|
BESLUIT van 30 december 2004,
Stb. 2005, 16, tot wijziging van de
Algemene wet bestuursrecht,
de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering
griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Justitie
van 17 november 2004, nr. 5318685/04/6;
Gelet op artikel 8:41,
vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
de artikelen 27b, tweede lid, 27l, vijfde lid, en artikel 29a, vijfde lid, van
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, artikel
22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel
24, zesde lid, van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie,
artikel 40, zesde lid, van de Wet
op de Raad van State, artikel 46,
vierde lid, van de Wet
op de rechtsbijstand en
artikel 1, tweede lid, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken;
De Raad van State
gehoord (advies van 2 december 2004, nr. W03.04.0565/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 21 december 2004, nr. 5317716/04/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. I.
In de in de kolommen C tot
en met E van onderstaande tabel aangeduide bepalingen van de in kolom B
genoemde wetten wordt de in kolom F opgenomen tekst telkens
vervangen door de in kolom G opgenomen tekst.¹
| MINISTERIE
VAN JUSTITIE |
| A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
| Nr. |
Wet |
Artikel |
Lid |
Onderdeel |
Huidigertekst |
Nieuwertekst |
| 1 |
Awb |
8:41 |
3 |
b |
€|136,00 |
€|138,00 |
| 2 |
Awb |
8:41 |
3 |
c |
€|273,00 |
€|276,00 |
| 3 |
Bw |
22 |
2 |
a |
€|102,00 |
€|103,00 |
| 4 |
Bw |
22 |
2 |
b |
€|205,00 |
€|207,00 |
| 5 |
Bw |
22 |
2 |
c |
€|409,00 |
€|414,00 |
| 6 |
Bw |
22 |
3 |
|
€|409,00 |
€|414,00 |
1. In de tabel zijn enkel de
voor de socialezekerheidswetgeving relevante wetten opgenomen, red.
Art. II.
-1. Ten aanzien van rechten
die verschuldigd zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding
van dit besluit blijft het recht zoals dat vóór die datum gold van
toepassing.
-2. Indien op de dag waarop
dit besluit in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op
een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van
toepassing.
-3. Indien op de dag waarop
dit besluit in werking treedt tegen een uitspraak van een
administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger
beroep van toepassing.
Art. III.
Dit besluit treedt in
werking op 1 februari 2005.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30 december
2004
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de dertiende
januari 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[30 december 2004]
Algemeen
Dit besluit
strekt ertoe het merendeel van de griffierechten in de Algemene wet
bestuursrecht, de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, de Beroepswet,
de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet
op de Raad van State en de Wet
op de rechtsbijstand alsmede tarieven in de Wet
tarieven in burgerlijke zaken te verhogen met het percentage waarmee de
consumentenprijsindex (CPI) vanaf 31 augustus 2003 tot en met 31
augustus 2004 is gestegen.
Ingevolge de artikelen 8:41,
vijfde lid, Awb,
27b, tweede lid, 27l, vijfde lid, en 29a, vijfde
lid, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken, 22, zesde lid, van de
Beroepswet,
24, zesde lid, van de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, 40,
zesde lid, van de Wet
op de Raad van State, 46, vierde lid, van de Wet
op de rechtsbijstand en 7.67 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kunnen de griffierechten zoals vermeld in
voornoemde wetten bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
indien het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding
geeft. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) kunnen de bedragen, genoemd in de eerste titel
van die
wet, bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd indien
het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
De griffierechten zoals vermeld in de hiervoor genoemde wetten zijn naar
aanleiding van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor de
laatste maal geïndexeerd bij Besluit van 30 januari 2004 tot wijziging
van de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet
tarieven in burgerlijke zaken en enkele andere wetten (indexering
griffierechten bestuursrechtelijke en civielrechtelijke wetten) (Stb.
2004, 37). Deze indexering had betrekking op de periode 31 augustus 2002
tot en met 31 augustus 2003. De huidige indexering ziet op het tijdvak
31 augustus 2003 tot en met 31 augustus 2004.
Volgens berekeningen van het
Centraal Bureau voor de Statistiek
bedragen de consumentenprijsindexcijfers totalen (alle huishoudens
afgeleid), 2000 = 100, voor augustus 2003: 110 en voor augustus 2004:
111,2. Gedurende de hiervoor genoemde periode is de bedoelde index
derhalve met 1,09% gestegen (111,2 : 110 * 100 = 101,09091 - 100 =
1,09091, afgerond 1,09%). Met deze stijging van het prijsindexcijfer
wordt in dit besluit rekening gehouden door elk bedrag aan griffierecht
en elk bedrag aan vast recht met 1,09% te verhogen. De bedragen die op
deze wijze worden verkregen, worden afgerond op hele euro’s.
Een aantal griffierechten zijn niet geïndexeerd. Dit is het gevolg van
de gehanteerde afrondingsmethode. Het betreft de griffierechten in de
volgende artikelen:
- artikel artikel
8:41,
derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet
bestuursrecht;
- artikel 46, tweede lid, van de Wet
op de rechtsbijstand;
- artikel 2, tweede lid, onderdeel 1º, onder a, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken;
- artikel 27b, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen; en
- artikel 7:67 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Het griffierecht zoals dat is opgenomen in artikel 2, tweede lid,
onderdeel 1º, onder c, van de Wet
tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz)
is evenmin geïndexeerd. Indexering is achterwege gebleven aangezien het
griffierecht anders hoger zou zijn dan de minimumgeldsom zoals in het
artikel vermeldt. De griffierechten zoals deze zijn opgenomen in het
zevende en achtste lid van artikel 13 van de Wtbz
zijn bij de laatste
indexering niet meegenomen. Reden hiervoor was dat in verband met de afronding
het vast recht ook na indexering €|15,-
zou bedragen. Ook bij de thans
uitgevoerde indexering blijven deze bedragen in de wet ongewijzigd.
Uitgangspunt is het indexcijfer van augustus 2002, het moment waarop
deze bedragen voor het laatst zijn geïndexeerd. Het indexcijfer was
destijds 107,7. In augustus 2004 is het indexcijfer 111,2. Indien de
berekening wordt uitgevoerd (111,2 : 107,7 * 100 = 103,24976 - 100 =
3,25%; 3,25% * 15 = 0,48 + 15 = 15,48, afgerond 15) blijkt dat het griffierecht
ook thans €|15,-
bedraagt.
In
dit besluit wordt ervan uitgegaan dat het voorstel van wet tot wijziging
van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Algemene
wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met de invoering van
hoger beroep bij de rechtbank, alsmede van hoger
beroep bij het gerechtshof, in belastingzaken (Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) (Kamerstukken II
2003-2004, 29 251) reeds in werking is getreden. Als gevolg van dit
wetsvoorstel wordt belastingrechtspraak in twee feitelijke
instanties ingevoerd. Voor een nadere toelichting op het wetsvoorstel
wordt hierbij verwezen naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II
2003-2004, 29 251, nr. 3). Voor dit besluit heeft het wetsvoorstel ten
opzichte van het laatste indexeringsbesluit tot gevolg dat in de tabel
het griffierecht van artikel 27b van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) betrekking heeft op de procedure bij de
rechtbank (was gerechtshof) en in een nieuw artikel 27l Awr
het
griffierecht is opgenomen van de procedure bij het gerechtshof. Artikel
29a is voor wat het verschuldigde griffierecht betreft indien
beroep in cassatie bij de Hoge Raad wordt
ingesteld, niet gewijzigd.
Overgangsrecht
In artikel
II is het overgangsrecht opgenomen. Uitgangspunt is daarbij dat
indien op de dag waarop dit besluit in werking is getreden een
griffierecht verschuldigd is, het oude recht (lees: het lagere
griffierecht) van toepassing is. Dat betekent ook dat in geval van een
kostenveroordeling alleen het griffierecht dat daadwerkelijk is betaald
in rekening zal worden gebracht. Wordt vervolgens hoger beroep
ingesteld, dan wordt daarvoor het nieuwe recht gehanteerd.
Bij de bestuursrechtelijke zaken is een regeling opgenomen voor de
besluiten die (uiterlijk) op de dag vóór de dag waarop dit besluit in
werking is getreden bekend zijn gemaakt, ten aanzien waarvan op die dag
de beroepstermijn van zes weken nog openstaat en waartegen nog geen
beroepschrift is ingediend. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de beroepstermijn zes
weken, te rekenen vanaf de dag waarop het besluit bekendgemaakt wordt.
Eenvoudigheidshalve wordt bepaald dat ten aanzien van besluiten die
(uiterlijk) op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit besluit
bekendgemaakt zijn en waartegen bij een administratieve rechter (zie artikel 1:4
Awb)
nog tijdig in beroep kan worden gekomen, het oude recht van toepassing
blijft. In het derde lid is een vergelijkbare bepaling opgenomen ten
aanzien van het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van een
administratieve rechter.
De Minister van
Justitie,
J.P.H. Donner
|
|