|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29 574.
Handelingen II 2004-2005, blz. 910-927, 1349-1351, 1658-1658.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 574 (A, B).
Handelingen I 2004-2005, blz. 507-508.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 23 december 2004, Stb.
2004, 717, tot vaststelling
van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet
werk en inkomen kunstenaars). Inwerkingtreding: 1 januari 2005 (Stb.
2004, 718), zie artikel 80.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving alsmede ter
bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening van de kunstenaar
gewenst is te komen tot een nieuwe Wet werk en inkomen kunstenaars;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
§ 1.1.
Begripsbepalingen
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders van een
gemeente
als bedoeld in artikel 23;
c. adviserende instelling: de instelling, bedoeld in
artikel 35;
d. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in
artikel 63 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
e. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of
bedrijf in een al dan niet gemengde beroepspraktijk ter uitoefening van
de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
f. gemengde beroepspraktijk: een beroepspraktijk waarin het inkomen wordt
verworven uit werkzaamheden die zijn gerelateerd aan een beroep of
bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste
kunst en uit werkzaamheden die niet zijn gerelateerd aan een dergelijk
beroep of bedrijf;
g. beroepskosten: de noodzakelijke kosten ter verwerving van het inkomen
als kunstenaar;
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Art. 2.
Gelijkstellingen
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld
met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders
dan door de dood of vermissing van één van de partners.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een
ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad
indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is
van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar
voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet of de
Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn
aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding
die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en
gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van
het vierde lid, onderdeel d.
Art. 3.
Alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de
ongehuwde kunstenaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en
geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede
graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake
is van zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de
ongehuwde kunstenaar die de volledige zorg heeft voor één of
meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding
voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste
graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van
de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
c. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn
echtgenoot tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn
echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande
ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland
woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind:
het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de
gehuwde aanspraak op kinderbijslag
kan maken.
§ 1.2. Middelen
Art. 4.
Middelen
-1. Tot de middelen worden
alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de
kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de
middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het
levensonderhoud van de kunstenaar of zijn gezin door een niet in de
uitkering begrepen persoon worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen
van de kunstenaar of zijn gezin worden gerekend:
a. de middelen die deze
ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de
uitkering begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen
ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. huursubsidie ontvangen
op grond van de Huursubsidiewet, of een bijzondere bijdrage in de
huurlasten ontvangen op grond van artikel 26b van die
wet;
d. een eigenwoningbijdrage
of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
e. elke vermindering of
teruggave van loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen;
f. vrije vergoedingen en
vrije verstrekkingen als bedoeld in hoofdstuk IIa van de Wet
op de loonbelasting 1964, voor zover deze meer bedragen dan de beroepskosten,
bedoeld in artikel 17;
g. inkomsten uit arbeid
van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen
werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;
h. rente ontvangen over op
grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c en d, niet in
aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
i. bij ministeriële
regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en
immateriële schade;
j. giften en andere dan de
in onderdeel i bedoelde vergoedingen voor materiële en
immateriële schade, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt
van de verlening van de uitkering verantwoord zijn.
Art. 5.
Inkomen
-1. Onder inkomen wordt
verstaan de op grond van artikel 4 in aanmerking genomen
middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit
of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit
verhuur, onderverhuur of het hebben van één of meer kostgangers,
socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van
Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen
overeenkomen; en
b. betrekking hebben op
het kalenderjaar waarover beroep op uitkering wordt gedaan.
-2. Middelen die het
karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar
het kalenderjaar waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter
hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in
aanmerking genomen naar het kalenderjaar waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt.
-3. Indien de echtgenoot
van de kunstenaar verkeert in een situatie als bedoeld in artikel
10,
wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van
de gehuwden tezamen, met inbegrip van de uitkering die zou worden
verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan het overeenkomstige bedrag,
bedoeld in artikel 8. Op
de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot is deze
paragraaf van overeenkomstige toepassing.
-4. In afwijking van het
derde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam
gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in
aanmerking genomen voor zover deze het overeenkomstige bedrag,
bedoeld in artikel 8, te boven gaat.
Art. 6.
Bijzonder
inkomen
-1. Indien inkomen in
natura in aanmerking wordt genomen, wordt de waarde daarvan
vastgesteld op het daarvoor door de kunstenaar of zijn gezin opgeofferde bedrag.
-2. Het inkomen uit
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking
genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud
waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor
levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die
wet, wordt gesteld op:
a. voor een thuisinwonende
studerende: €|271,06 per kalendermaand;
b. voor een uitwonende
studerende: €|486,94 per kalendermaand.
-3. De tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in
aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld
in artikel 4.3 van die
wet.
Art. 7.
Vermogen
-1. Onder vermogen wordt
verstaan:
a. de waarde van de
bezittingen waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of
redelijkerwijs kan beschikken bij aanvang van de uitkering, verminderd met de
aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de
waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden
ontvangen in de periode waarover uitkering is toegekend, voor zover deze
geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 5 of
6.
-2. Niet als vermogen wordt
in aanmerking genomen:
a. vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar;
b. bezittingen in natura
die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan
wel, gelet op de omstandigheden van de kunstenaar of zijn gezin,
noodzakelijk zijn;
c. het bij de aanvang van
de uitkering aanwezige vermogen, voor zover dit minder bedraagt dan
de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid;
d. spaargelden opgebouwd
tijdens de periode waarin uitkering wordt ontvangen;
e. het vermogen gebonden
in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
voor zover dit minder bedraagt dan €|42 000,00;
f. vergoedingen voor
immateriële schade als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
onderdeel i
en j.
-3. De in het tweede lid,
onderdeel c, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: €|4975,00;
b. voor een alleenstaande
ouder: €|9950,00;
c. voor de gehuwden
tezamen: €|9950,00.
-4. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de
periode waarover uitkering is toegekend en op middelen als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing
zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd
met het vermogen dat:
a. bij aanvang van de
uitkering niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid,
onderdeel c;
b. tijdens de uitkering
niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het tweede
lid, onderdeel a.
HOOFDSTUK
2
Het recht
op uitkering
§ 2.1. De voorwaarden
voor het recht op uitkering
Art. 8.
Voorwaarden
voor het recht op uitkering
De kunstenaar heeft recht
op uitkering indien hij, of voor zover van toepassing zijn gezin:
a. niet over in aanmerking
te nemen vermogen beschikt en het in aanmerking te nemen
inkomen per maand:
1º. van een alleenstaande
lager is dan €|1024,10;
2º. van een alleenstaande
ouder lager is dan €|1207,43;
3º. van gehuwden lager is
dan €|1349,13; en
b. gedurende een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen periode als kunstenaar
werkzaam is geweest volgens bij die algemene maatregel van bestuur te
bepalen voorwaarden en in die periode met die werkzaamheden een bij die
algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen heeft verworven; of
c. de aanvraag op grond
van deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden nadat hij met
goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette
opleiding op het gebied van de kunst of een voortgezette opleiding
bouwkunst als bedoeld in de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover deze opleiding gericht is op
de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee
vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij
ministeriële regeling aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
Art. 9.
Recht op
uitkering bij eigen woning
-1. De kunstenaar die
eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met
bijbehorend erf, of die woonachtig is in een woning met bijbehorend
erf waarvan zijn echtgenoot eigenaar is, heeft recht op uitkering voor
zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de
woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan
worden verlangd.
-2. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een
woonwagen of een woonschip.
Art. 10.
Uitsluitingsgronden
-1. Geen recht op uitkering
heeft de kunstenaar die:
a. buiten Nederland zijn
woonplaats heeft of die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die
per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland,
dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf
houdt buiten Nederland;
b. niet rechtmatig
verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en
l, van de Vreemdelingenwet
2000;
c. rechtens zijn vrijheid
ontnomen is;
d. de eerste dag van de
maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; ¹
e. onbetaald verlof geniet
als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet of die
gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen
daarvan het gevolg is, tenzij de kunstenaar alleenstaande ouder is en
hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
Wet arbeid en zorg.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende
vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met
e
en l, van de Vreemdelingenwet
2000, recht op uitkering hebben,
onverminderd de overige vereisten voor dat recht:
a. ter uitvoering van een
verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. indien zij, na
rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel
a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de
Vreemdelingenwet
2000.
-3. Het eerste lid,
onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b,
van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
-4. Het eerste lid,
onderdeel a, is niet van toepassing indien het verblijf buiten Nederland
noodzakelijk is in verband met de beroepsuitoefening, zo nodig gehoord de
adviserende instelling.
-5. De kunstenaar die op
grond van artikel 8, onderdeel b, geen recht heeft op uitkering, of
wiens uitkering op grond van artikel 11, eerste lid,
onderdeel b of
c, is
beëindigd, heeft niet eerder recht op uitkering dan nadat een periode van zes
kalendermaanden na het tijdstip van het besluit tot afwijzing, dan wel het
tijdstip van de beëindiging van uitkering, is verstreken.
1. Volgens de redactie
dient onderdeel d te luiden als volgt:
d. de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, met ingang van de eerste dag
van de maand waarin hij die leeftijd heeft bereikt;.
Art. 11.
Beëindigingsgronden
-1. Onverminderd de
artikelen 8, 10, 19, 25 en
26 wordt het recht op uitkering beëindigd,
indien de kunstenaar:
a. of zijn gezin over in
aanmerking te nemen vermogen is komen te beschikken of over een in
aanmerking te nemen inkomen gelijk aan of hoger dan het voor hem
geldende bedrag, bedoeld in artikel 8, onderdeel a;
b. niet kan aantonen
alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden volgens bij
algemene maatregel van bestuur nader te bepalen voorwaarden in
ieder geval gedurende de periode, bedoeld in artikel 19, eerste en
tweede lid, over de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand
aan respectievelijk de dertiende uitkeringsmaand €|2800,00, de vijfentwintigste uitkeringsmaand €|4400,00 en de zevenendertigste uitkeringsmaand €|6000,00 te hebben
verworven;
c. niet kan aantonen in
enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest op grond van bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden;
d. of zijn echtgenoot
daarom verzoekt.
-2. Het college onderzoekt
regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, zich voordoen.
-3. Onze Minister kan, na overleg met
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de
regelmaat waarmee
onderzoeken als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden en het tijdstip van
beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel b en c, zich voordoet.
§ 2.2. Vorm, hoogte en
duur van de uitkering
Art. 12.
Vaststelling
en betaling
De uitkering wordt per
kalendermaand om niet verleend en betaald en per kalenderjaar
vastgesteld.
Art. 13.
Vorm uitkering
bij vermogen in eigen woning en verplichte zekerheidstelling
-1. Indien voor de
kunstenaar, bedoeld in artikel 9, recht op uitkering bestaat, heeft die
uitkering, in afwijking van artikel 12, de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek of verpanding voor zover het vermogen gebonden in de
woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, onderdeel e.
-2. De uitkering in de vorm
van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding,
bedoeld in het eerste lid, wordt verleend tot een bedrag gelijk aan het
vermogen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e.
-3. Indien de uitkering
wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek of verpanding, komen de kosten verbonden aan de taxatie van de
waarde van de woning, de hypotheekakte en de inschrijving van de
hypotheek of verpanding, alsmede de bijkomende kosten, ten laste van de
kunstenaar. Voor deze kosten kan het college een uitkering verlenen die
begrepen wordt onder de geldlening onder verband van hypotheek of
verpanding.
-4. Indien na beëindiging
van uitkering onder verband van hypotheek of verpanding opnieuw recht
op uitkering bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst
gevestigde hypotheek of verpanding.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf en de voorwaarden
waaronder uitkering in de vorm van een geldlening onder verband
van hypotheek of verpanding wordt verleend.
Art. 14.
Voorschot
-1. Het college is bevoegd
om, indien de noodzaak daartoe aannemelijk is, zonder voorafgaand
onderzoek naar de voorwaarden voor het recht op uitkering als bedoeld in
artikel 8, bij wijze van voorschot uitkering te verlenen. De uitkering die
bij wijze van voorschot wordt verleend, heeft de vorm van een renteloze geldlening.
-2. Een in het eerste lid
bedoeld voorschot kan worden verleend zolang het college nog geen
besluit inzake de verlening van uitkering heeft bekendgemaakt.
-3. Indien een uitkering
wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste
lid één of meer voorschotten is verleend, kan deze uitkering zonder
machtiging van de kunstenaar worden verrekend met het voorschot of de
voorschotten.
Art. 15.
Hoogte van de
uitkering
-1. De uitkering bedraagt
per kalendermaand voor:
a. een alleenstaande: €|648,04;
b. een alleenstaande
ouder: €|828,31;
c. gehuwden: €|954,73.
-2. Indien de echtgenoot
van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b of c, wordt de hoogte van de uitkering
vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder.
-3. Vooruitlopend op de
definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in
artikel 16, kan op de uitkering het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin
in mindering worden gebracht, voor zover de som van het bedrag, genoemd
in het eerste lid, en het inkomen in een kalendermaand waarin
recht op uitkering bestaat, meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel
16, tweede lid, onderdeel b.
Art. 16.
Definitieve
vaststelling
-1. Uiterlijk in het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin uitkering is verleend en
binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens heeft
verstrekt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 15, definitief
vastgesteld.
-2. Bij de definitieve
vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het volgende
uitgegaan:
a. over de periode in het
kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen, wordt niet in
aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het
in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag,
vermeerderd met de voor die periode verschuldigde premies voor een ziektekostenverzekering voor de kunstenaar of
zijn gezin;
b. het na toepassing van
onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking
genomen over de periode waarin in het betreffende kalenderjaar uitkering is
verleend, voor zover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag,
genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer
bedraagt dan:
1º. €|1355,98 voor
een alleenstaande;
2º. €|1673,05 voor
een alleenstaande ouder;
3º. €|1871,42 voor
gehuwden.
-3. In afwijking van het
eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij
een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken
van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen
van de kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over
de periode van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip met
ingang waarop de uitkering is beëindigd, voor zover dat inkomen tezamen met
het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid,
over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing
zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b.
-4. Indien het bedrag van
de voorlopig verleende uitkering, bedoeld in artikel 15:
a. lager is dan de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt voor het verschil
ambtshalve uitkering verleend;
b. hoger is dan de
definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt het bedrag dat
hoger is dan de definitief vastgestelde uitkering teruggevorderd met
toepassing van artikel 28.
Art. 17.
Beroepskosten
-1. Bij de toepassing van
de artikelen 8, 15 en 16 wordt het inkomen, bedoeld in die artikelen,
verminderd met de in aanmerking te nemen beroepskosten.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking
tot de in aanmerking te nemen beroepskosten en het inkomen waarover deze
kosten worden gerekend.
Art. 18.
Herziening
bedragen
-1. Met ingang van de dag
waarop het nettominimumloon wijzigt, worden de brutonormen en
bedragen, genoemd in de artikelen 8, onderdeel a,
15 en 16,
herzien.
-2. Onder nettominimumloon
wordt verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop
een werknemer op grond van artikel 15 van die
wet over dat minimumloon
ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te
houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie.
-3. De in het tweede lid
bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een
werknemer jonger dan 65 jaar, rekening houdend met
uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van
de Wet op
de loonbelasting 1964, over het minimumloon en de
aanspraak op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met het werkgeversaandeel
in de ziekenfondspremie en verminderd met de premies
werknemersverzekeringen. De loonbelasting en de premies volksverzekeringen, in te
houden van de aanspraak op vakantiebijslag over het minimumloon, worden
berekend met toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen
waarin de arbeidskorting, bedoeld in artikel 22a van de Wet
op de loonbelasting 1964, niet is verwerkt.
-4. Indien ingevolge één
van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan
het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij
algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële
regeling voor de toepassing van het tweede lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
-5. Bij de vaststelling van
de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten
aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene
heffingskorting, alsmede met de door de uitkeringsgerechtigde
verschuldigde premie op grond van de Ziekenfondswet en de
vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen,
genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2º, derde
lid ¹,
15, eerste lid, onderdeel
a, en 16, tweede lid, onderdeel
b, onder 2º, is tevens rekening
gehouden met de alleenstaandeouderkorting.
-6. De vereveningsbijdrage,
bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het bedrag van de premie die
een werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het
overeengekomen loon van een werknemer die is verzekerd op grond van
deze wet inhoudt.
-7. Van de herziene normen
en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister
mededeling gedaan in de Staatscourant.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "derde lid," te vervallen.
Art. 18a.
Aanpassing
middelen
-1. Met ingang van de dag
waarop de som wijzigt van de budgetten voor levensonderhoud, genoemd
in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
studiefinanciering 2000,
en het bedrag dat op grond van artikel 3.29, eerste lid, van die
wet wordt verstrekt aan een studerende die ten onrechte over een
kalendermaand geen reisvoorziening ontvangt, worden de in artikel
6, tweede
lid, genoemde bedragen zodanig herzien dat deze gelijk zijn aan deze som.
-2. Met ingang van 1
januari van elk kalenderjaar worden de in artikel 7, tweede lid, onderdeel
e,
en derde lid, genoemde bedragen herzien met de procentuele stijging van
het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie.
-3. Van de herziene
bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt door Onze Minister
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Art. 19.
Duur uitkering
-1. Het recht op uitkering
bestaat, al dan niet aaneengesloten, gedurende ten hoogste vier jaar.
-2. Het recht op uitkering
eindigt in elk geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de
eerste maal uitkering op grond van deze wet werd toegekend.
-3. Het college onderzoekt
regelmatig of het recht op uitkering op grond van het eerste en tweede
lid nog bestaat.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van
het derde lid.
§ 2.3. Aan de uitkering
verbonden verplichtingen
Art. 20.
Verplichtingen
verbonden aan uitkering
-1. Het college kan aan de
uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de
aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of
beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die zij nodig achten voor
een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
-2. De kunstenaar is
verplicht:
a. naar behoren een
administratie te voeren;
b. zich naar vermogen in
te spannen om met zijn kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien
al dan niet in een gemengde beroepspraktijk;
c. aan het college op
verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het
geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de
uitkering, of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt betaald;
d. aan het college
desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot
en met 4º, van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te
verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van
deze wet;
e. aan de adviserende
instelling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te
doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de uitoefening
van de taken van de adviserende instelling;
f. zich naar vermogen in
te spannen om gebruik te maken van de, op verzoek van de
kunstenaar, aangeboden voorzieningen, bedoeld in artikel
21.
-3. De kunstenaar legt de
administratie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, uiterlijk
binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar over aan het college:
1º. uit eigener beweging
over ieder kalenderjaar waarover uitkering is verleend als bedoeld in
artikel 16; of
2º. op verzoek van het
college.
-4. De verplichtingen,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel c en d, gelden ook voor de
echtgenoot van de kunstenaar. Voor zover het betreft de echtgenoot die arbeid
in een eigen bedrijf of zelfstandig beroep verricht, geldt de
verplichting, bedoeld in het derde lid, ook voor de echtgenoot.
-5. Het college stelt bij
de uitvoering van deze wet ten aanzien van de kunstenaar en zijn
echtgenoot op wie de verplichting, bedoeld in het tweede lid, onderdeel
d, rust, de identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 4º, van de Wet
op de identificatieplicht en neemt de aard en het nummer daarvan op in de administratie.
-6. De kunstenaar die een
voorziening als bedoeld in artikel 21 aanvraagt, is verplicht zich als
werkzoekende in te schrijven bij de Centrale organisatie werk en
inkomen,
bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, en daarbij ingeschreven te blijven gedurende de
periode dat hij deze voorziening ontvangt.
-7. Het zesde lid is van
overeenkomstige toepassing op de echtgenoot van de kunstenaar indien
de voorziening, bedoeld in artikel 21, de echtgenoot van de
kunstenaar betreft.
§ 2.4. Activerend beleid
Art. 21.
Activerend
beleid
-1. Op verzoek van de
kunstenaar die uitkering ontvangt op grond van deze wet kan het
college, zo nodig gehoord de adviserende instelling, aan hem voorzieningen
aanbieden gericht op het bevorderen van de arbeidsinschakeling in
het kader van de uitoefening van een gemengde beroepspraktijk.
-2. Het college laat
werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in het eerste
lid, worden uitgevoerd, verrichten door derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen
in de arbeid bevorderen. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld, waarbij kan worden bepaald dat
een deel van de werkzaamheden niet door derden hoeft te worden
verricht.
-3. Het college kan de
voorziening, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de kunstenaar ook aan
zijn echtgenoot aanbieden.
-4. De gemeenteraad van een gemeente waarvan het college is aangewezen op grond van
artikel 23, eerste lid, stelt bij verordening regels met betrekking tot de
toepassing van het eerste lid.
§ 2.5. Maatregelen
Art. 22.
Maatregelen
-1. Het college weigert de
uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk, indien de kunstenaar:
a. blijk heeft gegeven van
een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
ernstig misdragen;
b. een verplichting als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, tweede lid,
onderdeel a, b,
c en d,
of derde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen; of
c. een verplichting als
bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel c en e, of derde lid, niet
binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen;
d. of zijn echtgenoot de
verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, niet of niet behoorlijk
is nagekomen;
e. of zijn echtgenoot de
verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, met uitzondering van de
verplichting, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel d, niet binnen
de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
de mate waarin de kunstenaar of zijn echtgenoot de gedraging verweten kan
worden en de omstandigheden waarin de kunstenaar of zijn gezin verkeert.
Van het opleggen van een maatregel
wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel
c, en derde lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering, kan het college afzien van het opleggen
van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven
van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen
van de verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten af te zien van
het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en tweede lid
nadere regels worden gesteld.
HOOFDSTUK
3
Het
geldend maken van het recht op uitkering
Art. 23.
Woonplaats en
aanvraag
-1. Het recht op uitkering
bestaat jegens het college van een daartoe bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen gemeente waartoe de kunstenaar, gelet op zijn
woonplaats als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, behoort.
-2. De aanvraag wordt
ingediend bij het college.
-3. Indien de kunstenaar
gehuwd is, wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk
ingediend, dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming
van de ander.
-4. Het college stelt het
recht op uitkering op aanvraag vast.
-5. Het college besluit,
gehoord de adviserende instelling, of:
a. de aanvraag is
ingediend door een kunstenaar en of aan de eisen, bedoeld in artikel
8, onderdeel b en c, voldaan wordt; of
b. de uitkering moet
worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder c.
Art. 24.
Toekenning
recht op uitkering
-1. Indien door het college
is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, wordt de uitkering
toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet
ligt vóór de dag waarop de kunstenaar zich heeft gemeld om een uitkering
aan te vragen.
-2. Indien de kunstenaar de
aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft
gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste
lid, besluiten dat de uitkering wordt toegekend vanaf de dag dat de
aanvraag is ingediend.
-3. Het college stelt het
recht op uitkering niet eerder vast dan nadat het college uit het
onderzoek, bedoeld in artikel 19, derde lid, is gebleken dat recht op uitkering
bestaat als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid.
Art. 25.
Opschorting
-1. Indien de kunstenaar of
zijn echtgenoot de voor de verlening van de uitkering van belang
zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de
kunstenaar of zijn echtgenoot anderszins onvoldoende medewerking verleent aan
het onderzoek, schort het college het recht op uitkering voor de duur
van ten hoogste acht weken op:
a. vanaf de eerste dag van
de periode waarop het verzuim betrekking heeft; of
b. vanaf de dag van het
verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim
betrekking heeft.
-2. Indien bij de
beoordeling van het recht op een uitkering blijkt dat het door de kunstenaar
verstrekte adres van hemzelf of van zijn echtgenoot afwijkt van het adres
waaronder de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens staat ingeschreven, schort het college het recht op een
uitkering op.
-3. Geen opschorting vindt
plaats, indien:
a. de afwijking van de
adresgegevens redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op
of de hoogte van de uitkering;
b. de kunstenaar of zijn
echtgenoot van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden
gemaakt; of
c. daarvoor naar het
oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het college doet
schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het eerste en tweede
lid, aan de kunstenaar en stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen een
door hem te stellen termijn het verzuim of de afwijking te herstellen.
-5. De opschorting wordt
beëindigd zodra het college gebleken is dat de afwijking niet meer
bestaat. Indien de afwijking ook na de krachtens het vierde lid gestelde
termijn nog bestaat, herziet het college het besluit tot toekenning van de
uitkering of trekt hij dit in met ingang van de eerste dag waarover het recht op een
uitkering is opgeschort.
Art. 26.
Herziening
-1. Onverminderd het elders
in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking
van een besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van
uitkering, herziet het college een dergelijk besluit of trekt hij dat
in:
a. indien een gedraging
als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk
nakomen van een daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-2. Als de kunstenaar of
zijn echtgenoot in het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid, het
verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het
college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering
in met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is
opgeschort.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Art. 27.
Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging
-1. De uitkering is niet
vatbaar voor vervreemding of verpanding.
-2. Een machtiging tot het
in ontvangst nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met
dit artikel is nietig.
HOOFDSTUK
4
Terugvordering
Art. 28.
Terugvordering
Kosten van de uitkering
worden door het college teruggevorderd in de gevallen en naar de
regels, bedoeld in dit hoofdstuk, en in de gevallen, bedoeld in artikel
16.
Art. 29.
Terugvorderingsgronden
-1. Het college vordert de
kosten van de uitkering terug, voor zover de uitkering:
a. ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is verleend;
b. ingevolge artikel 14
bij wijze van een voorschot is verleend en na onderzoek is vastgesteld
dat over de betrokken periode geen recht op een uitkering bestaat;
c. anderzijds ¹ onverschuldigd is betaald voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen
begrijpen; of
d. anderszins
onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de kunstenaar of zijn gezin
naderhand met betrekking tot het kalenderjaar waarover uitkering is
verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 1.2
beschikt of kan beschikken, voor zover deze middelen bij de
definitieve vaststelling op grond van artikel 16 zouden hebben geleid tot
terugvordering van uitkering indien op het moment van deze definitieve
vaststelling al over deze middelen zou zijn beschikt.
-2. Terugvordering als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vindt niet plaats indien de
betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending
van het besluit tot terugvordering.
-3. Bij gebreke van tijdige
betaling kan de vordering worden verhoogd met de wettelijke rente
en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.
1. Volgens de redactie
dient "anderzijds" te worden vervangen door: anderszins.
Art. 30.
Terugvordering
bij het niet voldoen aan de verplichting tot verlenen van inzage
in de administratie
Het college vordert de
kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terug, voor
zover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de
verplichting, bedoeld in artikel 20, derde of vierde lid, laatste volzin.
Art. 31.
Schuldregeling
-1. In afwijking van de
artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en
30 kan het college, ambtshalve
of op verzoek van de kunstenaar, besluiten gedeeltelijk van
terugvordering af te zien of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te
zien, indien:
a. redelijkerwijs te
voorzien is dat de kunstenaar of zijn gezin niet zal kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te
voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen,
behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige
schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en
c. de terugvordering door
het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing ten aanzien van:
a. terugvordering als
gevolg van verwijtbaar gedrag van de kunstenaar;
b. vorderingen welke door
hypotheek of verpanding op een zaak of zaken zijn gedekt,
behoudens voor zover zij niet op die zaken verhaald kunnen worden.
-3. Het besluit tot
gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot gedeeltelijk afzien van verdere
terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling
overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.
-4. Het besluit tot
gedeeltelijk afzien van terugvordering of gedeeltelijk afzien van verdere
terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de kunstenaar gewijzigd,
indien:
a. niet binnen twaalf
maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling is tot
stand gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de kunstenaar of zijn
echtgenoot de schuld aan het college niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige
gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 32.
Afzien van
terugvordering bij dringende redenen of geringe bedragen
In afwijking van de
artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en
30 kan het college besluiten:
a. geheel of gedeeltelijk
van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn;
b. van terugvordering af
te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister
vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Art. 33.
Terugvordering
gezinsleden
-1. Onverminderd de
artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en
30 kunnen kosten van
uitkering, indien de uitkering aan een gezin wordt verleend, van alle
gezinsleden worden teruggevorderd.
-2. Indien de uitkering als
gezinsuitkering aan gehuwden had moeten worden verleend, maar
zulks achterwege is gebleven, omdat de kunstenaar of zijn
echtgenoot de verplichtingen, bedoeld in artikel 20, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, kunnen de kosten van de uitkering mede worden teruggevorderd van
de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 1.2 bij de
verlening van uitkering rekening had moeten worden gehouden.
-3. De in het eerste en
tweede lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de
terugbetaling van kosten van uitkering die worden teruggevorderd.
Art. 34.
Besluit tot
terugvordering
-1. Een besluit tot
terugvordering van kosten van uitkering vermeldt hetgeen teruggevorderd
wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede
de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten
uitvoer wordt gelegd.
-2. De kunstenaar van wie
kosten van uitkering worden teruggevorderd, is verplicht desgevraagd
aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering
ingevolge dit hoofdstuk van belang zijn.
-3. Een besluit tot
terugvordering van kosten van uitkering als bedoeld in dit hoofdstuk levert
een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-4. Op het executoriaal
beslag ingevolge het derde lid op loon, sociale uitkeringen of andere
periodieke betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene
van wie kosten van uitkering worden teruggevorderd, zijn de artikelen
479b
tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid, van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
De in artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het college.
-5. Terugvordering van
kosten van uitkering als bedoeld in dit hoofdstuk is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.
HOOFDSTUK
5
Uitvoering
en toezicht
§ 5.1. Adviserende
instelling
Art. 35.
Adviserende
instelling
-1. Onze Minister
wijst
één adviserende instelling ¹ aan die tot taak heeft het college van advies te
dienen of:
a. de aanvraag is
ingediend door een kunstenaar en of aan de eisen, bedoeld in de artikel
8, onderdeel b en c, is voldaan;
b. de uitkering moet
worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en
onder c;
c. het aanbieden van een
voorziening als bedoeld in artikel 21 noodzakelijk is;
d. verblijf in het
buitenland als bedoeld in artikel 10, vierde lid, noodzakelijk is in
verband met de beroepsuitoefening als kunstenaar.
-2. De adviserende
instelling is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die
blijkens haar statuten tot doel heeft of mede tot doel heeft taken als
bedoeld in het eerste lid te vervullen.
-3. Aan een aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.
1.
Stichting Kunstenaars & CO, Nieuwe Herengracht 119, postbus 2617,
1000 CP Amsterdam, 0900-5352599 (€|0,10
pm), www.kunstenaarsenco.nl,
red.
Art. 36.
Intrekking
aanwijzing adviserende instelling
-1. Onze Minister
trekt de
aanwijzing van de adviserende instelling in, indien de instelling:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van
faillissement wordt verklaard.
-2. Onze Minister kan de
aanwijzing van de adviserende instelling intrekken, indien de
instelling:
a. haar taak niet naar
behoren heeft vervuld;
b. haar statuten heeft
gewijzigd zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister;
c. heeft gehandeld in
strijd met haar statuten of de voorschriften, bedoeld in artikel
35,
derde lid.
Art. 37.
Besluit tot
intrekking van de aanwijzing
-1. Onze Minister
regelt in
een besluit tot intrekking van de aanwijzing, bedoeld in artikel
36, zo
nodig de gevolgen van die intrekking.
-2. Een besluit tot
aanwijzing of tot intrekking van de aanwijzing bepaalt de dag waarop de
aanwijzing onderscheidenlijk de intrekking ingaat. Het besluit wordt in de
Staatscourant geplaatst.
Art. 38.
Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onze Minister oefent de
hem in de artikelen 35, 36 en 37 verleende taken en bevoegdheden uit
in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
§ 5.2. Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art. 39.
Inlichtingenverplichting werkgever
-1. Een ieder is verplicht
desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos
opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van
de kunstenaar of zijn echtgenoot te wiens behoeve uitkering is
gevraagd of wordt verleend en die in zijn dienst dan wel te zijnen behoeve
werkt of heeft gewerkt. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten
van de kunstenaar of zijn echtgenoot van wie kosten van uitkering
ingevolge hoofdstuk 4 worden of kunnen worden teruggevorderd.
-2. De opgaven en
inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd binnen een door het college schriftelijk te
stellen termijn verstrekt.
Art.
40.
Inlichtingenverplichting instanties
-1. De hieronder vermelde
instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college, kosteloos,
opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van deze wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. de Centrale
organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in respectievelijk de
hoofdstukken 4, 5 en 6 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. de belastingdienst;
d. het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a
van de Ziekenfondswet, het
College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel
1u van
de Ziekenfondswet, de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars
en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4 van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
e. de
bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen,
stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en
andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die in
het kader van deze wet als inkomen worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit
lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet
1996 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
studiefinanciering 2000,
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
i. Onze Minister
van
Justitie voor zover het betreft de kunstenaar of een lid van zijn gezin die
rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
j. de adviserende
instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van
advies dient;
k. de instanties en
personen die woonruimte verhuren;
l. de instanties die in
het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
m. derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van
personen bevorderen.
-2. Het vragen door het
college en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties
van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen geschiedt in
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen door
tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
Het Inlichtingenbureau voert
ten behoeve van de verwerking van deze opgaven en inlichtingen
een administratie.
-3. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan
het college, kosteloos, alle gegevens en uittreksels of
afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-4. De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken
zich mede uit tot degene:
a. van wie kosten van
uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk
4;
b. die hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs
kan worden vermoed, als degene:
1º. te wiens behoeve een
uitkering is gevraagd of wordt verleend;
2º. van wie kosten van
een uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk
4.
-5. De in het eerste lid en
het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd
schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en
zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst
van het verzoek hiertoe, verstrekt.
-6. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met j, genoemde instanties treffen desgevraagd met
het college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking
tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven
en inlichtingen.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent
het tweede lid en de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid
bedoelde regelingen.
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen één of meer van de in het eerste lid bedoelde
instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te
verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan
deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende
personen opslaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
-9. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in
het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de
verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, eveneens gelden,
voor zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven.
-10. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, kan tevens worden bepaald
dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met
opsporingsbevoegdheid.
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, onverwijld en kosteloos, de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het
Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het
sociaal-fiscaal nummer.
Art. 41.
Geheimhoudingsplicht
-1. Het is een ieder
verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van
deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is
voorgeschreven of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid
vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk
voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. degene op wie de
gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de
verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan
derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer
van de kunstenaar of zijn gezin daardoor niet onevenredig wordt
geschaad.
-4. Degene die op grond van
de artikelen 39 tot en met 44 gegevens verstrekt, dient na te
gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt redelijkerwijs
bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
Art. 42.
Vermoeden
misdrijf
Het college is verplicht
indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt
van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of
buitenlands uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van
een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voor zover dit is belast
met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen
dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis
te stellen.
Art. 43.
Inlichtingenverplichting gemeenten
-1. Het college is bevoegd
uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 107
van de Vreemdelingenwet
2000, uit de administratie ter zake van de uitvoering
van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de
gegevens te verstrekken:
a. de Centrale organisatie werk en
inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en de Sociale verzekeringsbank, genoemd in
respectievelijk de hoofdstukken 4, 5 en
6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
b. de belastingdienst voor
de heffing of invordering van enige rijksbelasting of premies
volksverzekeringen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en
bijstand,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a
van de Ziekenfondswet, het
College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel
1u van
de Ziekenfondswet, en de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars
en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4 van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, voor de uitvoering van de Ziekenfondswet
en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van
personen bevorderen;
f. buitenlandse organen
voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van de
Nederlandse Antillen en Aruba voor de vervulling van een taak
van zwaarwegend algemeen belang;
h. de adviserende
instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van
advies dient.
-2. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke
levenssfeer van de kunstenaar of zijn gezin daardoor onevenredig
wordt geschaad.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te
worden verstrekt.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid
worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld
in het eerste lid, eveneens gelden.
Art. 44.
Sociaal-fiscaal nummer
-1. In de administratie van
de gemeente, de adviserende instelling en het Inlichtingenbureau
ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het sociaal-fiscaal nummer
opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de belastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van
gegevens door het college, het Inlichtingenbureau en de in de artikelen 40
en 43 bedoelde instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik
gemaakt van dit sociaal-fiscaal nummer. Derden die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen,
gebruiken het sociaal-fiscaal nummer slechts voor zover dat
noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het kader van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 21, eerste lid, worden uitgevoerd.
-3. Ten behoeve van het
gebruik van het sociaal-fiscaal nummer in de in het eerste lid bedoelde
administratie kent Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met
Onze Minister, aan de kunstenaar die een uitkering ontvangt en die niet
reeds ten behoeve van de belastingheffing bij de belastingdienst is
geregistreerd, een sociaal-fiscaal nummer toe.
§ 5.3. Toezicht
Art. 45.
Toezicht
-1. Onze Minister
houdt
toezicht op:
a. de rechtmatigheid van
de uitvoering van deze wet door het college;
b. de doeltreffendheid van
deze wet.
-2. Het toezicht, bedoeld
in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door
de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, onder leiding
van het hoofd van die inspectie. De artikelen
37, 38, 42 en
44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen zijn van overeenkomstige
toepassing.
-3. Onze Minister kan,
indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet
ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het
gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming
inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn
opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft
gebracht met deze aanwijzing.
§ 5.4. Informatie
Art.
46. Verslag over
de uitvoering
-1. Het college dient
jaarlijks bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze
wet. Het verslag omvat mede een opgave van de door het college gemaakte
kosten, bedoeld in artikel 48, en is voorzien van een verklaring van de
accountant belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle
omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de
rechtmatigheid van de uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de
gemeenteraad over de uitvoering van de wet.
-2. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake het verslag en over de verklaring en het
onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
-3. Het verslag en de
opgave, bedoeld in het eerste lid, worden door het college kosteloos
verstrekt.
Art. 47.
Informatievoorziening
-1. Het college, de
gemeenteraad en de adviserende instelling verstrekken desgevraagd
aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de
statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze
wet nodig heeft.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop het college, de gemeenteraad en de adviserende instelling de
in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken.
-3. De inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid, worden door het college kosteloos verstrekt.
HOOFDSTUK
6
Financiering
§ 6.1. Financiering
gemeente
Art. 48.
Vergoeding uitkerings- en uitvoeringskosten
-1. Onze Minister
vergoedt
ten laste van ’s Rijks kas:
a. de kosten van
uitkeringen, alsmede de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd is,
voor zover de uitkering niet bij wijze van voorschot op grond van
artikel 14 is verleend;
b. de door het college
gemaakte uitvoeringskosten.
-2. Het college declareert
de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van een
kostenopgave over dat jaar.
-3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake:
a. de vergoeding van
gemaakte uitvoeringskosten;
b. de wijze en het
tijdstip van declareren, alsmede de daarbij door het college nader te
verstrekken gegevens.
Art. 49.
Voorschotten
op vergoeding
-1. Onze Minister
verleent
voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 48, eerste lid.
-2. Voor zover de
uitvoering van deze wet door het college ernstige tekortkomingen vertoont,
kan Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan
uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het
verlenen van voorschotten.
Art. 50.
Vaststellen
vergoeding
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 48, vast binnen
één jaar
na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel 46, eerste lid.
-2. Indien de kostenopgave niet is
ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 46, eerste lid, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, over
dat jaar ambtshalve vastgesteld.
-3. De vergoeding voor de
kosten, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, wordt
verlaagd, indien:
a. het een uitkering
betreft die is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet
bepaalde;
b. het een uitkering
betreft die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk
4 is of wordt
teruggevorderd;
c. niet is voldaan aan de
bij artikel 22 gestelde regels;
voor een bedrag gelijk aan het bedrag
waarmee de kosten zouden zijn verlaagd indien het college op een juiste
wijze toepassing zou hebben gegeven aan deze artikelen.
-4. Indien als gevolg van
het niet hebben voldaan door het college aan de bij de artikelen
11,
tweede lid, of 19, derde lid, gestelde regels niet kan worden vastgesteld of en
voor welk bedrag de vergoeding voor de kosten, bedoeld in artikel
48,
eerste lid, onderdeel a, moet worden verlaagd, wordt volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels hiervoor een bedrag vastgesteld.
-5. Het derde en vierde lid
zijn niet van toepassing voor zover naar het oordeel van Onze
Minister:
a. de tekortkomingen van
bijzondere aard of geringe betekenis zijn;
b. het college zich
voldoende heeft ingespannen om de tekortkomingen op te heffen.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
toepassing van het derde lid.
§ 6.2. Financiering
adviserende instelling
Art. 51.
Vergoeding
adviserende instelling
-1. Onze Minister
vergoedt
ten laste van ’s Rijks kas de door de adviserende instelling
gemaakte uitvoeringskosten overeenkomstig de krachtens het derde lid,
onderdeel a, gestelde regels.
-2. De adviserende
instelling declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van
een kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is voorzien van een
verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent
ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste
lid, van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een
aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid,
van die
wet.
-3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake:
a. de vergoeding van
gemaakte uitvoeringskosten;
b. de wijze en het
tijdstip van declareren, alsmede de daarbij door de adviserende instelling
nader te verstrekken gegevens;
c. de in het tweede lid
bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze
verklaring.
Art.
52. Voorschotten
adviserende instelling
-1. Onze Minister
verleent
voorschotten op de vergoeding.
-2. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake het verlenen van voorschotten.
Art. 53.
Vaststelling
vergoeding
-1. Onze Minister
stelt de
vergoeding vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave,
bedoeld in artikel 51, tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar
ambtshalve vaststellen.
§ 6.3.
Voorzieningen
Art. 54.
Voorzieningen
Het college brengt de
kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet
zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel
69,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand.
HOOFDSTUK
7
Wijziging
andere wetten
Art. 55.
Algemene
Kinderbijslagwet [MvT]
In artikel 17g, derde
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 56.
Algemene
nabestaandenwet [MvT]
In artikel 45, derde lid,
van de Algemene nabestaandenwet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 57.
Algemene
Ouderdomswet [MvT]
In artikel 17i, derde
lid, van de Algemene Ouderdomswet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 58.
Beroepswet [MvT]
In de bijlage bij de
Beroepswet, onderdeel C, wordt in het tweede onderdeel 24a ¹
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen
kunstenaars.
1. Volgens de redactie
dient "het tweede onderdeel 24a" te worden vervangen door:
onderdeel 24a.
Art. 59.
Toeslagenwet [MvT]
In artikel 14g, derde
lid, van de Toeslagenwet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 60.
Werkloosheidswet [MvT]
In artikel 27g, derde
lid, van de Werkloosheidswet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 61.
Wet arbeid en
zorg [MvT]
In artikel 7:22, derde
lid, van de Wet arbeid en zorg wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 62.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [MvT]
In artikel 54, derde lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Art. 63.
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [MvT]
In artikel 46, derde lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk
en inkomen kunstenaars.
Art. 64.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen [MvT]
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 20f, tweede
lid, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 48, eerste
lid, onderdeel c, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
C. [MvT]
Aan artikel 45 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, aan het college, of, indien het college aan de Centrale
organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen
van besluiten inzake de verlening van uitkering, aan de Centrale
organisatie werk en inkomen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau,
waarbij hij gebruik kan maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art. 65.
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers [MvT]
De Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 20f, tweede
lid, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 48, eerste
lid, onderdeel c, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
C. [MvT]
Aan artikel 45 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op uitkering, aan het college, of, indien het college aan de Centrale
organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen
van besluiten inzake de verlening van uitkering, aan de Centrale
organisatie werk en inkomen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau,
waarbij hij gebruik kan maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art. 66.
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten [MvT]
De Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 3, tweede lid,
wordt "Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door: Wet werk
en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 12, eerste
lid, onderdeel a, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 67.
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [MvT]
In artikel 29g, derde
lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt
"Wet inkomensvoorziening kunstenaars" vervangen door:
Wet werk en inkomen
kunstenaars.
Art. 68.
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen [MvT]
A. [MvT]
In artikel 37, onderdeel b, onder
3º, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet
werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 22 april 2004 ingediende voorstel van wet houdende
Invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen) (Kamerstukken II 2003-2004, 29 531) tot wet is of wordt verheven en in werking treedt of is
getreden, wordt in de artikelen 30, derde lid, onderdeel
m, en 34,
eerste lid, onderdeel h, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen telkens "de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: de Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 69.
Wet werk en
bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand
wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 13, tweede
lid, onderdeel b, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
B. [MvT]
In artikel 15, tweede
lid, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen door: Wet werk
en inkomen kunstenaars.
C. [MvT]
In artikel 67, eerste
lid, onderdeel c, wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
D. [MvT]
Aan artikel 64 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op bijstand, aan het college, of, indien het college aan de Centrale
organisatie werk en inkomen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten
inzake de verlening van bijstand, aan de Centrale organisatie werk en
inkomen, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan
maken van het sociaal-fiscaal nummer.
Art. 70.
Ziektewet [MvT]
In artikel 45g, derde
lid, van de Ziektewet wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 71.
Wet
kinderopvang [MvT]
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet
kinderopvang wordt "Wet inkomensvoorziening
kunstenaars" vervangen
door: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Art. 72.
Ziekenfondswet [MvT]
Indien het bij
koninklijke boodschap van 22 maart 2004 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Ziekenfondswet in verband met het invoeren van een
no-claimteruggaaf voor verzekerden die geen of weinig gebruik hebben
gemaakt van zorg waarop ingevolge die wet aanspraak bestaat
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 483) tot wet is of wordt verheven en in werking
treedt of is getreden, wordt in artikel 4, tweede lid, van deze wet, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, een
onderdeel toegevoegd, luidende:
k. een uitkering als
bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de
Ziekenfondswet.
Art. 72a.
Algemene wet
bestuursrecht
In onderdeel F, ten tweede, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt na
"Wet werk en bijstand" ingevoegd: en artikel 14 van de Wet werk en
inkomen kunstenaars.
HOOFDSTUK
8
Overgangs- en
slotbepalingen
Art. 73.
Intrekking Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [MvT]
De Wet inkomensvoorziening kunstenaars en de artikelen III en
IV van de Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars teneinde
kunstenaars met een eigen woning niet langer van een beroep op
de Wet inkomensvoorziening kunstenaars uit te sluiten (Stb.
2000, 299) worden
ingetrokken.
Art. 74.
Overgangsperiode [MvT]
-1. De Wet inkomensvoorziening
kunstenaars blijft van toepassing op de definitieve vaststelling
van de uitkering, bedoeld in artikel 10 van
die wet, over het jaar voorafgaand
aan de inwerkingtreding van deze wet.
-2. De termijnen, bedoeld
in artikel 13 van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, blijven van
toepassing op de uitkering, bedoeld in deze wet.
Art. 75.
Omzetting
besluiten [MvT]
-1. Door het college op
grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
genomen
besluiten gelden als door hem genomen besluiten op grond van deze wet.
-2. Onverminderd artikel 77
brengt het college de in het eerste lid bedoelde besluiten binnen twaalf
maanden na inwerkingtreding van deze wet in overeenstemming met
deze wet, voor zover deze besluiten afwijken van deze wet.
Art. 76.
Aanvragen [MvT]
Op een aanvraag tot het
verlenen van uitkering wordt beslist met toepassing van:
a. de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, indien het recht op bijstand ingaat vóór of
op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet;
b. deze wet, indien het
recht op uitkering ingaat na de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet.
Art. 77.
Vermogen [MvT]
Als het vermogen dat
vanaf de uitkeringsverlening niet in aanmerking is genomen, bedoeld in
artikel 7, vierde lid, van deze wet, van de kunstenaar of zijn gezin aan wie op
de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet uitkering werd
verleend, geldt het bedrag zoals dat laatstelijk vóór of op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet door het college is
vastgesteld.
Art. 78.
Bezwaar- en
beroepschriften [MvT]
Op een bezwaar- en
beroepschrift dat:
a. vóór of op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet is ingediend tegen
een door het college op grond van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars genomen besluit en waarop op die datum nog niet
onherroepelijk is beslist;
b. na de dag voorafgaand
aan de inwerkingtreding van deze wet is ingediend en betrekking
heeft op uitkeringsverlening waarop ingevolge artikel 72 de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars van toepassing is;
wordt beslist met
toepassing van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars.
Art. 78a.
Woonwagen of
woonschip
-1. Artikel 13, eerste lid,
is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet van toepassing op de
kunstenaar die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze
wet recht had op uitkering en eigenaar was van een door hemzelf of zijn
gezin bewoonde woonwagen of bewoond woonschip met bijbehorend
erf.
-2. In afwijking van
artikel 77 wordt het in de woonwagen of het woonschip met bijbehorend
erf gebonden vermogen van de kunstenaar, bedoeld in het eerste
lid, met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld op de
waarde ervan op dat tijdstip.
Art. 78b.
Krediethypotheek
Artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars blijft van toepassing op de
uitkering die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet werd
verleend met toepassing van genoemd artikel.
Art.
78c. Omhanging besluiten
-1. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998 mede op artikel 2, vijfde lid, van deze wet.
-2. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en
sociale zekerheid mede op artikel 10, derde lid, van deze wet.
-3. Na de inwerkingtreding
van deze wet berust het Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Wwb, Ioaw,
Ioaz, Wvg en Wik mede op artikel 10, tweede lid, van deze wet.
Art. 79.
Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt, in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze
wet in de praktijk.
Art. 80.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
gesteld.¹ In het koninklijk besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
1. Bij Besluit
van 23 december 2004, Stb. 2004, 718, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2005, met dien
verstande dat artikel 21 in werking treedt met ingang van 1 juli
2005 en dat het in artikel 78a,
eerste lid, bedoelde tijdstip is bepaald op 1 januari 2006, red.
Art. 81.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet werk en inkomen kunstenaars.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
23 december 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de negenentwintigste
december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|