|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 718
Wijziging
van de Werkloosheidswet in verband met
maximering van de ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de
uitzendsector en wijziging van enige andere wetten in verband met de Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Maximering lasten van
het ZW-vangnet voor de uitzendsector |
| 2.1 |
Huidige situatie |
| 2.2 |
Vormgeving
maximering |
| 3 |
Overige wijzigingen |
| 3.1 |
Verhaalsregeling |
| 3.2 |
Zieke zeelieden en
ziekmelding nieuwe stijl |
| 4 |
Commentaren |
| 5 |
Financiële gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m VII |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel bevat een aantal wijzigingen die nauw samenhangen met de
Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 die op 1
januari 2004 in werking is getreden. Die wet verlengde de periode van de
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte alsmede de periode waarover ziekengeld wordt
betaald
op grond van de Ziektewet (ZW) naar 104 weken.
Dit wetsvoorstel beoogt
in de eerste plaats een maximum te stellen aan de lasten van het vangnet
ZW die voor rekening komen van de uitzendsector. Het voornemen daartoe is
reeds aangekondigd en gemotiveerd in het kabinetsstandpunt van
12 maart 2004 op het SER-advies [SER: Sociaal-Economische
Raad, red.] inzake de hoofdlijnen van het
nieuwe stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen.¹
Het wetsvoorstel bevat in
de tweede plaats een aantal overige wijzigingen van, en in verband met,
de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003. Deze
wijzigingen hebben met name betrekking op de vormgeving van de
verhaalsregeling, het vervallen van de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting in de specifieke situatie van zieke
zeelieden die onder het Wetboek
van Koophandel (WvK) vallen en het vervallen van de
ziekmelding nieuwe stijl. Deze wijzigingen zijn eveneens eerder
aangekondigd.²
1. Kamerstukken II 2003-2004, 28 333, nr. 19.
2. Kamerstukken II 2003-2004, 29 231, nr. 19;
Aangezien de
Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte 2003 materieel met ingang
van 30 december 2004 effect zal hebben - dan eindigt immers de eerste
ziekteperiode van 52 weken en begint de verlenging met het tweede ziektejaar
- is het gewenst dat de wijzigingen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen ook uiterlijk per die datum in werking
kunnen treden.
De wijzigingen worden
hieronder nader toegelicht.
rblz.|2|
2. Maximering lasten van
het ZW-vangnet voor de uitzendsector
Het risico van
ziekteverzuim en langdurige arbeidsongeschiktheid van flexibele arbeidsrelaties
en de financiële gevolgen daarvan is al enige tijd een belangrijk punt van
aandacht. Het kabinet heeft daarom, in het kader van het Najaarsakkoord
2003, hierover advies gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad (SER). De SER heeft in zijn
advies ¹ voor wat betreft
flexibele arbeidsrelaties
specifieke regelingen bepleit voor de uitzendsector. Het kabinet heeft in het
eerder genoemde kabinetsstandpunt gemotiveerd aangegeven niet te voelen
voor dergelijke afwijkende regelingen, maar het wel - met de
SER - wenselijk te achten om de lasten voor de uitzendsector in de
ziekteperiode te begrenzen. Het kabinet gaf daarbij als voornemen aan, in
aansluiting bij één van de opties die de SER heeft genoemd, een maximum te
willen stellen aan de lasten van het eerste en tweede ziektejaar die
voor rekening komen van de uitzendsector, waarbij de lasten boven dat
maximum voor rekening van alle werkgevers komen. Een dergelijk maximum
bestaat nu reeds voor de lasten op grond van de Werkloosheidswet (WW) van
het eerste halfjaar.
1. Verdere uitwerking WAO-beleid, 20 februari 2004.
De regering heeft dit
voornemen in dit wetsvoorstel nader uitgewerkt.
2.1. Huidige situatie
De huidige situatie is
als volgt. Uitzendkrachten werken doorgaans op basis van een
uitzendovereenkomst waarin een uitzendbeding is opgenomen. Een uitzendovereenkomst
is een bijzondere arbeidsovereenkomst, op grond waarvan de
uitzendkracht door het uitzendbedrijf ter beschikking wordt gesteld van een
derde (inlener), om krachtens een opdracht van het uitzendbedrijf onder
leiding en toezicht van de inlener arbeid te verrichten. Het
uitzendbeding houdt in dat het uitzendbedrijf en de uitzendkracht in de
uitzendovereenkomst kunnen overeenkomen dat ziekte van rechtswege
leidt tot beëindiging van het uitzendcontract.¹
Het merendeel van alle
uitzendkrachten werkt op basis van een uitzendovereenkomst met een uitzendbeding.
Deze uitzendkrachten hebben bij ziekte aanspraak op
ziekengeld op grond van het vangnet ZW. Op grond van het uitzendbeding
betekent ziekte immers het einde van het uitzendcontract en is een
loondoorbetalingsverplichting voor het uitzendbedrijf, zoals bij reguliere
werknemers, niet aan de orde. Deze zieke uitzendkrachten hebben daardoor aanspraak
op het vangnet ZW. Sinds de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 is de maximale
duur hiervan, net als bij
reguliere werknemers, 104 weken. De lasten van het ziekengeld komen
volledig voor rekening van de uitzendsector. De ZW-uitkerings- en
uitvoeringslasten vormen namelijk een onderdeel van de wachtgeldpremie voor
de WW. Een maximum is daaraan thans niet gesteld. Deze
financieringswijze geldt overigens ook voor andere sectoren; ook hierbij
vindt verevening op sectoraal niveau plaats. De premie wordt vastgesteld
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), na goedkeuring
door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. De
wijze van financiering en premievaststelling is vastgelegd in de WW.
Binnen de sectorale
financieringswijze van de vangnet-ZW-lasten is specifiek voor de uitzendsector
sprake van premiedifferentiatie. Oogmerk hiervan is de
terugdringing van het ziekteverzuim door de sector te bevorderen. De uitzendsector is
daartoe ingedeeld in vijf verschillende premiegroepen, met een eigen premiepercentage. Deze premiepercentages
verschillen onderling
sterk. Voor twee premiegroepen geldt bovendien een systeem van
risicogroepen (laag-, midden- en hoog risico). Een uitzendbedrijf dat in een
premiegroep c.q. risicogroep met een laag risico zit, betaalt dus minder
premie dan een uitzendbedrijf in een premiegroep c.q. risicogroep met een
hoog risico.
1. De uitzendovereenkomst
respectievelijk de mogelijkheid van een uitzendbeding is
geregeld in artikel 7: 690 respectievelijk artikel 7: 691,
tweede lid, van het BW.
rblz.|3|
2.2. Vormgeving
maximering
De regering acht het
gewenst dat specifiek voor de uitzendsector een maximum wordt gesteld aan
de lasten van het vangnet ZW. Rechtvaardiging hiervoor is de bijzondere
arbeidsrelatie tussen de uitzendkracht, het uitzendbedrijf en de
inlenende derde. In dit verband wordt wel gesproken van "onvolledig
werkgeverschap": het uitzendbedrijf heeft beperkte invloed op de
arbeidssituatie bij de inlener, maar is wel financieel verantwoordelijk voor de
gevolgen van
uitval van de uitzendkracht. Daarnaast kan worden gewezen op de relatief hoge lasten van de uitzendsector van
het vangnet ZW en het SER-advies waarin bepleit is om de sector tegemoet te komen. Voorts is het
ook mogelijk om specifiek voor de uitzendsector een maximum te stellen,
omdat de uitzendsector een eigen wachtgeldfonds kent.¹
1. Het betreft sector 52
als bedoeld in de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in
sectoren,
nader uitgewerkt in het Besluit indeling
uitzendbedrijven van 6 oktober 1999.
Voor de vormgeving van
het maximum is een aantal uitgangspunten gehanteerd. In de eerste
plaats wordt met het maximum beoogd een redelijke lastentoedeling
voor de uitzendsector te bereiken. Daarnaast is het gewenst om de
maximering zodanig vorm te geven dat een adequate prikkelwerking voor
uitzendbedrijven blijft behouden. Tot slot is het gewenst de regeling zo
eenvoudig mogelijk vorm te geven.
De regering heeft voor de
vormgeving als uitgangspunt een optie genomen die ook door de SER
is genoemd.¹ Kern daarvan is dat de lasten tot een bepaald niveau
voor rekening komen van de sector en daarboven voor rekening van het
Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), waarbij het systeem van premiedifferentiatie voor de uitzendsector intact blijft.
1. SER-advies, blz. 87 en
88. De SER sluit overigens aan bij een
advies uit 2002 van de Adviescommissie ziekte,
arbeidsongeschiktheid en flexibele arbeid (AZAFA).
De regering heeft ervan
afgezien om naast de lasten die voor rekening [van de sector, red.]
komen (tot aan het maximum) en de lasten die
voor rekening van het AWf komen (boven het
maximum) nog een derde niveau in de
regeling in te bouwen, waarbij individuele
bedrijven met een zeer hoog ziekteverzuim
daarenboven een individuele premieopslag moeten
betalen. Dit derde niveau was wel opgenomen
in de door de SER genoemde optie, maar
ontmoet vanwege eenvoud en uitvoerbaarheid overwegende bezwaren.
Bepalend is uiteraard de
wijze waarop het maximum wordt vastgesteld. Rekening houdend met de
hiervoor genoemde uitgangspunten stelt de regering voor hiervoor
een eenduidige maatstaf te hanteren en het maximum te bepalen op 75%
van de ZW-lasten die voor rekening komen voor de uitzendsector. De
ZW-lasten bevatten zowel de uitkeringslasten voor het eerste en tweede
ziektejaar als de overige lasten, waaronder de uitvoeringskosten, die
voor rekening van de uitzendsector komen.¹ De uitzendsector financiert
de lasten tot aan het maximum; het meerdere wordt uit het AWf betaald
door alle werkgevers samen. Dit laatste is gerechtvaardigd omdat
alle werkgevers als inlener gebruik kunnen maken van uitzendpersoneel en
mede invloed kunnen uitoefenen op de oorzaken van verzuim, zonder dat
zij tot dusver op de financiële gevolgen daarvan worden aangesproken. Voor
de goede orde zij opgemerkt dat de voorgestelde maximering onverlet laat
dat voor het resterend deel van de ZW-lasten binnen de
sector het systeem van premiedifferentiatie kan blijven gelden.
De regering acht de
voorgestelde wijze van maximering en het gekozen percentage alleszins
redelijk. Het percentage van 75 is zodanig gekozen dat daarmee compensatie
wordt geboden voor de extra lasten door invoering van het tweede
ziektejaar. Hieruit vloeit een substantiële tegemoetkoming aan de sector voort,
terwijl de sector het merendeel van de ZW-lasten zelf blijft
dragen. Met deze vormgeving blijft ook een prikkel uitgaan naar de sector om
te werken aan reductie van het verzuim. Een daling van de ZW-lasten
leidt immers direct tot minder lasten die voor rekening van de sector
(tot aan het maximum) en het AWf (boven het maximum) komen. Bovendien
is deze maatstaf eenvoudig en leidt het niet tot extra belasting van
de uitvoering.
1. In kwantitatief opzicht
gaat het met name om de uitkeringslasten
van zieke uitzendkrachten met een uitzendbeding. De
sector financiert echter in
ruimere zin de lasten van het vangnet, zoals bijvoorbeeld
de vangnetlasten van zieke uitzendkrachten met
een tijdelijk contract, die na afloop
van het contract onder het vangnet vallen.
De regering geeft aan
deze vormgeving de voorkeur boven de vormgeving die in het SER-advies is
genoemd. In laatstgenoemde variant is het maximum afhankelijk van
de verhouding tussen het landelijk gemiddeld verzuim en het gemiddeld
verzuim in de uitzendsector. Zou deze maatstaf rblz.|4|
worden gehanteerd, dan
zou dit er in de praktijk toe leiden dat bij mutaties in het verzuim onbedoelde
effecten voor de prikkelwerking optreden. Zo zou een daling van het
verzuim in de uitzendsector - bij een gelijkblijvend landelijk verzuim -
ertoe kunnen leiden dat de lasten die de sector in rekening gebracht krijgt,
toenemen. Het omgekeerde effect zou zich ook kunnen voordoen. Dit is
uiteraard ongewenst. Om deze reden geeft de regering er de voorkeur
aan het maximum te stellen op een vast percentage, waarbij deze effecten
niet optreden. Bijkomend voordeel is dat hiervoor geen additionele gegevens
behoeven te worden bijgehouden. Momenteel zijn bovendien
nog geen eenduidige, objectieve gegevens over het gemiddeld verzuim in de uitzendsector voorhanden die een basis
zouden kunnen bieden voor
een andere vormgeving.
De regering acht het wel
gewenst om na enige tijd te bezien in hoeverre er nog behoefte bestaat aan
een specifiek maximum voor de uitzendsector dan wel of de gekozen
vormgeving aanpassing behoeft. Gaandeweg kan immers blijken dat de
ratio voor de maximering - op basis van feitelijke ontwikkelingen - is
weggevallen, respectievelijk dat een andere vormgeving beter aansluit bij de
inmiddels opgedane ervaringen. Daarbij kunnen ook de resultaten van de
geleverde inspanningen om het verzuim terug te dringen, worden betrokken.
De regering neemt zich voor dit in de loop van 2007 opnieuw te bezien.
3. Overige wijzigingen
3.1. Verhaalsregeling
Met dit wetsvoorstel
wordt tevens een aantal verbeteringen aangebracht in de verhaalsregeling
zoals die is neergelegd in artikel 39a
van de Ziektewet, zoals dit komt te luiden
indien artikel IV, onderdeel G, van de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 in werking treedt. Allereerst wordt het op
herstel gerichte karakter van de verhaalsregeling nog duidelijker tot
uitdrukking gebracht.
De verhaalsregeling ziet
er als volgt uit. Aan de hand van het reïntegratieverslag dat de werkgever indient
bij het einde van het dienstverband stelt het UWV vast of de
werkgever voldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht ten aanzien van
de werknemer die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c,
van de ZW recht heeft op ziekengeld. Indien blijkt dat de
reïntegratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest, stelt het UWV een periode vast die
nodig is om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten. De vraag
of sprake is van voldoende reïntegratie-inspanningen
beoordeelt het UWV thans reeds aan het einde van de wachttijd voor de WAO
ten aanzien van werknemers voor wie werkgevers een
loondoorbetalingsplicht bij ziekte hebben (poortwachterstoets). Indien de werkgever
onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, wordt de
loondoorbetalingsverplichting door het UWV verlengd. Bij deze
poortwachterstoets worden voor de vraag of voldoende reïntegratie-inspanningen
zijn verricht bepaalde normen gehanteerd. Deze normen zijn ingevuld in
de wet (bijvoorbeeld artikel 7: 658a BW) en in (de toelichting op) zowel de
ministeriële regeling procesgang eerste ziektejaar (Rpez) ¹ [Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, red.] als in de Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter (Beoordelingskader).² Bij deze beoordeling
stelt het UWV het uiteindelijke reïntegratieresultaat voorop. Het ligt voor de
hand dat in het kader van de verhaalsregeling wordt aangesloten bij
deze normen.
De vaststelling van die
periode, die nodig is om alsnog de benodigde reïntegratie-inspanningen
te leveren, vindt plaats aan de hand van door het UWV opgestelde
regels. In deze regels zal worden aangegeven welke termijn nodig is om
alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren. Derhalve kan op
basis van deze regels worden vastgesteld welke herstelperiode nodig is.
Dit is de schade die wordt geleden als gevolg van rblz.|5|
het feit dat de werkgever
onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. De
herstelperiode is tevens de termijn waarover het UWV ziekengeld op de werkgever zal
verhalen. Omdat het dienstverband niet meer bestaat, kan de werkgever
niet zelf zijn verzuim herstellen en alsnog de benodigde
reïntegratie-inspanningen verrichten. Daarom zal het UWV dit doen.
Het is van belang dat de
in de regels opgenomen termijnen voldoende nauwkeurig zijn en op
draagvlak kunnen rekenen. Daarom zal over deze regels het oordeel worden
gevraagd van de stuurgroep verbetering poortwachter. Hierna zullen zij ter
goedkeuring aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden voorgelegd.
Het hiervoor geschetste
systeem waarborgt het reparatoire karakter van de verhaalssanctie.
Op de werkgever zal
alleen het ziekengeld worden verhaald dat gedurende de vastgestelde
hersteltermijn daadwerkelijk aan de werknemer wordt betaald. Dit
betekent dat indien tijdens de betreffende termijn het ziekengeld wordt
beëindigd, bijvoorbeeld omdat de werknemer weer beter is, ook aan het
verhaal op de werkgever een einde komt. Ook een korting op de uitkering
in verband met het toepassen van een maatregel zal tot gevolg hebben dat
op de werkgever een lager bedrag wordt verhaald. In die gevallen
is de schade die wordt geleden achteraf bezien lager en is het, gegeven
het herstelkarakter van de verhaalssanctie, ook vanzelfsprekend dat het
bedrag dat op de werkgever wordt verhaald dienovereenkomstig wordt aangepast.
1. Ministeriële regeling
d.d. 26 maart 2002, Stcrt. 2002, 60, inwerkingtreding
1 april 2002.
2. Besluit UWV d.d. 3
december 2002, Stcrt. 2002, 236, inwerkingtreding 8
december 2002.
Voorts wordt in
dit
wetsvoorstel geregeld dat voor het benodigde reïntegratieverslag
alsnog de voorwaarden kunnen gelden die aan een reïntegratieverslag
gesteld worden in de ministeriële regeling procesgang eerste ziektejaar
[Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar, red.]. Tot
slot wordt geregeld dat de eigenrisicodrager voor de Ziektewet uitsluitend een
reïntegratieverslag moet indienen bij het einde van de wachttijd voor de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Voor een toelichting op
de twee laatstgenoemde wijzigingen zij verwezen naar het artikelsgewijze
deel van deze toelichting
3.2. Zieke zeelieden en
ziekmelding nieuwe stijl
Bij de inwerkingtreding
van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 is, naast
de verhaalssanctie, een tweetal onderdelen niet in werking getreden.¹ Het betreft de aanpassingen in het WvK
[Wetboek van
Koophandel, red.] op grond waarvan de
loondoorbetalingsverplichting voor zieke zeelieden van 52 weken wordt
verlengd naar 104 weken (artikel VII) en de ziekmelding
nieuwe stijl
(artikel IV,
onderdeel F, onder 1). In dit wetsvoorstel komen beide artikelen
definitief te vervallen. Deze wijzigingen zijn al eerder aangekondigd.²
1. Stb. 2003,
556.
2. Kamerstukken II 2003-2004, 29 231, nr. 19, en Kamerstukken I 2003-2004, 29 231, C.
Het vervallen van de
verlenging van de loondoorbetalingsperiode in het WvK
houdt verband met het
volgende.
Doelstelling van de Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 is om de
wederzijdse inspanningen van werkgever en werknemer, met behulp van het
instrumentarium van de Wet verbetering
poortwachter, te richten
op beheersing van het langdurig verzuim en instroom in de WAO
te
beperken. Aangezien het instrumentarium van de Wet verbetering
poortwachter niet van toepassing is op de zieke zeelieden die onder het WvK
vallen,¹ terwijl bij hen bovendien geen relatie aanwezig is met de WAO, geldt
de
doelstelling van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 niet voor
hen. Het ligt dan ook niet in de rede om de termijn van
de loondoorbetalingsverplichting van 52 weken voor zieke zeelieden in het WvK te verlengen tot de termijn in het
rblz.|6|
Burgerlijk
Wetboek van
104 weken. Daarom komt deze bepaling in dit wetsvoorstel te
vervallen.
1. Het gaat hierbij om
zeelieden die niet in Nederland wonen. In de
praktijk heeft de regeling met name betekenis voor zeelieden uit landen als de
Filippijnen, Rusland, Indonesië, etc.
Ter zake van het
vervallen van de ziekmelding nieuwe stijl verdient het volgende opmerking. In
het voorstel van Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte 2003 was
voorgesteld om de aangifte van ziekte uit te breiden met een aantal
vragen over de totstandkoming van het plan van aanpak. Deze ziekmelding nieuwe stijl is
- mede naar aanleiding van de
parlementaire behandeling
van het voorstel van Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
- uitvoerig besproken in de stuurgroep verbetering poortwachter.
Uitkomst van deze bespreking is dat de stuurgroep - waarin
onder meer UWV, arbodiensten, werkgevers en
werknemers vertegenwoordigd zijn - van oordeel is dat in het veld geen behoefte bestaat aan een
ziekmelding nieuwe stijl. Wel acht de stuurgroep het gewenst om - met
handhaving van de strikte verantwoordelijkheidsverdeling - aan het eind van het
eerste ziektejaar een extra evaluatiemoment door werkgever en
werknemer van de geleverde reïntegratie-inspanningen in te bouwen. De
stuurgroep bereidt hiervoor thans een voorstel voor.
De regering heeft
overeenkomstig het oordeel van de stuurgroep besloten. Daarom komt de
ziekmelding nieuwe stijl in dit wetsvoorstel te vervallen.
Tot slot worden er in
dit
wetsvoorstel op het terrein van het deskundigenoordeel in de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) een aantal
aanpassingen verricht en wordt een aanpassing voorgesteld in artikel 34a
van de WAO. Deze wijzigingen worden toegelicht in het
artikelsgewijze deel van
deze toelichting.
4. Commentaren
Het wetsvoorstel is op 13
mei 2004 voor commentaar voorgelegd aan het UWV, IWI
[Inspectie Werk en Inkomen, red.] en
Actal. In de
loop van juni hebben deze instanties commentaar geleverd. Kern van de
commentaren is dat het wetsvoorstel goed uitvoerbaar en
handhaafbaar is en een bijdrage levert aan vermindering van de administratieve
lasten voor werkgevers ter hoogte van €|1,2
mln door het schrappen van de
ziekmelding nieuwe stijl.
Voorts heeft het
UWV op
een aantal onderdelen commentaar geleverd. Drie punten vragen
daarbij de aandacht.
In de eerste plaats komen
de financiële gevolgen die het UWV in de uitvoeringstoets
presenteert lager uit dan die in hoofdstuk 5 van deze memorie van toelichting.
De financiële gevolgen zijn gebaseerd op de door het UWV verwachte ZW-lasten voor 2004 en het verwachte structurele effect van de
Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte 2003. Op basis hiervan bedragen de
ZW-gerelateerde lasten voor de uitzendsector circa €|190
mln voor
het eerste en tweede ziektejaar en bedraagt de verschuiving van het wgf
[wachtgeldfonds, red.] naar het AWf
circa €|50 mln. In de uitvoeringstoets
geeft het UWV een raming
van de verwachte lasten voor 2005. De verwachte lasten voor
2005 bedragen €|149 mln en de verschuiving €|37 mln. Het verschil kan als
volgt worden verklaard. Allereerst is het effect van de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 op de ZW-lasten in 2005 nog niet
structureel, waardoor de ZW-lasten in de UWV-benadering in 2005 circa €|25
mln
lager uitvallen. Verder gaat het UWV voor 2005 uit van een daling van het
ziekteverzuim bij uitzendkrachten. De regering ziet geen aanleiding de
gepresenteerde financiële gevolgen aan te passen, omdat hierin de effecten
van de verlengde loondoorbetaling nog niet volledig zijn meegenomen.
De financiële gevolgen in de uitvoeringstoets van het UWV geven echter
wel specifiek inzicht in de gevolgen in 2005. Verder zal de voorgestelde maximering elk jaar worden toegepast op de
rblz.|7|
ZW-lasten van het
betreffende jaar, waarbij deze lasten uiteraard in de loop van de jaren kunnen
variëren. De gepresenteerde cijfers hebben in dat licht bezien een
indicatief karakter.
In de tweede plaats heeft het UWV aangegeven er de voorkeur aan te geven dat de nadere regels met betrekking tot de verhaalsregeling niet worden
gesteld door het UWV, maar
door de Minister van SZW. Naar mijn oordeel is het UWV echter bij
uitstek geëquipeerd om deze regels te stellen, gezien de expertise en ervaring
die het UWV in het kader van de Wet verbetering poortwachter heeft
ontwikkeld bij het beoordelen of voldoende reïntegratie-inspanningen
zijn verricht en, ingeval dit niet zo is, welke actie dan geboden is. De
regering ziet derhalve geen aanleiding om het wetsvoorstel aan te passen. Wel is de
passage met betrekking tot het begrip "voldoende
reïntegratie-inspanningen" naar aanleiding van het UWV-commentaar verduidelijkt.
In de derde plaats vraagt
het UWV aandacht voor de tijdigheid waarmee het wordt geïnformeerd
over de te implementeren maatregelen. De regering zal bevorderen dat het
UWV ter zake tijdig wordt geïnformeerd.
Tot slot is een aantal
technische opmerkingen van het UWV in het wetsvoorstel verwerkt.
5. Financiële gevolgen
De voorgestelde methodiek
van maximering houdt in financiële termen in dat de 75% van de ZW-gerelateerde lasten in het wachtgeldfonds voor de
uitzendsector door de
sector zelf worden betaald en dat de overige 25% wordt gefinancierd door
een bijdrage uit het AWf. De ZW-gerelateerde lasten betreffen zowel
uitkeringslasten als werkgeversdelen van de premies
werknemersverzekeringen en uitvoeringskosten die betrekking hebben op het ZW-deel van
het wachtgeldfonds.
De totale uitgaven ten
laste van het wachtgeldfonds van de uitzendsector worden voor 2004 geraamd
op circa €|430 mln, waarvan circa €|140
mln betrekking heeft op het ZW-deel. Als gevolg van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 zal een
verschuiving van het eerste WAO-jaar naar het
tweede ziektejaar optreden. Wanneer ook deze verschuiving wordt
meegenomen, dan zullen de ZW-gerelateerde lasten in het wachtgeldfonds voor
de uitzendsector circa €|190
mln bedragen.
De voorgestelde
maximering betekent een lastenverlichting van circa €|50 mln voor de
uitzendsector. Deze lasten zullen gefinancierd worden door een bijdrage uit het
AWf.
Dit betekent een premieopslag in het AWf
van circa 0,05 à 0,10 procentpunt.
De premielasten van het AWf worden thans verdeeld over werknemers
en werkgevers. De genoemde premieopslag in het AWf tengevolge van
dit wetsvoorstel komt ten laste van werkgevers. Dit heeft voor een aantal
overheidssectoren beperkte financiële gevolgen, die binnen deze sectoren
zelf zullen worden opgevangen.
De genoemde ZW-lasten en
de verschuiving van het wgf naar het AWf zullen meeontwikkelen
met de omvang van de uitzendsector en de ontwikkeling van het
ziekteverzuim. Bovendien zal in 2005 het effect van de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 op de ZW-lasten nog niet zijn
structurele niveau hebben bereikt.
Bij de gekozen wijze van
maximering blijft de prikkelwerking in stand. Vermindering van het
ziekteverzuim door een actieve inzet vanuit de sector blijft leiden tot
lagere lasten. Ook blijven de bestaande premiegroepen gehandhaafd. Derhalve
wordt van de voorgestelde maximering geen ongunstig effect op
het ziekteverzuim verwacht.
Bij het
UWV zullen de
benodigde aanpassingen met slechts beperkte inspanningen kunnen
worden gerealiseerd. Vanwege de eenvoudige vormgeving van de
maximering hoeven ook structureel geen substantiële rblz.|8|
inspanningen te worden
verricht. De voorgestelde wijziging zal daarom niet tot effecten op de uitvoeringskosten leiden.
Door het vervallen van de
ziekmelding nieuwe stijl treedt een verlichting op van de
informatieverplichting voor werkgevers. Daarmee gepaard gaat een beperkte daling van
de administratieve lasten (circa €|1,2
mln). Het voorstel heeft voor het overige
geen gevolgen voor de informatieverplichting voor werkgevers en de administratieve lasten.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van
de Werkloosheidswet
Onderdeel A
Op grond van de in dit
onderdeel voorgestelde wijziging zal wat in beginsel ten laste zou
komen van het wachtgeldfonds voor de uitzendsector, ten laste komen van het
AWf voor zover het meer bedraagt dan het voor dat wachtgeldfonds
op grond van het - in onderdeel B
- voorgestelde artikel
94, derde lid,
van de WW vastgestelde maximum.
Onderdeel B
In het eerste lid van
artikel 94 wordt de term "boekjaar" vervangen door "kalenderjaar". De term
"boekjaar" is in de WW niet gedefinieerd, terwijl deze de facto gelijk is
aan het kalenderjaar.
Op grond van het in dit
onderdeel voorgestelde artikel 94, derde lid, van de
WW stelt het UWV een
maximum vast voor hetgeen per kalenderjaar aan ziekengeldlasten ten
laste van het wachtgeldfonds voor de uitzendsector komt. Het maximum
bedraagt 75% van het bedrag van de uitkeringen, bedoeld in artikel
90, eerste lid, onderdeel
c, van de WW, de uitvoeringskosten met
betrekking tot die uitkeringen en de over die uitkeringen verschuldigde premies die
niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.
In eerste instantie wordt het maximum dat ten laste van het
wachtgeldfonds komt en de bijdrage vanuit het AWf bepaald aan de hand van de
ZW-lasten die voor het komende jaar door het UWV worden geraamd. Dit gebeurt met het oog op de premiestelling voor het
komende jaar. Na afloop
van het jaar worden het maximum en de bijdrage van het AWf door
het UWV definitief bepaald op basis van de gerealiseerde lasten. Voor zover er sprake is van een verschil wordt dit
meegenomen bij het
bepalen van de bedragen die ten laste van het AWf respectievelijk het
wachtgeldfonds komen in daaropvolgende jaren. Het gaat hier om het wachtgeldfonds van de sector die in de
bijlage van de Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren als sector 52 wordt aangeduid. De
werkgevers die onder deze sector vallen, zijn nader aangeduid in het
Besluit indeling uitzendbedrijven.
Onderdeel C
Omdat het
UWV het
maximum, bedoeld in onderdeel B, vaststelt op basis van het bedrag aan
uitkeringen, is het aldus vastgestelde maximum aan de goedkeuring van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderworpen.
Artikel
II. Wijziging van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Artikel 34a, eerste lid,
tweede zin, van de WAO
heeft geen ander doel dan te bepalen dat in de
situatie dat op grond van artikel 71b
van die wet geen reïntegratieverslag
hoeft te worden opgesteld, de aanvraag van een rblz.|9|
WAO-uitkering ook niet
vergezeld hoeft te gaan van zo’n verslag. De letterlijke tekst van artikel
34a, eerste lid, tweede zin, van de WAO
zou evenwel tot de conclusie kunnen
leiden dat in de situatie dat een werknemer die bijvoorbeeld een WW-uitkering ontvangt en daarnaast
werkt en die vervolgens ziek wordt, het door de werkgever tot wie die werknemer in
dienstbetrekking staat op
grond van artikel 71a, derde lid, van de
WAO
op te stellen
reïntegratieverslag niet bij de aanvraag van de WAO-uitkering hoeft te worden
ingediend. Teneinde te verduidelijken dat dat reïntegratieverslag wel
bij de aanvraag van de WAO-uitkering moet worden ingediend, wordt in
de tweede zin van artikel 34a, eerste lid, van de
WAO
de term
"indien" vervangen door de term "voor zover".
Artikel
III. Wijziging
van de Ziektewet
Onderdeel
A, onder 1
Artikel 71a
van de WAO
vormt de basis voor het indienen van een reïntegratieverslag door
de werkgever. Op grond van het eerste lid en derde lid van dat artikel
moet de werkgever ten opzichte van wie de werknemer, bij ongeschiktheid tot
het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon of
aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel
XV, tweede lid, van de
Wet terugdringing ziekteverzuim, uiterlijk twee weken voordat de termijn
is verstreken waarbinnen die werknemer zijn aanvraag voor toekenning
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te doen, een
reïntegratieverslag opstellen.
Aangezien de werkgever
géén verplichting heeft tot doorbetaling van het loon ten aanzien van de
persoon die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c, van de
ZW recht heeft op ziekengeld, is artikel 71a, derde lid, van de
WAO
dan ook niet
van toepassing met betrekking tot een dergelijke persoon. Dit betreft de
werknemer van wie de dienstbetrekking eindigt binnen 104 weken
vanaf de eerste dag van ongeschiktheid tot werken. Ten aanzien van
deze persoon hoefde de werkgever in het geheel geen reïntegratieverslag
op te stellen. In de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 zijn
daarom de tweede tot en met vierde zin toegevoegd aan
artikel 38, tweede lid, van de ZW. Daarin is geregeld dat, indien
tussen de eerste ziektedag en de laatste werkdag voordat de
dienstbetrekking eindigt ten minste zes weken is gelegen, de werkgever uiterlijk op
die laatste werkdag een reïntegratieverslag opstelt en meezendt met de
ziekteaangifte die op die laatste werkdag dient te
worden gedaan.
Anders dan de huidige
tekst van artikel 38, tweede lid, van de ZW
doet vermoeden, is in de tweede
tot en met vierde zin van dat artikellid niet zozeer sprake van een
afwijking van artikel 71a, derde lid,
WAO,
maar van een aanvullende regeling
daarop.
Op grond van de huidige
formulering van artikel 38, tweede lid, tweede zin, van de
ZW geldt de
verplichting tot indiening van het reïntegratieverslag ten aanzien van de
persoon die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel c, van de
ZW recht heeft op ziekengeld op het moment van de aangifte van de ziekte
ook voor de eigenrisicodragers voor de ZW. Dit wordt niet wenselijk
geacht, omdat op de eigenrisicodrager voor de ZW de
reïntegratieverantwoordelijkheid rust gedurende de periode dat hij het ziekengeld betaalt. In
artikel 71b, derde lid, van de WAO
is daarom onder meer artikel
71a, eerste
en derde lid, van de WAO
van overeenkomstige toepassing verklaard.
Eigenrisicodragers voor de ZW zijn op grond daarvan verplicht om een
reïntegratieverslag op te stellen binnen twee weken voordat de termijn
is verstreken waarbinnen die werknemer aanvraag voor toekenning
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering moet indienen.
Door in artikel 38,
tweede lid, tweede zin, van de ZW de zinsnede "in afwijking van
artikel
71a van, derde lid, WAO" te vervangen door "die
rblz.|10|
geen eigenrisicodrager
is" worden feitelijk twee zaken geregeld. Enerzijds wordt bewerkstelligd dat
voor de eigenrisicodragers artikel 38, tweede lid, tweede zin, van de
ZW niet van toepassing is. Anderzijds wordt duidelijk gemaakt dat de tweede tot
en met vierde zin van artikel 38, tweede lid, van de
ZW niet afwijken
van artikel 71a, derde lid, van de WAO,
maar een aanvulling hierop vormen.
Onderdeel
A, onder 2
In
artikel 38, vijfde
lid, wordt geregeld dat de aangifte - en andere verplichtingen van de
werkgever - niet van toepassing zijn indien de werknemer ziekengeld
ontvangt omdat hij een orgaan doneert en daardoor geen arbeid kan
verrichten, in verband met zwangerschap en bevalling of omdat hij
arbeidsgehandicapte is. Deze werkgever heeft wel de verplichting zorg te
dragen voor reïntegratieactiviteiten. Bij de tussentijdse beëindiging van het
dienstverband is het dus niet nodig aangifte bij het UWV
te doen, omdat deze
werknemers al ziekengeld ontvangen. Het is echter wel wenselijk dat
in dat geval door die werkgever een reïntegratieverslag wordt opgesteld, zoals
geregeld in de tweede zin van het tweede lid. Dit wordt alsnog in het vijfde lid geregeld. Voorts wordt
bepaald dat
dit reïntegratieverslag
aan UWV wordt overgelegd.
Onderdeel
A, onder 3
Het voorgestelde
artikel 38, zesde lid, van de ZW
bewerkstelligt dat een met de Regeling
procesgang eerste ziektejaar [Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, red.] overeenkomende regeling kan worden getroffen voor
de situatie dat, op grond van artikel 38, tweede lid, van de
ZW, een
reïntegratieverslag moet worden ingediend bij beëindiging van de dienstbetrekking
tijdens ziekte.
Onderdeel B
Om het reparatoire
karakter van artikel 39a, eerste lid, van de
ZW te benadrukken, wordt in de tweede zin
van dat artikellid de zinsnede "op de aard en ernst van het verzuim,
alsmede" geschrapt. Omdat ook het criterium "aard en ernst" ziet op
de periode die nodig is voor het herstel van de verzuimen, heeft het geen
toegevoegde waarde. Daarnaast schept het naast elkaar hanteren van
die twee criteria onbedoeld de indruk dat er geen sprake zou zijn van
een uitsluitend reparatoir karakter. Deze indruk wordt met het schrappen
van het criterium weggenomen. Voorts wordt in dat artikellid geregeld
dat het vaststellen van het tijdvak waarover het UWV
het ziekengeld
verhaalt, geschiedt aan de hand van door het UWV vast te stellen regels.
In deze regels zal worden vastgelegd welke termijn nodig is voor het alsnog
verrichten van voldoende reïntegratie-inspanningen. Deze regels moeten door
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden
goedgekeurd.
Artikel
IV. Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel A
Op grond van
artikel 30,
eerste lid, onderdeel e, van de Wet SUWI
zoals dat op dit moment luidt,
heeft het UWV tot taak op verzoek van een werkgever of een werknemer een
onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over het bestaan
van ongeschiktheid tot werken of over de nakoming van de verplichtingen die
de werknemer heeft op grond van artikel 660a van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek indien de werknemer een geschil heeft met de
werkgever over recht op loon of recht op bezoldiging. Dit betreft dus twee
verschillende onderzoekstaken waarover het UWV rblz.|11|
een oordeel moet worden
gegeven: ten eerste met betrekking tot het bestaan van
ongeschiktheid tot werken en ten tweede met betrekking tot de nakoming door
de
werknemer van de op hem rustende verplichtingen. Door de onderhavige
wijziging van dat artikellid blijven de voorwaarden ten aanzien van het
onderzoek naar het bestaan van arbeidsongeschiktheid en het geven van een
oordeel hierover ongewijzigd. Ten aanzien van het onderzoek naar de
nakoming van de verplichtingen door de werknemer en het geven van een
oordeel hierover komt het geschilvereiste echter te vervallen,
waardoor de voorwaarden waaronder het UWV tot een dergelijk onderzoek
kan overgaan in overeenstemming worden gebracht met die van het
onderzoek naar de aanwezigheid van passende arbeid c.q. het onderzoek
naar voldoende en geschikte reïntegratie-inspanningen door de werkgever
(artikel 30, eerste lid,
onderdeel f en g). Anders dan bij een
onderzoek naar het al dan niet bestaan van arbeidsongeschiktheid behoeft bij
laatstgenoemde onderzoeken immers niet sprake te zijn van een geschil;
betrokkenen kunnen ook, gegeven de concrete omstandigheden, behoefte
hebben aan een onderzoek om van een derde, in casu het UWV, meer
duidelijkheid te verkrijgen over de te verrichten reïntegratie-inspanningen.
Anticiperend op deze aanpassing hanteert het UWV overigens nu reeds
niet meer het geschilvereiste ten aanzien van het deskundigenoordeel over
de nakoming van de verplichtingen door de werknemer.
Onderdeel B
Op dit moment is in de
Wet SUWI niet geregeld binnen welke termijn het
UWV een oordeel moet
geven naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel
30,
eerste lid, onderdeel e, f of g, van die
wet. Door de
onderhavige wijziging
wordt geregeld dat het UWV een oordeel moet geven binnen twee weken
nadat het UWV het verzoek van de werkgever of de werknemer heeft
ontvangen. Omdat het bij een deskundigenoordeel niet gaat om een besluit
in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
- aan het deskundigenoordeel
zijn immers geen rechtsgevolgen verbonden - is de hier voorgeschreven afhandelingstermijn geen beslistermijn als
bedoeld in die wet. Dit
heeft tot gevolg dat tegen het uitblijven van een tijdige afhandeling van
het deskundigenoordeel geen bezwaar kan worden gemaakt.
Toch is het opnemen van
een afhandelingstermijn wenselijk. Niet alleen geeft het de aanvrager
duidelijkheid over het moment waarop hij het gevraagde oordeel kan
verwachten. Daarnaast maakt het opnemen van de afhandelingstermijn voor
het UWV inzichtelijk welke inspanningen van hem worden verwacht met
betrekking tot het uitbrengen van deskundigenoordelen.
Artikel
VI. Wet
financiering sociale verzekeringen
De
Wet financiering
sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) integreert de bepalingen over de
financiering van de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen in één wet. Het
onderhavige artikel regelt dat vanaf de datum van
inwerkingtreding van de artikelen 7.3.1.12 en
7.3.1.13 van de Wfsv het stellen van
een maximum aan de lasten van het ZW-vangnet die voor rekening komen
van de uitzendsector, en de wijze van financiering hiervan, wordt opgenomen
in de Wfsv. Tot die datum is dat opgenomen in de, op grond van artikel I van
het onderhavige wetsvoorstel
aangepaste, artikelen 90
en 94 van de WW.
rblz.|12|
Artikel
VII.
Inwerkingtreding
Omdat het voorstel tot
maximering van de Ziektewetlasten gevolgen heeft voor de
premievaststelling, is het wenselijk dat in ieder geval dat onderdeel van
dit wetsvoorstel
uiterlijk op 30 december 2004 in werking treedt. Op grond van artikel 12,
eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet moet er ten minste zes weken
zitten tussen de mededeling van de bekrachtiging van een referendabele wet
in de Staatscourant en het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. Gelet op de
tijdspanne gelegen tussen het tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel en de gewenste datum van inwerkingtreding
van onderdelen daarvan
wordt in de inwerkingtredingsbepaling de mogelijkheid ingebouwd
in het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding regelt die voor
onderdelen verschillend kan zijn, toepassing te geven aan artikel 16 van de
Tijdelijke referendumwet en derhalve een uitzondering te maken op artikel 12
van die wet.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|