|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1994-1995,
24 236
Wijziging van de
Wet
sociale werkvoorziening en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen met name in verband met de overgang van de indicatiestelling
voor de sociale werkvoorziening van de gemeenten naar de
Centrale
organisatie werk en inkomen en verruiming van de mogelijkheden tot
begeleid werken in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, alsmede
een aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht en de
Beroepswet ter zake
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| §
1 |
Inleiding |
| §
2 |
Wet sociale
werkvoorziening |
| §
3 |
Voorgeschiedenis |
| §
4 |
Overwegingen |
| §
5 |
Nieuwe situatie |
| §
6 |
Vereenvoudiging
regelgeving |
| §
7 |
Begeleid werken |
| §
8 |
Implementatietraject |
| §
9 |
Financiële paragraaf |
| §
10 |
Bedrijfsbezoeken
werktijdverkorting |
|
xArtikelsgewijs |
| xxxr| |
Artikelen
I t/m VII |
Algemeen
Inleiding
Dit wetsvoorstel regelt
de overdracht van de indicatiestelling in het kader van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) van de gemeente naar de
Centrale organisatie werk
en inkomen (CWI). Deze overdracht is toegezegd door de toenmalige
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer der
Staten Generaal tijdens het algemeen overleg op 7 februari 2002 over
de Wsw (Kamerstukken II 2001-2002, 28 130, nr. 4, blz. 9). Met de
overdracht wordt de onafhankelijkheid van de indicatiestelling versterkt. In deze
memorie van toelichting worden de argumenten hiervoor nader
uitgewerkt.
Tevens wordt met dit
wetsvoorstel een wijziging in de Wsw doorgevoerd waarmee de mogelijkheden
voor de uitvoering van begeleid werken in het kader van de Wsw worden
vergroot.
De overdracht van de
indicatiestelling is ook opgenomen in het Actieplan vereenvoudiging
SZW-regelgeving (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 24). In dit
wetsvoorstel zijn ook enkele vereenvoudigingen van de Wsw meegenomen die
samenhangen met het Actieplan vereenvoudiging SZW-regelgeving. Ten
slotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt in dit wetsvoorstel op te nemen
dat de CWI op verzoek van de minister kan worden ingeschakeld bij
het verstrekken van inlichtingen die nodig zijn alvorens de minister kan
beslissen op een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel
8,
derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
(werktijdverkorting). Het wetsvoorstel is om deze reden mede door de Minister van
SZW ondertekend.
Het voorliggende
wetsvoorstel is besproken in bestuurlijke overleggen met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) en de CWI. De CWI is gaarne bereid deze
nieuwe taak op zich te nemen die past in de poortwachterstaak die de
CWI vervult binnen de keten van de sociale zekerheid. De VNG heeft
in bestuurlijke overleggen in 2002 en 2003 ingestemd met het principe van de
overdracht van de indicatiestelling Wsw naar de CWI. In haar
uiteindelijke schriftelijke reactie op het wetsvoorstel, rblz.|2|
van 24 april 2003, heeft
de VNG een aantal algemene opmerkingen gemaakt. De belangrijkste
opmerkingen van de VNG hebben betrekking op de timing van het
wetgevingstraject. De VNG wil dat er eerst proefgedraaid wordt met de nieuwe wijze
van uitvoering, voordat de overdracht wettelijk geregeld wordt.
Het wetsvoorstel botst niet met deze zienswijze. Het gaat
noodzakelijkerwijze echter wel vooraf aan de uitwerking van de uitvoeringskaders
die in lagere regelgeving worden opgenomen en de vormgeving van de
werkprocessen bij de CWI.
Het tweede aspect van
timing waar de VNG vraagtekens bij zette, is de vraag of onderhavige
wetswijziging vooruit mag lopen op eventuele latere wetswijzigingen als
gevolg van besluitvorming over de discussie die momenteel loopt over de
rol en positie van de Wsw. De VNG doelde destijds ongetwijfeld op
het, op dat moment nog uit te brengen en voor het kabinet nog
onbekende, advies van de Raad voor werk en inkomen (RWI) met voorstellen
voor modernisering van de Wsw (de RWI bestaat uit vertegenwoordigers van de
VNG en de sociale partners). Ook de Raad van State heeft voor deze
samenloop aandacht gevraagd. Het advies van de RWI is inmiddels op 4
juni 2003 uitgebracht.¹ Separaat aan dit wetsvoorstel is de reactie van het
kabinet op het advies van de RWI aan het parlement aangeboden. Het advies
van de RWI komt grotendeels overeen met de plannen voor
modernisering van de Wsw van het kabinet. De aanbevelingen van de RWI met
betrekking
tot de indicatie en het begeleid werken zijn grotendeels al in
dit wetsvoorstel verwerkt, dan wel zullen in lagere regelgeving ter
uitvoering van dit wetsvoorstel worden verwerkt. Het gaat in casu om: een
zorgvuldig implementatietraject met pilots, zorgen dat expertise van
indicatiecommissies niet verloren gaat, het afgeven van een advies begeleid werken,
een flexibeler geldigheidsduur van de indicatie, het door de CWI afgeven
van een reïntegratieadvies aan personen die geen Wsw-indicatie
krijgen, afstemming met de ondersteunende en activerende begeleiding in het kader
van de AWBZ, een warme overdracht van dossiers, de gemeente
bij een herindicatie aan de CWI laten rapporteren over wat zij met de
eerder bij de indicatie uitgebrachte adviezen gedaan heeft en gevolgen
voor een Wsw-geïndiceerde op de wachtlijst die een aanbod van
passende arbeid weigert.
1. Raad voor Werk en
Inkomen: De gewoonste zaak van de wereld.
Voorstellen voor modernisering van de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw), juni 2003.
Het kabinet zet bewust in
op modernisering van de Wsw in twee snelheden. Het kabinet heeft
hiervoor gekozen aangezien een gelijktijdige invoering van dit traject
met verdere stappen te komen tot modernisering van de Wsw te veel zou
vragen van gemeenten, SW-bedrijven [socialewerkvoorzieningsbedrijven, red.] en de
CWI. De prioriteit van het kabinet ligt nu bij een onafhankelijke indicatiestelling.
Door het wetsvoorstel Wet
werk en bijstand en de geplande stelselherziening van de WAO komt er meer
nadruk te liggen op reïntegratie op de arbeidsmarkt van
werkzoekenden en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten. Het risico bestaat dat de
Wsw een vangnet wordt voor personen voor wie reïntegratie op
korte termijn niet succesvol is. Dit legt een verhoogde druk op de instroom in de Wsw, waardoor lange wachtlijsten
kunnen ontstaan. Een
onafhankelijke indicatie is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de Wsw
optimaal beschikbaar blijft voor personen die uitsluitend op de Wsw zijn
aangewezen. Het onderhavige wetsvoorstel kan in de loop van 2004 worden
ingevoerd. Vanaf 2005 kunnen er, na overleg met alle betrokken partijen
en nadat nader onderzoek is verricht, naar verwachting verdere
wijzigingen van de Wsw plaatsvinden. De richting daarvan is in eerder
genoemde kabinetsreactie aangegeven. Het gaat daarbij onder andere om
(verdere) inhoudelijke afstemming met andere vormen van claimbeoordeling en indicatiestelling, het (verder) bevorderen
van het begeleid werken
in de Wsw en een mogelijke andere financieringssystematiek.
rblz.|3|
Wet sociale
werkvoorziening
Het doel en de doelgroep
van de Wsw blijven met dit wetsvoorstel ongewijzigd. Sinds 1 januari 1998
geldt de Wsw. Deze wet is bedoeld om mensen met een arbeidshandicap aan
een passende en volwaardige baan te helpen. De belangrijkste
doelstellingen van de Wsw zijn:
- het bieden van
aangepast werk aan personen die tot arbeid in staat zijn, maar in belangrijke
mate als gevolg van in de persoon gelegen factoren niet - of
voorlopig niet - in de gelegenheid zijn arbeid onder normale omstandigheden te
verkrijgen; en
- de arbeid onder
aangepaste omstandigheden moet daarbij echter zoveel mogelijk gericht
zijn op behoud dan wel het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid, mede
met het oog op het kunnen gaan verrichten van arbeid
onder normale omstandigheden.
Tot de doelgroep van de
Wsw behoren alle personen met een lichamelijke, verstandelijke of
psychische handicap die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kunnen
werken. Door middel van een indicatiestelling wordt bepaald wie wel of
niet tot de doelgroep behoort.
Voorgeschiedenis
Het vraagstuk van de
verdeling van verantwoordelijkheden en het vraagstuk van onafhankelijkheid bij
de indicatie voor de sociale werkvoorziening hebben een lange
geschiedenis.
Reeds in 1991 gaf de
Adviescommissie Werkloosheidsvoorziening van de Sociaal-Economische Raad
aan dat het principe van een onafhankelijke besluitvorming met het
oog op een objectieve beslissing van wezenlijk belang is. Destijds is
besloten niet tussentijds tot een aanpassing van de regelgeving over te gaan,
omdat de Commissie verdeeld was over de bestuurlijke vormgeving.
Het vraagstuk werd echter opnieuw opgepakt in de kabinetsnotitie "Stroomlijning van gesubsidieerde
arbeid" (Kamerstukken II 1994-1995, 24 347, nr.
2, blz. 8). Deze notitie werd geschreven in aansluiting op de analyse
van de commissie-Houben van de gemeentelijke taken op het terrein van
de sociale werkvoorziening. Deze commissie wees erop dat het niet
voor de hand ligt de verantwoordelijkheid voor de vaststelling wie tot de
doelgroep van de sociale werkvoorziening behoort bij de gemeente
te laten.
De gemeente moet immers voortdurend de afweging maken tussen de randvoorwaarden uit een oogpunt van
bedrijfsvoering en
overwegingen van rechtvaardigheid ten aanzien van de doelgroep. In het
daaropvolgende voorstel van wet (Kamerstukken II 1995-1996, 24 787, nrs. 1-3)
voor de nieuwe Wsw werd ervan uitgegaan dat de
beslissingsbevoegdheid over de indicatie van de Wsw zou worden neergelegd bij de
directeur van een daartoe in te stellen centrale dienst van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hiermee werd aangesloten bij het
advies van de commissie-Houben, met de intentie belangenverstrengeling
bij de indicering te voorkomen. Wel had het toenmalige kabinet de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de instelling
van een gemeentelijke
adviescommissie in tact gelaten.
Tijdens de schriftelijke
behandeling van het voorstel van wet in de Tweede Kamer bleek echter
onvoldoende draagvlak voor de gekozen systematiek en werd het toenmalige
kabinet verzocht naar wegen te zoeken om de indicatiestelling, binnen
randvoorwaarden van kwaliteit en objectiviteit, op het niveau van de gemeenten te laten. Hierbij was een overweging dat een
beslissingsbevoegdheid op centraal niveau risico’s in zich draagt op het gebied van toename
van complexiteit en bureaucratie. Het toenmalige kabinet heeft vervolgens
in een nota van wijziging (Kamerstukken II 1995-1996, 24 787, nr. 8) een
model uitgewerkt waarin de gemeente een indicatiecommissie
instelt die advies uitbrengt aan het gemeentebestuur. rblz.|4|
Het advies van de commissie is voor het gemeentebestuur zwaarwegend.
Op basis van dit advies
geeft de gemeente vervolgens het indicatiebesluit af. Dit model was ook
naar voren gekomen in het advies van de Raad van State over de nieuwe
Wsw (Kamerstukken II 1995-1996, 24 787, B, blz. 9). In navolging van het eerdere
advies van de commissie-Houben is de borging van onafhankelijkheid en
kwaliteit van de indicatiestelling daarbij sterker aangezet dan in de oude
situatie. Bij algemene maatregel van bestuur zijn kwaliteitsvoorschriften
opgesteld om de onafhankelijkheid te waarborgen. Het toenmalige kabinet
meende dat daarmee voldoende waarborgen waren ingebouwd dat een
gedegen (normconform) en controleerbaar oordeel van onafhankelijke deskundigen bepalend zou zijn bij de indicatiestelling.
Het risico van
belangenverstrengeling was daarmee, zo oordeelde het toenmalige
kabinet, zo goed als ondervangen.
Enige jaren na de
invoering van de Wsw bleek echter uit verschillende onderzoeken dat de
veronderstelling van het toenmalige kabinet dat de onafhankelijkheid van de
indicatie Wsw voldoende zou zijn gewaarborgd, niet strookte met de
realiteit. Uit een deelonderzoek naar de evaluatie van de Wsw (aan de Tweede
Kamer aangeboden bij brief d.d. 7 september 2001 SOZA-01-762) bleek
dat het commissieoordeel formeel onafhankelijk is, maar dat er zich
situaties voordoen die deze onafhankelijkheid aantasten. Voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van functionarissen
van socialewerkvoorzieningsbedrijven (SW-bedrijven) in de commissies, interne of externe
deskundigen die zich niet beperken tot feitelijke bevindingen, de invloed
van de
casemanager van het SW-bedrijf en het niet letterlijk voorleggen van
het advies aan de gemeente. In het IBO-rapport "Aan de slag"
(Kamerstukken II 2001-2002, 27 914, nr. 1) [IBO: interdepartementaal
beleidsonderzoek, red.] werd geadviseerd de indicatiestelling
Wsw
onder te brengen bij de CWI. Ook de Algemene Rekenkamer constateerde
in het jaar 2001 in het onderzoek naar de sociale werkvoorziening
dat de onafhankelijke indicatie in de praktijk wordt beïnvloed door de
SW-bedrijven, doordat zij intensief betrokken zijn bij de voorbereiding van
het indicatieadvies (Kamerstukken II 2001-2002, 28 130, nr. 2). De
Algemene Rekenkamer adviseerde de aanmelding en indicatiestelling onder
te brengen bij de CWI. De onafhankelijkheid zou hier beter mee
gewaarborgd zijn en een sluitende aanpak zou meer kans krijgen.
Het toenmalige kabinet
gaf op 22 januari 2002 aan positief te staan tegenover het advies van de
Algemene Rekenkamer, niet alleen vanwege de beoogde
onafhankelijkheid, maar ook vanwege de mogelijkheid tot afstemming met andere
vormen van indicatiestelling en een sluitende aanpak (Kamerstukken II
2001-2002, 28 130, nr. 3). Daarop volgde op 7 februari 2002 het reeds
genoemde algemeen overleg met de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2001-2002, 28 130, nr. 4) waarbij de toenmalige minister toezegde
voorbereidingen te treffen om de verantwoordelijkheid voor indicatiestelling
Wsw volledig over te brengen naar de CWI. Deze toezegging is bij brief
d.d. 15 maart 2002 (kenmerk ABG/GA/02/16 514) van de toenmalige Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog schriftelijk bevestigd. In maart 2002
heeft de RWI in zijn beleidskader ook geadviseerd om de indicatiestelling
Wsw te positioneren bij de CWI.
Het huidige kabinet is
voornemens de overdracht in de loop van het jaar 2004 te laten
plaatsvinden. Daarmee kan een zorgvuldige overgang van de indicatiestelling van de
gemeenten naar de CWI worden gerealiseerd.
Overwegingen
In het standpunt naar
aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer over de Wsw
(Kamerstukken
II 2001-2002, 28 130, nr. 3) heeft het toenmalige kabinet
aangegeven vier doelen te willen bereiken met de rblz.|5|
overdracht van de
indicatiestelling Wsw naar de CWI. Het huidige kabinet onderschrijft deze
doelen, te weten:
- de onafhankelijkheid
van de uitvoering;
- het stroomlijnen met
andere vormen van indicatiestelling voor arbeidsmarktmaatregelen;
- een sluitende aanpak
van reïntegratie; en
- landelijke eenheid in
de uitvoering.
Deze overwegingen worden
hieronder nader toegelicht.
Het eerste doel dat wordt
nagestreefd, is onafhankelijkheid van de uitvoering van de Wsw. De onafhankelijkheid en objectiviteit van het indicatieproces
worden beter gewaarborgd
door een duidelijke scheiding aan te brengen tussen de
verantwoordelijkheid voor de toelating tot de doelgroep van de Wsw (door de
CWI)
enerzijds en de zorgplicht voor het aanbieden van
arbeidsplaatsen aan personen met een Wsw-indicatie (door de gemeenten)
anderzijds. Overwegingen vanuit de gemeentelijke uitvoering van de bijstand en overwegingen van bedrijfseconomische
aard vanuit de uitvoering
door SW-bedrijven mogen geen invloed hebben op de beslissing wie wel
en wie niet wordt toegelaten tot de doelgroep van de Wsw. De CWI is de
meest aangewezen onafhankelijke derde. De CWI heeft immers een
belangrijke rol in de dienstverleningsketen van werk en inkomen, maar
functioneert buiten de invloedssfeer van gemeenten en SW-bedrijven.
Aanmelden bij de CWI voor de indicatiestelling Wsw past bij het
takenpakket van de CWI. Dat takenpakket omvat onder andere het
registreren van werkzoekenden en het geven van een reïntegratieadvies
vanuit de kennis van de arbeidsmarkt en de mogelijkheden van de werkzoekende.
Zowel de VNG als de
RWI pleiten ervoor de indicatiestelling ook materieel onafhankelijk te maken
van de uitvoering door SW-bedrijven. Dit zal gebeuren doordat de CWI
ook de voorbereiding, namelijk de intake en het verzamelen van
informatie, ter hand zal nemen. Ook zal in lagere regelgeving de rol van extern
ingehuurde experts of testfaciliteiten die verbonden zijn aan een SW-bedrijf
worden teruggedrongen.
Het tweede doel dat het
kabinet - op termijn - beoogt, is de stroomlijning van indicatiestellingen.
In het IBO-rapport "Aan de slag" (Kamerstukken II 2000-2001, 27 914,
nr. 1)
en in de op basis daarvan geformuleerde voorstellen voor een vernieuwd
reïntegratiebeleid werd reeds aanbevolen om het aantal
indicatiestellingen voor arbeidsmarktinstrumenten en subsidies te stroomlijnen en
zodoende meer eenheid en samenhang te krijgen. Om de stroomlijning te
bewerkstelligen, moeten verschillende indicatiestellingen bij de CWI
worden
ondergebracht. Een eerste stap in dit proces is de onderbrenging van
de Wsw-indicatie bij de CWI. In eerste instantie kan de indicatiestelling
ingepast worden in de huidige werkprocessen en methode van de CWI rond het
tot stand komen van het reïntegratieadvies.
Met betrekking tot de
afstemming met de indicatiestelling AWBZ (ondersteunende en activerende
begeleiding) zijn bij de totstandkoming van de Wsw destijds afspraken gemaakt met het
ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport. Er moet
immers worden voorkomen dat personen die "te slecht" worden
bevonden voor de Wsw en "te goed" voor de AWBZ (ondersteunende en activerende begeleiding), waardoor deze mensen
tussen "de wal en het schip" geraken. Met het oog hierop zal er vanuit het
ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op worden toegezien
dat procesafspraken
tussen de CWI en de Regionale Indicatieorganen (RIO’s) sluitend worden
vormgegeven. In dit kader zullen tussen de CWI en de RIO’s onder
andere goede afspraken moeten worden gemaakt over een zorgvuldige
dossieroverdracht in twee richtingen.
rblz.|6|
In
de toekomst kan nagegaan worden waar nadere inhoudelijke
afstemming met de methodiek van
toets in het kader van de Wet Rea en de (nieuwe) WAO-keuring
mogelijk is.
Het derde doel dat het
kabinet hoopt te bereiken met het onderbrengen van de indicatiestelling Wsw
bij de CWI is een meer sluitende aanpak bij de arbeidsinpassing van
arbeidsgehandicapten. Wanneer na indicatiestelling blijkt dat de
werkzoekende "te goed" bevonden is voor de Wsw, kan de CWI de werkzoekende
zelf en, indien sprake is van een uitkering, de uitkeringsinstantie
adviseren over een meer geschikt reïntegratietraject. Wanneer blijkt dat de
kandidaat "te slecht" bevonden is voor de Wsw, kan de CWI zorg
dragen
voor een zorgvuldige overdracht naar de indicatie voor ondersteunende en
activerende begeleiding in de AWBZ. Waar mogelijk zal daarbij
dubbele dossiervorming worden voorkomen.
Het vierde doel, namelijk
landelijke eenheid brengen in de uitvoering van de indicatiestelling, zal
bevorderd worden door centrale aansturing vanuit de Raad van bestuur van
de CWI. De centrale aansturing is goed te combineren met decentrale feitelijke
uitvoering van de indicatiestelling door regionale CWI-vestigingen.
Nieuwe situatie
In de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (de Wet SUWI) wordt de nieuwe
taak voor de CWI opgenomen. Opgenomen wordt dat de CWI ten behoeve
van de uitvoering van de Wsw door burgemeester en wethouders van de
gemeenten zorg draagt voor de indicatie en herindicatie van
ingezetenen. Dat houdt in dat kandidaten voor de Wsw zich (nadat zij zich als
werkzoekende hebben laten registreren) in het vervolg aanmelden bij de
CWI voor de Wsw-indicatie. De CWI verricht vervolgens onderzoek en
neemt een besluit over de indicatie Wsw. Dit is een wijziging ten
opzichte van de huidige situatie waarin burgemeester en wethouders van de
gemeente, na het verkregen advies van de indicatiecommissie, het besluit nemen. Het
besluit van de CWI heeft conform de huidige situatie
betrekking op het wel of niet behoren tot de doelgroep van de Wsw en de
handicapcategorie (welke bepalend is voor de hoogte van de subsidie).
Daarnaast bepaalt de CWI de geldigheidsduur van de indicatie. De CWI is
hierbij gebonden aan een minimale en maximale geldigheidsduur. Tegen
het besluit van de CWI staan de reguliere mogelijkheden van bezwaar en beroep
open. Naast het hiervoor genoemde besluit adviseert de CWI
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die
betrokkene uiteindelijk een dienstbetrekking aanbiedt, over welke aanpassingen
nodig zijn bij het verrichten van arbeid door betrokkene en het al of
niet in aanmerking komen voor begeleid werken door betrokkene.
Dergelijke adviezen worden thans door de gemeentelijke indicatiecommissie
afgegeven. Nieuw is dat geregeld wordt dat de CWI direct een
reïntegratieadvies afgeeft ten aanzien van personen die niet of niet meer tot de
doelgroep van de Wsw behoren, omdat zij "te goed" zijn bevonden. In de thans
bestaande situatie moet de gemeente of het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] dit nog apart bij de CWI
aanvragen na het gemeentelijke besluit dat betrokkene niet of niet
meer tot de doelgroep van de Wsw behoort. Dit is niet alleen een extra
schakel, maar daarmee gaat ook kostbare tijd verloren. Net als bij
reguliere reïntegratieadviezen wordt met dit wetsvoorstel
geregeld dat in het hier
bedoelde geval van de opvattingen van de betrokkene melding
wordt gemaakt in het advies. De CWI, de werkzoekende zelf en, conform de
verantwoordelijkheidsverdeling voor doelgroepen in de Wet SUWI, de
gemeente of het UWV adviseren over een alternatief. Het advies
wordt afgegeven ten aanzien van personen die "te goed" worden bevonden
voor de Wsw. Indien gebleken is dat de kandidaat "te slecht" bevonden is
voor de Wsw, zullen de mogelijkheden van rblz.|7|
ondersteunende en
activerende begeleiding in het kader van de AWBZ bekeken worden. Bij een
herindicatie geldt het bovenstaande in principe onverkort.
Net als in de huidige
situatie blijft het de zorgplicht van de gemeente
om aan de Wsw-geïndiceerde
een arbeidsplaats en begeleiding aan te bieden. De gemeente blijft
verantwoordelijk voor het beheer van de wachtlijst en tijdige aanmelding voor
herindicatie. In de kabinetsreactie op het advies van de RWI
is aangegeven
dat de aanmelding voor de Wsw weliswaar vrijwillig is, maar - na een positieve indicatie
- niet vrijblijvend kan zijn. Dat betekent dat als een
persoon met een positieve Wsw-indicatie een door de gemeente
aangeboden passende Wsw-functie onder aangepaste omstandigheden weigert,
hij zijn indicatie in de toekomst kan verliezen. In dit wetsvoorstel wordt
deze discretionaire bevoegdheid aan het college van burgemeester en
wethouders gegeven (artikel I, onderdeel A en
C). Met deze wijziging wordt
verder beoogd te voorkomen dat personen met een geldige Wsw-indicatie
die tevens een uitkering ontvangen zich, met een beroep op de
Wsw-indicatie, zouden kunnen onttrekken aan (verdere) reïntegratieverplichtingen.
De wijze waarop door de
CWI organisatorisch gezien invulling wordt gegeven aan het proces
van indicatiestelling wordt niet in de wet voorgeschreven. De CWI kan hier als
zelfstandig bestuursorgaan - binnen de grenzen die de Wet
SUWI
daaraan stelt - zelf organisatorisch invulling aan geven. Voor de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gelden daarbij de normale in de
Wet SUWI opgenomen beïnvloedingsmogelijkheden (met name financiële
bepalingen, planning en verslaglegging). Uiteraard zal hier
zorgvuldig overleg tussen de CWI en de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan voorafgaan. Daarbij zullen ook ervaringen uit het
implementatieproces (zie verderop in de memorie van toelichting) worden
betrokken. Ook zal de CWI expertise op het terrein van de indicatiestelling
moeten verwerven. Deze is nu volop aanwezig bij de gemeenten. De CWI zal, in
overleg met gemeenten, deze expertise waar mogelijk onder eigen
verantwoordelijkheid inschakelen.
Om het overgangsproces en
de uitvoering in de eerste jaren na de overgang goed te laten verlopen,
wordt een aparte projectorganisatie binnen het CWI
in het leven
geroepen. Hierdoor wordt voorkomen dat de huidige taken van de CWI onder
druk komen te staan door de taken voor de Wsw-indicatie en
andersom. De CWI's hebben momenteel te maken met een sterke toename van
het aantal cliënten. Door de genoemde organisatiestructuur kan de overheveling van
de indicatie in deze situatie op een verantwoorde manier gebeuren. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur zullen regels
worden gesteld met name met het oog op de bescherming van de
positie van de geïndiceerde. De voor de Wsw te indiceren personen zullen
in een gelijkwaardige positie terechtkomen als thans is voorgeschreven.
De mogelijkheid voor
nadere regelgeving is opgenomen in artikel 11 van de
Wsw (artikel I,
onderdeel G) en artikel 21a van de
Wet SUWI (artikel II, onderdeel
B). Vertrekpunt
daarbij zijn de regels die thans zijn opgenomen in het Besluit indicatie
sociale werkvoorziening en de Regeling indicatie sociale
werkvoorziening.
Deze regels zullen in het licht van de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de CWI en de gemeente bij de indicatiestelling nader
worden bezien. Gelet op de uitgangspunten van het Actieplan vereenvoudiging
SZW-regelgeving zullen mogelijkheden van vereenvoudiging en
deregulering daarbij eveneens aan de orde zijn.
rblz.|8|
Vereenvoudiging
regelgeving
In het kader van
het
hiervoor reeds genoemde Actieplan vereenvoudiging SZW-regelgeving wordt de
in het Actieplan opgenomen SZW-regelgeving kritisch bezien op de
mogelijkheden van vereenvoudiging en deregulering. Een aantal in dit
wetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de Wsw zijn vanuit dat
uitgangspunt opgenomen. Zo zijn met betrekking tot kwaliteitszorg geen
bepalingen meer in de Wsw (of de Wet SUWI) opgenomen. Dergelijke regels bestaan
thans op basis van artikel 12, vijfde lid, van de
Wsw nog in de Regeling indicatie sociale
werkvoorziening. In de
nieuwe situatie is het de CWI die verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het indicatieproces.
Nadere regels daaromtrent worden ook in het kader van artikel
11, vijfde
lid, in het licht van het gegeven dat de CWI de enige uitvoerder van het
indicatieproces is, niet langer noodzakelijk geacht. Op die kwaliteit van het
indicatieproces als zodanig wordt overigens wel toezicht gehouden door de
Inspectie Werk en Inkomen.
In artikel 9, derde lid,
van de Wsw is thans nog een verplichte algemene maatregel van bestuur
("worden regels gesteld") opgenomen voor de subsidievaststelling en
de gevolgen voor de subsidieverlening voor de komende jaren. Deze
bepaling is niet consistent met andere SZW-wetten (onder andere de
Wet
inschakeling werkzoekenden) aangezien daarin steeds is gekozen voor
een facultatieve delegatie. Om te voorkomen dat niet zou kunnen worden
besloten genoemde algemene maatregel van bestuur in te trekken (en
bijvoorbeeld te vervangen door meer flexibele beleidsregels), is van
deze verplichte delegatie een facultatieve delegatie gemaakt.
Begeleid werken
Bij begeleid werken zijn
personen met een Wsw-indicatie werkzaam in dienst van een reguliere
werkgever en wordt begeleiding geboden door een
begeleidingsorganisatie. De reguliere werkgever ontvangt hiervoor subsidie van de
gemeente.
Uit het rapport "Evaluatie van begeleid
werken", in het kader van de evaluatie Wsw aan de
Tweede Kamer aangeboden (bij brief d.d. 7 september 2001, SOZA-01-762),
blijkt dat de mogelijkheid van begeleid werken door gemeenten/werkvoorzieningsbedrijven weliswaar wordt gezien als welkome aanvulling op de
plaatsingsmogelijkheden, maar dat de verplichting om daarvoor uitsluitend
een specifieke en als zodanig erkende begeleidingsorganisatie
in te moeten schakelen, een succesvolle inzet in de weg staat.
Met dit wetsvoorstel
wordt dit obstakel weggenomen. De eis dat begeleid werken alleen uitgevoerd
kan worden door specifieke begeleidingsorganisaties komt te vervallen. Dat
betekent dat ook andere organisaties, waaronder socialewerkvoorzieningsbedrijven in staat gesteld worden om inpassing in de arbeid
van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op de werkplek, te verzorgen
(artikel 7, eerste lid, onderdeel b). Hierdoor kan adequaat worden
ingesprongen op de gevarieerde vraag naar begeleiding. Door de versoepeling van
de organisatievorm kan de keuzevrijheid van de Wsw-geïndiceerde
die begeleid wil en kan werken nog beter tot zijn recht komen. Hierbij
moet wel rekening worden gehouden met het uitgangspunt bij de
aanbesteding van begeleid werken dat zoveel mogelijk wordt uitbesteed aan
private bedrijven. Aangezien socialewerkvoorzieningsbedrijven
moeten worden beschouwd als aan de gemeenten gelieerde bedrijven, is het van bijzonder belang dat de aanbesteding
van begeleid werken aan
deze bedrijven plaatsvindt onder dezelfde voorwaarden en
onder dezelfde kwaliteitseisen als bij private ondernemingen en met
inachtneming van Europese en nationale regelgeving ter zake.
Samen met de VNG
en CWI zullen afspraken gemaakt worden om begeleid
rblz.|9|
werken een meer
prominente en volwaardige plaats binnen de Wsw te geven en de realisatie
van het streven van 25% begeleid werken voor de nieuwe instroom in de
Wsw dichterbij te brengen. In dat kader worden ook de regels die thans gelden ten aanzien van de begeleidingsorganisatie
(opgenomen in het Besluit
arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening) op mogelijke
belemmeringen bezien.
Implementatietraject
De overdracht van de
indicatiestelling Wsw van de gemeenten naar de
CWI wordt ondersteund
door een intensief implementatietraject met als doel een goede
organisatorische inbedding in de staande organisatie van de CWI. De implementatie
van de indicatiestelling bij de CWI richt zich op het leveren van
instrumenten, het scheppen van voorwaarden en het bieden van faciliteiten
aan de CWI om het proces van indicatiestelling in de toekomstige dagelijkse
praktijk bij de CWI en de ketenpartners zo soepel mogelijk te laten
verlopen. Hierbij gaat het met name om uitvoeringstechnische
zaken, zoals de organisatorische inbedding in de staande organisatie van
de CWI en de procesmatige inbedding, waaronder de inrichting van
administratieve processen binnen de CWI, en tussen de CWI en
gemeenten en de CWI en het UWV. Ook zaken als het overhevelen dan wel het
ontwikkelen van geautomatiseerde programma’s voor intake en verdere
digitale dossiervorming zijn hierin begrepen.
Voordat
overheveling plaatsvindt, voert een aantal CWI's in overleg met gemeenten pilots uit. In
deze pilots wordt proefgedraaid met de nieuwe wijze van
indicatiestelling. Op basis van evaluatie van deze pilots wordt de indicatiestelling
geïmplementeerd.
Financiële paragraaf
Dit voorstel van wet
leidt niet structureel tot extra kosten. De uitvoeringskosten van de huidige
indicatiestelling worden door gemeenten gefinancierd vanuit de algemene
Wsw-subsidie. Met de overheveling van de indicatiestelling naar de
CWI zal binnen het begrotingsartikel Wsw (artikel
4) het budget dat nodig
is voor de uitvoering van indicatiestelling worden overgeheveld naar de CWI.
Het over te hevelen budget voor 2004 is gerelateerd aan de datum van
inwerkingtreding. In de jaren daarna maken de uitvoeringskosten
structureel deel uit van de CWI-begroting. Aan het genoemde
implementatietraject zijn wel incidenteel kosten verbonden die de soepele overgang
moeten bewerkstelligen. In de SZW-begroting 2003 is daarvoor reeds een
bedrag gereserveerd. In overleg met de VNG zal in verband met een soepele
overgang van de indicatiestelling van gemeenten naar de CWI
worden bezien welke subsidie voor de indicatiestelling van de Wsw nog aan de
gemeente wordt verleend en welke aan de CWI. Daarbij wordt
betrokken dat de afhandeling van de op het moment van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog lopende procedures door de gemeenten zal
geschieden (artikel III).
Bedrijfsbezoeken
werktijdverkorting
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om met het onderhavige wetsvoorstel aan de
CWI
nog een andere
beperkte nieuwe taak te geven. Het gaat hier om het
uitvoeren van bedrijfsbezoeken in het kader van een verzoek om ontheffing van
het verbod op werktijdverkorting. Het geraamde
capaciteitsbeslag voor deze taak is maximaal 2 à 3 fte. Gemiddeld worden er
- behoudens
een calamiteit - ongeveer 400 bedrijfsbezoeken per jaar afgelegd. Deze
taak zal door specifiek daartoe opgeleide functionarissen worden
verricht. Eén en ander zal dan ook geen invloed hebben op de uitvoering
van de reguliere taken van de CWI. Aangezien de taken van de CWI
limitatief in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
rblz.|10|
en enige
materiewetten zijn neergelegd, moet deze beperkte nieuwe taak van
de CWI van een adequate wettelijke basis worden voorzien. Het
hiervoor starten van een afzonderlijk wetgevingstraject werd niet opportuun
geacht. Vandaar dat ervoor gekozen is deze beperkte taakuitbreiding
van de CWI mee te laten lopen met de taakuitbreiding van de CWI in het
onderhavige wetsvoorstel (artikel II, onderdeel A).
In artikel 8 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) is een verbod
neergelegd voor de werkgever om eenzijdig de arbeidstijd van
werknemers op minder dan de afgesproken arbeidsduur te stellen. Op grond van
artikel 8, derde lid, van het BBA kan de
minister in bepaalde omstandigheden
(met een abnormaal bedrijfsrisico) ontheffing van het verbod verlenen.
Deze bevoegdheid is gemandateerd aan de Arbeidsinspectie. De
Arbeidsinspectie onderzoekt thans, alvorens een beslissing te nemen op
het verzoek van de werkgever, op grond van een bedrijfsbezoek of terecht
een beroep wordt gedaan op het BBA. De uitvoeringstaken van de
Arbeidsinspectie worden op dit moment ontvlecht van de
inspectietaken. In dit kader past het niet langer de Arbeidsinspectie genoemde
bedrijfsbezoeken te laten uitvoeren. De CWI is de meest aangewezen
instantie deze beperkte uitvoeringstaak van de Arbeidsinspectie over te
nemen.
Het proces van de
verzoeken om werktijdverkorting valt in twee delen uiteen:
- de controle door
middel van bedrijfsbezoeken van de gegrondheid van aanvragen van werkgevers
om toepassing van de werktijdverkorting;
- de besluitvorming
door middel van het al dan niet verlenen van de ontheffing.
De minister blijft ook in
het nieuwe stelsel verantwoordelijk voor de uiteindelijke besluitvorming. Het
onderzoek dat met betrekking tot de aanvragen
werktijdverkorting bij de bedrijven moet worden uitgevoerd, betreft een onderzoek of
voldaan wordt aan de criteria die gelden voor het verlenen van een
vergunning tot verkort werken. Het gaat om de reden van terugloop van de
bedrijvigheid, de omvang van deze terugloop en de verwachte duur van de
terugloop van de bedrijvigheid. De minister blijft bepalen wanneer en in
welke mate bedrijfsbezoeken plaatsvinden.
Het betreft een uit te
besteden onderzoeksmatige activiteit. De bevindingen van een bedrijfsbezoek
moeten worden opgenomen in een rapport, op basis waarvan
de minister uiteindelijk beslist. Het gaat hier dus om een
onderzoeksrapportage en nadrukkelijk niet om een advies of een oordeel/beslissing
van de CWI.
Het verrichten van deze
nieuwe taak door de CWI is voor commentaar met betrekking tot de
uitvoerbaarheid voorgelegd aan de CWI. De CWI stelt in zijn uitvoeringstechnisch
commentaar vast dat de CWI bereid en in staat is om het gewenste
onderzoek dat met betrekking tot aanvragen voor werktijdverkorting bij de
bedrijven moet worden uitgevoerd te verrichten, aldus te toetsen of
voldaan wordt aan de criteria die voor vergunningverlening zijn gesteld en hierover
aan de minister te rapporteren. Echte risico’s ziet de CWI vooralsnog niet in de uitvoering van deze onderzoeksactiviteiten.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A
In
artikel 2 van de Wsw
is expliciet opgenomen dat de indicatie- of herindicatiebeschikking
wordt afgegeven door de CWI (onder 1). De taak van de CWI in dit kader
wordt nader geregeld in de Wet SUWI (artikel II, onderdeel
A).
Het vierde lid vervalt
als onderdeel van artikel 2. Genoemd lid is, met een
rblz.|11|
wat bredere strekking
(uitgebreid met begeleid werken), verplaatst naar artikel 10 van de
Wsw.
Zie hieromtrent artikel I, onderdeel F. Op de plaats van het oorspronkelijke
vierde lid is een discretionaire bevoegdheid van het college van
burgemeester en wethouders opgenomen een indicatie- of herindicatiebeschikking
in te trekken als een persoon die tot de doelgroep van de Wsw
behoort een
aanbod tot een passende dienstbetrekking onder aangepaste omstandigheden in het kader van de Wsw weigert
(onder 2). Tegen een
dergelijke beslissing van het college van burgemeester en wethouders staan de
normale bezwaar- en beroepsprocedures open. Door de minister zal in het kader van het toezicht op de uitvoering
van de Wsw door gemeenten
de zorgvuldige toepassing van deze bevoegdheid door
gemeenten worden bewaakt.
Artikel I, onderdeel B
De wijzigingen in dit
artikel hangen samen met het vervallen van de commissie bij de gemeenten. Bij de voorgenomen opzegging van een dienstbetrekking door de
gemeente is in het vervolg een advies van de CWI
nodig. De CWI is bij
uitstek geschikt om deze taak uit te voeren. Bij de CWI zit ook de
ontslagtaak bij reguliere arbeidsovereenkomsten. In het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening is bepaald dat bij de voorgenomen opzegging van een
dienstbetrekking de in artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 gestelde regels met betrekking
tot de toestemmingen
worden betrokken.
Artikel I, onderdeel C
Onder 1 is de
organisatievorm van de begeleidingsorganisatie in het kader van de Wsw
versoepeld. Tot heden is als subsidievoorwaarde voorgeschreven dat de werkgever de
inpassing en begeleiding laat verzorgen door personen die
verbonden zijn aan een (aparte) rechtspersoon die tot doel heeft dergelijke
inpassing en begeleiding te verrichten. Door thans voor te schrijven dat de
inpassing in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn
werkplek, adequaat wordt verzorgd, wordt meer ruimte geboden aan
instanties die dit kunnen bieden, maar dit niet expliciet als
doelstelling hebben geformuleerd. Hiertoe behoren in het algemeen ook
SW-bedrijven.
De inpassing en begeleiding moeten adequaat worden verzorgd.
Thans zijn op basis van het tweede lid van artikel 7 regels gesteld
waaraan begeleidingsorganisaties moeten voldoen. Deze regels
blijven van toepassing. Wel zullen in het kader van het Actieplan
vereenvoudiging SZW-regelgeving (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 24)
ook deze regels kritisch op mogelijkheden van vereenvoudiging worden
bezien. De op grond van het tweede (thans derde) lid bij algemene
maatregel van bestuur vast te stellen regels zijn onderworpen aan een
zogeheten voorhangprocedure bij het parlement. Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt de voorhangprocedure vorm te geven conform de
voorkeursvariant van de Aanwijzingen voor de
regelgeving. Dit heeft tot gevolg dat
het parlement een dergelijke algemene maatregel van bestuur in het
vervolg kan beoordelen voordat de voordracht wordt gedaan. Na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal over het dan lopende jaar in het kader
van het toezicht uitsluitend aan de nieuwe vereisten worden
getoetst. Ook het weigeren van een passende arbeidsplaats begeleid werken kan,
evenals het weigeren van een passende Wsw-dienstbetrekking,
leiden tot het intrekken van de indicatie- of herindicatiebeschikking
(zie artikel I, onderdeel A).
Artikel I, onderdeel D
Nu de indicatie en de
herindicatie niet langer door de gemeenten plaatsvindt, maar door de
CWI, kan de
subsidie die voor dat doel aan de rblz.|12|
gemeenten werd verstrekt,
vervallen (onder 1). Onder 2 is in het kader van de zogeheten
voorhangprocedure bij het parlement weer gekozen voor de standaardbepaling van de
Aanwijzingen voor de
regelgeving.
Artikel I, onderdeel E
Hiermee is tot nog toe
aan de minister de discretionaire bevoegdheid
gegeven om
subsidieoverschotten tengevolge van efficiency terug te vorderen indien deze
niet tijdig zijn besteed aan de uitvoering van de Wsw
of van de Wet
inschakeling werkzoekenden. Met het schrappen van deze
terugvorderingmogelijkheid mogen gemeenten subsidieoverschotten
tengevolge van
efficiency in het vervolg vrij bestemmen en besteden. Het ligt
overigens wel voor de hand dat gemeenten dergelijke overschotten in het kader
van de Wsw zullen blijven bestemmen en besteden. Vele gemeenten
dragen immers vanuit de eigen middelen al bij in de uitvoering van de
Wsw. Het betekent een bestuurlijke lastenverlichting (vereenvoudiging) voor
gemeenten, met name in de verantwoording richting het Rijk. De
andere in artikel 9, eerste lid, van de Wsw
opgenomen terugvorderingmogelijkheden blijven onverkort in stand.
Hiertoe behoort onder
andere de terugvordering als gevolg van de onderrealisatie van de taakstelling in
het kader van de Wsw. Na inwerkingtreding van deze wet zal over
lopende subsidiejaren geen gebruik meer worden gemaakt van de in
artikel 9, eerste lid, onderdeel d, aan de minister gegeven
discretionaire bevoegdheid om de subsidie op genoemde grond lager vast
te stellen. De wijziging van artikel I, onderdeel E, onder 2, is in het
algemeen deel van de memorie van toelichting onder de kop "Vereenvoudiging
regelgeving" reeds toegelicht.
Artikel I, onderdeel F
Dit artikellid was
voorheen opgenomen als vierde lid van artikel 2. Er is tot heden geen aanleiding
geweest aan deze bepaling uitvoering te geven. Het artikellid had
als onderdeel van artikel 2 alleen betrekking op dienstbetrekkingen in de
zin van de Wsw. Gekozen is het artikellid ook van toepassing te laten zijn
bij begeleid werken. Ook bij begeleid werken moet het mogelijk zijn
(desgewenst in combinatie en afgestemd met dienstbetrekkingen) nadere regels te stellen
over de volgorde van aanbieding van arbeid. Doordat het artikel een bredere strekking heeft gekregen, kon het
niet langer in artikel 2
worden opgenomen. Om die reden is genoemd artikellid thans
opgenomen als tweede lid van artikel 10.
Artikel I, onderdeel G
Artikel 11 van de
Wsw is
opnieuw opgezet nu de CWI beslist over de indicatie (eerste lid) en
herindicatie (tweede lid) van personen die zich voor de Wsw
aanmelden. Een
aanvraag tot indicatie wordt door of namens betrokkene ingediend bij de CWI.
Deze procedure is verder geregeld in het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening. De CWI beslist of personen die
zich voor de Wsw
aanmelden, behoren tot de doelgroep en beslist over de indeling van die personen
en één van de arbeidshandicapcategorieën. Daarnaast beslist de CWI
over de geldigheidsduur van de (her)indicatie (zie artikel II,
onderdeel B). De beschikkingen van de CWI zijn bindend voor de gemeenten. De
regels van de Algemene wet bestuursrecht zijn op genoemde besluiten van
toepassing. Bezwaarschriften worden behandeld door de CWI. De voorheen
in artikel 11, eerste lid, onderdeel c en
d, van de Wsw opgenomen taken
van gemeenten zijn, in iets aangepaste vorm, overgegaan naar de CWI
(zie artikel II, onderdeel B). De CWI adviseert het college van burgemeester
en wethouders van de gemeenten waar betrokkene woonachtig is over de in
genoemde onderdelen aangegeven terreinen. In het derde
lid zijn personen die begeleid werken, toegevoegd rblz.|13|
in de omschrijving van
personen die ingeschreven staan bij de CWI. Door een omissie destijds bij
de totstandkoming van de Wsw was deze groep niet expliciet in de wet
opgenomen. In de praktijk zijn deze mensen nu al ingeschreven bij de CWI.
In het vijfde lid is thans ook de CWI opgenomen als instantie waaromtrent
regels kunnen worden gesteld. In het zesde lid ten slotte is met
betrekking tot de voorhangprocedure bij het parlement weer de voorkeursvariant
van de Aanwijzingen voor de
regelgeving gevolgd.
Artikel
I, onderdeel H
Nu er geen gemeentelijke
commissie meer is, kan artikel 12 vervallen. Dit geldt ook voor de regels
betreffende de kwaliteitszorg van de gemeentelijke commissies. Een deel van
wat voorheen in artikel 12 van de Wsw
was geregeld, is thans
opgenomen in artikel 21a van de Wet
SUWI (artikel I [artikel II, red.], onderdeel
B).
Artikel I,
onderdeel
I, J en K
In deze artikelen is
telkens "de commissie" uit de opsomming gehaald en is de CWI
toegevoegd. In
onderdeel K is nu dwingend voorgeschreven dat bij de
gegevensuitwisseling gebruik wordt gemaakt van het sociaal-fiscaal nummer.
Artikel II, onderdeel A
en D
Het nieuwe onderdeel
h
van artikel 21 regelt dat aan de opsomming van taken van de
CWI een
nieuwe taak (afleggen van bedrijfsbezoeken in het kader van
werktijdverkorting) wordt toegevoegd. Daarmee wordt aan het verrichten van deze taak
door de CWI de vereiste wettelijke grondslag gegeven. Deze taak zal in
de Centra voor werk en inkomen worden uitgevoerd.
Artikel II, onderdeel B
In dit artikel is de
nieuwe wettelijke taak van de CWI in het kader van de
Wsw neergelegd. Het
artikel regelt dat de CWI zorg draagt voor de indicatie en herindicatie in het
kader van de Wsw. De CWI bepaalt zelf op welke wijze zij
organisatorisch gezien invulling geeft aan deze wettelijke verplichting. Uiteraard
zal dit in goed overleg tussen de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de CWI plaatsvinden. Voorts gelden de normale in de Wet
SUWI
opgenomen beïnvloedingsmogelijkheden van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (met name financiële
bepalingen, planning en
verslaglegging). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere
regels gesteld over het besluit, waaronder de geldigheidsduur van
het besluit, de advisering en de wijze waarop de indicatie en
herindicatie tot stand komt. Deze regels zijn al opgenomen in het Besluit
indicatie sociale werkvoorziening. Aan de rechten en plichten van
betrokkenen zal in het kader van de overgang van de indicatiestelling van
de gemeenten naar de CWI niet worden getornd. Tot de taak van de CWI
behoort op grond van het tweede lid ook hetgeen thans is opgenomen in
artikel 11, eerste lid, onderdeel c en d, van de Wsw. In tegenstelling tot
wat de indicatiecommissie nu doet, zal de CWI geen advies geven over
het scholingstraject van de cliënt (onderdeel e van genoemd
artikel). Er
wordt een strikte scheiding aangehouden tussen de indicatie en een
persoonlijk ontwikkelplan van de cliënt, dat een onderdeel vormt van de uitvoering
van de Wsw door gemeenten als werkgever. Ook in het kader van
deregulering past het niet de CWI een advies te laten geven over het scholingstraject. De adviestaak in het kader van een voorgenomen
ontslag (artikel 6, derde
lid, van de Wsw) komt eveneens bij de rblz.|14|
CWI. Aan het tweede lid
is als nieuw element toegevoegd dat de CWI adviseert over de inschakeling in het arbeidsproces van personen die niet
of niet meer tot de Wsw
worden toegelaten (reïntegratieadvies) dan wel adviseert over de
mogelijkheden van ondersteunende en activerende begeleiding. Daarbij is
wat de formulering van het reïntegratieadvies betreft, aangesloten bij
artikel 25, tweede lid, van de Wet SUWI.
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden regels gesteld over het besluit,
waaronder de minimale en de maximale geldigheidsduur van het besluit.
Uitgangspunt hierbij is een flexibele indicatiestelling. Binnen de gegeven
termijnen zal de CWI de geldigheidsduur van de (her)indicatie bepalen. Hierdoor is meer maatwerk mogelijk. De minimale
geldigheidsduur zal op twee jaar worden gesteld, de maximale op vijf jaar. Verder zal er ruimte voor
de CWI worden gecreëerd om ten aanzien van personen die een zeer
stabiele arbeidshandicap hebben de geldigheidsduur van de (her)indicatie op
een dubbele termijn vast te stellen.
Artikel II, onderdeel C
Ook bij de taak die de
CWI uitvoert in het kader van de Wsw
is de non-discriminatiecode [zie Non-discriminatiecode
CWI, red.] van
toepassing.
Artikel II, onderdeel D
Door
artikel 21a aan
artikel 24 van de Wet SUWI toe te voegen, wordt bewerkstelligd dat de
CWI de taak in het kader van de Wsw
in vestigingen uitvoert. Op grond van
het tweede lid van artikel 24 van de Wet
SUWI kan genoemde organisatie (met
goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid)
beslissen de taak in het kader van de Wsw in een beperkt aantal
vestigingen uit te voeren.
Artikel II, onderdeel E
Deze bepaling is
noodzakelijk om te voorkomen dat de taak die aan de CWI
in het kader van de
uitvoering van de Wsw aan haar is opgedragen via het
Inlichtingenbureau moet lopen.
Artikel III en
IV
Met deze artikelen wordt
de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet aangepast.
Tegen besluiten gebaseerd op de Wsw en de Wet
SUWI is uiteindelijk
hoger beroep mogelijk bij de Centrale Raad van
Beroep. Voor de Wsw geldt
daarbij het zogenoemde lage griffierecht (bijlage
C, onder 10) en
voor de Wet SUWI een hoger griffierecht (bijlage
C, onder 33). Met dit
wetsvoorstel wordt niet beoogd een hoger griffierecht in te voeren voor
personen die tegen besluiten omtrent indicatie en herindicatie in het kader
van de toetreding tot de Wsw opkomen. Bedacht moet worden dat het bij
de Wsw in het algemeen gaat om een weinig draagkrachtige doelgroep.
Nu de indicatie en herindicatie niet langer in de Wsw, maar in de Wet SUWI
is geregeld, zou dit - zonder de in dit artikel opgenomen wijzigingen van
de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet - onbedoelde
genoemd neveneffect hebben gehad.
Artikel V
Er is voor gekozen om bij
inwerkingtreding van deze wet lopende zaken nog door de gemeentelijke commissies respectievelijk het gemeentebestuur
af te laten handelen
(indicaties, herindicaties en voorgenomen ontslagzaken). De
gemeentelijke commissies blijven voor dit doel in stand. In deze zaken blijft
het
gemeentebestuur ook bevoegd te beslissen. Dit geldt tot dertien weken
na de inwerkingtreding van deze wet. Zaken die rblz.|15|
dan nog aanhangig zijn
bij het gemeentebestuur of de gemeentelijke commissie gaan over naar
de CWI in de stand waarin zij zich dan bevinden. Dit geldt ook
voor lopende bezwaarschriften. Daarbij lopen nog resterende bezwaartermijn
gewoon door.
Artikel VII
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Dat zal voor de uitvoering van de indicatiestelling zijn op het moment waarop
de CWI en de gemeenten voldoende voorbereidingen hebben getroffen om een
zo geruisloos mogelijke overgang van de indicatiestelling van
de gemeenten naar de CWI mogelijk te maken. De verwachting is dat de wet
in de loop van 2004 in werking kan treden.
De definitieve datum
waarop de wet in werking kan treden, zal mede afhangen van de
ervaringen met de eerder genoemde pilots. Het laten uitvoeren van
bedrijfsbezoeken in het kader van werktijdverkorting door de CWI
zal waarschijnlijk
met ingang van 1 januari 2005 plaatsvinden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|
|