|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2001-2002, 2002-2003, 2003-2004, 28 168.
Handelingen II 2002-2003, blz. 4590-4611, 4620-4622.
Kamerstukken I 2002-2003, 28 168 (267(h)); 2003-2004, 28 168 (A, B, C, D,
E, F).
Handelingen I 2003-2004, blz. 1089-1113, 1117-1138, 1147-1155, 1165-1173,
1248-1249.
WET van 22 april 2004, Stb.
2004, 306, houdende regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de
bekostiging van jeugdzorg (Wet op de jeugdzorg). Inwerkingtreding: 1 september
2004 (Stb. 2004, 420) en 1 januari 2005 (Stb.
2004, 701), zie artikel 112.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een wettelijke aanspraak op jeugdzorg voor zover daarop
geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
of de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen te vestigen, een
samenhangend aanbod van jeugdzorg te realiseren dat aansluit op de
behoefte, de toegang tot de jeugdzorg alsmede de bekostiging van de
jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat opnieuw te
regelen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
[Voor de
socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]
HOOFDSTUK
XIV
Wijziging
van andere wetten
Art.
81.
Aan artikel 9b van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten worden een
vierde en vijfde lid toegevoegd, luidende:
-4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid hebben cliënten
als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de jeugdzorg slechts
aanspraak op zorg aangewezen krachtens artikel 5, tweede lid, onderdeel b en
c, van die wet indien de stichting die werkzaam is in de provincie waar
de betrokken jeugdige duurzaam verblijft een besluit heeft genomen
waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. De regels
gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg zijn
van toepassing.
-5. Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van zorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de
jeugdzorg
met betrekking tot een jeugdige van wie een beroepsbeoefenaar, behorende
tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
beroepsgroep of een daarmee in die maatregel gelijkgestelde behandelaar,
een redelijk vermoeden heeft dat bij de jeugdige sprake is van een bij
of krachtens die maatregel aangewezen psychische stoornis van een bij
die maatregel aan te geven ernst en tevens het vermoeden heeft dat de
jeugdige, zijn ouders, stiefouders of anderen die de jeugdige als
behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, niet zijn aangewezen op
jeugdzorg waarop aanspraak bestaat op grond van de Wet op de jeugdzorg
of de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. Bij de maatregel,
bedoeld in de eerste volzin, worden tevens regels gesteld omtrent de
informatie die de beroepsbeoefenaar in een geval als bedoeld in die
volzin verstrekt aan de betrokken stichting, bedoeld in artikel 1, onderdeel
f, van de Wet op de jeugdzorg.
Art.
83.
In artikel 9, vierde lid, van de Algemene bijstandswet wordt "of
een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
84.
In artikel 1, onderdeel m, van de Algemene nabestaandenwet wordt "of
een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
85.
In artikel 19, achtste lid, van de Werkloosheidswet wordt "of een
inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
86.
In artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt "of een
inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
87.
In artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt "of een
inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
88.
In artikel 5, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
wordt "of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
89.
In artikel 6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt "of een
inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
90.
In artikel 6, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt "of een
inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Art.
91.
In artikel 1, eerste lid, onderdeel l,¹ van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt "of een inrichting voor
justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke voorziening als
bedoeld in artikel 65 van de Wet op de jeugdhulpverlening"
vervangen door: of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
1. Volgens de redactie
dient "onderdeel l" te worden vervangen door: onderdeel
j.
Art.
92.
In artikel 1, eerste lid, onderdeel j,¹ van de
Ziektewet wordt "of
een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde een landelijke
voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening" vervangen door: of een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
1. Volgens de redactie
dient "onderdeel j" te worden vervangen door: onderdeel
g.
Art.
100.
In artikel 5:1, tweede lid, onderdeel d, van de
Wet arbeid en zorg wordt de
zinsnede "een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op
de jeugdhulpverlening" vervangen
door: een pleegcontract als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de
Wet op de jeugdzorg.
Art.
101.
In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt aan
onderdeel H
een onderdeel 3 toegevoegd, luidende:
3. Artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg, alsmede artikel 6,
eerste lid, van die wet voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering
van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van die wet of
in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van die wet met uitzondering van de
daarin bedoelde nazorg en de daarin genoemde begeleiding, bedoeld in
artikel 77hh van het Wetboek
van Strafrecht.
HOOFDSTUK
XV
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
111.
-1. De Wet op de jeugdhulpverlening wordt
ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van
die wet verleende subsidies en uitkeringen.
-2. In wettelijke procedures en
rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet op de
jeugdhulpverlening zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te
stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in
verdere instantie, de regels van toepassing die golden vóór de
intrekking van die wet.
Art.
112.
-1. Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
-2. Artikel 78, onderdeel D, treedt in
werking met ingang van 1 januari 2006. Bij koninklijk besluit kan een
later tijdstip worden bepaald indien de beschikbare
plaatsruimte in de desbetreffende justitiële jeugdinrichtingen zulks
noodzakelijk maakt.
-3. Tot het tijdstip waarop artikel 78,
onderdeel D, in werking treedt, is plaatsing van een jeugdige als
bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in een justitiële jeugdinrichting
als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen slechts mogelijk indien de stichting een besluit
heeft genomen waaruit blijkt dat de jeugdige op die plaatsing is
aangewezen.
-4. Tot het tijdstip, bedoeld in het derde
lid, luidt artikel 5, tweede lid, onderdeel d, als volgt:
d. jeugdzorg te verlenen door een justitiële jeugdinrichting als
bedoeld in het derde lid.
-5. Voor de toepassing van artikel 10 en
van artikel 261 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek wordt tot het
tijdstip, bedoeld in het derde lid, een besluit als bedoeld in het derde
lid gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
-6. Tot het tijdstip, bedoeld in het eerste
lid, is artikel 10, eerste lid, onderdeel g, van overeenkomstige toepassing
met betrekking tot een plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als
bedoeld in het derde lid.
1. Bij Besluit van 20
augustus 2004, Stb. 2004, 420, is het tijdstip van
inwerkingtreding van de artikelen 1 en 2, alsmede hoofdstuk V en artikel
107, tweede en derde lid, bepaald op 1 september 2004 en is bij Besluit
van 16 december 2004, Stb. 2004, 701, het tijdstip van
inwerkingtreding van de overige artikelen, met uitzondering van de
artikelen 5, tweede lid, onderdeel c, en artikel 107, eerste lid,
bepaald op 1 januari 2005, red.
Art.
113.
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op de jeugdzorg.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
22 april 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de zesde
juli 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|