|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 29 850
Wijziging
van de Wet werk en bijstand in verband met het
verlenen van een financiële tegemoetkoming aan personen die een
ouderdomspensioen op grond van de AOW
ontvangen, alsmede in verband met enige aspecten van de
financieringssystematiek
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Het onderhavige wetsvoorstel voorziet enerzijds in een noodzakelijke
technische wijziging van de Wet werk en bijstand
(Wwb) in verband met
het met ingang van 1 januari 2005 verlenen van een financiële
tegemoetkoming aan personen met een
ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet [zie Tijdelijke regeling
tegemoetkoming AOW-ers, red.], te weten een wijziging van de artikelen 22
(Normen 65 jaar en ouder)
en 38 (Aanpassing normen en bedragen), en anderzijds in een
wijziging van de Wwb
met betrekking tot een tweetal aspecten van de financieringssystematiek, te weten een wijziging van
artikel 71 (Aanpassing
uitkering inkomensdeel) en een wijziging van artikel 74 (Aanvulling
uitkering inkomensdeel).
Artikel I,
onderdeel A
en B
(wijziging van de artikelen 22 en 38, derde lid, van de Wwb) [gewijzigd, resp.
vervallen, red.]
Bij de behandeling van
het koopkrachtbeeld 2005 heeft het kabinet geoordeeld dat voor onder andere
ouderen met een laag inkomen de negatieve inkomenseffecten beperkt
zouden moeten blijven. Om ook de groep ouderen te bereiken die
niet kunnen profiteren van een verhoging van de ouderenkorting, is
besloten tot de invoering met ingang van 1 januari 2005 van een financiële
tegemoetkoming naast het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) voor AOW-gerechtigden. Als op dit ouderdomspensioen een korting ingevolge
artikel 9 AOW
plaatsvindt in verband met
onvoldoende opbouwjaren, geldt die korting gelijkelijk voor de financiële
tegemoetkoming. Door de onderhavige wijziging van de Wwb
wordt bereikt
dat personen met een gekort ouderdomspensioen via een verhoging van de bijstandsnorm alsnog de volledige tegemoetkoming
kunnen ontvangen,
uiteraard voor zover zij ook aan de overige voorwaarden voor
het recht op bijstand voldoen. Daarnaast biedt de onderhavige wijziging
de colleges van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de
tegemoetkoming, als zijnde een verhoging van de bijstandsnorm, buiten
aanmerking te laten bij de verlening van bijzondere bijstand.
Om uitvoeringstechnische
reden is de voorkeur gegeven aan verhoging van de bijstandsnorm door
wijziging van artikel 22 Wwb
boven buiten aanmerking laten van de
tegemoetkoming door een wijziging van artikel 31
Wwb.
Buiten aanmerking laten van de tegemoetkoming leidt namelijk niet tot aanvulling van
een onvolledige tegemoetkoming. Voorts heeft de rblz.|2|
gekozen wijziging als
voordeel dat de gemeente het bedrag dat de betrokkene van de
Sociale
verzekeringsbank ontvangt voor de verrekening met de bijstand niet hoeft
te
splitsen in een AOW-deel en een
tegemoetkomingsdeel. Het
ouderdomspensioen plus tegemoetkoming die naast dat pensioen wordt
betaald, kunnen direct in mindering worden gebracht op bijstandsnorm
plus verhoging. In overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
zal nader worden bezien hoe de uitvoering van de onderhavige
wijziging op de meest eenvoudige wijze vorm kan krijgen.
De hoogte van
vorenbedoelde tegemoetkoming is afhankelijk van het huishoudtype en is een
brutobedrag. Omdat de Wwb uitgaat van
nettobedragen, zullen de brutobedragen van de tegemoetkoming worden herleid tot
nettobedragen. Daartoe worden bedoelde brutobedragen verminderd met daarover
in te houden loonbelasting en ziekenfondspremie. De nettobedragen,
waarvan de hoogte evenals bij de tegemoetkoming afhankelijk is van het
huishoudtype, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
De wijziging van artikel
38 Wwb
regelt dat de verhoging, die, zoals hiervoor aangegeven, een vast nominatief bedrag is, buiten de indexering van
de Wwb blijft. De
verhoging geldt voor 2005 en moet met ingang van 1 januari 2005 in werking
treden. Nadere besluitvorming over de tegemoetkoming en de verhoging zullen
plaatsvinden bij het koopkrachtbeeld 2006.
Artikel I, onderdeel C
(wijziging van artikel 71 van de Wwb)
Het budget dat per
gemeente wordt verstrekt voor het inkomensdeel (de uitkering op grond van
artikel 69, eerste lid, onderdeel b, Wwb) wordt in
september voorafgaand aan
het uitvoeringsjaar voorlopig vastgesteld door het op grond van
artikel 69, tweede lid, vastgestelde verdeelmodel toe te passen op het dan
geraamde macrobudget. De raming van het macrobudget is op dat
moment nog niet nauwkeurig genoeg. In september van het
uitvoeringsjaar (t) wordt die daarom nog geactualiseerd op basis van definitieve
realisatiecijfers over het basisjaar voor de raming (t-1), nieuwe
inzichten in de conjunctuur en gevolgen van rijksbeleid. Dit vloeit voort uit
artikel 71, eerste lid, Wwb. De verdeling blijft
echter ongewijzigd.
Artikel 71, tweede lid, Wwb
staat nu namelijk alleen toe dat het gemeentelijk
budget wordt aangepast voor wijzigingen in het macrobudget. Met name
groeigemeenten ondervinden er nadeel van dat bij de definitieve
vaststelling van het budget in september van jaar t de verdeling gebaseerd is op
cijfers die in september t-1 beschikbaar waren. Het aantal huishoudens,
waarmee de bijstandslasten samenhangen, is immers toegenomen.
Mede op verzoek van de
Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer is
nagegaan op welke wijze hier verandering in gebracht kan worden
(Kamerstukken II 2003-2004, 28 870, nr. 118). De oplossing is erin
gelegen om bij de definitieve vaststelling uit te gaan van een recentere peildatum
voor het bepalen van het aantal eenheden van elke gemeente op de
verdeelmaatstaven en andere rekengegevens die in het verdeelmodel worden
gebruikt. In het bijzonder gaat de aandacht daarbij uit naar het
aantal huishoudens, omdat dit zowel voor de kleinere gemeenten - die bij de
vaststelling van het budget slechts in beperkte mate te maken hebben met
de maatstaven van het objectief verdeelmodel - als voor de grotere
gemeenten een bepalend element in de berekening is. Uit een simulatie van
de effecten voor afzonderlijke gemeenten blijkt dat het gebruik maken van
een actueler aantal huishoudens de negatieve herverdeeleffecten van
groeigemeenten in belangrijke mate oplost zonder dat dit tot
onoverkomelijk grote nieuwe herverdeeleffecten leidt.
rblz.|3|
De mogelijkheid die nu
wordt gecreëerd om bij de definitieve vaststelling uit te gaan van een
recentere peildatum voor het bepalen van het aantal eenheden van elke gemeente
op de verdeelmaatstaven en andere rekengegevens die in het verdeelmodel
worden gebruikt (mogelijkheid tot actualisatie), is van overeenkomstige toepassing op het budget voor het
werkdeel, te weten de
uitkering op grond van artikel 69, eerste lid, onderdeel
a,
Wwb. Wordt van de
mogelijkheid tot actualisatie van de peildatum gebruik gemaakt, dan doet
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervan mededeling in de
Staatscourant. De actualisatie vindt, zo blijkt uit artikel
71,
derde lid, plaats "bij de toepassing van het tweede lid" en wordt dus
meegenomen
bij de definitieve vaststelling van het budget. Omdat de Tweede Kamer met
het oog op de problematiek van groeigemeenten heeft aangedrongen op
snelle effectuering van het voornemen de berekeningsmethode te
wijzigen, is het van belang deze wijziging met ingang van 1 januari 2005
in werking te doen treden. In de beschikking waarmee in september 2004
het voorlopige budget voor het jaar 2005 wordt toegekend, is van
dit voornemen melding gemaakt.
Artikel I, onderdeel D
(wijziging van artikel 74, tweede lid, van de Wwb)
Onder voorwaarden kan een
gemeente een beroep doen op een aanvullende uitkering op haar
I-budget [budget inkomensdeel, red.]. Een verzoek hiertoe wordt ingediend bij en beoordeeld door de in
artikel 73 Wwb
bedoelde toetsingscommissie. Deze commissie beoordeelt
of de gemeente voldoet aan de ter zake op grond van artikel
74,
derde lid, bij lagere regelgeving gestelde voorwaarden. De beslissing op het
verzoek wordt genomen door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, die daarbij het advies van de toetsingscommissie en het
oordeel van de Inspectie Werk en Inkomen betrekt.
In 2005 kunnen gemeenten
voor het eerst een verzoek om aanvullende uitkering over 2004
indienen. Om de zorgvuldige afhandeling van gemeentelijke verzoeken
te bevorderen, is het wenselijk dat verzoeken van verschillende gemeenten
met elkaar vergeleken kunnen worden alvorens tot definitieve
afwegingen en oordelen te komen. Dit draagt niet alleen bij aan het uitgangspunt dat
gelijke gevallen gelijk worden behandeld, maar creëert ook de
mogelijkheid - zo de noodzaak daartoe zou blijken - om bij de beslissing op
de
verzoeken rekening te houden met onvoorziene of onverwachte
omstandigheden indien die omstandigheden hebben geleid tot overschrijding van de
eigenrisicodrempel van 10%.
De huidige regeling
omtrent verzoeken en beslissen draagt onvoldoende bij aan de gewenste
zorgvuldige afhandeling. De oorzaak hiervan is gelegen in enerzijds het
feit dat gemeentelijke verzoeken over (nagenoeg) het gehele jaar gespreid
kunnen worden ingediend en anderzijds dat de beslissing hierop, op grond van de
Algemene wet bestuursrecht, binnen acht weken genomen moet
worden. De gewenste zorgvuldigheid kan worden bevorderd door bij
ministeriële regeling enerzijds te regelen dat het indienen van verzoeken om
een aanvullend budget vóór een vaste datum (1 augustus) moet
plaatsvinden en anderzijds te regelen dat de minister vanaf deze datum zijn
beslissing neemt vóór 1 januari daarop aansluitend. Als bijkomend voordeel
heeft deze constructie dat bij de start van de beslistermijn ook de CBS-cijfers
[CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek, red.]
over de landelijke in- en uitstroom bekend
zijn. Voor de beoordeling
of in de tekortgemeente sprake is van een uitzonderlijke situatie
op de arbeidsmarkt zijn immers niet alleen de lokale, maar ook de landelijke gegevens van belang. Naar verwachting
zullen de landelijke
cijfers over jaar t-1 (het jaar waarop het verzoek van de gemeente betrekking
heeft) pas medio het daaropvolgende jaar ter beschikking komen. Indien
na enkele jaren door alle betrokken partijen voldoende ervaring is
opgedaan met de aanvullende uitkering en de wegings- en
beoordelingsfactoren van de toetsingscommissie respectievelijk de Inspectie
Werk en
Inkomen een uitgebalanceerd karakter hebben rblz.|4|
gekregen, zal worden
beoordeeld of een verkorting van de aanvraag- en beslistermijnen in de
rede ligt.
Om zo flexibel mogelijk
te kunnen inspelen op onvoorziene ontwikkelingen en gewijzigde wensen, behoeften en mogelijkheden van de hierboven
vermelde betrokken
partijen, verdient het aanbeveling de regels omtrent de aanvraag- en
beslistermijn bij ministeriële regeling vast te stellen. Het gewijzigde
tweede lid van artikel 74 van de Wwb
biedt hiervoor de wettelijke basis. Bij
de vaststelling van de ministeriële regels zal uiteraard rekening worden
gehouden met de opvattingen van gemeenten. Om te voorkomen dat in
2005 twee, in de tijd op elkaar aansluitende, aanvraag- en
beslisprocedures zullen gaan gelden, is het belangrijk dat de wijziging van
artikel 74,
tweede lid, Wwb, met ingang van 1 januari 2005
tot stand komt.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
|
|