|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1994-1995,
24 236
Wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht en
enige andere wetten
in verband met de mogelijkheid om de bezwaarschriftenprocedure met
wederzijds goedvinden buiten toepassing te laten (rechtstreeks beroep)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorbereiding
van het wetsvoorstel |
| 3 |
Bevindingen
naar aanleiding van de evaluatie van de Awb |
| 4 |
Hoofdlijnen van het
wetsvoorstel |
| 5 |
Meerpartijengeschillen |
| 6 |
Rechtsmiddelvoorlichting |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel is onderdeel van het pakket van
maatregelen dat bedoeld is om de juridisering van het openbaar bestuur terug te
dringen.¹ Veel van de met het oog daarop te nemen maatregelen zijn in het
regeerakkoord aangekondigd. Dat geldt ook voor dit wetsvoorstel. In
het regeerakkoord is bepaald dat rechtstreeks beroep op de rechter
mogelijk zal zijn indien de belanghebbenden en het bestuur het eens zijn
over het
overslaan van de bezwaarfase (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10,
blz. 77). Deze maatregel voorziet in een zekere flexibilisering van de
verplichte bezwaarschriftprocedure in de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). In de meeste gevallen moet eerst de bezwaarschriftprocedure
gevolgd worden, voordat men zich tot de bestuursrechter kan wenden. Door
toe te staan dat deze procedure wordt overgeslagen als alle partijen
daarmee instemmen, wordt bijgedragen aan een vereenvoudiging en
verkorting van procedures. Dit wetsvoorstel bevat de daarvoor
benodigde wijziging van de Awb.
Een andere versoepeling van de verplichte
bezwaarschriftprocedure die in het regeerakkoord is aangekondigd, houdt verband met het
samenvoegen van de beide openbare voorbereidingsprocedures in de Awb
tot één uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4
Awb). Bij toepassing van deze nieuwe uniforme openbare
voorbereidingsprocedure komt de bezwaarschriftprocedure te vervallen. De nieuwe
uniforme openbare voorbereidingsprocedure is vervat in een afzonderlijk
wetsvoorstel (Kamerstukken II 1999-2000, 27 023, nrs. 1-3) [zie Wet
uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, red.].
1. Voor meer uitgebreide beschouwingen over het vraagstuk van de juridisering zij verwezen
naar de nota "Juridisering in het openbaar bestuur" (Kamerstukken II
1998-1999, 26 360,
nr. 1).
2. Voorbereiding van het wetsvoorstel
De Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht
is om advies gevraagd over de vormgeving van een regeling zoals in
het regeerakkoord bedoeld. Op 20 december 1999 bood de Commissie haar
advies aan, in de vorm van een voorontwerp, aan de Ministers van Justitie
en van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Het voorontwerp is
vervolgens voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het
Interprovinciaal rblz.|2|
Overleg (IPO), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA)
en de
Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak (NVvR), waarvan adviezen zijn ontvangen.¹ Door de NVvR is op een specifiek onderdeel
- de wetssystematische inpassing van de terugwijzingsbevoegdheid van de
rechter - een aanvullend advies uitgebracht.
De reacties waren - enigszins - verdeeld. Waar de NVvR zich
terughoudend opstelt en wijst op de risico’s die aan het wetsvoorstel kleven,
juichen VNG, IPO en NOvA het wetsvoorstel toe. De twee laatstgenoemde organisaties vinden het voorstel zelfs nog niet ver genoeg gaan.
Bestuursorganen zouden in hun opvatting meer ruimte moeten krijgen om rechtstreeks
beroep bij de rechter voor te stellen. De NVvR wijst erop dat het wegvallen van de bezwaarschriftprocedure aanzienlijke gevolgen kan
hebben voor de werklast van de rechterlijke macht. Enerzijds omdat de aan de rechter voorgelegde zaken minder rijp en afgebakend zullen
kunnen zijn. Anderzijds omdat - door het wegvallen van de
zeefwerking - het aantal beroepen zal kunnen toenemen. Dat de rechter -
zo nodig - de zaak kan terugwijzen naar het bestuursorgaan acht de NVvR onontbeerlijk
omdat daarmee voorkomen kan worden dat het rechtstreeks beroep een vlucht neemt die niet
is beoogd. Dit in tegenstelling tot het IPO,
dat van mening is dat de rechterlijke terugwijzingsbevoegdheid afbreuk doet
aan de eigen verantwoordelijkheid van partijen. Elders in deze
toelichting wordt nader op de in de adviezen gemaakte opmerkingen ingegaan.
1. Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.
3.
Bevindingen naar aanleiding van de evaluatie van de Awb
De nu voorliggende maatregel - het met instemming van alle partijen
overslaan van de bezwaarschriftprocedure - sluit aan bij de
bevindingen naar aanleiding van de evaluatie van de Awb
inzake nut en noodzaak
van de bezwaarschriftprocedure. In 6.10 van het verslag van de Commissie
evaluatie Algemene wet bestuursrecht ¹ kwam naar voren dat het nut van de bezwaarschriftprocedure soms in twijfel
wordt getrokken. In
sommige gevallen zou de procedure weinig toevoegen aan reeds in een eerdere
fase vastgestelde feiten en uitgewisselde standpunten en slechts tot onnodige verlenging van de besluitvorming
leiden ("herhaling van zetten", "doublure", etc.). De evaluatiecommissie meende dat de
evaluatieonderzoeken voldoende aanknopingspunten boden om aan te nemen dat in bepaalde gevallen
behoefte bestaat aan een zekere
flexibilisering van de verplichte bezwaarschriftprocedure. De evaluatiecommissie
schetste daartoe zes varianten en deed de aanbeveling om op korte termijn nader
onderzoek te doen naar de voor- en nadelen van deze varianten (aanbeveling 15 uit het evaluatieverslag).
Eén van deze varianten betrof de mogelijkheid om de bezwaarprocedure achterwege te
laten als alle belanghebbenden en het bestuursorgaan daarmee instemmen. Deze figuur wordt ook wel met de aan het
burgerlijk
procesrecht ontleende term "prorogatie" aangeduid.²
1. Toepassing en effecten van de
Algemene wet bestuursrecht 1994-1996. Verslag van de
Commissie evaluatie Algemene wet bestuursrecht. Den Haag 18 december 1996.
2. Vgl. artikel 329 e.v. Rv [Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]. Prorogatie in het civiele recht houdt in dat partijen overeenkomen dat
wordt afgeweken van de normale regels inzake de absolute competentie van de
rechter. Met de in dit wetsvoorstel geregelde mogelijkheid tot het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure kunnen partijen een bestuurlijke instantie
overslaan, en geen
rechterlijke instantie. In zoverre gaat de vergelijking dus mank. Wij zullen deze
term zoveel mogelijk vermijden.
Het eerste kabinet-Kok stelde in zijn standpuntbepaling over de
evaluatie van de Awb het belang van de bezwaarschriftprocedure voorop
(Kamerstukken II 1997-1998, 25 600 VI, nr. 46, blz. 24-26). Geconstateerd werd
dat
in elk geval vast is komen te staan dat de bezwaarschriftprocedure in
het financiële bestuursrecht ("beschikkingfabrieken"), maar ook wel
elders, mede als mechanisme fungeert om de nu eenmaal onvermijdelijke fouten
en misverstanden te corrigeren. Een systeem waarin de burger voor dit soort
correcties een beroep op de rechter zou moeten doen, zou niet alleen buitengewoon ondoelmatig, maar ook
voor de burger heel
onaantrekkelijk zijn.
Verder geldt dat op terreinen waar het bestuur over meer
beleidsvrijheid beschikt ("beschikkingateliers") de bezwaarschriftprocedure juist
een belangrijke bijdrage kan leveren aan het voorkomen van onnodige juridisering
rblz.|3|
van de verhouding tussen bestuur en burger. Vereist is dan
wel dat de behandeling van bezwaarschriften niet te zeer wordt verengd tot
een toetsing van de rechtmatigheid van het primaire besluit en meer in
het teken komt te staan van het door overleg en bemiddeling zoeken naar bestuurlijke
oplossingen voor gerezen verschillen van inzicht. In het rapport "Bestuur in
geding" van de werkgroep inzake terugdringing
van de juridisering in het openbaar bestuur (werkgroep-Van Kemenade) is
met name op dit aspect gewezen.¹ Het kabinet was mét de werkgroep-Van Kemenade van mening dat dit
conflictoplossend vermogen van de bezwaarschriftprocedure nog beter zou kunnen worden benut door
bestuursorganen. Ook het regeerakkoord onderschrijft dit, getuige de passage op
blz. 76, waarin het bestuur
wordt opgeroepen om bij het
voeren van bezwaarprocedures naar meer volledige (beleidsmatige en juridische)
heroverweging te streven. Tenslotte kan met een andere inrichting van
de procedure (een "lichtere" variant) in veel gevallen ook een
versoepeling van de bezwaarschriftprocedure worden bewerkstelligd.
1. Bestuur in geding,
Provinciehuis Noord-Holland, november 1997,
blz. 49-51.
Het kabinet toonde zich
- in het algemeen - geen voorstander van
absolute uitzonderingen (uitsluiting bij bijzondere wet) ¹ of facultatieve
varianten op de bezwaarschriftprocedure. Het zag om die reden af van nader onderzoek naar deze varianten. Met betrekking tot een andere
variant - die van het uitsluiten van de bezwaarschriftprocedure in
de gevallen waarin het besluit met toepassing van afdeling 3.4
Awb
is voorbereid - kwam het kabinet tot de conclusie dat het van belang was om deze te realiseren, zij het langs
iets andere weg dan de
evaluatiecommissie voor ogen stond. Het kabinet besloot namelijk om de beide
openbare voorbereidingsprocedures in de Awb
op korte termijn te
integreren tot één uniforme procedure. Na toepassing van de nieuwe uniforme openbare voorbereidingsprocedure zal dan geen
bezwaarschriftprocedure meer volgen. Toepassing van een openbare voorbereidingsprocedure
biedt belanghebbenden immers ruim de gelegenheid om zienswijzen in te brengen, waardoor een
daaropvolgende bezwaarprocedure doorgaans niet veel meer zal toevoegen aan hetgeen reeds bekend is.
Praktisch gesproken betekent dit dat de bezwaarschriftprocedure
vervalt voor alle besluiten waarbij thans afdeling 3.4 wordt toegepast. Zoals
vermeld in paragraaf 1 is een wetsvoorstel tot samenvoeging van de beide openbare voorbereidingsprocedures inmiddels bij de Tweede
Kamer ingediend [zie Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Awb, red.].
1. Vgl. de in de Vreemdelingenwet
2000 vervatte uitzondering
(Kamerstukken I 1999-2000, 26 73,2 nr.
263) op de verplichte bezwaarschriftprocedure
in asielzaken.
Als gezegd, is in het regeerakkoord vastgelegd dat er rechtstreeks
beroep op de rechter mogelijk zal zijn als de belanghebbenden en het bestuur
het over het overslaan van de bezwaarschriftprocedure eens zijn. Hieronder
zullen wij nader ingaan op de wijze waarop deze mogelijkheid in de nu voorliggende regeling
vorm heeft gekregen. Daarbij is in belangrijke
mate voortgebouwd op de beschouwingen van de evaluatiecommissie en van het vorige kabinet met betrekking tot de voor- en nadelen van deze
mogelijkheid.
4. Hoofdlijnen van het
wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel maakt
het mogelijk dat met instemming van alle partijen de
bezwaarschriftprocedure wordt overgeslagen. Zoals in het
kabinetsstandpunt evaluatie Awb is
aangegeven, is de regeling vooral bedoeld voor gevallen waarin in
de primaire fase reeds een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen
bestuur en belanghebbende heeft plaatsgevonden dat de
bezwaarschriftprocedure daaraan weinig of niets meer kan toevoegen, terwijl tevens
vaststaat dat het besluit nog altijd in geschil is. In die gevallen kan het
overslaan van de bezwaarfase belangrijke tijdwinst opleveren en onnodige
lasten voor bestuur en burger voorkomen. Daarnaast valt te denken aan de
situatie waarin een besluit nauw samenhangt rblz.|4|
met een besluit waartegen
reeds beroep is ingesteld. Ook in een dergelijk geval kan het doelmatig
zijn om de bezwaarfase over te slaan, aangezien een
bezwaarschriftprocedure die zijn basis vindt in een al heroverwogen zaak in de meeste
gevallen weinig toevoegt. Daarmee wordt tevens bewerkstelligd dat de rechter samenhangende besluiten in samenhang
kan beoordelen. In het
kabinetsstandpunt evaluatie Awb wordt bij wijze van voorbeeld gewezen op
samenhangende besluiten in het ambtenarenrecht (dienstbevel/disciplinaire
straf).¹ Andere voorbeelden kunnen gevonden worden op het
terrein van het financiële bestuursrecht (intrekking/terugvordering).
1. Paragraaf 5.2.
Bij het uitwerken van een
regeling inzake rechtstreeks beroep op de rechter heeft voorop gestaan dat de regeling zo eenvoudig mogelijk moet zijn. Daartoe zijn in
het
wetsvoorstel de volgende keuzes gemaakt.
In de eerste plaats is
gekozen voor inbedding van de regeling in de bezwaarschriftprocedure.
Voorgesteld wordt om te bepalen dat het verzoek om rechtstreeks
beroep in te stellen - met overslaan van de bezwaarschriftprocedure - uitsluitend door de belanghebbende in het bezwaarschrift kan worden
gedaan (een zogenaamd bezwaarschrift-plus).¹ Dat aan het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure een schriftelijk verzoek van de belanghebbende ten
grondslag moet liggen, is ingegeven door de gedachte dat hij een fase in de rechtsbescherming
prijsgeeft.² Het voordeel
van inbedding in de
bezwaarschriftprocedure is - enerzijds - dat bij afwijzing van het verzoek
het bestuursorgaan meteen kan overgaan tot de behandeling van het
bezwaarschrift. Dit is van belang omdat de mogelijkheid om de
bezwaarschriftprocedure over te slaan niet het effect mag hebben van een
- verdere - verlenging van de termijnen voor het beslissen op een bezwaarschrift. Deze in
artikel 7:10 Awb
neergelegde
termijnen staan in de
praktijk al sterk onder druk. Anderzijds is het voordeel dat bij instemming met
het verzoek het bestuursorgaan het bezwaarschrift onverwijld
naar de bevoegde administratieve rechter doorzendt, waarna het bezwaarschrift
ex lege wordt getransformeerd tot een beroepschrift. De
belanghebbende behoeft dus geen apart beroepschrift op te stellen en in te
dienen.
1. In het belastingrecht
was de prorogatiemogelijkheid als afzonderlijke
procedure vormgegeven. Het nadeel hiervan is dat in verband met behoud van
rechten parallel hieraan een
bezwaarschrift zal moeten worden ingediend.
2. Hiermee wordt
aangesloten bij de regeling zoals die bestond in het
belastingrecht vóór inwerkingtreding van de
eerste tranche van de Awb. Deze regeling maakte
het voor de belastingplichtige mogelijk om - met toestemming van de inspecteur
-
rechtstreeks beroep op de belastingrechter in te
stellen (artikel 26, derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, zoals dit luidde vóór 1 januari 1994).
In de tweede plaats is
voor het overslaan van de bezwaarschriftprocedure, naast het in het
bezwaarschrift gedane verzoek, ook de instemming van het bestuursorgaan
vereist. Het wetsvoorstel bepaalt dat die instemming gegeven kan worden
"indien de zaak daarvoor geschikt is". Dit criterium is vrij algemeen, maar
heeft toch het voordeel dat het de praktijk houvast biedt. De regeling is
bedoeld om herhaling van zetten - uit de primaire fase - in de
bezwaarfase te voorkomen. Rechtstreeks beroep heeft alleen zin als partijen het
erover eens zijn dat zij het oneens zijn en zij het ook eens zijn over de punten
die hen verdeeld houden. Daarbij kan het gaan om rechtsvragen die nog
niet in de jurisprudentie zijn uitgekristalliseerd of om vaststelling van
feiten voor zover partijen daarover blijvend van mening verschillen.
Gevallen waarin nog onvoldoende onderzoek naar de feiten is gedaan, lenen
zich vanzelfsprekend niet voor rechtstreeks beroep op de rechter. Zo zal
bijvoorbeeld een medisch geschil waaraan nog geen arts te pas gekomen is
voor rechtstreeks beroep ongeschikt zijn. Het wetsvoorstel brengt
slechts twee beperkingen aan op de bevoegdheid om in te stemmen met een
verzoek tot het instellen van rechtstreeks beroep. Deze beperkingen zijn als
verplichte weigeringsgronden geformuleerd. Bepaald wordt dat het
bestuursorgaan het verzoek afwijst wanneer het bezwaarschrift is gericht
tegen het niet tijdig nemen van een besluit (fictief besluit) of - in
meerpartijengeschillen - niet alle indieners van een bezwaarschrift om het
overslaan van de bezwaarprocedure hebben verzocht.
rblz.|5|
In de derde plaats kent
de regeling een mogelijkheid voor de bestuursrechter om de zaak naar het
bestuursorgaan terug te wijzen. Het bestuursorgaan zal het beroepschrift dan
alsnog als bezwaarschrift moeten behandelen. Met deze
terugwijzingsmogelijkheid kan worden voorkomen dat partijen al te lichtvaardig tot het overslaan van de bezwaarschriftprocedure
besluiten, waardoor de
rechter zou worden belast met geschillen die in een
goede bezwaarschriftprocedure tot een oplossing kunnen worden gebracht. De terugwijzingsbeslissing is een vereenvoudigde
afdoening; een zitting is
derhalve niet nodig om tot deze uitspraak te komen.
In de adviezen van IPO en
NOvA wordt voorgesteld om bestuursorganen meer mogelijkheden te
geven om rechtstreeks beroep op de rechter voor te stellen. Volgens het
IPO zou het voorstel om de bezwaarschriftprocedure over te slaan ook van het
bestuursorgaan uit moeten kunnen gaan, bijvoorbeeld door
in het primaire besluit een voorstel daartoe op te nemen. Het IPO
veronderstelt daarbij - kennelijk - dat partijen gelijkwaardig zijn. Deze
veronderstelling delen wij niet. Wanneer een bestuursorgaan in een concrete zaak
- in het besluit zelf - voorstelt de bezwaarschriftprocedure achterwege te laten omdat
deze niet zal leiden tot wijziging van het
bestreden besluit, zal de belanghebbende alleen om die reden al weinig vertrouwen meer hebben in de bezwaarschriftprocedure
en dus geneigd zijn om in
te stemmen. In het wetsvoorstel is daarom de keuze gemaakt, mede in
het licht van de ongelijkheidscompensatie, om het initiatief om in een
concrete zaak een schriftelijk voorstel te doen bij de belanghebbende te
leggen.
De NOvA is van mening dat
het overslaan van de bezwaarschriftprocedure ook mogelijk moet zijn
wanneer daarom niet in het bezwaarschrift is verzocht, maar
anderszins blijkt dat alle bezwaarden daarmee instemmen. Het
bestuursorgaan kan het bezwaarschrift dan ambtshalve doorzenden. Dit voorstel
is niet gevolgd omdat het wetsvoorstel ervan uitgaat, in het belang
van de rechtszekerheid, dat het verzoek alleen in het bezwaarschrift kan worden
gedaan en niet bij nadere aanvulling van het bezwaarschrift of zelfs buiten het bezwaarschrift om.
5. Meerpartijengeschillen
De regeling is zowel van
toepassing bij tweepartijengeschillen als bij meerpartijengeschillen. Meerpartijengeschillen zijn geschillen waarbij,
naast het bestuursorgaan,
meerdere (derden-)belanghebbenden zijn betrokken. Voor het
overslaan van de bezwaarschriftprocedure is niet vereist dat alle bij het
primaire besluit betrokken belanghebbenden daarmee instemmen. Het
wetsvoorstel vereist slechts dat degenen die een bezwaarschrift
tegen het
primaire besluit hebben ingediend daarmee instemmen (middels een
verzoek om rechtstreeks beroep in het bezwaarschrift). De instemming van andere
belanghebbenden is niet vereist. Het gaat bij rechtstreeks
beroep om een beslissing met betrekking tot de te volgen procedure. Deze
beslissing gaat alleen partijen aan. Enkele voorbeelden kunnen de op dit punt in
het wetsvoorstel gemaakte keuze verduidelijken.
Indien bij de
voorbereiding van een bouwvergunning zeven derden-belanghebbenden van bedenkingen
hebben
blijk gegeven, maar tegen de verleende bouwvergunning
maar door vijf derden-belanghebbenden bezwaar wordt
aangetekend, is de instemming van degene tot wie het besluit is gericht (de
aanvrager van de bouwvergunning) en de twee derden-belanghebbenden
die geen bezwaar hebben gemaakt, niet vereist. Een andere opvatting zou
ertoe leiden dat belanghebbenden die geen reëel belang hebben bij
het voeren van een bezwaarschriftprocedure (i.c. de aanvrager van de
bouwvergunning) of daarvan vrijwillig afzien (de twee
derden-belanghebbenden), deze procedure aan de anderen dwingend rblz.|6|
zouden kunnen
opleggen. Zou in het genoemde voorbeeld het bestuursorgaan aan de
verlening van de bouwvergunning bezwarende voorschriften hebben
verbonden, waartegen de aanvrager vervolgens een bezwaarschrift indient,
dan kan de aanvrager van de bouwvergunning het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure weer wél tegenhouden.
Een ander voorbeeld
betreft de situatie waarin het bestuursorgaan op verzoek van een omwonende
tot toepassing van bestuursdwang besluit om een illegaal bouwwerk
af te breken. Wanneer degene tot wie het besluit is gericht (de
overtreder) een bezwaarschrift indient en daarbij om instemming met
rechtstreeks beroep op de rechter verzoekt, kan het bestuursorgaan zijn
verzoek inwilligen. De instemming van de derde-belanghebbende die om de bestuursdwang
heeft verzocht, is in dat geval niet vereist.
Samengevat komt het er - in meerpartijengeschillen
- op neer dat zodra één van de
bezwaarmakers (onder omstandigheden: degene tot wie het besluit is gericht) óf
het bestuursorgaan niet akkoord gaat met het overslaan van de bezwaarprocedure,
deze op de gewone wijze gevolgd dient te worden.
In het voorgaande ligt
besloten dat kan worden verwacht dat de regeling vooral voor
tweepartijengeschillen van praktische betekenis zal zijn. Voor
meerpartijengeschillen
geldt dat de verschillende belanghebbenden vaak tegengestelde belangen
hebben - óók ten aanzien van de te volgen procedure - hetgeen het
verkrijgen van instemming van alle partijen zal bemoeilijken. Bovendien
geldt dat in veel zaken waarbij er veel (potentiële) belanghebbenden
zijn
gebruik zal worden gemaakt van de (nieuwe) uniforme openbare
voorbereidingsprocedure, waarna de bezwaarschriftprocedure vanzelf reeds
vervalt.
Vanzelfsprekend kunnen
belanghebbenden onderling trachten om tot overeenstemming te komen
over het overslaan van de bezwaarschriftprocedure. Het wetsvoorstel sluit
niet uit dat het bestuursorgaan in dat verband - in de sfeer
van communicatie en voorlichting - eveneens initiatieven ontplooit. Van een
wettelijke verplichting daartoe is evenwel afgezien, omdat dit de regeling
aanzienlijk ingewikkelder zou maken.
6.
Rechtsmiddelvoorlichting
Uit artikel 3:45
Awb volgt
dat indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt, daarvan bij de bekendmaking en de mededeling van het besluit
melding wordt gemaakt.
Deze regeling schrijft niet voor dat daarbij tevens de mogelijkheid van
rechtstreeks beroep wordt vermeld. Een dergelijke vermelding zou in veel
gevallen alleen maar vragen oproepen. De mogelijkheid van rechtstreeks beroep
is immers slechts voor een beperkt aantal gevallen bedoeld,
bijvoorbeeld wanneer in het vooroverleg al een uitgebreide gedachtewisseling heeft
plaatsgevonden of wanneer het geschil een zuivere rechtsvraag
betreft. Wanneer het bestuursorgaan door middel van beleidsregels voor
een bepaalde categorie van besluiten instemming met rechtstreeks beroep
in het vooruitzicht heeft gesteld, kan het in dergelijke besluiten daarnaar
verwijzen. In de overige gevallen past terughoudendheid met het vermelden van de
mogelijkheid van rechtstreeks beroep, wil het
bestuursorgaan niet het verwijt van oneigenlijk gebruik op zich laden. Door
vermelding van de mogelijkheid van rechtstreeks beroep bij de bekendmaking van
het concrete besluit kan het bestuursorgaan immers - onbedoeld - de indruk wekken dat de bezwaarschriftprocedure wat hem betreft niet
zinvol is. Aan een algemene folder over bezwaar en beroep - waarin ook
voorlichting over rechtstreeks beroep kan worden gegeven - kleeft dit
bezwaar niet.
rblz.|7|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
(artikel 7:1a)
Artikel
7:1a bevat een
nieuwe uitzondering op de hoofdregel van eerst bezwaar en dan beroep. Artikel
7:1a maakt het mogelijk dat met instemming van alle partijen de
bezwaarschriftprocedure wordt overgeslagen. De uitzondering van artikel
7:1a is relatief: afhankelijk van de omstandigheden kan worden afgezien van
de bezwaarschriftprocedure indien betrokkenen menen dat zij - in het specifieke geval
- niets zou toevoegen. Daarmee wordt betrokkenen
de mogelijkheid geboden om flexibeler te kunnen opereren. De
nieuwe uitzondering volgt op artikel 7:1
dat naast de hoofdregel van eerst
bezwaar en dan beroep, vier - absolute -
uitzonderingen op de verplichte
bezwaarschriftprocedure bevat. Die uitzonderingen zijn absoluut omdat zij
voor alle besluiten van een bepaald type gelden.
Over de rol van de
bezwaaradviescommissies ex artikel 7:13 Awb
in relatie tot rechtstreeks beroep
wordt het volgende opgemerkt. Deze commissies zijn in voorkomende
gevallen ingesteld ten behoeve van de beslissing op bezwaar. Bij indiening
van een bezwaarschrift-plus is nog niet zeker of de bezwaarschriftprocedure
gevolgd gaat worden. Om duidelijkheid daarover te scheppen, dient het bestuursorgaan eerst een beslissing op het verzoek
om rechtstreeks beroep te
nemen. Eerst na afwijzing van dat verzoek staat vast dat de
bezwaarschriftprocedure gevolgd wordt en dient het bezwaarschrift naar de
adviescommissie
te worden doorgeleid. Twijfel over de ontvankelijkheid van het
bezwaarschrift kan voor het bestuursorgaan voldoende reden zijn om
het meteen naar de commissie te leiden, onder afwijzing van het verzoek
om rechtstreeks beroep.
Eerste lid
Zoals in het
algemene
gedeelte van deze toelichting is aangegeven, is de regeling ingebed in de
bezwaarschriftprocedure. Het eerste lid van het voorgestelde artikel
7:1a geeft aan dat alleen de indiener van een bezwaarschrift, in het
bezwaarschrift, het bestuursorgaan kan verzoeken om in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter
(een zogenaamd bezwaarschrift-plus). De indiener van het bezwaarschrift doet er
verstandig aan om in zijn
verzoek aan te geven waarom hij het volgen van de bezwaarprocedure niet
zinvol acht. De beslissing op het verzoek is een besluit in de zin van de
Awb waarop oonder andere de bepalingen inzake bekendmaking van
afdeling 3.6 van
toepassing zijn.
Het bestuursorgaan kan,
indien het dat passend acht, de belanghebbende er uiteraard op wijzen - bij de bekendmaking of de mededeling van een besluit
- dat de
bezwaarschriftprocedure kan worden overgeslagen. Zou een bestuursorgaan door
middel van beleidsregels voor een bepaalde categorie van besluiten
generieke instemming met het overslaan van de bezwaarschriftprocedure
in het vooruitzicht hebben gesteld, dan kan naar die beleidsregels worden
verwezen. Blijkens haar advies is de NVvR van mening dat een dergelijke
beleidsregel ("ja, tenzij") te ver zou gaan. Het rechtstreeks instellen
van beroep moet naar haar oordeel een uitzondering blijven. Hoewel ook de
regering de omgekeerde beleidsregel ("nee, tenzij") op zichzelf het
meest voor de hand liggend acht, is toch denkbaar dat er categorieën van
besluiten zijn waarvoor kan gelden dat in beginsel met rechtstreeks beroep
kan worden ingestemd.
Met betrekking tot
zogenaamde pro-formabezwaarschriften wordt het volgende opgemerkt. De Awb
staat
toe dat - bijvoorbeeld bij dreigende termijnoverschrijding - een pro-formabezwaarschrift
wordt ingediend: het bezwaar wordt tijdig
ingesteld, maar de motivering volgt later. Het rblz.|8|
bestuursorgaan moet de
indiener een redelijke termijn bieden om het bezwaarschrift aan te
vullen (artikel 6:6). De vraag kan rijzen hoe om te gaan met een
pro-formabezwaarschrift waarin om rechtstreeks beroep op de rechter wordt verzocht.
(Overigens zal juist in de gevallen waarin de standpunten over en weer
duidelijk zijn het indienen van een pro-formabezwaarschrift niet nodig
hoeven te zijn, maar dit terzijde). Het bestuursorgaan zal in het algemeen de
nadere motivering moeten afwachten alvorens op dat verzoek te
(kunnen) beslissen. Niet uit te sluiten valt echter dat ook een pro-formabezwaarschrift
waarin om rechtstreeks beroep wordt verzocht naar de rechter
wordt doorgezonden. Dit kan zinvol zijn wanneer het gewenst is de zaak
snel bij de rechter aanhangig te maken, bijvoorbeeld omdat sprake is van
verschillende, met elkaar samenhangende besluiten en tegen een eerder besluit reeds beroep bij de rechter is ingesteld.
Vervolgens kan dan de
rechter - voor wat betreft het vervolgbesluit - om aanvulling van de
gronden vragen (artikel 6:6).
Een andere vraag die in
dat verband kan rijzen, is of een pro-formabezwaarschrift, bij
gelegenheid van het indienen van de gronden, kan worden aangevuld met een
verzoek om rechtstreeks beroep op de rechter. Hiertegen bestaat geen
bezwaar. Wanneer het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 6:6,
wordt de termijn waarop op het bezwaarschrift moet worden beslist,
opgeschort tot de dag waarop - voor zover hier van belang - de gronden
alsnog worden verstrekt (artikel 7:10, tweede lid). Aangezien de behandeling
van het bezwaarschrift tot dat moment is opgeschort, is het niet bezwaarlijk
dat op dat moment alsnog wordt gevraagd om de
bezwaarschriftprocedure over te slaan.
Het is vanzelfsprekend
niet mogelijk dat een belanghebbende tijdens de bezwaarschriftprocedure
alsnog voorstelt - bijvoorbeeld door middel van een nadere aanvulling van
het bezwaarschrift of mondeling op de hoorzitting - om van verdere
behandeling af te zien en het bezwaarschrift door te zenden naar de rechter.
Dit zou ertoe kunnen leiden dat bezwaarschriftprocedures maar "half" gevoerd
worden; zodra een patstelling dreigt, zouden partijen de zaak
eenvoudig op het bord van de rechter kunnen schuiven. Hierdoor zou
afbreuk worden gedaan aan de functie van de bezwaarschriftprocedure.
Het is in dat verband van belang dat het eerste lid bepaalt dat het
verzoek "in het bezwaarschrift" moet worden gedaan. Andersom geldt ook dat
als het bestuursorgaan eenmaal heeft ingestemd met het verzoek om
rechtstreeks beroep, het verzoek niet alsnog kan worden ingetrokken,
bijvoorbeeld als het beroep bij de rechter niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de
belanghebbende heeft verzuimd om tijdig het
griffierecht te betalen.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt
dat het bestuursorgaan het verzoek moet weigeren indien het bezwaarschrift
is gericht tegen een fictief besluit (onderdeel a) of tegen het besluit een
ander bezwaarschrift is ingediend waarin een verzoek om rechtstreeks
beroep ontbreekt (onderdeel b).
De uitzondering in
onderdeel a - het bezwaarschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een
besluit - is opgenomen omdat het niet wenselijk is dat nog vóór het
bestuursorgaan een inhoudelijke primaire beslissing is genomen, de gang naar
de rechter wordt gemaakt. De rechter zal niet veel anders doen dan het
bestuursorgaan opdragen alsnog een reële beslissing te nemen.¹ Het
is daarom beter dat eerst de reële beslissing of de beslissing op het bezwaarschrift wordt afgewacht.
De regel in onderdeel b
is voor meerpartijengeschillen van belang. Positief geformuleerd houdt deze
regel in dat een verzoek om de bezwaarschriftprocedure over te slaan alleen kan
worden ingewilligd als in alle tegen een besluit
ingediende bezwaarschriften daarom wordt gevraagd. Met kennelijk
niet-ontvankelijke bezwaarschriften hoeft het bestuursorgaan rblz.|9|
evenwel geen
rekening te houden. Zonder de uitzondering voor kennelijk
niet-ontvankelijke bezwaarschriften zouden evidente niet-belanghebbenden
- door een
bezwaarschrift zónder verzoek om rechtstreeks beroep in te dienen - de werking van de regeling kunnen frustreren. Vandaar de bepaling dat
met kennelijk niet-ontvankelijke bezwaarschriften geen
rekening hoeft te worden gehouden. Procedurele complicaties heeft dit
nauwelijks. Wanneer er - in dezelfde zaak - naast ontvankelijke
bezwaarschriften ook kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschriften zijn ingediend, zal het
bestuursorgaan ten aanzien van de eerstgenoemde belanghebbenden een
besluit nemen tot het overslaan van de bezwaarprocedure en ten
aanzien van de andere belanghebbenden een beslissing op bezwaar
strekkend tot kennelijke niet-ontvankelijkheid. Een door één van de
laatstgenoemde belanghebbenden ingediend beroepschrift komt - met enige
vertraging ten opzichte van de doorgestuurde bezwaarschriften - bij
dezelfde rechter terecht. De vertraging ten opzichte van een doorgestuurd
bezwaarschrift hoeft niet meer dan zes weken te bedragen.
Er is van afgezien om te
bepalen - zoals de NVvR heeft geadviseerd
- dat het bestuursorgaan het
verzoek om met rechtstreeks beroep in te stemmen, moet weigeren als
het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Op die manier zou voorkomen
kunnen worden dat de rechter onnodig met - doorgezonden - niet-ontvankelijke beroepschriften wordt belast. Een verplichte
weigeringsgrond zoals voorgesteld, zou evenwel impliceren dat alvorens op het verzoek
om rechtstreeks beroep kan worden besloten, eerst, en ten gronde, de
ontvankelijkheid van een bezwaarschrift moet worden beoordeeld.
Wanneer ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een
bezwaaradviescommissie ex artikel 7:13 Awb
is ingesteld, zou derhalve eerst die
commissie over het aspect van de ontvankelijkheid moeten adviseren,
alvorens het bestuursorgaan een beslissing kan nemen op het verzoek om
rechtstreeks beroep. Deze gang van zaken zou weinig praktisch zijn. In het
systeem van het wetsvoorstel zal het in de praktijk zo (moeten) zijn dat bij de
minste twijfel over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift het
verzoek om rechtstreeks beroep wordt afgewezen.
1. Vgl. ABRvS [Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, red.] 3 december
1998, JB 1999, 13 m.nt. FAMS, AB 1999, 107,
m.nt. FM, Rawb 1999, 68, m.nt. Widdershoven inzake artikel 6:2,
aanhef en onder b, Awb.
Derde lid
Volgens het derde lid kan
het bestuursorgaan alleen instemmen met een verzoek om rechtstreeks
beroep in te stellen "indien de zaak daarvoor geschikt is". Dit
criterium is op voorstel van de NVvR opgenomen; het voorontwerp bevatte geen
criterium. Het criterium biedt bestuursorganen aan de ene kant houvast,
doch aan de andere kant de nodige beoordelingsvrijheid om al dan niet met
rechtstreeks beroep in te stemmen. Het criterium is ontleend aan
artikel 8:10 Awb op grond waarvan het door de
rechtbank wordt
gehanteerd voor behandeling door een enkelvoudige of een meervoudige kamer. Of
een zaak geschikt is voor rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter
moet mede in het licht van de bedoeling van het voorstel worden
beoordeeld. In paragraaf 3 van deze toelichting is daarop reeds ingegaan.
Bestuursorganen kunnen door middel van beleidsregels nadere invulling geven
aan de hier geregelde bevoegdheid. Gelet op het karakter van de
bevoegdheid kan bij afwijzing van een verzoek om rechtstreeks beroep met een summiere
motivering worden volstaan.
Vierde lid
Volgens de eerste volzin
beslist het bestuursorgaan "zo spoedig mogelijk" op een verzoek om de
bezwaarschriftprocedure over te slaan. Volstaan is met de woorden "zo
spoedig mogelijk". Een nadere precisering van de beslistermijn blijkt niet
goed mogelijk, omdat de praktijk op dit punt een grote variëteit te zien
kan geven. Soms kan het bestuursorgaan al direct uitsluitsel geven - bij
de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift - en rblz.|10|
behoeft niet te worden
gewacht tot de bezwaartermijn is verstreken. Als bijvoorbeeld alle
partijen het op voorhand eens zijn over rechtstreeks beroep op de rechter, zou
onnodig tijdverlies worden geleden als met doorzending van het
bezwaarschrift zou worden gewacht tot na afloop van de bezwaartermijn.
Ook wanneer bijvoorbeeld het bestuursorgaan zich niet met
rechtstreeks beroep kan verenigen, kan het verzoek direct worden afgewezen. Bij
aanwezigheid van (onbekende) derden-belanghebbenden zal het bestuursorgaan in
de regel echter de bezwaartermijn moeten
afwachten. Immers, wanneer binnen de bezwaartermijn een
bezwaarschrift wordt ingediend waarin niet om rechtstreeks beroep wordt
verzocht, is het bestuursorgaan verplicht het verzoek af te wijzen.
Als het bezwaarschrift
kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zal de afwijzing van het
verzoek om rechtstreeks beroep in de beslissing op het bezwaarschrift
kunnen worden opgenomen. Mocht het bestuursorgaan overigens bij afdoening
op "kennelijkheden" de afwijzing van het verzoek om rechtstreeks
beroep vergeten, dan vormt dit geen grond voor vernietiging (artikel
6:22).
Wanneer na een afwijzende
beslissing op het verzoek om rechtstreeks beroep de
bezwaarschriftprocedure wordt gevolgd en de belanghebbende naar aanleiding van zijn
bezwaarschrift wordt gehoord, dan zal de afwijzende beslissing uiterlijk
tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker dienen
te worden bekendgemaakt.
De tweede volzin regelt
dat een beslissing tot instemming met het verzoek om rechtstreeks beroep
genomen kan worden zodra nieuwe bezwaarschriften redelijkerwijs niet meer
te verwachten zijn. Zoals hiervoor al is opgemerkt, kan het
bestuursorgaan - met name in tweepartijengeschillen - het bezwaarschrift
snel doorzenden indien het met rechtstreeks beroep instemt. Voor
verschoonbaar te laat ingediende bezwaarschriften - waarmee het
bestuursorgaan redelijkerwijs geen rekening kan houden - is de voorziening van het
zesde lid van belang. Op grond daarvan worden alle na de instemming
ingediende bezwaarschriften, ook als daarin niet om rechtstreeks beroep is
verzocht, eveneens naar de rechter doorgezonden.
De laatste volzin zondert
de hoorplicht van de artikelen 4:7 en 4:8 uit. Bij een (voorgenomen)
afwijzing van een verzoek om rechtstreeks beroep hoeft het bestuursorgaan
belanghebbenden niet in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te
geven. De beslissing op het verzoek om rechtstreeks beroep is een procedurele
beslissing waarbij - gelet ook op de gewenste snelheid - de
hoorplicht niet goed past.
Vijfde lid
Wanneer het
bestuursorgaan het verzoek om de bezwaarschriftprocedure over te slaan, inwilligt,
zendt dit het bezwaarschrift onverwijld door aan de bevoegde rechter. Het
bestuursorgaan dient daarbij de dag van ontvangst op het bezwaarschrift aan
te tekenen. De dag van ontvangst is in de eerste plaats van belang in
verband met de ontvankelijkheid. Zou een bestuursorgaan hebben verzuimd om een
bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren omdat het
bezwaarschrift te laat is ingediend, dan kan de rechter dat alsnog doen.
Een terugwijzing naar het bestuursorgaan is dan niet nodig. De dag van
ontvangst van het bezwaarschrift is, in voorkomende gevallen, ook van belang
in verband met de toepassing van artikel 8:8, eerste lid, eerste
volzin. Verwezen zij naar de toelichting op het voorgestelde artikel 8:8, vierde
lid.
Het gevolg van deze
bepaling is dat het bezwaarschrift tot beroepschrift wordt getransformeerd
(vgl.
artikel 6:15, tweede lid) en dat daaraan alle gevolgen zijn verbonden
die de wet aan het indienen van een beroepschrift verbindt, waaronder het
betalen van griffierecht (artikel 8:41). Voor een door de rechter uit
te spreken proceskostenveroordeling geldt ten rblz.|11|
aanzien van een
doorgezonden bezwaarschrift de regeling voor de kosten in verband met de
behandeling van het beroep bij de rechtbank (artikel
8:75).
Zesde lid
Het kan voorkomen dat
nadat het bestuursorgaan met het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure heeft ingestemd, alsnog door een andere belanghebbende een
bezwaarschrift wordt ingediend. Op grond van het vierde lid immers moet
het bestuursorgaan weliswaar wachten met een beslissing tot het
tijdstip waarop redelijkerwijs kan worden aangenomen dat geen nieuwe
bezwaarschriften worden ingediend, maar dit sluit niet geheel uit dat er, tegen
de verwachting in, na dat tijdstip toch nog een nieuw bezwaarschrift
binnenkomt. In dat geval bepaalt het zesde lid dat ook een dergelijk
bezwaarschrift onverwijld naar de bevoegde rechter wordt doorgestuurd.
Vervolgens zal de rechter de zaken kunnen voegen. Bij de doorzendplicht van
het zesde lid is niet van belang of in het na de instemming ontvangen
bezwaarschrift wel of niet om rechtstreeks beroep is verzocht. Ook is niet
van belang of het bezwaarschrift wel of niet ontvankelijk is (bijvoorbeeld
bij termijnoverschrijding). Met het oog op doelmatigheid van procedures bepaalt
het zesde lid dat alle ná de instemming door het bestuursorgaan
ingediende bezwaarschriften worden doorgezonden naar de bevoegde rechter.
Er zij op gewezen dat de rechtbank
- met name in die gevallen waarin de
belanghebbende in het bezwaarschrift niet om rechtstreeks beroep heeft
verzocht - aanleiding kan vinden om te bepalen dat het bestuursorgaan,
althans de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon, het griffierecht vergoedt
(artikel 8:74, tweede lid). In tegenstelling tot de behandeling van
een bezwaarschrift is voor behandeling als beroepschrift immers
griffierecht verschuldigd.
Artikel I, onderdeel B
(wijziging van artikel 7:14 en 7:27)
Door toevoeging van de
zinsnede "op grond van deze afdeling" in de artikelen 7:14
(afdeling 7.1) en 7:27
(afdeling 7:2) wordt de systematiek van hoofdstuk 7
Awb verduidelijkt.
Artikel I, onderdeel C
(wijziging van artikel 8:4)
Voorgesteld wordt een
nieuw onderdeel j [onderdeel k, red.] - besluiten op grond van artikel 7:1a, vierde lid
- aan
artikel 8:4 Awb
toe te voegen. Als gevolg hiervan zijn besluiten inzake
verzoeken om rechtstreeks beroep van Awb-beroep uitgesloten. De reden hiervan is
gelegen in het doel van de regeling. De regeling beoogt een bijdrage te
leveren aan het terugdringen van de juridisering. Door afzonderlijk bezwaar
en beroep tegen besluiten inzake rechtstreeks beroep toe
te staan, wordt eerder het tegendeel bereikt. Daarbij
komt dat de belanghebbende die stelt gedupeerd te zijn door een onterechte weigering van
zijn verzoek om rechtstreeks beroep - hetgeen verlies aan snelheid kan
betekenen voor wat betreft het verkrijgen van een rechterlijk oordeel - een voorlopige voorziening kan vragen tegen het primaire besluit. Laat
hij dit na, dan kan de beweerdelijk onterechte weigering pas in het beroep bij de
rechter aan de orde komen. In dat geval rijst echter de vraag wat het
belang van de betrokkene nog is.
Artikel I, onderdeel D
(wijziging van artikel 8:8)
Voorgesteld wordt om in
artikel 8:8 Awb (vierde
lid nieuw) een voorziening te treffen voor het geval
toepassing van het voorgestelde Artikel
7:1a, vijfde lid, ertoe zou
leiden dat het bestuursorgaan de bezwaarschriften zou moeten doorzenden aan
verschillende, ingevolge artikel 8:7, tweede lid, bevoegde rechters, die op
hun beurt weer naar de ingevolge artikel 8:8, eerste lid, bevoegde
rechter moeten doorverwijzen. Zo’n geval kan zich rblz.|12|
voordoen wanneer de
volgende drie omstandigheden zich tegelijkertijd voordoen: a. er is sprake
is van een meerpartijengeschil (twee of meer bezwaarschriften), b. het
betreft een besluit afkomstig van een tot de centrale overheid
behorend bestuursorgaan en c. de indieners van de bezwaarschriften zijn in
verschillende arrondissementen woonachtig. Het nieuw voorgestelde vierde
lid stelt buiten twijfel dat onder die omstandigheden het bestuursorgaan de
bezwaarschriften rechtstreeks kan zenden naar de bevoegde rechter
die ingevolge artikel 8:8, eerste lid, de zaak zal behandelen. Daarbij geldt
dat de zinsnede "de bevoegde rechtbank waarbij als eerste beroep
is ingesteld" zodanig moet worden toegepast dat het tijdstip waarop
het beroepschrift als bezwaarschrift is ingediend, en niet het tijdstip van
doorzending, bepalend is.
Artikel I, onderdeel E
(artikel 8:54a)
Om lichtvaardig gebruik
van de mogelijkheid van rechtstreeks beroep tegen te gaan, wordt
voorgesteld om de rechter de bevoegdheid te geven om een zaak naar het
bestuursorgaan terug te wijzen (artikel 8:54a, eerste lid). Daartoe wordt, in
het tweede lid, als nieuwe uitspraakmodaliteit geïntroduceerd dat de rechtbank
bepaalt
dat het beroepschrift - alsnog - als bezwaarschrift dient te
worden behandeld. De rechtbank kan de zaak terugwijzen indien hij
van oordeel is dat de zaak ongeschikt is om als (rechtstreeks) beroep te
worden behandeld, bijvoorbeeld omdat de feiten of de standpunten over en
weer nog niet duidelijk zijn of dat nog onvoldoende blijkt van inspanningen
om het geschil op te lossen. In het tweede lid is tevens neergelegd
dat voor het bestuursorgaan, na terugwijzing, weer de beslistermijn
geldt van artikel 7:10 Awb, dit keer te rekenen vanaf datum uitspraak (in
plaats van datum ontvangst).
Bij de vormgeving van de
nieuwe uitspraakmodaliteit is met name van belang dat een
rechterlijke terugwijzingsbeslissing in een zo vroeg mogelijk stadium wordt gegeven.
Daartoe wordt voorgesteld om de nieuwe uitspraakmodaliteit
uitsluitend mogelijk te maken in het kader van de vereenvoudigde
behandeling (afdeling 8.5.4). Gekozen is voor opneming in een
artikel
8:54a. Een
apart artikel verdient de voorkeur om de parallellie tussen de artikelen 8:54
en 8:70 Awb
niet te verstoren. Dat aparte artikel is na artikel
8:54 Awb
geplaatst, omdat daardoor tot uitdrukking wordt gebracht dat in
voorkomende gevallen voorrang kan worden gegeven aan toepassing
van artikel 8:54 (in het bijzonder het eerste lid, aanhef en onder a en
b)
boven toepassing van artikel 8:54a
Awb. Overigens betekent
- omgekeerd - toepassing van artikel 8:54a Awb
niet dat de rechtbank op enigerlei
wijze een oordeel heeft gegeven over bevoegdheids- en
ontvankelijkheidsvragen. Bij de behandeling van een mogelijk beroep tegen de
beslissing op bezwaar kunnen partijen zich derhalve niet beroepen op het feit dat
eerder geen toepassing is gegeven aan artikel 8:54
Awb.
Het eerste lid van
artikel 8:54a is ontleend aan artikel
8:54, eerste lid, Awb. Bewust is gekozen voor
een "kennelijk"-criterium. Evenals bij artikel 8:54
Awb
het geval is, leidt
de voorgeschreven sluiting van het onderzoek ertoe dat wordt "gesprongen"
naar de - relevante - bepalingen van afdeling 8.2.6
Awb. Daarmee zijn
dus ook de artikelen 8:74, tweede lid, en
8:75 Awb
van toepassing. Het
tweede lid is ontleend aan de aanhef van artikel 8:70
Awb.
Verzet tegen de
terugwijzinguitspraak is niet opengesteld, omdat deze uitspraak geen
"eindbeslissing" inhoudt. Na afwikkeling van de bezwaarschriftprocedure
kan alsnog beroep bij de rechter worden ingesteld. De toegang tot de rechter
wordt met deze uitspraak dus niet definitief afgesloten.
Door het opnemen van de
mogelijkheid van een rechterlijke terugwijzingsbeslissing zal het effect op de
werklast van de rechter naar verwachting gering zijn. In het
advies van het IPO wordt aangegeven dat, naar het rblz.|13|
oordeel van het IPO, de
eindbeslissing over het al dan niet overslaan van de
bezwaarschriftprocedure bij partijen hoort te liggen en niet bij de rechter. De regering
merkt op dat de terugwijzingsbeslissing met name als "veiligheidsklep" is
bedoeld - om een toename van de werklast van de rechter te voorkomen - en om die reden niet gemist kan worden. Dit neemt niet weg dat de
regering van oordeel is dat de rechter zo terughoudend mogelijk zal moeten zijn
bij het hanteren van zijn terugwijzingsbevoegdheid, in aanmerking nemend dat
terugwijzing naar het bestuursorgaan vrijwel altijd zal leiden
tot enige vertraging in de afhandeling van de zaak.
Artikel I, onderdeel F
(wijziging van artikel 10:3)
Dit onderdeel bevat een
aanvulling van artikel 10:3, derde lid. Hierin is bepaald dat het mandaat
met betrekking tot het nemen van een primair besluit en de behandeling
van de tegen dat besluit gerichte bezwaarschriften niet in één hand mag
worden gelegd. Voorgesteld wordt om daaraan toe te voegen dat
beslissingen op een verzoek om rechtstreeks beroep op de rechter toe
te staan niet gemandateerd kunnen worden aan degene die het primaire
besluit krachtens mandaat heeft genomen. Net als bij de behandeling
van bezwaarschriften is ook bij de behandeling van verzoeken om de
bezwaarschriftprocedure over te slaan een zekere afstandelijkheid bij de beoordeling op
zijn plaats. Voorkomen moet worden dat het bestuursorgaan al te
lichtvaardig zou instemmen met het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure.
Artikelen
II, III, IV,
onder 2, en V
(wijziging van de Wet
op de Raad van State, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en de
Algemene
wet inzake rijksbelastingen)
Met de voorgestelde
wijzigingen wordt hoger beroep respectievelijk beroep in cassatie (belastingzaken)
tegen een rechterlijke uitspraak ex artikel 8:54a
(nieuw)
Awb uitgesloten.
Ook hiervoor geldt - net als voor besluiten inzake verzoeken om
rechtstreeks beroep - dat hoger beroep onderscheidenlijk beroep in cassatie tegen
een redresseringsbeslissing niet goed past bij het doel van de
regeling (het terugdringen van juridisering). Tegen de tijd dat in hoger
beroep respectievelijk in cassatie zou worden uitgesproken dat het geschil ten onrechte
door de rechter is terugverwezen, is het geschil - indien dat in de
bezwaarschriftprocedure niet is opgelost - naar alle
waarschijnlijkheid alweer in de beroepsfase
beland. Dat laatste is nu precies datgene wat de
belanghebbende met zijn hoger beroep zou willen bereiken. Het belang van
het voorkomen van onnodige procedures achten wij in deze zwaarder
wegen dan het argument van de rechtseenheid. Omdat bij artikel
8:54a Awb
sprake is van een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6
Awb,
dient deze
uitspraak daarom uitdrukkelijk te worden uitgezonderd van de mogelijkheid van
hoger beroep onderscheidenlijk cassatie.
Artikel
IV, onder 1
(wijziging van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie)
In onderdeel C [van artikel I, red.]
van dit
wetsvoorstel wordt voorgesteld besluiten op verzoeken om rechtstreeks
beroep van beroep uit te zonderen door een onderdeel j
[onderdeel k, red.] toe te voegen
aan artikel 8:4 Awb. Echter,
artikel 8:4 geldt alleen voor het beroep
bij de rechtbank. In de bepalingen die beroep openstellen op een
bijzondere bestuursrechter (daaronder begrepen de ABRvS en de CRvB
[Centrale Raad van Beroep, red.] in
eerste aanleg) is artikel 8:4 niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Bij
het openstellen van beroep op een bijzondere bestuursrechter kan
immers hetzelfde resultaat worden bereikt door tegen bepaalde besluiten
geen beroep open te stellen; artikel 8:4
waarborgt rblz.|14|
dan dat geen
aanvullende bevoegdheid van de rechtbank ontstaat. In de meeste gevallen
wordt beroep op een bijzondere bestuursrechter opengesteld tegen "een
besluit op grond van deze wet", zonder uitzonderingen. Daarmee loopt het rond,
omdat de besluiten die wij in onderdeel C
[van artikel I, red.] van beroep willen
uitsluiten - besluiten op verzoeken om rechtstreeks beroep - geen besluiten
zijn op grond van de desbetreffende bijzondere wet, maar op grond van de
Awb. In
één geval sluit het systeem echter niet. Artikel 18, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (WBBO)
knoopt voor de openstelling van beroep op het CBb [College
van Beroep voor het bedrijfsleven, red.] (gedeeltelijk) aan
bij het bestuursorgaan dat het besluit neemt: er wordt beroep opengesteld
tegen "een besluit van een lichaam, met uitzondering van ..."
respectievelijk "een op grond van deze wet genomen besluit en een ander door een
kamer genomen besluit, met uitzondering van ...". Daaronder vallen dus ook
besluiten op verzoeken om rechtstreeks beroep. Teneinde ook dergelijke
van PBO-lichamen [PBO: publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, red.]
afkomstige besluiten van beroep uit te zonderen,
moet dit expliciet in WBBO
worden bepaald. De in dit onderdeel
voorgestelde wijziging strekt daartoe. De in artikel
8:4, onderdeel j [onderdeel k, red.], van de Awb
bedoelde besluiten worden opgenomen in de uitzonderingsclausule van
de competentiebepaling in de WBBO
(artikel 18, vierde lid). Deze
beperking werkt vanwege het daaraan voorafgaande derde lid door in de
bijzondere competenties van het College (zie voor de bevestiging van deze
uitleg wat betreft de in het vierde lid genoemde beperkingen van artikel 8:2
en 8:3 Awb: Kamerstukken II
1991-1992, 22 495, nr. 3, blz. 180).
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
|