|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2004, 29 677
Wijziging
van de
werknemersverzekeringswetten, de
Coördinatiewet Sociale Verzekering, de Wet inkomstenbelasting 2001
en de
Wet op de
loonbelasting 1964 in verband met uitbreiding van de rechtsgevolgen
van de verklaring arbeidsrelatie (Wet uitbreiding rechtsgevolgen
VAR)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Doel
van het wetsvoorstel |
| 3 |
Voorgestelde
oplossing: uitbreiding rechtsgevolgen VAR |
| 3.1 |
De
rechtsgevolgen van de verklaring arbeidsrelatie |
| 3.2 |
De
toetsingscriteria voor de VAR-aanvragen |
| 3.3 |
Termijn
en geldigheid van de VAR |
| 3.4 |
Beperkte
onmiddellijke werking |
| 3.5 |
Consequenties
VAR-wuo en VAR-dga voor recht op uitkering |
| 3.6 |
De
VAR in grensoverschrijdende situaties |
| 4 |
Uitvoering |
| 4.1 |
Uitvoering
door de belastingdienst |
| 4.2 |
Welke
beslistermijn geldt voor de afgifte van een VAR |
| 4.3 |
Bezwaar
en beroep |
| 4.4 |
Herziening
VAR |
| 4.5 |
Samenwerking
UWV en belastingdienst (vanaf 1 januari 2006) |
| 5 |
Beschrijving
handhaving en handhavingsrisico’s VAR |
| 5.1 |
Handhavingsrisico’s |
| 5.2 |
Beperking
van handhavingsrisico’s |
| 6 |
Financiële
effecten |
| 7 |
Commentaren
van het UWV, de IWI en Actal |
| 8 |
Monitoring
en evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m X |
Algemeen
1.
Inleiding
Al geruime tijd
bestaat de behoefte om aan personen die arbeid verrichten op het
grensvlak tussen ondernemerschap en werknemerschap meer duidelijkheid te
bieden over de juridische status van hun arbeidsrelaties en de gevolgen
daarvan voor de fiscale en sociale wetgeving. De aanbevelingen van de
werkgroep Harmonisatie ondernemers- en zelfstandigenbegrip (HOZ) ¹
vormden de aanleiding voor de invoering van de verklaring arbeidsrelatie
(VAR) in 2001. De VAR is een oordeel vooraf van de belastingdienst
over de fiscale status van de voordelen uit een arbeidsrelatie of
soortgelijke arbeidsrelaties die onder overeenkomstige condities worden
aangegaan.²
Indien de opdrachtnemer aan zijn opdrachtgever
een verklaring van de belastingdienst overlegt dat deze voordelen worden
aangemerkt als winst uit onderneming (VAR-wuo) of dat de werkzaamheden
worden verricht voor rekening en risico van de vennootschap van de
aanvrager (VAR-dga) [dga: directeur-grootaandeelhouder, red.],
heeft dit tot gevolg dat de opdrachtgever in beginsel geen loonheffing
behoeft in te houden en af te dragen voor de werkzaamheden die hij deze
persoon laat verrichten. Echter, als de opdrachtnemer werkzaam is op
grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking,³ dan moet de
opdrachtgever wel loonheffing inhouden.
In het geval de opdrachtgever twijfelt over het
bestaan van een dienstbetrekking, dan mag hij vertrouwen op de afgegeven
VAR-wuo of VAR-dga. In dat geval kan de loonbelasting rechtstreeks bij
de opdrachtnemer worden geheven.
1. Begrip voor ondernemers,
februari 2000, PM.
2. De vier verschijningsvormen van de VAR worden in paragraaf 3.1
uiteengezet.
3. De arbeidsovereenkomst ex artikel 7: 610 BW [Burgerlijk
Wetboek, red.].
Vanaf 1 januari 2002 gelden de VAR-wuo en de VAR-dga van de belastingdienst
als zelfstandigheidsverklaring voor de
socialeverzekeringswetgeving.
Een zelfstandigheidsverklaring heeft de
volgende rechtsgevolgen:
1. De opdrachtnemer wordt niet als werknemer verzekerd, voor zover hij
geen arbeid in een privaatrechtelijke dienstbetrekking verricht;
2. De opdrachtgever is in beginsel gevrijwaard van premieheffing, ook rblz.|2|
als achteraf blijkt dat hij tijdens de looptijd van de
zelfstandigheidsverklaring een dienstbetrekking met de opdrachtnemer is
aangegaan. De premieheffing vindt in dat geval plaats bij de
opdrachtnemer. Premieheffing bij de opdrachtgever vindt uitsluitend
plaats als hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de arbeid in
dienstbetrekking wordt verricht.
Het
doel van de VAR en de zelfstandigheidsverklaring was om opdrachtgevers
meer duidelijkheid te bieden over de verschuldigdheid van loon- en
premieheffing. De zelfstandigheidsverklaring levert de opdrachtgever
echter geen volledige vrijwaring van loon- en premieheffing op. Hij
blijft verantwoordelijk voor een (marginale) toetsing van de
arbeidsrelatie met zijn opdrachtnemer.
Al
snel na de invoering van de zelfstandigheidsverklaring brachten
zelfstandigenorganisaties en andere maatschappelijke organisaties
bezwaren naar voren tegen de effecten van de getroffen regeling. Het
voornaamste bezwaar is dat de huidige systematiek aan opdrachtgevers
geen zekerheid biedt in de gevallen waarin, achteraf beoordeeld, toch op
basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is gewerkt. De
onzekerheid betreft met name de vraag of er sprake is van
verzekeringsplicht en dus premieplicht voor de sociale verzekeringen. De
juridische kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen de opdrachtgever en
de opdrachtnemer is dermate complex dat opdrachtgevers hun risico niet
kunnen inschatten. Hiervan gaat een remmende werking uit op het inhuren
van zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) en andere opdrachtnemers.
Het in december 2002 gepubliceerde en in juli 2003 gewijzigde besluit
Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking van de belastingdienst
en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) (Stcrt. 2003, 138) heeft deze bezwaren niet kunnen
wegnemen.
Ook de bestaande mogelijkheid om premies bij de
werknemer na te heffen, stuit op bezwaren. Opdrachtnemers die ten
opzichte van hun opdrachtgever een afhankelijke positie innemen, kunnen
hierdoor worden benadeeld.
Organisaties van zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, werkgevers en
werknemers zijn van mening dat de rechtszekerheid van opdrachtnemers
(waaronder zzp-ers) en hun opdrachtgevers onvoldoende is. De regering
neemt de opmerkingen van deze organisaties ter harte en wil met dit wetsvoorstel
de onzekerheid voor opdrachtgevers over loon- en premieheffing wegnemen.
In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen voor een uitbreiding van
rechtsgevolgen van de VAR-wuo en de VAR-dga. Voorgesteld wordt om de
opdrachtgever met deze beschikkingen zekerheid te bieden dat inhouding
en afdracht van loonheffing en premies voor de werknemersverzekeringen
achterwege kan blijven. Daarvoor dient de opdrachtnemer de VAR ten
behoeve van de arbeidsrelatie aan de opdrachtnemer te overleggen
(tonen); de opdrachtgever dient over een afschrift van deze VAR te
beschikken.
De
onduidelijkheid over de vraag of een arbeidsrelatie tot een verzekering
als werknemer leidt, beperkt zich niet tot de overeenkomst van opdracht.
In toenemende mate komen arbeidsrelaties voor die zowel kenmerken van
een dienstbetrekking als van zelfstandig ondernemerschap vertonen. De
beoordeling van de verzekeringsplicht, en daarmee de premieplicht, vergt
bij dergelijke relaties vaak een intensief onderzoek. Voor betrokkenen
kan dit tot rechtsonzekerheid of tot gemiste omzet leiden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid heeft de Sociaal-Economische
Raad daarom op 1 december 2003 gevraagd te adviseren over de
afbakening en de reikwijdte van het werknemersbegrip in de
werknemersverzekeringen. Dit betreft een fundamentele vraagstelling rblz.|3|
waarvan alle consequenties in kaart moeten worden gebracht. Het onderhavige wetsvoorstel
is gericht op een specifieke oplossing voor met name zzp-ers binnen de
huidige regeling van de verzekeringsplicht. Gelet op de indringendheid
van de zelfstandigenproblematiek wil de regering met dit voorstel niet
wachten tot een nieuw werknemersbegrip in de werknemersverzekeringen is
gedefinieerd.
2.
Doel van het wetsvoorstel
De regering wil de
positie van zelfstandige opdrachtnemers versterken door de
rechtszekerheid voor hun opdrachtgevers te vergroten. Het onderhavige wetsvoorstel
leidt niet tot een wijziging van de kring van verzekerden, maar strekt
ertoe dat aan het oordeel vooraf van de belastingdienst
voor de
socialeverzekeringswetgeving meer
rechtsgevolgen worden verbonden. Door aan de opdrachtgever een VAR-wuo
of VAR-dga te overleggen, verkrijgt deze de zekerheid dat inhouding en
afdracht van loonheffing en premies voor de werknemersverzekeringen
achterwege kan blijven.
Het
is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat personen die hun arbeid slechts
in schijn als zelfstandige verrichten door het voorstel
worden uitgesloten van het werknemerschap. Daarmee zou immers een vorm
van opting out worden geïntroduceerd die op termijn het draagvlak voor
de sociale zekerheid zou kunnen uithollen. De nieuwe wettelijke regeling
mag eveneens niet ten koste gaan van de positie van opdrachtnemers die
worden beschermd door de regeling van de fictieve dienstbetrekking. Dit
betreft onder meer thuiswerkers, deelvissers, musici en artiesten en
andere categorieën die voldoen aan wettelijke voorwaarden met
betrekking tot duur of omvang van de arbeid en/of de hoogte van de
beloning. Bij de behandeling van het wetsvoorstel waarmee de
zelfstandigheidsverklaring is ingevoerd, heeft de Eerste Kamer met de
motie-Van Leeuwen c.s. de regering verzocht om de sociale bescherming
van deze groepen te monitoren en zo nodig actie te ondernemen.¹
1. Kamerstukken I 2001-2002,
27 686, nr. 71d.
In
de praktijk combineren veel zelfstandigen hun onderneming met arbeid in
dienstbetrekking.¹ De (deel)werkzaamheden in loondienst leveren hen
vaak extra kennis en contacten op, die ook voor het ondernemerschap
kunnen worden aangewend. Het komt eveneens voor dat een ondernemer een
dienstbetrekking aangaat, omdat hij er tijdelijk niet in slaagt
voldoende opdrachten te verwerven. De regering onderkent het belang van
dergelijke combinaties van ondernemerschap en werknemerschap. De
mogelijkheid om ondernemerschap gelijktijdig of volgtijdelijk te
combineren met een verzekering als werknemer blijft daarom gehandhaafd,
ook tijdens de looptijd van een VAR-wuo of VAR-dga. De houder van de
VAR-wuo of VAR-dga dient, indien hij gebruik wil maken van de
mogelijkheid om ondernemerschap te combineren met een verzekering als
werknemer, de beschikking vanzelfsprekend niet aan de werkgever te
tonen. Hij zal er goede nota van moeten nemen dat zijn werkgever deze
dienstbetrekking als zodanig meldt bij de belastingdienst
en UWV. De dienstbetrekking wordt in dat
geval geregistreerd in de verzekerdenadministratie.² De werkgever dient
op het loon van betrokkene dan loonbelasting en premies sociale
verzekeringen in te houden en af te dragen aan belastingdienst en UWV.
De regering onderkent dat ook bij de opdrachtgever een keuzevrijheid
bestaat. Deze kan zich de vraag stellen of hij bepaalde werkzaamheden
wil laten verrichten door een werknemer of door een opdrachtnemer die
een VAR-wuo of een VAR-dga overlegt. Het staat de opdrachtgever in
beginsel vrij om voor het verrichten van werkzaamheden een werknemer in
dienst te nemen dan wel deze werkzaamheden uit te besteden aan een
zelfstandige ondernemer. Er is hier sprake van een legitieme afweging
onder meer op basis van kosten en beoordeling rblz.|4|
van het continuïteitsrisico. Daarbij moet wel bedacht worden dat
opdrachtgevers van opdrachtnemers kunnen verlangen om werkzaamheden te
verrichten onder het overleggen van een VAR-wuo of een VAR-dga, waar
feitelijk van loondienst sprake is. Een opdrachtgever kan een
opdrachtnemer dan verzoeken een verklaring te overleggen. In die zin zal
dit de keuzevrijheid van de opdrachtnemer kunnen beperken. De regering
zal de ontwikkeling van het aantal verzekerde arbeidsrelaties, in
relatie tot het aantal afgegeven verklaringen arbeidsrelatie (-wuo en -dga)
betrekken bij de evaluatie van de voorgestelde wettelijke regeling.
Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van organisaties van
opdrachtnemers en opdrachtgevers om het in deze zin oneigenlijke gebruik
van de verklaring te voorkomen en zo nodig te signaleren.
1. G.E. Evers, Eigen baas
zijn, Zelfstandige Ondernemers Zonder Personeel, TNO-Arbeid Hoofddorp,
2000.
2. Vanaf 1 januari 2006: de polisadministratie.
Voorkomen moet worden dat opdrachtnemers zich in goede tijden als
zelfstandige presenteren en in minder goede tijden - wanneer
werkloosheid of arbeidsongeschiktheid dreigt - als werknemer. Dergelijk
oneigenlijk gebruik van de sociale verzekeringen wordt al tegengegaan
door referte-eisen en uitkeringsvoorwaarden. Voor de referte-eisen voor
de Werkloosheidswet (WW) telt immers alleen
arbeid in dienstbetrekking mee. De berekening van de hoogte van
uitkering op grond van de WW, de Ziektewet
(ZW) of de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt alleen
gebaseerd op het loon uit dienstbetrekking. Een aanvraag voor een ZW of
WAO-uitkering wordt afgewezen als aantoonbaar is dat de
arbeidsongeschiktheid al bestond bij de aanvang van de verzekering.
Het UWV moet
daarnaast bij de uitkeringsaanvraag het werknemerschap zorgvuldig
beoordelen. In
paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de handelwijze van het UWV
bij een uitkeringsaanvraag van een persoon met een VAR-wuo of VAR-dga.
De
regering heeft voor
de
onderhavige regeling de volgende hoofdlijnen vastgesteld.
1. De praktijk heeft vooral behoefte aan zekerheid voor opdrachtgevers
over (afwezigheid van) premieplicht. Dit is ook van belang voor de
concurrentiepositie van opdrachtnemers. De nieuwe VAR leidt daarom tot
vrijwaring van de opdrachtgever van premieheffing en heffing van
loonbelasting, tenzij er sprake is van frauduleus handelen van zijn
kant.
2. De VAR-procedure wordt aangepast om het risico te beperken dat een
VAR-wuo of VAR-dga wordt verstrekt aan werknemers die arbeid in
dienstbetrekking (gaan) verrichten. De belastingdienst
en het UWV
stellen daartoe de beoordelingscriteria voor de VAR en de
beslissystematiek gezamenlijk vast.
3. De belastingdienst geeft de VAR af. In het kader van de
klantbehandeling in de vorm van bijvoorbeeld de aangifte behandeling van
de opdrachtnemer (de houder van de VAR) en van boekenonderzoeken bij
opdrachtgevers, kan de juistheid van de afgegeven VAR en het gebruik
daarvan worden bezien.
4. Werkloosheid of arbeidsongeschiktheid ontstaan uit een arbeidsrelatie
waarover - door toepassing van een VAR - geen premies zijn afgedragen,
leidt niet tot een uitkering op grond van de WW, ZW
of
WAO.
Rekening houdend met de betrokken belangen en de geformuleerde
hoofdlijnen is een oplossing gevonden die de zekerheid biedt waar de
praktijk om vraagt. In het volgende hoofdstuk wordt deze oplossing
uiteengezet.
3.
Voorgestelde oplossing: uitbreiding rechtsgevolgen VAR
3.1. De
rechtsgevolgen van de verklaring arbeidsrelatie
Het onderhavige
wetsvoorstel regelt dat een opdrachtgever wordt gevrijwaard rblz.|5|
van heffing van loonbelasting én premies werknemersverzekeringen als
aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1. de opdrachtnemer heeft een voor de desbetreffende arbeidsrelatie
geldende VAR-wuo of een VAR-dga getoond;
2. de opdrachtgever beschikt over een kopie van die verklaring; en
3. de opdrachtgever heeft de identiteit van de opdrachtnemer vastgesteld
en heeft een afschrift van dit identiteitsbewijs in zijn administratie
opgenomen.
Deze voorwaarden zijn geregeld in een nieuw
artikel 6a van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Een
opdrachtgever aan wie een VAR-wuo of een VAR-dga is getoond en die
beschikt over een afschrift daarvan, is onder voorwaarden geen
inhoudingsplichtige in de zin van die wet. Hieruit vloeit voort dat op
de beloning van een opdrachtnemer die een VAR-wuo of een VAR-dga toont
geen loonbelasting behoeft te worden ingehouden. In aansluiting daarop
is in de werknemerverzekeringen geregeld dat de arbeidsverhouding van
een persoon niet als dienstbetrekking wordt aangemerkt indien degene met
wie hij de arbeidsverhouding heeft met betrekking tot die
arbeidsverhouding op grond van artikel 6a
van de Wet
op de loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt
beschouwd. Deze regeling heeft tot gevolg dat voor die arbeidsverhouding
geen verzekering als werknemer ontstaat. De opdrachtgever tot die arbeid
is in dat geval geen premies verschuldigd; de opdrachtnemer heeft ten
aanzien van die arbeid geen recht op een uitkering op grond van de WW,
de
ZW of de WAO.
Opdrachtgevers verkrijgen hiermee zekerheid met betrekking tot de
inhouding van loonheffing en premies werknemersverzekeringen. De
uitbreiding van de rechtsgevolgen geldt uitsluitend voor de VAR-wuo en
de VAR-dga. Deze beschikkingen hebben betrekking op (voordelen uit)
werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden verricht.
De
VAR is geregeld in de artikelen 3.156 en 3.157 van de Wet IB 2001 [Wet
inkomstenbelasting 2001, red.]. Zij biedt belastingplichtigen
de mogelijkheid voorafgaand zekerheid te krijgen omtrent de aard van de
voordelen uit arbeidsrelaties die dezelfde soort van werkzaamheden
betreffen en die onder overeenkomstige condities worden aangegaan.
De belastingplichtige kan aan de inspecteur van
de belastingdienst een verzoek doen tot het
afgeven van een VAR. Het verzoek kent een viertal uitkomsten:
1. een verklaring van de inspecteur dat de voordelen die de
opdrachtnemer geniet uit arbeidsrelaties met dezelfde soort
werkzaamheden en die onder overeenkomstige condities zijn aangegaan,
worden aangemerkt als winst uit onderneming (VAR-wuo);
2. een verklaring van de inspecteur dat de voordelen die de
opdrachtnemer geniet uit arbeidsrelaties met dezelfde soort
werkzaamheden en die onder overeenkomstige condities zijn aangegaan,
worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-row);
3. een verklaring van de inspecteur dat de voordelen die de
opdrachtnemer geniet uit arbeidsrelaties met dezelfde soort
werkzaamheden en die onder overeenkomstige condities zijn aangegaan,
worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking (VAR-loon); of
4. een verklaring van de inspecteur dat de werkzaamheden worden verricht
voor rekening en risico van de vennootschap waarin de opdrachtnemer een
aanmerkelijk belang heeft (VAR-dga).¹
Voor de verbetering van de rechtszekerheid via
de uitbreiding van de rechtsgevolgen van de VAR-wuo en VAR-dga is
gekozen omdat deze aansluit bij de bestaande systematiek van de VAR en
de zelfstandigheidsverklaring en daarmee relatief snel kan worden
geïmplementeerd.
1. De VAR-dga biedt
zekerheid aan een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang dat de
werkzaamheden die voortvloeien uit een arbeidsrelatie worden aangemerkt
als werkzaamheden uitsluitend verricht voor rekening en risico van de
onderneming waarin hij dat aanmerkelijk belang heeft. De doelgroep voor
deze VAR is ruimer dan de directeur-grootaandeelhouder (dga). In de
praktijk is deze VAR vooral van belang voor de aandeelhouder als bedoeld
in de Regeling aanwijzing
directeur-grootaandeelhouder (Stcrt. 1997, 248). De VAR-dga
heeft geen gevolg voor de arbeidsrelatie van een
minderheidsaandeelhouder (niet-dga) met diens vennootschap.
rblz.|6|
Alternatieven
De
regering heeft overwogen dat de gewenste zekerheid voor opdrachtgever en
opdrachtnemer voor elke arbeidsrelatie kan worden verkregen door
voorlegging daarvan aan de inspecteur en UWV.
Zowel voor de belanghebbenden als voor de belastingdienst
zou een beoordeling van elke afzonderlijke arbeidsrelatie evenwel, gelet
op de aldus in verhouding tot het onderhavige
voorstel grote hoeveelheid verzoeken en af te geven beschikkingen,
minder doelmatig zijn.
Als
alternatief heeft de regering voorts overwogen om de belastingdienst
of het UWV een separate beschikking over
het werknemerschap van de aanvrager te laten verstrekken. Ook aan een
dergelijke beschikking zou voor een bepaalde periode zekerheid met
betrekking tot de loon- en premieheffing kunnen worden verbonden. De
invoering van een dergelijke beschikking zou een geheel nieuwe
inrichting van het uitvoeringsproces vergen. Hiermee zou niet kunnen
worden voldaan aan de wens tot een snelle oplossing van de
geconstateerde problematiek.
Een andersoortig alternatief is om
rechtsgevolgen te verbinden aan de wijze waarop contractspartijen hun
relatie juridisch duiden. Als zij daar de kwalificatie
"overeenkomst van opdracht" aan zouden verlenen, zou daar het
rechtsgevolg aan verbonden kunnen worden dat de belastingdienst en het
UWV de betrokken arbeidsrelatie niet als dienstbetrekking kunnen
aanmerken. Een dergelijk alternatief zou niet passen in het uitgangspunt
dat de feiten en omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht
doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de arbeidsrelatie in het
kader van de fiscaliteit en de sociale verzekeringen. Het loslaten van
dat uitgangspunt biedt de facto een mogelijkheid tot opting out. Dit zou
grote risico’s met zich meebrengen voor ontwijking van loon- en
premieheffing.
De VAR-row
Bij
de voorbereidingen van het wetsvoorstel
heeft de regering overwogen om de uitgebreide rechtsgevolgen ook te
verbinden aan de verklaring van de inspecteur dat de voordelen uit de
arbeidsrelatie worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden
(VAR-row). Resultaat uit overige werkzaamheden is voor wat betreft de Wet
IB 2001 een restcategorie. Deze omvat de belastingplichtigen die
noch loon uit dienstbetrekking, noch winst uit onderneming genieten.
De
regering heeft besloten om de uitgebreide rechtsgevolgen te beperken tot
de VAR-wuo en de VAR-dga. De reden hiervan is dat het niet mogelijk is
gebleken om de aanvraagprocedure voor de VAR zo vorm te geven dat
personen die (fictief) als werknemer worden aangemerkt, worden
onderscheiden van resultaatgenieters. Vanwege de uitgebreide en complexe
regeling voor de fictieve dienstbetrekking zou hiervoor een groot aantal
extra vragen moeten worden gesteld. Om uitvoeringstechnische redenen is
dit niet mogelijk geoordeeld, zeker niet gelet op de voorziene toename
van het aantal VAR-aanvragen vanaf 2005.
De regering heeft als tussenoplossing nog
overwogen de uitgebreide rechtsgevolgen ook te laten gelden voor de
VAR-row, in die zin dat de houder wel zekerheid krijgt dat geen sprake
is van een "echte" dienstbetrekking, maar niet dat er geen
sprake is van een fictieve dienstbetrekking. Voordeel zou zijn dat een
opdrachtnemer met een VAR-row die niet in fictieve dienstbetrekking is,
wel aan zijn opdrachtgever de zekerheid kan bieden dat hij niet in
dienstbetrekking werkt. De opdrachtgever dient dan nog wel, evenals in
de huidige situatie, zelf te onderzoeken of sprake is van een fictieve
dienstbetrekking. In die zin wordt maar een gedeeltelijke zekerheid
bereikt en blijft een risico voor de opdrachtgever bestaan. Dat zo
zijnde heeft de regering besloten hiervan in rblz.|7|
het kader van dit
wetsvoorstel af te zien. De regering zal in het kader van de
voorgenomen aanpassing van de kring van verzekerden in vervolg op het
SER-advies [SER: Sociaal-Economische Raad, red.]
de figuur van de fictieve dienstbetrekking nader bezien. Daarbij zal de
regering tevens de uitkomsten van het onderzoek Vogelvrij? ¹ betrekken.
1. Vogelvrij?, een onderzoek
naar de sociale en fiscale status van freelancers, EIM juli 2003
[Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, red.].
Van het voornemen om dit onderzoek te verrichten, is eerder melding
gemaakt in het nader rapport bij het voorstel van wet
houdende wijziging van de wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en enige andere wetten in verband met de invoering van de
zelfstandigheidsverklaring en de uitsluiting van de nationale ombudsman
en de substituut ombudsmannen van de verzekering voor de
werknemersverzekeringen
(Kamerstukken II 2000-1001, 27 686, A, blz. 3).
3.2.
De toetsingscriteria voor de VAR-aanvragen
De gegevens die de
aanvrager verstrekt op het aanvraagformulier voor een VAR geven de belastingdienst
zicht op feiten waarover de belastingplichtige een oordeel wenst. De
vragen hebben betrekking op relevante gegevens die bij de beoordeling
van de verschillende inkomensbronnen een rol spelen, zoals de mate van
afhankelijkheid van de aanvrager ten opzichte van zijn opdrachtgever(s),
de aansprakelijkheid voor de kwaliteit van het geleverde product of de
geleverde dienst en de voorwaarden waaronder de aanvrager werkzaam zal
zijn.
Bij die beoordeling of de inkomsten uit de
werkzaamheden behoren tot de winst uit onderneming, loon uit
dienstbetrekking of resultaat uit overige werkzaamheden richt de
belastingdienst zich naar door de wetgever en de rechtspraak ontwikkelde
criteria. Echter, deze zijn niet vast omlijnd, in zekere mate
afhankelijk van de aard van de werkzaamheden en dienen bovendien in
samenhang bekeken te worden.
Voor de kwalificatie winst uit onderneming
kijkt de belastingdienst onder meer naar de hoogte van de winst, de mate
van zelfstandigheid, het ondernemersrisico van de aanvrager, het aantal
opdrachtgevers, de aan de onderneming bestede tijd, uiterlijke kenmerken
en de aansprakelijkheid. Bij loon uit dienstbetrekking kijkt de
belastingdienst bijvoorbeeld naar de mate van werkgeversgezag en de
afhankelijkheid van de opdrachtgever (zie ook het besluit Beleidsregels
beoordeling dienstbetrekking van juli 2003). Van resultaat uit overige
werkzaamheden is sprake als de werkzaamheden niet in dienstbetrekking
worden verricht en geen onderneming vormen. Bij de aandeelhouder met een
aanmerkelijk belang wordt gekeken of hij niet zelf in dienst is van de
opdrachtgever en of zijn vennootschap de onderneming drijft.
Het
aangeven van een precieze afbakening vooraf tussen de bronnen blijft
niet mogelijk en zou ook overigens ook een miskenning van de
problematiek betekenen. Juist omdat vooraf geen harde criteria te geven
zijn, is gekozen om zekerheid te geven over de rechtsgevolgen.
De
toets van de
belastingdienst is zo opgezet dat
belastingplichtige ook zelf om een oordeel wordt gevraagd. De
belastingdienst neemt dit oordeel over als op basis van de bij de
belastingdienst reeds aanwezige en de op het aanvraagformulier
verstrekte informatie juist kan zijn. In de praktijk blijkt dat dit
systeem goed werkt. Het levert een minimum aan bezwaarschriften op en
voor een zeer klein deel is nog aanvullend onderzoek nodig.
3.3.
Termijn en geldigheid van de VAR
Belastingplichtigen
doen voor de inkomstenbelasting aangifte van hun inkomen over een
kalenderjaar. Hierbij past het om ook bij de looptijd van de VAR aan te
sluiten bij een kalenderjaarsysteem. Om oneigenlijk gebruik van de VAR
tegen te gaan, heeft de regering besloten om de looptijd van de VAR te
beperken tot één kalenderjaar. In hoofdstuk 5 wordt
nader ingegaan op de handhavingsrisico’s en de maatregelen om deze te
beheersen.
Voor starters zal de verklaring gelden voor de periode vanaf de datum
van de aanvang van de werkzaamheden tot het einde van het kalenderjaar.
Betalingen die zijn gedaan vóór de datum van afgifte van de
beschikking rblz.|8|
(de datum waarop de verklaring wordt verstrekt) en die betrekking hebben
op de werkzaamheden zoals die op de verklaring zijn omschreven, vallen
onder deze VAR, mits de betalingen zijn gedaan na de ingangsdatum van de
verklaring. Als er betalingen worden gedaan die buiten de
geldigheidsduur van de VAR vallen (dat wil zeggen vóór aanvang of na
afloop van de VAR), dan geldt de VAR niet. Verwacht wordt dat de meeste
verzoeken rond de aanvang van het kalenderjaar worden ingediend. De
looptijd van de arbeidsrelaties waarvoor de VAR geldt, is
vanzelfsprekend niet gebonden aan een kalenderjaar. De belastingdienst
richt het proces daarom zo in dat een verklaring voor het volgende
kalenderjaar na invoering van het wetsvoorstel
vanaf 1 september kan worden aangevraagd. Op deze wijze kunnen
belastingplichtigen altijd tijdig over een geldige verklaring
beschikken.
Ook
de aanvraag van een tweede of volgende VAR wordt getoetst aan de
criteria die in paragraaf
3.2 zijn genoemd. Voor het einde van de looptijd van de VAR zal
doorgaans een aansluitende VAR zijn verstrekt. Indien aan deze VAR
eveneens de bij
dit wetsvoorstel uitgebreide rechtsgevolgen zijn verbonden,
verandert er voor de opdrachtgever niets. Hij blijft ook voor betalingen
in het nieuwe kalenderjaar gevrijwaard van loon- en premieheffing.
Indien de belastingdienst
een nieuwe VAR verstrekt waaraan niet de uitgebreide rechtsgevolgen zijn
verbonden (een VAR-loon of VAR-row), dan moet de opdrachtgever de status
van de arbeidsrelatie (wel of geen dienstbetrekking) alsnog zelf
beoordelen. Als sprake is van een dienstbetrekking, dan dient de
opdrachtgever (feitelijk: werkgever) hiervan melding te doen bij de
belastingdienst en het UWV. De werkgever
moet bij alle loonbetalingen na de geldigheidsduur van de VAR-wuo of
VAR-dga loonbelasting en premies sociale verzekeringen inhouden en
afdragen.
Als
de opdrachtgever van oordeel is dat de arbeidsrelatie geen
dienstbetrekking is, kan melding achterwege blijven. De juistheid van
dit oordeel kan door de belastingdienst
bijvoorbeeld bij een boekencontrole bij de opdrachtgever worden
getoetst.
3.4.
Beperkte onmiddellijke werking
Na invoering van
deze wet
wordt aan de VAR-wuo en VAR-dga het rechtsgevolg verbonden dat de
opdrachtgever geen loonheffing behoeft in te houden indien een
dergelijke VAR ten behoeve van de arbeidsrelatie is getoond en hij
beschikt over een afschrift van die VAR. De opdrachtnemer is in dat
geval niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen en niet
belastingplichtig voor de loonheffing. Deze wet heeft een beperkte
onmiddellijke werking in die zin dat de rechtsgevolgen ook gelden voor
verklaringen die zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van deze wet,
maar niet langer dan tot en met 31 december 2005. Deze beperking van de
onmiddellijke werking heeft als voordeel dat vanaf 1 januari 2006 voor
iedereen dezelfde nieuwe looptijd van de VAR (één kalenderjaar) van
toepassing is.
Een
VAR-wuo of VAR-dga die onder de bestaande regeling is afgegeven, heeft
in 2005 directe gevolgen voor de verzekerings- en premieplicht. Indien
is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 6a
van de Wet
op de loonbelasting 1964, zijn de opdrachtnemers met een bestaande
VAR vanaf de inwerkingtreding van deze wet
van rechtswege uitgesloten van een verzekering als werknemer. De
regering acht het niet bezwaarlijk dat die uitsluiting geschiedt zonder
een bewuste keuze van de VAR-houder. De opdrachtnemer die een VAR-wuo of
VAR-dga aanvraagt en in de praktijk toepast, kiest immers voor
zelfstandigheid. In de voorlichting over de wetswijziging zal aandacht
worden besteed aan de consequenties rblz.|9|
van de onmiddellijke werking van de nieuwe regels voor de bestaande
VAR-wuo en VAR-dga in 2005.
3.5.
Consequenties VAR-wuo en VAR-dga voor recht op uitkering
Voor een recht op
een uitkering op grond van de WW, de ZW
of de WAO is in de eerste plaats vereist dat
de aanvrager verzekerd is voor deze wettelijke verzekeringen. Een
persoon die arbeid in dienstbetrekking verricht, is van rechtswege als
werknemer verzekerd.
Dit wetsvoorstel
brengt hierin geen wijziging. Wel heeft een getoonde verklaring van de belastingdienst
dat het voordeel uit de aangegeven arbeidsrelaties wordt aangemerkt als
winst uit onderneming (VAR-wuo), dan wel dat de arbeid voor rekening en
risico van de vennootschap wordt verricht (VAR-dga), consequenties voor
de beoordeling van het werknemerschap. Immers, de voorgestelde
uitbreiding van de rechtsgevolgen van deze verklaringen heeft tot gevolg
dat de arbeidsrelaties waarvoor deze verklaringen zijn gebruikt niet als
dienstbetrekking worden aangemerkt. De houder van een VAR-wuo of een
VAR-dga is voor deze arbeidsrelaties dan ook niet verzekerd voor de WW,
de ZW en de WAO. De opdrachtgever van de persoon die een dergelijke
verklaring toont, behoeft de arbeidsrelatie niet als dienstbetrekking te
melden bij belastingdienst en UWV. De
arbeidsrelatie blijft daarmee buiten de verzekerdenadministratie. Als
blijkt dat een uitkeringsaanvrager niet voorkomt in de
verzekerdenadministratie, zal hij zijn werknemerschap voor het UWV
aannemelijk moeten maken. Hiervoor zal betrokkene een arbeidscontract,
loonstroken of vergelijkbare bewijsstukken moeten overleggen. Indien de
veronderstelde werkgever echter beschikt over een afschrift van een
geldige VAR-wuo of VAR-dga die ziet op de door de aanvrager verrichte
arbeid, dient het UWV ervan uit te gaan dat de aanvrager geen werknemer
is en de aanvraag op die grond af te wijzen.
3.6.
De VAR in grensoverschrijdende situaties
Elke
belastingplichtige, een binnenlandse of een buitenlandse, kan zich
melden bij de inspecteur met een verzoek om zijn arbeidsrelatie te
beoordelen. Ook is het mogelijk om vooraf aan de inspecteur te vragen
hoe de inkomsten die een belastingplichtige verdient, kwalificeren voor
de heffing van de inkomstenbelasting. Deze laatste mogelijkheid bestaat
sinds 1 januari 2001 en is in de Wet
IB 2001 (artikel 3.156 en, met ingang van 1 januari 2002, artikel
3.157) geformaliseerd in de vorm een beschikking omtrent de fiscale
kwalificatie van het inkomen dat behaald wordt met arbeidsrelaties die
onder vergelijkbare omstandigheden zijn aangegaan. Daarbij duidt de
inspecteur de werkzaamheden als winst uit onderneming, loon, als
resultaat uit overige werkzaamheden of voor rekening en risico van de
onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een
aanmerkelijk belang heeft. Gezien de redactie is het niet zonder meer
duidelijk dat de bepalingen van artikel 3.156 en 3.157 Wet
IB 2001 niet van toepassing zijn op buitenlands
belastingplichtigen.
Deze bepalingen gelden ook voor buitenlands belastingplichtigen, daar in
artikel 7.2, eerste lid,
Wet IB
2001 bij de verwijzing naar hoofdstuk 3 Wet
IB 2001 geen uitzondering is gecreëerd voor de toepassing van
artikel 3.156 Wet
IB 2001.
De
belastingdienst heeft de afgifte van de
beschikkingen, bedoeld in artikel 3.156 en 3.157 Wet
IB 2001, gecentraliseerd vormgeven via de verklaring arbeidsrelatie
(verder: VAR) af te geven door de belastingdienst in Winterswijk. Die
verklaring wordt geautomatiseerd afgegeven op basis van een
aanvraagformulier.
rblz.|10|
Op de belastingplichtige die in het buitenland woont, is hoofdstuk 7 van
de Wet
IB 2001 van toepassing. Een niet-inwoner van Nederland kan alleen
belast worden voor winst als er voldaan wordt aan de voorwaarden van
artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet
IB 2001. Pas als de buitenlands belastingplichtige voldoet aan deze
voorwaarden en er sprake is van een (gedeeltelijke) Nederlandse
onderneming, kan de belastingdienst
aangeven op welke wijze de inkomsten in Nederland belast zullen worden.
De toets of er sprake is van een (gedeeltelijk) Nederlandse onderneming
is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden waaronder de
niet-inwoner in Nederland werkzaam is. Omdat de belastingdienst alleen
een verklaring kan afgeven als er sprake is van in Nederland belastbare
winst, zal dat bij een niet-inwoner eerst onderzocht moeten worden.
Om
deze reden is het voor niet-inwoners niet mogelijk om via het huidige
geautomatiseerde aanvraagsysteem van de VAR een verklaring aan te
vragen. Het is evenwel niet de bedoeling de niet-inwoner uit te sluiten
van de mogelijkheid om zekerheid te krijgen omtrent de aard van zijn
arbeidsrelaties. Om die reden bestaat voor de niet-inwoner de
mogelijkheid vooraf die zekerheid te verkrijgen door eventueel samen met
zijn opdrachtgever een verzoek in te dienen bij de competente inspecteur
(dit kan de Belastingdienst
Limburg kantoor Heerlen zijn of de LB-inspecteur [LB: loonbelasting, red.]
van de opdrachtgever). Een dergelijke verklaring van de inspecteur, die
ook thans al mogelijk is, heeft een zelfde rechtskracht als een VAR.
De
vraag is nu of de hierboven beschreven mogelijkheid voor niet-inwoners
belemmerend werkt. De regering is van mening dat voor zowel binnenlands
belastingplichtigen als voor niet-inwoners dezelfde mogelijkheden
gecreëerd worden. Immers, beiden kunnen vooraf zekerheid krijgen over
de kwalificatie van hun inkomen voor de
Wet IB
2001. Er is derhalve geen belemmering voor niet-inwoners.
Een
buitenlands belastingplichtige kan ook kiezen voor behandeling als
binnenlands belastingplichtige. De keuze voor binnenlandse
belastingplicht kan een niet-inwoner/buitenlands belastingplichtige
echter pas maken op het moment dat hij de aangifte inkomstenbelasting
indient. Omdat de aangifte altijd achteraf wordt gedaan en de keuze voor
binnenlandse belastingplicht tot het moment van doen van de aangifte kan
worden herzien, kan de belastingdienst
niet op basis van "voorlopige" keuze voor binnenlandse
belastingplicht vooraf zekerheid geven over de kwalificatie van de
inkomsten.
4.
Uitvoering
4.1.
Uitvoering door de belastingdienst
De uitvoering van
de VAR door de belastingdienst verandert
niet. De belastingdienst geeft de VAR al sinds 2001 af en dat blijft zo.
De hieronder opgenomen beschrijving van de uitvoeringspraktijk geldt
derhalve op hoofdlijnen voor de huidige uitvoeringspraktijk.
4.2.
Welke beslistermijn geldt voor de afgifte van een VAR
De inspecteur belastingdienst
dient de VAR binnen acht weken na de aanvraag af te geven. De inspecteur
kan deze beslistermijn eenmalig en gemotiveerd verlengen met vijf weken.
rblz.|11|
4.3.
Bezwaar en beroep
De VAR wordt
afgegeven bij voor bezwaar vatbare beschikking. Hiertegen staan de in de
fiscaliteit gebruikelijke bezwaar- en beroepsmogelijkheden open.
4.4.
Herziening VAR
De inspecteur kan
op grond van artikel 3.156, derde lid, Wet
IB 2001 de beschikking inzake de VAR herzien indien de
belanghebbende hem heeft gemeld dat de feitelijke omstandigheden
afwijken van die van de aanvraag of als hem anderszins is gebleken dat
de feitelijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. De herziening
heeft tot gevolg dat de eerder afgegeven VAR wordt vervangen door een
nieuwe VAR. Voor de periode tot de herziening blijft de afgegeven VAR
gelden, daarna geldt de nieuwe VAR. Herziening vindt plaats bij voor
bezwaar vatbare beschikking.
4.5.
Samenwerking UWV en belastingdienst (vanaf 1 januari 2006)
Vanaf 1 januari
2006 gaat de belastingdienst de heffing en
inning van de premies werknemersverzekeringen verzorgen. Eén en ander
wordt geregeld in het wetsvoorstel
Wfsv. Naast de heffing en inning wordt de
belastingdienst vanaf die datum ook verantwoordelijk voor de controle en
handhaving.
Het UWV blijft
verantwoordelijk voor de uitkeringsverstrekking. Het hart van de
samenwerking tussen belastingdienst en UWV wordt gevormd door de
polisadministratie.
In
de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Wfsv is aangegeven hoe de
vaststelling van de verzekeringsplicht zal plaatsvinden. In de nieuwe
keten is het de werkgever die, net als nu, een beoordeling maakt of een
arbeidsverhouding een dienstbetrekking is. Wanneer hij tot dat oordeel
komt, dan zal hij premies en loonbelasting gaan afdragen via een
aangifte met nominale gegevens. Deze gegevens worden dan gebruikt om de
polisadministratie te voeden. Indien een werkgever tot de conclusie komt
dat er geen sprake is van een verzekerde arbeidsverhouding, dan zal hij
een dergelijke aangifte achterwege laten. Dit heeft tot consequentie dat
de polisadministratie niet gevuld wordt.
De
werknemer krijgt periodiek inzicht in zijn verzekeringsstatus via de
salarisstrook van zijn werkgever. Als de werkgever aangeeft dat sprake
is van verzekering, dan ontvangt een werknemer een verzekeringsbericht
van UWV. Daarnaast heeft de werknemer op
grond van de Wet
bescherming persoonsgegevens recht op inzage en correctie van zijn
persoonsgegevens in de polisadministratie.
Indien een werkgever twijfelt over de verzekeringsplicht, dan kan hij
zich tot de belastingdienst
wenden met een aanvraag voor de beoordeling van de verzekeringsstatus.
Daarnaast kan de vraag over de verzekeringsplicht ook aan de orde komen
wanneer de belastingdienst boekenonderzoeken bij opdrachtgevers
uitvoert.
Ook de werknemer kan tegelijkertijd bij het UWV
en een ziekenfonds verzoeken om een beoordeling van de arbeidsrelatie.
In dat geval zou zich de situatie kunnen voordoen dat drie instanties
zich uitspreken over de status van dezelfde arbeidsrelatie (wel of geen
dienstbetrekking). Een goede onderlinge afstemming moet waarborgen dat
de beschikkingen inzake het verzekerd zijn met elkaar in lijn blijven.
De belastingdienst, UWV en de ziekenfondsen informeren elkaar over
uitspraken over de verzekeringsstatus op nominatief niveau. Bij een
opeenvolgende aanvraag is het eerst ingenomen standpunt leidend, tenzij
de feiten en omstandigheden rblz.|12|
van het geval gewijzigd zijn. Ook zal er een gezamenlijk beleidsbesluit
worden opgesteld waarin wordt vastgelegd welke procedures en criteria
gebruikt worden bij de beoordeling van de verzekeringsplicht.
Voor zover de opdrachtnemer een VAR-wuo of VAR-dga overlegt, kan de
vaststelling van de verzekeringsplicht achterwege blijven. De belastingdienst
houdt een registratie bij van deze beschikkingen. Het is de bedoeling
dat het UWV en ziekenfondsen ook inzicht
krijgen in dit register.
Indien een persoon niet in de polisadministratie is geregistreerd en pas
bij de aanvraag van een uitkering bij het distribuerende loket van UWV
aangeeft wel verzekerd te zijn, zal het UWV pas tot nader onderzoek
overgaan nadat betrokkene een begin van bewijs van werknemerschap heeft
geleverd. UWV zal dan, in samenwerking met de
belastingdienst, onderzoeken of er toch
sprake is van een verzekerde arbeidsverhouding. Op verzoek van het UWV
gaat de belastingdienst na of de opdrachtgever/werkgever beschikt over
een afschrift van een VAR-wuo of VAR-dga die geldt voor de
arbeidsrelatie met de betrokkene. Tijdens dit onderzoek zal het UWV in
beginsel geen voorschotten verstrekken. Ingeval blijkt dat er geen
sprake is van een verzekerde arbeidsverhouding, dan wordt geen uitkering
verstrekt. Als sprake was van een dienstbetrekking en de opdrachtgever
(i.c. werkgever) niet over een afschrift beschikt, dan kan, afhankelijk
van de overige feiten en omstandigheden, een uitkering worden toegekend.
Dit kan er voorts toe leiden dat aan de werkgever een naheffingsaanslag
wordt opgelegd.
5.
Beschrijving handhaving en handhavingsrisico’s VAR
In deze paragraaf
wordt beschreven op welke manier uitvoering zal worden gegeven aan de
handhaving van de nieuwe systematiek. Hieronder worden eerst de
handhavingsrisico’s in kaart gebracht.
5.1.
Handhavingsrisico’s
In de voorgestelde
VAR-systematiek bestaat, in verband met het verdergaande rechtsgevolg,
een groter risico van misbruik of oneigenlijk gebruik dan in de huidige
regeling. Het financiële belang van de VAR voor opdrachtgever en
opdrachtnemer wordt groter, nu er in beginsel geen premieheffing en
heffing van loonbelasting achteraf plaatsvindt, ook niet als achteraf
wordt vastgesteld dat in dienstbetrekking is gewerkt. Het risico op een
verkeerde voorstelling van zaken bij de VAR-aanvraag neemt daarom toe.
Datzelfde geldt voor het risico dat de houder van de VAR deze misbruikt
voor arbeidsrelaties waarvoor de VAR niet is afgegeven. Niet ondenkbaar
is dat een werknemer besluit - al dan niet onder druk van zijn werkgever
- om onder valse voorwendselen een VAR aan te vragen en te gebruiken of
om een valse verklaring te gebruiken. In paragraaf 5.2
wordt beschreven op welke manier deze risico’s worden beperkt.
In
hoofdstuk 2 is al ingegaan op antiselectie, het
risico dat personen zich op basis van een inschatting van hun
werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsrisico als zelfstandige of juist
als werknemer presenteren. Dit risico wordt zowel beperkt door de
uitkeringsvoorwaarden als door een zorgvuldige toetsing op het
werknemerschap bij een uitkeringsaanvraag.
5.2.
Beperking van handhavingsrisico’s
a. Uitbreiding van vragen op het
aanvraagformulier VAR
Een
VAR wordt door de
belastingdienst afgegeven. Het werkproces is
daarmee in één procesgang belegd. De belastingdienst beoordeelt aan de
rblz.|13|
hand van de door de aanvrager verstrekte antwoorden en de overige
relevante informatie die over betrokkene beschikbaar is, of de aanvraag
leidt tot afgifte van een VAR-wuo, een VAR-row, een VAR-loon of een
VAR-dga. De met het
wetsvoorstel beoogde grotere rechtszekerheid maakt het noodzakelijk
dat bij de beoordeling van de aanvraag zo goed mogelijk wordt ingeschat
of de werkzaamheden een dienstbetrekking zullen opleveren. Hiertoe wordt
het huidige aanvraagformulier uitgebreid met een aantal vragen, waarmee
het risico wordt beperkt dat ten onrechte een VAR-wuo of VAR-dga wordt
afgegeven.
De
belastingdienst heeft de mogelijkheid om de
gegevens van de aanvraag te vergelijken met bij haar aanwezige gegevens,
bijvoorbeeld in het kader van de aangifte inkomstenbelasting. In
bepaalde risicogevallen kan de belastingdienst de geautomatiseerde
afgifte van een VAR blokkeren, bijvoorbeeld wanneer er tegen de
opdrachtnemer een gerechtelijke procedure wordt gevoerd. Dit leidt ertoe
dat beter wordt beoordeeld of een VAR-loon moet worden afgegeven of dat
de aanvraag uit het geautomatiseerde beoordelingssysteem wordt gelicht
voor een afzonderlijke, niet-geautomatiseerde beoordeling.
b. Beperking termijn van geldigheid van een
VAR
Om
de risico’s van misbruik en oneigenlijk gebruik verder te beperken,
stelt de regering voor de termijn van geldigheid van de VAR terug te
brengen van 24 maanden naar één kalenderjaar.
c. Controlemogelijkheden na
afgifte verklaring
De
belastingdienst zal het gebruik van de
afgegeven beschikkingen nader onderzoeken.
Bij
de beoordeling van de aangifte inkomstenbelasting wordt de aard van het
inkomen nogmaals getoetst. Als blijkt dat de inkomsten fiscaal anders
worden beoordeeld dan waarvan bij de afgifte van de VAR is uitgegaan,
kan de belastingdienst
de verklaring zo nodig herzien of bij een hernieuwde aanvraag een andere
VAR afgeven.
Indien een verklaring wordt herzien, dient de opdrachtnemer dit aan zijn
opdrachtgever mede te delen. Deze mag dan geen rechtsgevolgen meer aan
de oude VAR verbinden. De opdrachtgever kan natuurlijk aanspraak maken
op de bescherming die de VAR hem biedt, zolang hij niet op de hoogte is
van de wijziging. Ook de belastingdienst kan
de opdrachtgever op de hoogte brengen dat de VAR niet meer geldig is.
Dit laatste kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een bij de
opdrachtgever gehouden boekenonderzoek.
d. Boekenonderzoek bij opdrachtgever
Eén of meer van de volgende situaties kan bij boekenonderzoek worden
geconstateerd:
• Voor een bepaalde opdracht is een VAR gebruikt waarvan de
geldigheidsperiode reeds was verstreken.
• Voor een bepaalde opdracht is een VAR gebruikt die is afgegeven met
het oog op andere werkzaamheden dan die waaruit de opdracht bestaat.
• Voor een bepaalde opdracht is een vervalste VAR gebruikt, althans
een waarop na afgifte door de belastingdienst
wijzigingen zijn aangebracht.
Bovengenoemde situaties zijn doorgaans door
beide partijen gemakkelijk te herkennen. In al deze gevallen is voor de
onderzochte arbeidsrelaties geen gebruik gemaakt van een (geldige) VAR.
In dat geval zal alsnog een inhoudelijke beoordeling plaatsvinden van de
premie- en belastingplicht. In voorkomende gevallen kan ook naheffing
bij de opdrachtnemer plaatsvinden. rblz.|14|
Ook het opleggen van een boete wegens het verwijtbaar niet nakomen van
loonopgaveverplichtingen behoort tot de mogelijkheden, alsmede, in
ernstige gevallen, de mogelijkheid van aangifte bij het openbaar
ministerie.
e. Informatieverplichting opdrachtgever
Voor opdrachtgevers verandert er ten aanzien van de informatieplicht
niets ten opzichte van de huidige situatie. Wel is de opdrachtgever
gehouden een kopie van de getoonde VAR te bewaren en een kopie van het
document waarmee de opdrachtnemer zijn identiteit heeft aangetoond.
f. Informatieplicht opdrachtnemer
De
opdrachtnemer dient bij de aanvraag van de verklaring alle informatie te
verstrekken die voor de beoordeling van de aanvraag nodig is. Indien de
verklaring niet wordt toegekend, verandert er niets ten opzichte van de
huidige situatie. Voor beide situaties geldt overigens dat de
opdrachtnemer verplicht is zijn inkomsten op te geven in een aangifte
inkomstenbelasting.
g. Registratie
De
belastingdienst zal een register bijhouden
waarin terug te vinden is aan wie een VAR-wuo of VAR-dga is afgegeven.
Dit register wordt raadpleegbaar voor het UWV.
6.
Financiële effecten
Belastingopbrengst en premie-inkomsten
De
belastingopbrengsten zullen door de gewijzigde maatregel geen
verandering ondergaan.
De premie-inkomsten zullen naar verwachting ook
slechts beperkt wijzigen. De uitbreiding van de rechtsgevolgen van de
VAR-wuo en VAR-dga leiden als zodanig niet tot een wijziging in de
samenstelling van de kring van verzekerden. De belastingdienst
stelt immers aan de hand van feiten en omstandigheden vast welke VAR op
de aanvrager van toepassing is.
De in hoofdstuk 5
beschreven maatregelen zijn naar verwachting dusdanig dat het ontwijken
van premieheffing afdoende kan worden tegengegaan. Wel mag worden
aangenomen dat het wetsvoorstel een
belangrijke belemmering wegneemt om een succesvolle start van een
onderneming te maken. Opdrachtgevers zullen hun opdrachten vaker aan
zelfstandigen zonder personeel gunnen als het risico op een naheffing
van loonheffing en premies werknemersverzekeringen wegvalt. Dit kan
ertoe leiden dat arbeid vaker wordt verricht in het kader van een
overeenkomst van opdracht en minder vaak in dienstbetrekking. Ten
opzichte van het totale aantal verzekerde dienstbetrekkingen (in 2003
ongeveer 6,9 miljoen) is dit effect naar verwachting verwaarloosbaar.
Uitkeringslasten
Zoals in de vorige paragraaf werd beschreven, leidt de uitbreiding van
de rechtsgevolgen van de VAR niet tot een wijziging in de samenstelling
van de kring van verzekerden. Dientengevolge zullen er geen extra
uitkeringsrechten worden opgebouwd en nemen de uitkeringslasten
werknemersverzekeringen ook niet toe.
Administratieve lasten
Ten
opzichte van de huidige aanvraagprocedure is er sprake van een rblz.|15|
zwaardere procedure, waarin meer vragen aan de aanvrager worden gesteld.
Daarnaast wordt de geldigheidsduur van de VAR bekort tot één jaar, als
gevolg waarvan vaker een VAR zal worden aangevraagd. De verzwaring van
de aanvraagprocedure in combinatie met de bekorting van de
geldigheidsduur leidt tot een toename van de administratieve lasten van
€|2,2 miljoen.
Daar staat tegenover dat
het wetsvoorstel regelt dat, als de opdrachtnemer in het bezit is
van de VAR, het voor opdrachtgevers makkelijker zal zijn om richting UWV
en belastingdienst aan te geven dat er geen
sprake is van afdrachtsplicht voor de loonbelasting en
verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Zij kunnen hun
administratie vereenvoudigen, omdat deze geen bescherming meer hoeft te
bieden tegen mogelijke naheffing. Het gevolg is een reductie van de
administratieve lasten van €|4,9 miljoen.
Het netto-effect van de nieuwe verklaring op de
administratieve lasten is voorlopig geraamd op een afname van €|2,7
miljoen.
Uitvoeringskosten
In
de afgelopen periode heeft de belastingdienst
ongeveer 60 000 aanvragen voor een verklaring arbeidsrelatie per jaar
ontvangen. De meeste werden afgegeven voor een periode van twee jaar en
meestal was er sprake van winst uit onderneming. Het leeuwendeel van de
aanvragen wordt aan het begin van het jaar verwacht. Steeds meer
opdrachtgevers zullen bij hun opdrachtnemers om een VAR gaan vragen.
Deze ontwikkeling zien we nu al in de bouw en zakelijke dienstverlening.
Hoe groot het aantal aanvragen zal zijn, is niet precies bekend. De
belastingdienst wil haar werkprocessen zo inrichten dat vanaf het jaar
2005 een aantal van 180 000 aanvragen verwerkt kan worden. Daarbij dient
onder meer rekening te worden gehouden met de noodzakelijke aanpassing
van de automatiseringssystemen en de procesgangen. De kosten van deze
aanpassingen en uitbreidingen bedragen in 2004/2005 in totaal €|4,75
miljoen. De structurele kosten zullen vanaf het jaar 2006 met €|2,25
miljoen stijgen. Thans is er nog geen systeem van registratie met
gegevensuitwisseling tussen de belastingdienst en de andere
uitvoeringsinstanties. Wanneer een dergelijk systeem gebouwd zal worden,
moeten de incidentele kosten worden aangepast.
Voorlichting
De
belastingdienst en UWV
zullen opdrachtgevers en opdrachtnemers voorlichten over de gevolgen van het wetsvoorstel.
Rond de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aanvullende voorlichtingsactiviteiten ontplooien. De kosten voor deze
voorlichtingsactiviteiten zijn geraamd op €|40
000,-.
7.
Commentaren van het UWV, de IWI en Actal ¹
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede
Kamer.
Het wetsvoorstel
is in concept voorgelegd aan het UWV, de IWI
[Inspectie
Werk en Inkomen, red.] en aan het Adviescollege toetsing
administratieve lasten (Actal). Op basis van de adviezen is de
toelichting van het wetsvoorstel op onderdelen verduidelijkt en
aangevuld.
Het
UWV heeft in het bijzonder aandacht
gevraagd voor risico’s van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het
verdergaande rechtsgevolg dat aan de verklaring arbeidsrelatie wordt
verbonden, leidt inderdaad tot een toename van het risico op oneigenlijk
gebruik en misbruik. In hoofdstuk 5 van deze
toelichting is hier uitvoerig aandacht aan besteed. De regering rblz.|16|
acht het wettelijke sanctie-instrumentarium adequaat voor de
handhaafbaarheid van dit
voorstel.
In overleg tussen de
departementen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van
Financiën, de belastingdienst
en het UWV wordt de implementatie van het wetsvoorstel verder
vormgegeven. Hierbij zijn de door het UWV gesignaleerde punten uiteraard
aan de orde. Uiteindelijk zal het geheel van het wettelijke
instrumentarium, gecombineerd met een toegesneden en goed voorbereide
uitvoering, er borg voor moeten staan dat de wet
goed handhaafbaar is.
Actal constateert in zijn commentaar dat de beperking van de
geldigheidsduur tot één jaar de administratieve lastendruk verzwaart.
Deze constatering is juist. De regering acht de duurbeperking desondanks
gewenst om het risico op oneigenlijk gebruik van de VAR te beperken. De
voorgestelde uitbreiding van de rechtsgevolgen van de VAR-wuo en VAR-dga
vrijwaart de opdrachtgever ook van loon- en premieheffing als de
arbeidsrelatie met de opdrachtnemer achteraf als dienstbetrekking wordt
geduid. De regering geeft er de voorkeur aan om in dergelijke situaties
niet achteraf tot correctie over te gaan, maar om de duur waarin zich
deze situatie kan voordoen zo kort mogelijk te laten zijn.
8.
Monitoring en evaluatie
De doeltreffendheid
en effectiviteit van de voorgestelde uitbreiding van de rechtsgevolgen
van de VAR zullen worden geëvalueerd zodra daar voldoende ervaring mee
is opgedaan. De regering zal het verslag van deze evaluatie binnen drie
jaar na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
aan beide kamers beschikbaar stellen. De belastingdienst
en het UWV zullen het gebruik van de VAR
monitoren, mede ter voorbereiding van de evaluatie. Daartoe zal de
belastingdienst onder meer bijhouden hoeveel verklaringen van de
onderscheiden typen worden verstrekt. Het UWV zal registreren hoe vaak
een uitkering wordt geweigerd omdat de betrokkene niet in de
verzekerdenadministratie is opgenomen in verband met het bezit van een
VAR. Bij de uitwerking van de monitoring en evaluatie zullen de
uitvoeringsorganisaties speciale aandacht schenken aan het registreren
en analyseren van (pogingen tot) misbruik en oneigenlijk gebruik van de
VAR.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging Werkloosheidswet
Artikel
II. Wijziging Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel
III. Wijziging Ziektewet
Onderdelen
A en
C
In
artikel 6a
van de WW, WAO en ZW
is geregeld dat een VAR-dga, met betrekking tot de
directeur-grootaandeelhouder waarvoor deze geldt, voor wat betreft de
verzekeringsplicht voor die wetten op grond van werkzaamheden voor een
derde, overeenkomstig werkt als de VAR-wuo voor de zelfstandige. Gelet
op de rechtsgevolgen die met de te introduceren artikelen 6,
eerste lid, onderdeel
e, van die wetten aan de VAR-dga worden verbonden, kunnen de
artikelen 6a van de WW,
WAO en ZW en
de daarmee samenhangende huidige artikelen 4,
vijfde lid, onderdeel b, van die wetten vervallen.
In
verband met de rechtsgevolgen die met genoemde artikelen 6,
eerste lid, onderdeel
e, van de WW, WAO
en
ZW aan de VAR-wuo worden rblz.|17|
verbonden, bestaat evenmin behoefte aan een aparte uitsluiting van het
werknemerschap op grond van artikel 4, eerste
lid, onderdeel
a, van de WW, WAO
en
ZW van degene voor wie een VAR-wuo geldt.
In het vijfde lid van de artikelen 4
van de WW,
WAO en ZW wordt
een definitie opgenomen van het begrip zelfstandige. Deze definitie
geschiedt mede in verband met de beëindiging van de toegang tot de
verzekering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor diegenen die
op de datum van inwerkingtreding van
de wet die die
beëindiging regelt niet arbeidsongeschikt zijn.
Onderdeel B
Dit
onderdeel regelt dat de arbeidsverhouding tussen een opdrachtnemer en
zijn opdrachtgever niet als dienstbetrekking wordt beschouwd indien die
opdrachtgever met betrekking tot die arbeidsverhouding op grond van
artikel 6a van de
Wet op de
loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd. De
opdrachtnemer is derhalve niet verzekerd op grond van de WW, WAO
en
ZW; over de betalingen die hij ontvangt, is
geen premie op grond van die wetten verschuldigd. Voor de WW is dit
neergelegd in artikel I, onderdeel
B, onder 3. Artikel I, onderdeel B,
bevat in het eerste en tweede subonderdeel technische aanpassingen in
verband hiermee.
Artikel I, onderdeel B,
onder 4, regelt voorts dat in artikel 6 van
de
WW een tweede lid wordt ingevoegd, dat
overeenkomt met artikel 6, derde lid, van de
WAO en nagenoeg overeenkomt met artikel 6,
tweede lid, van de
ZW. Aldus wordt ook in
artikel 6 van de WW volstrekt helder
gemaakt dat uitsluiting van de verzekeringsplicht op grond van het
eerste lid zich niet uitstrekt tot eventuele andere arbeidsverhoudingen
van de betrokkene, die niet onder de werking van dat lid vallen.
Artikel
I, onderdeel D tot en met H
Artikel
II, onderdeel D tot en met G
Artikel
III, onderdeel D
Dit wetsvoorstel
beoogt de opdrachtgever de zekerheid te bieden dat de arbeidsrelatie met
zijn opdrachtnemer niet achteraf als dienstbetrekking kan worden
aangemerkt en dus premieplicht heeft bestaan. Die zekerheid wordt
geboden via de VAR. Dit betekent dat de beschikking als bedoeld in
artikel 6a van de Wet
op de loonbelasting 1964 ertoe leidt dat niet meer op grond van
artikel
3 van de WW, WAO
en ZW geconcludeerd kan worden tot het
bestaan van een dienstbetrekking en derhalve tot verzekerings- en
premieplicht. Daarom kunnen de in deze onderdelen genoemde
artikel(led)en, respectievelijk onderdelen daarvan, vervallen.
Artikel
IV. Wijziging
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Met
het vervallen van de
artikelen 81, vijfde lid, en 97c,
eerste lid, laatste volzin, van de
WW alsmede
artikel 76a, tweede lid, van de WAO
kan ook
artikel 3c van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering vervallen.
Artikel
V. Wijziging Wet
inkomstenbelasting 2001
Met
deze wijzigingen wordt de geldigheidsduur van de VAR teruggebracht van
24 maanden naar een kalenderjaar. Deze wijzigingen houden verband met de
uitbreiding van de rechtsgevolgen die worden verbonden aan de VAR naar
de loonheffing en werknemersverzekeringen en de grotere rblz.|18|
risico’s die daarvan het gevolg kunnen zijn. Door het verkorten van de
geldigheidsduur van de VAR worden die risico’s beperkt.
Artikel
VI. Wijziging Wet
op de loonbelasting 1964
In
het voorgestelde artikel 6a is bepaald dat een opdrachtgever
niet als inhoudingsplichtige wordt aangemerkt indien hij beschikt over
een afschrift van een een VAR-wuo of VAR-dga, mits:
1. de werkzaamheden die in de beschikking zijn genoemd, overeenkomen met
werkzaamheden die worden verricht;
2. de beschikking geldig is; en
3. de opdrachtgever de identiteit van de opdrachtnemer heeft
vastgesteld.
Door deze bepaling kan de opdrachtgever zich zodanig indekken dat hij
niet geconfronteerd kan worden met naheffingen van loonbelasting en
premieheffing werknemersverzekeringen ter zake van de door hem betaalde
beloning voor werkzaamheden die in de VAR zijn aangeduid. Wellicht ten
overvloede kan worden opgemerkt dat op basis van artikel 3.157 Wet
IB 2001 de opdrachtnemer de VAR-dga niet kan tonen in de
arbeidsrelatie met zijn "eigen" vennootschap.
Ter
voorkoming van oneigenlijk gebruik dient de opdrachtgever aan de hand
van een geldig identiteitsbewijs (niet zijnde een rijbewijs) de
identiteit van de opdrachtnemer vast te stellen en een kopie van dat
document te bewaren. Als de aard en/of het nummer van het
identiteitsbewijs uit het afschrift van dat document blijkt, is met het
bewaren van dat afschrift ook de aard en het nummer geadministreerd.
Voor zover de aard en/of het nummer van het document niet uit het
afschrift blijkt, is aparte administratie hiervan vereist. Opgemerkt
wordt dat de tekst reeds is afgestemd op de wijziging van de Wet
op de identificatieplicht die is voorgesteld bij het wetsvoorstel
tot wijziging en aanvulling van de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek
van Strafrecht, de Algemene wet bestuursrecht,
de
Politiewet 1993 en
enige andere wetten in verband met de invoering van een
identificatieplicht van burgers ten opzichte van ambtenaren van politie
aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en van toezichthouders
(Wet op de uitgebreide
identificatieplicht) (Kamerstukken I 2003-2004, 29 218, A).
Uiteraard is het ook zo dat de opdrachtgever een afschrift van de
getoonde VAR dient te bewaren. In de wettekst is dit niet als een
specifieke verplichting geformuleerd. Dit is niet nodig omdat de
opdrachtgever, om niet als inhoudingsplichtige aangemerkt te worden,
moet beschikken over een afschrift van de getoonde beschikking.
Artikel
VII.
Overgangsrecht
Een
VAR die een geldigheid heeft die doorloopt na de inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel krijgt van rechtswege ook de voorgestelde uitgebreide
rechtsgevolgen voor de loonheffing en de werknemersverzekeringen.
Opdrachtgevers aan wie na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een
geldige VAR-wuo of een VAR-dga is getoond welke VAR is afgegeven vóór
de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, hebben derhalve ook de
zekerheid dat niet achteraf gesteld kan worden dat sprake was van een
dienstbetrekking voor de heffing van loonbelasting en premies
werknemersverzekeringen.
Om anticipatiegedrag te beperken, namelijk het
nog vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel aanvragen van een
VAR met geldigheidsduur van 24 maanden met het oog op de uitgebreide
rechtsgevolgen voor de loonheffing en de werknemersverzekeringen die in
dit wetsvoorstel zijn opgenomen, rblz.|19|
wordt voorgesteld de geldigheidsduur van een reeds afgegeven beschikking
met een geldigheidsduur die doorloopt na 31 december 2005 te verkorten.
Voor deze beschikkingen geldt dat de geldigheidsduur altijd eindigt op
31 december 2005. Voor de periode daarna moet de opdrachtnemer een
nieuwe verklaring aanvragen.
Artikel
X.
Inwerkingtreding
Teneinde opdrachtgevers en opdrachtnemers zo spoedig mogelijk de kans te
geven via de VAR vooraf zekerheid te krijgen omtrent verzekerings- en
premieplicht op grond van de werknemersverzekeringen en de
inhoudingsplicht op grond van de loonbelasting, is het gewenst dit
wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, op zo kort mogelijke
termijn in werking te laten treden. Het tijdstip van inwerkingtreding is
met name afhankelijk van de tijdsduur die de belastingdienst
nodig heeft om deze wetswijziging op verantwoorde wijze te
implementeren. Om deze reden wordt in dit artikel de mogelijkheid
gecreëerd in het inwerkingtredingsbesluit toepassing te geven aan
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn
|