|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 513
Wijziging
van enkele socialezekerheidswetten en enige andere wetten in verband
met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| x[Inleiding,
red.] |
| 1 |
Wijziging van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten |
| 1.1 |
Subsidie voor de
werkgever voor reïntegratiekosten voor arbeidsgehandicapte
werknemers (artikel I, onderdeel A, B en L) |
| 1.2 |
Reïntegratie-uitkering tijdens scholing van een arbeidsgehandicapte
werkloze (artikel I, onderdeel E, F, G, H, I en L, en artikel II, onderdeel A, B, C, D en O) |
| 1.3 |
Reïntegratie-uitkering tijdens proefplaatsing
(artikel I, onderdeel C, D, E, F, G, H, I en L, en
artikel II, onderdeel A, B, C, D en O) |
| 2 |
Wijziging van de
Werkloosheidswet (WW) |
| 2.1 |
Bijlage over rechten
en plichten bij de WW-beslissing (artikel II, onderdeel E) |
| 2.2 |
Proefplaatsing met
behoud van werkloosheidsuitkering (artikel II, onderdeel G en H) |
| 2.3 |
Werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing
(artikel II, onderdeel F en O) |
| 2.4 |
Differentiatie
premies wachtgeldfondsen (artikel II, onderdeel I) |
| 2.5 |
Experiment sluitende
aanpak in de Werkloosheidswet (WW) (artikel II, onderdeel J) |
| 2.6 |
Experiment inzet
reïntegratiemiddelen (artikel II, onderdeel J, K, L, M, N en O) |
| 3 |
Wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen |
| 3.1 |
Vervallen
statusoverzichten (artikel III, onderdeel A, B en C) |
| 3.2 |
Regeling
opsporingstaak SIOD in de Wet SUWI in verband met gegevensuitwisseling (artikel
III, onderdeel D) |
| 4 |
Wijzigingen van de
Algemene Kinderbijslagwet |
| 4.1 |
Herstel vervallen
artikellid (artikel IV, onderdeel A) |
| 4.2 |
Verrekening
kinderbijslag voor verschillende kinderen (artikel IV, onderdeel B en C) |
| 5 |
Wijziging van de
Algemene Ouderdomswet |
| 6 |
Wijziging van de WAO |
| 7 |
Wijziging van de
Algemene nabestaandenwet |
| 7.1 |
Herziening
Anw-uitkering in verband met herziening wettelijk minimumloon (artikel VII,
onderdeel A) |
| 7.2 |
Nabestaandenuitkering
pseudo-nabestaande (artikel VII, onderdeel B) |
| 8 |
Wijziging hoger beroep
subsidiezaken Europees Sociaal Fonds (artikel VIII en IX) |
| 9 |
Financiële effecten
op de uitkeringslasten van de voorstellen |
| 9.1 |
Afschaffen
meerkostenregeling en omzetten in subsidie-instrument werkgever |
| 9.2 |
Afschaffen
reïntegratie-uitkering uitkering bij scholing en proefplaatsing en
gelijktrekken regelgeving voor arbeidsgehandicapten en niet-arbeidsgehandicapten |
| 9.3 |
Structurele regeling
van de proefplaatsing in de WW |
| 9.4 |
Beëindigen
verlenging WW-uitkering tijdens scholing van een werkloze |
| 9.5 |
Premiedifferentiatie
wachtgeldfondsen |
| 9.6 |
Vereenvoudiging in
regelgeving bij afleggen verantwoording over sluitende aanpak
werklozen |
| 9.7 |
Wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) |
| 9.8 |
Wijziging van de
Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Anw |
| 9.9 |
Wijziging van de
no-riskpolis Pemba |
| 10 |
Financiële effecten
op de uitvoeringskosten van de voorstellen |
| 10.1 |
Subsidie voor de
werkgever voor reïntegratiekosten voor arbeidsgehandicapte
werknemers |
| 10.2 |
Reïntegratie-uitkering tijdens scholing en proefplaatsing |
| 10.3 |
Bijlage over rechten
en plichten bij de WW-beslissing |
| 10.4 |
Proefplaatsing met
behoud van WW-uitkering |
| 10.5 |
Werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing |
| 10.6 |
Experiment sluitende
aanpak in de WW |
| 10.7 |
Experiment inzet
reïntegratiemiddelen |
| 10.8 |
Vervallen
statusoverzichten |
| 10.9 |
Wijziging van de
regels over de opspringstaak van de SIOD |
| 10.10 |
Wijzigingen
Algemene Kinderbijslagwet |
| 10.11 |
Wijzigingen in de
AOW en de Anw |
| 10.12 |
Wijziging in de WAO |
| 10.13 |
Totaal besparingen
in de uitvoeringskosten |
| 11 |
Administratieve
lasten voor werkgevers |
| 12 |
Voorlichting |
| 13 |
Monitoring/evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
I t/m X |
Algemeen
[Inleiding,
red.]
Vereenvoudiging van
wetgeving
Met
deze wet wordt op het
terrein van de sociale verzekeringen een eerste aanzet gegeven tot
invulling van de in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen doelstelling van de
regering tot vereenvoudiging van de wet- en regelgeving. In vervolg
op het Actieplan Vereenvoudiging SZW-regelgeving (Kamerstukken II 2002-2003,
28 600, XV, nr. 24) zijn de door de uitvoeringsorganen
voorgestelde maatregelen nader vormgegeven in de ambtelijke
Bouwstenennotitie Vereenvoudiging en Deregulering Sociale Verzekeringen. Deze
notitie is op 27 mei 2003 ter kennisneming aan de Tweede Kamer aangeboden.
Na ontvangst van de adviezen van de Sociaal-Economische Raad (SER),
de Raad voor werk en inkomen (RWI) en de Administratieve commissie terugdringing administratieve lasten
(Actal)
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] over de op korte termijn
te realiseren voorstellen is op 15 oktober 2003 de Tweede Kamer
geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking van deze voorstellen.
Het wetsvoorstel bevat
tevens een voorstel tot wijziging van de beroepsgang inzake
ESF-subsidiebesluiten [ESF: Europees Sociaal Fonds, red.].
Ontvangen Adviezen
Raad voor werk en inkomen (RWI), Administratieve commissie terugdringing administratieve lasten
(Actal) [Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] en
Sociaal-Economische Raad (SER)
De
RWI ondersteunt de
dereguleringsvoorstellen met het advies om de vrijkomende financiële
ruimte door vermindering van regelgeving aan te wenden voor verlaging van
uitvoeringskosten dan wel voor intensivering van reïntegratietaken.
De Raad wijst bij de kortetermijnvoorstellen op mogelijke neveneffecten
die bij de uitwerking van de voorstellen kunnen blijken en noemt daarbij
specifieke aandachtspunten.
Actal onderschrijft het
belang van "stofkamoperaties" als de onderhavige en benadrukt het belang
van een maximale inzet voor reductie van administratieve lasten voor werkgevers.
Daarbij stelt het College [Actal, red.] vast dat niet alle voorstellen gevolgen hebben voor de administratieve
lastendruk en beveelt aan om, voor zover aan de rblz.|2|
orde, op basis van nadere
meting de mogelijkheid van alternatieven met minder administratieve
lasten voor het bedrijfsleven te bezien. In dit verband vraagt het
College ook aandacht voor overlappende gegevensuitvraag op verschillende
beleidsterreinen.
De SER wijst op de
mogelijkheden van kostenbesparing die de uitvoeringstechnische
vereenvoudiging van de kortetermijnvoorstellen biedt. Daarnaast gaat de
Raad ervan uit dat er in het kader van een (vervolg)adviesaanvraag
over het WAO-beleid gelegenheid zal zijn nader te adviseren over de
voorstellen inzake uniformering en vereenvoudiging van de regels voor de
wachttijd voor de WAO en ziekte tijdens werkloosheid.
Uitvoeringstoets door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV)
Het
UWV is positief over
de voorstellen in dit wetsvoorstel en acht de voorstellen uitvoerbaar.
De voorstellen voldoen aan de criteria van eenvoud en deregulering. Het UWV merkt op dat de proefplaatsing in de bestaande regelingen
alleen openstaat voor werklozen in fase 2, 3 en 4 [zie artikel
2.1 van de Regeling SUWI, red.]. Daarnaast wijst het UWV
op een redactioneel punt in het aan het UWV voorgelegde concept
betreffende duurverlenging van de uitkering bij proefplaatsing. Over het
bereiken van budgettaire neutraliteit bij het voorstel over de subsidie voor
werkplekaanpassing heeft afstemming plaatsgevonden tussen het UWV en het
ministerie.
Naar aanleiding van de
opmerkingen van het UWV over de proefplaatsing is de memorie van
toelichting verduidelijkt en is de tekst van het wetsvoorstel aangepast. Het overleg
inzake de budgettaire neutraliteit heeft eveneens geleid tot een
aanpassing van het wetsvoorstel.
Uitvoeringstoets door de
Sociale verzekeringsbank (SVB)
De
SVB kan zich vinden in
de voorstellen. De voorgestelde wijziging van artikel 23 van de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) leidt niet tot vermindering van het aantal
terugvorderingsbesluiten, maar wel tot minder andere acties. De SVB
doet ook een voorstel tot verdere wijziging van de wet in verband met tenuitvoerlegging van een boetebesluit en ze doet een
voorstel voor de tekst
van de memorie van toelichting inzake het co-ouderschap.
Mede naar aanleiding van
het voorstel van de SVB voor een passage over co-ouderschap is de tekst
van de memorie van toelichting aangepast en verduidelijkt. Een
verdere wijziging van de wettekst in verband met tenuitvoerlegging van boetebesluiten wordt
door de regering thans niet voorgesteld. De wenselijkheid van deze
wijziging zal nader worden bestudeerd.
Toezichtbaarheidstoets
door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI)
De
IWI heeft in haar
toezichtbaarheidstoets opmerkingen gemaakt met betrekking tot a. de
afschaffing van de verplichte bijlage bij de toekenningsbeslissing met
betrekking tot werkloosheidsuitkering, b. de duur van de uitkering bij
proefplaatsing en c. de wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet.
Ad a. De IWI wijst op het
onderscheid tussen de informatieverstrekking bij aanvraag en bij
herziening van de uitkering. In de toelichting is opgenomen dat dit
onderscheid voortvloeit uit het feit dat er verschillende loketten (Centrum voor werk en inkomen
(CWI), respectievelijk UWV)
zijn.
Ad b. Naar aanleiding van
de opmerking van de IWI wordt verduidelijkt dat de uitkeringsduur van
de werkloosheidsuitkering tijdens proefplaatsing niet wordt
verlengd voor de resterende periode van de proefplaatsing indien
de uitkeringsduur verstrijkt tijdens de rblz.|3|
proefplaatsing. De tekst
van de wet en van de memorie van toelichting zijn met elkaar in
overeenstemming gebracht.
Ad c. Naar aanleiding van
de toezichtbaarheidstoets zijn de tekst van de wet en de memorie van
toelichting aangepast en verduidelijkt.
Raad voor de rechtspraak
De Raad voor de
rechtspraak heeft, na daarover de Centrale Raad van Beroep (CRvB) te hebben
gehoord, geadviseerd de competentie van de CRvB met betrekking tot Europees Sociaal Fonds
(ESF)-oud subsidiezaken niet te wijzigen. De Raad
voor de rechtspraak (RvdR) is van oordeel dat de rechtseenheid met het
voorstel niet wordt gediend, aangezien door het onttrekken van deze
subsidiezaken aan de CRvB uiteenlopende jurisprudentie op het terrein van het
sociaal-financieel bestuursrecht en subsidiezaken in het algemeen juist in
de hand zou worden gewerkt. Verder wijst de RvdR op de ruime
ervaring van de CRvB met subsidiezaken. Ten slotte zou volgens de RvdR de
beoogde tijdwinst niet worden gerealiseerd en overdracht van door de
CRvB al in behandeling genomen zaken aan de Afdeling Beroep van de
Raad van State (ABRvS) [Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, red.] tot dubbel werk leiden. Het advies van de RvdR
heeft mij niet tot een ander voorstel met betrekking tot de competentiewijziging
geleid. Naar mijn oordeel heeft de RvdR in zijn advies onvoldoende laten
meewegen dat de ABRvS thans al bevoegd is in hogerberoepszaken ESF
(zowel oud als nieuw) en dat het daarbij behalve om toepassing van de
subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht vooral gaat om specifieke
ESF-aspecten die voortvloeien uit de Europese regelgeving; daarin heeft
de CRvB tot op heden geen ervaring en de ABRvS wel. Ik heb in het
advies wel aanleiding gevonden tot nuancering van het overgangsartikel; daarin worden nu van de overdracht aan de
ABRvS uitgezonderd die
zaken waarvan de behandeling in hoger beroep bij de CRvB ten tijde van
de inwerkingtreding van de wetswijziging al ver gevorderd is.
1. Wijziging van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
1.1. Subsidie voor de
werkgever voor reïntegratiekosten voor arbeidsgehandicapte
werknemers (artikel I, onderdeel A,
B en L)
De subsidieverstrekking
voor de werkgever ter dekking van de kosten van reïntegratie van een arbeidsgehandicapte werknemer wordt vereenvoudigd
doordat bij de
subsidieverstrekking direct een vast bedrag in mindering wordt gebracht. Dit in
plaats van de oude situatie waarbij achteraf de subsidie wordt verrekend
met de door de werkgever genoten premiekorting.
Huidige regeling
In de thans geldende
wetgeving is de subsidieverstrekking gekoppeld aan de premiekorting. Het
UWV dient bij de verstrekking van subsidie voor de meerkosten rekening te
houden met het bedrag van de verleende premiekorting. Omdat de premiekorting
niet in een bedrag ineens wordt verleend, maar zich
uitstrekt over een periode van maximaal drie jaar, kan bij de verlening van de
subsidie het bedrag niet onmiddellijk worden vastgesteld. Immers er
moet altijd rekening worden gehouden met het feit dat door wijziging in het
loon de subsidie op een hoger of lager bedrag moet worden vastgesteld.
Het UWV moet altijd achteraf nagaan welk bedrag aan premiekorting
feitelijk in mindering is gebracht bij de werkgever.
De hoogte van de
premiekorting is afhankelijk van de hoogte van het loon. De premiekorting is €|2042,- per jaar, respectievelijk €|454,- indien de werknemer een loon verdient van
minder dan 50% van het wettelijk minimumloon. Voor het in dienst houden
van een arbeidsgehandicapte werknemer rblz.|4|
wordt de premiekorting verstrekt gedurende een periode van
één jaar en
voor het in dienst nemen
voor een periode van drie jaar (dan bedraagt ze €|6126,-
respectievelijk €|1362,-).
Aanleiding tot
deregulering
Het systeem zoals
hiervoor geschetst, betekent voor de werkgever extra administratieve lasten en
onzekerheid over het uiteindelijke bedrag van de subsidie tot de
definitieve verrekening tussen subsidie en premieheffing afgerond was. Gezien deze
voor het UWV en voor de werkgever bewerkelijke gang van zaken bij de
subsidieverstrekking heeft het UWV voorgesteld de subsidieverstrekking
te vereenvoudigen. Dit voorstel is bij brief aan de Tweede Kamer d.d.
15 oktober 2003 toegevoegd aan de dereguleringsvoorstellen
van het UWV d.d. 12 december 2002.
Nieuwe regeling
De werkgever die kosten
maakt in verband met de reïntegratie van een arbeidsgehandicapte
werknemer kan hiervoor een subsidie krijgen. Hij kan deze, net als
voorheen, aanvragen door een gespecificeerde opgave te doen van de gemaakte
kosten onder bijvoeging van een verklaring van de arbodienst waaruit
blijkt dat de werknemer arbeidsgehandicapte is en dat de kosten
noodzakelijk zijn in verband met de handicap van de werknemer.
Bij de verstrekking van
een subsidie voor kosten van reïntegratie wordt door het UWV
in het
voorstel voor de nieuwe regeling standaard al bij de toekenning een bedrag in
mindering gebracht. Daardoor behoeft niet achteraf nog eventueel
verrekening plaats te vinden als de premiekorting een hoger of lager bedrag
was dan dat waarmee rekening werd gehouden bij de toekenning van de
subsidie. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht, is afgeleid van
het bedrag dat als premiekorting wordt verleend en is afgerond op een
rond bedrag. De hoogte van het bedrag is gekoppeld aan de omstandigheid of
het gaat om plaatsing of herplaatsing en is gekoppeld aan de hoogte
van het loon herleid naar jaarloon (bij plaatsing, respectievelijk
herplaatsing). De bedragen bij het in dienst houden zijn aldus €|2000,- of €|450,-, en bij plaatsing €|6000,- of €|1350,-.
Naast verstrekking aan de werkgever worden er ook bepaalde subsidies rechtstreeks aan de
werknemer toegekend. Het gaat dan bijvoorbeeld om subsidies voor
meeneembare arbeidsplaatsvoorzieningen. Deze subsidies ondergaan geen
verandering, er wordt geen bedrag in mindering gebracht. Er geldt
slechts een gering drempelbedrag om te voorkomen dat "kruimelvoorzieningen" moeten worden verstrekt.
Inwerkingtreding en
overgangsrecht
De wijziging in de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) leidt ook tot een
technische wijziging van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea. In dat besluit
is namelijk de subsidieverstrekking technisch uitgewerkt.
Het nieuwe systeem is
vanaf het moment van de inwerkingtreding van deze wet
van toepassing
op aanvragen die op of na die datum worden ingediend. Daarbij is
niet van belang of de aanvraag betrekking heeft op een werknemer die in
dienst is genomen of gehouden vóór inwerkingtreding van deze wet. Daarmee
wordt de nieuwe werkwijze zo snel mogelijk geïntroduceerd. Het
overgangsrecht is opgenomen in de Wet Rea
(artikel 87e).
rblz.|5|
1.2.
Reïntegratie-uitkering tijdens scholing van een arbeidsgehandicapte
werkloze (artikel I, onderdeel E,
F, G,
H, I en
L, en artikel II, onderdeel
A, B, C,
D en O)
Huidige regeling
In de
Wet Rea is een
regeling opgenomen betreffende arbeidsgehandicapte personen met een werkloosheidsuitkering die een noodzakelijke
scholing volgden. De
regeling behelsde dat deze personen tijdens de duur van de scholing
een reïntegratie-uitkering ontvingen ten laste van het
Reïntegratiefonds (artikelen 23 tot en met 27
Wet Rea) in plaats van een werkloosheidsuitkering.
De reïntegratie-uitkering kon voor een periode van ten hoogste twee jaar
worden toegekend. De eerder toegekende werkloosheidsuitkering werd voor de duur van de
scholing in feite opgeschort. Indien de betrokkene na
afloop van de scholing nog werkloos was, werd de werkloosheidsuitkering
voor zover nog niet tot uitbetaling gekomen, verstrekt voor de resterende duur waarvoor deze was toegekend.
Aanleiding tot
deregulering
Het
UWV heeft bij brief d.d. 12 december 2002 voorgesteld de reïntegratie-uitkering
tijdens scholing af te schaffen. Voor het UWV is het systeem namelijk erg
bewerkelijk. Indien een werkloze met een werkloosheidsuitkering een noodzakelijke
scholing gaat volgen, moet worden vastgesteld of het gaat om een arbeidsgehandicapte of een
niet-arbeidsgehandicapte.
Voor de niet-arbeidsgehandicapte werkloze wordt de werkloosheidsuitkering
gecontinueerd, voor de arbeidsgehandicapte werkloze wordt de werkloosheidsuitkering vervangen door een
reïntegratie-uitkering.
Zodra een arbeidsgehandicapte werkloze met een werkloosheidsuitkering
aan een noodzakelijke scholing begint, moeten door het UWV twee nieuwe beslissingen worden uitgereikt. In de eerste
plaats moet de
werkloosheidsuitkering worden beëindigd en in de tweede plaats moet een
reïntegratie-uitkering worden toegekend. De reïntegratie-uitkering moet ten laste
worden
gebracht van het Reïntegratiefonds en niet van het Algemeen
Werkloosheidsfonds. Omdat het door een te late aanvraag geregeld
voorkomt dat pas na aanvang van de scholing duidelijk wordt dat de werkloze
aanspraak heeft op reïntegratie-uitkering in plaats van
werkloosheidsuitkering, moet in al die gevallen de reeds verstrekte werkloosheidsuitkering
worden gecrediteerd aan het Algemeen Werkloosheidsfonds en
moet de uitkering over een voorbije periode alsnog ten laste worden
gebracht van het Reïntegratiefonds. Na beëindiging van de scholing moet de
reïntegratie-uitkering worden ingetrokken en moet, ingeval de betrokkene nog werkloos is, de werkloosheidsuitkering
opnieuw worden toegekend
voor de resterende duur. Ook daarbij kan het voorkomen dat de
doorbelasting aan de fondsen achteraf gecorrigeerd moet worden.
Voor de werkloze is de
gang van zaken niet erg inzichtelijk. Hij wordt immers ten minste eenmaal en vaak
tweemaal geconfronteerd met een wijziging in de
uitkering.
Dit voorstel draagt in
belangrijke mate bij aan de vereenvoudiging van de uitvoering. Daarnaast
gaat er van dit voorstel tot niet verlengen van de duur van de uitkering
tijdens scholing een prikkel uit om te komen tot spoedige werkhervatting.
In de wetenschappelijke literatuur over de hoogte en de duur van de werkloosheidsuitkering komt naar voren dat
hoe langer de
uitkeringsduur is, des te minder snel men het werk hervat. Dit uit zich onder andere
in de uitstroom uit de werkloosheidsuitkering. Rond het moment dat de maximale uitkeringsduur wordt bereikt, wordt
een verhoogde
uitstroomkans geregistreerd. (Zie onder meer de overzichtstudie van P.
Fredriksson en B. Holmlund, "Improving Incentives in Unemployment
Insurance:
A Review of Recent Research", IFAU Uppsala, 2003). Dit wordt
bevestigd door cijfers van het UWV en het
voormalige rblz.|6|
Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv): een dreigend inkomensverlies door het
einde van de loongerelateerde uitkering (en de overgang naar een
vervolguitkering) leidt tot een kortere zoekduur en een hogere uitstroom naar
werk (UWV: Op Weg naar Werk, 2003; Lisv, Blijfkansen WW
1998-2000, 2001).
De
RWI is in zijn advies
over de dereguleringsvoorstellen ingegaan op het voorstel tot afschaffing
van de reïntegratie-uitkering. De RWI geeft aan onder voorwaarden in te
stemmen met dit voorstel, namelijk voor zover er
a. geen gevolgen zijn
voor de mogelijkheden tot scholing of werkervaring op grond van beperkende
bepalingen in de WW én b. de duur van het uitkeringsrecht niet
wordt aangetast. Het onderhavige voorstel tot het niet verlenen van
reïntegratie-uitkering heeft geen gevolgen voor de mogelijkheden tot scholing/werkervaring
in die zin dat de toekenningsvoorwaarden voor de mogelijkheden tot
scholing of werkervaring niet worden veranderd.
Ten aanzien van de
uitkering tijdens scholing wordt het volgende opgemerkt. De regering is van mening
dat de afhankelijkheid van een uitkering zo kort mogelijk dient te
zijn. Een prikkel tot spoedige werkhervatting is daarom wenselijk. De
primaire inzet bij reïntegratie is om door middel van maatwerk een zo snel
mogelijke terugkeer naar de arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Dit is
conform de opvatting van de regering dat werk boven inkomen gaat en dat
de afhankelijkheid van de uitkering zoveel mogelijk beperkt moet
worden. Het streven is er daarom op gericht om voor reïntegratie van de
werkloze eventueel noodzakelijke reïntegratieactiviteiten zo vroeg mogelijk te doen
starten en deze zo kort mogelijk te laten duren. Het is van belang dat in de uitvoeringspraktijk adequaat op
deze maatregel wordt
ingespeeld door mensen met een werkloosheidsuitkering zo nodig eerder op het
spoor te zetten van scholing en daar niet mee te wachten tot het
moment waarop het eind van de uitkeringsperiode nadert.
Scholing kan onderdeel
zijn van een reïntegratietraject, niet als doel op zich, maar als onderdeel
van een reïntegratietraject indien directe bemiddeling niet mogelijk is. Daarbij
dient scholing niet te leiden tot verlenging van de uitkeringsduur.
Het voorstel tot afschaffing van de reïntegratie-uitkering past in deze visie.
Daarnaast wordt met dit voorstel deels invulling gegeven aan het
Hoofdlijnenakkoord waarin een aanzienlijke besparing op de uitgaven van het
Reïntegratiefonds is opgenomen.
Nieuwe regeling
Het voorstel van het
UWV is als volgt uitgewerkt. De regeling in de
Wet Rea over de
reïntegratie-uitkering wordt bij deze wet
ingetrokken. De arbeidsgehandicapte
werkloze blijft als gevolg daarvan tijdens noodzakelijke scholing zijn
werkloosheidsuitkering behouden. Daarmee worden de uitkeringsfaciliteiten
voor de arbeidsgehandicapte en de niet-arbeidsgehandicapte werkloze gelijkgetrokken.
Gelijktijdig met deze wijziging wordt een wijziging in de
Werkloosheidswet voorgesteld met betrekking tot het recht op werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing (zie
paragraaf 2.2). Op dit
moment wordt namelijk voor een werkloze (ongeacht of deze
arbeidsgehandicapt is of niet) de werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke
scholing gecontinueerd, ook als de duur waarvoor deze was toegekend reeds
is verstreken. Door wijziging in de Werkloosheidswet zal de
duur van de werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing
niet meer worden verlengd, ook als de scholing nog niet is afgerond.
Verwezen wordt naar het deel in deze memorie van toelichting over de
wijziging in de Werkloosheidswet voor de inhoud van die wijziging.
rblz.|7|
De
nieuwe regeling ziet
er als volgt uit voor alle werklozen die een noodzakelijke scholing gaan volgen:
• De
werkloosheidsuitkering wordt tijdens de noodzakelijke scholing gecontinueerd voor de
duur waarvoor de uitkering is toegekend, de uitkering wordt dus niet
meer verlengd als de scholing langer duurt dan de periode waarvoor
ze was toegekend.
• De duur van de
toegestane scholing is in beginsel niet langer dan één jaar, in individuele
gevallen kan de scholing langer duren.
Inwerkingtreding en
overgangsrecht
Zodra de wijziging in
werking treedt, is deze van toepassing op alle werklozen die een scholing gaan
volgen na dat moment. Voor de arbeidsgehandicapte werklozen die al een
scholing zijn begonnen vóór de datum van inwerkingtreding
blijft de toegekende reïntegratie-uitkering in stand. Dit overgangsrecht is
opgenomen in de Wet Rea (artikel 87e).
1.3.
Reïntegratie-uitkering tijdens proefplaatsing (artikel I, onderdeel
C,
D, E, F,
G, H,
I en L, en
artikel II, onderdeel A, B, C,
D en O)
Huidige regeling
De arbeidsgehandicapte
die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en die
onbetaalde arbeid gaat verrichten op een proefplaats bij een werkgever, krijgt
voor de duur van ten hoogste zes maanden een
reïntegratie-uitkering op grond van de artikelen 23
tot en met 27 van de Wet Rea. De
werkloosheidsuitkering wordt in feite opgeschort en, indien de betrokkene na afloop van
de proefplaatsing nog steeds werkloos is, voor de resterende duur
opnieuw toegekend. De regeling is in de Wet Rea
overgenomen uit artikel
63 van de WAO.
Aanleiding tot
deregulering
Het
UWV heeft bij brief d.d. 12 december 2002 voorgesteld de reïntegratie-uitkering
tijdens proefplaatsing af te schaffen. Voor de beweegredenen van het UWV
voor dit voorstel wordt verwezen naar de toelichting bij de wijziging van de
Wet Rea met betrekking tot de
reïntegratie-uitkering
tijdens scholing.
Nieuwe regeling
De regeling in de
Wet Rea over de toekenning van een reïntegratie-uitkering tijdens proefplaatsing
wordt ingetrokken. De uitkeringsfaciliteiten voor zowel
arbeidsgehandicapte als niet-arbeidsgehandicapte werklozen tijdens
proefplaatsing worden hetzelfde. In paragraaf 2.3 wordt hierop ingegaan.
Samengevat komt het erop neer dat in beide gevallen de werkloosheidsuitkering
tijdens proefplaatsing wordt gecontinueerd voor de duur van ten hoogste
drie maanden. Deze faciliteit was aanvankelijk bij wijze van experiment
ingevoerd voor de niet-arbeidsgehandicapte WW-ers ingedeeld in fase
2, 3 of 4 en zal nu structureel in de Werkloosheidswet voor
alle WW-ers worden opgenomen.
Daarom is er geen reden
meer voor handhaving van een afzonderlijke regeling voor
proefplaatsing van een arbeidsgehandicapte werkloze in de Wet
Rea. Uit een oogpunt
van deregulering is het ook niet wenselijk om verschil te hanteren in
de duur van het werken op een proefplaats voor arbeidsgehandicapten en
niet-arbeidsgehandicapten. Ook op beleidsmatige gronden ziet de regering
geen grond voor een dergelijk verschil en een aanmerkelijk
gunstigere regeling voor arbeidsgehandicapte werklozen. Een proefplaatsing
dient ertoe om de werkzoekende en de werkgever kennis te laten maken met
elkaar en om na te gaan of de werkzoekende geschikt is voor de
arbeid en op termijn een dienstbetrekking mogelijk is. Een termijn
van drie maanden acht de regering hiervoor rblz.|8|
voldoende. In die periode
moeten er voldoende mogelijkheden zijn om te kunnen besluiten over het
aangaan van een dienstbetrekking.
Daarnaast wordt met dit
voorstel deels invulling gegeven aan het Hoofdlijnenakkoord waarin
een aanzienlijke besparing op de uitgaven van het Reïntegratiefonds is
opgenomen.
Inwerkingtreding en
overgangsrecht
In het overgangsrecht
wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe bepalingen alleen voor nieuwe
meldingen van proefplaatsing gelden. Voor de arbeidsgehandicapten die vóór de inwerkingtreding van
deze wet werkzaamheden in het kader van het
Tijdelijk besluit proefplaatsing WW verrichten, blijft de
termijn van zes maanden gelden.
Voor
niet-arbeidsgehandicapten die vóór de inwerkingtreding van deze wet werkzaamheden in het
kader van het Tijdelijk besluit proefplaatsing WW verrichtten, geldt
thans al een termijn van drie maanden. Toch is vanuit het oogpunt van
rechtszekerheid overgangsrecht noodzakelijk, omdat het Tijdelijk
besluit proefplaatsing WW ruimere mogelijkheden biedt tot het verrichten
van werkzaamheden op een proefplaats dan het voorgestelde artikel 76a
WW.
2. Wijziging van de
Werkloosheidswet (WW)
2.1. Bijlage over rechten
en plichten bij de WW-beslissing (artikel II, onderdeel E)
Huidige regeling
Artikel 29
WW verplicht
het UWV om bij elke schriftelijke verstrekking van een uitkeringsbeschikking
een document (bijlage) met daarin opgenomen de rechten en plichten
van de werknemer te verstrekken. Dit document wordt als bijlage/brief
bij de uitkeringsbeschikking gevoegd in het kader van zowel de uitkeringsverstrekking (toekenning of herziening) als de
arbeidstoeleiding of
terugleiding (reïntegratie). Artikel 29 WW
bepaalt ook wanneer het document moet
worden ondertekend voor gezien.
Aanleiding tot
deregulering
Een adequate behandeling
van de cliënt start met het verstrekken van alle informatie die van belang
kan zijn voor zijn reïntegratie. Bij de intake op het CWI-kantoor wordt
daarom reeds duidelijk gemaakt welke rechten en plichten de
uitkeringsgerechtigde heeft. Het CWI overhandigt de cliënt daartoe bij ontvangst van
zijn aanvraag een overzicht van rechten en plichten. Datzelfde
overzicht wordt op een later moment - bij het afgeven van het besluit tot
toekenning van de uitkering - nogmaals door het UWV
verstrekt met daaraan (in
situaties dat er geen specifiek plan van aanpak of trajectplan is
opgesteld) gekoppeld de verplichting deze bijlage getekend retour te zenden. Een
dergelijke dubbele informatie-uitwisseling wordt overbodig geacht.
In het kader van het
Actieplan Vereenvoudiging SZW-regelgeving (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600
XV, nr.
24) heeft het UWV daarom voorgesteld de verplichting tot het
toezenden van de bijlage af te schaffen. Daardoor vervalt automatisch de
verplichte ondertekening van die bijlage. Op twee andere momenten geeft de
cliënt aan expliciet op de hoogte te zijn van zijn rechten en plichten.
Dit is namelijk bij de aanvraag van de uitkering bij het CWI waarbij hij in
algemene zin wordt geïnformeerd over zijn rechten en plichten en vervolgens
bij de ondertekening van het trajectplan bij het UWV, waarin specifieke
rechten en plichten worden vastgesteld. Het voorstel vormt een stap in de
gewenste richting van deregulering en vereenvoudiging. Hiertoe wordt voorgesteld
artikel 29 WW
te wijzigen.
Toelichting
Een cliënt ontvangt bij
de uitkeringsaanvraag eenmalig een overzicht van rblz.|9|
rechten en plichten,
namelijk van het CWI. Deze rechten en verplichtingen hebben een algemeen
karakter, zoals het tijdig verlengen van de inschrijving bij het CWI of het
accepteren van passend werk. Als de cliënt een grote afstand heeft tot
de arbeidsmarkt, meldt hij zich bij het UWV, die de reïntegratiewerkzaamheden
uitbesteedt aan een reïntegratiebedrijf. Het reïntegratiebedrijf
stelt in overleg met de cliënt een zogenaamd reïntegratietrajectplan
op (dit is het plan, bedoeld in artikel 29, derde lid (na inwerkingtreding van
deze wet: het tweede lid), WW). In dit plan staan specifieke afspraken over
wat wordt verwacht van de cliënt. Indien de belanghebbende deze
afspraken niet is nagekomen, meldt het reïntegratiebedrijf dit
aan het UWV.
Zowel cliënt als
reïntegratiebedrijf ondertekenen het reïntegratietrajectplan. Ditzelfde plan wordt na
accordering door het UWV nogmaals ondertekend door de cliënt. Met het
ondertekenen bevestigt cliënt dat hij op de hoogte is van deze
rechten en plichten, dat wil zeggen van de concrete inspanningen die van hem
worden verlangd. Ook is hij op de hoogte van de consequenties bij niet-nakoming van plichten. De uitkering kan dan bij wijze van sanctie lager
worden vastgesteld of (bij herhaalde of zeer ernstige gedragingen) geweigerd of ingetrokken. Tussentijdse bijstellingen
worden onderling
gecommuniceerd in de driepartijenrelatie UWV, reïntegratiebedrijf en
cliënt. Bijstellingen worden schriftelijk bevestigd aan de cliënt.
Nieuwe regeling
Het
CWI verstrekt bij de
uitkeringsintake een overzicht van rechten en plichten en informatie
over de eventuele boeten en maatregelen, die bij niet nakomen van plichten
kunnen worden opgelegd. Teneinde het belang van heldere
informatie-uitwisseling over rechten, plichten en de eventuele consequenties bij
niet-nakoming te accentueren, wordt op het aanvraagformulier de zinsnede opgenomen dat
met de ondertekening van het formulier de aanvrager
geacht wordt op de hoogte te zijn van de verplichtingen in het kader van de
WW en
de consequenties bij niet-naleving daarvan.
Het UWV verstrekt dit
overzicht dus niet meer bij de uitkeringsbeschikking, echter nog wél bij de
herziening van de uitkering. Reden daarvoor is dat deze
informatie alleen door het UWV wordt verstuurd. Het CWI is immers niet
betrokken bij een herziening van het recht op uitkering. Ondanks wijziging van het
artikel blijft het oorspronkelijke idee overeind dat het UWV waarborgt dat
de cliënt steeds wordt geïnformeerd over al hetgeen in het kader
van zijn reïntegratie van belang wordt geacht.
2.2. Proefplaatsing met
behoud van werkloosheidsuitkering (artikel II, onderdeel G en
H)
Met de wet waarbij de
experimenten in de WW zijn ingevoerd (Stb. 1999, 307)
[zie Wet experimenten WW, red.] is de
mogelijkheid geschapen om bij wijze van experiment tijdelijk af te wijken
van bepalingen van de WW. Dit heeft geresulteerd in een aantal
WW-experimenten, waaronder het experiment proefplaatsing.
Huidige regeling
De werkloze ingedeeld in
fase 2, 3 of 4 en met een werkloosheidsuitkering kan met behoud van
uitkering gedurende ten hoogste drie maanden op proef gaan werken bij een
werkgever. De betrokkene voldoet met proefplaatsing aan zijn
verplichting passend betaald werk te zoeken en hoeft tijdens de
proefplaatsing niet elders te solliciteren. Dit is geregeld in artikel
130a WW en het
Tijdelijk besluit proefplaatsing WW, besluit van 26 april 2000, Stb.
2000, 191). De looptijd van het experiment proefplaatsing is tot 11
augustus 2004.
rblz.|10|
Aanleiding tot
structurele invoering en deregulering
De experimenten in de
WW zijn geëvalueerd. Over de uitkomsten van deze evaluatie is de
Tweede Kamer geïnformeerd bij brief d.d. 3 juli 2003. Vervolgens zijn in een
algemeen overleg met de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid op 24 september 2003 de uitkomsten en de beleidsvoornemens
zoals beschreven in de hierboven genoemde brief besproken. Uit de
evaluatie blijkt dat er potentiële interesse aanwezig is voor proefplaatsingen
bij de werkloze doelgroep. De onderzoekers waren van mening dat dit instrument kan uitgroeien tot een waardevolle
schakel in een
reïntegratietraject. Door middel van een proefplaatsing kunnen een werkzoekende
en een werkgever samen een goede afweging maken of de werkzoekende
de geschikte persoon is op de arbeidsplaats voordat tot een
definitieve plaatsing wordt overgegaan. Door de marktwerking op de reïntegratiemarkt
en de financiering op basis van resultaat zal er de komende tijd
steeds meer aandacht zijn voor adequate bemiddeling, plaatsing en vervolgens
goede begeleiding. Het instrument proefplaatsing kan
daarbij een effectief en efficiënt middel zijn. Het past bovendien binnen het
beleid te streven naar meer duale trajecten. In het onderzoek van de Algemene
Rekenkamer naar de reïntegratie van arbeidsongeschikten
(Reïntegratie arbeidsongeschikten, Kamerstukken II 2001-2002, 28
131 [nr. 1, red.]) wordt de combinatie van werken en leren als meest effectieve reïntegratiemethode aangemerkt. Het experiment
proefplaatsing zal naar
aanleiding van de evaluatie structureel opgenomen worden in de WW en het
Tijdelijk besluit proefplaatsing WW
zal worden ingetrokken.
Nieuwe regeling
Het aanvankelijk bij
wijze van experiment in de WW ingevoerde recht op werkloosheidsuitkering
tijdens proefplaatsing voor de duur van ten hoogste drie maanden
wordt hierbij structureel in de WW opgenomen en van toepassing op alle
werklozen met een werkloosheidsuitkering.
Door deze wijziging in
samenhang met de afschaffing van de reïntegratie-uitkering tijdens proefplaatsing
van een arbeidsgehandicapte worden de uitkeringsfaciliteiten
voor de arbeidsgehandicapte en de niet-arbeidsgehandicapte werkloze tijdens
proefplaatsing gelijkgetrokken. In beide gevallen wordt de werkloosheidsuitkering tijdens proefplaatsing gecontinueerd
voor de duur waarvoor
deze was toegekend, doch ten hoogste drie maanden.
Deze periode moet
voldoende zijn voor zowel de werknemer (om te ervaren of het werk
geschikt is voor hem) als de werkgever (om een goede indruk op te doen
van de werknemer en om te besluiten om hem wel of niet in dienst te
nemen).
Inwerkingtreding en
overgangsrecht
In het overgangsrecht
wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe bepalingen alleen voor nieuwe
meldingen van proefplaatsing gelden. Voor de lopende gevallen blijft
de termijn van zes maanden (arbeidsgehandicapten) respectievelijk drie
maanden (niet-arbeidsgehandicapten) gelden.
2.3.
Werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing (artikel II,
onderdeel F en O)
Huidige regeling
Thans is wettelijk
geregeld dat de werkloosheidsuitkering van een persoon kan worden
verlengd indien zijn uitkering verloopt tijdens het volgen van noodzakelijke
scholing. De uitkeringsverstrekking kan dan verlengd worden tot het
einde van de scholing. De duur van de scholing is in beginsel niet langer
dan één jaar. Tijdens de scholing behoeft de werkloze niet te solliciteren naar
arbeid. Deze ontheffing van de sollicitatieplicht rblz.|11|
geldt niet bij
andere reïntegratieactiviteiten die worden uitgevoerd tijdens werkloosheid.
Aanleiding tot
deregulering
Het
UWV heeft in zijn
brief d.d. 12 december 2002 voorgesteld de reïntegratie-uitkering
tijdens scholing voor arbeidsgehandicapte werklozen af te schaffen. Hiervoor
is aangegeven hoe dit voorstel is uitgewerkt. Met deze uitwerking van
het voorstel worden de uitkeringsfaciliteiten voor de arbeidsgehandicapte en
de niet-arbeidsgehandicapte werkloze gelijkgetrokken.
In lijn daarmee wordt
voorgesteld ook de duurverlenging van de werkloosheidsuitkering in verband met
scholing
af te schaffen (artikel 76 WW). Dit betekent het
volgende: wanneer tijdens het volgen van een scholing de duur van de
werkloosheidsuitkering verstrijkt, dan vindt er geen uitkeringsverlenging meer
plaats tot het einde van de scholing.
In lijn van de uitwerking
van het voorstel van het UWV is ook de ontheffing van de sollicitatieplicht
tijdens scholing, zoals thans geregeld in de Werkloosheidswet, onder
de loep genomen. Doel van deze wijziging is om de werkloze te stimuleren
om al in een zo vroeg mogelijk stadium van de werkloosheid te zoeken
naar passende arbeid.
In het thans geldende
stelsel bestaat een prikkel voor de werkloze voor medewerking aan een snel
in te zetten en kortdurende reïntegratietraject wél met betrekking tot
andere reïntegratieactiviteiten dan scholing, omdat die immers niet
leidden tot verlenging van de aanspraak op uitkering. Alleen voor scholing is
dit anders. Het komt de regering thans niet juist voor dat voor
scholing, in afwijking van de andere reïntegratieactiviteiten, een verlenging van de
uitkeringsduur wordt gehandhaafd.
Met de wijziging wordt voor wat betreft de duur van de uitkering
scholing op dezelfde wijze
behandeld als andere reïntegratieactiviteiten tijdens een reïntegratietraject.
Scholing wordt daarmee een onderdeel van het reïntegratietraject net
als andere activiteiten en is geen doel op zich. Doel van het
reïntegratietraject is immers een zo snel mogelijke terugkeer naar de arbeidsmarkt. Het
enige verschil tussen scholing en andere reïntegratieactiviteiten
is dan nog dat een werkloze tijdens de scholing niet verplicht wordt te
solliciteren naar arbeid, met uitzondering van de hierna behandelde
sollicitatieplicht gedurende de laatste fase van de scholing.
Nieuwe regeling
De werkloze voor wie een
scholing noodzakelijk wordt geacht door het UWV
in het kader van zijn reïntegratie wordt tijdens de scholing als werkloos
aangemerkt en behoudt
zijn recht op werkloosheidsuitkering voor de toegekende duur. De
uitkering wordt dus niet meer verlengd indien de uitkeringsduur verstrijkt
tijdens de scholing. Voor arbeidsgehandicapte werklozen wordt de werkloosheidsuitkering ook niet opgeschort en
omgezet in een
reïntegratie-uitkering, gezien het hiervoor besproken voorstel tot wijziging
van de Wet Rea met betrekking tot de reïntegratie-uitkering.
Naast de thans
voorgestelde wijziging met betrekking tot de uitkeringsduur wordt, naar aanleiding
van een advies van de RWI in zijn beleidskader 2002, een andere
wijziging doorgevoerd die beoogt de uitkeringsduur voor de werkloze in
verband met scholing te verkorten. De werkloze die scholing volgt, wordt
niet meer voor de gehele duur van de scholing vrijgesteld van
sollicitatieplicht, maar de sollicitatieplicht herleeft weer twee maanden
vóór afloop
van de scholing. Niets staat er namelijk in de weg om al vóór afloop
van de opleiding te starten met solliciteren. Het volgen van een opleiding
is daarvoor naar de mening van de regering geen belemmering. Tussen
een sollicitatie en de aanvang in een nieuwe rblz.|12|
functie ligt immers
altijd enige tijd. Als betrokkene direct aansluitend aan de scholing aan het werk
wil, zal hij dus vóór afloop gesolliciteerd moeten hebben. Ook een werknemer
waarvan de dienstbetrekking is opgezegd, is in afwachting van het
eindigen van de dienstbetrekking verplicht te trachten passend werk te
zoeken. De Regeling vrijstelling verplichtingen WW op grond van artikel
26 WW wordt daarom gewijzigd overeenkomstig het advies van de RWI.
Ministeriële regeling
inzake noodzakelijke scholing
Op grond van
artikel 76 WW is een ministeriële regeling getroffen die regels geeft over de
noodzakelijke scholing (Stcrt. 1990, 252, gewijzigd in verband met
de invoering van de scholingsexperimenten WW, Stcrt. 2000,
107) [zie Besluit scholingsregels ex
artikel 76 WW, red.]. Deze regeling is nog gebaseerd op het uitgangspunt dat de
werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing wordt verlengd voor de
duur van de scholing en zal om die reden technisch worden aangepast [zie
(artikel 5) Scholingsregeling
WW, red.].
De ministeriële regeling
zal tevens worden aangepast naar aanleiding van de besluitvorming over de
zogenaamde scholingsexperimenten werkloosheidsuitkering. In 2000 is de
ministeriële regeling gewijzigd in verband met de invoering van een
viertal experimenten met betrekking tot scholing tijdens werkloosheidsuitkering. Daarbij zijn de voorwaarden voor
toekenning van een
scholingsvoorziening tijdens werkloosheidsuitkering versoepeld voor een
viertal nauwkeurig omschreven doelen en doelgroepen. Bij brief d.d. 3 juli
2003 aan de Tweede Kamer is medegedeeld dat de
scholingsexperimenten aflopen en dat het UWV
meer ruimte zal worden geboden tot het
leveren van maatwerk in verband met scholing. De ministeriële regeling
zal ook daaraan worden aangepast.
Inwerkingtreding en
overgangsrecht
Met het aflopen van de
scholingsexperimenten per augustus 2004 geldt de structurele regeling
in artikel 76 WW en de daarop gebaseerde ministeriële regeling.
2.4. Differentiatie
premies wachtgeldfondsen (artikel II, onderdeel
I)
Huidige regeling
Bij de vaststelling van
de premies van de wachtgeldfondsen is het mogelijk om binnen wachtfondsen
premies te differentiëren naar categorieën werkgevers. Binnen een
aantal wachtgeldfondsen wordt dit ook toegepast.
Aanleiding tot wijziging
Het is echter ook
wenselijk om premies te differentiëren naar categorieën werknemers. De
voorgestelde wijziging maakt differentiatie per categorie werknemers wettelijk
mogelijk. Op het moment dat de algemene maatregel van bestuur in werking
treedt, kan de regeling over cyclische werkloosheid (artikel 4b)
¹ in het
Besluit inzake regels gelijkstelling niet-gewerkte
uren met gewerkte uren [zie Regeling
gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren, red.] worden afgeschaft. Daarnaast kan deze algemene maatregel van bestuur
leiden tot uniformering van de huidige premiegroepen. Deze algemene maatregel
van bestuur zal voor advies worden voorgelegd aan UWV,
belastingdienst, IWI
en Actal en tevens zal hierover overleg gevoerd worden
met sociale partners.
1. Redactie: bij
Regeling van 7 december 2000, Stcrt. 2000, 240, is artikel 4b
van de Regeling gelijkstelling
niet-gewerkte uren met gewerkte uren vervangen door:
Art. 4b. [Bisa]
-1. Voor de beoordeling van het arbeidsurenverlies van de werknemer die
in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus werkzaam is of is geweest
dan wel aansluitend aan het intreden van de werkloosheid in een
wisselend arbeidspatroon gaat werken, worden de kalenderweken waarover
de cyclus van dat arbeidspatroon zich uitstrekt in aanmerking genomen.
-2. Onder cyclus wordt verstaan de periode die wordt doorlopen tot het
wisselend arbeidspatroon zich herhaalt, waarbij maximaal 52
kalenderweken in aanmerking worden genomen.
-3. Bij de beoordeling of de werknemer aansluitend aan het intreden van
de werkloosheid in een wisselend arbeidspatroon gaat werken, wordt
uitsluitend werkhervatting bij de werkgever tot wie de werknemer
voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid in dienstbetrekking
stond in aanmerking genomen.
-4. Vastgesteld wordt het aantal uren waarin de werknemer gelet op het
arbeidspatroon in een voor hem gebruikelijk te achten omvang gemiddeld
per kalenderweek werkzaam is geweest alsmede het aantal uren dat voor de
werknemer gelet op het arbeidspatroon aansluitend aan het intreden van
de werkloosheid als de voor hem gebruikelijk te achten omvang gemiddeld
per kalenderweek kan worden aangemerkt. Het arbeidsurenverlies bedraagt
het verschil tussen beide aantallen uren.
-5. Indien aan het einde van de cyclus blijkt dat het totale
arbeidsurenverlies op een hoger of lager aantal uren vastgesteld had
moeten worden, wordt de beslissing ter zake de vaststelling van het
arbeidsurenverlies herzien.
-6. Dit artikel is niet van toepassing op de werknemer die seizoenmatige
arbeid heeft verricht. Onder seizoenmatige arbeid wordt verstaan arbeid
die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is of
hieraan direct is gerelateerd en daardoor slechts gedurende één of
meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt
verricht. Er is geen sprake van seizoenmatige arbeid als de
werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om
organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks
terugkerende periodes.
Nieuwe regeling
Het is nu mogelijk de
premies in de wachtgeldfondsen te differentiëren naar categorieën
werknemers.
rblz.|13|
2.5. Experiment sluitende
aanpak in de Werkloosheidswet (WW) (artikel II, onderdeel J)
Huidige regeling
Een ander
WW-experiment
dat is geëvalueerd is het "groot experiment" WW: de sluitende aanpak
WW (artikel 130 WW).
Aanleiding tot
deregulering
Uit de evaluatie van de
WW-experimenten komt naar voren dat de regelgeving rondom de sluitende
aanpak WW onnodig gecompliceerd is. Het zeer gedetailleerd
omschrijven van doelgroep, budgetten en verantwoordingsinformatie
in wet- en regelgeving werkt eerder verstikkend dan dat het bijdraagt aan
het beoogde doel: het voorkomen van langdurige werkloosheid.
Ten aanzien van de wet- en regelgeving met betrekking tot de
sluitende aanpak is om deze redenen deregulering gewenst. Eenvoudigere en
flexibelere regelgeving in combinatie met reguliere verantwoording
zal bijdragen aan een betere effectuering van de beleidsdoelen.
Nieuwe regeling
Het
UWV heeft op grond
van artikel 72 WW de taak de arbeidsinschakeling te bevorderen van
werknemers die recht hebben op werkloosheidsuitkering. Het UWV laat de
werkzaamheden uitvoeren door private reïntegratiebedrijven.
De sluitende aanpak WW wordt gehandhaafd. Met het UWV worden afspraken
gemaakt over de sluitende aanpak welke neergelegd worden in het
jaarplan UWV. Hiervoor wordt de opdracht aan het UWV om een sluitende
aanpak te realiseren en daarover verantwoording af te leggen (alsmede de
hoogte van de hiervoor beschikbare budgetten), opgenomen in
het jaarplan UWV. De mate van sluitendheid wordt een
sturingsindicator in het jaarplan. Het UWV zal elk kwartaal verantwoording afleggen
over de realisaties (planning en controlecyclus). Een soortgelijke
werkwijze wordt ook gevolgd bij gemeenten waarmee afspraken worden gemaakt
in het kader van de Agenda voor de Toekomst. In de afspraken die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
met het UWV maakt ten
behoeve van het jaarplan zal daarom een mate van sluitendheid worden
afgesproken. De inzet voor 2004 is daarbij een mate van sluitendheid
binnen één jaar van 95%.
Inwerkingtreding en
overgangsrecht
De tekst van
artikel 130
wordt in dit wetsvoorstel vervangen. Het voorgestelde artikel 130 wordt het
nieuwe experimentenartikel (zie paragraaf 2.5).
2.6. Experiment inzet
reïntegratiemiddelen (artikel II, onderdeel
J, K, L,
M, N en
O)
Oude experimentregelingen
Op grond van
hoofdstuk Xa
van de WW heeft een aantal experimenten bestaan. Dit waren
experimenten met betrekking tot het helpen van WW-uitkeringsgerechtigden
die wat verder afstaan van de arbeidsmarkt bij het terugkeren naar
de betaalde arbeid. Deze experimenten, die een duur hadden van vier
jaar, zijn deels al beëindigd en lopen deels binnen korte tijd af.
Experimenten kunnen een
belangrijke bijdrage leveren aan het flexibel inspelen op nieuwe
behoeften en ontwikkelingen. Uit de evaluatie van de kleine experimenten
WW komt naar voren dat de regelgeving rondom de kleine experimenten
echter soms te gecompliceerd was en daardoor niet doelmatig. Het voorstel
is dan ook om de huidige experimenteerbepaling in de WW te vervangen
door een eenvoudigere bepaling, conform de tekst in de Wet
werk en bijstand (Wwb) en de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen rblz.|14|
(Wet SUWI). Hierdoor ontstaat er ruimte
voor de uitvoering en
overige betrokkenen bij reïntegratie om ideeën aan te dragen. De
experimenten worden door de wetgever of de minister dus niet van bovenaf
opgelegd. Door aan te sluiten bij de teksten opgenomen in de genoemde wetten
ontstaat er meer eenheid in de experimenteerartikelen in de verschillende
wetten. Dit voorstel sluit aan bij de wensen van de Tweede Kamer,
zoals geuit tijdens het algemeen overleg van 24 september 2003. Daarin
gaf de Vaste Commissie voor SZW aan veel belang te hechten aan een
experimenteerregeling die de uitvoering flexibiliteit geeft bij de inzet van
het reïntegratie-instrumentarium.
Nieuwe
experimenteerregeling
Analoog aan
artikel
82a van de Wet SUWI wordt met dit wetsvoorstel een experimenteermogelijkheid
in de WW voorgesteld. In artikel 130 van de
WW wordt de mogelijkheid
om te experimenteren gecreëerd. Die mogelijkheid heeft betrekking op het
afwijken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen
24, 26 en 72
tot en met 78 WW, om zo de WW, met betrekking tot de inschakeling in de
arbeid van WW-uitkeringsgerechtigden, doeltreffender uit te voeren. In een
algemene maatregel van bestuur (met voorhangprocedure) wordt
nader geregeld op welke wetsbepalingen de experimenten betrekking
hebben, alsmede de randvoorwaarden. Deze algemene maatregel van
bestuur zal, op grond van het vijfde lid van dit artikel, vooraf aan beide
kamers der Staten-Generaal worden voorgelegd. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald aan welke nadere voorwaarden een experiment moet
voldoen.
Experimenten zijn per
definitie van tijdelijke aard en de looptijd dient dus beperkt te worden.
Anderzijds dient er voldoende tijd beschikbaar te zijn om conclusies te kunnen
trekken over de effecten van een experiment en de eventuele bredere
toepassing. De regering denkt daarbij aan de looptijd van een experiment van
maximaal vier jaar.
Het is op voorhand
overigens niet de bedoeling om een experiment vier jaar te laten duren. Het
voorstel biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld in eerste instantie uit te
gaan van een duur van twee jaar en het experiment vervolgens met (maximaal)
twee jaar te verlengen. Gegeven het karakter van een experiment zullen
experimenten worden beperkt in duur en aantallen. De
doelstellingen en de te behalen resultaten zullen vooraf in termen van winst en
producten voor de landelijke beleidsontwikkeling worden bepaald. Na afloop
wordt aan het parlement gemeld hoe het experiment is verlopen.
Mede op grond daarvan kan worden bepaald of een experiment tot
wetswijziging moet leiden.
3. Wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
3.1. Vervallen
statusoverzichten (artikel III, onderdeel
A, B en C [zie onderdeel
D, red.])
Huidige regeling
Op grond van
artikel 33,
vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet
SUWI) verstrekt het UWV aan verzekerden en uitkeringsgerechtigden
periodiek een overzicht van hun gegevens zoals die zijn opgenomen
in de administratie van het UWV. Dit overzicht wordt het
statusoverzicht genoemd. Artikel 3.2 van de
Regeling SUWI geeft een nadere
invulling aan de vereiste gegevens op het zogenoemde statusoverzicht en de
periodiciteit van de verstrekking van dit bericht. Het
statusoverzicht wordt jaarlijks verstrekt.
Aanleiding tot
deregulering
In het kader van het
Actieplan Vereenvoudiging SZW-regelgeving heeft het UWV
voorgesteld de
jaarlijkse massale toezending van statusoverzichten rblz.|15|
te
beëindigen. Volgens het UWV is deze jaarlijkse toezending op dit moment weinig
zinvol aangezien verzekerden nu onvoldoende belang bij en
verantwoordelijkheid hebben voor de juistheid van deze gegevens.
Nieuwe regeling
Voorgesteld wordt om
artikel 33, vijfde lid, Wet SUWI te laten vervallen. In de wetsvoorstellen
Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en Invoeringswet
Wfsv zal
worden voorgesteld om per 1 januari 2006 een verzekeringsbericht te
introduceren (in een nieuw artikel 33c
in de Wet SUWI). Het essentiële verschil met het statusoverzicht is dat bij de introductie
van het
verzekeringsbericht tevens gewaarborgd zal worden dat verzekerden voldoende
belang en verantwoordelijkheid krijgen voor de controle op de juistheid van de vermelde gegevens op het verzekeringsbericht.
De verzekerden krijgen
hier belang bij in verband met de inschrijving bij een ziekenfonds, de
aanvraag voor een uitkering bij het UWV, maar ook in verband met
het meervoudige gebruik van deze gegevens door diverse andere
afnemers. Het verzekeringsbericht bevat overigens ook meer gegevens, onder
meer over het verzekerde loon en de verzekeringsplicht voor
de verschillende werknemersverzekeringen. Het UWV en de ziekenfondsen
zullen bij het verzoek om een verstrekking of een uitkering - behoudens tegenbewijs
- uitgaan van de juistheid van de gegevens in de
administratie van het UWV.
Het UWV verwacht dat pas
nadat een dergelijk belang bestaat bij verzekerden een massale toezending
van verzekeringsberichten zinvol kan zijn voor de controle van de
gegevens in de administratie bij het UWV. Voorgesteld wordt om tot de
inwerkingtreding van de Wfsv en de Invoeringswet Wfsv van
een dergelijke massale toezending af te zien en geen statusoverzichten
meer te maken.
Voorts wordt in het kader
van het voorstel van Wet feitelijk arbeidsverleden WW
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 249, nr. 2) voorzien in de introductie van een
arbeidsverledenbeschikking. Hierin wordt eens in de vijf jaar per kalenderjaar
aangegeven of dat kalenderjaar meetelt in het kader van een recht op WW-uitkering.
3.2. Regeling
opsporingstaak SIOD in de Wet SUWI
in verband met gegevensuitwisseling
(artikel III, onderdeel D [zie artikel
III, onderdeel E, red.])
Huidige regeling
Op grond van
artikel 72
Wet SUWI verstrekken CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.], UWV
en SVB
alle gegevens aan de minister
die de minister nodig heeft voor zijn taak. Op grond van artikel
73,
zevende lid, Wet SUWI verstrekt de minister aan CWI, UWV en SVB (en
colleges van burgemeester en wethouders) alle gegevens die deze instanties nodig hebben voor een
goede uitvoering van hun wettelijke taken. Daarnaast regelt artikel
54 Wet SUWI de gegevensverstrekking door een ieder aan de minister van
gegevens die de minister nodig heeft voor de uitvoering van bij of krachtens
de Wet SUWI of enige andere wet uit te voeren taak ten opzichte van
werkgevers en werknemers; dezelfde gegevens worden op grond van het
derde lid ook door gemeentebesturen en onder andere de belastingdienst (ook) aan
de minister verstrekt op grond van het artikel
54, derde lid, voor zover die
gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van taken.
Aanleiding tot wijziging
De vraag is of deze
artikelen van toepassing kunnen worden verklaard op de gegevensuitwisseling
met de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). Uit de Wet
SUWI wordt niet duidelijk dat een onder de minister
ressorterende dienst met
de opsporingstaak wordt belast. Artikel 85 regelt de aanwijzing van opsporingsambtenaren door de
Minister van Justitie, rblz.|16|
voor zover het de
opsporing van strafbare feiten betreft genoemd in dat artikel van uitvoering
van wetten opgedragen aan de CWI, het
UWV
en de SVB van personen
werkzaam bij deze instanties. De in voorbereiding zijnde Wet op de
bijzondere opsporingsdiensten (Wet BOD) zal het bestaan van de SIOD
regelen. Vooruitlopend op de totstandkoming van die wet is de SIOD per 1
januari 2002 al ingericht en belast met de opsporing van zware, complexe en
kolomoverstijgende fraude binnen het totale domein van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Voorts heeft de Minister van Justitie de
ambtenaren werkzaam bij de SIOD al de status van buitengewoon opsporingsambtenaar
krachtens artikel 142 van het Wetboek
van Strafvordering toegekend
(in het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SIOD 2002).
Er ontbreekt echter nu
nog een formele wettelijke bepaling in de Wet SUWI
waaruit blijkt dat
de SIOD met de taak van opsporing is belast. Om de bepalingen over
gegevensverkeer (en structureel gegevensverkeer via elektronische weg) binnen
het SUWI-domein ook op de SIOD van toepassing te doen zijn, is het
wenselijk in de Wet SUWI de taak bijzondere opsporing expliciet bij
de minister, dat wil zeggen bij de onder hem ressorterende
opsporingsdienst, te laten berusten.
Nieuwe regeling
Vooruitlopend op en
parallel aan de Wet BOD wordt voorgesteld om de taak van de SIOD ook in
de Wet SUWI te regelen. Daartoe is na het eerste lid van
artikel 85
Wet SUWI een nieuw tweede lid opgenomen.
In dit lid wordt geregeld
dat met de taak tot opsporing van feiten strafbaar gesteld bij deze (de Wet
SUWI) of enige andere wet tevens zijn belast de bij besluit van de
Minister van Justitie aangewezen opsporingsambtenaren die werkzaam zijn bij de
bijzondere opsporingsdienst die onder de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid ressorteert. Vooruitlopend op de totstandkoming van
de Wet BOD wordt dan duidelijk dat voor de strafrechtelijke
handhaving op het beleidsterrein waarvoor de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid verantwoordelijkheid draagt een onder hem vallende
opsporingsdienst bestaat. Daarmee behoort de SIOD tot de taak van de minister.
Hiermee wordt bereikt dat
de onder de minister werkzame bijzondere opsporingsdienst
rechtstreeks toegang krijgt tot de gegevens die op grond van artikelen 72 en
artikel 73 van de Wet SUWI tussen de minister enerzijds en
de CWI, UWV
en de SVB
anderzijds kunnen worden uitgewisseld, hetgeen in aanzienlijke
mate bijdraagt aan vereenvoudiging in de uitvoering van de
opsporingstaak. Voorts wordt ook artikel 54, dat de verplichting tot
verstrekking van gegevens door een ieder en bepaalde bestuursorganen aan de
minister regelt, voor zover die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
taken, van toepassing. Dit voorstel beoogt hiermee dit gegevensverkeer
richting SIOD ook in de Wet SUWI een adequate wettelijke basis te
geven, zodat daarover in de uitvoering niet langer meer onduidelijkheid bestaat.
Voor de bevoegdheden die samenhangen met opsporingstaak biedt voor
het overige het bestaande aanwijzingsbesluit van de Minister van
Justitie, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar SIOD 2002, voldoende
basis.
4. Wijzigingen van de
Algemene Kinderbijslagwet
4.1. Herstel vervallen
artikellid (artikel IV, onderdeel A)
Huidige regeling
In
artikel 7 van de
Algemene Kinderbijslagwet is thans onbedoeld de bepaling "een in het tweede lid,
onderdeel c, bedoeld kind wordt voor het recht op kinderbijslag
meegerekend zolang het werkloos is" niet opgenomen. Verder bevat artikel 7
twee leden die gedeeltelijk dezelfde inhoud hebben. Zowel in het zevende als
in het achtste lid wordt namelijk geregeld dat rblz.|17|
een in het tweede lid,
onderdeel c, bedoeld kind als werkloos wordt aangemerkt indien en
zolang het bij de Centrale organisatie werk en inkomen als werkzoekende
is geregistreerd.
Aanleiding voor de
wijziging
Door inwerkingtreding per
1 januari 2004 van twee wijzigingen van artikel 7 in afzonderlijke
wetsvoorstellen is onbedoeld de bepaling "een in het tweede lid, onderdeel
c,
bedoeld kind wordt voor het recht op kinderbijslag
meegerekend zolang het
werkloos is" komen te vervallen. Ook de dubbeling in het zevende
en achtste lid van artikel 7 is het onbedoelde gevolg van het op
hetzelfde moment in werking treden van twee wijzigingen van hetzelfde artikel in
afzonderlijke wetsvoorstellen. Deze wijzigingen betreffen technische correcties.
Nieuwe regeling
In het nieuwe
artikel 7
is de onbedoeld vervallen bepaling opnieuw opgenomen in het achtste lid. De
dubbeling in het zevende en achtste lid van artikel 7 is
weggenomen
door het voorheen zevende lid te laten vervallen.
4.2. Verrekening
kinderbijslag voor verschillende kinderen (artikel IV, onderdeel B en
C)
Huidige regeling
Op grond van
artikel
24a,
tweede lid, juncto artikel 17g, tweede lid, van de
Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) dient de SVB een besluit tot terugvordering van onverschuldigd
betaalde kinderbijslag ten uitvoer te leggen door verrekening met de
kinderbijslag waarop de verzekerde nog recht heeft. In de praktijk
laat de SVB deze verrekening niet alleen plaatsvinden met de kinderbijslag die
wordt verstrekt voor de verzorging van het kind ten behoeve van wie de
onverschuldigd betaalde kinderbijslag is verstrekt, maar ook met
de kinderbijslag waarop de verzekerde ten behoeve van een ander
kind recht heeft.
Aanleiding tot
deregulering
De
Centrale Raad van
Beroep (CRvB) heeft echter uitgesproken dat de bedoelde verrekening met
kinderbijslag waarop de verzekerde ten
behoeve van een ander
kind recht heeft niet is toegestaan. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 28
september 2001 (99/5216 en 99/5217) het volgende overwogen:
"Artikel 475c, onderdeel b
[onderdeel c, red.], Rv [Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, red.] bepaalt dat een beslagvrije voet is verbonden aan (beslag op) vorderingen
tot periodieke betaling van uitkeringen op grond van socialezekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook. Verder is
in artikel 475d Rv
nader uitgewerkt hoe de beslagvrije voet wordt vastgesteld.
Artikel 475c e.v. zijn
ingevoerd bij de Wet van 13 december 1990, Stb. 1990, 605, bij welke wet tevens de
beslagverboden op uitkeringen in vrijwel alle socialezekerheidswetten ingaande
1 april 1991 zijn opgeheven. (...) In aanmerking genomen dat bij de
invoering van artikel 475c e.v. Rv
de mogelijkheid van beslag onder zekere
beperkingen op sociale uitkeringen is ingevoerd, onder handhaving van
het beslagverbod op kinderbijslag, verstaat de Raad de verwijzing in artikel
17g, achtste lid, van de AKW naar artikel 475
Rv
zo dat het daar bedoelde
inkomen van de verzekerde mede omvat zijn kinderbijslagaanspraak.
(...) Het hiervoor overwogene met betrekking tot de reikwijdte van artikel
17g van de AKW
betekent tevens dat daarbij ook de uitzondering op het
beslagverbod van artikel 23 AKW
in aanmerking dient te worden genomen. Deze
uitzondering houdt in dat beslag op kinderbijslag wel mogelijk is "voor
zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het
kind". Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling is deze mogelijkheid tot beslag geïntroduceerd om te voorkomen
dat kinderbijslag voor
een ander doel wordt aangewend dan de verzorging rblz.|18|
van het betreffende
kind en wordt beslag uitgesloten voor verhaal van uitkeringen voor
onderhoud van anderen dan het betrokken kind. (...) Nu op grond van artikel
23 AKW
voor gedaagdes vordering beslag mogelijk is, leidt het hiervoor
overwogene tot de slotsom dat gedaagde op grond van artikel
17g, tweede en
achtste lid, AKW
de te veel aan appellanten betaalde kinderbijslag in
beginsel kan verrekenen met toekomstige aanspraken op
kinderbijslag, met dien verstande dat de verrekening per kind gespecificeerd dient
te worden en slechts betrekking kan hebben op toekomstige aanspraken
met betrekking tot het betreffende kind tot het maximum van hetgeen ten
behoeve van dat kind te veel aan kinderbijslag is betaald."
Deze beperking van de
mogelijkheid voor de SVB om onverschuldigd betaalde
kinderbijslag te
verrekenen, leidt niet tot een toename van (aparte)
terugvorderingsbesluiten. Deze waren en blijven in dezelfde mate nodig bij iedere
terugvordering. Daarop is een verruiming van de invorderingmogelijkheden
door verrekening immers niet van invloed. Wel bespaart de voorgenomen
wijziging van artikel 23
een aantal acties, zoals:
• het (her)berekeningen
van de aflossingscapaciteit;
• het bevorderen van
(aparte) machtigingen om kinderbijslag te verrekenen met kinderbijslagrechten
voor andere kinderen;
• het inschakelen van
een deurwaarder.
Verder zal de
doorlooptermijn van de tenuitvoerlegging van een invordering aanzienlijk korter
worden. Een versnelde realisatie leidt tot een rentewinst en besparing op
afloopcontroles en reduceert tevens het volume van eventuele
kwijtscheldingen.
Nieuwe regeling
Deze houdt in dat wel
beslag mag worden gelegd op kinderbijslag indien dit dient tot
tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde
kinderbijslag. Gelet op de, door de CRvB aangegeven, samenhang tussen de
artikelen 17g, tweede en achtste lid, en 23
AKW kan de SVB de te
veel
aan betrokkenen betaalde kinderbijslag verrekenen met toekomstige
aanspraken op kinderbijslag. Deze verrekening kan niet alleen
plaatsvinden met de toekomstige aanspraak voor het betreffende kind ten behoeve van wie
te veel kinderbijslag is betaald, maar
ook met aanspraken of
toekomstige aanspraken van de verzekerde op kinderbijslag ten behoeve
van andere kinderen.
In de wetsgeschiedenis
met betrekking tot artikel 23 AKW
wordt aangegeven dat beslag slechts
mogelijk is voor zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot
levensonderhoud van het kind. Het idee hierachter is dat voorkomen dient te worden
dat kinderbijslag voor een ander doel wordt aangewend dan de
verzorging van het kind. Indien een verzekerde echter voor een ander tot het
huishouden behorende kind kinderbijslag onverschuldigd betaald heeft gekregen,
hebben ook de andere kinderen hiervan tijdelijk voordeel ondervonden. In de praktijk zal kinderbijslag immers
veelal deel uit maken van
het totale inkomen van het huishouden, van waaruit alle lasten
worden betaald. Deze wijziging van artikel 23
AKW interfereert niet met de
voornoemde wetsgeschiedenis.
Ondanks het feit dat in
artikel 24a AKW het woord "kan" is opgenomen, wordt hiermee niet
bedoeld dat de SVB een discretionaire verrekeningsbevoegdheid zou hebben. Het is met
andere woorden de bedoeling dat de SVB steeds van zijn
verrekeningsbevoegdheid gebruik maakt. Indien echter een belanghebbende bezwaar maakt en dat bezwaar hangt samen
met het feit dat de
verrekening binnen een "samengesteld gezin" tussen de AKW-uitkeringen ten
behoeve van twee kinderen die niet dezelfde ouders hebben, plaatsvindt,
dan kan de SVB in die situatie alsnog van verrekening afzien en het
bezwaar honoreren. Uiteraard dient de SVB een rblz.|19|
dergelijk bezwaar wel op
zijn individuele merites te beoordelen. Zou in plaats van het woord
"kan" in artikel 24a AKW
een verrekeningsplicht zijn opgenomen, dan zou deze
uitzondering op het principe dat steeds verrekend moet worden na bezwaar
voor de SVB moeilijker te beargumenteren zijn.
5. Wijziging van de
Algemene Ouderdomswet
Herziening van de
pensioenbedragen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW)
(artikel V,
onderdeel A, B, C,
D, E,
F en G)
Huidige regeling
De
AOW-pensioenbedragen
zijn op grond van artikel 9, vijfde lid, van
die wet op nettobasis
gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Ook voor de vaststelling van de
hoogte van de brutotoeslag is er sprake van een koppeling: de volledige
brutotoeslag is namelijk gelijk aan het bruto-ouderdomspensioen van een gehuwde
pensioengerechtigde (artikel 9, negende lid).
Treedt er in de in
artikel 9, vijfde en negende lid, bedoelde gelijkheid een verstoring op, dan moeten
de pensioenbedragen bij ministeriële regeling worden herzien. Dat geldt
eveneens voor de vakantie-uitkering op grond van de AOW, die op
nettobasis per maand gekoppeld is aan de minimumvakantiebijslag (artikelen 29 en
30 van de AOW).
Aanleiding tot
deregulering
Ook de
nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
(Anw) is
op nettobasis gekoppeld aan het minimumloon (artikel
17). Dat geldt
eveneens voor de halfwezenuitkering (artikel 25).
De vakantie-uitkering
voor deze twee groepen is op nettobasis gekoppeld aan de
minimumvakantiebijslag (artikel 31). In tegenstelling tot de
AOW
is in de Anw geen bepaling
opgenomen op grond waarvan een herziening van de uitkeringsbedragen
in verband met een verstoring in de netto-nettokoppeling bij ministeriële regeling dient plaats te vinden. Een wijziging
van de uitkeringsbedragen
ingevolge de Anw vergt daardoor minder administratieve
handelingen dan een wijziging van de uitkeringsbedragen op grond van de AOW.
Voorgesteld wordt de AOW ter zake in overeenstemming te brengen met de Anw.
Nieuwe regeling
De nieuwe regeling wordt
gerealiseerd door - zoals hiervoor reeds is aangegeven - de AOW
ter
zake in overeenstemming te brengen met de Anw. In dit verband kan,
naast enkele kleine technische aanpassingen, volstaan worden met het
laten vervallen van artikel 9, tiende lid, en
artikel 12 van de AOW, evenals
van artikel 29, zesde lid, en artikel 30 van de
AOW. Benadrukt wordt dat deze
wijzigingen niet ten doel hebben de koppeling van de AOW aan het
minimumloon te wijzigen. Indien het minimumloon wijzigt, vloeit voortaan
uit de systematiek van artikel 9 voort dat ook het ouderdomspensioen
wijzigt.
6. Wijziging van de WAO
Wijzigingen in no-riskpolis Pemba (artikel VI, onderdeel A en
B)
Er worden twee
wijzigingen in de no-riskpolis Pemba voorgesteld. De eerste heeft betrekking
op de omschrijving van de duur van de no-riskpolis, de tweede ziet specifiek
op de no-riskpolis voor personen die na een Wsw-dienstbetrekking bij
een reguliere werkgever zijn gaan werken met begeleiding vanuit de Wsw.
rblz.|20|
Huidige regeling en
aanleiding tot deregulering
6a: no-riskpolis:
formulering duur
Als een werkgever een
arbeidsgehandicapte werknemer in de zin van de Wet
Rea in dienst neemt,
krijgt hij een zogenaamde no-riskpolis voor de Pemba-lasten. Deze houdt
in dat de werkgever wordt gevrijwaard van doorbelasting van de
arbeidsongeschiktheidslasten als de werknemer uitvalt door ziekte of
handicap en binnen zes jaar, na aanvang van de dienstbetrekking, een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend. Deze zesjarentermijn kan
verlengd worden als er sprake is van een werknemer met een aanzienlijk verhoogd gezondheidsrisico.
De voorwaarden voor deze
regeling sluiten aan bij de no-riskpolis voor de Ziektewet (ZW). Daarvoor
is geregeld in artikel 29b ZW dat de
werknemer die voorafgaand aan
indiensttreding arbeidsgehandicapte is recht op ziekengeld heeft als hij
binnen vijf jaar na indiensttreding uitvalt door ziekte of handicap. Deze
vijfjarentermijn kan verlengd worden als er sprake is van een
werknemer met een aanzienlijk verhoogd gezondheidsrisico.
De duur van de
no-riskpolis Ziektewet en no-riskpolis Pemba lijken thans dus te verschillen. Beide
polissen starten namelijk op het moment dat een persoon in dienst treedt
bij een werkgever. De periode van de no-riskpolis Ziektewet duurt echter
vijf jaar, die van de no-riskpolis Pemba zes jaar. Dit verschil wordt verklaard
omdat iemand pas ná de periode van loondoorbetaling (voorheen één jaar) een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verstrekt.
Waar het in feite om
gaat, en wat bedoeld is te regelen, is het volgende: voor iemand die in de
eerste vijf jaar na indiensttreding ziek wordt, moet zowel een recht op de
no-riskpolis ZW bestaan als een recht op de no-riskpolis Pemba. Door bij de
formulering van de rechten te verwijzen naar de periode waarbinnen iemand
ziek is geworden, is er maar één termijn: die van vijf jaar. Deze rechten
staan los van de duur van de periode van de loondoorbetaling
(voorheen één jaar, nu twee jaar). Deze vereenvoudigde formulering leidt
er
tevens toe dat bij de no-riskpolis Pemba niet meer de eis gesteld
wordt dat de
werknemer arbeidsgehandicapte moet zijn gebleven tot de
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
6b: no-riskpolis:
begeleid werken vanuit Wsw
Een persoon die werkzaam
is in een dienstbetrekking in het kader van de Wsw (Wet sociale
werkvoorziening) is uitgesloten van het arbeidsgehandicaptebegrip in de zin van de
Wet Rea. Voor deze groep werknemers staan immers al
voorzieningen op grond van de Wsw
open. Gevolg hiervan kan echter zijn
dat degene die gaat werken bij een reguliere werkgever met begeleiding vanuit de
Wsw (het begeleid werken op grond van
artikel 7 van de Wsw)
uitgesloten is van de no-riskpolis Pemba. Dit is het geval als die werknemer
onmiddellijk voorafgaande aan de dienstbetrekking met die werkgever,
werkzaam was in de Wsw of in een andere reguliere dienstbetrekking met
begeleiding vanuit de Wsw.
Deze uitsluiting van de
no-riskpolis Pemba is een onbedoeld gevolg van de uitsluiting van het
arbeidsgehandicaptebegrip. Met ingang van 1 januari 2004 is de no-riskpolis
Ziektewet in artikel 29b ZW
al gewijzigd en bestaat ook recht op
ziekengeld indien een verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de dienstbetrekking werkzaam was als werknemer in de
zin van de Wsw of op een
arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7 van de
Wsw.
Nieuwe regelingen
De nieuwe regeling wordt
gerealiseerd door in de bepalingen over de rblz.|21|
no-riskpolis Pemba, artikel
75a, derde lid, en artikel 76f, zesde lid,
WAO, aan te sluiten bij de
formulering van artikel 29b ZW.
Hiermee wordt bereikt dat
de zesjarentermijn in artikel 75a, derde lid, en
artikel 76f, derde lid, WAO
komt te vervallen en dat de duur van de no-riskpolis Pemba geheel
overeenstemt met de termijn zoals vermeld in artikel 29b
ZW. Tevens wordt
hiermee bereikt dat ook voor een werknemer die direct voorafgaande aan
de dienstbetrekking op een Wsw-dienstbetrekking of bij een reguliere
werkgever met begeleiding vanuit de Wsw werkzaam was, de no-riskpolis Pemba van toepassing is. Wsw-ers nemen net als arbeidsgehandicapten een bijzondere positie in op de reguliere
arbeidsmarkt. Met de
voorgestelde wijziging wordt de arbeidsmarktpositie van Wsw-ers - net als
die van arbeidsgehandicapten - versterkt, omdat de werkgever die de Wsw-er
in dienst neemt gedurende vijf jaar niet verantwoordelijk is voor de WAO-lasten.
Door de voorgestelde
wijzigingen in de WAO neemt de transparantie en de eenduidigheid van de regelgeving derhalve toe. Door de aansluiting
blijft ook de verlenging
van de periode op grond van het Arbeidsgehandicaptebesluit van toepassing in geval
van chronische ziekte en hoeft dit niet meer apart geregeld te worden. Hiermee wordt de regeling
vereenvoudigd.
7. Wijziging van de
Algemene nabestaandenwet
7.1. Herziening
Anw-uitkering in verband met herziening wettelijk minimumloon (artikel VII,
onderdeel A)
Huidige regeling
In de
Anw ontbreekt - in
tegenstelling tot de AOW
- de bepaling dat de
artikelen 3:41 en 3:45
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn op beschikkingen
waarbij de uitkering als gevolg van een herziening van het nettominimumloon
wordt gewijzigd. De SVB
dient daarom bij wijziging van het wettelijk minimumloon een beschikking tot wijziging
van de uitkering te
verzenden aan de uitkeringsgerechtigde.
Aanleiding tot
deregulering
In de
AOW
is geregeld dat
de genoemde artikelen niet van toepassing zijn bij wijziging van de
uitkering als gevolg van wijziging in het wettelijk
minimumloon. De SVB
kan
daardoor deze wijzigingen doorvoeren zonder dat zij een beschikking
daarover hoeft te zenden aan de uitkeringsgerechtigden. Gezien de vergelijkbare
systematiek van de AOW en de Anw is er geen reden om voor
wijziging van de uitkeringsbedragen in de Anw
zwaardere formele eisen
te stellen dan in de AOW. Daarmee wordt aangesloten bij de huidige
uitvoeringspraktijk.
Nieuwe regeling
Voorgesteld wordt in de
Anw een bepaling op te nemen waardoor de SVB
geen formele
beschikking hoeft te zenden als de uitkering als gevolg van een herziening van
het nettominimumloon wordt gewijzigd en tegen die herziening geen
bezwaar en beroep openstaat. Het betreft hier een aanpassing aan de AOW
die
al een dergelijke bepaling kent.
7.2. Nabestaandenuitkering
pseudo-nabestaande (artikel VII, onderdeel
B)
Huidige regeling
Een persoon van wie de
ex-echtgenoot is overleden en die alimentatie of een daarmee vergelijkbare
vergoeding van de ex-echtgenoot ontving, kan in aanmerking komen voor
een nabestaandenuitkering. De ex-echtgenoot moet een verplichting tot
levensonderhoud jegens de nabestaande hebben gehad, blijkende uit een rechterlijk vonnis of uit een in een notariële
akte vastgelegde
overeenkomst. Ook een door een advocaat ondertekende rblz.|22|
akte kan als bewijs
dienen, dan wel een akte die tot stand is gekomen door de inzet van
een advocaat.
Aanleiding tot wijziging
Steeds vaker wordt bij
echtscheiding de hulp ingeroepen van een neutrale conflictbemiddelaar,
zoals bijvoorbeeld een mediator van het Nederlandse Mediation Instituut, in
de plaats van een advocaat. De SVB is voornemens een
overeenkomst
bevattende een verplichting tot levensonderhoud die aldus tot stand is
gekomen ook te accepteren bij de vaststelling van het
recht op
nabestaandenuitkering.
Nieuwe regeling
Op grond van de nieuwe
regeling kan nabestaandenuitkering worden toegekend aan een persoon
van wie de ex-echtgenoot is overleden en die op grond van een
overeenkomst die al dan niet met hulp van een neutrale
conflictbemiddelaar tot stand is gekomen verplicht was tot levensonderhoud van die
persoon.
8. Wijziging hoger beroep
subsidiezaken Europees Sociaal Fonds (artikel VIII en IX)
Huidige regeling,
aanleiding tot deregulering en nieuwe regeling
De behandeling van het
hoger beroep in subsidiezaken met betrekking tot het Europees Sociaal
Fonds (ESF) geschiedt thans - afhankelijk van het soort zaak - zowel bij
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als bij de
Centrale
Raad van Beroep.
Ter bevordering van de
efficiency en de snelheid van afdoening wordt voorgesteld het hoger
beroep bij één rechter onder te brengen, en wel de Afdeling
bestuursrechtspraak. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de aankondiging in de brief
aan de Tweede Kamer van 30 oktober 2003 (Kamerstukken II 2003-2004,
26 642, nr. 59).
9. Financiële effecten
op de uitkeringslasten van de voorstellen
9.1. Afschaffen
meerkostenregeling en omzetten in subsidie-instrument werkgever
De huidige
meerkostenregeling in combinatie met de premiekortingsregeling voor subsidiëring van
werkplekaanpassingen van arbeidsgehandicapten die in dienst worden
gehouden of genomen is qua uitvoering zowel voor de werkgever
als het UWV tamelijk bewerkelijk. Voorgesteld wordt om de meerkostenregeling om te zetten in een
regeling
waarbij de werkgever
vóóraf een eigen bijdrage betaalt voor de benodigde
werkplekaanpassingen in plaats van na verloop van tijd wordt gekort met het bedrag van
de premiekorting.
De omzetting in de nieuwe
regeling is budgettair vrijwel neutraal. De aansluiting van de eigen
bijdrage van werkgevers voor Wajong-ers bij de algemene bedragen voor de
arbeidsgehandicapten zal tot een kleine toename van de subsidie
aan werkgevers voor werkplekvoorzieningen voor Wajong-ers kunnen
leiden. Daar staat tegenover dat de invoering van een eigen bijdrage voor
de werkgever bij vervanging, in gevallen waar voorheen geen
premiekorting van toepassing was, tot een kleine besparing leidt. Daarmee is de
omzetting in de nieuwe regeling budgettair vrijwel neutraal.
9.2. Afschaffen
reïntegratie-uitkering uitkering bij scholing en proefplaatsing en
gelijktrekken regelgeving voor arbeidsgehandicapten en niet-arbeidsgehandicapten
Op basis van informatie
van het UWV (Juninota) is bekend dat op dit
rblz.|23|
moment circa €|65 mln
wordt uitgegeven aan reïntegratie-uitkeringen tijdens scholing en
proefplaatsing ten laste van het Reïntegratiefonds (Rf). Afschaffing leidt dus tot
een besparing van €|65 mln voor het Reïntegratiefonds.
Personen die voorheen
gebruik zouden kunnen maken van de reïntegratie-uitkering
zullen nu een beroep doen op de werkloosheidsuitkering. Dit leidt tot extra
lasten voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) van €|25 mln.
Omdat de duur van de proefplaatsing wordt verkort, zal de toename van lasten
in feite €|8 mln minder zijn.
De structurele nettobesparing van het dereguleringsvoorstel wordt vanaf 2006 geraamd op €|48 mln (dit is een besparing ten laste van het Reïntegratiefonds van €|65 mln minus
nettoweglek AWf (€|25 mln
- €|8 mln) = €|17
mln).
9.3. Structurele regeling
van de proefplaatsing in de WW
Deze maatregel heeft geen
budgettaire consequenties. De proefplaatsing van de werkloze mag ten
hoogste drie maanden duren, hetgeen ook gold in het experiment
proefplaatsing werkloze.
9.4. Beëindigen
verlenging WW-uitkering tijdens scholing van een werkloze
Op basis van UWV-registraties is bekend dat circa 10 500 werklozen op jaarbasis scholing
volgen. Slechts voor 185 personen is de werkloosheidsuitkering verlengd als gevolg van
het bereiken van de maximale uitkeringsduur tijdens de
scholing. Totaal werd op jaarbasis €|830 000,- extra uitgekeerd tijdens
de verlenging van de werkloosheidsuitkering als gevolg van scholing. Het
beëindigen van deze verlenging levert dus circa €|830 000,- per jaar op.
9.5. Premiedifferentiatie
wachtgeldfondsen
Dit voorstel heeft geen
budgettaire consequenties. Er wordt immers alleen de mogelijkheid geopend
om de premies te differentiëren. Dit leidt niet tot meer of minder uitgaven.
Indien wordt overwogen gebruik te maken van de mogelijkheid om de
premiegroepen daadwerkelijk te wijzigen en de regeling inzake cyclische werkloosheid te wijzigen, zullen de budgettaire
consequenties worden
beoordeeld.
9.6. Vereenvoudiging in
regelgeving bij afleggen verantwoording over sluitende
aanpak
werklozen
Deze wijziging betreft
alleen de hoeveelheid en vorm van regelgeving met betrekking tot de
sluitende aanpak. Wettelijke bepalingen met betrekking tot de taakstelling
zullen worden vervangen door afspraken met het UWV. Dit heeft geen budgettair
effect.
9.7. Wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
De voorgestelde wijziging
met betrekking tot de AKW leidt tot een eenvoudigere verrekening
van te veel verstrekte kinderbijslag. Op het totale bedrag van de
uitgaven heeft deze maatregel geen effect. Wel bevordert deze een
snellere verrekening.
9.8. Wijziging van de
Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Anw
De voorgestelde wijziging
met betrekking tot de AOW
leidt tot een vereenvoudiging van de wijze van herziening van de pensioenbedragen en de
rblz.|24|
vakantie-uitkeringen. De
wijziging heeft geen invloed op de hoogte. Ook de wijzigingen van de Anw
hebben geen invloed op de hoogte.
9.9. Wijziging van de
no-riskpolis Pemba
De voorgestelde
wijzigingen hebben geen budgettaire consequenties. De wijziging met betrekking
tot de duur van de no-riskpolis Pemba leidt tot een eenduidige
systematiek. Er is geen sprake van een wijziging in de duur of de aanspraak op
de no-riskpolis.
Het van toepassing laten
zijn van de no-riskpolis op een persoon die onmiddellijk voorafgaand
aan de dienstbetrekking werknemer was in de zin van de Wsw
of op een
arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7 van de
Wsw, leidt niet tot
hogere uitkeringslasten. Dit leidt wel tot een beperkte verschuiving in
de premieheffing. De gedifferentieerde premie daalt iets onder
gelijktijdige verhoging van de basispremie. Dit heeft echter geen budgettair
effect.
10. Financiële effecten
op de uitvoeringskosten van de voorstellen
10.1. Subsidie voor de
werkgever voor reïntegratiekosten voor arbeidsgehandicapte
werknemers
De vereenvoudiging van de
regeling leidt tot een besparing op de uitvoeringskosten. Deze
besparing wordt geraamd op een bedrag van €|0,12
mln.
10.2.
Reïntegratie-uitkering tijdens scholing en proefplaatsing
De vereenvoudiging van de
administratieve verwerking tussen het Reïntegratiefonds en het
Algemeen Werkloosheidsfonds zal leiden tot een structurele jaarlijkse
besparing van €|0,23 mln.
Verder leiden de
voorgestelde maatregelen tot een verkorting van de maximale duur van de
uitkering. Het kleiner aantal handelingen hierdoor leidt tot een jaarlijkse
besparing van circa €|1,4 mln.
10.3. Bijlage over rechten
en plichten bij de WW-beslissing
Het minder vaak
verstrekken van het overzicht over rechten en verplichtingen van de WW-uitkeringsgerechtigde zal jaarlijks een besparing van
naar schatting €|1,3 mln opleveren. Het UWV
behoeft immers minder handelingen te
verrichten.
10.4. Proefplaatsing met
behoud van WW-uitkering
Het bij wijze van
experiment in de WW ingevoerde recht op WW-uitkering tijdens proefplaatsing
voor de duur van ten hoogste drie maanden wordt structureel in de WW
opgenomen. Dit leidt niet tot extra programmakosten. Ook voor de
uitvoeringskosten worden per saldo geen noemenswaardige effecten voorzien.
10.5.
Werkloosheidsuitkering tijdens noodzakelijke scholing
De duur van de WW-uitkering wordt niet meer verlengd tijdens noodzakelijke scholing, ook als de
scholing nog niet is afgerond. Met de afschaffing van de verlenging van de
uitkering is naar schatting €|0,8 mln aan programmakosten gemoeid.
rblz.|25|
10.6. Experiment sluitende
aanpak in de WW
De taak om een sluitende
aanpak te realiseren, wordt in het jaarplan opgenomen. Dit brengt geen mutatie
van de uitvoeringskosten met zich mee.
10.7. Experiment inzet
reïntegratiemiddelen
Dit voorstel brengt
vooralsnog geen verandering van de uitvoeringskosten met zich mee.
10.8. Vervallen
statusoverzichten
Uit bij het UWV
ingewonnen inlichtingen blijkt dat deze maatregel een besparing van naar
schatting €|5 mln uitvoeringskosten met zich mee brengt. Deze besparing
betreft personeel, automatiserings-, druk- en portokosten.
10.9. Wijziging van de
regels over de opspringstaak van de SIOD
Deze wijziging betreft
een formalisering van de taak van de SIOD en heeft geen budgettaire
consequenties.
10.10. Wijzigingen
Algemene Kinderbijslagwet
De wijziging van
artikel
7 AKW is alleen technisch en heeft geen effect op de uitvoeringskosten.
Het
voorstel met betrekking tot verrekening van de kinderbijslag levert geen
grote personele besparing op. De SVB mag nu ook al verrekenen indien
er toestemming is van de klant. In de gevallen waarin dat nu niet lukt,
levert een wettelijke mogelijkheid tot verrekening vooral een
vereenvoudiging op en een grotere zekerheid dat het bedrag terugkomt.
10.11. Wijzigingen in de
AOW en de ANW
De wijziging inzake de
vorm van herziening van de uitkeringsbedragen AOW
leidt tot enige
besparing doordat geen ministeriële regeling hoeft te worden opgesteld en
gepubliceerd. De wijziging van de herziening in de Anw
is alleen aansluiting
bij de praktijk en levert geen besparingen op. De wijziging in de uitkering met betrekking tot de pseudo-nabestaande zal
naar verwachting geen
invloed hebben op het aantal personen dat voor uitkering in aanmerking
komt. Betrokkenen kunnen na invoering van de regeling wel gemakkelijker onderling tot overeenstemming komen al dan
niet met hulp van een
neutrale bemiddelaar in plaats van inschakeling van een advocaat en de
rechterlijke macht.
10.12. Wijziging in de WAO
De voorgestelde wijziging
met betrekking tot de toepassing van de no-riskpolis Pemba leidt tot een verschuiving van de gedifferentieerde naar de
basispremie. De
uitvoering wordt daardoor niet bemoeilijkt en de wijziging brengt geen extra
uitvoeringskosten met zich.
10.13. Totaal besparingen
in de uitvoeringskosten
De totale besparing op de
uitvoeringskosten van het UWV van de maatregelen wordt op €|8,6
mln
geraamd. De besparingen bij de SVB
zijn niet substantieel.
rblz.|26|
11. Administratieve
lasten voor werkgevers
De voorstellen in
deze wet hebben, met uitzondering van het voorstel met betrekking tot de
subsidie voor extra reïntegratiekosten, geen betrekking op werkgevers. Zij zullen
hiervan dus geen gevolgen ondervinden. De wijziging van de subsidie
voor de extra reïntegratiekosten heeft tot doel de administratieve lasten
voor de werkgever, naast de administratieve belasting van het UWV, te
verminderen. Het voorstel leidt tot vermindering van de belasting van de
werkgever, doordat bij de toekenning en afrekening van de
subsidie geen verrekening met de premiekorting behoeft plaats te vinden.
Deze besparing wordt geraamd op €|86 000,- per jaar.
12. Voorlichting
De voorstellen in
deze wet hebben betrekking op de uitvoering van de
wetten door het
UWV en de SVB ten aanzien van uitkeringsgerechtigden. Het UWV en de SVB zullen
gerichte voorlichting verzorgen voor de personen op wie de
voorgestelde wijzigingen van toepassing zullen zijn. Dit zal veelal geschieden
bij de toekenning van het uitkeringsrecht en zodra specifieke
reïntegratieactiviteiten respectievelijk verrekeningsactiviteiten worden ondernomen.
13.
Monitoring/evaluatie
De budgettaire gevolgen
van de voorgestelde wijzigingen zullen, voor zover aanwezig, jaarlijks
worden gevolgd via de verslaglegging door de fondsen van de
bestedingen. De effecten op de inzet
van reïntegratie worden periodiek verantwoord door het UWV
via de
jaarplancyclus.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdelen A en
B
De voorwaarden voor
toekenning van een subsidie aan een werkgever voor extra kosten van
reïntegratie zijn niet veranderd. Zo geldt met betrekking tot plaatsing de
voorwaarde dat de werkgever met de werknemer een dienstbetrekking is
aangegaan voor de duur van zes maanden. De subsidie kan worden
verstrekt op basis van de gegevens van de werkgever over de kosten die hij
heeft gemaakt of moet maken voor de reïntegratie van de werknemer.
Op grond van het
voorgestelde artikel 16, eerste lid, van de
Wet Rea is het mogelijk dat een
werkgever ook een aanvraag voor een subsidie kan indienen voordat hij
daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Indien een dergelijke aanvraag wordt
ingediend, zal het UWV al een beschikking tot subsidieverlening kunnen
nemen voordat daadwerkelijk is aangetoond dat de kosten zijn
gemaakt. Bij de subsidievaststelling kan de subsidie eventueel worden
herzien
indien blijkt dat de gemaakte kosten uiteindelijk anders zijn dan waarop de
subsidie is gebaseerd.
Het loon van de werknemer
over het kalenderjaar dient te worden vastgesteld op het loon zoals dat
geldt bij aanvang van de dienstbetrekking, omgerekend naar een
jaarloon. Dit voorkomt herberekeningen van subsidies en verrekeningen tussen
UWV en werkgevers bij tussentijdse loonwijzigingen in de subsidieperiode.
In verband met de
berekeningswijze zijn in artikel 1 het loon en het
minimumloon gedefinieerd
(onderdeel A).
Het nieuwe derde lid is
opgenomen om te voorkomen dat voor dezelfde werknemer en voor
dezelfde kosten subsidie wordt verstrekt.
rblz.|27|
Onderdelen
C, D, F,
G, H
en I en artikel II, onderdeel
A, B, C en
D
Deze onderdelen brengen
technische wijzigingen aan in de artikelen 22 en
43 Wet Rea in verband met
het vervallen van de reïntegratie-uitkering.
Onderdelen J en
K
Artikel
49b Wet Rea bevat
sinds 1 januari 2004 slechts van artikel 49a, eerste lid, afwijkende
beslistermijnen die betrekking hebben op de reïntegratie-uitkering
en proefplaatsing. Nu deze onderwerpen door dit wetsvoorstel niet langer
in de Wet Rea worden geregeld, kan artikel 49b vervallen en dient
artikel 49a, eerste lid, te worden aangepast.
Artikel II
Onderdelen G en
H
In het eerste lid van het
voorgestelde artikel 76a WW
wordt aan het UWV de bevoegdheid verleend,
in het kader van de taak om de inschakeling in de arbeid te bevorderen,
om aan een werknemer toestemming te verlenen op een proefplaats bij
een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten voor maximaal
drie maanden. Voor alle duidelijkheid is uitdrukkelijk opgenomen dat het de
werknemer betreft die recht heeft op een uitkering op grond van hoofdstuk
IIa of IIb van de WW.
De werknemer die met
toestemming dergelijke werkzaamheden verricht, kan dit doen met behoud
van uitkering gedurende de periode waarover hij toestemming heeft
verkregen om die werkzaamheden te verrichten. De werknemer behoudt zijn
recht op uitkering niet indien de voor hem geldende uitkeringsduur
is verstreken.
In het kader van de WW is
het met behoud van uitkering verrichten van arbeid in het economische
verkeer niet mogelijk als het betreft arbeid die in het economisch verkeer
wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel
wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen
redelijkerwijs kan worden verwacht. Onbeloonde werkzaamheden op een
proefplaats zullen meestal op geld waardeerbaar zijn en deze zullen
derhalve, op grond van artikel 8, eerste lid, werkzaamheden zijn uit
hoofde waarvan de betrokkene niet als werknemer wordt beschouwd. Het
nieuwe artikel 76a verhindert dat als gevolg van deze onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats het recht op uitkering eindigt op
grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a. Het nieuwe
artikel
76a wijkt
in die zin van de opsomming in artikel 130a
WW af dat in het artikel de
opsomming van de afwijking van de artikelen ontbreekt. Het benoemen
van de afwijking van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, is niet noodzakelijk,
omdat de kern van dit artikel 76a
is dat de uitkering blijft
doorlopen. Door in artikel 78 (onderdeel
H) artikel 76a toe te voegen, is voorts
duidelijk dat de uitkeringsgerechtigde op de proefplaats werkloos blijft en is het
niet noodzakelijk dit als een afwijking van artikel
20, eerste lid, onderdeel
b, te formuleren.
Onderdelen
K, L, M en
N
In
paragraaf 2.5 van het
algemeen deel van de toelichting is uiteengezet dat in het nieuwe artikel
130 WW een experimenteermogelijkheid voor het
UWV wordt voorgesteld.
Conform de toezegging in een overleg met de Tweede Kamer op 24
september 2003 (Kamerstukken II 2003-2004, 26 448, nr. 89) worden de
experimenten die thans zijn gebaseerd op de artikelen 130a,
130b en
130c niet
beëindigd. Van deze experimenten kan gebruik worden gemaakt tot het
einde van hun geldingstermijn. Om dit te bewerkstelligen, zullen de onderdelen
K, L
en M van dit artikel in werking treden op het moment dat de
bedoelde termijnen eindigen. Dit zal in het koninklijk rblz.|28|
besluit waarin de
inwerkingtreding van deze wet zal worden geregeld, worden bepaald.
Wanneer de
artikelen
130a, 130b en 130c
vervallen, ontvalt tevens de behoefte aan hetgeen is
geregeld in de artikelen 130d, 130e
en 130f. Ook deze artikelen kunnen
daarom vervallen. De inwerkingtreding van onderdeel N zal ook in het
koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van deze wet
regelt, worden
bepaald. Het moment van inwerkingtreding van onderdeel N zal hetzelfde zijn als
het moment waarop het langstlopende experiment eindigt. Zie ook artikel
X en de toelichting daarop.
Onderdeel O
In het overgangsrecht
wordt ervan uitgegaan dat de nieuwe bepalingen alleen voor nieuwe
meldingen van proefplaatsing gelden. Voor de niet-arbeidsgehandicapten die
vóór de
inwerkingtreding van deze wet werkzaamheden in het kader van het
Tijdelijk besluit proefplaatsing WW verrichten, blijft de
termijn van drie maanden gelden.
Voor arbeidsgehandicapten
die vóór de inwerkingtreding van deze wet werkzaamheden op een
proefplaats in het kader van artikel 23 van de
Wet Rea verrichten, geldt
thans al een termijn van zes maanden. Toch is vanuit het oogpunt van
rechtszekerheid overgangsrecht noodzakelijk, omdat het Tijdelijk
besluit proefplaatsing WW ruimere mogelijkheden biedt tot het verrichten
van werkzaamheden op een proefplaats dan het voorgestelde artikel 76a
WW.
In het voorgestelde
tweede lid (overgangsbepaling artikel 130a
WW) wordt het overgangsrecht
geregeld voor werknemers die werkzaamheden verrichten in het kader
van het experiment met betrekking tot het toestaan van proefplaatsing met
behoud van WW-uitkering (ter zake waarvan het
Tijdelijk besluit proefplaatsing WW toepassing heeft gevonden). Voor de werknemers die
vóór het
in werking treden van de onderhavige wet reeds werkzaamheden in het
kader van dit experiment verricht, blijven artikel 130a en het daarop
berustende Tijdelijk besluit proefplaatsing WW, zoals die luidden vóór het in
werking treden van deze wet, van toepassing gedurende het verrichten
van deze werkzaamheden. Deze overgangsbepaling heeft slechts een
beperkte duur in die zin dat het Tijdelijk besluit proefplaatsing WW van
rechtswege vervalt per 12 augustus 2004: nieuwe meldingen van
proefplaatsing vallen vanaf dat moment onder de nieuwe regeling. Overigens zal
in het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van deze wet regelt,
worden bepaald dat artikel II, onderdeel K (vervallen van artikel 130a
WW), van deze wet
per die datum in werking treedt.
Artikel IV
Onderdeel A
Met ingang van 1 januari
zijn twee wijzigingen van artikel 7 in werking
getreden waardoor
hetgeen vóór die datum was geregeld in het negende lid onbedoeld is komen te
vervallen en het zevende en achtste lid gedeeltelijk dezelfde inhoud hebben
gekregen. Het zevende lid kan daarom vervallen en het achtste
lid wordt dan zevende lid. Het (nieuwe) achtste lid heeft de inhoud van het
verdwenen negende lid gekregen. Dit betreft geen inhoudelijke wijzigingen,
maar de correctie is wel noodzakelijk om in de uitvoering geen
onduidelijkheid te laten bestaan over de bepaling die nu in het achtste lid is
opgenomen.
Onderdelen B en
C
Zoals reeds aangegeven, is
de bedoeling van de wijziging van artikel 23
rblz.|29|
AKW het mogelijk te maken
dat te veel betaalde kinderbijslag kan worden verrekend met de
toekomstige aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van zowel het kind
waarvoor te veel kinderbijslag is betaald als andere kinderen ten behoeve van
wie de verzekerde kinderbijslag ontvangt. Zoals hiervoor aangegeven, is
het de bedoeling dat de SVB deze verrekening met kinderbijslag ten
behoeve van "andere" kinderen achterwege laat als de AKW-gerechtigde uit
een samengesteld gezin hiertegen bezwaar heeft gemaakt, hetgeen het
geval kan zijn in de situatie van co-ouderschap. Omdat artikel 24a, tweede
lid, artikel 17g in zijn geheel van overeenkomstige toepassing
verklaart en
artikel 17g, tweede lid, een plicht tot verrekening regelt, is het
noodzakelijk die plicht tot verrekening met kinderbijslag in een bevoegdheid te
wijzigen. Hiertoe dient de wijziging van artikel 24a.
Artikel V,
onderdeel A, B,
C,
D,
E,
F en
G
De pensioenbedragen op
grond van de AOW
en de daarbij behorende vakantie-uitkeringen zijn
op nettobasis gekoppeld aan respectievelijk het wettelijk minimumloon en
de minimumvakantiebijslag (artikel 9 en artikel 29 van de
AOW). Zodra in
deze netto-nettokoppeling een verstoring optreedt, moeten de
betreffende bedragen worden herzien. Een soortgelijke constructie is opgenomen
in de Anw (artikel 17,
artikel 25 en artikel 31 van de
Anw). Een
herziening van de AOW-bedragen dient bij ministeriële regeling plaats te
vinden. In de Anw ontbreekt een dergelijke voorwaarde. De voorgestelde
wijzigingen in de AOW hebben tot doel de herzieningen van de
pensioenbedragen en vakantie-uitkeringen in de toekomst - overeenkomstig de herzieningen van de bedragen in de Anw
- zonder ministeriële
regeling te laten plaatsvinden. De bedoelde onderdelen strekken hiertoe.
Artikel VI,
onderdeel A
en B
In
artikel
75a, derde
lid, van de WAO is geregeld dat de werkgever die een arbeidsgehandicapte in de
zin van de Wet Rea in dienst neemt, als eigenrisicodrager niet
verantwoordelijk is voor de WAO-lasten indien aan deze arbeidsgehandicapte
binnen zes jaar na aanvang van de dienstbetrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend. Deze zesjarentermijn kan verlengd worden als
er sprake is van een werknemer met een verhoogd
gezondheidsrisico en geldt niet indien de werknemer voorafgaande aan de dienstbetrekking
een uitkering op grond van de WAZ of Wajong ontving. Een
zelfde no-riskregeling geldt voor de vraag of de uitkeringen met de
gedifferentieerde premie worden gefinancierd (artikel 76f, zesde lid,
WAO).
De voorwaarden voor deze
regeling beogen gelijk te zijn aan die van artikel 29b
ZW, waarin is geregeld dat de werknemer die voorafgaand aan indiensttreding
arbeidsgehandicapte is recht op ziekengeld heeft. Deze afstemming met
artikel 29b ZW wordt nu met dit wijzigingsvoorstel in beide artikelleden
opgenomen. Hiermee wordt bereikt dat deze bepalingen ook gelden indien de
werkgever een persoon die werkzaam was op een Wsw-dienstbetrekking of op een arbeidsovereenkomst in de zin van
artikel 7 van de Wsw
(die geen arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet Rea) in dienst
heeft genomen. Voorts is de duur van de dienstbetrekking, die van belang is voor
het van toepassing zijn van de no-riskpolis, op elkaar
afgestemd.
De periode van zes jaren,
te rekenen over de periode vanaf de datum van indiensttreding tot de
datum van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, is daarmee gewijzigd in
de periode waarover recht op ziekengeld bestond voor
de werknemer die in aanmerking komt voor een WAO-uitkering. De
werknemer kan in de periode van maximaal vijf jaar na aanvang van de
dienstbetrekking in geval van ongeschiktheid tot werken rblz.|30|
wegens ziekte op grond
van artikel 29b ZW
ziekengeld claimen. Indien die ziekte langdurig is en
tot een WAO-uitkering zou leiden, betekent dit dat de WAO-uitkering
uiterlijk zeven jaar na de aanvang van dienstbetrekking zou kunnen ingaan. Er is
immers sprake van een loondoorbetalingsverplichting van twee jaar en dus van
recht op ziekengeld van 104 weken na de datum van intreding
van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte. In geval van een
verkorte wachttijd WAO is die periode vanzelfsprekend korter. De
termijn van zes jaar als maximumduur sloot in ieder geval niet meer aan. Door
de verwijzing naar de toepassing van artikel 29b
ZW blijft ook de
verlenging van de periode op grond van artikel 8 van het
Arbeidsgehandicaptebesluit van toepassing in geval van chronische ziekte (verhoogd
gezondheidsrisico).
In artikel 75a
en 76f was
het vereiste opgenomen dat de werknemer arbeidsgehandicapte moet
zijn gebleven sinds de indiensttreding. Artikel 29b
ZW kent een dergelijke
toets niet. Voor de toepassing van dat artikel is alleen van belang of de
persoon arbeidsgehandicapte was in de zin van de Wet Rea voorafgaand aan
de totstandkoming van de dienstbetrekking. In sommige gevallen is het
arbeidsgehandicapte zijn op grond van de Wet Rea in duur beperkt tot
vijf jaar. Na verloop van die vijf jaar vindt een nieuwe beoordeling plaats
waarbij wordt vastgesteld of die persoon tengevolge van ziekte of
gebrek een belemmering ervaart in het verkrijgen en behouden van
werkzaamheden. In de praktijk zal de toetsing op het arbeidsgehandicapte zijn
in de periode van recht op ziekengeld niet plaatsvinden. Gelet op
het feit dat de toetsing voor de no-riskpolis WAO pas aan de orde is in het
geval een persoon in aanmerking komt voor een WAO-uitkering en dus al
twee jaar wegens ziekte geen arbeid kan verrichten, is het
waarschijnlijk dat die persoon, als de periode van het arbeidsgehandicapte zijn
is verstreken, wegens ziekte nog wel als arbeidsgehandicapte zal worden aangemerkt. Om
die reden is dit extra vereiste niet meer opgenomen.
Artikel VII
Onderdeel A
In de
Algemene
nabestaandenwet (Anw) ontbreekt de bepaling dat de artikelen 3:41 en
3:45
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn op beschikkingen
waarbij de uitkering als gevolg van een herziening van het nettominimumloon
wordt gewijzigd. Een dergelijke bepaling was wel in de voorganger
van de Anw en is bovendien in de AOW
opgenomen. Zie hiertoe Kamerstukken
II 1993-1994, 22 495, nr. 12, blz. 80. Deze omissie wordt met artikel
gecorrigeerd.
Onderdeel B
Op grond van de
Anw kan
een persoon van wie de ex-echtgenoot is overleden en die alimentatie of een
daarmee vergelijkbare vergoeding van de ex-echtgenoot ontving,
ook in aanmerking komen voor een nabestaandenuitkering.
Het moet daarbij gaan om een verplichting tot levensonderhoud van de
nabestaande.
De
alimentatieverplichting kan blijken uit een rechterlijk vonnis of uit
een overeenkomst die is
vastgelegd in een notariële akte of een door een advocaat ondertekende
akte, dan wel een akte waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat die tot stand
is gekomen door de inzet van een bij de echtscheiding betrokken advocaat.
Niet in alle situaties
van echtscheiding worden tegenwoordig meer juridische procedures gevolgd.
Partijen kunnen ook in goed overleg, al dan niet geholpen door een
neutrale conflictbemiddelaar, tot afspraken komen. Een
aldus tot stand
gekomen overeenkomst kan ook een verplichting tot levensonderhoud van de
ene gewezen echtgenoot jegens de andere rblz.|31|
bevatten. Het is rechtvaardig dat ook als een verplichting tot levensonderhoud in een dergelijke
overeenkomst is vastgelegd, deze kan dienen als bewijs van die verplichte
bijdrage. Voorwaarde is wel dat deze overeenkomst op schrift is gesteld,
zodat deze kan worden overgelegd aan de SVB. Onderhavige
wijziging van artikel 4, onderdeel b, van de
Anw strekt ertoe dit te regelen.
De budgettaire effecten
als gevolg van deze wijziging zijn te verwaarlozen.
Artikel VIII
Bij de invoering van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) is
die wet, tezamen met de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Invoeringswet SUWI), op de bijlage bij de Beroepswet
geplaatst teneinde te bereiken dat in geschillen over alle besluiten op
grond van die wetten in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep
(CRvB) zou worden geoordeeld (zie daaromtrent Kamerstukken II 2000-2001,
27 665, nr. 3, blz. 15-16 en 47).
Voor enkele categorieën
van zaken betekende dit een verandering in de rechterlijke competentie,
zo onder andere voor geschillen over besluiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Arbvo) inzake subsidie uit het Europees Sociaal Fonds (ESF). Op
grond van artikel 93 van de destijds geldende Arbeidsvoorzieningswet
1996 was in deze zaken tot dan het College van Beroep voor het
bedrijfsleven (CBb) de bevoegde rechter (in enige instantie). Bij het
Besluit overgang
Arbeidsvoorziening (Stb. 2001, 625 [689, red.]), gebaseerd op artikel 39 van de Invoeringswet
SUWI, is de bevoegdheid met betrekking tot deze
ESF-besluiten (gebaseerd op bijvoorbeeld de Regeling ESF-doelstelling 1
Flevoland) overgegaan van Arbvo naar de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid; hiermee ontleent deze zijn bevoegdheid tot het nemen van deze
besluiten aan (een AMvB op grond van) de Invoeringswet
SUWI. Door
de plaatsing van die wet op de bijlage bij de Beroepswet is bevoegde
appelrechter in geschillen over deze categorie ESF-zaken (hierna:
ESF-oud) de CRvB.
Subsidiëring uit het ESF
heeft behalve door Arbvo ook altijd door de Minister van
SZW plaatsgevonden, op grond van door hem getroffen subsidieregelingen
(hierna: ESF-nieuw). Voor geschillen daarover geldt de normale Awb-rechtsgang,
zodat de bevoegde appelrechter de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State (ABRvS) is.
Daarnaast zijn door
Arbvo op grond van artikel 81 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 andere,
dat wil zeggen niet
ter uitvoering van ESF strekkende maar wel daarmee nauw
samenhangende subsidieregelingen getroffen (zoals de Regeling
Medefinanciering Europese Structuurfondsen Flevoland; RRM [RMESF, red.]). Ter zake daarvan is
de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) -
bij de Invoeringswet SUWI aangewezen als algemeen rechtsopvolger van Arbvo
- thans het
bevoegde orgaan. Voor geschillen inzake op deze regelingen gebaseerde besluiten
geldt eveneens de uit de Invoeringswet SUWI voortvloeiende
rechtsgang, hetgeen betekent dat daarover in hoger beroep door de CRvB
wordt
geoordeeld.
Het laatste geldt
ten slotte ook voor een enkel geschil dat ten tijde van de inwerkingtreding van de
Wet SUWI al aanhangig was bij Arbvo
en dat (op grond van artikel 6,
vijfde lid, van de Regeling afwikkeling Arbeidsvoorzieningsorganisatie na
SUWI; Stcrt. 2002, 2)
nog door Arbvo wordt afgehandeld. Hierbij gaat het onder andere om
toepassing van de Subsidieregeling Arbeidsvoorziening banenpools.
Gevolg van één en ander is dat thans in geschillen over besluiten op grond van
subsidieregelingen van Arbvo of van de Minister van
SZW die rblz.|32|
ter uitvoering van het ESF
zijn getroffen dan wel daarmee nauw samenhangen, in hoger beroep door twee
verschillende rechters wordt geoordeeld. Gaat het om ESF-oud en de
met het ESF samenhangende, bij de CWI berustende zaken, alsmede
een enkele andere subsidiezaak, dan is de CRvB
bevoegd, gaat het om
(andere) subsidiebesluiten (met name ESF-nieuw), dan is de ABRvS
bevoegd.
Deze situatie is
onwenselijk, niet alleen wegens het gevaar van uiteenlopende jurisprudentie, maar ook
omdat de deskundigheid in de specifieke, met de EG-voorschriften
verband houdende aspecten van ESF-subsidiezaken bij de ABRvS
wel al volledig aanwezig is, doch tot dusverre bij de CRvB
ontbrak. Mede gelet op het feit dat sprake is van een aflopende categorie van
zaken (er worden geen besluiten met betrekking tot ESF-oud meer genomen; voor het
overige zal van nieuwe besluiten slechts in zeer beperkte mate sprake
zijn), is dat niet efficiënt; bovendien zou met behandeling door de CRvB de snelheid
van afdoening niet worden bevorderd. Uitgaande van een
spoedige inwerkingtreding van deze wetswijziging zullen ten tijde van die
inwerkingtreding naar verwachting nog niet veel hogerberoepszaken als
hier bedoeld door de CRvB in behandeling zijn genomen. Voor zover dat
wel het geval is en de behandeling alsdan al ver is gevorderd, worden deze
zaken van de overgang naar de ABRvS uitgezonderd. Toedeling van deze hogerberoepszaken aan één - al gespecialiseerde - rechter, de
ABRvS,
ligt op grond van bovenstaande overwegingen voor de hand. Met de
voorgestelde wijziging van de bijlage bij de Beroepswet wordt dit
bereikt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het voornemen dat ik ook al
aan de Tweede Kamer heb meegedeeld in mijn brief van 30 oktober 2003
(Kamerstukken II 2003-2004, 26 642, nr. 59, onder II.2.4).
Zoals al aangegeven, omvat
de overheveling een beperkte hoeveelheid zaken. Wat betreft
ESF-oud gaat het thans (peildatum 30 maart 2004) om circa 40 bij de CRvB
al
aanhangige hogerberoepszaken, terwijl bij de rechtbanken circa 135 zaken aanhangig
zijn; voorts zijn er circa 20 bezwaarschriften in behandeling. Het
aantal zaken waarvoor thans nog een (hoger)beroepstermijn loopt,
bedraagt circa 15. Bij de CWI zijn thans circa 30 zaken in behandeling
(ESF-gerelateerde
zaken) waarin nog een beschikking in eerste aanleg moet worden
genomen. De categorie zaken zonder ESF-verband ten slotte
betreft drie, in verschillende stadia van bezwaar/beroep verkerende
geschillen. Deze cijfers bijeengenomen leiden tot de verwachting dat in totaal
sprake zal zijn van de overgang van ten hoogste enkele tientallen hogerberoepszaken van de CRvB naar de ABRvS.
Artikel IX
Volgens
artikel
28a van
de Beroepswet, zoals dat artikel luidt ingevolge de
Eerste evaluatiewet Awb (Stb. 2002, 53), heeft een wijziging van de bijlage bij de Beroepswet
eerbiedigende werking. Aangezien echter met de onderhavige wijziging
wordt beoogd ook al bij de CRvB aanhangige zaken over te brengen naar de
ABRvS, alsmede om in gevallen waarin nog hoger beroep kan worden
ingesteld als bevoegde appelrechter de ABRvS in plaats van de CRvB aan
te wijzen, is op deze punten voorzien in afwijking van voornoemde bepaling
van de Beroepswet. Van de overgang van al aanhangige
hogerberoepszaken worden uitgezonderd de zaken waarvan de behandeling al
ver gevorderd is (in het algemeen: de uitnodiging voor de zitting heeft
plaatsgevonden).
rblz.|33|
Artikel X
Gelet op het feit dat de
artikelen 130a, 130b en 130c
WW pas dienen te vervallen als de
desbetreffende experimenten eindigen en de artikelen 130d,
130e en
130f WW dienen te vervallen als het langstlopende experiment eindigt, kunnen voor de
onderdelen van deze wet die die wijzigingen betreffen verschillende
inwerkingtredingsmomenten worden bepaald.
Op grond van artikel 12,
eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet moet er ten minste zes weken
zitten tussen de mededeling van de bekrachtiging van een referendabele wet in
de Staatscourant en het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. Gelet op de
tijdspanne gelegen tussen het tijdstip van indiening van dit
wetsvoorstel en de gewenste datum van inwerkingtreding wordt in de
inwerkingtredingsbepaling de mogelijkheid ingebouwd toepassing te geven aan
artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet en derhalve een uitzondering
te maken op artikel 12 van die wet.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|