
overheidsloketten. Onzekerheden over de mogelijkheden van elektronisch
verkeer en over de daaraan te stellen eisen kunnen belemmerend werken bij
de verdere uitbouw van elektronische communicatie in de sfeer van
de publieke dienstverlening die door het kabinet wordt nagestreefd.
In de nota "Wetgeving voor de
elektronische snelweg" heeft het
kabinet daarom als zijn oordeel uitgesproken dat wettelijke belemmeringen
voor elektronische rblz.|2|
besluitvorming waar mogelijk moeten worden
weggenomen, uiteraard zonder afbreuk te doen aan essentiële waarborgen
voor de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid van de besluitvorming
(Kamerstukken II 1997-1998, 25 880, nr. 2). Daarbij werd in eerste
instantie aan een in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op te nemen
experimenteerbepaling gedacht. De Minister van Justitie heeft echter bij
de mondelinge behandeling van deze nota uitdrukkelijk aangegeven
inmiddels niet meer voor een experimenteerbepaling te willen kiezen,
maar direct een meer definitieve regeling tot stand te willen brengen
(Kamerstukken II 1998-1999, 25 880, nr. 5).
Dat betekent dat ervoor
gekozen is om de ontwikkelingen op dit punt niet volledig over te laten
aan de wisselwerking van praktijk en jurisprudentie, zoals tot nu toe
bijvoorbeeld met het gebruik van de fax is gebeurd. In beginsel is dat
ook een mogelijkheid - en ook langs die weg zou het elektronisch
rechtsverkeer uiteindelijk wel normering kunnen vinden - maar verwacht
moet worden dat de periode van onzekerheid dan ongewenst lang gaat duren en dat dit belemmerend kan gaan werken op de verdere ontwikkeling
in gevallen waarin aan de technische en organisatorische voorwaarden
voor die ontwikkeling al wel kan worden voldaan.
De noodzaak van dit
wetsvoorstel is gelegen in het wegnemen van de onzekerheden die thans in
de praktijk bestaan over de vraag wanneer verkeer langs elektronische
weg met bestuursorganen mogelijk is en in het eisen van waarborgen voor
een goed verloop van dit verkeer. Het wetsvoorstel beoogt een algemeen
kader te bieden en aanknopingspunten voor de jurisprudentie te geven,
die anders zouden ontbreken. Dit algemeen kader biedt ook een basis voor
de bijzondere wetgever, die voor zover nodig met nadere voorschriften
bij het systeem van dit wetsvoorstel kan aansluiten. Aldus draagt dit
wetsvoorstel bij aan de eenheid en eenvoud van de bestuursrechtelijke
wetgeving.
Daartoe dient de Awb op
een aantal plaatsen te worden gewijzigd en te worden aangevuld. In
essentie zijn daarvoor drie zaken nodig:
1. Aangegeven moet worden wanneer verkeer langs elektronische weg is
toegestaan.
2. Aangegeven moet worden aan welke voorwaarden verkeer langs
elektronische weg moet voldoen, teneinde even betrouwbaar te zijn als
conventioneel verkeer.
3. Aangegeven moet worden in welke gevallen verkeer langs elektronische
weg kan worden gelijkgesteld aan andere vormen van verkeer.
Bij het eerste punt moet
worden gedacht aan de bereikbaarheid van burger en bestuursorgaan voor
langs elektronische weg te verzenden berichten, bijvoorbeeld met behulp
van e-mail of door het plaatsen van een stuk op een website. Dit
wetsvoorstel biedt houvast om te bepalen in welke gevallen van die
bereikbaarheid mag worden uitgegaan. Daarvoor is steeds nodig dat het
betrokken bestuursorgaan of de burger zelf aangeeft in hoeverre op die
bereikbaarheid mag worden vertrouwd. Het wetsvoorstel heeft niet tot
doel om aanspraken te vestigen op communicatie langs elektronische weg,
noch voor de burger, noch voor bestuursorganen.
Bij het tweede punt moet
met name worden gedacht aan eisen die waarborgen dat een langs
elektronische weg verzonden bericht voldoende betrouwbaar is, in die zin
dat ervan kan worden uitgegaan dat de inhoud niet is gemanipuleerd, niet
van een ander afkomstig is dan aangegeven, noch toegankelijk is voor
personen waarvoor het niet is bestemd. In dit wetsvoorstel worden
abstracte normen geformuleerd waaraan elektronisch verkeer moet voldoen
teneinde voldoende beveiligd te zijn. De wijze waarop aan deze normen
kan worden voldaan, is afhankelijk van de stand der techniek. De normen
kunnen technisch worden uitgewerkt in bijzondere regelgeving,
gedragscodes of protocollen. Dit wetsvoorstel heeft niet tot doel deze
technische vereisten vast te leggen.
rblz.|3|
Bij het derde punt moet
met name worden gedacht aan de bepalingen van de Awb die thans van de
schriftelijke vorm uitgaan, zoals de artikelen met betrekking tot het
besluit, de aanvraag en dergelijke. Uitgangspunt is dat de elektronische
weg in beginsel gelijkwaardig is aan de conventionele weg, mits hij
dezelfde functie kan vervullen.
De Vereniging van
Nederlandse Gemeenten heeft in haar advies over het voorontwerp gevraagd
naar nut en noodzaak van een aparte regeling voor bestuurlijk
elektronisch verkeer, nu in het BW [Burgerlijk
Wetboek, red.] wordt voorzien in een regeling inzake
de elektronische handtekening (Wet
elektronische handtekeningen,
Kamerstukken II 2000-2001, 27 743, nrs. 1-3). Het onderhavige
wetsvoorstel sluit wat betreft de elektronische handtekening aan bij de
voorgestelde regeling voor het BW. De elektronische handtekening levert
een bijdrage aan de betrouwbaarheid van het elektronische verkeer. De
toegevoegde waarde van het onderhavige wetsvoorstel is primair gelegen
in het hierboven als eerste en derde genoemde punt. Wat betreft het als
tweede genoemde punt is dit wetsvoorstel extra van belang voor zover de
waarborgen op een andere manier dan met behulp van een elektronische
handtekening worden bereikt.
1.2. Reikwijdte van dit
wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel bevat
een algemene regeling voor het verkeer langs elektronische weg tussen
burgers en bestuursorganen en bestuursorganen onderling. Wat betreft de
Awb zelf is deze regeling met name van toepassing op het naar voren
brengen van zienswijzen, de aanvraag tot het geven van een beschikking,
het indienen van een bezwaarschrift, beroepschrift of een klacht en aan
de zijde van het bestuur met name op de terinzagelegging en de
kennisgeving al dan niet gericht tot één of meer belanghebbenden.
Dit wetsvoorstel heeft
zowel betrekking op de primaire besluitvorming als op de
bezwaarschriftenprocedure en het administratief beroep. Het heeft geen
betrekking op het beroep bij de bestuursrechter. Het langs elektronische
weg instellen van beroep bij de bestuursrechter dient in samenhang met
het burgerlijk proces en strafproces te worden bezien. Daarom blijft het
in dit wetsvoorstel buiten beschouwing. In verschillende reacties op het
voorontwerp, waaronder die van de Hoge Raad der
Nederlanden, wordt
begrip getoond voor deze keuze, maar wordt er tevens op aangedrongen dat
de wetgever zich op korte termijn bezint over het al dan niet invoeren
van een regeling voor het elektronisch verkeer met de gerechten. De
eerste ondergetekende onderzoekt dit vraagstuk en is voornemens eind
2002 in dit kader een expertmeeting te organiseren, waarbij aan de orde
zal komen in hoeverre de hier voorgestelde regels, die betrekking hebben
op het verkeer met het openbaar bestuur, ook van toepassing kunnen zijn
op het verkeer met de bestuursrechter.
Op het verkeer met de
Nationale ombudsman heeft dit wetsvoorstel niet direct betrekking,
aangezien de Nationale ombudsman geen bestuursorgaan is. Het voorontwerp
van wet inzake het extern klachtrecht voorziet in een eenvormige
regeling voor de externe klachtbehandeling en een landelijk dekkend
stelsel van onafhankelijke klachtinstanties (Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht, Aanvulling van de Algemene wet
bestuursrecht met een regeling voor het externe klachtrecht, Den Haag
2001). Dat voorontwerp bevat onder meer bepalingen over het verkeer met
de ombudsman. Vanwege het belang van een goede en laagdrempelige toegang
is het van belang dat de algemene regeling inzake het verkeer langs
elektronische weg ook van toepassing is op het verkeer met de Nationale
ombudsman en andere klachtinstanties als bedoeld in het wetsvoorstel
inzake extern klachtrecht. Hieraan zal tegemoet worden gekomen door in
die regeling een bepaling op te nemen die tot uitdrukking brengt dat op
het verkeer met de ombudsman afdeling 2.3 van overeenkomstige toepassing
is.
rblz.|4|
Dit
wetsvoorstel bevat geen regels inzake de registratie en
archivering van elektronische documenten. Het wetsvoorstel heeft
betrekking op communicatie, met andere woorden: op het berichtenverkeer.
De
Awb bevat geen regels over de wijze waarop stukken dienen te worden
bewaard, niet voor papieren geschriften, noch voor andere soorten
documenten. Dit betekent overigens niet dat elektronische berichten niet
op een behoorlijke manier door de overheid dienen te worden bewaard,
maar wel dat de Awb daarvoor geen regels geeft. Bepalingen over het
bewaren van archiefbescheiden worden bij of krachtens de Archiefwet
1995 gesteld. In dit verband is in het bijzonder van belang de op het
Archiefbesluit
1995 gebaseerde Regeling geordende en toegankelijke staat
archiefbescheiden.
Deze recent tot stand
gekomen ministeriële regeling heeft in het bijzonder betrekking op
elektronische archiefbescheiden. Deze regeling geldt alleen de
archiefbescheiden die ingevolge een selectielijst voor bewaring in
aanmerking komen. Voor het behoorlijk bewaren van documenten en data kan
men zich ook laten leiden door bestaande en in ontwikkeling verkerende
normen zoals de ISO 15 489 Standaard voor informatie- en
archiefmanagement, die onlangs is vastgesteld.
Dit wetsvoorstel bevat
geen regeling inzake aansprakelijkheid. Met betrekking tot de
aansprakelijkheid voor onvoldoende beveiligd elektronisch verkeer gelden
de algemene regels inzake aansprakelijkheid van het Burgerlijk
Wetboek.
In Boek 6 BW zal een afdeling worden ingevoegd die betrekking heeft op
de aansprakelijkheid bij elektronisch rechtsverkeer, in het bijzonder op
de aansprakelijkheid van de certificatiedienstverlener die
gekwalificeerde certificaten uitgeeft (Kamerstukken II 2000-2001, 27 743,
nrs. 1-3).
Dit wetsvoorstel heeft
geen betrekking op het strafrechtelijke rechtsverkeer. Artikel 1:6 sluit
de toepasselijkheid hiervan uit. Zoals ook in de memorie van toelichting
van de Wet elektronische handtekeningen (Kamerstukken II 2000-2001, 27
743, nr. 3) onder woorden is gebracht, wordt voor het strafrechtelijk
rechtsverkeer afzonderlijk bekeken of, en zo ja, in welke gevallen
rechtsverkeer tussen overheid en burger langs elektronische weg zou
kunnen plaatsvinden en of daarvoor aanvullende eisen nodig zijn. Voor
wat betreft het opmaken van formele stukken in het kader van het
strafrecht wordt afzonderlijk bekeken of het gewenst is dat een proces-verbaal langs elektronische weg kan worden opgemaakt en ingezonden,
welke eisen ter zake van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid daarbij
gesteld moeten worden en welke praktische consequenties dit heeft voor
bijvoorbeeld computerprogrammatuur en -apparatuur. Met betrekking tot de
strafrechtelijke handhaving in een elektronische omgeving zij opgemerkt
dat naar aanleiding van de uitkomsten van de Commissie strafvorderlijke
gegevensvergaring in de informatiemaatschappij thans een wijziging van
het Wetboek van
Strafvordering wordt voorbereid op grond waarvan
gegevens die beschikbaar zijn bij derden ten behoeve van de opsporing
van strafbare feiten kunnen worden gevorderd (Kamerstukken II 2001-2002,
28 366, nr. 1).
1.3. Voorbereiding van dit
wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel is
gebaseerd op een op 18 april 2001 aan de Minister van Justitie en de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangeboden
voorontwerp van de Commissie wetgeving algemene regels van
bestuursrecht. Wij hebben aan een aantal adviesorganen en andere
instanties om commentaar gevraagd en voorts in ruimere kring de
gelegenheid geboden tot het maken van opmerkingen. Wij hebben de
volgende adviezen en commentaren mogen ontvangen: ¹
- Algemene Rekenkamer, brief
van 26 juni 2001, nr. 508 R;
- College van
Procureurs-Generaal, brief van 21 augustus 2001, nr. 2001080016;
- Hoge Raad der Nederlanden,
brief van 4 juli 2001, nr. 108/01/WN/LZ;
rblz.|5|
- Interprovinciaal
Overleg, brief van 4 juli 2001, nr. 40180/01;
- Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak (Wetenschappelijke commissie), brief van 25 september
2001, nr. 380/1.18/AdG;
- Raad voor het openbaar
bestuur, brief van 21 juni 2001, nr. Rob2001/ U7511351677-003;
- Sociaal Economische Raad
(Bestuurskamer), brief van 29 juni 2001, nr. 01.10519/rmb/vth;
- Vereniging van Nederlandse Gemeenten, brief van 6 juli 2001, nr.
BJZ/ 2001001883.
De Vereniging voor
bestuursrecht, de VAR, heeft een studiemiddag over het voorontwerp
georganiseerd, waarvan verslag wordt gedaan in het Nederlands
Tijdschrift voor Bestuursrecht (aflevering 2001/7). Ook overigens heeft
het voorontwerp aandacht gekregen in de rechtswetenschappelijke
literatuur.
De teneur van de reacties
is op hoofdlijnen positief. Instemmend is gereageerd op het uitgangspunt
dat het gebruik van elektronisch verkeer niet ten koste mag gaan van hen
die (nog) geen toegang hebben tot de elektronische snelweg en met
instemming wordt aangesloten bij de opvatting dat de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van het elektronische verkeer in voldoende mate moeten
zijn gewaarborgd. Voorts wordt het uitgangspunt van de
techniekonafhankelijke formulering van de wettelijke voorschriften
breed onderschreven.
Door de Katholieke
Universiteit Brabant is onder leiding van prof. mr. J.E.J. Prins
rechtsvergelijkend onderzoek verricht naar de wetgevingsactiviteiten die
erop gericht zijn om elektronisch bestuurlijk verkeer mogelijk te maken
in enige andere landen: E-Government and its Implications for
Administrative Law. Regulatory Initiatives in France, Germany, Norway
and the United States (The Hague 2002). Uit dit onderzoek blijkt dat er
behalve Nederland nog maar enkele andere landen zijn waar de wetgever
momenteel bezig is de voorwaarden te regelen voor het op elektronische
wijze afhandelen van beslissingen door bestuursorganen. Daarbij blijken
de ontwikkelingen in Noorwegen en Duitsland de meeste overeenkomsten te
vertonen met de Nederlandse situatie.
Wij zijn, mede op grond
van de ontvangen adviezen en commentaren, van oordeel dat het
voorontwerp een goede grondslag biedt voor regels over verkeer langs
elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen en bestuursorganen
onderling. Het voorontwerp is dan ook zonder ingrijpende wijzigingen
overgenomen. Met de gemaakte opmerkingen is vrijwel steeds rekening
gehouden. Ter bestemder plaatse wordt in deze toelichting op deze
opmerkingen nader ingegaan.
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
1.4. De situatie tot
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
Op dit moment vindt reeds
op tamelijk grote schaal bestuurlijk verkeer langs elektronische weg
plaats. Het kabinet stimuleert dat ook. Het gaat dan veelal om informeel
verkeer - het verstrekken van inlichtingen en dergelijke - of om het
doen van bepaalde aanvragen in die gevallen dat het bestuursorgaan de
weg daartoe heeft geopend. Publiekrechtelijke rechtshandelingen worden
op dit moment nog slechts bij uitzondering langs elektronische weg
verricht.
Zolang dit wetsvoorstel
nog niet tot wet is verheven en in werking is getreden, worden de
ontwikkelingen in het gebruik van de elektronische weg in het
publiekrechtelijk rechtsverkeer overgelaten aan praktijk en
jurisprudentie. Dat betekent dat het niet is uitgesloten dat - vooruitlopend op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
- met
elektronisch rechtsverkeer wordt geëxperimenteerd, uiteraard mits
daarbij zeer zorgvuldig te werk wordt gegaan. Een bestuursorgaan dat
overweegt de elektronische weg open te stellen, zal zich goed rekenschap
dienen te geven van de in de toepasselijke regelgeving opgenomen eisen
aan het rechtsverkeer, van de achtergronden (de "functies") van die
eisen en van de manieren rblz.|6|
waarop tot nu toe daaraan wordt voldaan met
vertrouwde middelen als papieren stukken, handtekeningen, stempels,
archieven e.d. Het is van groot belang dat telkens zowel in
technische als organisatorische zin voldoende waarborgen worden
geschapen om ook in een elektronische omgeving aan die eisen of functies
te voldoen. Dit alles geldt overigens evenzeer na inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel.
Na de indiening ervan zullen dit wetsvoorstel en deze
toelichting al een zekere leidraad kunnen bieden voor zowel de praktijk
als de jurisprudentie, omdat hierin voor het eerst systematisch een
antwoord is gezocht op de eerder genoemde vragen. Voorts is niet
uitgesloten dat de voorgestelde regeling in de praktijk van
overeenkomstige toepassing kan zijn op het elektronische verkeer met de
bestuursrechter, hoewel zij, zoals gezegd, daarop niet direct betrekking
heeft.
2. Uitgangspunten van dit
wetsvoorstel
2.1. De begrippen "schriftelijk" en
"elektronisch"
Het begrip
"schriftelijk" kan op meerdere manieren worden uitgelegd. Van oudsher
beoogt het tot uitdrukking te brengen dat de betrokken handeling op
papier dient te staan in de vorm van schrifttekens. Die betekenis heeft
in elk geval de wetgever destijds voor ogen gestaan. Onder invloed van
de opkomst van het elektronisch dataverkeer rijst de vraag of beide van
de genoemde kenmerken - papier en schrifttekens - bepalend moeten
worden geacht, wil voldaan zijn aan het vereiste van schriftelijkheid
dat in veel bepalingen voorkomt. Legt men de nadruk op het op papier
staan, dan werkt het begrip "schriftelijk" vooral
onderscheidend ten opzichte van mondelinge handelingen. Het begrip
"schriftelijk" kan echter ook worden opgevat als: weergave door middel
van schrifttekens. In die betekenis is irrelevant wat de drager van de
schrifttekens is. Dat kan papier zijn, maar ook een diskette, een harde
schijf of een andere informatiedrager. In het MDW-rapport "Elektronisch
verrichten van rechtshandelingen" (Kamerstukken II 1997-1998, 24 036, nr.
84) [MDW: project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, red.]
wordt als definitie van een "geschrift" gehanteerd: "iedere
drager van verstaanbare leestekens die - in onderling verband - een
gedachte-inhoud vertolken". Daaruit volgt dat onder een "geschrift"
ook een elektronisch te lezen stuk is te verstaan. Wat de huidige
wetgeving betreft, kan niet gezegd worden dat de wetgever deze
interpretatie heeft willen uitsluiten. De toelaatbaarheid van het
gebruik van andere gegevensdragers zal voor de huidige wetgeving steeds
beoordeeld moeten worden in het licht van de doelen die met de eis van
schriftelijkheid zijn gediend. Doordat dit per bepaling kan verschillen,
bestaat op dit punt veel onduidelijkheid.
Dit wetsvoorstel wil voor
de toekomst duidelijkheid scheppen over de toelaatbaarheid van
elektronische gegevensdragers in het bestuurlijk verkeer. Anders dan in
het voorontwerp is mede naar aanleiding van het advies van de Raad van
State, in navolging van het genoemde MDW-rapport, in dit wetsvoorstel
gekozen voor een ruime, dynamische uitleg van het begrip "schriftelijk". Een schriftelijk stuk in de zin van deze wet kan op
papier staan, maar ook een elektronisch document zijn. Dit betekent
bijvoorbeeld dat besluiten in de zin van artikel 1:3 in beginsel zowel
op papier als op een elektronische informatiedrager kunnen staan.
Geschriften, afschriften, bezwaar- en beroepschriften en klaagschriften
kunnen in principe zowel op papier als langs elektronische weg worden
verzonden.
Bij verkeer langs
elektronische weg dient gedacht te worden aan het gebruik van electronic
mail (e-mail), websites, intra- en internet e.d. Ook het gebruik van
zogeheten short message services (sms-berichten) valt hieronder. Een
sms-bericht is een bericht dat in de regel door middel van schrifttekens
wordt weergegeven. Een dergelijk bericht is derhalve in zoverre eveneens
aan te merken als een geschrift in de hier bedoelde rblz.|7|
ruime zin. Een
sms-bericht is echter veelal niet functioneel equivalent met een
papieren stuk. Gezien zijn vluchtige aard zal een sms-bericht in veel
gevallen niet voldoen aan de eis van voldoende betrouwbaarheid. Zoals
hierna meer uitgebreid aan de orde zal komen, is de voldoende mate van
betrouwbaarheid mede afhankelijk van de inhoud van het bericht en het
oogmerk waarmee het is verzonden.
Ook de verzending per fax
is een vorm van elektronisch verkeer. In het bijzonder door de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is erop aangedrongen ook het
faxverkeer wettelijk te regelen. Dit wetsvoorstel beoogt hierin mede te
voorzien. Dat is mede aantrekkelijk omdat er tegenwoordig meer en meer
mengvormen zijn waarbij fax en computer met elkaar worden gecombineerd.
Er zijn heden ten dage processen van gegevensverkeer waarbij
faxdocumenten geheel papierloos worden verwerkt. Bij dit soort processen
is de grens tussen een elektronisch bericht en een papieren bericht niet
meer goed te maken. De technische ontwikkelingen leiden tot een
convergentie van de verschillende soorten apparatuur. Om deze redenen
valt ook het faxverkeer onder de reikwijdte van de hier voorgestelde
regeling.
Dit wetsvoorstel beoogt
geen wijzigingen te brengen in de bestaande praktijk van het faxverkeer,
maar wil er extra waarborgen voor bieden. De hierna te noemen
uitgangspunten, in het bijzonder dat van de nevenschikking, zijn ook op
het faxverkeer van toepassing. Voorts biedt dit voorstel een legitimatie
voor de thans voorkomende praktijk dat door bestuursorganen nadere eisen
worden gesteld voor het naar hen zenden van stukken per fax.
Vermeden is in dit
wetsvoorstel de term "elektronische beslissing" of "elektronisch
besluit" te bezigen, zonder tot uitdrukking te brengen dat het hier
gaat om communicatie of berichtenverkeer. De reden hiervoor is dat de
genoemde uitdrukkingen, zonder enige nadere aanduiding, ten onrechte de
indruk zou kunnen wekken dat de beslissing volledig automatisch - zonder dat er een mensenhand aan te pas komt
- tot stand moet zijn
gekomen. Dat hoeft echter niet het geval te zijn.
2.2. Functionele
equivalenten
Voor de beantwoording van
de vraag of en in hoeverre vormvereisten die vragen oproepen over de
toelaatbaarheid van de elektronische weg kunnen worden aangepast,
verwijderd of anders geïnterpreteerd, is het van belang na te gaan
welke functie die vormvoorschriften in de huidige wetgeving vervullen en
daarvoor een equivalent te zoeken dat in het elektronische verkeer
toepasbaar is. Bij de aanpassing van de vormvereisten zullen de
oorspronkelijke waarborgen die de vormvereisten geven niet verloren
mogen gaan. Vormvereisten die in de
Awb veelvuldig voorkomen en die
vragen kunnen oproepen over het gebruik van de elektronische weg zijn
het vereiste van schriftelijkheid en het vereiste van ondertekening.
De functie van het
schriftelijkheidsvereiste in de Awb is onder te verdelen in drie
aspecten:
• Het duidelijk maken van
wat tot uitdrukking wordt gebracht (communicatiefunctie).
• Het vastleggen van wat tot
uitdrukking wordt gebracht (bewijsfunctie).
• Het maken van onderscheid
met mondelinge handelingen (afbakeningsfunctie).
Deze functies zijn ook - soms zelfs beter - via elektronische weg te realiseren. Daar waar
de elektronische weg afbreuk doet aan de functie van het
schriftelijkheidsvereiste, ligt het niet voor de hand naast of in plaats
van de conventionele weg de elektronische weg toe te staan. Een verschil
tussen de conventionele en de elektronische weg is dat de elektronische
weg als laagdrempeliger wordt ervaren. Elektronische communicatie vergt
doorgaans minder fysieke inspanningen en minder tijd. Daar staat rblz.|8|
echter
tegenover dat bij de huidige stand van de techniek aan elektronisch
verkeer wat meer risico’s zijn verbonden.
De belangrijkste functies
van de ondertekening zijn:
• De identificatie van de
afzender van het bericht.
• De blijk van instemming
met de inhoud van het bericht.
• Het bieden van een zekere
waarborg tegen overhaast optreden (overijling).
Deze functies zijn via de
elektronische weg te bewerkstelligen met behulp van een zogeheten
elektronische handtekening.
2.3.
Techniekonafhankelijke voorschriften
Bij de totstandkoming van
dit wetsvoorstel dient rekening te worden gehouden met de zeer snelle
ontwikkelingen op technisch gebied. Deze ontwikkelingen zijn voor de
(formele) wetgever niet of nauwelijks bij te houden. Wettelijke
voorschriften waarin uitdrukkelijk wordt aangesloten bij de
ontwikkelingen van de techniek, of die daarnaar verwijzen, lopen het
gevaar op het moment van inwerkingtreding, of zeer korte tijd daarna, al
weer te zijn verouderd. Daarom zijn de voorschriften in dit wetsvoorstel
techniekonafhankelijk geformuleerd. Zulks sluit aan bij de
uitgangspunten van de nota "Wetgeving voor de elektronische snelweg".
De techniekonafhankelijkheid van de voorschriften is in het bijzonder
ook tot uitgangspunt genomen in het gelijknamige rapport van de
Commissie grondrechten in het digitale tijdperk (Den Haag 2000) en
in het advies van de Raad voor het openbaar bestuur "ICT en het recht
om anoniem te zijn"(Den Haag 2000).
2.4. Nevenschikking
Het kabinet heeft in de
nota "Wetgeving voor de elektronische snelweg" tot uitgangspunt
genomen dat de elektronisering van de samenleving niet ten koste mag
gaan van hen die (nog) geen toegang hebben tot het elektronisch verkeer.
In de termen van die nota: het kabinet kiest voor "nevenschikking" en
niet voor "verdringing" van conventionele gegevensuitwisseling door
elektronisch verkeer. Dit betekent dat voor verkeer met de overheid
dient te gelden dat de papieren weg mogelijk blijft: ook als het bestuur
langs elektronische weg kan reageren, behoudt de burger de mogelijkheid
aan te geven dat hij uitsluitend via papieren geschriften dan wel
mondeling contact wenst. De elektronische weg komt naast en niet in
plaats van het conventionele verkeer.
Het uitgangspunt "nevenschikking in plaats van
verdringing" is in het bijzonder van
betekenis voor de beantwoording van de vraag wie bepaalt of het verkeer
langs elektronische of conventionele weg plaatsvindt.
• Uitgangspunt is dat de
burger bepaalt in welke vorm het verkeer plaatsvindt indien het
bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt.
• Voor zover het bestuursorgaan over bepaalde zaken alleen maar op
conventionele wijze communiceert, heeft de burger geen keus; hij kan
elektronisch verkeer dan niet afdwingen.
• Het is het bestuursorgaan niet toegestaan bepaalde zaken alleen nog
maar langs elektronische weg te doen, tenzij alle betrokkenen hiermee
instemmen. Dat zou immers in strijd zijn met het uitgangspunt van de
nevenschikking.
Deze drie uitgangspunten
vinden hun weerslag in de bepalingen van dit
wetsvoorstel. Voor zover
een burger een bepaald bericht langs elektronische weg aan een
bestuursorgaan wil sturen, kan dat in beginsel alleen voor zover het
bestuursorgaan heeft aangegeven dat het voor dat soort berichten langs
die weg bereikbaar is. De burger kan het gebruik van de elektronische
weg niet afdwingen indien het bestuursorgaan niet bereid is van deze weg
gebruik te maken. Omgekeerd is het niet aanvaardbaar dat rblz.|9|
een
bestuursorgaan berichten langs elektronische weg stuurt aan een burger
die daarop niet is ingesteld. Het principe van de nevenschikking wordt
tot uitdrukking gebracht in artikel 2:14, eerste en tweede lid, en
2:15,
eerste lid.
2.5. Facultatieve aard
Uitgangspunt van de hier
voorgestelde regeling is voorts dat betrokkenen niet gedwongen kunnen
worden van de elektronische weg gebruik te maken. De elektronische weg
is van facultatieve aard: elektronisch verkeer wordt in de
Awb niet
verplicht voorgeschreven. Zulks volgt tot op zekere hoogte al uit het
hiervoor genoemde uitgangspunt van de nevenschikking. Slechts indien van
de elektronische weg gebruik wordt gemaakt, dienen de bepalingen van dit
wetsvoorstel in acht te worden genomen. Of voor de elektronische weg
wordt gekozen, is afhankelijk van de betrokkenen. De
facultatieve aard biedt de betrokkenen de ruimte te beoordelen of
en onder welke nadere condities op hun terrein elektronische
communicatie wenselijk en mogelijk is. In deze beoordeling dient in het
bijzonder de stand der techniek te worden betrokken.
De Raad voor het openbaar
bestuur heeft geconstateerd dat het voorontwerp een aantal wijzen van
elektronisch verkeer mogelijk maakt, geformuleerd door middel van "kan-bepalingen".
De Raad vraagt zich af in hoeverre onder omstandigheden ook van een
verplichting aan de kant van het bestuur kan worden gesproken om langs
elektronische weg te communiceren. Wij willen benadrukken dat deze wet
een kader biedt dat geen verplichting inhoudt - noch voor het bestuur,
noch voor de burger - om van de elektronische weg gebruik te maken.
Eerst als het bestuursorgaan de elektronische weg voor bepaalde
handelingen heeft opengesteld, kan de burger van het bestuur verlangen
dat in een concreet geval ook van deze weg gebruik kan worden gemaakt.
Zonder deze openstelling kan de burger hierop geen aanspraak maken.
2.6. Het besluit
De ruime uitleg van het
begrip "schriftelijk" brengt met zich dat schriftelijk verkeer in
beginsel langs elektronische weg kan plaatsvinden, niet dat het steeds is
toegestaan. Op elektronisch verkeer tussen burgers en bestuursorganen en
tussen bestuursorganen onderling zijn de regels van afdeling 2.3 van
toepassing.
In de
Awb wordt
onderscheid gemaakt tussen het schriftelijke karakter van het besluit
zelf (artikel 1:3) en de wijze van bekendmaking
(artikel 3:41 en 3:42).
Dit onderscheid is ook voor elektronisch verkeer relevant. De ruime
uitleg van het begrip "schriftelijk" impliceert dat een Awb-besluit
elektronisch van aard kan zijn. Ook een elektronisch vastgelegd besluit
treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Wanneer het besluit
tot één of meer belanghebbenden is gericht, geschiedt de bekendmaking
door toezending of uitreiking. Teneinde de toezending langs
elektronische weg te doen plaatsvinden, dienen de regels van de nieuwe afdeling 2.3
in acht te worden genomen. Wanneer een bestuursorgaan
bijvoorbeeld een vergunning langs elektronische weg heeft vastgesteld,
kan deze vergunning in beginsel zowel op conventionele als op
elektronische wijze worden verzonden. Voor elektronische verzending is
in het bijzonder vereist dat de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat
hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is en dat de
elektronische verzending op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke
manier plaatsvindt. Vanaf het tijdstip van de bekendmaking gaan bezwaar-
en beroepstermijnen lopen.
Betreft het een besluit
dat niet tot één of meer belanghebbenden is gericht, dan is het in
beginsel eveneens mogelijk dit besluit langs elektronische weg te
verzenden, bijvoorbeeld door het op een website te rblz.|10|
plaatsen. Ook
daarvoor is vereist dat de verzending op voldoende betrouwbare manier
plaatsvindt. Op grond van het bepaalde in afdeling 2.3
mag deze
verzending echter niet uitsluitend langs elektronische weg geschieden.
Er kunnen daardoor twee versies voorhanden zijn: een elektronische en
een conventionele. De hoofdregel is dat de elektronische publicatie niet
geldt als de bekendmaking in de zin van de Awb. De reden die hieraan ten
grondslag ligt, is dat er verschillen kunnen zijn tussen beide versies,
zowel wat betreft hun inhoud als het moment van openbaarmaking. In het
verlengde van het uitgangspunt van de nevenschikking ligt het dan in de
rede om te kiezen voor de conventionele versie als geldige bekendmaking.
2.7. Bestuursrechter
De ruime uitleg van de
termen "schriftelijk" en "geschrift" brengt met zich dat in beginsel
ook het beroep bij de bestuursrechter langs elektronische weg kan worden
ingesteld of worden ingetrokken. Het is voorts denkbaar dat de wisseling
van andere stukken langs elektronische weg plaatsvindt. Elektronisch
verkeer per fax is in het verkeer met de rechter reeds tamelijk
gebruikelijk.
Afdeling 2.3 is echter
niet van toepassing. Er is uitdrukkelijk van afgezien deze afdeling van
overeenkomstige toepassing te verklaren op het verkeer met de
bestuursrechter. Vanwege de eigen aard van rechtspraak kan deze afdeling
hierop niet zonder meer van toepassing worden verklaard. Afdeling 2.3
heeft betrekking op het verkeer met het openbaar bestuur. Niet
uitgesloten wordt dat de rechter deze regels niettemin analoog toepast
in situaties die zich daarvoor lenen. Aldus worden de ontwikkelingen op
dit terrein vooralsnog geheel overgelaten aan de praktijk. Het ligt voor
de hand dat het beroep in ieder geval pas langs elektronische weg kan
worden ingesteld als de rechter die mogelijkheid uitdrukkelijk heeft
opengesteld.
De eerste ondergetekende
is voornemens te onderzoeken in hoeverre de voorgestelde regeling zich
in het algemeen leent voor toepassing op het verkeer met de
bestuursrechter en of en in hoeverre aanvullende voorzieningen
noodzakelijk zijn. Voor een wettelijke regeling is het raadzaam het
elektronische verkeer met de bestuursrechter tevens te bezien in
samenhang met het strafproces en burgerlijk proces, hetgeen overigens
niet wil zeggen dat de ontwikkelingen op deze rechtsgebieden
noodzakelijk gelijke tred moeten houden. Zoals gezegd, heeft de eerste
ondergetekende het voornemen een expertmeeting over dit vraagstuk te
organiseren. Afhankelijk van de uitkomsten van deze expertmeeting zal,
naar het zich laat aanzien, in de nabije toekomst ook een regeling voor
het elektronische verkeer met de bestuursrechter kunnen worden
getroffen.
3. Verkeer langs
elektronische weg
3.1. Algemeen
Het hart van dit
wetsvoorstel wordt gevormd door de nieuw in te voegen afdeling 2.3. Deze
afdeling strekt ertoe te bepalen wanneer en onder welke voorwaarden verkeer langs
elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen mogelijk
is. De voorwaarden van deze afdeling hebben in het bijzonder
betrekking op de nevenschikking en op de beveiliging van het elektronische
verkeer. Met de term "bericht" wordt tot uitdrukking gebracht dat de regeling
betrekking heeft op communicatie. Wezenlijk voor een bericht is dat
het is bedoeld om te verzenden of reeds verzonden is. Onder berichtgeving
is zowel te verstaan de verzending en ontvangst van uitlatingen van het
bestuur als van anderen. De bestuursuitlatingen kunnen zowel betrekking
hebben op besluiten in de zin van artikel 1:3 als op andere handelingen. Te
denken valt bijvoorbeeld aan aanvragen tot rblz.|11|
het geven van een
beschikking, aan het naar voren brengen van zienswijzen of aan het indienen van
een klacht, bezwaarschrift of beroepschrift bij een bestuursorgaan. Te denken
valt bijvoorbeeld ook aan de kennisgeving van een ontwerp-besluit of een
besluit, of aan de mededeling van een besluit aan degenen die bij de
voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht, of aan
de bevestiging van de ontvangst van een bezwaarschrift.
Het verkeer langs
elektronische weg waarop deze afdeling betrekking heeft, vindt plaats
tussen één of meer bestuursorganen en één of meer geadresseerden. Afdeling 2.3
is niet van toepassing op het verkeer met de rechter. Onder
geadresseerden worden zowel begrepen burgers - men vergelijke de titel van
dit hoofdstuk - als bestuursorganen. De term "belanghebbende" zou
hier te beperkt zijn, aangezien ingevolge artikel
1:2, eerste lid, onder
een belanghebbende slechts wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks
bij een besluit is betrokken. Zoals gezegd, heeft deze regeling niet alleen
betrekking op besluiten en ook dan niet alleen op belanghebbenden.
3.2. Bereikbaarheid van de
burger
Een bestuursorgaan kan
ingevolge artikel 2:14, eerste lid, een bericht dat tot
één of meer
geadresseerden is gericht, langs elektronische weg verzenden voor zover de
geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende
bereikbaar is. De kenbaarmaking kan in beginsel meer of minder
uitdrukkelijk geschieden, maar voorlopig zal nog wel van uitdrukkelijke
kenbaarmaking moeten worden uitgegaan. Daarbij zal ook moeten worden
aangegeven voor welke vorm van elektronisch verkeer men openstaat. De enkele bekendheid van een e-mailadres is in
de huidige situatie
bijvoorbeeld niet zonder meer voldoende. Wie eenmaal elektronisch
bereikbaar was, hoeft dat niet te blijven en het is, vergeleken met een conventionele omgeving, op de elektronische
snelweg veel eenvoudiger
om een postadres te wijzigen of om over meerdere postadressen te
beschikken. De geadresseerde zal derhalve moeten aangeven dat hij voor een
bepaald bericht of een bepaalde berichtenuitwisseling elektronisch bereikbaar
is en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. Uit
een oogpunt van behoorlijk bestuur dient een bestuursorgaan dat een
(automatische) mededeling heeft ontvangen dat een door hem langs
elektronische weg verzonden bericht niet is aangekomen, het bericht alsnog naar
het correcte elektronische adres te verzenden dan wel alsnog
een papieren geschrift te verzenden.
Wanneer het
bestuursorgaan zich uit eigen beweging tot een betrokkene richt, dient het zich
uitdrukkelijk ervan te vergewissen dat de geadresseerde langs elektronische weg
bereikbaar is. Dit weegt het zwaarst indien het bestuursorgaan een
belastend besluit wil verzenden, bijvoorbeeld een besluit inhoudende een
sanctie of een terugvordering. Wanneer het bestuursorgaan reageert
op een langs elektronische weg gedaan verzoek, staat daarmee niet zonder
meer vast dat door het indienen van het verzoek impliciet kenbaar
is gemaakt dat de verzoeker in het vervolg van de procedure steeds langs
elektronische weg bereikbaar is en op welk elektronisch postadres
hij bereikbaar is.
Een bestuursorgaan zal om
een expliciete kenbaarmaking kunnen vragen, bijvoorbeeld door op een elektronisch aanvraagformulier uitdrukkelijk de
vraag stellen of de
aanvrager het op prijs stelt om ook het vervolg van het met de aanvraag in gang
gezette besluitvormingsproces langs elektronische weg voort te zetten, en
indien dat het geval is, of de aanvrager het elektronische postadres
wil kenbaar maken waarop hij daartoe bereikbaar is. Het bestuursorgaan
dient in voorkomende gevallen daarbij op de risico’s van elektronische gegevensuitwisseling te wijzen. Wanneer na een
instemmend antwoord op
deze vraag de aanvrager later niet meer langs rblz.|12|
elektronische weg
bereikbaar is, of op een ander adres bereikbaar is, dient hij het bestuur daarvan
in kennis te stellen.
Denkbaar is dat de burger
onder bepaalde omstandigheden een ander elektronisch adres
opgeeft dan zijn eigen adres. Indien dit bezwaarlijk wordt geacht, dient het
bestuursorgaan te vereisen dat de betrokkene zijn eigen adres gebruikt. Er
zijn waarborgen van technische aard die de betrouwbaarheid in
aanzienlijke mate kunnen garanderen.
Niet is uitgesloten dat
de burger kenbaar heeft gemaakt dat hij met een bepaald bestuursorgaan in
al zijn contacten langs elektronische weg wenst te communiceren.
Aldus heeft betrokkene kenbaar gemaakt dat hij voor dit bestuursorgaan
steeds langs elektronische weg bereikbaar is. In dat geval berust op de
burger de verplichting het bestuursorgaan op de hoogte te stellen wanneer
hierin verandering is gekomen. Ook los daarvan staat het de
burger vrij kenbaar te maken dat hij de elektronische weg wenst te beëindigen.
Het bestuur dient hieraan gehoor te geven. De conventionele weg blijft
achter de hand.
Eén en ander is mede
afhankelijk van het soort beleidsterrein waarop de berichtenuitwisseling
plaatsvindt en van de kennis en ervaring van de betrokkenen met de
informatiemaatschappij. Hierbij zij opgemerkt dat door de snelle
ontwikkelingen gewoonten en conventies snel aan wijziging onderhevig zijn. De
algemene bewoordingen waarvoor in de tekst van dit wetsvoorstel is
gekozen, laten ruimte aan de praktijk en de jurisprudentie om rekening te houden met
nieuwe ontwikkelingen.
Door de SER
(Bestuurskamer) [SER: Sociaal-Economische Raad,
red.] wordt gevraagd hoe burger en bestuur kunnen verklaren dat zij
langs elektronische weg bereikbaar zijn. De wijze waarop dit gebeurt, zal
verschillen. De verklaring is in beginsel vormvrij. Het hangt af van de
omstandigheden van het geval welke vorm het meest is aangewezen. Indien de
verwachting is dat deze verklaring bewijsbaar moet zijn, zal een
mondelinge mededeling, een sms-berichtje of een onbeveiligd e-mailberichtje over het
algemeen onvoldoende zijn. Onder andere omstandigheden zal het
verzenden van een onbeveiligd e-mailberichtje volstaan. Indien wordt
gewerkt met standaardformulieren, kan de verklaring, indien dat mogelijk is,
daarop worden gedaan.
Door de SER
(Bestuurskamer) wordt voorts de vraag opgeworpen wanneer in verband met de
bereikbaarheid van de betrokkene het aanbeveling verdient het
elektronische bericht te laten volgen door een brief. Wanneer een
bestuursorgaan een bericht langs elektronische weg verstuurt zonder dat de
geadresseerde heeft kenbaar gemaakt dat hij langs deze weg bereikbaar is en er wordt niet op gereageerd, dan mag er niet van worden uitgegaan
dat het bericht is aangekomen. Het ligt dan voor de hand dat het
bestuursorgaan het nogmaals probeert of het op een andere manier probeert,
bijvoorbeeld door middel van verzending van een brief. Indien de
geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg
bereikbaar is, moet het nazenden van een brief in beginsel niet nodig
worden geacht, mits de verzending voldoende beveiligd heeft plaatsgevonden.
Doch ook dan kan niet worden uitgesloten dat er onvolkomenheden zijn opgetreden. Dit laatste is overigens bij conventioneel
verkeer niet anders, zij
het dat bij elektronisch verkeer bij de huidige stand der
techniek gemakkelijker iets mis kan gaan. Bij belangrijke berichten kan het
bestuursorgaan uiteraard een (elektronische) bevestiging vragen van de ontvangst,
teneinde zekerheid te verkrijgen dat het bericht is aangekomen.
3.3. Bereikbaarheid van
het bestuur
Een bericht kan ingevolge
artikel 2:15, eerste lid, langs elektronische weg aan een bestuursorgaan
worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
deze weg is geopend. Een bestuursorgaan kan de elektronische weg
openen voor zover het dat wenselijk acht. Differentiatie is mogelijk. Dit betekent dat een gemeentebestuur de
rblz.|13|
elektronische weg
bijvoorbeeld kan openen voor het aanvragen van een parkeervergunning, maar
(nog) niet voor het aanvragen een kapvergunning, of dat bijvoorbeeld in een bepaald gebied met elektronisch
verkeer kan worden
geëxperimenteerd zonder dat daaraan aanspraken kunnen worden
ontleend door burgers buiten dat gebied.
De kenbaarmaking kan
zowel plaatsvinden in een algemene regeling als in een bericht aan één of
meer geadresseerden. Kenbaarmaking vindt bijvoorbeeld plaats
doordat het bestuur in een brochure, huis-aan-huisblad of op een website te
kennen geeft waar op het internet aanvragen voor een bepaald soort vergunning kunnen worden gedaan, klachten
kunnen worden ingediend e.d. Ook voor bestuursorganen geldt derhalve dat de enkele
beschikbaarheid van een elektronisch adres nog niet betekent dat daarmee
voor alle mogelijke handelingen de elektronische weg openstaat. De
elektronische bereikbaarheid kan zo dus stap voor stap worden uitgebouwd.
Dat is ook nodig omdat de organisatie en werkprocessen aan de kant van het
bestuursorgaan telkens vooraf afdoende moeten worden gereedgemaakt voor het afhandelen van elektronisch verkeer. De ervaring
leert dat daarover niet lichtvaardig moet worden gedacht.
Het bestuursorgaan kan
aan de toegang tot de elektronische weg bepaalde nadere eisen
stellen met het oog op een uniforme behandeling en een veilig
dataverkeer. Zo kan het bestuursorgaan vereisen dat langs elektronische weg aan hem
verzonden berichten naar een bepaald elektronisch postadres worden verzonden. Te denken valt ook aan het stellen van
meer technische vereisten
zoals het gebruik van bepaalde software of het gebruik van bepaalde
intelligente formulieren. In geval van verkeer via e-mail of door het inzenden van
diskettes kunnen eisen worden gesteld
aan het "format" van de
documenten. Zo kent de belastingdienst bijvoorbeeld een veelheid aan
berichten en verschillende ingangen waarlangs berichten kunnen
binnenkomen zowel in de vorm van e-mail als andere vormen. Het verzenden van
een aangiftebiljet moet gebeuren naar de daartoe aangewezen
communicatiepoort. Deze zal ook in de software zijn opgenomen. Dit soort
eisen waarborgt een betrouwbare en vertrouwelijke communicatie en draagt
bij aan een ordelijke en efficiënte behandeling van het bericht. Voor
massale processen - men denke aan de zogeheten beschikkingenfabrieken - houdt het werkbaar openstellen door het bestuursorgaan in, het openstellen van een specifiek kanaal voor een
specifieke berichtsoort
met specifieke eisen.
Deze eisen komen thans
soms in de praktijk tot stand op basis van overleg met betrokkenen die
gebruik maken van de taken die het bestuursorgaan uitoefent. Dit soort
afspraken kunnen in een uitwisselingsprotocol worden vastgelegd. Een dergelijk
protocol bevat onder meer normen en standaarden die nodig zijn voor de communicatie en berichtdefinities die
noodzakelijk zijn voor de
automatische verwerking van de gegevens. Dit opent ook mogelijkheden
voor het gebruik van kennis- of expertsystemen. Zo is het bijvoorbeeld
denkbaar dat een expertsysteem wordt ontwikkeld dat van een bouwplan
bepaalt of het bouwwerk vergunningvrij is, moet worden aangemeld of dat
een bouwvergunning moet worden aangevraagd. Daarvoor is noodzakelijk dat het bouwplan conform de technische
vereisten wordt
ingediend.
Ten aanzien van de nadere
eisen laat dit wetsvoorstel het bestuursorgaan een ruime discretionaire bevoegdheid. Het bestuursorgaan kan zelfs
vereisen dat een met het
oog op de snelheid elektronisch verzonden bericht binnen een
bepaalde termijn tevens in conventionele vorm moet worden ingezonden. Het
is
over het algemeen echter weinig wenselijk een dergelijke eis te
stellen, omdat zulks een dubbele berichtenstroom creëert, hetgeen weinig efficiënt
is. Veeleer ligt het in de rede zodanige eisen te stellen dat de
elektronische verzending voldoende betrouwbaar en vertrouwelijk kan
geschieden, zodat een conventionele nazending niet nodig is.
rblz.|14|
Het
bestuur dient ervoor
te waken dat, indien de elektronische weg is opengesteld, geen
ongerechtvaardigde belemmeringen voor elektronisch dataverkeer worden
opgeworpen. Om dit te kunnen bepalen, dient een afweging te worden
gemaakt tussen het belang van het bestuursorgaan op een uniforme, veilige,
praktisch toepasbare en betaalbare elektronische weg enerzijds en het
belang van de burger op toegang tot het bestuursorgaan anderzijds. Daarbij weegt
tevens mee dat, op grond van het uitgangpunt van de nevenschikking, de conventionele weg steeds achter
de hand blijft. De
Nationale ombudsman heeft overwogen dat het niet uitbrengen van een versie
voor het besturingssysteem Apple Macintosh van het programma om
elektronisch belastingaangifte te doen niet onbehoorlijk is (No [rapport
1999/369, red.] 27 augustus 1999,
AB 1999, 435). De belastingdienst volstond met het
uitbrengen van een versie voor het besturingssysteem MS-DOS en een versie voor
het besturingssysteem Windows. Een afweging van de kosten en baten
van de ontwikkeling van een aangifteprogramma dat geschikt is voor
gebruik op een Apple Macintosh computer bracht de belastingdienst tot de conclusie dat het uitbrengen
van een Macintosh-versie
niet verantwoord is. De Nationale ombudsman volgt deze conclusie en
acht het aanvaardbaar dan geen investeringen worden gedaan die niet
in een redelijke verhouding staan tot het daarmee beoogde doel. Een
dergelijke koers dient ook voor andere overheidsinstanties
maatgevend te zijn.
De introductie van
nieuwe, beter werkbare technieken kan het bestuur ertoe brengen een bepaalde
wijze van elektronische bereikbaarheid te beëindigen of te
wijzigen. Op grond van het vertrouwensbeginsel dient het bestuur de
beëindiging of de wijziging tijdig kenbaar te maken, zodat de betrokkenen er
rekening mee kunnen houden.
Het College van
Procureurs-Generaal heeft zijn bezorgdheid geuit over in hoeverre het onderhavige
wetsvoorstel "kan resulteren in een ongebreidelde toevloed van
communicaties naar het openbaar ministerie toe, die verstrekkende personele
en logistieke consequenties voor het strafvorderlijk apparaat kan hebben".
Voor zover het berichtenverkeer van het OM valt binnen de reikwijdte
van artikel 1:6, is afdeling 2.3
niet van toepassing. Maar ook voor zover het
elektronisch verkeer buiten de reikwijdte van artikel 1:6 valt, kan een
bericht alleen dan naar het OM worden verzonden voor zover het OM kenbaar
heeft gemaakt dat deze weg voor berichten van dat type is geopend.
Het OM kan daarbij nadere eisen stellen aan het gebruik van de
elektronische weg. Voorafgaand aan het openen van de elektronische weg dienen
de personele, logistieke en financiële consequenties te worden bezien. De
toename en verwerking van het elektronisch bestuurlijk verkeer kan
aldus beheersbaar worden gehouden.
4. Beveiliging
4.1. Betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid
Een zwaarwegend probleem
bij elektronische gegevensuitwisseling is het garanderen van voldoende veiligheid. Het verzenden van een eenvoudig
e-mailtje volstaat vaak
niet, omdat dat te weinig betrouwbaar is. Hoe kan men zeker weten dat de
afzender degene is die hij zegt te zijn en dat de inhoud van het stuk (onderweg) niet gewijzigd is? Hoe weet de afzender
dat onbevoegden geen
kennis kunnen nemen van de inhoud van het bericht? Het gebruik van
papier biedt een aantal waarborgen met betrekking tot de betrouwbaarheid
van het stuk. Vergelijkbare eisen moeten ook aan elektronische stukken
worden gesteld. Ook ten aanzien van elektronisch verkeer moet men erop
kunnen rekenen dat een bericht afkomstig is van degene waarvan het
zegt afkomstig te zijn en dat het onderweg niet onbevoegdelijk gewijzigd
is. Een elektronisch bericht moet toegankelijk zijn voor hen voor wie
het is bestemd en dient doorgaans niet toegankelijk te zijn voor andere
gebruikers van de elektronische snelweg.
rblz.|15|
Berichten die langs
elektronische weg door bestuursorganen worden verzonden, dienen in
voldoende mate beveiligd te zijn. Eveneens dienen berichten die aan een
bestuursorgaan worden gestuurd, door dat bestuursorgaan van de
hand te kunnen worden gewezen indien het bestuursorgaan vermoedt
dat het bericht in onvoldoende mate is beveiligd. In dit wetsvoorstel wordt
deze eis tot uitdrukking gebracht door te spreken van
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid.
Met de open normen van de
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid wordt in enkele algemene
bewoordingen uitdrukking gegeven aan een gedifferentieerd stelsel van nadere
beginselen die ieder op een eigen facet van de beveiliging zien. In
de literatuur wordt in dit verband wel gesproken van de beginselen van
behoorlijk IT-gebruik. Franken heeft aan deze beginselen een voor het
bestuursrecht relevante uitwerking gegeven.¹ In de literatuur wordt aan
deze beginselen niet steeds precies dezelfde inhoud toegekend, noch
worden zij steeds op dezelfde wijze aangeduid. Deze beginselen worden
hier begrepen als gezichtspunten waarmee rekening moet worden gehouden bij
de concretisering van de open normen van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid. De volgende aanduidingen
geven een goede
uitwerking aan de open normen van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid:
• Authenticiteit =
oorsprong van het document: zijn de gegevens werkelijk van de afzender
afkomstig?
• Integriteit = de
zekerheid dat gegevens volledig zijn en niet onbevoegdelijk zijn
gewijzigd.
• Onweerlegbaarheid =
het voorkómen van weerlegbaarheid; onloochenbaarheid.
• Transparantie = de
mogelijkheid dat wijzigingen van de gegevens achteraf kunnen worden
opgespoord en inzichtelijk kunnen worden gemaakt.
• Beschikbaarheid =
toegankelijkheid en bereikbaarheid van het document.
• Flexibiliteit = de
mate waarin aan nieuwe of oude gebruikseisen kan worden voldaan.
• Vertrouwelijkheid =
exclusiviteit: het document is alleen toegankelijk voor hen voor wie het is
bestemd.
Bij elektronisch verkeer
zal het bestuur deze beginselen in acht moeten nemen. De authenticiteit
heeft betrekking op de oorsprong van het document: is het document wel echt?
Zijn de gegevens werkelijk afkomstig van de verzender? Is de
verzender inderdaad degene voor wie hij zich uitgeeft? De integriteit heeft betrekking op de mogelijkheid dat het document
onderweg is
gemanipuleerd: is het document juist en volledig? Ook de vaststelling van het
tijdstip en de datum vallen hieronder. Het document moet gefixeerd kunnen
worden. Een beginsel dat vaak in het verlengde van de eerste
twee wordt genoemd, is het beginsel van onweerlegbaarheid. Dat
beginsel brengt tot uitdrukking dat het onmogelijk moet zijn om te ontkennen
dat het bericht is verstuurd, dan wel dat het onmogelijk moet zijn om
te ontkennen dat het bericht is ontvangen. Het beginsel van
transparantie staat voor de controle dat wijziging van de gegevens achteraf kan
worden opgespoord. Dit beginsel is vooral van belang voor de controle
op de betrouwbare werking van de gebruikte systemen. Het beginsel
van beschikbaarheid heeft betrekking op de toegankelijkheid van het document. Het moet in beginsel steeds te lezen
zijn, ook na het
verstrijken van enige tijd en na de ingebruikname van andere programmatuur;
hetgeen bijvoorbeeld kan door conversie of door de oorspronkelijke
programmatuur achter de hand te houden. Een beginsel waarmee tevens
rekening mee moet worden gehouden, is het beginsel van
flexibiliteit. Software en technieken zijn aan snelle ontwikkelingen onderhevig. Binnen enkele
jaren zijn zij vaak al weer verouderd. Modernere technieken
dragen dikwijls bij aan een hogere mate van betrouwbaarheid. Dit
beginsel geeft aan in hoeverre van betrokkenen mag rblz.|16|
worden verlangd dat zij
steeds over de goede software en hardware beschikken. De
vertrouwelijkheid ziet erop dat het document alleen toegankelijk is voor hen
voor wie het is bestemd. Het versleutelen van het document is daarvoor een
methode.
Zoals gezegd, kunnen deze
eisen tezamen als eisen van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid
worden bestempeld. Het is deze uitdrukking die in dit wetsvoorstel wordt
gebezigd voor de bovengenoemde beginselen tezamen. Betrouwbaarheid
heeft betrekking op de eerste zes genoemde beginselen. De vertrouwelijkheid heeft betrekking op de exclusieve
toegankelijkheid van het
stuk. Ook de uitdrukking "authentificatie" wordt in de voorgestelde
wettekst gebruikt. Artikel 2:14, derde lid, heeft betrekking op de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van de berichtgeving langs elektronische weg
ván het bestuursorgaan. Artikel 2:15, derde lid, heeft betrekking op de
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de berichten die langs
elektronische weg áán het bestuursorgaan worden verzonden. Wil het
bestuursorgaan bij de behandeling van het bericht de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid kunnen garanderen, dan is het mede van belang dat de
afzender reeds de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid in acht heeft genomen.
Een bijzondere manier waardoor voor een belangrijk deel de
betrouwbaarheid kan worden gerealiseerd, is de elektronische
handtekening. Daarop heeft artikel 2:16 betrekking. Dit artikel geeft een nadere
uitwerking aan het beginsel van de authenticiteit. Door het Interprovinciaal
Overleg is gevraagd naar de reden van het opnemen van de eis van
vertrouwelijkheid in de
Awb, aangezien deze eis ook in andere wetten is vastgelegd. De eis van vertrouwelijkheid komt
inderdaad in
verschillende andere wetten voor, doch heeft maar zeer ten dele dezelfde strekking
en reikwijdte. Zo dienen persoonsgegevens ingevolge de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) op een behoorlijke en zorgvuldige wijze te
worden verwerkt. De Wbp vereist een passend beveiligingsniveau. De
vertrouwelijkheidseis van de Awb is niet beperkt tot persoonsgegevens. Ook
om andere redenen dan de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer kan vertrouwelijkheid noodzakelijk zijn. Te denken valt onder meer
aan een zorgvuldig verloop van de besluitvorming, aan het belang dat de
geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van een bericht of aan de bescherming van onderzoeksgegevens.
De verificatie van een
elektronisch bericht is het controleren van de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid ervan. Het realiseren van deze beginselen is vooral
problematisch vanwege het feit dat in een elektronische wereld het onderscheid
tussen origineel en kopie bijzonder moeilijk te maken is. Nuttige
technieken - artikel 2:14, derde lid, spreekt van "manier"
- om
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid te bereiken, zijn de elektronische
handtekening, het tijdstempel en encryptie.
Vanwege de eis van een techniekonafhankelijke formulering is een veel verdergaande uitwerking
van de eisen van beveiliging in de wet niet goed te bewerkstelligen.
Bovendien is dan nog voorbijgegaan aan de vraag of het opnemen van meer
gedetailleerde, technische voorwaarden wel past in de Awb. De nadere uitwerking van de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid
is voor een groot deel
afhankelijk van de stand der techniek. Deze beginselen kunnen worden
uitgewerkt in bijzondere regelgeving, gedragscodes of protocollen die op een
bepaalde situatie zijn toegesneden en meer technische regels
bevatten. Een algemene wet als de Awb kan wel abstracte criteria
bevatten waaraan de technische eisen moeten voldoen.
1. H. Franken,
Kanttekeningen bij het automatiseren van beschikkingen, in:
Beschikken en automatiseren, VAR-reeks
110, Alphen aan den Rijn 1993.
4.2. Mate van
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid
De mate van
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid die wordt vereist, kan variëren. De neiging
bestaat bij elektronisch verkeer een hogere mate van betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid te eisen dan bij conventionele communicatie. Dit is niet
gewenst, want ook de handtekening op papier rblz.|17|
biedt geen absolute garanties tegen vervalsingen. Er zijn in theorie drie
maten van betrouwbaarheid
en vertrouwelijkheid te onderscheiden:
• Van maximale betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid is sprake indien de beveiliging geheel
conform de maximaal (technische) mogelijkheden plaatsvindt.
• Van voldoende betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid is sprake indien de veiligheid even groot
is vergeleken met de situatie dat er uitsluitend van conventioneel verkeer
gebruik zou worden gemaakt.
• Van pro-formabetrouwbaarheid en -vertrouwelijkheid is sprake indien de beveiliging slechts
één stap verwijderd is van het bieden van geen enkele beveiliging; zij
bestaat bijvoorbeeld uit de (elektronische) mededeling "verboden
toegang".
Absolute betrouwbaarheid
en vertrouwelijkheid bestaan niet. De maximale betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid zijn afhankelijk van de stand
der techniek en de
(financiële) inspanningen die men ervoor overheeft. Pro-formabetrouwbaarheid
en -vertrouwelijkheid zal doorgaans onvoldoende zijn. Het ligt in de rede
ervan uit te gaan dat elektronisch verkeer even betrouwbaar en
vertrouwelijk moet zijn als conventioneel verkeer. Dit betekent dat
gestreefd moet worden naar een voldoende mate van betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid. In dit wetsvoorstel is dit tot uitdrukking gebracht door
een voldoende mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid te vereisen; men zie de artikelen 2:14, derde lid, en
2:15 derde lid, en ook artikel
2:16.
Wanneer precies sprake is
van voldoende mate van betrouwbaar en vertrouwelijkheid is in
algemene zin moeilijk te zeggen. In sommige gevallen van uitwisseling
van informatieve berichten is er weinig behoefte aan bescherming. Een
e-mailbericht zonder een elektronische handtekening of een sms-bericht kan al
voldoende zijn. Zodra echter van belang is dat de authenticiteit, de
integriteit of andere hiervoor genoemde beginselen voldoende zijn
gewaarborgd, dienen maatregelen ter bescherming te worden genomen. De
aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt
gebruikt, zijn bepalend voor de mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid die
vereist is. De mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid dient even groot te zijn als in het conventionele
verkeer. Aan de verlening
van een vergunning bijvoorbeeld moeten hogere eisen worden
gesteld dan aan de verstrekking van algemene inlichtingen die ook
langs andere kanalen verkrijgbaar zijn.
4.3. De richtlijn inzake
elektronische handtekeningen
Richtlijn nr. 99/93/EG
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13
december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische
handtekeningen (PbEG L 13) brengt een juridisch kader tot stand voor
elektronische handtekeningen. Zij beoogt het gebruik van elektronische handtekeningen te vergemakkelijken en tot de
wettelijke erkenning
ervan bij te dragen. De richtlijn dient vóór 19 juli 2001 te zijn geïmplementeerd.
Zij wordt geïmplementeerd in het BW, de
Telecommunicatiewet en de
Wet op de
economische delicten (Wet
elektronische handtekeningen;
Kamerstukken II 2000-2001, 27 743, nrs. 1-3), maar zij is ook van
betekenis voor dit wetsvoorstel.
In de richtlijn wordt een
onderscheid gemaakt tussen elektronische handtekeningen en "geavanceerde"
elektronische handtekeningen. De laatste zijn met meer waarborgen
omkleed. Dit is in het bijzonder het geval indien zij zijn gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat en door een veilig middel zijn aangemaakt. De richtlijn bevat een bijlage met eisen voor
gekwalificeerde
certificaten (bijlage I), een bijlage met eisen ten aanzien van
certificatiedienstverleners die gekwalificeerde certificaten afgeven (bijlage II) en een
bijlage met eisen voor veilige middelen voor het aanmaken van
elektronische handtekeningen (bijlage III). De drie bijlagen bevatten tezamen 26
eisen. Deze eisen worden bij of krachtens een op de rblz.|18|
Telecommunicatiewet gebaseerde algemene maatregel van bestuur geïmplementeerd.
In het BW wordt de
elektronische handtekening onder bepaalde voorwaarden gelijkgesteld met een
gewone handtekening. In beginsel sluit dit wetsvoorstel hierbij aan.
Het is niet zinvol voor de elektronische handtekening in het bestuursrecht een
afwijkende regeling te treffen. De problematiek van de authentificatie is
immers in beginsel niet een probleem dat specifiek is voor de
uitvoering van de publieke taak.
Wel kan het op grond van
de publieke taak nodig zijn hogere eisen aan de authenticiteit te
stellen. Artikel 3, zevende lid, van de richtlijn biedt de mogelijkheid eventuele
aanvullende eisen te stellen voor het gebruik van de elektronische
handtekening in de openbare sector. Deze eisen moeten objectief, transparant,
evenredig en niet-discriminerend zijn en mogen slechts op de specifieke
kenmerken van de betrokken toepassing betrekking hebben; zij mogen geen
belemmering vormen voor grensoverschrijdende diensten. In dit
wetsvoorstel is hiervoor een grondslag gecreëerd door te
bepalen dat bij wettelijk voorschrift aanvullende eisen kunnen worden gesteld
(artikel 2:16). Aldus wordt de ruimte geschapen om bij wettelijk voorschrift verdergaande eisen te stellen dan volgt uit de
overeenkomstige
toepasselijkheid van de normering van het BW.
4.4. De regeling van het
Burgerlijk Wetboek en de Telecommunicatiewet
Ter implementatie van de
genoemde richtlijn wordt onder meer voorgesteld een nieuwe afdeling in Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek in te voegen (Elektronisch
vermogensrechtelijk rechtsverkeer) die onder meer betrekking heeft op de
elektronische handtekening; voorgesteld wordt voorts in de Telecommunicatiewet
enige bepalingen op te nemen omtrent certificatiedienstverleners,
certificaten en veilige middelen (Wet
elektronische handtekeningen;
Kamerstukken II 2000-2001, 27 743, nrs. 1-3). Aangezien wordt voorgesteld dat de
Awb wat betreft de elektronische handtekening in beginsel aansluit bij
het BW, volgt hier een korte uiteenzetting van de elektronische
handtekening zoals die aldaar is geregeld. Voor een meer uitvoerige toelichting
zij verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wet elektronische
handtekeningen, alwaar ook meer uitvoerig op de richtlijn inzake elektronische
handtekeningen wordt ingegaan.
Onder een elektronische
handtekening wordt een handtekening verstaan die bestaat uit
elektronische gegevens die zijn vastgehecht aan of logisch geassocieerd zijn met
andere elektronische gegevens en die worden gebruikt als middel voor
authentificatie (artikel 3:15a, vierde lid, BW). Technieken om een elektronische
handtekening te zetten, zijn er in vele soorten, bijvoorbeeld de
pincode, de dynamische handtekening (elektronische pen) en de digitale
handtekening.
Artikel 3:15a, eerste lid, BW
bevat de norm dat elektronische handtekeningen voldoende betrouwbaar
moeten zijn om ze gelijk te kunnen stellen met handgeschreven
handtekeningen. Het BW gaat uit van het systeem waarin van een bepaald type
(hieronder nader aan te geven) elektronische handtekening wordt aangenomen
dat deze
in beginsel voldoende betrouwbaar is, terwijl van andere
elektronische handtekeningen niet zonder meer mag worden aangenomen dat ze
onvoldoende betrouwbaar zijn. Artikel 3:15a, tweede lid, bepaalt wanneer een elektronische handtekening wordt
vermoed voldoende
betrouwbaar te zijn. Het derde lid bepaalt op welke gronden een elektronische
handtekening niet zonder meer als onvoldoende betrouwbaar mag worden
aangemerkt.
In de regeling in het BW
wordt een elektronische handtekening vermoed voldoende betrouwbaar te
zijn indien zij voldoet aan de volgende drie eisen:
- het is een
geavanceerde elektronische handtekening;
- die gebaseerd is op
een gekwalificeerd certificaat dat is afgegeven door een
certificatiedienstverlener die voldoet aan de bij of krachtens
rblz.|19|
algemene maatregel van
bestuur gestelde eisen (artikel 18.15, eerste lid, Telecommunicatiewet);
en
- zij is gegenereerd
door een veilig middel.
Een geavanceerde
elektronische handtekening is een elektronische handtekening die van extra waarborgen
is voorzien. Techniekonafhankelijk geformuleerd, betekent
dit dat zij voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is op unieke wijze
aan de ondertekenaar verbonden;
b. zij maakt het mogelijk
de ondertekenaar te identificeren;
c. zij komt tot stand met
middelen die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende controle kan
houden; en
d. zij is op zodanige
wijze aan het elektronische bestand waarop zij betrekking heeft,
verbonden dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord.
In deze omschrijving is
bewust geen melding gemaakt van een bepaalde techniek om elektronische handtekeningen aan te maken. Een geavanceerde
elektronische
handtekening kan derhalve met elke techniek worden aangemaakt die aan de
genoemde voorwaarden voldoet.
Een op dit moment
gebruikte techniek voor het aanmaken van een geavanceerde
elektronische handtekening is de digitale handtekening. Bij deze techniek koppelt een
certificatiedienstverlener aan een persoon twee codes (waarmee de
elektronische handtekening wordt gemaakt) die onlosmakelijk met elkaar zijn
verbonden: een publieke en een private sleutel. De koppeling van deze
publieke sleutel aan een persoon wordt vastgelegd in een digitaal certificaat.
De betreffende persoon kan vervolgens een elektronisch bestand ondertekenen met
zijn private sleutel. De ontvanger van dit bestand kan (alleen)
met de bijbehorende publieke sleutel verifiëren of het bericht ongewijzigd
is en afkomstig van de bezitter van de bijbehorende (geheime) private
sleutel.
Certificatiedienstverleners
koppelen een unieke publieke (verificatie)sleutel aan de identiteit van een
persoon en leggen dit vast in een digitaal certificaat. Onderscheid
wordt gemaakt tussen "gewone" certificaten en gekwalificeerde
certificaten. Certificaten die als gekwalificeerd certificaat aan het publiek
worden
aangeboden of afgegeven, dienen te voldoen aan de eisen gesteld bij of
krachtens de op artikel 18.15 Telecommunicatiewet
gebaseerde algemene
maatregel van bestuur. Deze eisen zullen overeenstemmen met de bijlagen van de
richtlijn. In deze bijlagen staat onder meer vermeld welke
informatie in een certificaat moet worden opgenomen om het predikaat
"gekwalificeerd" te krijgen. Een gekwalificeerd certificaat dient onder
meer de volgende gegevens te bevatten: de vermelding dat het certificaat als
gekwalificeerd wordt uitgegeven, de identificatie en de aanduiding van het
land van vestiging van de afgevende certificatiedienstverlener, de geldigheidsduur van
het certificaat en de eventuele beperkingen betreffende het gebruik van het certificaat.
Onder
certificatiedienstverlener wordt degene verstaan die certificaten afgeeft of andere
diensten verleent in verband met elektronische handtekeningen; men zie artikel 1.1,
onderdeel ee, Telecommunicatiewet. Een certificatiedienstverlener
die gekwalificeerde certificaten aanbiedt of afgeeft aan het publiek
en in Nederland een vestiging heeft,¹ dient te voldoen aan de eisen
gesteld bij of krachtens de op artikel 18.15 Telecommunicatiewet
gebaseerde algemene maatregel van bestuur. Deze eisen zullen
overeenstemmen met bijlagen van de richtlijn. Deze bijlagen bevatten onder meer de
eisen waaraan certificatiedienstverleners die gekwalificeerde
certificaten afgeven, dienen te voldoen. Hierin is onder meer de plicht voor
certificatiedienstverleners opgenomen om aan te tonen dat zij voldoen aan
de betrouwbaarheidseisen voor het aanbieden van certificatiediensten,
de plicht om veilige en betrouwbare procedures, systemen en producten te
gebruiken, een informatieplicht, een bewaarplicht alsmede
organisatorische
en financiële vereisten. In de bijlagen wordt voorts vereist dat
een certificatiedienstverlener de identiteit van de persoon aan wie een
gekwalificeerd certificaat wordt afgegeven, natrekt en rblz.|20|
het resultaat hiervan op
verifieerbare wijze vastlegt. Deze eis is geïmplementeerd in artikel 18.15, derde
lid,
Telecommunicatiewet. Certificatiedienstverleners
die gekwalificeerde certificaten aan het publiek afgeven en die een
vestiging in Nederland hebben, dienen zich te laten registreren bij de
Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit (OPTA). De OPTA houdt
hiervan een openbaar register bij. Bij de aanvraag van hun registratie
dienen de certificatiedienstverleners informatie te overleggen waaruit blijkt
dat zij voldoen aan de eisen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gesteld (zijnde de eisen van bijlage I en II van de richtlijn).
Elektronische
handtekeningen worden aangemaakt met behulp van hardware of software. Indien deze
middelen voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens de op
artikel 18.17
Telecommunicatiewet
gebaseerde algemene maatregel van bestuur,
zijn zij aan te merken als veilige middelen. Deze eisen zullen overeenstemmen met bijlage III van de richtlijn. Deze
bijlage bevat de eisen
voor veilige middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen.
Een elektronische
handtekening waarvan wordt vermoed dat zij voldoende betrouwbaar is,
dient derhalve alles bij elkaar te voldoen aan de algemene eisen van
artikel 3:15a, tweede lid, BW
en aan de 26 (technische) eisen van de bijlagen bij
de richtlijn die geïmplementeerd zullen worden bij of krachtens
de op de Telecommunicatiewet gebaseerde algemene maatregel van bestuur.
De afdeling in het BW
inzake elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer bevat een
schakelbepaling: buiten het vermogensrecht vinden de bepalingen van die
afdeling overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de
rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet (artikel
3:15c BW). Met betrekking tot de toepasselijkheid van de bepalingen van het BW
in bestuursrechtelijke verhoudingen, in het bijzonder in
bestuursrechtelijke verhoudingen die niet (tevens) vermogensrechtelijk van
aard zijn, is van belang hetgeen daarover in het voorontwerp van een
vierde tranche van de Awb wordt opgemerkt (Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht, Voorontwerp Algemene wet
bestuursrecht vierde tranche, Den Haag 1999). In dat voorontwerp wordt ervan uitgegaan dat
de bepalingen van het BW in beginsel slechts gelden in
privaatrechtelijke verhoudingen, tenzij een schakelbepaling is opgenomen
(blz. 50). Indien een schakelbepaling in het BW is opgenomen, voorziet het
BW in beginsel reeds zelf in de overeenkomstige toepassing buiten het
privaatrecht. Wel kan het nodig zijn nader te verduidelijken dat die bepalingen in
bestuursrechtelijke verhoudingen doorwerken. Dat is de reden dat in
dit wetsvoorstel de norm van artikel 3:15a, eerste lid, BW
(voldoende
betrouwbare methode) in de Awb is vastgelegd. Artikel 3:15a, tweede tot
en met zesde lid, en artikel 3:15b BW
worden in dit wetsvoorstel
uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. Gezien het genoemde
uitgangspunt zou dit, strikt genomen, niet nodig zijn, nu de regeling van
de elektronische handtekening van het BW een schakelbepaling kent. De uitdrukkelijke
van-overeenkomstige-toepassingverklaring draagt echter
bij aan de rechtszekerheid en voorkomt de - onjuiste -
a-contrario-redenering dat aangezien het eerste lid van artikel 3:15a in de
Awb is verwerkt, de overige bepalingen van deze afdeling
blijkbaar in
bestuursrechtelijke verhoudingen niet van toepassing zijn. Door deze bepalingen van
overeenkomstige toepassing te verklaren, worden nodeloze verschillen tussen Awb en BW voorkomen.
1. Artikel 3:15b bevat een
regeling voor certificatiedienstverleners die in een derde land gevestigd zijn.
4.5. De verhouding tussen
de norm van voldoende betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid en de
elektronische handtekening
Naast een bepaling over
de elektronische handtekening is er behoefte aan algemene bepalingen over
de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het elektronische
verkeer. De reden hiervoor is dat met het vereiste van de rblz.|21|
elektronische
handtekening niet steeds de vereiste mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid kan
worden gerealiseerd. Bovendien is een elektronische
handtekening niet altijd nodig om de vereiste mate van betrouwbaarheid te
bewerkstelligen. Artikel 2:14, derde lid, en
2:15, derde lid, bevatten een norm.
Artikel 2:16 heeft betrekking op een methode, op een bepaalde manier, die
bijdraagt aan de realisatie van die norm.
De elektronische
handtekening heeft strikt genomen alleen betrekking op de authenticiteit van het
bericht. Betrouwbaarheid heeft een veel ruimere reikwijdte; zij ziet in
het bijzonder ook op de integriteit van het bericht. Voor een voldoende mate
van betrouwbaarheid zal in veel gevallen vereist zijn dat het stuk
niet meer kan worden gewijzigd. Dat de elektronische handtekening rechtens
alleen op de authenticiteit betrekking heeft, sluit niet uit dat met de
techniek van een elektronische handtekening meer kan worden bewerkstelligd. De digitale handtekening levert bijvoorbeeld
ook een bijdrage aan de
integriteit van het bericht. Wanneer de datum in voldoende mate gefixeerd
moet zijn, is dit te bewerkstellingen met behulp van een zogeheten
tijdstempel. Ook heeft een elektronische handtekening geen betrekking op de
vertrouwelijkheid van een bericht. Indien vereist is dat het bericht niet voor
een ieder toegankelijk is, kan dat bijvoorbeeld met behulp van vercijfering
worden gerealiseerd. Certificatiedienstverleners verlenen faciliteiten om
de vereiste voldoende mate van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid te
realiseren.
Indien een bestuursorgaan
bijvoorbeeld een bericht langs elektronische weg openbaar wil maken,
kan het de betrouwbaarheid bewerkstelligen door gebruik te maken van
de techniek van de digitale handtekening. Het ondertekent daarvoor het
stuk met zijn private sleutel. Dit betekent dat het de elektronische gegevens
van de digitale handtekening vercijfert met zijn private sleutel. De
burger die van het stuk kennisneemt, zal zeker willen weten dat het stuk
inderdaad van het betrokken bestuursorgaan afkomstig is en dat het stuk niet
is gemanipuleerd. Daartoe dient de burger de vercijferde gegevens van
de digitale handtekening te lezen met de publieke sleutel van het
bestuursorgaan. De burger krijgt die publieke sleutel rechtstreeks van
het bestuursorgaan of via een certificatiedienstverlener. De
certificatiedienstverlener trekt de sleutel in indien hij de betrouwbaarheid ervan
niet meer kan garanderen. De ontvanger van de publieke sleutel moet
daarom even verifiëren of de publieke sleutel nog geldig is.
Indien een bestuursorgaan
bijvoorbeeld een vertrouwelijk bericht wil versturen, kan het
daartoe het bericht versleutelen. Het bestuursorgaan vercijfert daarvoor het
stuk met de publieke sleutel van de ontvanger. Deze sleutel heeft hij
rechtstreeks of via een certificatiedienstverlener verkregen. De ontvanger
ontsleutelt het bericht met zijn private sleutel. Voor het zetten van
digitale handtekeningen is een goede public-keyinfrastructure vrijwel onontbeerlijk.
Zonder een public-keyinfrastructure – ook wel aangeduid als pki-infrastructuur of TTP-infrastructuur
- lijkt
betrouwbaar elektronisch
dataverkeer thans niet goed mogelijk. In het kader van het
Actieprogramma Elektronische Overheid worden de voorbereidingen getroffen voor het
opzetten van een pki-infrastructuur (Kamerstukken II 1999-2000, 26 387, nr.
5). Daartoe is een Taskforce PKI Overheid ingericht met als
doelstelling het realiseren van een werkbare en betrouwbare infrastructuur voor
PKI-diensten die voorziet in een vastgesteld beveiligingsniveau voor
de communicatiebehoefte van de overheid en die transparant is voor de
gebruikers. Het gaat hier om de communicatie en transacties van overheidsinstanties onderling, maar ook die van overheden
met burgers.
TTP’s zijn organisaties
die diensten aanbieden om de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van elektronische gegevensuitwisseling te bevorderen.
De diensten die een TTP
aanbiedt, hebben in hoofdzaak betrekking op de digitale handtekening en
op de versleuteling van documenten. TTP staat voor Trusted Third Party.
TTP’s vormen een nieuw verschijnsel. TTP-taken rblz.|22|
worden uitgevoerd door
commerciële instellingen. Ook is het denkbaar dat de overheid haar
TTP-taken zelf uitvoert. TTP’s kunnen optreden als certificatiedienstverleners
in de zin van het BW
en de
Telecommunicatiewet. Zij
kunnen daarnaast ook andere taken uitoefenen.
5. De betekenis van dit
wetsvoorstel voor verzending langs elektronische weg op
grond van de Awb
Afdeling 2.3
heeft
betekenis voor een aantal rechtsfiguren die in de
Awb zijn geregeld, zoals
onder meer het besluit, de machtiging, de doorzendplicht, de aanvraag tot het geven
van een beschikking, de terinzagelegging, het naar voren brengen
van zienswijzen, de bekendmaking, het maken van bezwaar, het instellen van beroep, het indienen van een klacht
en het mandaat. In het
navolgende wordt per onderwerp aangegeven wanneer de elektronische
weg is toegestaan.
Het besluit
Besluiten zijn ingevolge
artikel 1:3, eerste lid, schriftelijk van aard. Schriftelijk betekent niet meer dan
dat het genomen besluit uit een schriftelijk stuk kenbaar moet zijn
(Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 36). De ruime uitleg van het
begrip "schriftelijk" biedt de ruimte dat dit stuk uit een elektronisch
geschrift kenbaar is. Het is voor het bestuursorgaan niet zonder meer noodzakelijk
steeds een papieren exemplaar achter de hand te hebben en te houden.
Indien er behoefte is aan een papieren exemplaar kan daarin bij de
bekendmaking worden voorzien.
Machtiging
De op grond van
artikel 2:1, tweede lid, vereiste machtiging kan in principe langs elektronische weg
worden verstrekt. De ruime interpretatie van het begrip "schriftelijk" brengt met zich dat de machtiging in beginsel ook elektronisch van aard kan
zijn. Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, zijn op de elektronische verzending
van de machtiging de bepalingen van afdeling 2.3
van toepassing. Zo
dient ingevolge artikel 2:15 het bestuursorgaan kenbaar te hebben gemaakt
dat deze weg geopend is. De machtiging wordt verlangd van de gemachtigde. Twijfelt het bestuursorgaan, dan kan
het de opdrachtgever om
een bevestiging vragen.
Weigeren
bijstand/vertegenwoordiger
De onverwijlde
schriftelijke inkennisstelling van de weigering van bijstand of vertegenwoordiging van
een persoon op voet van artikel 2:2, tweede lid, kan op grond van de
ruime lezing van het begrip "schriftelijk" in beginsel langs
elektronische weg plaatsvinden. De geadresseerde moet kenbaar hebben gemaakt
dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is (artikel
2:13,
eerste lid, juncto 2:14, eerste lid).
Doorzendplicht
De ruime uitleg van het
begrip "schriftelijk" brengt met zich dat de doorzendplicht van
artikel 2:3 niet
alleen geldt voor traditionele geschriften, maar ook voor geschriften
die een bestuursorgaan langs elektronische weg bereiken. Ingevolge
artikel 2:13, eerste lid, dient daartoe aan de vereisten van afdeling 2.3
te zijn voldaan. De doorzending langs elektronische weg kan alleen
plaatsvinden indien het bevoegde bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
deze weg is geopend (artikel 2:15, eerste lid). Ook om andere redenen kan het
geschrift niet altijd worden doorgezonden, bijvoorbeeld omdat het is
versleuteld en daardoor niet bekend is welk bestuursorgaan kennelijk
bevoegd is, of omdat vanwege de geautomatiseerde verwerking het niet
mogelijk is het bevoegde bestuursorgaan te achterhalen. Indien het
geschrift niet wordt doorgezonden, dient het zo spoedig mogelijk te
worden teruggezonden aan de afzender (artikel
2:3, tweede lid). Bij
elektronisch verkeer kan daartoe veelal worden volstaan rblz.|23|
met een mededeling aan de
afzender dat het bericht niet kan worden ontvangen.
Uit deze bepaling vloeit
niet de verplichting voort om het elektronische geschrift te
transformeren in een papieren stuk, door het af te drukken en die afdruk door te
sturen. Indien het bestuursorgaan de betrouwbaarheid of de vertrouwelijkheid
van het bericht onvoldoende gewaarborgd acht, zendt het het bericht
niet door, maar weigert het het bericht te aanvaarden (artikel
2:15, derde lid).
Het deelt de weigering zo spoedig mogelijk aan de afzender mede (artikel
2:15,
vierde lid). De mededeling van de doorzending aan de afzender dan wel
de terugzending van een bericht dat niet kan worden doorgezonden, kan
langs elektronische weg plaatsvinden wanneer de afzender
kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg voldoende bereikbaar is (vgl.
artikel 2:14, eerste lid).
Friese taal
De ruime interpretatie
van het begrip "schriftelijk" brengt met zich dat de bepalingen over de Friese
taal (artikel 2:9 tot en met 2:11) niet alleen betrekking hebben op
conventionele maar ook op elektronisch vastgelegde stukken.
De aanvraag tot het geven
van een beschikking
Ingevolge
artikel 4:1
wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend.
Op grond van de ruime uitleg van het begrip "schriftelijk" kan de
aanvraag in beginsel ook langs elektronische weg worden ingediend. Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, is vereist dat wordt voldaan aan de
voorwaarden van afdeling 2.3. Het bestuursorgaan dat de elektronische weg voor
een bepaald soort aanvragen heeft geopend (artikel
2:15), kan daardoor niet
meer louter op grond van de elektronische vorm weigeren aanvragen van
dat type in behandeling te nemen.
Artikel 4:2, eerste lid,
vereist dat de aanvraag is ondertekend. Ingevolge artikel 2:16 is aan dit
vereiste door het gebruik van een elektronische handtekening voldaan
indien de methode die daarbij is gebruikt voldoende betrouwbaar is.
Artikel 4:2, eerste lid, onderdeel b, vereist een dagtekening. Deze
dagtekening mag, evenals de overige inhoud van de aanvraag, niet zijn
gemanipuleerd. Vereist is dat de dag van ontvangst van het document duidelijk
vaststaat. Vanaf de dag van ontvangst begint immers de wettelijke beslistermijn te lopen
(vgl. artikel 4:13). Ingevolge artikel
2:15, derde lid,
kan een bestuursorgaan weigeren een langs elektronische weg verzonden bericht te
aanvaarden voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van
het bericht onvoldoende zijn gewaarborgd. Aldus wordt onder meer
gewaarborgd dat de dagtekening van de aanvraag voldoende
betrouwbaar is. De weigering kan ertoe leiden dat het bestuur de aanvraag
in het geheel niet in behandeling hoeft te nemen, mits de aanvrager de
gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde
termijn de aanvraag te verbeteren (vgl. artikel
4:5). Men zie hierover meer
uitvoerig hoofdstuk 6 van deze toelichting.
Het moment van ontvangst
kan langs elektronische weg met behulp van een datumstempel worden vastgelegd (in de ICT-wereld doorgaans
aangeduid als: timestamping). Ingevolge artikel 4:3a
bevestigt het bestuursorgaan de
ontvangst van een langs elektronische weg ingediende aanvraag. Artikel 4:4 kent
de bevoegdheid toe een aanvraagformulier vast te stellen. Elektronisch
verkeer zal de behoefte aan een model in de vorm van een vaststaand
formulier, sjabloon of "format" doen toenemen. Eén van de voordelen van
elektronische besluitvorming wordt gevormd door het gebruik van zogeheten
intelligente formulieren. Onder het begrip "formulier" zal ook een
elektronisch formulier kunnen worden begrepen. Bij de toezending van een
formulier langs elektronische weg dient artikel 2:14 in acht te worden
genomen. De aanvrager behoudt aldus de mogelijkheid het gebruik van een
elektronisch formulier te weigeren en een papieren versie te verlangen.
rblz.|24|
Terinzagelegging
De terinzagelegging
(artikel 3:11; vgl. ook artikel
3:42, derde lid (voorheen tweede lid),
7:4 en 7:18) kan
ingevolge artikel 2:13, eerste lid, langs elektronische weg plaatsvinden, mits is
voldaan aan de vereisten van artikel 2:14. De terinzagelegging
geschiedt niet uitsluitend langs elektronische weg, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald (artikel 2:14, tweede lid). Dat betekent dat uitsluitend
publicatie op een website bijvoorbeeld niet voldoende is. Daarnaast
moeten de betrokken documenten ook fysiek op de daarvoor gebruikelijke
plaatsen kunnen worden ingezien. Wel is het denkbaar dat die fysieke
terinzagelegging plaatsvindt doordat het mogelijk wordt gemaakt om op de
daarvoor gebruikelijke plaatsen de betrokken documenten op een scherm
te raadplegen en er desgevraagd een afdruk van te krijgen.
Het moment waarop de
stukken ter inzage worden gelegd, moet duidelijk vaststaan, omdat aan het
tijdstip van de terinzagelegging vaak rechtsgevolgen zijn verbonden
(bijvoorbeeld de
termijn om zienswijzen naar voren te brengen; vgl. artikel
3:16,
tweede lid). Dat is bij fysieke terinzagelegging niet anders. Uit artikel
2:14,
derde lid, volgt dat de terinzagelegging op een voldoende betrouwbare en
vertrouwelijke manier dient plaats te vinden. Dit betekent dat de
inhoud, met inbegrip van de dagtekening, niet manipuleerbaar mag zijn. Ook het
afschrift van de ter inzage gelegde stukken (artikel
3:11, derde lid)
kan in principe langs elektronische weg worden verstrekt, mits is
voldaan aan het vereiste van artikel 2:14, eerste lid. Het valt overigens te
betwijfelen of er nog veel behoefte zal bestaan aan een geadresseerd afschrift
dat langs elektronische weg is verzonden indien de stukken rechtstreeks
langs elektronische weg zijn te raadplegen. Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt in
één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen "of
op een andere geschikte wijze" kennis gegeven van het ontwerp (artikel
3:12). De elektronische weg vormt een geschikte wijze, mits de vereisten van
artikel 2:14 in acht worden
genomen. Dit betekent in
het bijzonder dat de kennisgeving niet uitsluitend langs elektronische weg
plaatsvindt. Ingevolge artikel 3:12, tweede lid, wordt de
kennisgeving, indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend
bestuursorgaan betreft, in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald. Openbare kennisgeving voorafgaand
aan de terinzagelegging is nodig omdat zonder deze onvoldoende bekend kan
zijn dat het ontwerp ter inzage is gelegd. Terinzagelegging langs
elektronische weg verandert daar in principe niets aan. Ook bij
terinzagelegging langs deze weg moet van tevoren bekend worden gemaakt waar de
stukken ter inzage liggen (vgl. artikel 3:12, derde lid, onderdeel a). Deze
plaats kan mede een elektronische vindplaats inhouden.
In de elektronische
wereld bestaat er feitelijk geen verschil tussen terinzagelegging en
kennisgeving door middel van publicatie. Niettemin wordt aan dit onderscheid
rechtens wel vastgehouden. Immers, voorafgaand aan de terinzagelegging
moet kennis worden gegeven waar en wanneer de stukken ter
inzage liggen (artikel 3:12). Deze kennisgeving mag eveneens niet uitsluitend
langs elektronische weg geschieden (vgl. artikel
2:14, tweede lid).
Zienswijzen
Zienswijzen kunnen naar
keuze schriftelijk of mondeling naar voren worden gebracht (vgl. artikel 3:15 en
4:9). De ruime lezing van het begrip "schriftelijk" brengt
met zich dat zienswijzen in beginsel langs elektronische weg naar voren kunnen
worden gebracht. Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, zijn op de
elektronische verzending van de zienswijzen de bepalingen van afdeling 2.3
van
toepassing. Dit betekent dat de keuze voor de elektronische weg alleen
mogelijk is indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze
weg voor het naar voren brengen van zienswijzen is geopend
(artikel 2:15).
rblz.|25|
Aangezien het woordje
"schriftelijk" in artikel 3:16, derde lid, ruim dient te worden uitgelegd, zijn
ook op de langs elektronische weg naar voren gebrachte zienswijzen in
het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure
de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige
toepassing. Ingevolge
artikel 3:16, derde lid, juncto 6:9, eerste lid, is een zienswijze tijdig naar
voren gebracht indien deze vóór het einde van de termijn is ontvangen.
Uitdrukkelijk is afgezien van het van overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 6:9, tweede lid (gemitigeerde verzendtheorie), op de
verzending langs elektronische weg, aangezien het niet aangaat
elektronische verzending gelijk te stellen met een bepaalde manier van conventionele
verzending, te weten die van de terpostbezorging, terwijl op andere vormen
van verzending, bijvoorbeeld per bode of koerier, de gemitigeerde
verzendtheorie niet van toepassing is. De uitdrukking "per post" in
artikel 6:9, tweede lid, heeft derhalve geen betrekking op verzending per
elektronische post.
Men zie artikel 2:17 voor
de vaststelling van het tijdstip van verzending en ontvangst van een langs
elektronische weg verzonden bericht. Ingevolge artikel
3:16, derde lid,
is op prematuur, dat wil zeggen vóór het begin van de termijn, langs
elektronische weg naar voren gebrachte zienswijzen artikel 6:10 van overeenkomstige toepassing.
Bekendmaking
Ingevolge
artikel 3:41
geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot één of meer
belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking. Ingevolge artikel
2:13,
eerste lid, kunnen berichten langs elektronische weg worden verzonden,
mits de bepalingen van afdeling 2.3 in acht wordt genomen. Op de toezending
aan één of meer geadresseerden langs elektronische weg is artikel
2:14,
eerste lid, van toepassing: de geadresseerde dient kenbaar te hebben
gemaakt dat hij langs die weg bereikbaar is. Dit betekent dat bijvoorbeeld
een papieren afdruk van het langs elektronische weg vastgelegde besluit
dient te worden toegezonden of te worden uitgereikt aan hen die niet kenbaar
hebben gemaakt dat zij langs elektronische weg voldoende bereikbaar
zijn.
Het gevolg van de
bekendmaking is dat het besluit in werking kan treden (artikel
3:40). Door de
bekendmaking kan een besluit zijn werking als rechtshandeling verkrijgen. Het tijdstip
van bekendmaking moet precies vaststaan, omdat vanaf dat moment de
rechtsgevolgen waarop het besluit is gericht, kunnen intreden. Bovendien kent
de wet vanaf dat moment
rechtsgevolgen aan het
besluit toe. Zo wordt de aanvang van de bezwaar- of beroepstermijn erdoor
bepaald (artikel 6:8, eerste lid). Dit vereist een "datumstempel" op het elektronische bericht. Uit
artikel 2:14, derde lid,
volgt dat de verzending
op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier dient plaats te
vinden. Dit betekent onder meer dat de inhoud, met inbegrip van de dagtekening, niet manipuleerbaar mag zijn.
Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, verzet de
Awb zich tegen de bekendmaking langs
elektronische weg van besluiten die niet tot één of meer belanghebbenden
zijn gericht (artikel 3:42, het nieuwe tweede lid). Ingevolge
artikel 2:14,
tweede lid, geschiedt de verzending van dit soort berichten niet uitsluitend elektronisch. In het verlengde van het uitgangspunt
van de nevenschikking
ligt het in de rede dat de conventionele kennisgeving geldt als de
bekendmaking van het besluit. Indien bezwaar of beroep wordt ingesteld
tegen een besluit dat niet tot één of meer belanghebbenden is
gericht (niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel), dan
is voor de vaststelling van de aanvang van de bezwaar- of beroepstermijn
(vgl. artikel 6:8) de elektronische kennisgeving niet van belang,
aangezien langs die weg het besluit niet kan worden bekendgemaakt. De
verhouding tussen artikel 2:14, tweede lid, en
artikel 3:42, tweede lid
(nieuw), is derhalve als volgt. Het publiceren van berichten geschiedt in
beginsel niet uitsluitend langs elektronische weg. Dit brengt met zich dat
er twee versies kunnen zijn: een conventionele en rblz.|26|
een elektronische. De
elektronische publicatie geldt niet als de bekendmaking in de zin van de Awb. De
reden die hieraan ten grondslag ligt, is dat er verschillen kunnen
zijn tussen het tijdstip van openbaar worden van beide versies. Het moment
van bekend worden moet echter precies vast staan, in het bijzonder
met het oog op de nauwkeurige vaststelling van de (fatale) termijnen. Eén
en ander lijdt uitzondering indien bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Ingevolge artikel
3:42,
derde lid (voorheen tweede lid), wordt, indien alleen van de zakelijke inhoud
wordt kennisgegeven, het besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd. De
terinzagelegging kan langs elektronische weg geschieden; men zie
artikel 2:13, eerste lid. Ingevolge artikel
2:14, tweede lid, mag de
terinzagelegging echter niet uitsluitend langs elektronische weg plaatsvinden. Indien,
met andere woorden, in een blad alleen de zakelijke inhoud is
gepubliceerd, dient het besluit tegelijkertijd ter inzage te worden gelegd. Indien
die terinzagelegging langs elektronische weg plaatsvindt, dient het
besluit daarnaast ook fysiek ter inzage te worden gelegd. Artikel
3:42,
derde lid (voorheen tweede lid), bepaalt dat in de kennisgeving wordt
vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage ligt. Dit is niet anders
wanneer het besluit langs elektronische weg ter inzage wordt gelegd.
Ingevolge artikel
2:14,
eerste lid, kan de mededeling op voet van artikel 3:43 alleen via
elektronische weg plaatsvinden voor zover de insprekers en adviseurs te kennen
hebben gegeven langs elektronische weg bereikbaar te zijn.
Opgemerkt wordt nog dat
de Awb geen betrekking heeft op de bekendmaking van algemeen verbindende
voorschriften (artikel 3:1, eerste lid, onderdeel b). Voor de algemeen
verbindende voorschriften die afkomstig zijn van het Rijk voorziet de Bekendmakingswet
hierin, voor de provincie de Provinciewet
en voor de
gemeente de Gemeentewet, enz. Deze
wetten kennen eigen
voorschriften over de wijze waarop algemeen verbindende voorschriften
moeten worden bekendgemaakt.
Opschorting van de
betalingsverplichting
Van de opschorting van
een betalingsverplichting op voet van artikel 4:56 kan op grond van de ruime
uitleg van het begrip "schriftelijk" in beginsel langs elektronische weg
worden kennisgegeven. Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, is
afdeling 2.3
van toepassing. Ingevolge artikel 2:14 geldt dat de geadresseerde kenbaar
moet hebben gemaakt dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar
is.
Accountantsverklaring
De
Awb vereist op
verschillende plaatsen een schriftelijke verklaring van een accountant (men zie
artikel 4:64, 4:78 en 4:79). Ook hier kan het woord "schriftelijk" ruim
worden uitgelegd, zodat in principe denkbaar is dat daaronder ook een
elektronische verklaring wordt begrepen. Of en wanneer een elektronische
verklaring functioneel equivalent is met een conventionele verklaring
en deze verklaring langs elektronische weg kan worden gegeven, hangt af
van de ontwikkelingen in de desbetreffende praktijk. Zekerheidshalve
wordt erop gewezen dat afdeling 2.3 in beginsel niet van toepassing is op
de rechtsverhouding tussen de subsidieaanvrager en de accountant.
Bewijs van een
toezichthouder
Ingevolge
artikel 5:17 is
een toezichthouder bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en kopieën te maken. Indien het
maken van kopieën niet
ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden
voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven
schriftelijk bewijs. De ruime interpretatie van het begrip "schriftelijk" brengt met zich dat dat in beginsel ook
een
elektronisch bewijs kan zijn.
Weliswaar is er geen principieel bezwaar tegen rblz.|27|
een elektronisch bewijs,
maar afgifte daarvan laat zich praktisch nog niet goed denken. Hetzelfde
geldt voor het in artikel 5:18, vierde lid, genoemde schriftelijk bewijs.
Bestuursdwang
Een beslissing tot
toepassing van bestuursdwang wordt ingevolge artikel 5:24 op schrift gesteld.
Niet alleen een papieren geschrift, maar ook de elektronisch vastgelegde
beslissing is een beschikking. De ruime uitleg van het begrip "schriftelijk" brengt dit met zich. Dit sluit aan bij de lezing van
artikel 1:3, eerste
lid. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de
beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan
stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en
voor de bekendmaking. Dit kan in beginsel zowel op conventionele als
elektronische wijze gebeuren.
Voor de verzending van de
beslissing tot toepassing van bestuursdwang langs elektronische weg
zij verwezen naar het gezegde over de bekendmaking van besluiten langs
elektronische weg. Zowel voor de bekendmaking aan de overtreder, voor
de bekendmaking aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak
ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast als voor de
bekendmaking aan de aanvrager geldt dat zij kenbaar moeten hebben
gemaakt dat zij langs elektronische weg voldoende bereikbaar zijn (artikel
2:13, eerste lid, juncto 2:14, eerste lid). Bovendien dient de
verzending op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier
plaats te vinden (artikel 2;13, eerste lid,
juncto
2:14, derde lid). Bij een
bericht met deze strekking - dat zeer belastend is - geldt a fortiori dat de
elektronische bereikbaarheid niet te gemakkelijk mag worden aangenomen. Als
daarover twijfel kan bestaan, ligt hier de conventionele weg meer
voor de hand.
De aanzegging van de
betreding van een plaats op voet van artikel
5:27, derde lid, kan in
beginsel langs elektronische weg plaatsvinden; zulks volgt uit de ruime uitleg
van het woord "schriftelijk". Ingevolge artikel
2:13, eerste lid, is afdeling 2.3
op de elektronische weg van toepassing. Ingevolge artikel 2:14
geldt dat de geadresseerde kenbaar moet hebben gemaakt dat hij langs
elektronische weg voldoende bereikbaar is. Zoals gezegd, mag de
elektronische bereikbaarheid vanwege het belastende karakter van het bericht
niet te gemakkelijk worden aangenomen.
Gelijkstellingen
Op grond van
dit
wetsvoorstel behoeft een aanzienlijk aantal bestuurshandelingen niet uitsluitend op
conventionele wijze plaats te vinden. Besluiten in de zin van
deze wet kunnen op papier of langs elektronische weg worden vastgelegd.
Het begrip "schriftelijk" wordt immers ruim uitgelegd. Dit geldt ook voor de bestuurshandelingen die voor de toepassing
van wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld: de
schriftelijke weigering een besluit te nemen (artikel
6:2, aanhef en onder a), de
schriftelijke beslissing inhoudende de weigering van de goedkeuring van een
besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een
beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een
algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel (artikel
8:1,
derde lid, onderdeel a) en de schriftelijke beslissing inhoudende de weigering
van de goedkeuring van een besluit ter voorbereiding van een
privaatrechtelijke rechtshandeling (artikel 8:1, derde lid, onderdeel b).
Bezwaar en beroep
Op grond van de ruime
uitleg van het begrip "schriftelijk", en derhalve ook van
"geschrift" en "schrift", kunnen bezwaar en beroep langs elektronische weg worden ingesteld
(artikel 6:4). Ingevolge artikel
2:13, eerste lid, dienen de bepalingen van afdeling 2.3
in acht te worden genomen in het elektronische verkeer met bestuursorganen. Op het maken van bezwaar
rblz.|28|
en instellen van
administratief beroep langs elektronische weg is derhalve artikel 2:15 van
toepassing. Dit betekent dat het bestuursorgaan kenbaar moet hebben gemaakt
dat
deze weg is geopend. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren in de
rechtsmiddelclausule. Op het verkeer met de bestuursrechter is deze regeling niet van
toepassing. Niet uitgesloten is dat de rechter deze regeling
onder omstandigheden analoog toepast.
Artikel 6:5, eerste lid,
vereist dat het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend. Ingevolge
artikel 2:16 is aan dit vereiste door het gebruik van een elektronische
handtekening voldaan indien de methode die daarbij is gebruikt
voldoende betrouwbaar is. Ook is een dagtekening vereist. Deze dagtekening
mag, evenals de overige inhoud, niet manipuleerbaar zijn. Vereist is dat de
dag van ontvangst van het document duidelijk vaststaat. Ingevolge
artikel 2:15, derde lid, kan een bestuursorgaan weigeren een langs
elektronische weg verzonden bericht te aanvaarden voor zover de
betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van het bericht onvoldoende zijn gewaarborgd. Aldus
wordt onder meer gewaarborgd dat de dagtekening van het
bezwaar- of beroepschrift voldoende betrouwbaar is. Het gevolg van deze
weigering is dat het bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te
herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Zulks volgt uit artikel
6:6, waarover meer uitvoerig hoofdstuk 6 van deze
toelichting.
Bij een beroepschrift
wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil
betrekking heeft, overgelegd (artikel 6:5, tweede lid). De overlegging kan langs
elektronische weg plaatsvinden indien het beroep langs elektronische weg
is ingesteld. Op grond daarvan is immers al bekend dat deze weg
geopend is. Datzelfde geldt voor de eventuele vertaling.
Ook bij verzending langs
elektronische weg is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien
het vóór het einde van de termijn is ontvangen (artikel
6:9,
eerste lid). Zoals reeds is opgemerkt bij het naar voren brengen van zienswijzen,
is uitdrukkelijk afgezien van het van overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 6:9, tweede lid, (gemitigeerde verzendtheorie) op de
verzending langs elektronische weg, aangezien het niet aangaat
elektronische verzending gelijk te stellen met een bepaalde manier van conventionele
verzending, te weten die van de terpostbezorging, terwijl op andere vormen
van verzending, bijvoorbeeld per bode of koerier, de gemitigeerde
verzendtheorie niet van toepassing is. Artikel 2:17 schrijft de wijze
voor waarop het tijdstip van ontvangst en verzending wordt vastgesteld bij
verkeer langs elektronische weg.
Het orgaan waarbij het
bezwaar- of beroepschrift is ingediend, bevestigt de ontvangst daarvan
langs conventionele of elektronische weg (artikel
6:14, eerste lid). Ingevolge
artikel 2:13, eerste lid, dient voor elektronische verzending van de
bevestiging voldaan te zijn aan de vereisten van artikel
2:14. Ingevolge
artikel 2:14, eerste lid, dient de geadresseerde kenbaar te hebben gemaakt dat hij
langs elektronische weg voldoende bereikbaar is. Ook de kennisgeving van
het beroepschrift aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft
genomen, kan plaatsvinden langs elektronische weg indien het bestuursorgaan
kenbaar heeft gemaakt dat het langs deze weg voldoende bereikbaar is (vgl.
artikel 6:14, tweede lid, juncto 2:14, eerste lid). Ingevolge
artikel 6:15,
eerste lid, wordt bij doorzending van een bezwaar- of beroepschrift daarop de
datum van ontvangst aangetekend. Bij doorzending langs elektronische weg
dient dit eveneens te gebeuren, bijvoorbeeld met behulp van een
datumstempel. De verplichting daartoe voor het bestuursorgaan dat op voldoende betrouwbare wijze te doen, vloeit
voort uit artikel 2:14,
derde lid. Verzending van de stukken aan de gemachtigde (artikel
6:17) kan
plaatsvinden langs elektronische weg voor zover de gemachtigde kenbaar heeft
gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
Een bezwaar- of
beroepschrift kan langs elektronische weg worden ingetrokken rblz.|29|
(vgl. artikel
6:21).
Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, dienen voor het verkeer met
bestuursorganen de bepalingen van afdeling 2.3
in acht te worden genomen.
Intrekking langs elektronische weg kan ingevolge artikel 2:15 alleen
plaatsvinden voor zover het orgaan kenbaar heeft gemaakt dat het langs die
weg voldoende bereikbaar is. Daarvan is in ieder geval sprake indien
het bezwaar of beroep ook langs elektronische weg kan worden ingesteld.
Het indienen van nadere
stukken in een bezwaarschriftprocedure, op voet van artikel
7:4, eerste
lid, kan langs elektronische weg plaatsvinden, mits artikel 2:15 in acht
wordt genomen. De elektronische weg zal over het algemeen geopend zijn
voor het indienen van nadere stukken indien ook het bezwaarschrift langs
elektronische weg kan worden ingediend, maar een bestuursorgaan kan
daartussen desgewenst ook onderscheid maken, bijvoorbeeld omdat nadere
stukken wel eens erg omvangrijk kunnen zijn. De terinzagelegging van
het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende
stukken voor belanghebbenden (artikel 7:4, tweede lid) kan eveneens via
elektronische weg plaatsvinden, mits artikel 2:14 in acht wordt genomen. Dit
betekent dat de belanghebbenden kenbaar hebben gemaakt langs deze weg voldoende bereikbaar te zijn. Dit geldt eveneens
zowel voor het langs
elektronische weg in de gelegenheid stellen van belanghebbenden te worden
gehoord en voor het van de hoorgelegenheid op de hoogte stellen (artikel
7:2) als voor de mededeling van eventuele nova (artikel
7:9). Bij de vermelding van de plaats waar de stukken ter inzage zullen liggen,
dient de elektronische vindplaats te worden vermeld (vgl. artikel
7:4,
derde lid). Een afschrift kan langs elektronische weg worden verstuurd (artikel
7:4, vierde lid), mits artikel 2:14 in acht wordt genomen. Het langs
elektronische weg op de hoogte stellen van belanghebbenden op voet van
artikel 7:6,
derde lid, valt eveneens onder de werking van artikel
2:14. Het
tijdstip van ontvangst van het bezwaarschrift wordt vastgesteld
overeenkomstig artikel 2:17. De mededeling van de verdaging van de beslissing op
bezwaar kan langs elektronische weg worden gedaan (artikel
7:10, derde lid),
mits artikel 2:14 in acht wordt genomen. Indien ten behoeve van de beslissing
op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, wordt het advies van deze
commissie schriftelijk, dat wil zeggen langs conventionele of
elektronische weg, uitgebracht (artikel 7:13, zesde lid); op de elektronische weg
is artikel 2:14 van toepassing. Op de bekendmaking van de beslissing
(artikel 7:12, tweede lid) langs elektronische weg is
artikel 2:14 eveneens van
toepassing. Op de mededeling op voet van artikel
7:12, derde lid, is
artikel 2:14 eveneens van toepassing.
De
Awb laat enige ruimte
in de wijze waarop een hoorzitting kan plaatsvinden. De SER (Bestuurskamer)
vraagt of de mogelijkheid wordt geopend in de
bezwaarschriftprocedure langs elektronische weg te horen. Hij zou uit een oogpunt van
efficiency en kostenbesparing het elektronische horen in beginsel
welwillend tegemoet willen treden. Dezerzijds wordt dit standpunt gedeeld.
Uitgangspunt bij het elektronisch horen moet zijn dat dit uitsluitend is
toegestaan indien en voor zover alle te horen belanghebbenden hiermee instemmen.
Belanghebbenden dienen in beginsel in elkaars aanwezigheid te
worden gehoord (artikel 7:6). Voor zover belanghebbenden afzonderlijk kunnen
worden gehoord, is voor de keuze voor de elektronische weg alleen
de instemming van de betrokken belanghebbenden nodig. Uiteraard is van
belang dat hierbij zorgvuldig te werk wordt gegaan. In de
meeste gevallen zal dit betekenen dat de belanghebbende wordt benaderd met de
vraag of hij bereid is deel te nemen aan een elektronische
hoorzitting. Daarbij moet worden aangegeven dat hij een keuze heeft: in
plaats van de elektronische weg kan ook een gewone hoorzitting worden
georganiseerd indien hij daar prijs op stelt. Zoals door de regering reeds tijdens
de parlementaire behandeling van de Awb is opgemerkt, dient op een
hoorzitting ruimte te zijn voor een gedachtewisseling (Kamerstukken II
1990-1991,
21 221, nr. 5). Van belang is dat het horen niet uit louter
luisteren bestaat, maar dat over en weer op de rblz.|30|
opmerkingen kan worden
gereageerd. Daarom dient een elektronische hoorzitting zodanig te
worden ingericht dat er inderdaad voldoende ruimte is voor een
gedachtewisseling. Gedacht kan thans worden aan een zogeheten "chatbox" of
aan "videoconferencing". Op het elektronisch horen is afdeling 2.3
van
toepassing. In het bijzonder is van belang dat alle belanghebbenden
kenbaar hebben gemaakt dat zij langs deze weg voldoende bereikbaar
zijn. Voorts dient het elektronisch horen op een voldoende betrouwbare en
vertrouwelijke manier plaats te vinden.
In het verlengde hiervan
kan worden opgemerkt dat voor het telefonisch horen in principe
hetzelfde geldt. Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt in het
kabinetsstandpunt over de eerste evaluatie van de Awb (Kamerstukken
II 1997-1998, 25 600 VI, nr. 46). De Awb verzet zich er niet tegen als bestuursorganen met belanghebbenden overeenstemming
trachten te bereiken over
een andere wijze van horen, mits dit voldoende zorgvuldig
geschiedt. Indien meer belanghebbenden in elkaars aanwezigheid dienen te
worden gehoord, zou in beginsel gebruik kunnen worden gemaakt van een
telefonisch vergadercircuit, ware het niet dat de hierboven genoemde nieuwe
technieken over het algemeen meer geschikt zijn.
Het voorafgaande geldt
soortgelijk voor de bijzondere bepalingen over administratief beroep (afdeling
7.3).
Klachten
Klachten kunnen naar
keuze schriftelijk of mondeling worden ingediend (vgl. artikel
9:2). Op grond
van de ruime uitleg van het begrip "schriftelijk" kan een klacht in
beginsel langs elektronische weg worden ingediend. Ingevolge artikel
2:13,
eerste lid, dienen daarvoor de bepalingen van afdeling 2.3
in acht te worden
genomen. Dit betekent dat de keuze voor de elektronische weg alleen
mogelijk is voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
deze weg voor klachten is geopend (artikel
2:15). De afhandeling van schriftelijk ingediende klachten is met meer uitdrukkelijke
waarborgen omgeven dan de
afhandeling van mondeling ingediende klachten (afdeling
9.2).
Vanwege de ruime interpretatie van het begrip "schriftelijk" is deze
afdeling ook van toepassing op elektronische klaagschriften.
Artikel
9:4, tweede lid,
vereist dat het klaagschrift is ondertekend. Ingevolge artikel 2:16 is aan dit
vereiste door het gebruik van een elektronische handtekening voldaan
indien de methode die daarbij is gebruikt voldoende betrouwbaar is.
Artikel 9:4, tweede lid, onderdeel b, vereist een dagtekening. Deze
dagtekening mag, evenals de overige inhoud van de klacht, niet
manipuleerbaar zijn. Ingevolge artikel 2:15, derde lid, kan een bestuursorgaan weigeren
een langs elektronische weg verzonden bericht te aanvaarden voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van
het bericht onvoldoende
is gewaarborgd. Aldus wordt onder meer gewaarborgd dat de
dagtekening van het klaagschrift voldoende betrouwbaar is.
Het bestuursorgaan
bevestigt de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk, dat wil zeggen langs
conventionele of elektronische weg (vgl. artikel
9:6). Ingevolge artikel 2:13,
eerste lid dient voor elektronische verzending van de bevestiging voldaan te
zijn aan de vereisten van artikel 2:14. Ingevolge
artikel 2:14, eerste lid,
dient de geadresseerde kenbaar te hebben gemaakt dat hij langs
elektronische weg voldoende bereikbaar is. Van het niet in behandeling nemen van een
klaagschrift wordt de klager schriftelijk, dat wil zeggen langs
conventionele of elektronische weg in kennis gesteld (artikel
9:8, derde lid).
Aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, kan langs
conventionele of elektronische weg een afschrift van het klaagschrift alsmede
van de daarbij behorende stukken worden verzonden (artikel
9:9).
Voor elektronische verzending van dit afschrift en de daarbij behorende stukken
dient voldaan te zijn aan de vereisten van rblz.|31|
artikel
2:14. Ingevolge
artikel 2:14, eerste lid, dient degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft kenbaar te hebben gemaakt dat hij langs elektronische weg
voldoende bereikbaar is.
De mededeling waarbij het
bestuursorgaan de klager en degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft in de gelegenheid stelt te worden gehoord, kan eveneens
langs elektronische weg worden verzonden mits aan de vereisten van
artikel 2:14 is voldaan (artikel 9:10, eerste lid,
juncto
2:13). De mededeling van
de verdaging van de afhandeling van een klacht kan schriftelijk, dat wil
zeggen langs conventionele of elektronische weg worden gedaan (artikel
9:11,
tweede lid); de bepalingen van afdeling 2.3
zijn van toepassing. Dat geldt
ook voor de inkennisstelling van de bevindingen van het onderzoek naar de
klacht (artikel 9:12, eerste lid). Ingevolge
artikel 2:14, eerste lid, dient
de geadresseerde kenbaar te hebben gemaakt dat hij langs elektronische weg
voldoende bereikbaar is. Aan degene op wiens gedraging de klacht
betrekking heeft, kunnen langs elektronische weg stukken worden verzonden
indien hij kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende
bereikbaar is.
Het bestuursorgaan draagt
zorg voor de registratie van de bij hem ingediende schriftelijke klachten
(artikel 9:12a). Op grond van de ruime interpretatie van het begrip
"schriftelijk" geldt dit voorschrift ook voor langs elektronische weg
ingediende klachten.
Mandaat
Een algemeen mandaat
wordt schriftelijk verleend en ingetrokken (artikel 10:5 en
10:8). Een
mandaat voor een bepaald geval wordt in ieder geval schriftelijk verleend
indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van
de mandaatgever (vgl. artikel 10:5, tweede lid). De ruime lezing van het
begrip "schriftelijk" brengt met zich dat de verlening en intrekking in beginsel
langs conventionele of elektronische weg kan plaatsvinden.
Ingevolge artikel
2:13,
eerste lid, dient de verzending langs elektronische weg van de
mandaatverlening of -intrekking onder meer te voldoen aan de eisen van artikel
2:14. Dit betekent dat de gemandateerde kenbaar dient te hebben gemaakt
dat hij langs elektronische weg voldoende bereikbaar is en dat het
bericht op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier
dient te zijn verzonden. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, vindt
ingevolge artikel 3:42, tweede lid (nieuw), de kennisgeving van de
verlening of intrekking van een algemeen mandaat niet uitsluitend
plaats langs elektronische weg.
6. De weigering een
bericht te aanvaarden
Indien een bericht langs
elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt verzonden, terwijl het bestuursorgaan niet kenbaar heeft gemaakt dat
deze weg voor berichten
van die aard is geopend (vgl. artikel 2:15, eerste lid), dan kan het
bestuursorgaan op deze grond weigeren het bericht te aanvaarden. Eveneens
kan
het bestuursorgaan op deze grond weigeren het bericht te aanvaarden
indien de elektronische weg niet op deze wijze is geopend. Denkbaar is
immers dat de elektronische weg op zichzelf wel openstaat, maar dat de
verzender niet voldoet aan de technische voorschriften die het bestuursorgaan
stelt voor de ontvangst van bepaalde soorten berichten. De
afzender maakt bijvoorbeeld gebruik van programmatuur waarmee het bestuursorgaan niet uit de voeten kan.
Ingevolge artikel
2:15,
tweede en derde lid, kan een bestuursorgaan een langs elektronische weg
verzonden bericht weigeren te aanvaarden voor zover dit bericht
onvoldoende betrouwbaar of vertrouwelijk is, dan wel voor zover aanvaarding
van verschafte gegevens en bescheiden tot een onevenredige belasting
voor het bestuursorgaan zou leiden. Een bericht is onvoldoende betrouwbaar
indien het bijvoorbeeld een virus bevat of een elektronische
handtekening bevat die te weinig garantie voor een juiste rblz.|32|
authentificatie biedt.
Een bericht is onvoldoende vertrouwelijk indien het vertrouwelijke gegevens
bevat die onvoldoende beveiligd zijn verzonden, in het bijzonder omdat de
encryptie onvoldoende waarborgen bevat.
Uit een oogpunt van
behoorlijk bestuur dient het bestuursorgaan de afzender steeds zo
spoedig mogelijk van de weigering op de hoogte te stellen. Artikel
2:15,
vierde lid, heeft tot strekking hiervoor een waarborg te bieden. Het bestuur
kan het bericht van weigering langs elektronische weg verzenden, mits aan
de vereisten van artikel 2:14 is voldaan. De afzender kan van de
mogelijkheid gebruik maken het langs elektronische weg verzonden bericht te
herstellen, zodat het alsnog aan de eisen voldoet, dan wel zijn
bericht langs schriftelijke weg verzenden.
De op artikel 2:15
gebaseerde weigering kan betrekking hebben op allerhande stukken en berichten. Het
kan gaan om een aanvraag, een bezwaarschrift of een klacht, maar ook
om een bijlage daarbij of een nader stuk in een procedure, of om een
brief met een verzoek. Deze weigering is niet appellabel. Voor zover de weigering kan worden aangemerkt als een
besluit, brengt een in te
voegen onderdeel in artikel 8:4 tot uitdrukking dat dit besluit niet vatbaar
is voor beroep.
Wat zijn de gevolgen van
de weigering? Bij de toezending van de meeste berichten, zoals een
gewone brief of een nader stuk in het kader van bezwaar, is het gevolg
van de weigering dat het bestuursorgaan niets met het stuk hoeft te doen,
totdat het stuk alsnog correct is ingediend. Ingeval het bestuursorgaan
software hanteert die attachments met virussen automatisch weigert, is het
bestuursorgaan ook niet in staat er iets mee te doen. Maar de weigering
om van een aanvraag tot het nemen van een beschikking kennis te
nemen, of de weigering van een bezwaar- of beroepschrift, dan wel de
daarbij verschafte gegevens en bescheiden, kan tot gevolg hebben dat de
aanvraag of het bezwaar- of beroepschrift onvolledig wordt, zodat
artikel 4:5 of 6:6 van toepassing is. Dit is niet noodzakelijk het geval. Indien
bijvoorbeeld een onverplicht stuk wordt meegezonden met een
aanvraag die onbetrouwbaar blijkt te zijn, dan moet de aanvraag gewoon
in behandeling worden genomen.
Indien een aanvraag wordt
ingediend die een virus bevat en derhalve onbetrouwbaar is, kan
deze aanvraag ingevolge artikel 2:15, derde lid, worden geweigerd.
Artikel
4:5 is onder meer van toepassing als de aanvraag wordt geweigerd
op grond van artikel 2:15. Ingevolge artikel 4:5 kan het bestuursorgaan
besluiten deze aanvraag buiten behandeling te laten, mits de aanvrager
in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. Denkbaar is dat
de aanvraag die een virus bevat niet overkomt, doordat de software van
het bestuursorgaan de aanvraag automatisch weigert. Indien de
aanvraag wordt verzonden met een begeleidend schrijven, bijvoorbeeld
in de vorm van een e-mailbericht dat niet is aangetast door het virus, is
er een
gerede kans dat het bestuursorgaan kennis kan nemen van de poging
een aanvraag in te dienen. Ook in dat geval is artikel 4:5 van
toepassing.
Denkbaar is echter ook de
situatie waarin de software van het bestuursorgaan automatisch een onbetrouwbaar bericht weigert met als gevolg
dat het bestuursorgaan
niet op de hoogte is dat er een aanvraag is ingediend. Die situatie is
vergelijkbaar met de situatie die bij de schriftelijke postverzending vroeger
wel voorkwam: een brief aan een bestuursorgaan werd niet bezorgd maar
ongeopend geretourneerd omdat zij onvoldoende was gefrankeerd
(tegenwoordig wordt de brief wel bezorgd en krijgt de afzender een rekening).
Het gevolg daarvan is dat er geen aanvraag is ingediend. In dat geval
komen wij aan de toepassing van artikel 2:15 of
4:5 niet toe. Deze situatie
is derhalve vergelijkbaar met het geval dat de aanvraag in het geheel
niet wordt ontvangen. Dit risico is in beginsel voor de verzender. Hierbij zij
wel opgemerkt dat een situatie als hier geschetst zich niet snel zal
voordoen indien voldoende betrouwbare programmatuur wordt gebruikt. Bovendien
dient te worden bedacht dat ook bij de schriftelijke rblz.|33|
verzending er
altijd een kleine mogelijkheid is dat het bericht niet aankomt.
Indien een aanvraag tot
het geven van een beschikking langs elektronische weg wordt ingediend,
terwijl de elektronische weg daarvoor niet is geopend of niet op deze
wijze is geopend, dan kan het bestuursorgaan ingevolge artikel
2:15,
eerste lid, weigeren de aanvraag te aanvaarden. Ook op deze situatie is
artikel 4:5 van toepassing. Voor zover het bestuursorgaan op de hoogte is van de
aanvraag, dient het de aanvrager in de gelegenheid te stellen
zijn aanvraag te herstellen binnen een door het bestuursorgaan gestelde
termijn. Maar ook hier is niet uitgesloten dat de aanvraag het
bestuursorgaan niet bereikt. In dat geval geldt dat geen aanvraag is
ingediend en
kan het bestuur dus ook geen mogelijkheid tot herstel bieden.
Wanneer een aanvraag aan
een bestuursorgaan wordt verzonden, dient, indien zulks is
voorgeschreven, gebruik te worden gemaakt van het daartoe op grond van
artikel 4:4 vastgestelde aanvraagformulier. Dit is niet anders voor langs
elektronische weg ingediende aanvragen: ook dan dient gebruik te worden
gemaakt van de langs elektronische weg verstrekte
aanvraagformulieren. Indien geen gebruik is gemaakt van een voorgeschreven
aanvraagformulier, is niet voldaan aan een wettelijk voorschrift voor het in behandeling
nemen van de aanvraag en is derhalve artikel 4:5 van
toepassing. Het bestuursorgaan kan besluiten deze aanvraag niet te
behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het
bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
Het voorafgaande geldt
niet alleen voor aanvragen tot het geven van een beschikking, maar is
mutatis mutandis ook van toepassing op bezwaar- en beroepschriften.
Ingevolge artikel 6:6 kan een bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk worden
verklaard indien de ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift is geweigerd op grond van
artikel 2:15, mits de indiener
de gelegenheid heeft
gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Dit betekent dat indien bijvoorbeeld een bezwaarschrift dat een virus bevat of om een andere reden onbetrouwbaar
is, zelfs als het vlak vóór het einde van de bezwaartermijn langs elektronische weg wordt
ingediend, niet zonder meer mag worden geweigerd. Het bestuursorgaan dient
de indiener de gelegenheid te bieden binnen een hem daartoe
gestelde termijn zijn verzuim te herstellen, hetgeen betekent dat
alsnog binnen die termijn een bericht zonder virus kan worden toegezonden.
De Hoge Raad vraagt een
voorziening te treffen voor het geval een bezwaar- of beroepschrift
op grond van artikel 2:15 wordt geweigerd en na verloop van de termijn
alsnog een volkomen bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend. De
wijziging van artikel 6:6 beoogt hieraan tegemoet te komen. Indien een
bezwaarschrift langs elektronische weg is ingediend, terwijl deze weg niet is
geopend, dient het bestuursorgaan de indiener de gelegenheid te geven
binnen een hem daartoe gestelde termijn een schriftelijk bezwaarschrift in te
dienen. Het elektronisch ingediende bezwaarschrift wordt hier derhalve
begrepen als een bezwaarschrift waaraan een gebrek kleeft. Dit gebrek - dat wil hier zeggen: de elektronische vorm
- dient binnen een redelijke termijn te worden hersteld. Ook dit soort situaties
valt dus binnen het
bestek van artikel 6:6.
Het risico van de
verzending ligt in beginsel bij de verzender. Dit betekent dat wanneer een bericht
buiten de schuld van de ontvanger niet, niet tijdig of niet juist overkomt,
dat voor risico van de verzender zal komen. Het ligt op de weg van het
bestuursorgaan bij het openstellen van de elektronische weg de potentiële
gebruikers hierover uitdrukkelijk te informeren. In geval van indiening van
een onvolledige, onbetrouwbare of niet-vertrouwelijke aanvraag, dan wel een
onvolledig, onbetrouwbaar of niet-vertrouwelijk bezwaar- of beroepschrift, dan wel een aanvraag, bezwaar- of
beroepschrift waarvoor de
elektronische weg niet of niet op deze wijze is rblz.|34|
opengesteld, dient echter
te worden bezien of gelegenheid moet worden geboden om het verzuim
binnen een daartoe gestelde termijn te herstellen.
Indien een bestuursorgaan
een bericht langs elektronische weg verzendt dat onvoldoende
betrouwbaar en vertrouwelijk is, of een bericht verstuurt aan een burger die niet
kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is, hangen
de gevolgen daarvan af van het soort bericht dat is verzonden. Betreft
het de bekendmaking van een besluit, dan treedt het ingevolge artikel
3:40, eerste lid, niet in werking. Betreft het bijvoorbeeld de oproep voor het horen
van een aanvrager, dan is de aanvrager niet op adequate wijze in
de gelegenheid gesteld te worden gehoord en dient dat alsnog te
gebeuren, althans voor zover de verplichting bestaat de aanvrager te horen.
Indien de geadresseerde het door het bestuursorgaan langs elektronische weg
verzonden bericht niet betrouwbaar of vertrouwelijk acht, kan
hij voorts om een schriftelijke afdruk verzoeken. Het bestuursorgaan dient
aan een dergelijk verzoek gehoor te geven.
7. Aanpassingswetgeving
Dit wetsvoorstel heeft
tot gevolg dat diverse bijzondere wetten moeten worden aangepast. Met het
opstellen van een aanpassingswet op het niveau van de formele
wetgeving is inmiddels een begin gemaakt.
De benadering van dit
wetsvoorstel is dat in beginsel de elektronische weg kan worden bewandeld,
mits de voorwaarden van afdeling 2.3 in acht worden genomen. Deze
benadering brengt met zich dat voorschriften in bijzondere wetgeving, die
bijvoorbeeld conventionele wijzen van verzending, kennisgeving in een blad
of terinzagelegging voorschrijven, in beginsel niet behoeven te
worden aangepast. Slechts indien een uitzondering op deze hoofdregel moet
worden gemaakt, namelijk voor zover het elektronisch verkeer niet functioneel equivalent is
- met andere woorden:
voor zover elektronisch
verkeer geen volwaardig alternatief is - dient de bijzondere wet te worden
gewijzigd, in die zin dat tot uitdrukking dient te worden gebracht dat uitsluitend de conventionele weg is
toegestaan.
Voorts kan de
elektronische weg uitdrukkelijk worden voorgeschreven. Ook dan is afdeling 2.3
van toepassing.
Het woord "schriftelijk" wordt ruim uitgelegd, in die zin dat daaronder ook elektronische geschriften
zijn te begrijpen. Waar in bijzondere wetgeving het vereiste van
schriftelijkheid wordt gesteld of andere vormvoorschriften worden gebezigd, dient te
worden bezien in hoeverre elektronisch verkeer daarmee functioneel equivalent is. De bijzondere wetgever kan de
elektronische weg
uitdrukkelijk afsluiten. Voorts kent dit wetsvoorstel een algemene waarborg die tot
strekking heeft elektronische verkeer te voorkomen wanneer vormvoorschriften
zich daartegen verzetten (artikel 2:13, tweede lid). Indien een
bijzondere wet de ondertekening van stukken voorschrijft, behoeft
deze wet geen aanpassing. Immers, wanneer de elektronische weg is
toegestaan, volgt daaruit reeds dat aan het vereiste van ondertekening in
beginsel met behulp van een elektronische handtekening kan worden voldaan
(artikel 2:16).
8. Uitvoering en
bedrijfseffecten
8.1. Eenvormige uitvoering
Dit wetsvoorstel dwingt
burger en bestuursorganen niet van elektronisch verkeer gebruik te maken.
Het vereist wel dat het elektronische verkeer op een voldoende betrouwbare
en vertrouwelijke manier plaatsvindt. De eisen die aan de
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid worden gesteld, variëren. Zij zijn afhankelijk van de aard en de inhoud van het bericht en
het doel waarvoor het
bericht wordt gebruikt. Bestuursorganen en rblz.|35|
burgers zijn er in
beginsel zelf verantwoordelijk voor dat de door hun verzonden berichten aan
deze eisen beantwoorden.
Als elk bestuursorgaan op
eigen wijze bepaalde technieken, organisatorische vereisten of technische
standaarden zou voorschrijven, komt dit de helderheid in het verkeer
tussen overheid en burger niet ten goede. Het beleid van het kabinet is
erop gericht om bestuursorganen te stimuleren - daar waar dat mogelijk
is - zoveel mogelijk van dezelfde technieken gebruik te maken waar het
de toegang van de burger tot het bestuur betreft. Het is wenselijk
dat er een zekere mate van uniformiteit is in de wijze waarop de burger
een bestuursorgaan kan benaderen. Het is bijvoorbeeld onwenselijk
dat voor de aanvraag van een parkeervergunning in de ene gemeente aan
andere technische eisen moet worden voldaan dan voor de aanvraag van een vergelijkbare vergunning in een
andere gemeente. Dat zou
immers de toegankelijkheid van de overheid niet ten goede komen. Een
onnodig grote diversiteit in de manier waarop bestuursorganen elektronisch kunnen worden benaderd, zou door de
burger ook als onnodig
belastend worden ervaren.
Teneinde elektronisch
verkeer voldoende betrouwbaar en vertrouwelijk te doen zijn, wordt, zoals
gezegd, door het kabinet thans een public-keyinfrastructure (pki) ontwikkeld, waarmee
elektronische identificatie op afstand mogelijk wordt.
Bestuur en burger zullen hier gebruik van kunnen maken. Het gebruik van
deze structuur draagt bij aan de eenvormige toegankelijkheid van de
overheid en aan stimulering van de afhandeling van elektronisch verkeer
tussen overheid en burger. De structuur is tevens bedoeld voor elektronische communicatie tussen overheden onderling. In
de reacties op het
voorontwerp wordt in het bijzonder door de Raad voor het openbaar bestuur het
ontwikkelen van een goede public-keyinfrastructure van groot belang geacht.
De public-keyinfrastructure voorkomt dat in het bovengegeven voorbeeld de ene gemeente inderdaad
andere betrouwbaarheidseisen stelt dan de andere gemeente: er is
één soort elektronische handtekening voorzien, met, naar het zich laat
aanzien, een smartcard als drager. Met deze smartcard kan een gebruiker zich in
beginsel bij de hele overheid langs elektronische weg identificeren. De
Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid heeft toegezegd ervoor
te willen zorgen dat de elektronische handtekening voor de overheid uniform aan de burger kan worden aangeboden.
Hiermee wordt voorkomen
dat de burger wordt geconfronteerd met allerlei typen
smartcards en verschillende soorten handtekeningen voor verschillende diensten van de overheid (Kamerstukken II
2000-2001,
26 387, nr. 10). De
oplevering van de hiervoor benodigde centrale infrastructuur is voorzien aan het einde
van het jaar 2002. Het daarbij behorende Programma van Eisen is
medio 2002 vastgesteld. De ingebruikname vindt stapsgewijs plaats
vanaf 2003.
Daarnaast voert de
Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid in het bijzonder jegens
gemeenten een actief beleid om de elektronische dienstverlening te stimuleren en te
coördineren. Het beleid is er onder meer op gericht dat alle
gemeenten in 2002 beschikken over een website die aan bepaalde kwaliteitseisen
voldoet. Er is een modelcatalogus ontwikkeld van overheidsdiensten die
door gemeenten worden aangeboden. Gemeenten worden
gestimuleerd om een dergelijke catalogus inclusief de daarbij horende
formulieren via internet aan te bieden. In samenwerking met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten wordt onderzocht op welke wijze coördinatie
en standaardisatie op het gebied van de gemeentelijke informatievoorziening
kunnen bijdragen aan een doelmatige en doeltreffende invoering
van elektronische dienstverlening.
8.2. Bestuurslasten
Dit wetsvoorstel levert
een bijdrage aan de toename van het gebruik van de elektronische snelweg
in het verkeer met en door de overheid.
rblz.|36|
Verwacht mag worden dat
een toename van het elektronisch verkeer een verlichting van de
bestuurslasten van de overheid met zich brengt, voor zover zij gepaard gaat met een
vermindering van het conventionele verkeer. Opgemerkt wordt
dat vanwege het laagdrempelige karakter van elektronisch verkeer de verwachting tevens is dat er sprake zal zijn van
een intensievere
communicatie tussen overheid en burger. Het is derhalve niet goed doenlijk een
kwantitatieve inschatting te maken van de uitvoeringslasten die dit wetsvoorstel voor bestuursorganen met zich
brengt. Daarbij is van
belang dat, zoals gezegd, dit wetsvoorstel rechtens niet dwingt tot het
gebruik van de elektronische weg: het wetsvoorstel heeft zijn plaats in het
algemene stimuleringsbeleid dat door het kabinet wordt gevoerd ter zake van
het gebruik van informatie- en communicatietechnologie.
Het nieuwe artikel 4:3a
bepaalt dat een bestuursorgaan de ontvangst van een elektronisch
ingediende aanvraag bevestigt. Met betrekking tot een schriftelijk ingediende
aanvraag wordt deze eis niet gesteld. De ontvangstbevestiging van een elektronische
aanvraag kan automatisch plaatsvinden. De bestuurslasten daarvan
zijn dan ook nagenoeg nihil.
8.3. Bedrijfseffecten
Waar in dit wetsvoorstel
wordt gesproken over de "burger" kan daarvoor ook worden gelezen
"bedrijf". Zoals in het kader van de
Awb gebruikelijk, wordt de term "burger"
gebruikt ter onderscheid van bestuursorganen en wordt ten aanzien van
burgers niet nader gedifferentieerd in bedrijven en particulieren. Het
wetsvoorstel heeft in principe ook betrekking op alle bedrijven die langs
elektronische weg met de overheid willen communiceren. Dit wetsvoorstel zal naar
verwachting een verlichting van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met zich brengen voor zover het
elektronisch verkeer een
lastenverlichting teweeg brengt in vergelijking met schriftelijk verkeer.
Het gebruik van de elektronische weg vergt minder fysieke inspanningen, bevordert een hogere snelheid van communicatie
die tijd- noch plaatsgebonden is. De toegang tot de overheid langs elektronische weg vormt
bovendien een prikkel voor de automatische verwerking van gegevens.
Het is niet goed doenlijk de bedrijfseffecten voor het gehele
bedrijfsleven te kwantificeren. Het aantal bedrijven dat langs elektronische weg
met de overheid communiceert, neemt zienderogen toe, aldus ook het
rapport van het Centraal Bureau voor de
Statistiek: De digitale economie
2001, blz. 68. Verwacht mag zonder meer worden dat de effecten daarvan
positief zullen zijn. Deze verwachting ligt ten grondslag aan het
algehele kabinetsbeleid met de betrekking tot de stimulering van de deelname aan de
informatiemaatschappij.
9. Notificatie
Het voorstel van wet is
op 7 januari 2002 voorgelegd aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8 van Richtlijn nr. 98/34/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998
betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli
1998 (PbEG L 217). De Commissie heeft geen opmerkingen.
rblz.|37|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
Artikel I, onderdeel A
(nieuwe afdeling 2.3)
Artikel
2:13, eerste lid (verzending langs elektronische weg)
Deze bepaling strekt
ertoe de bepalingen van afdeling 2.3 van toepassing te doen zijn op verkeer
langs elektronische weg. Elektronisch bestuurlijk verkeer is alleen
geoorloofd indien aan de eisen van deze afdeling is voldaan.
Deze bepaling heeft
betrekking op verzending in de ruimste zin van het woord. Het betreft het
langs elektronische weg in kennis stellen, kennisgeven, ver-, toe-, door- en
terugzenden, mededelen, bevestigen, aanzeggen, naar voren
brengen, indienen, enz. Onder het verzenden langs
elektronische weg wordt iedere vorm van elektronische gegevensuitwisseling met
een ander verstaan. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om het langs
elektronische weg indienen of overleggen van bepaalde stukken, zoals
het indienen van een bezwaarschrift of het overleggen van een afschrift. Het
betreft zowel de verzending aan bepaalde geadresseerden als de
kennisgeving die niet tot één of meer geadresseerden is gericht. Onder
verzenden langs elektronische weg is bijvoorbeeld zowel te begrijpen het
versturen van een e-mailbericht als het plaatsen van een stuk op
een website. Daarmee wordt in deze regeling het woord "verzenden" in
een ietwat ruimere zin gebruikt dan in het alledaagse spraakgebruik gangbaar
is. In de elektronische wereld bestaat er feitelijk geen verschil
tussen terinzagelegging en kennisgeving door middel van publicatie. In
deze afdeling wordt de term "verzending" gehanteerd, ongeacht of
het nu gaat om verzending in de gebruikelijke zin van het woord, dan wel om
publicatie, om terinzagelegging of om kennisgeving op een andere wijze.
Met de woorden "in het
verkeer tussen burgers en bestuursorganen" wordt nog eens - men
vergelijke de titel van hoofdstuk 2 - benadrukt dat deze regeling betrekking
heeft op het verkeer langs elektronische weg tussen burgers en
bestuursorganen en tussen bestuursorganen onderling. Deze bepalingen zijn niet
van toepassing op het verkeer met de rechter.
Artikel
2:13, tweede lid (verbod van elektronisch verkeer)
Deze bepaling strekt
ertoe tot uitdrukking te brengen wanneer elektronisch verkeer niet is
toegestaan. In de eerste plaats is dit het geval wanneer zulks bij of
krachtens de wet is uitgesloten. In de bestuursrechtelijke wetgeving kan zijn
voorgeschreven dat de elektronische weg niet is geoorloofd. Met
het woordje "krachtens" in onderdeel a wordt tot uitdrukking gebracht dat
een dergelijk verbod ook in een besluit kan zijn opgenomen, bijvoorbeeld
in een vergunningvoorschrift.
Naast situaties waar
wetgever of bestuur zich uitdrukkelijk hebben uitgelaten over de toelaatbaarheid
van de elektronische weg, zijn er ook gevallen waarin zij dat
niet hebben gedaan. Daarop heeft onderdeel b betrekking. Niet
uitgesloten is dat de aard van de voorgeschreven verzending aan elektronisch verkeer
in de weg staat. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is
uiteengezet, is bepalend welke functie de vormvoorschriften vervullen en in hoeverre
die functie ook langs elektronische weg kan worden
gerealiseerd.
Vormvoorschriften staan
dus niet zonder meer aan elektronisch verkeer in de weg. Indien in een
wettelijk voorschrift wordt bepaald dat van een stuk mededeling wordt gedaan
in een bepaald blad, bijvoorbeeld in de Staatscourant, heeft dat tot functie
algemene bekendheid aan dat stuk te geven. Zulks kan in beginsel ook langs elektronische weg geschieden, mits de
rblz.|38|
juiste manier wordt
gekozen; publicatie op een goed toegankelijke website is hiermee functioneel
equivalent. (Terzijde zij opgemerkt dat ingevolge artikel
2:14, tweede lid,
deze publicatie niet uitsluitend langs elektronische weg mag geschieden).
Indien bijvoorbeeld verzending "per brief" is voorgeschreven, hetgeen regelmatig
voorkomt, kan dit in beginsel eveneens langs elektronische weg
gebeuren, want er zijn vormen van elektronische verzending die dezelfde
waarborgen bieden als een papieren brief. Wanneer echter een
aanplakverplichting is voorgeschreven, ligt het eraan wat de functie van het
aanplakken is. De ouderwetse verplichting tot aanplakken aan het
gemeentehuis heeft slechts de functie van "het moet voor een ieder kenbaar
zijn". In dat geval kan plaatsing op een website functioneel equivalent en
dus toegestaan zijn. Maar indien is voorgeschreven dat een besluit moet
worden aangeplakt aan het object waarop het betrekking heeft (het
klassieke bordje "onbewoonbaar verklaard"), dan heeft de wetgever het
kennelijk nodig geacht dat het besluit aan het object zelf zichtbaar
was. Dit laatste is langs elektronische weg niet te bereiken, dus dan mag het
niet elektronisch plaatsvinden. Niet uitgesloten is overigens dat "aanplakken aan het
object" in de toekomst wel goed langs elektronische weg
mogelijk is; dit is afhankelijk van de ontwikkelingen van de techniek.
Deze bepaling is derhalve
in het bijzonder van belang met het oog op de verhouding tussen
bijzondere bestuurswetgeving en de
Awb. In bestuurswetgeving worden immers meer dan
eens vormvoorschriften gesteld aan de wijze waarop het
berichtenverkeer dient plaats te vinden. Voorts is deze bepaling van belang
indien in beschikkingvoorschriften vormvereisten worden gesteld.
Artikel
2:14, eerste lid (verzending aan geadresseerde)
Deze bepaling strekt
ertoe de nevenschikking ten aanzien van de verzending aan één of meer geadresseerden tot uitdrukking te brengen. Met de
zinsnede "tot één of
meer geadresseerden" wordt aangesloten bij de bewoordingen van artikel
3:41, eerste lid. Men zie het algemeen deel van deze toelichting voor de
keuze voor de term "geadresseerde" in plaats van "belanghebbende".
Teneinde een bericht
langs elektronische weg te mogen verzenden, is vereist dat de
geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg voldoende bereikbaar is.
De wettekst stelt geen eisen aan de wijze van kenbaarmaking. De
kenbaarmaking kan meer of minder uitdrukkelijk geschieden. De
geadresseerde zal moeten aangeven op welk elektronisch postadres hij bereikbaar
is. Vergeleken met een conventionele omgeving is het op de
elektronische snelweg immers veel eenvoudiger om een postadres te wijzigen of
om over meer postadressen te beschikken. Men zie meer uitvoerig het
algemeen deel van deze toelichting.
Artikel
2:14, tweede lid (openbare kennisgeving)
Deze bepaling strekt
ertoe de nevenschikking ten aanzien van de openbare kennisgeving en de terinzagelegging tot uitdrukking te brengen. Met de
zinsnede "niet tot één
of meer geadresseerden" wordt aangesloten bij de bewoordingen van artikel
3:42, eerste lid. Men zie hierboven voor de keuze voor de term "geadresseerde" in plaats van
"belanghebbende".
Openbare kennisgeving
vindt niet uitsluitend plaats langs elektronische weg. Dit houdt in dat,
naast de openbare kennisgeving langs elektronische weg, de kennisgeving
plaatsvindt in een van overheidswege uitgegeven informatieblad of een
dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze
(men vergelijke artikel 3:12 en 3:42). In de elektronische wereld bestaat er
feitelijk geen verschil tussen de terinzagelegging en de openbare kennisgeving. Onder de verzending van een bericht dat
niet tot één of meer
geadresseerden is gericht, is derhalve ook de elektronische rblz.|39|
terinzagelegging
te begrijpen. Op grond van deze bepaling mag een stuk niet uitsluitend
langs elektronische weg ter inzage worden gelegd. Dit betekent dat
het tevens mogelijk moet zijn het stuk ter plaatse op conventionele wijze in
te zien.
In die gevallen dat van
de kring van betrokkenen in redelijkheid bekend is dat niemand behoefte
heeft aan een schriftelijke openbare kennisgeving, kan bij wettelijk
voorschrift een uitzondering op het uitgangspunt van de nevenschikking worden
gemaakt. Te denken valt aan de openbaarmaking van besluiten die gericht zijn tot een op het terrein van de automatisering
werkzame bedrijfstak.
Artikel
2:14, derde lid (betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid)
Deze bepaling geeft aan
dat wanneer een bestuursorgaan langs elektronische weg communiceert, dat op
een betrouwbare en vertrouwelijke manier dient te gebeuren.
Voor wat moet worden verstaan onder een "voldoende betrouwbare
en vertrouwelijke manier" zij verwezen naar het algemeen deel
van deze toelichting. Van voldoende mate van betrouwbaarheid
en vertrouwelijkheid is
sprake indien de veiligheid even groot is vergeleken met de
situatie dat er van de conventionele weg zou worden gebruik gemaakt. Het
risico van de verzending langs elektronische weg ligt bij de verzender,
tenzij komt vast te staan dat het probleem is veroorzaakt door de ontvanger. Indien
de betrouwbaarheid of de vertrouwelijkheid wordt betwijfeld, kan de
geadresseerde om een schriftelijk afschrift verzoeken. Voor de
vaststelling of het bericht op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier
langs elektronische weg is verzonden, dient acht te worden geslagen
op de aard, inhoud en doel van het bericht. Aan een eenvoudige mededeling
worden minder hoge eisen gesteld dan aan een officieel document.
Bij de aard en inhoud dient aan het soort document te worden gedacht. Bevat
het bericht bijvoorbeeld privacygevoelige informatie? Bij het doel
van de verzending dient ook acht te worden geslagen op de reikwijdte
ervan. Is er bijvoorbeeld sprake van een openbare kennisgeving of van
toezending aan een geadresseerde? Bij openbare kennisgeving speelt de vertrouwelijkheid uiteraard geen rol, maar de
betrouwbaarheid wel.
Artikel
2:15, eerste lid (verzending aan bestuursorgaan)
Deze bepaling strekt
ertoe te bepalen wanneer een bericht langs elektronische weg aan een
bestuursorgaan kan worden toegezonden. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat
bestuursorganen langs elektronische weg worden benaderd terwijl
zij nog niet in voldoende mate in staat zijn langs die weg verzonden
berichten (of het nu gaat om een aanvraag tot het nemen van een
beschikking, een klacht dan wel anderszins) op adequate wijze in behandeling te
nemen. Het bestuursorgaan kan aan de openstelling van de elektronische weg
nadere eisen stellen die noodzakelijk zijn voor de verwerking van
het binnengekomen bericht. Dit soort eisen zijn over het algemeen
technisch van aard. Zij hebben betrekking op de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van het bericht en maken een ordelijke
en efficiënte
behandeling van het bericht mogelijk. Het bestuursorgaan kan op deze grond
verlangen dat bepaalde elektronische berichten naar een bepaald postadres worden verzonden.
Indien een bericht langs
elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt toegezonden, terwijl het bestuursorgaan niet heeft kenbaar gemaakt dat
deze weg is geopend voor
dit soort berichten en deze weg inderdaad ook niet is opengesteld, dan
kan het bestuursorgaan op die grond weigeren het bericht te aanvaarden. Het staat het bestuursorgaan echter ook onder
die omstandigheid vrij
het bericht te accepteren. Indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
de elektronische weg is geopend, ontbreekt uiteraard deze
weigeringsgrond. Voor zover het bestuursorgaan de rblz.|40|
elektronische weg niet
heeft opengesteld, blijft voor verzending uiteraard de schriftelijke weg
openstaan.
Artikel
2:15, tweede lid (gegevens en bescheiden)
Deze bepaling strekt
ertoe overbelasting van het bestuursorgaan met langs elektronische weg
verzonden gegevens en bescheiden te voorkomen. Aan een elektronisch
bericht kunnen eenvoudig andere stukken worden gehecht van
aanzienlijke omvang. Het relatieve gemak waarmee stukken langs
elektronische weg kunnen worden verzonden, maakt dat moet worden voorkomen dat
bestuursorganen overbelast kunnen worden door talloze stukken, die
waarschijnlijk ook nog moeten worden uitgeprint. Het
uitprinten van deze stukken is over het algemeen duurder dan het kopiëren ervan.
Indien langs
elektronische weg verzonden gegevens of bescheiden op grond van deze bepaling
worden geweigerd, kunnen zij nog steeds langs conventionele weg worden
verstuurd. De weigering de gegevens en bescheiden te aanvaarden,
is geen appellabel besluit. Zekerheidshalve wordt hiertoe een
onderdeel aan artikel 8:4 toegevoegd.
Met de zinsnede "gegevens en bescheiden" is aansluiting gezocht bij elders in de
Awb gehanteerde terminologie, zie bijvoorbeeld artikel
4:2, tweede lid, en artikel 5:17, eerste lid. Reeds in de toelichting op
artikel 5:17 is aangegeven dat de term
"gegevens" ook gegevens omvat die langs elektronische weg zijn vastgelegd (Kamerstukken II
1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 144). Deze woorden
hebben een meer specifieke betekenis dan de term "bericht". Het woord
"bescheiden" is naast "gegevens" gebruikt, omdat soms de overlegging van
bepaalde documenten of bewijsstukken nodig is, zoals een diploma,
een tekening of een foto. Veelal kan met een kopie of een gewaarmerkt
afschrift worden volstaan (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3,
blz. 89). In
de digitale wereld is dat niet anders dan in de conventionele. Bij
verschafte bescheiden en gegevens kan onder meer aan "attachments"
e.d.
bij e-mailberichten worden gedacht.
Om te bepalen of de
aanlevering van gegevens of bescheiden langs elektronische weg onevenredig
belastend
is, dient een vergelijking te worden gemaakt met een
toezending langs conventionele weg. Een belasting is onevenredig indien de
afwikkeling van een verzending langs conventionele weg voor het bestuursorgaan
- in termen van tijd en geld - beduidend
minder inspanning vergt.
Met de woorden "onevenredige belasting" is aansluiting gezocht
bij artikel 2:7, tweede lid.
Artikel
2:15, derde lid (betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid)
Deze bepaling strekt
ertoe tot uitdrukking te brengen dat wanneer een bericht aan een
bestuursorgaan langs elektronische weg wordt toegezonden, dat op een betrouwbare en
vertrouwelijke manier dient te gebeuren. Voor zover
hieraan niet is voldaan, kan het bestuursorgaan het bericht weigeren te
aanvaarden. Het bericht kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd. Van een
gedeeltelijke weigering is bijvoorbeeld sprake indien uitsluitend
bepaalde bijlagen niet worden aanvaard. Het risico van de verzending langs
elektronische weg ligt bij de verzender, tenzij komt vast te staan dat het
probleem is veroorzaakt door de ontvanger. Indien een langs elektronische
weg verzonden bericht op grond van deze bepaling wordt geweigerd, kan het
nog steeds langs conventionele weg worden verstuurd. De
weigering het bericht op deze grond te aanvaarden, is geen appellabel
besluit.
Deze bepaling vormt de
evenknie van artikel 2:14, derde lid. Voor wat moet worden verstaan
onder "voldoende betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid" zij verwezen naar het
algemeen deel van deze toelichting. Van voldoende mate van
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid is sprake rblz.|41|
indien de veiligheid even
groot is vergeleken met de situatie dat er van conventioneel verkeer zou
worden gebruik gemaakt.
Artikel
2:15, vierde lid (bericht van technische weigering)
Deze bepaling strekt
ertoe te bewerkstelligen dat indien een bestuursorgaan een langs elektronische
weg ontvangen bericht niet aanvaardt, omdat het bericht niet
voldoet aan de vereisten van dit artikel, het bestuursorgaan hiervan zo
spoedig mogelijk mededeling aan de afzender doet. Het bericht van
technische weigering kan langs elektronische weg worden verzonden, mits
aan de eisen van artikel 2:14 wordt voldaan.
Artikel 2:16
(elektronische ondertekening)
Deze bepaling strekt
ertoe de elektronische handtekening gelijk te stellen met de handgeschreven
handtekening. Het artikel geeft een nadere uitwerking aan de
betrouwbaarheid als genoemd in artikel 2:14, derde lid, en
2:15, derde lid. Met
de inhoud van dit artikel wordt aangesloten bij de regeling van de elektronische handtekening in het
BW. Onder een elektronische
handtekening wordt
verstaan een handtekening die bestaat uit elektronische gegevens
die zijn vastgehecht aan of logisch geassocieerd zijn met andere
elektronische gegevens en die worden gebruikt als middel voor
authentificatie.
Dit artikel bepaalt dat
een elektronische handtekening met een conventionele handtekening mag worden
gelijkgesteld indien de methode voor authentificatie voldoende
betrouwbaar is. Met de norm van voldoende betrouwbaarheid wordt
aangesloten bij het bepaalde in artikel 3:15a, eerste lid, BW. Met de
term "authentificatie" wordt uitdrukking gegeven aan het beginsel van de
authenticiteit. De term "authentificatie" wordt gebezigd in de richtlijn
inzake elektronische handtekeningen en is ook overgenomen in het BW.
Voor de verschillende methoden voor authentificatie zij verwezen naar het
algemeen deel van deze toelichting. Om te beoordelen of in een
bepaald geval een elektronische handtekening voldoende betrouwbaar is,
dient te worden gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het
doel waarvoor het wordt gebruikt. Met deze bewoordingen wordt
aangesloten bij het bepaalde in artikel 2:14, derde lid.
Artikel 3:15a, tweede tot
en met zesde lid, en artikel 3:15b BW
zijn van overeenkomstige
toepassing, voor zover de aard van het bericht zich daartegen niet verzet.
Artikel 3:15a, tweede lid, bepaalt wanneer een elektronische handtekening vermoed
wordt voldoende betrouwbaar te zijn. Dit is
het geval indien
gebruik is gemaakt van een geavanceerde elektronische handtekening die
gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel dd, Telecommunicatiewet
en gegenereerd is door een veilig middel
voor het aanmaken van handtekeningen als bedoeld in artikel
1.1, onderdeel gg, Telecommunicatiewet.
Artikel 3:15a, derde lid,
bepaalt op welke grond een elektronische handtekening niet zonder meer als
onvoldoende betrouwbaar wordt aangemerkt. Een elektronische
handtekening kan niet als onvoldoende betrouwbaar worden aangemerkt op de
enkele grond dat deze niet is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat, niet is gebaseerd op een door een geaccrediteerde
certificatiedienstverlener
afgegeven certificaat of niet met een veilig middel voor het
aanmaken van handtekeningen is aangemaakt. Artikel 3:15a, vierde
lid, bevat de definitie van een elektronische handtekening. Artikel 3:15a, vijfde
lid, bevat de definitie van een ondertekenaar. Artikel 3:15a, zesde lid,
brengt tot uitdrukking dat het tweede en derde lid regels van regelend recht
inhouden. Artikel 3:15b heeft betrekking op de geldigheid van een
gekwalificeerd certificaat indien dat is uitgegeven door een
certificatiedienstverlener die is gevestigd in een derde land.
Bij wettelijk voorschrift
kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Op rblz.|42|
deze grond kunnen verdergaande eisen worden gesteld dan uit de aansluiting bij de norm
van het BW volgt. Artikel 3, zevende lid, van de genoemde richtlijn inzake
elektronische handtekeningen luidt: "De lidstaten kunnen voor het
gebruik van elektronische handtekeningen in de openbare sector eventuele
aanvullende eisen stellen. Deze eisen moeten objectief, transparant,
evenredig en niet-discriminerend zijn en mogen slechts op de specifieke kenmerken van de betrokken toepassing betrekking
hebben. Zij mogen geen
belemmering vormen voor grensoverschrijdende diensten". Bij het
vaststellen van een wettelijke voorschrift dat het stellen van aanvullende eisen door een bestuursorgaan in
een bepaald geval
mogelijk maakt, zullen deze voorwaarden in acht moeten worden genomen.
Voor zover bij wettelijk voorschrift aanvullende eisen zijn gesteld, kan
daarvan niet worden afgeweken.
Artikel
2:17, eerste lid (tijdstip van verzending)
Deze bepaling strekt
ertoe het tijdstip van verzending van een door een bestuursorgaan langs
elektronische weg verzonden bericht vast te stellen. Dit is in het bijzonder
van belang als vanaf dat tijdstip bepaalde termijnen gaan lopen, zoals bij de
verzending van besluiten en ontwerp-besluiten of voor de vaststelling van
het tijdstip van inwerkingtreding van een besluit. Bijvoorbeeld voor de
vaststelling of een zienswijze tijdig naar voren is gebracht, is het
(ingevolge artikel 3:16, tweede lid) van belang te weten op welke dag het
ontwerp-besluit ter inzage is gelegd. Bijvoorbeeld voor de vaststelling of een
bezwaarschrift tegen een besluit tijdig is ingediend, is het van belang te weten
wanneer het besluit precies is verzonden. Meer precies: het bezwaarschrift is tijdig ontvangen indien het
vóór het einde
van de termijn is
ontvangen (artikel 6:9, eerste lid). De termijn vangt aan met ingang van de dag na
die waarop het besluit is bekendgemaakt (artikel
6:8, eerste lid). De
bekendmaking geschiedt door toezending (artikel
3:41). Artikel 2:17, eerste lid,
bepaalt dat het bericht langs elektronische weg is verzonden op het tijdstip
dat het bericht een systeem heeft bereikt waarover het bestuursorgaan geen
controle heeft.
Onder een systeem voor
gegevensverwerking is te verstaan een systeem voor het genereren,
verzenden, ontvangen, opslaan of op andere wijze verwerken van gegevens.
Het is niet relevant waar de computer staat opgesteld, aangezien een
computer vanaf verschillende lokaties kan worden bediend. Een
systeem voor gegevensverwerking waarover de verzender geen controle
heeft, kan het systeem van de ontvanger zijn. In veel gevallen zal het
echter het systeem van een tussenpersoon zijn, zoals een
internetserviceprovider. Wanneer een bestuursorgaan en een burger een abonnement hebben bij
dezelfde internetserviceprovider, maken zij nog geen gebruik van het
hetzelfde systeem voor gegevensverwerking.
De voorgestelde bepaling
brengt met zich dat een bericht ook verzonden is wanneer het niet bij
de geadresseerde aankomt; voldoende is dat het bericht zich buiten het
bereik van het bestuursorgaan bevindt. Dit is bij verzending langs
conventionele weg niet anders. De Algemene Rekenkamer vraagt zich af of aldus
het risico niet bij de ontvanger wordt gelegd. Het risico van het
gebruik van de elektronische weg ligt echter, zoals in het algemeen deel
van deze
toelichting is aangegeven, in beginsel bij de verzender. De wijze van vaststelling van het tijdstip van verzending laat
het risico voor het niet aankomen van berichten onverlet. Dat een bericht op een bepaald tijdstip
is verzonden, zegt immers nog niet dat het de geadresseerde ook (ongeschonden) heeft bereikt.
Indien het bestuursorgaan
en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, werkt het bepaalde niet,
omdat in dat geval het
bericht niet een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarover het
bestuursorgaan geen controle heeft. Daarom is een bijzondere voorziening
opgenomen voor het geval dat het bestuursorgaan en de geadresseerde
gebruik maken van hetzelfde systeem voor rblz.|43|
gegevensverwerking: in
dat geval geldt een bericht als verzonden indien het bericht toegankelijk
wordt voor de geadresseerde. Wanneer de burgemeester en de gemeenteraad
gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking en de
burgemeester verstuurt een bericht aan de gemeenteraad, dan is dit
bericht verzonden op het tijdstip dat het toegankelijk wordt voor de
gemeenteraad.
Artikel
2:17, tweede lid (tijdstip van ontvangst)
Deze bepaling strekt
ertoe het tijdstip van ontvangst door een bestuursorgaan van een langs
elektronische weg verzonden bericht vast te stellen. Dit is in het bijzonder
van belang om te kunnen constateren of het bericht tijdig is ontvangen
(bijvoorbeeld de tijdige ontvangst van een zienswijze, bezwaar- of
beroepschrift). Verder is het van belang het tijdstip van ontvangst te kunnen
vaststellen indien vanaf dat tijdstip bepaalde termijnen gaan lopen
(bijvoorbeeld de beslistermijn na ontvangst van een aanvraag, bezwaar- of
beroepschrift, of de termijn voor afhandeling van een klaagschrift).
Voor de uitdrukking "systeem voor
gegevensverwerking" zij verwezen naar de toelichting
op de vorige bepaling. Voor de vaststelling van het tijdstip van ontvangst is
geen behoefte aan een bijzondere voorziening voor het geval dat
verzender en bestuursorgaan van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking
gebruik maken, zoals wel in het eerste lid is opgenomen. Ook indien
verzender en bestuursorgaan van hetzelfde systeem voor
gegevensverwerking gebruik maken, bereikt het bericht immers het systeem voor
gegevensverwerking van het bestuursorgaan. Er zij op gewezen dat de
ontvangst niet eerst plaatsvindt als het bericht daadwerkelijk is geopend.
Of en wanneer het bericht wordt geopend, behoort tot de verantwoordelijkheid van de ontvanger. Ten aanzien van
een conventionele brief
ligt dit niet anders; daar staat de ontvangst ook los van het feit of er
daadwerkelijk van het bericht kennis wordt genomen. Ingeval een bericht een
systeem voor gegevensverwerking van een bestuursorgaan bereikt
waarvoor het niet is bestemd, dient het bericht te worden doorgezonden naar
het bestuursorgaan dat kennelijk bevoegd is of, indien dat niet
mogelijk is, te worden teruggezonden. Artikel 2:3 voorziet hierin.
Artikel I, onderdeel B
(wijziging artikel 3:42)
Deze bepaling strekt
ertoe tot uitdrukking te brengen dat de bekendmaking van besluiten die niet
tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, niet langs elektronische
weg geschiedt. Indien van een besluit dat niet tot één of meer
belanghebbenden is gericht op verschillende manieren is kennisgegeven,
bijvoorbeeld door plaatsing op een website en door publicatie in een van overheidswege
uitgegeven blad, dan kan de publicatie in het blad gelden als
bekendmaking, maar niet die op een website. Dit punt kan van belang zijn
voor
de inwerkingtreding van het besluit of voor de ingang van de
beroepstermijn.
Deze regeling vloeit
voort uit het uitgangspunt dat de elektronische weg wel nevengeschikt is aan
de schriftelijke vorm van verspreiding, maar dat - behoudens
andersluidend wettelijk voorschrift - de elektronische weg niet als enige gebruikt
kan worden voor berichten die niet tot een bepaalde geadresseerde
zijn gericht (artikel 2:14, tweede lid). Dat brengt met zich dat bij de
bekendmaking van een besluit dat niet tot één of meer belanghebbenden is
gericht altijd mede van de schriftelijke vorm gebruik moet worden gemaakt.
Omdat het bij de bekendmaking van belang is dat de datum ervan zoveel
mogelijk eenduidig vaststaat, is bepaald dat de schriftelijke vorm als
bekendmaking geldt: de datum daarvan is doorslaggevend, ook al is daarnaast op
een ander tijdstip langs elektronische weg kennisgegeven van het besluit.
rblz.|44|
Artikel
2:14, tweede lid,
biedt de mogelijkheid bij wettelijk voorschrift te bepalen dat de verzending
van berichten die niet tot één of meer geadresseerden zijn gericht uitsluitend
langs elektronische weg plaatsvindt. In aansluiting daarop wordt
diezelfde mogelijkheid geboden voor het geval het om de bekendmaking
gaat.
Door de Raad voor het
openbaar bestuur is gevraagd op welk niveau van regelgeving de
uitzondering van artikel 3:42, tweede lid, kan worden gemaakt. Met de woorden
"bij wettelijk voorschrift" worden niet alleen wetten in formele zin
bedoeld, maar ook regels gesteld door organen die aan Grondwet of wet
regelgevende bevoegdheid kunnen ontlenen. Derhalve kan ook bij
gemeentelijke of provinciale verordeningen van de hoofdregel worden
afgeweken (vgl. Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 17). Voorts kan aan
delegatie naar algemene maatregelen van bestuur en ministeriële
regelingen worden gedacht, althans voor zover de wet in formele zin daarvoor
voldoende basis biedt.
Artikel I, onderdeel C
(invoeging artikel 4:3a)
De ontvangstbevestiging
vergroot de betrouwbaarheid van het elektronisch berichtenverkeer, de
aanvrager kan dan immers weten dat de aanvraag is gearriveerd.
Vergeleken met de conventionele weg is de extra inspanning van het
bevestigen buitengewoon gering: de ontvangstbevestiging kan volledig
geautomatiseerd plaatsvinden. De bestuurslasten zijn dan ook zo goed als
nihil. De ontvangstbevestiging betekent niet meer dan de enkele bevestiging
van de ontvangst van de aanvraag. Zij houdt geen beoordeling in of de
aanvraag volledig en juist is ingediend.
Artikel I, onderdeel D en
E (wijziging artikel 4:5, eerste lid, en
6:6)
De wijziging van
artikel
4:5 strekt ertoe te voorkomen dat een aanvraag die niet voldoet aan de
vereisten van artikel 2:15 zonder meer wordt geweigerd. Indien langs
elektronische weg een aanvraag wordt ingediend die niet voldoet aan de
vereisten van artikel 2:15, dan kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag
niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad
binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan
te vullen. Indien het bestuursorgaan de elektronische weg heeft opengesteld, is
het aan de indiener of hij de aanvulling verzendt langs
elektronische weg of alsnog kiest voor schriftelijke indiening. Met betrekking tot het
bezwaar- en beroepschrift is artikel 6:6 in dezelfde zin gewijzigd.
Artikel I, onderdeel F
(wijziging artikel 8:4)
Een bestuursorgaan kan
een langs elektronische weg verzonden bericht op grond van artikel 2:15
weigeren te aanvaarden indien de elektronische weg voor dit soort
berichten niet is geopend, voor zover de gegevens en bescheiden een
onaanvaardbare belasting vormen, dan wel voor zover het bericht onvoldoende
betrouwbaar of vertrouwelijk is. Tegen deze weigering kan geen beroep
worden ingesteld bij de bestuursrechter. Denkbaar is dat de
weigering als een voorbereidingsbeslissing kan worden gekwalificeerd. In
die gevallen is zij reeds ingevolge artikel 6:3 in beginsel niet vatbaar
voor bezwaar of beroep bij de bestuursrechter. Voor die gevallen waarin de
weigering als besluit moet worden aangemerkt, en artikel 6:3 niet van
toepassing is of niet aan bezwaar of beroep in de weg staat, sluit artikel
8:4,
onderdeel l, beroep bij de bestuursrechter uit. De aanduiding van dit
onderdeel met de letter "l" houdt rekening met de omstandigheid dat het
wetsvoorstel inzake rechtstreeks beroep [zie Wet
rechtstreeks beroep, red.] eveneens beoogt een nieuw
onderdeel toe te voegen (Kamerstukken II 2000-2001, 27 563, nrs. 1-2).
De weigering een bericht
te aanvaarden omdat een onvoldoende rblz.|45|
betrouwbare elektronische
handtekening is gebruikt, is evenmin appellabel. Deze weigering wordt
gebaseerd op artikel 2:15, derde lid. Artikel 2:16 behelst immers een
methode om (deels) aan de betrouwbaarheidseis van artikel
2:15, derde
lid, te kunnen voldoen.
Artikel III
[zie artikel
IV, red.]
Omdat naar deze
wijzigingswet naar verwachting veelvuldig zal worden verwezen, is een
citeertitel opgenomen.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
|
|