|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 249
Wijziging
van de Werkloosheidswet en de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de
vervanging van fictief arbeidsverleden door feitelijk arbeidsverleden en
de beperking van het verzorgingsforfait
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
|
xInleiding
|
| 1 |
Uitbreiding feitelijk
arbeidsverleden |
| 1.1 |
Inleiding |
| 1.2 |
Opbouw feitelijk
arbeidsverleden |
| 1.3 |
De
arbeidsverledenregistratie |
| 1.4 |
Uitbreiding
feitelijk arbeidsverleden in de WW |
| 1.5 |
Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel |
| 1.6 |
Financiële gevolgen |
| 2 |
Wijziging
verzorgingsforfait |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Vereenvoudiging
criterium verzorgingsforfait |
| 2.3 |
Financiële gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I en II |
Algemeen
Inleiding
De Werkloosheidswet (WW)
is een risicoverzekering waarin enige opbouwelementen zijn
opgenomen. De duur van de uitkering wordt grotendeels bepaald door
de leeftijd van de werknemer. De regering acht het wenselijk om, nu dit
technisch mogelijk is, een sterkere relatie te leggen tussen gewerkte
perioden dan wel verzekeringsduur en uitkeringsduur. Daartoe wordt een
regeling voorgesteld waarmee het feitelijke arbeidsverleden in de WW
geleidelijk een grotere rol gaat spelen bij de bepaling van de duur van
de uitkering. Verder wordt voorgesteld het verzorgingsforfait bij de
opbouw van feitelijk arbeidsverleden te beperken en meer in
overeenstemming te brengen met de ontwikkelingen op het gebied van de arbeidsparticipatie van vrouwen.
1. Uitbreiding feitelijk
arbeidsverleden
1.1. Inleiding
De relatie tussen
verzekeringsduur en uitkeringsduur wordt (grotendeels) afgeleid uit de leeftijd
van de werknemer. Het feitelijke arbeidsverleden van een werknemer speelt
in de WW uitsluitend een rol voor zover het de laatste
vijf kalenderjaren
betreft. Voor het overige is de leeftijd van de werknemer bepalend voor de duur van
de loondervinguitkering. Het leeftijdscriterium, als benadering van
verzekeringsduur, is uit praktische overwegingen gekozen. Al ten tijde van
de stelselherziening in 1987 is voor de WW aangegeven dat,
wanneer dit technisch mogelijk is, een directere relatie tussen
uitkeringsduur en verzekeringsduur moet worden gelegd. Bij de invoering van het
leeftijdscriterium in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met de
Wet terugdringing beroep op arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Wet TBA), hebben diverse fracties het toenmalige kabinet
verzocht het leeftijdscriterium te vervangen door feitelijk
arbeidsverleden. Het kabinet heeft destijds aangegeven van oordeel te zijn dat op
het moment dat in de administraties van de uitvoeringsorganen het
arbeidsverleden van verzekerden goed te onderscheiden is via de
verzekerdenadministratie (VZA), een overgang dient te rblz.|2|
worden gemaakt
naar een opbouwsysteem voor zowel de WW als de WAO.¹ Dit standpunt is
nog steeds actueel. De regering acht het wenselijk dat de duur van de
loongerelateerde uitkering afhankelijk wordt van de duur van het
arbeidsverleden van de werknemer. Nu het mogelijk is het arbeidsverleden
van werknemers goed te registreren, kan een directere relatie worden
gelegd tussen de betaalde premie c.q. verzekeringsduur en de duur van de
uitkering. In dit voorstel is een regeling opgenomen voor uitbreiding
van het feitelijke arbeidsverleden in de WW. Invoering van feitelijk
arbeidsverleden in de WAO is afhankelijk van het voor de nieuwe WAO
gekozen uitkeringstraject. Bij de besluitvorming hierover zal dit
onderwerp dan ook worden betrokken.
1. Kamerstukken II 1992-1993, 22 824.
1.2. Opbouw feitelijk
arbeidsverleden
De regeling voor
de opbouw van feitelijk arbeidsverleden in de WW
ziet er als volgt uit.
Allereerst wordt arbeidsverleden opgebouwd door
het ontvangen van loon. Indien in een kalenderjaar over 52 of meer dagen
loon is ontvangen, telt dit jaar mee als feitelijk arbeidsverleden.
Vervolgens is geregeld dat bepaalde andere tijdvakken worden
gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. Het gaat hierbij om
tijdvakken waarin de werknemer recht heeft op een uitkering op grond van
de WAO, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil) of
een reïntegratie-uitkering als bedoeld in artikel 23 van de
Wet op de
(re)integratie gehandicapten (Wet Rea) berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%. Ook dagen waarover de
werknemer een uitkering op grond van de Ziektewet, een uitkering op
grond van de Wet arbeid en zorg wegens zwangerschap en bevalling of
adoptieverlof of een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de
WW (faillissementsuitkering) ontvangt, zijn gelijkgesteld aan het ontvangen
van loon. Tijdvakken waarin de werknemer loon heeft ontvangen uit een
overheidsdienstbetrekking - in de periode voordat overheidswerknemers
verzekerd waren voor de WW - worden eveneens gelijkgesteld.
De regeling voorziet er verder in dat kalenderjaren gedurende welke de
werknemer verhinderd was om in dienstbetrekking werkzaam te zijn vanwege
de verzorging van kleine kinderen meetellen voor het feitelijke
arbeidsverleden (verzorgingsforfait).
Ten slotte worden dagen waarop de werknemer onbetaald verlof heeft
genoten tot een maximum van achttien maanden van de totale verlofperiode
gelijkgesteld met loondagen. Onder onbetaald verlof wordt verstaan: een
tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de
arbeidstijd overeengekomen verlof waarin de werknemer geen arbeid
jegens de werkgever verricht.
1.3. De
arbeidsverledenregistratie
Uitbreiding van feitelijk arbeidsverleden dient gekoppeld te zijn aan
een goede registratie van dienstverbanden in de VZA en, in de toekomst,
in de polisadministratie. Invoering van de polisadministratie is
voorzien in het voorstel van Wet administratieve lastenverlichting en
vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Walvis) dat bij de Tweede
Kamer is ingediend.¹
Voor de vaststelling van het feitelijke
arbeidsverleden van werknemers wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) de registratie in de VZA als uitgangspunt
genomen. Aan werknemers is jaarlijks een statusoverzicht verstrekt
waarop het geregistreerde arbeidsverleden is aangegeven. Indien een
werknemer het niet eens is met de in de VZA opgenomen gegevens, kan hij
natuurlijk op andere wijze aantonen rblz.|3|
in een bepaalde periode
wel over feitelijk arbeidsverleden te beschikken. Allerlei bescheiden
kunnen hiertoe dienen, zoals bijvoorbeeld loonstrookjes,
pensioenoverzichten, arbeidscontracten, etc. Zolang de beoordeling van
feitelijk arbeidsverleden beperkt is tot de laatste vijf kalenderjaren,
voldoet deze systematiek. Bij een systematiek die uiteindelijk leidt
tot een opbouw van feitelijk arbeidsverleden over 40 jaar kan echter op
den duur een eventueel niet-kloppende registratie betrekking hebben op
kalenderjaren in een verder verwijderd verleden. Naarmate de tijd
verstrijkt, wordt het leveren van bewijs door de werknemer steeds
moeilijker, zo niet onmogelijk, aangezien bronbestanden, zoals de
administratie van werkgevers, door schoning niet meer beschikbaar zijn.
Mocht de werknemer erin slagen om met nieuwe informatie te komen, dan
kan het UWV om dezelfde reden de juistheid daarvan niet meer goed
verifiëren.
1. Kamerstukken II 2001-2002, 28 219.
Daarnaast bevat het statusoverzicht niet alle gegevens die mede
bepalend zijn voor de opbouw van het arbeidsverleden. Zo bevat het
overzicht bijvoorbeeld niet het genieten van een Rea-
of Wamil-uitkering
of het verzekerd zijn op grond van de vrijwillige verzekering. Het
statusoverzicht bevat logischerwijs ook geen gegevens die aan het UWV
niet bekend zijn, zoals bijvoorbeeld de dagen waarover een werknemer
vakantiebonnen heeft verkregen of in het buitenland vervulde
verzekeringstijdvakken. Voorts ontbeert het statusoverzicht een
juridische status, omdat het geen besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht is.
In het uitvoeringstechnisch commentaar heeft het UWV, naar aanleiding
van de geschetste problemen en onvolkomenheden, voorgesteld een
arbeidsverledenbeschikking te introduceren. Met deze beschikking wordt
per periode van vijf jaar het arbeidsverleden van de werknemer vastgesteld.
De werknemer ontvangt een beschikking waarin per kalenderjaar is
aangegeven of het jaar meetelt als feitelijk arbeidsverleden. Indien een
kalenderjaar niet meetelt, wordt aangegeven welke gegevens over dat jaar
geregistreerd zijn. De werknemer wordt dan in de gelegenheid gesteld om
alle omstandigheden die niet geregistreerd zijn, maar wel relevant zijn
voor de opbouw van arbeidsverleden, te melden. Fouten en onvolledigheden
in de registraties kunnen op die manier ondervangen worden. De werknemer
kan tegen de arbeidsverledenbeschikking bezwaar- en beroep instellen. De
procedure wordt dan gevoerd op een moment dat alle bronbestanden nog
beschikbaar zijn. Beide partijen kunnen in beginsel niet meer op deze
beschikking terugkomen als hij in kracht van gewijsde is gegaan. Zowel
het UWV als de werknemer wordt op deze manier de gewenste zekerheid geboden.
Fouten en onvolledigheden in de registraties kunnen op die manier
ondervangen worden, ook over de jaren 1998 tot heden.
Gezien het belang dat de
arbeidsverledenbeschikking krijgt, is het UWV voornemens om
arbeidsverledenbeschikkingen welke jaren bevatten die niet meetellen
voor de arbeidsverledenopbouw te voorzien van uitgebreid
voorlichtingsmateriaal voor de werknemer. Daarin zal met name aandacht
worden gegeven aan gegevens die niet of met een lagere
betrouwbaarheidsgraad geregistreerd zijn. Om de werknemer te faciliteren
en de drempel tot het instellen van bezwaar zo laag mogelijk te houden,
overweegt het UWV tevens een concept-bezwaarschrift bij te voegen.
De regering onderschrijft de voordelen die een
arbeidsverledenbeschikking biedt. In het voorstel is dan ook een
regeling voor de verstrekking van deze beschikkingen opgenomen.
Het ligt niet in de verwachting dat de introductie van de
arbeidsverledenbeschikking zal leiden tot een relevante toename van het
aantal procedures en daarmee tot een verzwaring van de belasting van de
rechterlijke macht. Deze beschikkingen zullen immers hoofdzakelijk een
bevestiging rblz.|4|
zijn van gegevens die tussen de verzekerde en het UWV
vaststaan en die verder geen aanleiding tot discussie vormen. In de
huidige situatie wordt naar aanleiding van de respons op het statusoverzicht in de
meeste gevallen overeenstemming bereikt (ofwel informatie van betrokkene
wordt overgenomen, ofwel betrokkene legt zich neer bij het oordeel van
het UWV). De
gevallen waarin een geschilpunt overblijft, zien veelal op de vraag of
al dan niet verzekerde arbeid is verricht. Daarbij wordt, op verzoek van
de belanghebbende, een beschikking over de verzekeringsplicht uitgereikt
en volgt dus al een bezwaar- en/of beroepsprocedure. Verder moet nu het
verzorgingsforfait vastgesteld worden aan de hand van informatie van de
betrokkene. Doordat in ditzelfde wetsvoorstel (zie hiervoor
hoofdstuk 2)
het criterium voor het voldoen aan het verzorgingsforfait gelijk wordt
gesteld met het recht hebben op kinderbijslag (en het UWV gegevens
hierover van de Sociale verzekeringsbank (SVB) krijgt), zal het aantal
geschillen hieromtrent juist dalen. Daarnaast zal veel informatie het
UWV tussentijds blijven bereiken door de respons van de verzekerde op
het (bij de Walvis geregelde) verzekerdenbericht dat
(half)jaarlijks zal
worden verstrekt. De verwachting is dat de meeste resterende
onduidelijkheden over het arbeidsverleden juist bij uitstek in de
bezwaarfase zullen worden opgehelderd. Informatie waaruit blijkt dat in
een bepaald jaar arbeidsverleden is opgebouwd, kan door de verzekerde in
de bezwaarprocedure aan het UWV worden overhandigd. Ten slotte zullen
zich met betrekking tot het arbeidsverleden minder procedures voordoen
bij de uitkeringsaanvraag. Dit alles maakt dat er naar verwachting
slechts een gering aantal extra beroepszaken en derhalve een geringe
extra belasting voor de rechterlijke macht zal zijn. De Raad voor de Rechtspraak onderschrijft dit oordeel.
1.4. Uitbreiding
feitelijk arbeidsverleden in de WW
1.4.1. Startpunt uitbreiding feitelijk
arbeidsverleden
Op grond van de huidige bepalingen in de WW dient de werknemer, bij
werkloosheid in het jaar 2003, arbeidsverleden vanaf 1998 te kunnen
aantonen. Werknemers hebben er dus nu al belang bij de geregistreerde
gegevens vanaf 1998 te controleren en zo nodig aan te vullen. Er is
overwogen om voor de uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden te
starten in een eerder kalenderjaar. Om een aantal redenen is hiervan
afgezien. De eerder geschetste onvolkomenheden in de registraties zijn,
zowel voor de werknemers als het UWV, moeilijker te repareren
naarmate
verder teruggegaan moet worden in het verleden. Daarnaast beschikt de
voormalige uitvoeringsinstelling voor de overheid (verder
UWV/USZO) pas
sinds 1 januari 1998 over een conform de VZA-voorschriften ingerichte
VZA, die gevuld is met de toen bekende arbeidsverhoudingen vanaf 1993.
Over de periode tot 1 januari 1998 - toen op het overheidspersoneel
als eerste werknemersverzekering de WAO
van toepassing werd - is in de
VZA van UWV/USZO de dienstverbandregistratie echter niet volledig. Zo
ontbreken over 1997 bijvoorbeeld van 5 à 600 000 overheidswerknemers de
dienstverbanden, terwijl van een even grote groep niet kan worden
vastgesteld of aan het 52-loondagencriterium wordt voldaan. Voor de
beoordeling van feitelijk arbeidsverleden in individuele gevallen worden
nu de ontbrekende gegevens uitgevraagd bij de werkgever. Dit is echter
geen optie indien het feitelijke arbeidsverleden van alle
overheidswerknemers over een bepaald kalenderjaar moet worden
vastgesteld. De onvolledigheid van de dienstverbandregistratie van UWV/USZO is van dien aard en betreft een zo grote groep werknemers dat
het UWV voorstelt de opbouw van het arbeidsverleden vanaf 1998 te laten
ingaan.
Op grond van dit alles heeft de regering
gemeend de uitbreiding van de periode waarover het feitelijke
arbeidsverleden wordt berekend gestalte te geven vanaf 1998. Het
vastleggen van het feitelijke arbeidsverleden in
rblz.|5|
arbeidsverledenbeschikkingen, waar het UWV naar verwachting in 2006 mee
zal beginnen, zal dan ook starten met de jaren vanaf 1998.
1.4.2. Gevolgen uitbreiding feitelijk
arbeidsverleden
De duur van de loongerelateerde WW-uitkering is afhankelijk van de duur
van het arbeidsverleden van de werknemer. Het arbeidsverleden bestaat
uit een combinatie van recent feitelijk arbeidsverleden en fictief
arbeidsverleden.
Het feitelijke arbeidsverleden wordt berekend over de vijf kalenderjaren
direct voorafgaand aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is
gelegen. Het fictief arbeidsverleden beslaat het aantal kalenderjaren
vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e
verjaardag bereikte tot de periode waarover het feitelijke
arbeidsverleden wordt berekend. Feitelijk en fictief arbeidsverleden
worden vervolgens samengeteld. De duur van de loongerelateerde uitkering
ligt tussen de zes maanden (bij een arbeidsverleden van vier jaar of minder)
en vijf jaar (bij een arbeidsverleden van 40 jaar).
Aangezien het feitelijke arbeidsverleden slechts berekend wordt over de
laatste vijf kalenderjaren wordt de duur van de loongerelateerde uitkering
met name bepaald door de leeftijd van de werknemer. Berekening van het
feitelijke arbeidsverleden vanaf 1998 betekent dat de periode waarover
het feitelijke arbeidsverleden wordt berekend geleidelijk wordt
uitgebreid. Na inwerkingtreding van dit voorstel zal bij werkloosheid in
het jaar 2004 het feitelijke arbeidsverleden berekend worden over zes jaar
(1998 tot en met 2003), in 2005 over zeven jaar, etc. Dit voorstel brengt
geen wijziging in de arbeidsverledeneis (de 4-uit-5-eis). Met
uitzondering van de wijziging die wordt voorgesteld voor het
verzorgingsforfait (zie hoofdstuk 2), blijft de wijze waarop feitelijk
arbeidsverleden kan worden opgebouwd ongewijzigd.
Uitbreiding van de periode waarover feitelijk arbeidsverleden wordt
berekend, betekent dat jaren die nu als fictief arbeidsverleden zonder
meer meetellen bij de bepaling van de duur van het arbeidsverleden na de
wijziging alleen meetellen indien in die jaren feitelijk arbeidsverleden
is opgebouwd. Werknemers die in die verlengde periode geen of niet alle
jaren feitelijk arbeidsverleden hebben opgebouwd, hebben een korter
(totaal) arbeidsverleden dan in de huidige situatie. Dit kan betekenen
dat ze recht krijgen op een kortere loongerelateerde uitkering. Alleen
de werknemers die er niet in slagen uit te stromen in de
loongerelateerde fase ondervinden echter ook feitelijk nadeel. Met name
jongere werknemers kunnen recht krijgen op een langere loongerelateerde
uitkering, namelijk indien zij gewerkt hebben voorafgaand aan het
kalenderjaar waarin zij hun 18e verjaardag bereikten.
1.5. Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel
1.5.1. Inleiding
Het
wetsvoorstel, dat destijds betrekking had op zowel de WW
als de WAO,
is in juli 2000 voor commentaar met betrekking tot de uitvoerbaarheid
voorgelegd aan het voormalige Landelijk instituut sociale verzekeringen
(verder Lisv) en voor de toezichtbaarheid aan het voormalige College van
toezicht sociale verzekeringen (verder Ctsv). In het onderstaande wordt
gereageerd op dit commentaar voor zover dit betrekking heeft op de WW en
niet inmiddels door het verloop van de tijd is achterhaald. Daarnaast is
het huidige wetsvoorstel (waarin destijds tevens het voorstel tot
beperking van de vervolguitkering in de WW was opgenomen) rblz.|6|
voor
commentaar voorgelegd aan het UWV en de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI).
1.5.2. Commentaar Lisv en UWV
In de paragrafen 1.3 en 1.4 is uitgebreid ingegaan op het
uitvoeringstechnisch commentaar van het UWV. Vanwege de onvolkomenheden
in de bestaande registraties stelt het UWV voor om de uitbreiding van
feitelijk arbeidsverleden te starten in 1998 en een
arbeidsverledenbeschikking in te voeren waarmee het feitelijke
arbeidsverleden van werknemers per periode van vijf jaar kan worden
vastgesteld.
Zoals eerder aangegeven zijn deze voorstellen van het UWV
overgenomen.
Het Lisv heeft voorts een aantal opmerkingen gemaakt over de
territoriale aspecten van feitelijk arbeidsverleden. Het gaat hierbij om
de vraag in hoeverre perioden waarover arbeid in het buitenland is
verricht en buitenlandse verzorgingstijdvakken moeten worden
gelijkgesteld met Nederlandse tijdvakken van arbeid of verzorging.
Dezelfde vraag rijst ten aanzien van tijdvakken waarover een
buitenlandse uitkering is ontvangen.
De regering merkt hierover het volgende op. Verordening (EEG) nr.
1408/71 ¹ en de bilaterale coördinatieverdragen bevatten bepalingen
die voorschrijven of, en zo ja, hoe buitenlandse verzekeringstijdvakken
in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van WW-uitkeringen. Deze coördinatie-instrumenten bevatten geen bepalingen
die voorschrijven dat tijdvakken waarover in het buitenland arbeid is
verricht, of kinderen zijn verzorgd, moeten worden betrokken bij de
berekening van de uitkering indien deze tijdvakken volgens de nationale
wetgeving van het betreffende land niet tot verzekering hebben geleid.
Hetzelfde geldt voor tijdvakken waarover een buitenlandse uitkering is
genoten. Op grond van het beginsel van het vrije personenverkeer binnen
de Gemeenschap, zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-verdrag, moet
echter met deze tijdvakken wel rekening worden gehouden, ten minste voor
zover deze zijn vervuld op het grondgebied van een andere lidstaat van
de EU. Het niet honoreren van deze tijdvakken zou immers een belemmering
vormen voor de migratie van EU-werknemers naar Nederland.
1. Verordening van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de
toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149) zoals laatstelijk bijgewerkt
bij Verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van
Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op
hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van
Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van
toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (PbEG 1971, L 28).
Bij de toepassing van het huidige artikel 42
WW, dat een bepaling bevat
voor de berekening van de duur van de WW-uitkering, is dit standpunt
vaste uitvoeringspraktijk. Het UWV heeft inmiddels aangegeven op dit
punt geen problemen meer te verwachten.
1.5.3. Commentaar Ctsv en IWI
Het Ctsv en de IWI zijn van mening dat de doelstelling van
het
wetsvoorstel helder is en hebben vastgesteld dat het voorstel geen
aspecten bevat die een verandering betekenen voor zijn taakopdracht en
het bij de uitvoering daarvan noodzakelijke toezichtinstrumentarium.
1.6. Financiële gevolgen
Afhankelijk van
de vraag of er al dan niet voldaan is aan de jareneis (4 uit 5) heeft
een nieuwe WW-gerechtigde recht op een loongerelateerde of een
kortdurende uitkering. De afgelopen jaren blijkt ongeveer 75% van de
nieuwe WW-gerechtigden een loongerelateerde uitkering te ontvangen.
Uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden heeft alleen effect op de
duur van het uitkeringsrecht van deze groep. Het toenmalige Lisv
heeft
onderzocht wat het effect is van uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden
rblz.|7|
van vijf naar tien jaar. Op basis van dit onderzoek, met een extrapolatie naar uitbreiding
tot vijftien jaar feitelijk arbeidsverleden, kan geconcludeerd worden dat
uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden van vijf tot vijftien jaar bij
ongeveer 20% van de instroom in de loongerelateerde fase in een korter
uitkeringsrecht resulteert. Dit is 15% van de totale WW-instroom.
Uitgaande van een gemiddelde jaarlijkse WW-instroom van 450 000 personen
in de komende jaren zullen er in 2013, wanneer er vijftien jaar feitelijk
arbeidsverleden meetelt, 67 500 uitkeringsgerechtigden zijn met een
korter recht dan zonder uitbreiding. In de berekeningen is uitgegaan van
dit aantal en van een geleidelijk ingroeipad tot 2013.
Niet iedereen van wie het uitkeringsrecht wordt ingekort zal feitelijk
nadeel ondervinden van deze maatregel, omdat niet iedereen het volledig
recht op een loongerelateerde uitkering opmaakt. Uit het eerder genoemde
Lisv-onderzoek blijkt namelijk dat 24% de maximale duur van zijn
loongerelateerde uitkering bereikt. De meerderheid stroomt eerder uit,
voornamelijk wegens werkhervatting. Dit houdt in dat van de 67 500
uitkeringgerechtigden met een korter recht er 16 000 zijn die een
daadwerkelijke verkorting van de loongerelateerde uitkeringsduur zullen
ervaren. Bij ongeveer de helft van deze groep zal de uitkering
(bijvoorbeeld wegens werkhervatting) worden beëindigd in de
vervolgfase.¹ De verkorting van de loongerelateerde duur resulteert voor
deze groep in een langere duur van de vervolguitkering. De andere helft
doorloopt de volledige vervolguitkeringsduur en ervaart daarom per
saldo een verkorting van de gehele uitkeringsduur. De beperking van de
uitkeringsduur bij uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden van
vijf tot vijftien jaar kan variëren van minimaal drie maanden tot maximaal twee jaar.
Eveneens op basis van het Lisv-onderzoek blijkt de beperking van de duur
gemiddeld ongeveer een halfjaar te bedragen.
1. Het kabinet is
voornemens de vervolguitkering in de WW af te
schaffen. Een wetsvoorstel
met die strekking zal naar verwachting op korte termijn worden ingediend
[zie Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de
Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering
(Stb. 2003, 546), red.]. Mocht de vervolguitkering daadwerkelijk worden afgeschaft, dan
betekent dit feitelijk dat de WW-uitkeringsduur voor de volledige groep
bekort wordt.
De hiervoor besproken effecten van de maatregel resulteren in een
volumereductie WW die oploopt van 200 uitkeringsjaren in 2005 tot
4600
uitkeringsjaren in 2012. Overigens kan een kortere uitkeringsduur leiden
tot een grotere stimulans om werk te aanvaarden, waardoor de reductie in
uitkeringsjaren groter uit zou kunnen vallen. In de berekening is
afgezien van deze mogelijke gedragseffecten, aangezien de effecten
moeilijk te kwantificeren zijn en tevens sterk van de conjunctuur
afhangen.
De reductie in WW-uitkeringsjaren resulteert in een toename van
uitkeringsjaren bij de Algemene bijstandswet
(Abw).¹ Aangezien de Algemene bijstandswet een vermogens- en partnertoets kent, zal deze weglek een
kleinere omvang hebben dan de reductie in het WW-volume. Onderstaande
tabel geeft een overzicht van de verwachte volume-effecten van
uitbreiding van het feitelijke arbeidsverleden, tot 2012.
1. Vanaf 1 januari 2004 wordt de Algemene bijstandswet naar de huidige
inzichten vervangen door de Wet werk en bijstand.
rblz.|8|
Tabel 1. Effecten op
uitkeringsvolume WW, Abw
en saldo sociale zekerheid (volume x 1000 uitkeringsjaren):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
| Besparing
volume WW |
0,0 |
–0,2 |
–0,8 |
–1,5 |
–2,2 |
–2,9 |
–3,5 |
–4,1 |
–4,6 |
| Extra volume
Abw |
0,0 |
x0,1 |
x0,3 |
x0,5 |
x0,8 |
x1,0 |
x1,2 |
x1,4 |
x1,6 |
| Saldo besparing |
0,0 |
–0,1 |
–0,5 |
–1,0 |
–1,5 |
–1,9 |
–2,3 |
–2,7 |
–3,0 |
Deze reductie in het uitkeringsvolume, gecombineerd met het effect dat
van een aantal uitkeringsgerechtigden de loongerelateerde uitkering
eerder overgaat in een (lagere) vervolguitkering, levert totale
besparingen op die in tabel 2 worden gepresenteerd. Zowel de geraamde
besparingen op de WW-lasten als de geraamde weglekeffecten naar de
Abw
vertonen een groeipad.
Er kunnen extra uitvoeringskosten verwacht worden vanwege de invoering
van een arbeidsverledenbeschikking. Daarbij gaat het om eenmalige
invoeringskosten en om structurele uitvoeringskosten vanwege het afgeven
van de arbeidsverledenbeschikking en de voorziene bezwaarzaken.
Daarnaast zal een geringe reductie in uitvoeringskosten bij het
vaststellen van de uitkeringen optreden. In de berekeningen is hiervan
een indicatie gegeven gebaseerd op de uitvoeringstoets van het UWV.
Tabel 2. Financiële
gevolgen van verlenging feitelijk arbeidsverleden voor WW,
Abw en saldo
sociale zekerheid, 2004 tot en met 2012 (bedragen in
miljoen
euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
| Besparing
lasten WW |
0,0xr |
–3xr |
–11xr |
–21xr |
–32xr |
–42xr |
–51xr |
–59xr |
–67xr |
| Effect op
uitvoeringskosten |
1xr |
1xr |
0xr |
0xr |
0xr |
0xr |
0xr |
0xr |
0xr |
| Meerkosten
Abw |
0,0xr |
1xr |
3xr |
5xr |
8xr |
10xr |
12xr |
14xr |
16xr |
| Saldo besparing |
1xr |
–1xr |
–8xr |
–16xr |
–25xr |
–32xr |
–39xr |
–45xr |
–51xr |
2. Wijziging
verzorgingsforfait
2.1. Algemeen
Zoals in
paragraaf 1.2 is aangegeven, kan feitelijk arbeidsverleden worden
opgebouwd met het verzorgingsforfait. Op grond van het
verzorgingsforfait worden kalenderjaren waarin een persoon geen of
onvoldoende loondagen heeft toch meegeteld als feitelijk arbeidsverleden
indien hij een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd. Gaat
het hierbij om de verzorging van een kind dat bij aanvang van het
kalenderjaar de leeftijd van 6 jaar niet heeft bereikt, dan wordt het
kalenderjaar geheel meegeteld; is het kind bij aanvang van het
kalenderjaar tussen de 6 en de 12 jaar, dan wordt het kalenderjaar voor
de helft meegeteld.
Het verzorgingsforfait is, bij de introductie van feitelijk
arbeidsverleden in de WW in 1987, opgenomen om benadeling van vrouwen,
die meer dan mannen hun deelname aan het arbeidsproces onderbreken voor
de verzorging van kinderen, te voorkomen. Een verzorgingsperiode wordt
gezien als een tijdelijke onderbreking van de betaalde arbeid en op
grond daarvan betrokken bij de vaststelling van het arbeidsverleden. De
leeftijdsgrens van 12 jaar sloot destijds onder andere aan bij de in de
uitvoeringspraktijk van de bijstand veelal gebruikelijke leeftijdgrens
voor het vrijstellen van de sollicitatieplicht van (alleenstaande)
ouders.
Er is sinds de invoering van het verzorgingsforfait sprake van een sterk
toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen. Een rblz.|9|
steeds kleiner aantal vrouwen stopt volledig met werken na de geboorte
van hun kind(eren).¹ Een deel van de vrouwen die na de geboorte van hun
kind(eren) gestopt zijn met betaald werk keren terug op de
arbeidsmarkt. Dat gebeurt vooral als het jongste kind naar de
basisschool gaat.² Gezien deze ontwikkelingen is de leeftijdgrens van 12
jaar in het verzorgingsforfait hoog. Voorgesteld wordt om het
verzorgingsforfait te beperken tot verzorging van kinderen tot 5 jaar.
1. Vóór 1980 bleef maar
een kwart van de vrouwen werkzaam na de geboorte van een kind. Van de
werkende vrouwen die in de periode 1995 tot 1997 hun eerste kind kregen,
bleef ruim 70% werkzaam. SCP [Sociaal en Cultureel Planbureau, red.], Emancipatiemonitor 2002,
blz. 103.
2. Van de lageropgeleide vrouwen die stoppen met werken na de geboorte
van een kind gaan vier van de tien na verloop van tijd weer aan het
werk, van de middelbaar opgeleide geldt dat voor vijf van de tien, voor
de hoger opgeleide voor zes van de tien. SCP, Emancipatiemonitor 2002,
blz.
103 en 104.
De wijze waarop feitelijk arbeidsverleden wordt opgebouwd, belemmert
combinaties van arbeid en zorg niet; ook niet wanneer een groot
tijdsaandeel aan zorg wordt besteed. Omdat voor de opbouw van feitelijk
arbeidsverleden 52 loondagen per kalenderjaar volstaan (waarbij de
omvang van de arbeid per dag er niet toe doet), wordt ook door
deeltijdwerkers die gemiddeld op één dag per week enkele uren werken
arbeidsverleden opgebouwd.
2.2. Vereenvoudiging
criterium verzorgingsforfait
Onlangs heeft
het UWV een aantal voorstellen gedaan voor deregulering en
vereenvoudiging van wet- en regelgeving op het gebied van de sociale
verzekeringen. Eén van deze voorstellen betreft het verzorgingsforfait
in de WW. Het UWV geeft aan dat het verzorgingsforfait moeilijk
controleerbaar is en een tijdige vaststelling van de juiste
uitkeringshoogte in de weg staat. Het UWV stelt voor om het criterium
voor het verzorgingsforfait te vervangen door een criterium waarbij
aangesloten wordt op het recht hebben op kinderbijslag. Een dergelijk
criterium is, door gegevensuitwisseling met de SVB, eenvoudig
verifieerbaar en de gegevens kunnen opgenomen worden in de
polisadministratie. Gezien het belang dat de regering hecht aan
vereenvoudiging van regelgeving is het voorstel overgenomen. Hierbij
wordt geen wijziging van het materiële bereik van het criterium beoogd.
Het criterium is dan ook zodanig geformuleerd dat zoveel als mogelijk
aangesloten is bij de bestaande criteria voor het verzorgingsforfait
(behoudens natuurlijk de onder paragraaf 2.1 toegelichte wijziging van
de leeftijdsgrens). Vanuit het oogpunt van vereenvoudiging is tevens de
regeling geschrapt voor de aanwijzing van een verzorgende persoon indien
er in een gezamenlijke huishouding meerdere verzorgende personen zijn.
In een gezamenlijke huishouding zullen veelal beide partners recht op
kinderbijslag hebben. Indien het UWV zich in deze situatie steeds tot de
betreffende personen zou moeten wenden om één van beiden als
verzorgend persoon aan te laten wijzen, zou veel van de beoogde
vereenvoudiging verloren gaan. Daarbij zal het naar verwachting weinig
voorkomen dat in een bepaald kalenderjaar beide partners aan de overige
voorwaarden voor het verzorgingsforfait voldoen.
2.3. Financiële gevolgen
De voorgestelde
wijziging van het verzorgingsforfait leidt tot een besparing op de WW-lasten. Door de wijziging tellen de jaren waarin is gezorgd voor een
jongste kind tussen 5 en 12 jaar niet langer mee bij de bepaling van het
feitelijke arbeidsverleden. Uit een koppeling van gegevens van het
Woning Behoefte Onderzoek (WBO) en de WW-statistiek is af te leiden dat
eind 2001 binnen circa 20 000 WW-huishoudens sprake is van een jongste
kind met een leeftijd tussen 5 en 12 jaar. Dit is minder dan 10% van
alle huishoudens met een WW-uitkering.
Naar schatting zal slechts een zeer beperkt deel van de genoemde groep
huishoudens door de maatregel een onvoldoende groot arbeidsverleden
hebben om te voldoen aan de arbeidsverledeneis van de WW. Het effect is
van geringe omvang, aangezien slechts een beperkt deel van deze
uitkeringsgerechtigden voldoet aan de jareneis juist vanwege het
verzorgingsforfait, rblz.|10|
ook al omdat
veel WW-uitkeringsgerechtigden uit deze doelgroep al een zorgende
partner thuis hebben. Daarom is uitgegaan van een percentage van 10% van
de 20 000 WW-huishoudens met een jongste kind tussen de 5 en 12 jaar
waar de maatregel resulteert in het niet langer voldoen aan de
arbeidsverledeneis van vier gewerkte jaren in de afgelopen vijf jaar.
In
plaats van een loongerelateerde WW-uitkering (met een duur afhankelijk
van het arbeidsverleden) ontvangt deze groep in de nieuwe situatie een
kortdurende WW-uitkering op minimumniveau, met een duur van een
halfjaar. Per saldo resulteert daarom een besparing op de WW-lasten. Deze kent een groeipad en is opgenomen
in tabel 3.
Tabel 3. Financiële
gevolgen van wijziging verzorgingsforfait voor WW, vanaf 2004
(bedragen in miljoen
euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
Structureel |
| Besparing op
WW |
–1 |
–7 |
–8 |
–9 |
–10 |
De besparing op de WW-lasten loopt geleidelijk op van
€|1 miljoen in 2004
tot €|10 miljoen structureel. Naar verwachting heeft de maatregel
geen noemenswaardig effect op de uitvoeringskosten WW. Hetzelfde geldt
voor eventuele weglekeffecten naar de Algemene
bijstandswet, aangezien
het voornamelijk gaat om mensen met een werkende partner die vanwege de
partnertoets niet in aanmerking zullen komen voor een
bijstandsuitkering.
Artikelsgewijs
Artikel
I.
Wijziging
Werkloosheidswet
Onderdeel A
Het voorgestelde artikel 17b, tweede lid, van de
WW houdt in de eerste
plaats een wijziging in van het criterium op basis waarvan wordt
vastgesteld of door een persoon is voldaan aan het verzorgingsforfait.
Thans dient beoordeeld te worden of deze persoon een kind, dat tot zijn
huishouden behoort en een bepaalde leeftijd nog niet heeft bereikt,
heeft verzorgd. Voorgesteld wordt om dit criterium te wijzigen in het al
dan niet recht hebben op kinderbijslag voor dat tot zijn huishouden
behorende kind. Aan het ontvangen van kinderbijslag voor dat kind wordt
gelijkgesteld het ontvangen van een andere gezinsbijslag voor dat kind
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van Verordening (EG)
nr. 1408/71. In principe hebben alleen ingezetenen van Nederland recht
op kinderbijslag. Dit, in combinatie met het in het voorgestelde tweede
lid opgenomen vereiste dat het kind tot het huishouden behoort van de
rechthebbende op kinderbijslag, maakt de bepaling dat het tweede lid
geen toepassing vindt indien de verzorging uitsluitend of vrijwel
uitsluitend buiten Nederland plaatsvindt overbodig. Derhalve komt
onderdeel b van het huidige derde lid te vervallen. Dit heeft voorts tot
gevolg dat op grond van artikel 17b rekening gehouden dient te worden
met kinderen waarvoor recht bestaat op gezinsbijslag als bedoeld in de verordening en waarvan de verzorging op het grondgebied van een andere
lidstaat van de Europese Unie plaatsvindt. Het gedurende ten minste
één tijdvak recht hebben op kinderbijslag of andere gezinsbijslag in
een kalenderjaar is voldoende.
In de tweede plaats heeft het voorgestelde
artikellid een beperking van het verzorgingsforfait tot gevolg. Slechts
in verband met de verzorging van kinderen jonger dan 5 jaar kan
arbeidsverleden worden opgebouwd.
rblz.|11|
Onderdeel B
Door middel van invoering van het voorgestelde derde lid van artikel 42
van de WW wordt de invloed van het leeftijdscriterium in de
WW beperkt
en wordt de invloed van het feitelijke arbeidsverleden voor de
berekening van de duur van de loongerelateerde uitkering versterkt,
waardoor een directere relatie tussen uitkeringsduur en verzekeringsduur
ontstaat. De berekening van het feitelijke arbeidsverleden wordt
geleidelijk uitgebreid doordat het feitelijke arbeidsverleden ieder jaar
na inwerkingtreding van deze wet een groter deel van het arbeidsverleden
zal gaan uitmaken.
Terwijl in het derde lid de materiële bepalingen ten aanzien van de
berekening van het arbeidsverleden zijn opgenomen, wordt in het
voorgestelde vierde en vijfde lid van artikel 42 van de
WW een regeling
gegeven voor de wijze waarop wordt vastgesteld of arbeidsverleden is
opgebouwd. In het vierde lid is bepaald dat voor de berekening van het
arbeidsverleden alleen díe kalenderjaren in aanmerking worden genomen
die op grond van de arbeidsverledenbeschikking, bedoeld in het in
artikel II, onderdeel A, voorgestelde artikel
33a van de Wet SUWI, als
voor het arbeidsverleden relevante jaren zijn geconsolideerd. Omdat
daarnaast ook jaren die (nog) niet door de arbeidsverledenbeschikking
worden bestreken relevant kunnen zijn voor de opbouw van het
arbeidsverleden, is voor de werknemer in aanvulling daarop in het vijfde
lid de mogelijkheid opgenomen om aan te tonen dat in de niet-geconsolideerde jaren arbeidsverleden is opgebouwd. Overigens zal in die
situatie in praktijk voor de werknemer alleen de noodzaak bestaan om
zélf aan te tonen dat hij over deze jaren arbeidsverleden heeft
opgebouwd als dit niet reeds uit de verzekerdenadministratie van het UWV
blijkt. Verder is in het vijfde lid aangegeven dat artikel
17b van
overeenkomstige toepassing is. De overeenkomstige toepassing geldt
uiteraard voor de gehele periode waarover het feitelijke arbeidsverleden
wordt vastgesteld en blijft niet beperkt tot de periode van vijf jaar,
bedoeld in artikel 17, onderdeel b, onder
1º.
Onderdeel C
Deze wijziging beoogt geen inhoudelijke wijziging, maar is opgenomen ter
verduidelijking.
Onderdeel D
Dit onderdeel betreft het overgangsrecht. Het ziet erop dat al lopende
uitkeringen worden geëerbiedigd ten aanzien van de berekening van het
arbeidsverleden. De uitbreiding van de periode waarover het feitelijke
arbeidsverleden in de WW wordt berekend alsmede de beperking van het
verzorgingsforfait vinden, op grond van dit onderdeel, alleen plaats
wanneer een nieuw recht op uitkering ontstaat na inwerkingtreding van deze wet.
Artikel
II.
Wijziging Wet SUWI
Onderdeel A
Het voorgestelde artikel 33a, eerste lid, introduceert de
arbeidsverledenbeschikking, waarin over iedere periode van vijf jaar het
arbeidsverleden wordt geconsolideerd. De beschikking gaat in kracht van
gewijsde als daartegen geen bezwaar of beroep wordt ingesteld. Tussen
het UWV en de belanghebbende staat daarmee onomstotelijk vast in
hoeverre de belanghebbende in de betrokken periode arbeidsverleden heeft
opgebouwd. In verband met de ontvangst en verwerking van de relevante
gegevens alsmede de tijd die het UWV nodig heeft om de arbeidsverledenbeschikking
rblz.|12|
voor te bereiden, is bepaald dat die beschikking tot
uiterlijk achttien maanden na afloop van het tijdvak waarop de beschikking
betrekking heeft, mag worden gegeven. De arbeidsverledenbeschikking wordt
gegeven aan diegene die in dat tijdvak als verzekerde of als
uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 1, onderdeel
n, aanhef en onder 2º, van de Wet SUWI is opgenomen in de administratie, bedoeld in
artikel 33, eerste lid, van die wet. Tevens is op grond van het vierde
lid vereist dat van die persoon actuele adresgegevens in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bekend zijn. Gezien
het belang van het rechtsgevolg van de arbeidsverledenbeschikking wordt
de beschikking niet verzonden als dit niet het geval is. In dat geval
wordt de beschikking aangehouden en pas verzonden op het moment dat de
adresgegevens op grond van de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens bekend zijn.
Het is mogelijk dat bepaalde perioden in het geheel niet zullen worden
bestreken, ook in de toekomst niet, door de op grond van het eerste lid
van artikel 33a van de Wet
SUWI ambtshalve gegeven
arbeidsverledenbeschikking, maar dat in die periode wel relevant
arbeidsverleden is opgebouwd. Dat zal zich met name voordoen bij
personen die in een bepaalde periode niet in de VZA zijn opgenomen,
bijvoorbeeld omdat betrokkene langere tijd in het buitenland heeft
verbleven en daar verzekerde arbeid heeft verricht of omdat voor jonge
kinderen is gezorgd. Op grond van het tweede lid kan een belanghebbende
het UWV verzoeken over perioden waarover vaststaat dat ambtshalve geen
arbeidsverleden beschikking zal worden afgegeven toch een
arbeidsverledenbeschikking af te geven. Belanghebbende is op grond van
het voorgestelde artikel 83a de persoon op wiens aanspraken het besluit
betrekking heeft. Het is dan aan betrokkene om gegevens over te leggen
waaruit blijkt dat arbeidsverleden is opgebouwd.
In het derde lid is artikel
17b van de WW
van
overeenkomstige toepassing verklaard. De overeenkomstige toepassing
geldt uiteraard voor de gehele periode waarover het feitelijk
arbeidsverleden wordt vastgesteld en blijft niet beperkt tot de periode
van vijf jaar, bedoeld in artikel 17, onderdeel
b, onder 1º, van de WW.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
bijvoorbeeld de exacte inhoud en opzet van de
arbeidsverledenbeschikking.
Onderdeel B
De artikelen 83 tot en met 83b, die betrekking hebben op de
Algemene wet bestuursrecht, worden in een afzonderlijk hoofdstuk, luidende
"Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht", geplaatst.
Onderdeel C
In het voorgestelde artikel 83a wordt het begrip belanghebbende beperkt
tot de persoon op wiens aanspraken de arbeidsverledenbeschikking
betrekking heeft. De arbeidsverledenbeschikking heeft voor een werkgever
op het moment van uitreiking daarvan aan de werknemer nog geen
rechtsgevolg. Desondanks is in dit artikel, om iedere twijfel te
voorkomen, geregeld dat de werkgever niet als belanghebbende kan worden
aangemerkt bij de arbeidsverledenbeschikking. Pas op het moment dat een
werknemer een WW-uitkering krijgt toegekend, kan een werkgever,
bijvoorbeeld omdat op hem als overheidswerkgever de kosten van de
uitkering worden verhaald, belang hebben bij de juistheid van het
WW-besluit dat aan de werknemer wordt uitgereikt alsmede de daaraan ten
grondslag liggende vaststelling van het arbeidsverleden. Pas in dat
kader staat voor een belanghebbende werkgever een rechtsgang open.
rblz.|13|
Voor
de beslistermijn in de bezwaarprocedure wordt in het voorgestelde
artikel 83b aangesloten bij de beslistermijn die ook in de WW
wordt
gehanteerd.
Onderdeel D
Op grond van het voorgestelde overgangsrecht heeft het UWV
tot 1 januari
2012 de mogelijkheid om de in artikel 33a
van de Wet SUWI voorgestelde
termijn van achttien maanden, waarbinnen na afloop van ieder tijdvak van vijf
kalenderjaren een arbeidsverledenbeschikking moet worden afgegeven,
buiten beschouwing te laten. Tevens heeft het UWV gedurende deze periode
de bevoegdheid om de beschikking te geven over tijdvakken korter of
langer dan vijf jaar. Het UWV heeft aangegeven te willen beginnen met
het afgeven van arbeidsverledenbeschikkingen bij de invoering van de
polisadministratie in 2006 om zo een betere informatie aan verzekerden
te bereiken. Over de eerste periode van vijf jaar zou de termijn van
achttien maanden dan al zijn verstreken. Daarnaast heeft het UWV een termijn
nodig om spreiding onder de verzekerden te bereiken ten aanzien van de
aanvang van de vijfjaarstermijn. Eerst zal de beschikking over de eerste
periode van vijf jaar aan alle verzekerden moeten worden gegeven,
alvorens overgegaan kan worden tot spreiding. Daarom heeft het UWV in
onderdeel a van dit artikel eenmalig een extra termijn gekregen
waarbinnen deze grote hoeveelheid aan beschikkingen kan worden verwerkt.
Deze extra termijn is gekoppeld aan de termijn die in onderdeel b is
opgenomen, teneinde te bewerkstelligen dat vervolgens spreiding kan
ontstaan binnen de bestaande groep verzekerden ten aanzien van het
moment waarop de vijfjaarstermijn gaat lopen en dus ook ten aanzien van
het moment waarop de beschikkingen door het UWV moeten worden afgegeven.
Het UWV heeft op grond van dat onderdeel tot 1 januari 2012 de
mogelijkheid om ook over kortere of langere perioden beschikkingen af te
geven.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|